6
Op herhaling
We zouden het allemaal nog eens overdoen. Een begrafenis zonder lijk, maar wel met muziek en woorden. Saskia stak een kaars aan en zette een foto van Ada op tafel. Mijn moeder legde een kussen op haar stoel en keek tevreden om zich heen, het gezin verzameld… ja, goed dat ik gekomen was! Toch naar mijn innerlijke stem geluisterd, want wees eerlijk, hield ik niet meer van mijn familie dan ik toe wou geven? Ik las mijn toespraak voor en de violen sijpelden uit de cd-speler. Jana moest het ook beleven, of ze nou wilde of niet. De meegebrachte video bleef steken, meneer Korsts geste paste niet in Canada, ander systeem. ‘Jammer, we stonden er zo prachtig op,’ zei mijn moeder.
Vertellen dus, van kist tot rozentuin… de rouwadvertentie, de bloemen, wat we droegen, het weer, geen detail werd Jana bespaard. ‘Hebben jullie die twee regenbogen gezien?’ vroeg Saskia, ‘op het moment dat de stoet het plein van de begraafplaats opreed verschenen er twee regenbogen boven de aula. Toen we na afloop wegliepen, verdwenen ze op slag.’
Was het niet wonderlijk? Er stond me niets van bij, maar Saskia had nu eenmaal een fijn zintuig voor wat zich boven onze hoofden afspeelde. Mijn moeder keek onwillekeurig naar buiten, grijze poollucht… tja, mogelijk, niks van gemerkt die dag, maar nu ze het achteraf hoorde zag ze het toch als een teken. Hoe dan ook, het was een droeve maar mooie bijeenkomst geweest, jammer dat Jana er toen niet bij kon zijn. Ook ik keek het raam uit, om mijn ergernis te verbergen; moest ik nou echt twee volle weken tussen deze gekken zitten?
Na de cake – surprise, surprise, in Hollandse boter gebakken, die Saskia toch, ze dacht ook aan alles – kwamen de rouwlinten, de kaartjes en het condoleanceregister op tafel. Wie had die onsmakelijke souvenirs meegenomen? Saskia stak een klein vingertje op: Het gaat om de evocatie, om het samen beleven, dit maakt het compleet. Jana bladerde door het condoleanceregister, toe maar, wat een namen. Kreeg je zo makkelijk vrij voor een begrafenis in Nederland? Wat waren we toch een rijk land geworden. De meeste namen zeiden haar niets… Tante Nikki, Els, ja, ze zou ze eigenlijk eens moeten schrijven, maar wat? Op papier ging je zo gauw klagen.
Er gleden een paar foto’s uit het register. Ada opgebaard in haar pyjama, het flitslicht had een aureool op het glas achtergelaten. ‘Wat een scharminkel,’ zei Jana, ‘arm kind, had ik je maar kunnen voeren.’ Nee, zo zou zij niet sterven. Jana zwol alleen maar op. Ze nam de laatste twee plakken cake en propte ze tegelijk naar binnen. Haar nylonpruik bewoog op het ritme van haar kauwen. Eten gaf tenminste nog iets van vreugde, het huis kwam ze niet meer uit, of het moest op en neer naar het ziekenhuis zijn, en zelfs dat hoefde niet meer. Opgegeven, ook de chemo was gestaakt. Verder zat ze maar de hele dag, hoog op een kussen, krakend in de pampers.
Wat ze innam hield ze vast, ondanks het plaskruid van mijn moeder. Haar benen waren pilaren vol water en de gezwellen in haar lies klopten als een pad. De kanker brak aan alle kanten door. ’s Morgens werd ze uit haar bed achter een tafel geplant, ’s avonds hees haar man haar met de stoeltjeslift naar boven. Lopen kon ze niet meer, haar beide heupen waren kapot, en liggen wou ze niet, ze moest leven zien, vogels, wolken, en de laatste planten, de rode bomen en de heuvels ver weg. Errol had speciaal voor haar een glazen erker achter aan het huis gebouwd en daar zaten we – de zieke met haar moeder, broer en zus.
Zitten en vervelen en hardop zeggen wat je ziet. ‘Gut, een zeemeeuw, vliegen die zo ver landinwaarts?’
‘De meren zijn hier zeeën.’
‘Maar niet zout.’
‘Nee, dat niet.’
En toen de buitenboel was dood gekeken, haalden we herinneringen op. Het koloniehuis, de eerste jaren aan de kust, en later, langzaam en onwillig, kwam eindelijk Indië ter sprake. De eilanden, de tijd van de buitengewesten, van groen licht in de rimboe, vliegende eekhoorns, wilde katten en olifanten op het terrein. Saskia bleef er maar naar vragen, haar zuster had nog een echte jeugd in Indië gehad en daar wist ze eigenlijk niets van: hoe vaak verhuisd? hoe was het op Bali in die tijd en de Koeboes, heb jij ze ooit in het echt gezien? Jana krabde aan haar pruik, denken maakte haar moe. Maar samen met haar moeder kwam er toch nog heel wat boven. Gut, weet je nog, gut, weet je nog, en dat de hele dag. Ik hoorde niets nieuws, ook al kende ik de namen van de streken en de vulkanen niet en de smaken van vruchten en siropen.
Saskia wilde de oude fotoalbums nog eens inkijken. ‘Waar heb ik ze?’ vroeg Jana zich vertwijfeld af. Na een strooptocht door de kasten legde Saskia ze mopperend op tafel. Hoe kon haar zus er zo nonchalant mee omgaan, het waren erfstukken, foto’s die voor de oorlog naar Holland waren opgestuurd, om de Waldenzen gerust te stellen hoe vredig en exotisch het leven in de kolonie wel niet was. Jana had de albums bij haar emigratie meegekregen – ‘ingepikt,’ zei Saskia – vroeger keek ze er nog weleens in. ‘Maar het deed ook pijn, weet je. We moesten hier voort, met omkijken redde je het niet.’
De eerste fotobladen sloeg Jana ruw om, het spinnenwebvloei scheurde tussen haar vingers. Ze leek niet tevreden met wat ze zag: de huizen op de buitenposten vond ze klein en primitief, en ze stond overal stom op, in haar hoofd was het groter en mooier. Maar halverwege vertraagde haar hand en droomde ze weg boven de zwartwit vergezichten. Zeker, een tropenjeugd kroop onder je huid, zoiets bepaalde je hele leven, alleen, wat moest ze er nog mee? Wie kon na haar dood in deze herinneringen delen? In Canada hadden ze nog nooit van Nederlands-Indië gehoord. Ze werd zich plotseling bewust dat met haar ook de verhalen bij de foto’s zouden sterven. Errol stond niet open voor die dingen. De schaar erin. Ze zou de boel eens mooi verdelen. Dit was haar erfenis. Ze graaide naar de schaar die op de stapel kranten naast haar lag en knipte even in de lucht. ‘Hier Sas, je vader bij de resident en een tijger met een stok onder zijn kaak, door hem persoonlijk geschoten. En deze, mijn wasbeer die zo aan je kleren sabbelde, geef die maar aan Aram, kan hij op school laten zien.’ Ze lachte luid haar dromen weg en knipte om de kartels en ovalen. Blad na blad ging eraan.
‘Stop het Jana, stop het,’ riep mijn moeder, onbewust mengde ze Engels door haar woorden, want waar ze ook zat, ze paste zich aan. Maar Jana wilde van geen stoppen horen: ‘Ik wil niet dat die foto’s later bij de vuilnis liggen.’ Saskia trok ze uit haar vingers en zocht hebberig de mooiste uit.
‘En je kinderen dan?’ vroeg mijn moeder.
Die? Te jong, te onverschillig, nee, die wilden niets van het verleden weten, history, old stuff.
O, die kinderen, ze stonden ingelijst op het dressoir, dik en lelijk. School mislukte en het werk eveneens: haar zoon zat in het leger en stond ergens op een basis parachutes te vouwen, haar dochter werkte in een supermarkt in de buurt. College niet afgemaakt, geen enkel diploma, geen kinderen om trots op te zijn. We zagen ze nauwelijks, Jana hield ze liever op de achtergrond sinds wij er waren. ‘Ze willen Canadees zijn, weet je, hetzelfde als iedereen, ze schamen zich een beetje voor onze achtergrond en zo.’
Maar de keren dat haar dochter na werktijd langskwam, vet van een baby die nog een maand op zich liet wachten, wilde ze juist alles van ons weten. Ze hing om mijn moeders nek… granny voor en granny na, ze wilde graag familie hebben… en keek jaloers naar de foto’s die in stapeltjes voor ons lagen.
‘Wie is die neger?’ vroeg ze.
‘Je grootvader,’ zei mijn moeder, ‘en hij is niet zwart maar bruin, een Menadonees.’ Het kind graaide in de foto’s, wel, dit had ze nooit geweten… tijgers in Indonesië? Een huis op palen? Haar moeder als meisje met een varken aan een touw. En oei, wat eng, drie bruine militairen achter een kanon, luitenant Van Capellen kijkt trots toe.
Saskia sloeg haar handen voor haar ogen. Hoe kon haar nichtje zo onnozel zijn, had haar zuster dan nooit iets verteld? ‘Hoe is het mogelijk, het belangrijkste deel van je leven.’
Jana knipte onverstoorbaar verder. Mijn moeder trok stilletjes het karton achter de foto’s los.
‘Mammie en jij zijn alle twee hetzelfde,’ zei Saskia, ‘jullie gaan elke confrontatie uit de weg. Als je de problemen uit het verleden niet oplost, sleep je ze later als een loden last mee.’
‘Zo lang zal het niet meer duren,’ zei Jana.
‘Je zult nog meer pijn lijden.’
‘Daar zijn pillen voor.’
‘Dat dacht ik vroeger ook.’ Saskia rechtte haar rug en deed haar best minachtend te kijken. ‘En het kamp? Je hebt ze toch wel iets over het kamp verteld?’
‘Nee niks,’ zei Jana fel, ‘wat moeten ze ermee?’
‘Kijk naar je dochter,’ riep Saskia, ‘hoe ziet ze eruit? Een halve Chinees, heb je haar dat uitgelegd? Je ontneemt je kinderen hun achtergrond.’ Ze slikte haar tranen weg.
‘Dit land is een mishmash, alle kleuren, alle soorten, dat maakt ons Canadees.’
We vielen in herhaling.
De schaar kliefde door de lucht, vroeger was verknipt. De verwarming ging wat hoger en het laatste maple-leaf viel. De wereld kromp om ons heen. Tja, wat kon je verder doen, een kopje thee, wat vijgenkoek erbij en stil naar buiten kijken. En nog meer knippen, natuurlijk. We hadden de smaak nou te pakken. Lekker zitten en knippen. En er viel zoveel te knippen: stapels kranten vol couponnen, voordeelkoopjes uit de ingestoken kleurenfolders. Alle wensen binnen handbereik, spaar met uw schaar: ‘Tuinstoel twee dollar korting.’ ‘Tweede pak zeeppoeder gratis bij inlevering van deze bon.’ Jana greep haar laatste buitenkansen en mijn moeder knipte mee.
De kaars bleef branden, Ada’s portret kreeg een ereplaats en Saskia uitte haar verdriet door keer op keer de vioolfantasieën op te zetten. De papieren zakdoeken vlogen de doos uit.
Elke ochtend tegen elven kwam de verpleegster langs: wassen, pillen, schoon verband en weg. Jana’s benen stierven langzaam af, haar tenen waren al zwart. Hoe lang nog? Niemand kon het zeggen, ook Saskia kreeg geen duidelijke datum door. Om haar ongeduld te verhullen stortte ze zich op haar oude vak. Ze wikkelde haar zuster in zachtere luiers, pelde het rotte vlees af en kocht lavendelwater om de nare geuren weg te wassen. (Met korting, aan couponnen geen gebrek.)
Maar luiers en liefde waren haar niet genoeg, nu haar zuster zichtbaar zwakker werd en haar weerbaarheid verloor, wilde ze ook de wonden van de ziel uitwassen. Het kamp. Ze moest erover praten. Saskia voelde zich zo schuldig, zei ze, die versleten heupen, kwam dat niet door het kamp? Jana had haar altijd moeten dragen. Ze had zichzelf te weinig ontzien: koken, water dragen, de klein-tjes bezighouden, haar moeder verplegen. Jana was de sterkste toen en nu moest ze tol betalen.
‘Weet je nog die keer dat we van de Boei naar de trein moesten lopen?’ vroeg Saskia. ‘We mochten alleen maar meenemen wat we konden dragen, ik kreeg de kan, maar hij was zo zwaar. Jij hielp me, jij nam het oor, ik hield de bodem vast en zo telde ik toch nog mee. “Mammie, ik moet zo plassen,” zei ik. “Doe maar in je broek.” We moesten door, de natte stof schuurde tussen mijn benen. Jij tilde me op en zette me op je heup. En je droeg al zoveel. Na de trein, in Sawahloento, moesten we verder in vrachtwagens. Ik kon jullie nergens vinden en was naar voren toe gelopen. Mammie in paniek, maar jij vond me, spelend tussen de wielen, bijna verpletterd onder een oprijdende vrachtwagen.’ Hoe kon ze Jana daarvoor bedanken?
Praten, praten, tot het laatste pus was uitgelepeld. Mijn moeder keek meewarig naar haar jongste dochter, ze had Saskia het verhaal zelf verteld en nu werd haar verweten dat ze zweeg.
Ik zag het een week aan en het verbaasde me dat ik nog niemand had vermoord, ik overtrof mezelf in geduld oefenen. De eerste dagen zat ik nog vreemd en eenzaam tussen mijn familie, maar de ergernis ebde langzaam weg en ik voelde mezelf zachter en liever worden. Zitten, luisteren, geen verzet, misschien was het een vorm van houden van.
Mijn moeder en Saskia klampten zich aan me vast, ik moest ze rijden, met ze ontbijten en dineren. We sliepen in hetzelfde motel, een kwartier rijden van Jana’s huis, ze woonde te klein voor drie logés en we wilden haar met het eten niet tot last zijn. Bovendien kon geen van ons haar man goed uitstaan. De paar jaar grote vaart hadden Errol er niet fijnzinniger op gemaakt, tegenwoordig deed hij iets in scheepsapparatuur en hij was gewend boven motoren uit te schreeuwen. Als hij ’s morgens naar zijn werk ging losten wij hem af; na zessen trokken we ons terug in het motel. Hij wantrouwde onze aanwezigheid, we zaten hem te veel op Jana’s dood te wachten. En omdat hij met zijn boosheid geen raad wist, vloekte hij maar op onze taal. Hij weigerde Nederlands te praten: ‘Dutch is useless, it doesn’t bring you anywhere in Canada.’ Soms verstonden we zijn Engels niet.
Jana schikte zich in de grove manieren van haar man, sinds hun eerste kind spraken ze ook onderling geen Nederlands meer. Ze had het allang opgegeven zijn uitspraak te verbeteren. Vreemd, er vielen steeds meer gaten in haar Engels, soms wist ze de gewoonste woorden niet, en ze bezat zo’n goed oor voor vreemde talen. Alleen de vertrouwde klanken bleven hangen, door de verhalen over Indië kwam ook haar Maleis weer terug en ze vond het heerlijk om mijn moeder met petjo te pesten, het Indo-dialect waar de Nederlander op neerkeek, maar dat mijn vader verdacht knap sprak (‘Alleen voor de lol, ja’): ‘Dokter mij gevoeld. Mijn buik nog ziek, bloedendé, adoeoeoeoe-óeh, de obat maakt mij maloe. Haha haha, je lâh je kripoet.’ Ze hield van die melodie en als ze moe was klonk het in haar Nederlands door: klemtonen met sintvitusdans, klapperklinkers, net als mijn vader. Overdrijf ik niet? vroeg ik mezelf weleens af als ik hem nadeed, maak ik wat klein is niet te groot, leugenbek die ik ben? Maar nu ik Jana hoorde, wist ik dat mijn geheugen me niet in de steek had gelaten, haar accent was onder een stolp bewaard gebleven. Het enige aan mijn zus dat niet was aangetast. Een stem die aardige herinneringen wist op te roepen – afwasliedjes en sprookjes voor het slapengaan – er bestond ook een verleden dat me niet beklemde. Mijn familie mocht dan ingenomen zijn met mijn aanwezigheid, zuiver waren mijn motieven niet, ik kwam niet voor een afscheid, maar voor een begin; ik wilde voor het eerst van mijn leven een serieus gesprek met mijn oudste zuster voeren. Maar hoe? Ik kreeg geen kans haar onder vier ogen te spreken. We zaten elkaar in de weg en hingen maar in die verdomde erker. Ik betrapte me erop ook couponnen uit te knippen. Als het om koopjes gaat, moet je echt in Canada wezen.
Op een avond klopte mijn moeder bij mijn kamer aan: ‘Ik word gek van Saskia, ik ben nog geen moment met Jana alleen geweest.’ Even later kwam ook Saskia zeuren. Ik hakte de knoop door: allemaal een dag alleen met de patiënt. Saskia mocht het eerst.
Opgelucht nam ik mijn moeder mee voor een tochtje door New Brunswick. Op de heenreis had ik al gezien dat Canada geen land voor mij was. Bergen, meren, weidse vlakten, de natuur bood hier nog een onbezoedelde horizon, maar je moest hem wel met de bewoners delen en zo lelijk kwam je ze zelden tegen: vet, geblokte overhemden, haarmatje in de nek en een stompzinnige baseballcap op hun harses. Een arbeidersparadijs, nergens een boekhandel te vinden, hooguit één literair tijdschrift, wel duizend bladen over het buitenleven. Wildlife, daar hielden ze van, in een modderige pick-up rijden, kano op het dak, blikje bier in de hand en als het op was in de vuist platknijpen, kleine krachtoefening als voorbereiding op het houthakken, zalm vissen of Indianen vermoorden. Als je in een museum langer dan een minuut voor een schilderij stond, keken ze je aan alsof je homoseksueel was.
Na een tocht onder een grijze hemel, de airco op warm en een ‘mieters’ gesprek waarin al het pijnlijke werd vermeden, vroeg mijn moeder of ik haar ergens bij een ijzerwinkel wilde afzetten, nee, het Walvismuseum hoefde ze niet te zien. De kameleon, dacht ik nog, haar manier om de cultuur te eren, want het barstte van de ijzerwinkels in New Brunswick. Of misschien wilde ze een cadeautje voor mijn zwager kopen. Ik moest voor de etalage wachten, even later riep ze me toch naar binnen.
‘Hoe zeg je “magneet en vijl” in het Engels?’
‘Wat moet je daarmee?’ vroeg ik.
‘Onder Jana’s voeteneind leggen. Dat trekt het vocht uit de benen, sta je makkelijker op.’ Thuis op de televisie gezien, meteen uitgeprobeerd en hoe goed liep ze niet voor haar leeftijd. Ze liet de boel inpakken en keek me onderzoekend aan… nee, ik was niet boos, ik glimlachte… een por en we liepen giechelend de winkel uit.
De hemel werd een vuil schoolbord, zwartgrijs, er zat sneeuw in de lucht en het duurde niet lang of de eerste vlokken klonterden op de ruitenwissers. Mijn moeder voelde de winter in haar tenen gloeien. Jana zou een ander uitzicht krijgen.
Terug in het motel flitste er een rood lampje op mijn tele-foontoestel. De receptie: ‘Uw zuster heeft gebeld, dringend.’
Ik belde en kreeg Jana aan de telefoon. Gekrijs en gehuil op de achtergrond.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik.
‘O, het is verschrikkelijk,’ huilde Jana, maar voor ze haar verhaal kon doen werd de hoorn uit haar hand gerukt. Saskia.
‘Waarom, wat is er?’
‘Ik wil hier niet meer blijven, haal me hier weg, haal me hier weg!’ Ze smeet de hoorn erop.
Ik trok een paar droge schoenen aan, liep naar mijn moeders kamer en klopte op haar deur. Ik hoorde haar met iemand praten en ging naar binnen. Ze gebaarde me op het bed tegenover haar te gaan zitten.
‘Ja, ja,’ ze luisterde bezorgd naar een stem aan de andere kant van de lijn. ‘O god.’ ‘Met dit weer?’ ‘O, o. Ja, ja.’ Ze legde de hoorn neer en keek me vertwijfeld aan. Jana had haar zojuist door de telefoon gezegd dat Saskia het huis was uitgerend, zonder jas de sneeuw in. ‘Heb ik het dan allemaal fout gedaan?’
‘Doet er niet toe.’
Ze wilde huilen, haar schouders schokten, maar er kwam geen traan. Ik ging naast haar zitten en sloeg mijn arm om haar heen. ‘Voel je niet schuldig,’ zei ik, ‘je kon niet anders.’ En ik wiegde haar als een kind, klapjes op haar rug, aaien over haar bol. ‘Je kinderen zijn oud genoeg om het zelf op te knappen.’
‘We hadden die twee nooit alleen moeten laten.’
‘Wat is er precies gebeurd?’
‘Ze heeft Jana de hele dag over het kamp doorgezaagd, vol verwijten en vragen. Jana wilde niet praten en toen kregen ze ruzie. Ik weet het niet, ze heeft de foto’s verscheurd. Errol kwam vroeger van zijn werk thuis en trof ze allebei huilend aan. Hij is uit zijn vel gesprongen en heeft Saskia de les gelezen. Het was allemaal zijn schuld, zei ze, en toen heeft ze hem geloof ik gekrabd en voor alles en nog wat uitgemaakt. Wat moeten we nou doen?’ vroeg ze wanhopig.
Ik belde Jana en kreeg een tierende Errol aan de lijn. He was very sorry, maar mijn hele verdomde familie werd bedankt, we joegen zijn vrouw de dood in, ze was totaal overstuur. Hoorde ik haar niet huilen?
Ik probeerde hem uit te leggen wat er met Saskia aan de hand was: ‘Ze heeft last van de oorlog.’
‘Welke?’ vroeg hij, van verbazing was hij weer Neder-lands gaan praten.
‘Het jappenkamp, ze is onder behandeling.’
‘Dat kan alleen maar bij jullie,’ zei Errol.
‘Waar is ze nou?’
‘Geen idee, ze loopt ergens buiten. Take Grand Falls Road.’
De parkeerplaats lag een duim dik onder de sneeuw en het duurde even voordat ik mijn huurauto terugvond. Er vielen droge dikke vlokken, mijn wielen slipten en ik reed stapvoets de weg op. Beide raampjes halfopen om geen stuk berm te missen, de sneeuw koekte op de zitting.
Geen mens waagde zich meer buiten, zoutstrooiers lieten zich in deze buurt niet zien, zelfs vrachtwagensporen werden in mum van tijd weer toegedekt. Het personeel van de Burger King probeerde met een kleine tractor de op- en afritten open te houden en mijn koplampen zogen de sneeuw van alle kanten naar zich toe. Ik naderde de rand van de buitenwijk, braakliggende terreinen, berm en weg golfden in elkaar over. Hoe vaak had ik dit stuk al niet gereden? Als Saskia naar het motel was teruggelopen, moest ze hierlangs komen, misschien had ik haar ergens gemist.
Op het hoogste punt stapte ik uit, liep de berm in en tuurde de weg af, naar beneden, tussen de grote loodsen, omhoog, de heuvels in. Stil, alleen het gekraak van mijn zolen.
Een ijzige kalmte overviel me. Iedereen was gek, maar mij kregen ze er niet onder. De grote Eskimo zocht zijn zuster.
Ook bij Jana’s huis geen spoor. Misschien had Saskia zich in de tuin verstopt. Ik liep achterom, naar de erker, en zag Jana met uitgestrekte armen over tafel hangen, kaal, de pruik verlept in haar handen. Haar dikke dochter was toegesneld en probeerde haar recht op haar stoel te krijgen, Errol tierde door het glas heen. Ze schrokken toen ik op het raam tikte. Had ik die gekkin nog niet gevonden? De dochter wees verwijtend naar een hoopje verscheurde foto’s.
Binnen, met mijn schoenen op een krant tegen de lekkende sneeuw, zag ik dat Jana geen woord kon uitbrengen. Ze hijgde, haar opgezwollen wangen waren vuurrood, haar adem floot pijnlijk. De dochter probeerde haar de pruik weer op te zetten, maar Jana schudde hem telkens af. ‘Hebben jullie nu je zin?’ zei ze. Haar kassavingers trilden van emotie.
‘O wat een fiasco,’ jammerde Jana nadat ik haar met een paar knuffels enigszins had gekalmeerd. Ja, Errol was moody en niet altijd even aardig, maar ik moest rekenen dat ze altijd erg op zichzelf leefden. En Saskia was zo gemeen geweest: ‘Ze heeft Errol een schoft genoemd. Ik verloor bijna mijn temperament.’
‘And schoft means bastard isn’t it nietwaar?’ vroeg Errol. Er liepen twee rode krassen over zijn wang en zijn overhemd was bij de kraag gescheurd. Saskia was een kenau. ‘I kill her when she comes.’ Granny was nog welkom en dan was het afgelopen uit. ‘Opsluiten moesten ze zulke gekken.’
De dochter greep naar haar buik. Ze keek me aan of haar vliezen elk moment konden breken.
Ik leende Errols verrekijker en reed de Grand Falls weer op. Zusje, waar zit je?
De sneeuw ontnam elk zicht en dat ik minder kalm was dan ik dacht, merkte ik toen ik met de verrekijker de bermen afzocht. De vlokken doken als witte wieven op mij af, ik viel haast achterover van de schrik. Roepen, toeteren, waar ik ook reed, geen antwoord. Ik begon me ernstig zorgen te maken en haastte me naar het motel om de politie te waarschuwen.
Er zat een wit hoopje onder het reclamebord op de parkeerplaats: Saskia, de hysterische sneeuwvrouw. Klonters in haar haren, doorweekt en ontroostbaar. Ik probeerde de sneeuw uit haar haren te vegen, maar ze deinsde terug, bang dat ik haar zou slaan. ‘Ik ben toch teruggekomen?’ zei ze, ‘ik verdwaal nooit.’
Ik nam haar mee naar mijn kamer en terwijl ze daar op mijn bed lag bij te komen en ik voor haar twee flesjes cognac uit de minibar in een glas goot, voelde ik een grote behoefte naast haar te gaan liggen, mijn arm om haar heen te slaan en in haar oor te fluisteren dat ik van haar hield, dat ik voortaan aardiger voor haar zou zijn, dat ze dapper was, mijn enige en liefste zus. Maar ik kon het niet en ik zette het glas met een bons op het nachtkastje en zei: ‘Hier, knap je van op. En morgen neem ik je mee naar huis.’
De receptioniste had op eigen initiatief een dokter gebeld. Hij gaf Saskia een injectie en schreef een recept uit. Saskia sliep onmiddellijk in.
Mijn moeder wist nog van niets, maar toen ik op haar kamer kwam lag haar koffer al wijdopen op bed.
‘Laten we maar gaan pakken,’ zei ze na mijn verhaal. Ze zag asgrauw en slaakte een diepe zucht: ‘Altijd weglopen.’
‘Doen we dat niet allemaal?’
‘In het kamp ook al. Ze is erg onrustig.’
‘Zeg maar gewoon gek.’
Ze keek me bestraffend aan.
‘Ze is in de war, mam, ernstig in de war,’ zei ik.
‘Denk je dat ze kan reizen?’
‘Ik zal haar stevig vasthouden.’
‘Geen denken aan, jij maakt haar alleen maar zenuwachtiger. Ze gaat met mij mee terug. Samen uit, samen thuis. Jij wou toch nog naar New York?’
‘En Jana dan?’
‘Ik heb al afscheid genomen.’ Ze liep naar de ladekast en begon haar ondergoed op te vouwen. ‘Ik hoef niet meer, ik ben op.’
‘Hou vol.’
Ze veegde een traan met een kous weg. ‘Een heel oud traantje,’ zei ze met een pijnlijk lachje, ‘eentje uit een vorig leven.’ We klopten elkaar liefkozend op de rug. Ik had nog nooit zoveel aan mijn familie gezeten.
Het was een heel gedoe mijn moeder en Saskia op een eerder vliegtuig van de Stichting Wij Komen te krijgen. De computer kende weinig souplesse en het zag ernaar uit dat we het volle bedrag van een lijnvlucht moesten betalen. Maar na eindeloos getelefoneer bleek er de volgende dag toch een charter te vertrekken, met gekte kreeg ik ze niet op de wachtlijst, maar een verzonnen sterfgeval deed wonderen: moeder en dochter konden morgennamiddag vertrekken.
‘Weet je dat jouw vader mij de eerste jaren nooit wat over het kamp heeft verteld,’ zei mijn moeder terwijl ze de damp van haar spaghetti wegsloeg, ‘dat begon pas na 1950 toen hij op een antroposofische bijeenkomst werd aangesproken door een man die hem herkende van de verscheping van Java naar Sumatra.’ Ze nam een hap en knoeide op haar vest.
‘Maar je wist toch dat hij van de spoorweg kwam?’ vroeg ik.
‘Van kennissen in Palembang, ja. Hij praatte niet. Ik las wel in zijn ogen dat hij het een en ander had meegemaakt. Maar die man vertelde hem over de torpedering en over de Britse officier die je vader redde. Pas toen kwam het bij hem terug. Gek hè? Straal vergeten.’
Saskia lag op mijn bed, in een diepe slaap, en ik zat met mijn moeder onder een waslijn Italiaanse vlaggetjes. Het motel hield een pastaweek. Mijn vongole smaakte naar levertraan. We dronken wijn en mijn moeder was zo over-moedig een tweede glas te nemen. Het leek wel of we stiekem iets vierden, wij de sterken onder elkaar. Goed dat ik het voortouw had genomen, ik was de flinke zoon op wie ze bouwen kon. Als ze doodging moest ik ook alles regelen, Ada had dat moeten doen, omdat ze zo precies en zuinig was, maar nu kreeg ik de eer. ‘De sterren geven me nog een paar jaar,’ giechelde ze, ‘en je moet ook betere muziek uitkiezen. Jij hebt tenminste een goede smaak.’ Ze paaide me, werkelijk, ze verloochende haar gekke dochter en lachte om haar eigen bijgelovigheden omdat ze wist dat dat bij mij in goede aarde zou vallen. Mimicry. Ze zou zich tot in haar kist aanpassen.
‘Wat zag pappie eigenlijk in de antroposofie?’ vroeg ik.
‘De opvoeding, de idee dat je een kind alles kon leren. Je moet niet vergeten dat hij zelf nooit kansen had gehad. Hij wilde zo graag dat jij het ver zou schoppen.’
‘Slaan hoort daar niet bij.’
‘Nou, dat viel wel mee.’
‘Hij sloeg elke dag.’
‘Niet elke dag.’
‘Kom nou!’
‘’s Zondags hadden we het toch altijd gezellig, rijsttafeldag, dan was hij echt in zijn sas…’
Gezeur, daar ging het me niet om, een gemenere vraag brandde op mijn lippen: Waarom liep je de kamer uit als hij sloeg? Al dagen wachtte ik het moment af dat ik haar dit verwijt kon maken. Maar ik durfde niet. Kinderachtig als ik was begon ik voor te rekenen hoe vaak ik werd geslagen. Tijdens de schrijfles, onder het eten, na tafel, elke dag te laat van school… ik hoorde het mezelf zeggen en schaamde me dat ik me zo liet gaan… 365 min zoveel zondagen… mijn moeder schrok zichtbaar van mijn rekensommen. Na lang gekissebis werden we het met elkaar eens: midden in de week maar ’s zondags niet. ‘Ben je nou gek, mens,’ beet ik haar toe, ‘is zes dagen slaag vergeeflijker dan zeven?’
Ze vond dat ik overdreef.
En de liniaal?
‘Ja, ja, gut ja,’ zei ze. Mijn vader hechtte nu eenmaal aan tafelmanieren.
En de stok?
‘Dat heeft niet lang geduurd.’ En was dat niet voor mijn eigen bestwil? Ik had toch maar niets overgehouden van die verlamming.
Welke pijnlijke herinnering ik ook oprakelde, mijn moeder vergoelijkte alles. Ze probeerde eerlijk te zijn, maar loog er flink op los. Het ging me niet om een pak slaag meer of minder, het ging me maar om één ding: Waarom liep je weg? Als kind moet ik het me al hebben afgevraagd, maar omdat ik later al mijn haat op mijn vader richtte, kwam de vraag nooit aan bod.
Ik dronk me moed in, mijn rol van flinke zoon was gespeeld, ik zat als een kleine jongen tegenover haar, een pestkop met berouw, en dat jongetje wilde haar voor een vernedering beschermen. Als ik op iemand leek, was het wel op mijn moeder.
Dus veranderde ik van onderwerp en legde het kwaad bij anderen, ik vertelde vol smaak en overdrijving over de verzwegen dood van mijn vaders eerste vrouw en het gesjoemel van daddy Van Bennekom als advocaat van kwaaie zaken. Ze reageerde er nauwelijks op, alsof ze het allemaal wel vermoedde.
Maar mijn obsessie bleef: Waarom liet je me in de steek? Het antwoord moest boven tafel komen, mijn geduld raakte op, ik was gehaast en ongedurig. Moe van de tocht en de emotie, de rekening al op het schoteltje, veranderde ik mijn vraag in een constatering: ‘Volgens mij was je bang voor hem.’
‘Hoe kom je erbij?’ riep ze verontwaardigd uit. ‘Ik was zelf een driftkikker. Als hij weer eens tekeerging zei ik: “Als het je niet bevalt, daar is het gat van de deur.” Dat zei ik gewoon.’ Ze kneep in de steel van haar vork en trok het gezicht dat bij deze kranige woorden hoorde.
Aangestoken door haar ferme blik gooide ik het eruit: ‘Er liep er maar één de deur uit en dat was jij!’
Mijn moeder kromp ineen, kneep haar ogen dicht en haar hele lichaam wiegde langzaam nee… Ik greep haar hand en probeerde haar te troosten. Het bevrijdend gevoel waar ik op gehoopt had uitte zich in golven spijt. ‘Nee, nee, nee,’ zei ze haar hand terugtrekkend, ‘als ik wegliep, dan was het om in een andere kamer te gaan bidden, om kalmte over hem af te roepen en de geesten in zijn hoofd te bezweren.’
‘De paus bidt de joden uit de gaskamers.’
‘Dat is een schandelijke opmerking.’ Ze veerde op en wist zich geen raad met haar boosheid. Geagiteerd stootte ze haar glas water om. ‘Je vergroot jezelf,’ zei ze met luide stem, ‘je zwelgt in zelfmedelijden. Wat heb jij nou meegemaakt? En dat bespot zijn zusters. Hoe durf je, aansteller!’
Ik verstopte mijn schaamte in een grote bel cognac. Mijn moeder veegde de ijsblokjes uit haar glas bijeen. Buiten raasde de poolsneeuw, maar de diensters bleven hier ijs in je drinkwater donderen. Vreemd land.
‘Je vader was een goede minnaar,’ zei mijn moeder toen het laatste blokje in de asbak gesmolten was.
‘Wie is hier nou onkies.’
‘Ik vind het belangrijk dat je het weet. Je vader kon heel teder en lief zijn.’
‘Zou Jana er ook zo over denken?’
Pats. Ze antwoordde met een klap, een ouderwetse mooie klap op mijn linkerwang, met vlakke hand. Japanse slag. Er zat nog voor jaren leven in haar oude vingers, de vlaggetjes boven ons hoofd waaiden ervan op.
‘Dat deed ik bij je vader ook, als hij te ver ging.’
Nooit gezien, dacht ik. Ze pakte haar tas en ik tekende de rekening. We liepen door de zuinig verlichte gangen en zwegen ongemakkelijk.
‘Vergeet nooit,’ zei ze voor haar kamerdeur, ‘je was zeer gewenst, we verlangden allebei naar een jongen.’ Ze gaf me een moederlijk tikje op mijn wang.
Het sneeuwde niet meer. De lucht was helder en vol sterren, er hing een gelig licht aan de horizon. Ik liep naar buiten en waste mijn gezicht met sneeuw.
De receptioniste overhandigde me een lange fax van mijn vriendin. ‘Lief ventje,’ stond erboven. ‘Straks…’ Ze hield van me, hoe verder van elkaar verwijderd, hoe meer ze in woorden van me hield. Ik moest haar toch eens zeggen dat ik geen vent was, nooit meer iemands vent.
Saskia ademde zwaar, er stond een tweede bed in mijn kamer en ik ging er met kleren aan languit op liggen. Haar aanwezigheid ergerde me, waarom toch? zelfs haar slaap kon ik niet uitstaan. Ik moest proberen haar aardig te vinden, niet zielig. Rugspieren strekken en ontspannen, de denkbeeldige stok op mijn borst balanceren en zoeken naar een sprankje vertedering… samen met mijn zusje in een kamer, voor het laatst in het houten ledikant op de boerderij van onze grootvader.
‘Ik weet een geheim,’ zei ze toen.
‘Wat dan?’
‘Hè, toe nou.’
‘Als ik het verklap brengt dat ongeluk.’
‘Ik hou het heus voor me.’
‘Beloof je het? Echt waar? Zweren.’
‘Ik zweer het.’
‘Vóór jou is er nog een jongetje geboren.’
‘Wanneer?’
‘In het kamp.’
‘O,’ zei ik verbluft. ‘Waar is hij dan?’
‘In de hemel van Indië. Hij is dood geboren.’
‘Zit hij in opa’s fotoboek?’
‘Mammie heeft jou naar hem genoemd.’
‘Leek hij op mij?’
‘Nee, hij was ons echte broertje.’
Het geheugen is kieskeurig, alles wordt ingeschreven maar veel vervaagt. Ik had nooit meer aan dit voorval gedacht, mijn moeder bracht het nimmer ter sprake, geen dagboek of kamptante repte erover. Straal vergeten. Toch miste ik mijn voorganger. Had ik vroeger zijn aanwezigheid niet gevoeld? Misschien proefde ik zijn herinnering nog in mijn moeders buik en is daar mijn verlangen naar een gedroomde broer ontstaan. Mijn moeder zou ik niks meer vragen, misschien kon Jana…
Quebec was sneeuwvrij, de grote wegen waren schoongeblazen. Niets stond een vertrek in de weg. Het was vijf uur rijden naar het vliegveld. We hadden alleen de morgen om afscheid te nemen. Ik zou als eerste gaan, alleen langer blijven trok me niet, het had geen zin dagen op Jana’s dood te wachten, de vliezen van haar dochter bleken taai en dan nog kon het sterven tijden duren: alleen een slechte dokter voorspelt wanneer je aan kanker doodgaat, had de verpleegster ons gezegd. Mijn moeder zou wat later komen. Saskia was niet te vermurwen, ze wilde haar zuster nooit meer zien, ze kreeg een pil in de yoghurt en zo hielden we haar koest in het motel. Als het erop aankwam konden we reuze praktisch zijn.
Jana vond het moeilijk in zo’n korte tijd: ‘Mammie had er zo naar uitgekeken en ik vanzelf.’ Ze had het allemaal fout gedaan. Te veel spanning, Errol en zij waren niet zulke praters. ‘Ook ik ben hier schuldig aan en er is geen excuus voor mij.’ Alles kwam zo bij elkaar en ze geneerde zich voor de wijze waarop ze ons ontvangen had. ‘Ons leven is hier niet zo grand.’
We dronken slappe thee en ik liet haar praten: ‘Fijn dat we even met Ada samen konden zijn, je speech was op en top Ada, haar eigen gang, haar eigen leven, maar o zo moe van het zorgen. Dan merk je toch dat je afgesloten bent, alleen, maar het is een weg die ik zelf gekozen heb. Waarschijnlijk de weg van de minste weerstand, iets wat je in je jongere jaren doet, maar ouder vraag je je af of je er echt op vooruit bent gegaan. Misschien moest het zo.’ Ze beet dapper op haar onderlip.
‘Waarom ging je naar Canada?’
‘De vooruitzichten hè, de jobs lagen voor het opscheppen.’
‘Els Groeneweg zei dat je vluchtte.’
‘Ach, Els, hoe gaat het toch met haar?’
‘Is er iets gebeurd?’
‘Ik was onnozel, een groentje.’
‘Heeft hij…’
‘Ach, je weet toch…’
‘Nee.’
‘Ik was de flinke thuis, hij steunde ook op mij.’
‘Zwak hart.’
‘Ja, dat soort dingen. Je beseft het niet.’ Ze wees naar buiten. ‘Hé, wat zijn dat nou? Geef me de verrekijker eens?’ Ze draaide in haar stoel en volgde het zwarte snoer dat tegen de besneeuwde heuvels trok. ‘Zwanen, wilde zwanen, die zien we zelden hier, dat moeten de laatste zijn.’
Er vloog nog meer voorbij. Ze keek alle kanten op, behalve de mijne. ‘Ja, broertje, dat is het leven,’ zei ze.
En zo was het, geen oude lijken uit de kast, geen kruisverhoor en treiterijen meer. Ik stond op en ging met mijn handen in mijn broekzakken voor het raam staan. Had zij mij het sprookje verteld van de prinses die haar in zwanen betoverde broers bevrijdde door een kleed van zelfgesponnen brandnetelgaren over hun vleugels te werpen? ‘Bedankt voor alle verhalen die je me vroeger voorlas,’ zei ik.
Een auto toeterde, de taxi van mijn moeder. Omdat ik niet wist hoe ik afscheid moest nemen, maakte ik een spuugkruisje op haar voorhoofd. Daar werd je rustig van volgens mijn moeder. ‘Deed ze in het kamp ook altijd,’ lachte Jana.
Ik maakte de deur voor mijn moeder open en toen ze langzaam aan mijn arm de serre binnenliep, riep Jana vanuit haar stoel: ‘Je loopt precies zoals je vader. Voeten naar buiten, schommelend als een olifant.’ En toen beet ík op mijn onderlip, ik bloosde, ook al bedoelde ze er niets naars mee, ik schaamde me, hoezeer mijn verstand zich ook tegen dat gevoel verzette. Mijn vader was mijn kornak, ik had hem van me afgeschud, maar Jana zette hem weer terug op mijn nek.
Saskia wachtte met de koffers in de hal, we hadden afgesproken alleen maar voor te rijden, mammie erin en weg. Geen afscheid meer. Maar Jana kon het niet over haar hart verkrijgen haar zus zonder groet te laten gaan. Ze stond voor het raam, steunend op haar dikke dochter, met een van pijn vertrokken gezicht. Saskia keek de andere kant op.
‘Hebben jullie het nog ergens over gehad?’ vroeg ik op de highway richting Quebec.
‘Nee,’ zei mijn moeder, ‘we waren uitgepraat.’
‘Wat hebben jullie dan gedaan?’
‘Couponnen geknipt.’
Op weg naar New York overnachtte ik in Albany, gesterkt door een ontbijt van pannenkoek en maple syrup besloot ik het zuiden voorlopig rechts te laten liggen en sloeg af naar het oosten. Zomaar, uit balorigheid, lekker langs de Atlantische Oceaan rijden, ik had genoeg lelijkheid gezien. Een paar uur later deinde ik over de toppen van de laatste heuvels voor de kust en passeerde een bord met een pijl naar Cape Cod. Dat was mijn signaal! De naam was een klank bij een beroemde foto: een jonge Kennedy wandelend in de brede duinen van Cape Cod. Duinen… daar kon ik uitwaaien, mijn kalmte herwinnen en de geur van luiers en dood van me afspoelen. De zeewind kroop ongeduldig door het raampje en in de verte schitterde een landtong in een baai, jachten en zeilboten dobberden aan houten pieren. Ik nam de afslag en ratelde over een ijzeren brug. Cape Cod bleek een eiland.
Op de kaart had het de vorm van een gebogen arm met opgeheven vuist, Popeye na een blik spinazie. De brede weg voerde langs bossen, rotsen, poelen en kreken, duinen kreeg ik niet te zien. Pas voorbij de elleboog, toen het landschap platter werd, tekende zich een belofte van zand en klei op de afgestompte heuvels af – banen roest, lood en ivoor golfden met me mee; de zeewind gaf de bodem hier een vlag. De witte hekken van de buitenplaatsen waren gesloten, de luiken voor de oude zeemanshuizen glommen van de verf. De beau monde was vertrokken, hier en daar slenterde een bejaarde in een roze ruitjesbroek.
Een visarend scheerde over een moeras en vloog met een prooi in zijn klauwen de dennen in. De zon scheen, de herfst beheerste zich die dag, een zachte zuidwestenwind trok over het eiland, de takken deinden zwaar van dennenappels.
Tot eindelijk het eiland kaler werd: struiken met een kromme rug, taaie grassen, schuren en werven, aangevreten door zout en wind. Armoedig, zoals het aan de kust hoort. Ik naderde de vuist, de weg werd smaller en ik sloeg op goed geluk wat zijpaden in, op zoek naar duinen en een houten hotel met uitzicht op zee. Maar de paden liepen dood of cirkelden in het rond en kwamen weer uit op de weg. Waren hier wel duinen? Misschien was die foto maar verbeelding en waar verstopte zich de zee? Ik kon haar horen, ruiken, maar nergens zien. Het was al laat, de zon verdween achter de struiken en de eerste vuurtorens flitsten aan, drie vingers streken langs de hemel. Ik reed naar de dichtstbijzijnde vuurtoren, verboden terrein, sprong over het hek en liep de glooiing op. De zee zwol aan en pas op het hoogste punt zag ik haar spatten, diep onder mij: de Atlantische Oceaan, woest en schuimend. Ik had in een kom rondgereden, de randen van het eiland lagen hoger dan het midden, en pas op dit punt ontdekte ik dat het eiland nog een lager gelegen duin-rand had, breed, vol grillige kartels en baaien, donker en dreigend in het nalicht van de ondergedompelde zon. Alles was groot en hevig, hier was de zee de baas en hakten de stormen kliffen in de wand. Morgen lag hier mijn strand.
Het zand was hard en onbetreden, ik liep met een hoge rug vol wind. De herfstkou gierde door mijn kleren. De vloed trok zich terug, vlokken schuim rolden me tegemoet. Achter elke bocht vond ik nieuwe vergezichten.
Plotseling steeg er een bruine wolk uit de duinen op, de wolk krijste, trok naar zee, steeg op en viel boven de branding uiteen. Duizenden vogels daalden voor mijn voeten neer. Hele regimenten vlokten bijeen, snippen op door-tocht naar het zuiden, geland voor een maaltijd en een rustplaats. Er zat een orde in hun chaos, duizenden hersentjes besloten hier een paar uur door te brengen en ze gingen niet voor mij opzij. De voorste rijen schrokken nog, stoven op en landden weer achter mij, maar na een paar meter herwonnen de snippen moed en vormden een gesloten front. Sommige stonden op één been en keken mij dromerig aan. Ze wachtten daar vredig en klein en toch maakten ze mij bang. Een enkele vogel probeerde op mijn schouder te landen, voor hem was ik een boom die bewoog. Ik draaide me om en liep op mijn tenen terug.
‘Doorlopen,’ zei mijn vader, ‘de rimboe zit vol wilde dieren, sluit je af, richt je ogen op oneindig.’ Het was broedtijd en de meeuwen vlogen voor ons uit. We wandelden met volledige bepakking, de rugzak was met zand gevuld. Rug recht, spieren spannen en óp dat linkerbeen. Ik wil, ik win. Bij pijn moest ik dat tien keer zeggen. Niet lopen als een meid. Een zware stap gaf kracht aan de benen. Mijn vaders zolen stempelden het strand.
Zo liep hij ook op patrouille, dagen moest hij voort, met een gewonde soldaat op zijn rug. Klagen kon niet, de gewonde moest mee, anders was hij een gemakkelijke prooi voor de vijand en zou hij de boel verraden. Het zand op mijn rug was een gewonde. Stop. Nog een paar handjes erbij. Nat zand dat een spoor over je billen lekt, zand dat je binnendijen schuurt. Bloed, denk aan het bloed van een gewonde.
We trokken de duinen in, hoe muller het pad, hoe beter. Laat de helm maar zwiepen, pan in, heuvel op. De mannetjes cirkelden boven ons hoofd. Ik keek angstig naar omhoog. Ze krijsten, scheerden rakelings langs en probeerden ons te pikken. We liepen dwars door een meeuwenkolonie, ze zaten overal, nieuwe escadrilles vlogen op, laag en venijnig in de aanval. Ik moest bukken en hoorde hun vleugels tegen mijn rugzak slaan. De wind die ze in hun duikvlucht maakten klapte in je nek.
Mijn vader trok een helmplant uit de grond en begon de duikers te verjagen, zwaaiend en schreeuwend. Maar ze hielden niet op en pikten naar de sprieten in zijn hand. ‘Die vogels zijn de vijand,’ riep hij boven hun gekrijs uit, ‘dit is een afleidingsmanoeuvre, we moeten doorzetten. Ze willen verwarring zaaien.’ Zijn lippen zagen paars.
We liepen door, handen op het hoofd en ogen op oneindig. Ik wil, ik win. Mijn vader liep hijgend achter me, we klommen hoger, naar de zeereep terug, weg van het groen waar de nesten zaten, ik hoorde zijn adem schuren, keek om en zag dat hij zich aan de helm naar boven trok.
Hij pakte me uitgeput vast en leunde op mijn rugzak. Ik maakte de riem om mijn middel los en liet me in het zand vallen. ‘Hup,’ hijgde hij, ‘niet uitrusten. Trap de moeheid van je af! Op het moment dat je toegeeft slaan ze toe, als ik toen bij de pakken neer was gaan zitten stond ik hier niet naast je. Zet door en win.’
Ik liep het duin op. Mijn vader steunde op me, en de last werd lichter. De gewonde was een engel die boven mijn rug zweefde.