Janneke is zoek

 

Waar is Janneke? vraagt moeder. Waar is Janneke toch? vraagt vader.

Janneke! Janneke! Maar ze is nergens. Daar is Jip wel! Dag Jip, weet jij waar Janneke is?

Nee, zegt Jip.

Nu gaan ze zoeken. Ze zoeken in de voorkamer. En in de achterkamer. En in de slaapkamer. En in de keuken. En op het balkon. En in de tuin. Moeder is zo ongerust. Ze huilt bijna. En vader zegt: Hebben jullie samen gespeeld, Jip?

Ja, zegt Jip.

Waar dan?

In de gang, zegt Jip. We hebben Doornroosje gespeeld. En Janneke moest honderd jaar slapen. En ik was de prins.

En waar was het kasteel? vraagt vader.

In die kast, zegt Jip.

Dan doet vader de kast open. En daar ligt ze, Doornroosje. Ze slaapt. Met haar hoofd op de stofzuiger. En haar armen om de zwabber heen.

Vader pakt haar op en Janneke wordt wakker. En moeder geeft haar een zoen, want ze is zo blij.

Maar Janneke begrijpt er niets van. Ik was Doornroosje, zegt ze. Maar ik ben écht in slaap gevallen.

Moeder lacht. Maar Jip kijkt sip.

Wat is er, Jip?

Ik was de prins, zegt Jip. Ik moest haar wakker maken over honderd jaar. Maar ik was het helemaal vergeten. Ik ben gaan tollen.

Je bent een prins van niks, zegt vader.

En dan gaan ze naar de kamer. Limonade drinken voor de schrik.