maakte. ‘Er is vanavond een dansavond in het jeugdcentrum. Nietwaar?’
‘Inderdaad,’ zeiden de Jets in koor. ‘Dus gaan we...’
‘... de Sharks daar ontmoeten,’ vervolgde Riff. ‘Bernardo denkt dat hij een nogal goede danser is, dus hij is er zeker. En wij zullen er met al onze...’
‘Manschappen zijn.’ Big Deal sloot zijn ogen alsof hij nadacht. ‘Ik meen dat ik eens ergens gehoord heb dat het jeugdcentrum neutraal terrein is en Schrank en Krupke en hun aanhang komen er vaak. Tenzij je erover denkt daar verandering in te brengen, Riff.’
‘Voorlopig houden we het zo,’ zei Riff. ‘Maar als Bernardo daar is, ga ik hem uitdagen. Nu moet het erop lijken dat we in het jeugdcentrum komen om te dansen en voor het sociale contact. Dus moet iedereen zich keurig aankleden en vergeet niet je gulp dicht te doen.’
Mouthpiece maakte een gebaar of hij zich schoor. ‘Hoe laat gaan we erheen?’
‘Tussen halfnegen en tien uur,’ zei Riff nadat hij een ogenblik had nagedacht. Hij keek naar Action om zijn idee af te wachten en Action knikte. ‘Laten we er niet allemaal tegelijk heen gaan,’ voegde hij eraan toe. ‘Het moet eruitzien alsof we gaan dansen en niets anders.’
‘Betekent dat dat we meisjes mee moeten nemen?’ Zei Baby-John treurig.
‘Natuurlijk,’ zie Action. ‘Jij kunt Anybodys meenemen.’
Toen hij door een gang schoot, over een schutting sprong naar de volgende straat en midden op straat bleef lopen, voelde Riff zich in uitstekende conditie. Nu hij alleen liep, was het het beste om in het midden van de straat te lopen, waar het gevaar van de auto’s minder groot was dan van de Sharks die uit een portiek konden komen, hem een-twee-drie afranselden en achter zouden laten met een kapotgeslagen maag.
Het was belangrijk dat hij in topvorm bij het jeugdcentrum zou komen en de andere bendes zou laten zien dat Riff Lorton net zo goed was als Tony Wyzek en dat de bende niet uit elkaar was gevallen alleen omdat Tony was weggegaan. Snel lopend, terwijl hij met zijn vingers knipte, voelde Riff zich groeien, groter dan de gebouwen, dan wat dan ook, zo groot dat hij zijn vuist door een wolk had kunnen steken en hem gebruiken om zijn schoenen mee af te vegen.
De tijd ging nu langzaam – zeker – totdat hij op de dansavond was en Bernardo had uitgedaagd. Hij vroeg zich af of de Portoricanen terug zouden krabbelen en hun het terrein zouden laten. Hij hoopte het niet. Als Bernardo dat in zijn hoofd had, was het enige wat ze konden doen een paar stinkbommen bij hem naar binnen gooien. Hé, dat was een goed plan. Dat zou een mooie methode zijn om de vijand uit te dagen - het was een idee dat Tony eens gehad had - en iedere bende van de West Side en overal in de stad zou toe moeten geven dat het de koelbloedigste manier was die ze ooit hadden meegemaakt, om te laten zien dat je er genoeg van had. Man, zo zou je de vijand goed pesten!
Hij overwoog om terug te gaan en te zien wat de Jets ervan dachten, maar Riff realiseerde zich dat het al te laat was om ze voor te bereiden op zo’n gevaarlijk spelletje. Wat ze nu besloten hadden was gevaarlijk genoeg: wat hij wilde doen, betekende zeker een vechtpartij waarbij je aanviel enje dan snel terugtrok naar donkere trappen van een huurkazerne waar je niet alleen met de Sharks maar ook met de bewoners van het huis zou moeten vechten.
De uitdaging in het jeugdcentrum was net zo afdoende; trouwens, als Bernardo er niet op inging konden ze de andere methode proberen. Wat een stel - Riff voelde zich gelukkig als hij aan de jongens dacht - iedereen wist wie ze waren en iedereen zou opzijgaan als ze langskwamen, en zo hoorde het ook.
Gauw, heel gauw, zou de straat weer van hen zijn en ieder blok dat in hun straat lag zou ook - Riff ging rennen terwijl hij zijn rechterarm voor zich uitstak – van hen zijn. Eigendom van de Jets, dat zou het worden. En Tony wist het nog niet, maar hij was door Riff uitgekozen als de man die zou helpen hun wereld te vergroten. Hij bewees die jongen wel veel eer!
Een blok voor de drugstore van Doe bleef Riff even staan om op adem te komen en een sigaret op te steken. Hij nam langzaam een paar trekjes, voelde zijn hartslag weer normaal worden en bekeek zichzelf nauwkeurig in de etalageruit. Tevreden omdat hij er niet opgewonden of bezorgd uitzag, want dat was wel het laatste dat hij aan Tony zou willen laten merken - dat hij bezorgd was -, begon Riff te fluiten.
Een paar minuten geleden waren zijn gedachten nog verward en onzeker geweest, nu wist hij precies hoe het bij het jeugdcentrum zou gaan als Bernardo er was. Bernardo zou de uitdaging aannemen en Bernardo zou misschien met stiletto’s of zelfs revolvers willen vechten. Een week of wat geleden was Riff een paar Musclers tegengekomen - een negerbende die in Harlem rondzwalkte -en had gezien hoe bij een van hen de kin tot zijn voorhoofd was opengesneden door een Shark.
Als het gevecht doorging, zou het hun allergrootste krachtmeting worden. Of Action en Diesel of iemand anders dat al dan niet wisten was niet belangrijk, omdat hij het wél wist en hij zou Tony er ook van overtuigen.
Tegen zichzelf knipogend, knikte hij braaf met zijn mondhoeken naar beneden tegen zijn spiegelbeeld, terwijl hij zichzelf vertelde dat alles in orde zou komen. Hij gooide zijn sigaret over zijn schouder en onbezorgd fluitend ging hij bij Doe naar binnen met allebei zijn handen omhoog om Doe - die hem een achterdochtige blik toewierp - ervan te overtuigen dat hij hier voor zaken kwam en niet om iets van de toonbank mee te pikken.
‘Is Tony weg?’ vroeg hij en keek op de klok. Het was halfzes; verdomme, hij wilde niet naar Tony’s huis gaan.
‘Tony is achter bezig,’ zei Doe. Doe was een tengere man die kleiner was dan de meeste mannen en hij droeg een dikke bril die eeuwig halverwege zijn neus hing. Zijn witte jas had grote zweetplekken onder de armen en de slippers die hij droeg deden pijn aan zijn doorgezakte voeten omdat ze geen steun gaven. Diep ademhalend terwijl hij het aantal pillen telde dat hij voor een recept in een doosje moest doen, onthield Doe het aantal. ‘Waarom moet je hem hebben?’
‘Dat is voor jou een vraag en voor mij een weet,’ zei Riff terwijl hij net deed of hij een kam uit een rek naast de toonbank pakte. ‘Ik ben niet van plan iets te stelen, Doe. Alleen jouw hulpje en mijn vriend. Hoeveel betaal je hem trouwens?’
‘Dat is voor jou een vraag en voor Tony en mij een weet. Als het je werkelijk interesseert,’ Doe hield even op, ‘en je hebt goeie voornemens, zou ik misschien zo’n soort baantje als dat van Tony voor je kunnen vinden. Dan zou je het weten.’
‘Ben je gek,’ zei Riff toen hij naar de achterdeur liep.
Achter de winkel was een kleine binnenplaats die werd omringd door de muren van drie aangrenzende gebouwen. In een hoek stonden kratten met lege flesjes en grote flessen met gedestilleerd water in houten kisten. Tegen een andere muur stonden kartonnen etalagemateriaal en verschillende stoffige voorwerpen die Tony uit de kelder had gehaald.
‘Dat hebben we vorige week gedaan,’ legde Tony aan Riff uit. ‘Doe vond dat alles bewaard moest worden totdat hij een keer naar de kelder ging en bijna zijn nek brak omdat hij ergens over viel. Dus nu hebben we alle troep eruit gehaald. Weetje?’ vroeg hij Riff.
‘Wat?’ vroeg Riff plichtmatig.
‘Alles gaat weer naar de kelder terug,’ zei Tony.
‘Het lijkt me geen belangrijk werk,’ overwoog Riff.
Tony zuchtte diep. ‘Ik kan niet veel meer doen,’ gaf hij toe en was verbaasd dat hij het zonder schaamte kon zeggen. Christus, hij was niet ouder dan Riff, dus waarom zou hij zich altijd de grotere broer of zoiets moeten voelen? ‘Ik zit erover te denken om weer naar de avondschool te gaan. Wat vind jij ervan?’
‘Ik vind dat je je kop moet laten nakijken,’ zei Riff en stak gauw z’n hand op want Tony’s ogen werden donker. ‘Tony, luister eens, ik ben hier voor iets belangrijks. We gaan vanavond naar het jeugdcentrum om Bernardo op te zoeken.’
‘Ik heb het idee dat hij op zoek is naar jóu.’ Tony veegde over zijn gezicht omdat de verstikkende hitte zwaar op de binnenplaats hing. ‘Wil je iets kouds drinken?’
Riff schudde z’n hoofd. ‘Ik ben hiervoor een koele beslissing.
Er moet een man met me meegaan wanneer ik Bernardo uitdaag. We gaan er voor eens en voor altijd een einde aan maken.’ Tony schudde zijn hoofd. ‘Als je hier bent gekomen omdat je op mij rekende, kun je dat wel vergeten.’
‘Maak geen grapjes,’ zei Riff. ‘Wacht even.’ Weer stak hij zijn hand omhoog om Tony z’n mond te laten houden. ‘Je wilt me gaan zeggen dat je niet - en ik ga je vragen waarom niet. Dus vertel het eens?’
‘Omdat het zo stompzinnig is, dat ik het zelfs doorheb,’ antwoordde Tony. ‘Riff, luister...’
‘Ik luister,’ viel Riff hem in de rede. ‘Maar het is niet gemakkelijk. Want ik vraag jou iets, Tony.’ Hij klopte zijn vriend op z’n borst en daarna zichzelf. ‘Ik ben het, Riff, weet je nog wel? Tony, hou in godsnaam op met dat vuilnis rondsjouwen! Dit is belangrijk!’
‘Heel belangrijk,’ zei Tony ironisch. ‘Plannen maken om een gebroken nek te krijgen. Het zou je niet goed staan.’
Omdat hij werkelijk verbaasd en zelfs bezorgd over zijn vriend was, deed Riff een stap achteruit om Tony in een beter perspectief te zien. Een paar jaar geleden hadden ze elkaar gezworen dat hun vriendschap eeuwig zou zijn en tot in de dood zou duren; nu kon hij geen contact met hem krijgen.
‘Wat is er met jou aan de hand?’ vroeg Riff. ‘We kennen elkaar al heel lang, man. Heel lang en ik dacht dat ik je karakter een beetje kende. Tsjonge,’ hij schudde langzaam zijn hoofd, ‘ik dacht dat ik jou net zo goed kende als mezelf. Ik ben echt teleurgesteld nu ik merk dat het niet zo is.’
Tony lachte en stompte Riff zacht tegen z’n rechterschouder. ‘Blijf maar niet teleurgesteld. Lijd niet langer, mannetje.’
‘Ik ben geen mannetje!’
‘Word dan volwassen.’ Tony was scherp. ‘Riff, ik zou graag de boel hier op willen ruimen.’ Hij wees naar de open kelderdeuren. ‘Misschien ga ik naar een of ander strand om te zwemmen. Weetje dat ik nog nooit op het strand geweest ben... Wat denk je ervan, Riff?’ Hij was opgewonden. Laten we naar... Rockaway gaan! We kunnen ’s nachts gaan zwemmen. Wat denk je ervan?’
‘Hou toch op,’ zei Riff.
‘Ik begrijp het al,’ antwoordde Tony. ‘Je gaat liever met de Jets spelen. Goed, mannetje.’ Hij herhaalde dit nadrukkelijk. ‘Doe de groeten aan die pubers.’
‘De Jets zijn de machtigste!’ schreeuwde Riff en trapte de latten uit een kist om het te bewijzen. ‘De machtigste!’ Hij brulde nog harder en keek omhoog naar de huizen om te zien of iemand het waagde aan zijn woorden te twijfelen.
‘Dat waren ze,’ antwoordde Tony rustig.
‘Zijn ze,’ herhaalde Riff. ‘Heb je iets beters gevonden?’
‘Nog niet.’
‘Waar zoek je dan in jezusnaam naar?’
Tony dacht een ogenblik na. ‘Ik denk niet dat je het zou kunnen vatten.’
Riff tikte op zijn borst. ‘Probeer het maar, man. Ik ben erg pienter. Ga je gang.’
Het had Tony op een avond overvallen toen hij alleen in de metro zat. Het was een gevoel van ontevredenheid over het knagende gevoel minderwaardig te zijn, dat zelfs het feit dat hij de leider van de Jets was niet weg kon werken. Hij was onwetend, kon nergens over meepraten, en alle praatjes over ik-ben-een-flinke-jongen brachten daar geen verandering in. Hij was zeker koel en onbewogen, maar dat was een ijstaart ook en wat wist die? Niets. Hij was onwetend. En als hij op dezelfde manier doorging, zou hij altijd onwetend blijven. Er moest iets meer komen dan alleen maar dit.
Vele uren later die avond, omdat hij van Brooklyn naar de Bronx, van de Bronx naar Queens en van Queens naar Manhattan gereden was, kwam hij weer bij zijn blok vlak bij Columbus Avenue en liep de donkere trappen op die roken naar iedere maaltijd die er ooit in dat huis gekookt was, iedere fles drank die er gedronken was, iedere druppel zweet die er ooit door de hitte te voorschijn gekomen was, het zout van iedere traan die was vergoten uit woede of radeloosheid, en bleef tot de ochtend op het dak zitten.
Dat was zijn laatste nacht als Jet, zijn laatste nacht als leider. De volgende morgen was hij een baantje gaan zoeken en Doc had hem er een gegeven in de drugstore. Eerlijk gezegd wist hij niet of Doc hem het baantje gegeven had omdat het goedkoper was om hem hier te laten werken dan God mag weten wat te moeten laten gebeuren met de winkel; maar hij werkte nu vier maanden en de Jets mochten er dan ondersteboven van zijn, zijn moeder was dat niet. En het werd tijd, dacht Tony met schaamte - ook een nieuw gevoel - dat hij eens iets deed om haar gelukkig te maken.
Of was dat te eenvoudig? Hij durfde het niet aan de Jets te vertellen, hij durfde aan niemand te bekennen dat zijn gedachten hem in zo’n emotionele verwarring hadden gebracht dat de makkelijkste oplossing voor hem was Riff, Snowboy en Action, die de Jets hadden overgenomen, de rug toe te keren.
‘Ik praat in vertrouwen met je,’ zei Tony.
Riff voelde zich een beetje vrolijker. ‘Wat betekent dat we nog steeds vrienden zijn?’
‘Inderdaad.’ Tony glimlachte en werd toen ernstig. ‘Ik heb heel vaak zitten dromen,’ begon hij. ‘Ik heb altijd het gevoel dat ik ergens sta en iets probeer te grijpen.’
‘Wat probeer je te grijpen?’ vroeg Riff met diplomatieke belangstelling.
‘Dat is moeilijk te zeggen,’ ging Tony verder. ‘Eerst dacht ik dat het om een plaats ging. Niet een kilometer ver of honderd kilometer, maar duizenden kilometers. Om plaatsen in de atlas.’
‘Ga dan bij de marine,’ spotte Riff, ‘als je zat en getatoeëerd wilt worden in iedere haven waar je komt. Wat heeft dat voor nut? Je kunt hier hetzelfde doen en denken dat je duizenden kilometers weg bent. Wil je Chinezen zien, ga dan naar China-town. Wil je Afrika zien, dat is twee of drie haltes met de metro hiervandaan. Wil je Italië zien, hoe ver is de Mulberry Street hiervandaan, godsamme? Maar als je Portoricanen wilt zien, ga dan naar Portorico. Dat is iets wat ik hier niet wil zien.’
Tony zwaaide met zijn hand om de bekrompenheid van Riffs ideeën weg te vagen. ‘Ik hoef geen duizend kilometer te gaan reizen om te vinden wat ik zoek - misschien niet. Het zou om de hoek kunnen zijn, buiten de deur!’
Hij wees naar een van de donkere vensters van het huis dat boven ze uitstak. ‘Het zou daar kunnen zijn.’
Riff leunde achterover. ‘Wat is er daarboven?’
Tony’s tong voelde dik aan zoals wanneer hij droomde. ‘Ik weet het niet.’ Het kostte hem moeite om te spreken. ‘Een of andere kick, denk ik. Meer dan een kick,’ vervolgde hij, ‘maar ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen.’
‘Ben je soms junk aan het worden?’ Riff was geschokt. ‘Luister eens naar me!’ Hij wees naar Tony. ‘Als ik ooit merk dat je...’
‘Dat is het niet,’ stelde Tony hem gerust. ‘Ik zoek naar iets dat me dezelfde kick zal geven die ik altijd kreeg toen ik nog... een Jet was!’
Riff dacht even na. ‘Ik krijg een kick wanneer ik eraan denk dat we nog steeds vrienden zijn.’
‘Dat zijn we ook,’ zei Tony, greep Riffs hand en drukte die stevig. Ze worstelden een ogenblik en Tony kreeg Riff met een korte ruk uit z’n balans. ‘Ik heb je alweer verslagen.’
‘En ik ben blij dat ik verslagen ben, zolang het door jou is. De kick krijg je door mensen, Tony,’ legde Riff uit.
‘Ja,’ stemde Tony toe. ‘Ik voelde me meteen prettiger toen ik jou zag. Maar als je hier met A-Rab, Diesel of een van de andere jongens zou komen’ -hij schudde z’n hoofd - ‘dan zou ik het niet weten. Ik denk er nu over hoe ik me zou voelen als ik weer een Jet zou zijn.’ Hij schudde zijn hoofd weer. ‘Sorry, maar het geeft me geen kick.’
‘Jongen, je vergeet de werkelijkheid een beetje, geloof ik.’ Vol walging schopte Riff een andere kist in elkaar. ‘Kick of geen kick, zonder je eigen bende, jochie, ben je een weeskind. In deze buurt heb je een bende harder nodig dan een vader of moeder. Ik zeg niets over jóuw moeder,’ zei Riff vlug, ‘niet na alles wat ze voor me gedaan heeft. Maar Tony, feiten zijn feiten. Als je nergens bijhoort, blijf je nergens en als je bij de Jets hoort, ben je overal bij.’
Het was onmogelijk voor Tony om de oprechtheid van Riffs woorden te ontkennen, onmogelijk om de jaren die ze samen hadden doorgebracht uit te wissen. Helder en duidelijk kwamen de beelden en scènes in Tony’s gedachten terug, ze werden door zijn geweten naar voren geschoven. Toch wilde hij niet toegeven.
‘Riff, ik heb er genoeg van.’ Hij had het graag nadrukkelijker willen zeggen, maar zijn keel was samengeknepen. ‘Overal van.’
‘We zitten echt in de rotzooi,’ antwoordde Riff, want hij had gemerkt dat het antwoord van zijn vriend nogal zwak was. Het kostte hem moeite niet te laten merken dat hij blij was, maar het lukte hem wel. ‘De Sharks slaan hard toe, Tony. We moeten ze nu tegenhouden of hier vandaan gaan.’ Hij stopte om Tony te laten inzien hoe wanhopig de situatie was, voordat hij zijn hand uitstak om om hulp te smeken. ‘Ik heb nog nooit iemand om hulp gevraagd, maar ik vraag jou iets. Ik heb hulp nodig, Tony, hulp met hoofdletters. We willen je in het jeugdcentrum zien. Er is dansen vanavond.’
Tony draaide zich om. ‘Ik kan onmogelijk komen.’
‘Ik heb de jongens al gezegd dat je zou komen,’ antwoordde Riff.
Kwaad omdat er al beslist was zonder hem iets te vragen, kreeg Tony de neiging om zijn vriend een flinke opstopper te verkopen. Toen realiseerde hij zich waarom Riff het gedaan had. Omdat Riff Tony nog steeds beschouwde als zijn vriend, zijn beste vriend. Misschien voelde hij niet meer zo voor Riff, maar dat was geen reden om Riff in de steek te laten. Niet alleen Riff, maar alle Jets, de hele buurt.
Hij kon Bernardo en de Sharks niet luchten of zien. Niemand had ze uitgenodigd om hier te komen en als er gevochten moest worden, sloeg het nergens op je af te vragen wie de schuldige was. Het moest gebeuren, daar kwam het op aan en Riff had niet zijn hulp gevraagd als Jet, maar als vriend.
De avond dat hij de Jets in de steek had gelaten, had hij ze gezegd dat hij wilde dat Riff nu de leiding zou nemen. Hij had Riff naar voren geduwd. Nu moest hij ervoor zorgen - daar kon hij niet onderuit komen - dat Riff zijn positie zou kunnen handhaven.
Tony grinnikte. ‘Ik had niet willen kopen watje me probeerde aan te smeren, maar ik wist niet tegenover wat voor soort aanhouder ik zou komen te staan.’
‘Tien uur?’ vroeg Riff.
‘Tien uur,’ antwoordde Tony. ‘Weetje, ik heb liet gevoel dat ik hier m’n hele leven spijt van zal hebben.’
Riff stond tegen de lucht te boksen. ‘Wie weet? Misschien vind je waar je naar zoekt wel op de dansavond! Man, wanneer heb je het voor het laatst gehad?’ schreeuwde hij. ‘Tot straks!’
Er kwamen wolken voor de zon. Tony had het gevoel dat hij gevangen zat in de nauwe hete binnenplaats en was net zo somber als de muren en de donkere ramen boven zijn hoofd. Hij vervloekte zichzelf omdat hij niet flinker geweest was, dat hij Riff niet teleurgesteld had. Hij had het voor eens en voor altijd zo duidelijk moeten maken dat zelfs de grootste idioot het had kunnen begrijpen.
Hij had zijn plan om naar het strand te gaan moeten uitvoeren. En terwijl hij op het strand zat, de smaak van zout op zijn lippen, zou er iets hebben kunnen gebeuren. Het magische iets waar hij naar zocht was misschien regelrecht uit de hemel komen vallen.
Wat zou het zijn? Een nieuw strand? Een waterval? Duizenden vogels in vlucht? Sporen van straaljagers in de lucht? Een trapeze die aan de maan hing? Zou het misschien een meisje zijn? Waarom niet?
De wolken waren overgetrokken, de hemel was nu donkerder omdat de hete, vermoeiende dag plaatsmaakte voor de schemering. Hij hoorde Doe roepen, die zei dat de werktijd voorbij was voor werknemers maar niet voor werkgevers en dat wat hij niet gedaan had tot morgen kon wachten. Hij moest er alleen aan denken de kelderdeuren op slot te doen en dan binnen komen om iets te drinken.
‘Het wordt vanavond nog warmer,’ zei Doe. Hij stond in de deuropening en wuifde zich koelte toe met een oud nummer van een medisch tijdschrift. ‘En morgen nog heter.’
‘Dat denk ik ook,’ zei Tony.
‘Ik ga naar een koele bioscoop als ik de zaak gesloten heb.
Om een uur of negen,’ zei Doe. ‘Als je een boterham bij me wilt eten met een glas bier erbij, zou ik het leuk vinden. Of als er een meisje is dat je mee wilt nemen, kun je haar ophalen, dan koop ik vast...’
‘Ik zou het leuk vinden, Doe,’ zie Tony. ‘Maar ik heb een afspraak.’
‘Riff en jij en twee meisjes?’
‘Niet precies,’ zie Tony. ‘Ik heb een afspraak met hem in het jeugdcentrum. Er wordt gedanst vanavond.’
‘Dan neem ik het je niet kwalijk dat je niet met mij meegaat,’ zei Doe en haalde zijn schouders op. ‘Maar hoe kun je dansen als het zo heet is? Maar je bent in ieder geval niet alleen, dat vroeg ik me af. Ik zie je morgenochtend toch wel?’
‘Natuurlijk, morgenochtend.’ Tony knielde om het slot van de kelderdeur dicht te doen. ‘Doe maar kalm aan, Doe. Ik kom om negen uur wel even langs om je te helpen met de ijzeren luiken voor de ramen.’
‘Bedankt,’ zei Doe. ‘Wat een wereld, waarin je ijzeren luiken voor je winkelramen moet doen.’
‘Het komt door de Portoricanen,’ zei Tony.
‘En niet door je vriend Riff - en de rest van die troep?’ zei Doe ironisch. ‘Goed Tony, je komt morgen en kom maar niet voor de luiken. Ik red het wel. Maar pas vanavond goed op jezelf.’