Hoofdstuk 2

Van vier naar drie

Marco’s aanwezigheid was veranderd in een foto die op het kleine altaartje in de huiskamer stond. Met uitzicht op de keukentafel, wat de centrale plek van het huis was. Daarbij een kaarsje, wierook, en allerlei briefjes en steentjes die de kinderen en ik er regelmatig bijlegden. Het altaartje was een plekje geworden waar we vaak even stilstonden of juist praatten en huilden. En soms ook gehoord werden en antwoord kregen.

Mijn geloof – uitsluitend gebaseerd op gevoel – dat er meer is tussen hemel en aarde is in die tijd meer dan bevestigd.

De heftigste ervaring was in de nacht na de oerknal. De eerste nacht voelde ik Marco zijn paniek, de tweede nacht werd ik wakker van een geluid. Ik kon het niet direct plaatsen en ging vertwijfeld rechtop in mijn bed zitten. Iemand huilde, maar het waren niet mijn kinderen. Ik schrok en besefte dat ik Marco hoorde huilen, heel dichtbij en heel hard.

‘Schat, ik ben hier, maar waar ben jij dan?’ Ik kreeg geen antwoord en het huilen ging maar door. Als in een trance bleef ik tegen hem praten. ‘Lieverd, ik ben hier, je bent dood en hoe kan ik je dan horen huilen? Laat me je troosten, je vasthouden, zeg me waar je bent en wat er is. Weet je wel dat je dood bent? Moet je daarom zo huilen?’

En toen was het stil. Doodstil. En voelde het meteen leger en lichter in huis.

Ik reageerde vanuit mijn gevoel, maar later kreeg ik de bibbers: What the fuck? Heb ik het echt gehoord? Hoe kan dat nou? In de war ging ik naar beneden om even bij Tim te leunen en te vertellen wat er was gebeurd. Hij hield me alleen maar vast. Nu wordt mijn zusje koekoek, dacht hij misschien, maar dat gevoel gaf hij me niet. Het is zoals het is.

De dagen daarna begon het electriciteitsfestijn. De lampen boven de keukentafel knipperden erop los, vooral als we met zijn drieën aan tafel zaten. De kinderen merkten het ook op. Ze zagen het, net als ik, als een teken van Marco. ‘Hij is nog in de buurt en waakt over ons.’ Waar of niet, het maakte geen drol uit, we haalden er kracht uit en dat is wat we nodig hadden.

Achteraf bezien waren meer gebeurtenissen bijzonder.

Tijdens de zomervakantie hadden we ons jaarlijkse relatie-APK’tje: we spraken over ons, onze relatie en de kinderen. We waren een beetje ingedut, stelden we vast. Met name ik wilde meer leven en genieten, niet te moeilijk doen, even wat luchtiger allemaal. Vooral samen meer leuke dingen doen. Aan liefde geen gebrek, maar we waren soms zo zwaar. Zoals altijd kwamen we er sterker en verliefder uit dan ooit. Marco kwam met het spontane idee om naar Disneyland Parijs te gaan. De kinderen waren helemaal door het dolle heen en wij hadden er ook veel zin in.

De week voor de oerknal was het zover. Het waren intens gelukkige dagen, waarbij we alles wat Disneyland te bieden had hebben gezien of gedaan. Marco verwende de kinderen ‘zomaar’ met de prachtigste verkleedkleren en alles was genieten. Wel vond ik hem wat afwezig en betrapte ik hem af en toe terwijl hij in gedachten naar de kinderen staarde. We sloten het weekend af bij mijn schoonouders en lieten vol trots de foto’s en de verkleedkleren zien. Ook gingen we nog even naar de verjaardag van Marco’s broer, die ons aan zijn nieuwe vriendin wilde voorstellen. Marco was zo blij en opgelucht dat zijn broer weer wat gelukkiger leek. Die had namelijk twee jaar daarvoor zijn vriendin verloren aan huidkanker. Hij en hun zoon bleven verslagen achter. Marco en ik waren enorm met hen begaan in die zware tijd en hielpen waar we konden.

Het was raar om te beseffen dat ik nu hetzelfde doormaakte als Marco’s broer en dat hij opnieuw een intens verdriet moest verwerken. Een prater was hij zeker niet, maar dat hoefde ook niet om de gemene delers te voelen.

In de week na Disneyland was er nog een bijzonder moment: Marco kwam naar bed, ik lag al een tijdje te slapen. Hij kwam heel dicht tegen me aan liggen, maakte me wakker en zei: ‘Liefje, weet je wel dat ik ongelofelijk veel van je hou en dat ik blij ben dat jij de moeder van mijn kinderen bent?’ Heel intens en niet gebruikelijk. Hij zei natuurlijk wel vaker dat hij van me hield, maar dat hij me daarvoor wakker maakte?

Ik kan me mijn reactie niet exact meer herinneren, ik geloof dat ik knorde: ‘Jaha, dat weet ik toch?’

Later pas, na de oerknal, schoten dit soort momenten en beelden door mijn hoofd en had ik bijna het gevoel dat het leek alsof hij wist wat er ging gebeuren.

En toen, de maandag na de oerknal, gingen mijn kinderen naar school en ging ik niet naar mijn werk, want mijn man was dood.

De kinderen wilden graag naar school, daarin was niks veranderd. Beide juffen hadden, direct nadat zij het nieuws hoorden, contact opgenomen met ons. De juf van Robin was zelfs langsgekomen en had samen met Robin op haar kamertje een tijdje zitten praten. Mijn vader had al contact gehad met de directeur van school en had voorgesteld om aan de kinderen in hun een klas een briefje mee te geven voor de ouders. Het was duidelijk niet alleen een oerknal binnen ons gezin. Onze totale leefgemeenschap was in shock.

Robin kreeg in de eerste week na de oerknal van haar klas een boekje waarin alle kinderen iets hadden opgeschreven en Lucas kreeg een handenwaaier, met papieren handjes van al zijn klasgenootjes waar ze hun naam op hadden gezet.

Dit soort dingen zijn essentieel geweest voor hun verwerking. Er was alle ruimte voor en zelfs het thema van de week werd aangepast.

Voor de kinderen was het ook belangrijk en dat hun vriendjes en klasgenoten met hun ouders naar de begrafenis zijn gekomen. Tussen al die volwassen, verdrietige mensen konden ze daardoor gewoon kind zijn: lekker rennen, verstoppertje spelen en een beetje huilen. Tijdens de begrafenis zat Lisa, de beste vriendin van Lucas, aan zijn voeten en zat Yara, de beste vriendin van Robin, achter haar.

Het meest verdrietige moment van de begrafenis was toen de kist dichtging. Ik had dat zo lang mogelijk uitgesteld. Vlak voor het moment suprême dook ik snikkend de kist in voor de laatste kus, de laatste blik en de laatste aanraking. Dat was ook het moment dat Robin brak en onbedaarlijk uithuilde bij mijn vriendin Kim, (de ex van Tim). Dat neemt niet weg dat Robin later tegen me zei: ‘Mam, ik zag je onderbroek toen je de kist in dook!.’ Of ze daar nou om moest huilen weet ik niet, maar het moment is bijgebleven.

De dag na de begrafenis was leeg, leger, leegst. De eeuwige oplosser die ik in mijn diepste wezen ben, liep vast. Sommige dingen kun je niet oplossen, die moet je gaan accepteren. Maar hoe dan?

Toch maar in de actie, want doen maakte mijn geest rustig en daardoor voelde ik me nog enigszins nuttig. Ik beperkte me tot de basics, zoals schoonmaken en opruimen, de ‘moeilijke’ dingen besteedde ik uit.

Alle administratie gaf ik aan Papa: ‘Please, zeg me dat we hier kunnen blijven wonen? Papa, alsjeblieft?’

Marco en ik hadden alles samen altijd goed geregeld, maar hoe, dat wist ik niet meer. Op het moment dat ik een hypotheek, levensverzekering of wat dan ook afsluit of regel, zorg ik dat ik alles te weten kom. Dan neem ik een weloverwogen beslissing waarvan ik weet dat het goed is, maar daarna weet ik niets meer en verdwijnt het uit mijn hoofd. Geregeld is klaar. Net als vroeger op school: heel hard leren vlak voor een repetitie, om het daarna meteen uit mijn hoofd te wissen.

Ik kon mijn vader dan ook niks vertellen, ik wist bij god niet meer hoe en wat. Alleen dat het goed geregeld zou moeten zijn. Achteraf vertelde mijn vader dat hij in eerste instantie bang was dat het niet ging lukken. Maar na avonden studeren en piekeren, bracht hij goed nieuws: ‘Jullie kunnen hier blijven wonen en doorleven zoals jullie gewend waren.’ Minus één dan.

Marco werkte al jaren bij ING (hij begon op zijn 22e bij de Postbank), wat een redelijk partnerpensioen opleverde. Jawel, ik ben achtendertig en ik ontvang al pensioen. En ik krijg mijn hele leven personeelskorting en jaarlijks een kerstpakket tot ik er niet meer ben. Noem het een pleister.

En toen: ‘Broer, blijf je nog even? Met je hond Kikke, zodat ik af en toe naar buiten kan met een doel zonder na te denken? Alsjeblieft broer, en doe mijn boodschappen, en neem de telefoon op, en huil mijn tranen, en lach om mijn vreselijke cynische en foute grappen of andersom?’

Natuurlijk vroeg ik dit niet hardop, vragen is niet mijn ding. Maar ik dacht het wel. Het werd gehoord en volbracht, vanzelfsprekend zoals dat bij ons gewoon is.

Tim deed zout op de beschuitjes van de kinderen, snapte mijn Tupperware-systeem niet, vergat de voordeur ’s avonds soms dicht te doen na de laatste uitlaatronde, zodat die de hele nacht openstond, en viel in slaap voor de televisie.

Maar wat was het fijn om een extra paar hersens te hebben en niet alleen te zijn. Ik moest eerst weer leren leven voor hij weg mocht. Voelde me ook een beetje dood.

De buitenwereld kon ik maar moeilijk aan. Ik vond het zo raar om te ervaren dat alles gewoon hetzelfde was gebleven, terwijl voor mij niets meer hetzelfde voelde.

Stapje voor stapje zocht ik de grens op. Ik begon met boodschappen doen, alleen. Mensen die mij zagen, herkenden en wisten. Of juist niet, net zo erg.

Terwijl ik me door de schappen worstelde en gefrustreerd mijn boodschappenlijstje zocht – dat natuurlijk nog thuis lag – probeerde ik het gezellige achtergrondmuziekje te negeren. Let maar op: altijd gevoelige kutnummers. Tegelijkertijd deed ik mijn best alle mensen te ontwijken. Kansloos. De eerste keer kwam ik zonder boodschappen en in tranen naar huis. Ik kon het nog niet.

Het komt wel, het hoeft ook nog niet, Tim is er nog, net als vele andere vrienden die me helpen door gewoon praktische dingen voor me te doen.

Ondertussen overstroomde de brievenbus en maakte het koffiezetapparaat overuren. Ik zat, huilde, lachte, rookte, praatte en koesterde alle aandacht en mededogen. Echt honderden brieven en kaarten hebben we gekregen. Dat deed me goed en de kinderen ook. ‘Yes mam, we hebben nog meer post!’

Alles lazen we samen, of ik las het voor en we plakten het in. Waar de voordeur niet altijd openstond voor het overlijden van Marco, was dat nu wel het geval. Ik ben een mensen-mens en liever niet alleen. Ik was me ook heel erg bewust dat ik het niet alleen kon doen. Echt niet. Voorlopig nog niet. Misschien wel nooit niet.

Wel had ik de afspraak met mezelf dat er alleen tijdens schooltijden ‘zwaar’ bezoek mocht komen. Ik wilde de kinderen zo min mogelijk confronteren met het verdriet van andere mensen. Wilde hen een veilig en rustig thuis geven, waar verdriet mocht zijn, maar voorlopig alleen even dat van ons drieën.

Ook ik had lang niet altijd zin in dat trieste gedoe. Tijdens een bezoekje van vrienden die heel verdrietig en ongemakkelijk binnenkwamen, kon ik alleen maar lachen, tegen het hysterische aan. Tim ging tijdens dat bezoek even met een vriend op en neer naar Zoetermeer. Hij moest zijn reserve-autosleutels ophalen (originele sleutels foetsie) en de hond wegbrengen, want zijn dochtertje Noa miste hem zo. Hij reed hier weg zonder hond en kwam terug zonder reservesleutels. Ik was niet de enige die in de war was. Het zal voor die vrienden een verwarrende ervaring geweest zijn. Jammer dan, dat soort dagen waren er ook.

‘Broer, ik wil ook een hond. Net zo één als Kikke,’ vroeg ik toen ik bijna zover was dat ik het zonder hem ging doen. Volgens mijn broer was Kikke een Boerenfox. Via via vonden we een nestje in… Nijmegen. Zonder aarzeling stapten Tim en Kim in de auto, op weg naar onze nieuwe bewoner. Voor mij kilometers te ver uit mijn comfortzone. Ze waren blij dat ze iets voor me konden doen wat mij blij maakte, win-win.

Makkie kwam, zag en overwon. Vraag me niet waarom hij die naam heeft gekregen, misschien was het de wens van de gedachte: laat het een Makkie zijn. Een klein knuffeltje erbij, een lieve bliksemafleider, die met ons mee op de fiets ging naar voetbal en waarachter ik me op straat kon verschuilen, net zoals onder mijn petje, dat ik na de begrafenis heel lang heb gedragen als ik naar buiten ging. En ’s avonds was het niet zo stil in huis.

Hilarisch was dat Makkie steeds minder op Kikke leek toen hij groter werd. Na ongeveer een jaar kwamen we erachter dat het een totaal ander ras was. Kikke was een mix van een Friese stabij en een Boerenfox en Makkie een raszuivere Boerenfox. Hun karakters kwamen ook niet overeen, waar Kikke relaxed was, was Makkie hysterisch. Hij transformeerde meer en meer tot mijn persoonlijke hoeder en uitte dat nogal agressief naar alle mensen die op bezoek kwamen. Luid blaffend sprong hij met vier poten in de lucht, zodat hij door de glazen tussendeur kon zien wie het in zijn hoofd haalde om aan te bellen. In het begin was dat erg grappig, tot hij het ook voor me opnam als ik de kinderen terechtwees. Dan blafte hij en deed hij een poging om in hun tenen te bijten.

Hij maakte dat gedrag volledig goed door ’s avonds, als de kindjes op bed lagen, mij volledig de liefde te verklaren en luid snurkend en genietend op mijn schoot te gaan liggen. Daarmee maakte hij de talrijke eenzame avonden een beetje lichter voor mij. Samen sloten we de avond af met een heerlijk wandelingetje buiten.

Ik bracht en haalde de kinderen altijd met Makkie naar en van school. Voor de leuk, maar ook als een soort buffer. Bovendien gaf hij de ouders op het schoolplein een reden om even naar me toe komen onder het mom van ‘leuk hondje’. Ik merkte regelmatig dat mensen het moeilijk vonden om mij aan te spreken. Wat moet je nou zeggen? Moet ik wat zeggen, of heeft ze er geen zin in? Ik snap best dat dat lastig is. Via Makkie liep het met die mensen net even wat makkelijker. Hij had een duidelijke functie en hoorde erbij. Hysterisch of niet.

Na drie weken ging ik het alleen proberen, met de kindjes en een hond, op de automatische piloot en heel voorzichtig.

Met mijn moeder sprak ik af dat ze iedere woensdag zou komen helpen waar nodig. Mijn vader kwam af en toe aanwaaien, de ene keer met, de andere keer zonder zijn vrouw Monique. En ook mijn halfbroertjes van veertien en zestien kwamen vaak even een zoen brengen. Mijn broer uit Zoetermeer stond stand-by op de afstandsbediening.

Ik miste mijn werk enorm, maar was nog nergens toe in staat. Hoe dan ook wilde ik alleen nog maar tijdens schooltijd werken, dus dat moest ik gaan bespreken. Acht jaar geleden was ik bij Meda begonnen als secretaresse. Inmiddels was ik marketing en sales assistente en behoorde ik tot het meubilair, met veel credits en vrienden. Ik geloof dat het voltallige personeel op de begrafenis aanwezig was. Meda gaf mij alle ruimte. Met mijn leidinggevende, tevens goede vriend, overlegde ik wat handig was. Ik mocht het volledig zelf invullen en besloot om in januari weer te beginnen. Voor twintig uur in plaats van vierentwintig, onder schooltijd, wat een luxe.

Het gaf me rust. Ik had november en december nog om een beetje te leren leven. Want dat was wat ik moest doen, leren leven op mijn achtendertigste. Best raar.

En dan dat onwijs irritante terugkerende moment: opstaan.

Dat was en bleef voorlopig het moeilijkste. Zo ging dat ongeveer iedere dag:

De wekker gaat. Half slapend en met een leeg hoofd druk ik op snooze. Langzaam, heel langzaam vult mijn hoofd zich met gedachten en weet ik alles weer.

Nee!

Vervolgens duik ik heel diep onder de dekens, wachtend op de tweede wekker.

Ik wil niet, ik wil niet, ik wil niet.

Ik sla opnieuw op de snoozeknop en duik nog dieper weg, onder de dekens in het veel te grote bed voor mij alleen.

Hoeveel uur nog voor ik weer naar bed mag?

De kinderen worden wakker en ik sleep mezelf uit bed. De trap af om thee met melk en suiker te maken, in een fles – dat vinden ze nog steeds heerlijk – om in bed op te drinken. Daarna duik ik onder de douche. En langzaam, heel langzaam ebt het verdrietige, lege gevoel een beetje weg. Ben ik in staat om me aan te kleden voor de dag. Met aandacht en zorg, voor mezelf en de kinderen. Want ja, de kinderen zijn op dit moment mijn enige vreugdebron waar ik graag voor wil leven en voor wie ik mijn best wil doen om weer een gelukkig mens te worden. Of misschien eerst weer mens en daarna wellicht gelukkig.

Bestaan daar boeken voor?

~ Dagboek ~

16 november 2007

Worstelend op de toppen van mijn emoties, dicht bij mezelf, thuis met Robbedoes en Luc. Wat een pijn, zo diep. Je bent gewoon dood en zomaar weggerukt uit ons leven. Hoezo?

Jezus lief, ik kan het nog steeds zo moeilijk geloven. Snap het ook niet, waarom? We waren zo lekker op dreef samen, vanaf de zomer het roer om, meer genieten van elkaar en iets minder gepland allemaal. Was dit ‘part off’ het ongeplande deel? Godverdomme.

Waar ben je? Ben jij ook zo bang? Heb je hulp, kun je er mee omgaan? Hoe is het daar? Zeg iets, doe iets, vertel me waarom? Ik begrijp het niet en wil het niet begrijpen. Ik wil je terug, nu meteen! Je knuffels, je kussen, je liefde, alles, alles, alles, zelfs alles wat ik zo irritant aan je vind! Ik kan dit toch niet alleen lief? Help me toch, alsjeblieft!

Ik ga maar door en praat tot mijn stem het begeeft… kan niet stoppen en praat met iedereen, maar niet meer met jou. Ik doe van alles, voer alles in razend tempo uit alsof ik daarmee iets terug kan halen. Koester ons huis en onze kinderen. Wat ben ik blij met ze, ze houden me hier en laten me – tussen al het verdriet door – zelfs genieten.

Wanneer houdt deze film op? Ik heb het einde al gezien, dus alsjeblieft, stop de beelden. Ik kan niet meer, help me alsjeblieft?

’t Is genoeg voor vandaag. Ben doodmoe, maar wil niet naar bed, waarvoor? Brengt me niks meer, alleen slaap. Gelukkig slaap ik, help jij me daarbij? Dank daarvoor.

24 november 2007

Ik mis je zo vreselijk, ik slaap met je trui die allang niet meer naar jou ruikt. Ik draag je luchtje alsof je in de buurt bent. Het doet zo’n pijn. Pas vier weken geleden en ik wil je alles vertellen. Ik denk dat ik acht weken non-stop met je kan praten. Overleggen, klankborden. Echt, zonder jou loop ik op drijfzand, geen wortels, geen evenwicht.

Ben doodmoe, maar ga maar door. Wil vooral veel en goed doen. Ruim alles op wat los en vast zit, gooi weg wat in de weg staat. In de hoop dat het mijn geest kalmeert. En eerlijk gezegd lukt dat ook wel, de boel is in ieder geval aan kant en dat geeft rust. Morgen gaan we naar je graf. Ik weet het niet, Robin wil graag, dus we gaan maar ik weet nu al dat ik het daar niet vind, maar Robin misschien wel.

25 november 2007

Vandaag dus naar je graf geweest, voelde weinig en kreeg barstende hoofdpijn. Keurig gemaakt en bijgehouden door pa en ma. We hadden alle drie een steentje uit de tuin meegenomen en iets erop geschreven. Die hebben we op je graf gelegd, best mooi.

Daarna naar je broer, die vierde zijn verjaardag. Kut, een week voordat je doodging, waren we samen nog in die kroeg, weet je nog? Je broer was blij dat ik gekomen was met de kinderen. Ik niet.

>