Er liggen eieren in de tuin

 

Janneke heeft een nieuwe jurk. Een groene jurk. Omdat het Pasen is.

Ze wil de jurk aan. Maar moeder zegt: Zou je dat wel doen, Janneke? Je kan toch veel lekkerder spelen met je lange broek aan?

Nee, zegt Janneke. Ik wil de jurk aan.

Goed, Janneke mag de jurk aan. Ze gaat hem gauw aan Jip laten zien. Jip is in de tuin. Kijk eens jip, roept ze. Maar wat doet Jip toch? Hij is aan het zoeken. Tussen het gras en tussen de tulpen. Kom gauw! roept hij. Kom, Janneke. We moeten eitjes zoeken. De Paashaas heeft eieren verstopt. Help eens mee! Janneke wil graag meehelpen. Maar dan moet ze op haar knieën gaan liggen. En de jurk is pas nieuw.

Ik kan niet, zegt Janneke. Ik heb mijn mooie jurk aan.

Dan zoek ik alleen, zegt Jip. O kijk, ik heb er al eentje. Zie je dat? Wat een prachtig ei. Helemaal gekleurd. Als jij niet zoekt, krijg je er ook lekker geen.

Dat is te bar voor Janneke. Ze zegt niets. Ze rent naar huis.

Wat is er toch? vraagt moeder.

Mijn broek, gauw, zegt Janneke. En twee minuten later, daar is ze weer. Bij Jip in de tuin. Nou kan ik wel! gilt Janneke.

Vlug dan, zegt Jip. Ik heb er al drie gevonden. Opschieten!

Nu zoeken ze samen. Bij de heg. En tussen de plantjes. En bij het schuurtje. Jip haalt een mandje om de eitjes in te doen. Hij heeft er nu vier. En Janneke heeft er al drie.

Er moet er nog een zijn, zegt Jip. Ze zoeken en ze zoeken. Allebei zijn ze roetzwart. Van top tot teen. Gelukkig dat Janneke haar mooie jurk niet meer aanheeft.

Ik heb het, roept Janneke.

Waar, zegt Jip.

Hier, in het kippenhok. En heus, in het kippenhok ligt het ei.

En het is echt een ei van de Paashaas. En niet van de kip. Want kippen leggen geen gekleurde eitjes.

Nu hebben we er allebei vier, zegt Jip.

Dan gaan ze naar huis.