Hoofdstuk 10

 

 

Hij rende wanhopig de drugstore uit, zonder richting of hoop. Ze was weg en ze zou nooit meer terugkomen. Zijn schuld had andere schuld gekweekt en het was nog niet afgelopen: Chino had nog een karweitje op te knappen.

Hij wist niet wat Chino van plan was, maar hij wist wat hij met Chino van plan was. Hij moest Chino vinden en Chino zou hem moeten doden.

Het was de enige manier om hier een einde aan te maken en hij verlangde naar het einde omdat hij niet langer wilde leven.

Er waren mensen op straat en terwijl hij snel langs de trottoirs liep, hoorde hij de mensen op de stoepen, en terwijl ze tegen auto’s geleund stonden hoorde hij ze over van alles en nog wat praten.

Het zwart-wit van een patrouillewagen deed hem een portiek induiken en toen de auto hem gepasseerd was, rende hij naar de Koffiepot, maar Chino was er niet. Toen realiseerde hij zich dat hij Chino nooit op straat zou vinden, dat hij de binnenplaatsen, de kelders en de daken zou moeten afzoeken. Hij moest Chino laten weten dat hij op jacht was in plaats van opgejaagd te worden.

‘Chino?’ Hij stond in een steeg tussen twee woonkazernes in het Portoricaanse gebied en riep hard genoeg om gehoord te worden. Toen haalde hij diep adem en brulde: ‘Kom en neem me te grazen, Chino! Ik wacht!’

Hij hoorde een geluid achter zich, liep er op af en breidde zijn armen uit om een goed doelwit te vormen. Maar de stem die zijn naam riep was niet die van Chino en in het vage licht zag hij Anybodys op zich af komen. ‘Je bent gek!’ zei ze beschuldigend tegen hem. ‘Dit is Portoricaans terrein.’

‘Maak dat je wegkomt.’ Hij duwde Anybodys weg, voordat hij zijn handen aan zijn mond zette om weer te schreeuwen. ‘Chino – kom hier! Verdomme - ik wacht op je!’

Anybodys hing aan zijn arm en probeerde hem een kelder in te trekken. ‘De bende -’

‘Verdwijn! Ik waarschuw je.’ Hij maakte met zijn rechterarm een brede zwaai en zijn open hand kwam op Anybodys’ gezicht terecht. Boven hem ging in verschillende vensters het licht aan en Tony rende naar het einde van de steeg. ‘Chino!’ riep hij. ‘Waar ben je verdomme, Chino? Ik wacht op je. Schiet toch op en -’

De kogel raakte hem midden in zijn borst en draaide hem door een nevel van pijn en geluid rond en toen het bloed naar zijn mond steeg dacht hij dat hij een wit figuurtje naar hem toe zag rennen dat zijn naam riep.

Maria gooide zich op het lichaam dat met het gezicht naar boven lag en haar tranen bevochtigden de levenloze wangen van Anton Wyzek, die was gestorven met het geraas van de stad in zijn oren, te jong om te kunnen zeggen dat hij echt geleefd had. Ze kwam van het lichaam overeind, maar bedekte Tony’s ogen met haar hand en toen ze Anybodys langzaam naar zich toe zag lopen gebood ze het meisje te blijven staan.

‘Blijf daar,’ waarschuwde ze ook Chino. ‘Nee, kom hier en geef me de revolver.’

Ze voelde het harde, wrede metaal in haar hand en ontdekte hoe goed en prettig de kolf in de hand lag. ‘Hoe schiet je hiermee?’ vroeg ze Chino. ‘Alleen door deze kleine trekker over te halen?’

Ze zag Chino in elkaar krimpen toen ze de revolver omhoog deed en de loop op hem richtte. ‘Hoe veel kogels zitten er nog in, Chino? Genoeg voor jou? En jou?’ Ze richtte de revolver op Anybodys, die tegen een muur stond. ‘We hebben hem allemaal vermoord. Mijn broer en Riff en ik hebben hem vermoord. Chino niet!’

Ze hield hem met de revolver in bedwang. ‘Kan ik je doden, Chino? En blijft er dan nog een kogel voor mij over?’

Ze voelde een hand op haar schouder, een zachte stem in haar oor en herkende het gezicht van Doc. Hij vertelde haar dat ze samen naar Tony’s moeder zouden gaan, want het moest haar verteld worden en ze zou de troost van een andere vrouw nodig hebben, zeker van een vrouw die van haar zoon gehouden had.

Als tien straten en tienduizend mensen, twintig- of dertigduizend van het drama afwisten, dan was het veel. De andere miljoenen mensen in die tienduizenden straten wisten er niets van. Sommige, enkele kranten hadden een kop over de moorden onder de snelweg, maar de details waren schaars en onvolledig.

Maar de meeste mensen in de stad sliepen of amuseerden zich, omdat het zaterdagavond was, de enige avond in de week dat een man zich gewoon kon laten gaan. Er waren mensen die beminden, die aten, die begeerden en promotie maakten. Mensen stierven vredig, in pijn of door geweld.

En er waren mensen die naar de hemel keken en ziek waren van eenzaamheid, terwijl ze in stilte de sterren en de maan om geluk smeekten. Ze hoopten dat ergens iemand hen zou horen, dat hun eigen kleine dromen werkelijkheid zouden worden, dat ze spoedig iemand zouden ontmoeten die ze konden vertrouwen, van wie ze konden houden en met wie ze gelukkig konden zijn.

Sommige wensen kwamen uit, maar het maakte geen verschil voor de stad omdat die gebouwd was om de levens van alle mensen die er woonden te overleven.

Zo was het nu eenmaal. En als er niets veranderde, zou het altijd zo blijven.