2
Regen slaat tegen de witte, keramische tegels van het gerechtsgebouw als Willem onder escorte van de politie en zijn advocaat naar de achteringang loopt. Joost Bachman geeft hem een bemoedigend kneepje in zijn schouder en loodst hem onder een paraplu naar binnen. In de blauwe ramen ontmoet Willem zijn reflectie: een gestalte in de handboeien; de schouders gebogen.
‘Goedemorgen, allemaal. Ik wend mij tot de verdachte. Is uw naam Willem Frederik Steenhouwer, geboren te Amsterdam op 8 april 1971, woonachtig op de Leopoldlaan 14 te Amsterdam-Buitenveldert?’ De rechter kijkt Willem over de rand van zijn bril aan.
‘Ja,’ antwoordt hij.
‘U bent niet verplicht om op vragen te antwoorden. U moet wel goed opletten wat hier gezegd wordt. Ik geef het woord aan de officier van justitie voor het voorlezen van de tenlastelegging.’
‘Dank u,’ zegt De Ruiter, waarna hij zijn papieren raadpleegt.
‘De heer Willem Steenhouwer wordt ervan verdacht op de avond van 16 mei jongstleden met voorbedachten rade om het leven te hebben gebracht mevrouw Natalia Korzatsjenko, in haar woning in Amsterdam, op of omstreeks halfnegen in de avond.’
Pepijn zit in de zaal en kijkt gefascineerd toe.
Elsie en Marco betreden de grote hal van de rechtbank. Elsie meldt zich bij de beveiligers, zet haar tas op het röntgenapparaat en loopt het poortje door. Het alarm gaat af. Met een geroutineerd gebaar haalt ze het pasje uit haar portefeuille en overhandigt het aan de beveiligers.
‘Skiongeluk,’ zegt ze. ‘Stalen pin in mijn heup.’
Een vrouwelijke beveiliger knikt en gebaart dat ze door mag lopen.
‘Ga maar vast,’ zegt Elsie even later tegen Marco. ‘Ik zie je straks.’ Ze verdwijnt in het eerste het beste toilet dat ze tegenkomt. Nadat ze zich in een van de wc’s heeft opgesloten, telt ze tot tien. En nog een keer. En nog een keer. Niet nadenken nu. Verstand op nul en bij haar plan blijven.
De belangstelling voor de rechtszaak is groot. Marco gaat de rechtszaal binnen, om tot de ontdekking te komen dat zijn vader al in het beklaagdenbankje zit. Zijn moeder, zijn opa en Marit gaan straks nog getuigen, en bevinden zich daarom nog niet in de zaal. Maar hij ziet wel een ander familielid: tante Beppie. Ze zwaait naar hem. Hij zwaait terug, zoekt een vrije plek op de volle tribune en probeert zich te concentreren op de vraag van de officier van justitie.
‘Dus, meneer Steenhouwer. Honderdvijftigduizend euro, waar verder niet over gepraat mocht worden. Waar zo min mogelijk over op papier moest. Verklaar u nader.’
‘Het was voor het restaurant van mijn vrouw. Dat liep even niet zo goed.’
‘Voor uw vrouw. Maar waarom moest dat dan zo stiekem gebeuren?’
‘Omdat zij geen geld van haar vader wilde aannemen. En ik geen andere manier wist om haar te helpen.’
Honderdvijftigduizend euro? Restaurant dat niet goed liep? Waar gaat dit over? Verdwaasd kijkt Marco van de officier van justitie naar zijn vader en weer terug.
‘Uw vrouw heeft verklaard dat zij diverse schuldeisers rechtstreeks naar u mocht sturen. Ook hiervan is niets op schrift gesteld. Meneer Steenhouwer, is het niet gewoon zo dat u dat geld nodig had om een aantal personen in seksclub Baccara te betalen, zodat zij een valse verklaring zouden afleggen?’
‘Dat is absoluut niet zo. En u kunt dat ook niet bewijzen.’
Mannen lopen in en uit met verhuisdozen. Met lede ogen ziet Björn hoe het huis leger en leger raakt, en de vrachtwagen die buiten met de wielen in de bloembedden staat steeds voller. Voor de derde keer in een halfuur tijd gaat hij naar zijn kamer, die zijn kamer niet meer is. Alleen de verbleekte rechthoeken aan de muur, waar zijn posters hebben gehangen, wijzen erop dat dit ooit zijn domein was. Hij zoekt steun bij de deurpost.
De hand van zijn vader landt op zijn arm. ‘Zo, jongen, ik moet naar de rechtbank. Over een paar uurtjes ben ik terug en dan vertrekken we meteen.’
Björn schokschoudert.
‘Kom op nou!’ roept zijn vader. ‘Vanavond zit jij aan de Vlaamse frieten!’
Hoe kan hij dit nog stoppen? Mismoedig schudt Björn zijn hoofd. Het valt niet meer te stoppen. Ongelooflijk dat zijn vader dit allemaal in de steek wil laten.
‘Vlaamse frieten?’ zegt hij. ‘Dat zijn van die dikke. Ik vind kleine dunne veel lekkerder.’
Zijn vader slaakt een zucht en draait zich om. ‘Nou zijn die kleine dunne weer lekkerder,’ hoort hij hem mompelen.
De nagalm van zijn voetstappen in de lege gang blijft nog lang hangen.
‘Mevrouw Couwenberg, ik wijs u erop dat u verplicht bent de waarheid te vertellen, maar tevens dat u – als echtgenote van de verdachte – verschoningsrecht hebt en niet op alle vragen hoeft te antwoorden. Wilt u de eed afleggen of de belofte?’
Willem kijkt toe hoe Elsie nerveus de belofte opzegt, haar ogen onafgebroken op hem gericht. Wat kijkt ze treurig. Hij neemt een slok water. Na een paar inleidende vragen komt de rechter ter zake. ‘Waarom wilde u geen geld van uw vader aannemen?’
Elsie plukt aan de tas op haar schoot. ‘Gewoon, dat wilde ik niet.’
‘Geneerde u zich? Dat uw zaken niet goed liepen?’
‘Ja,’ antwoordt ze. ‘Ja, dat was het.’ Opluchting in haar stem.
‘En toen?’
‘En toen kon Willem iets regelen. Hij zei verder niet wat. Iets met zijn eigen zaak.’
‘Maar uw man verzweeg de werkelijke herkomst van dat geld. Hij loog dus tegen u.’
Ze kijkt Willem aan.
Wat zit ze toch aan die tas te plukken?
Joachim beweert met een stalen gezicht niets te maken te hebben met het creëren van een alibi voor Björn. Tot zover niks nieuws. Als Bachman hem aan de tand voelt en zegt dat het personeel van die seksclub doodsbang voor hem lijkt te zijn, haalt hij enkel zijn schouders op. Willem had niet anders van hem verwacht, maar wat hij wel had gehoopt en misschien ook een beetje verwacht, was dat Huub Couwenberg, na er nog eens een nacht over geslapen te hebben, het niet zou kunnen opbrengen zijn schoonzoon voor zijn daden op te laten draaien. Hij houdt zijn adem in als Bachman aan de beurt is om zijn schoonvader te ondervragen.
‘Meneer Couwenberg, volgens uw verklaring hebt u gezegd, en ik citeer: “Volgens mij zei jij toen: ik regel het wel.” Klopt dat?’
‘Hoe meer ik erover nadenk, hoe zekerder ik ervan ben.’
Verbeeldt hij het zich, of hoort hij een lichte aarzeling in de stem van zijn schoonvader?
‘Wij horen hier steeds halve beweringen, meneer de voorzitter. “Misschien.” “Ik dacht het.” “Zou kunnen.” “Het was donker.” Meneer Couwenberg: bent u er nu wel of niet zeker van dat mijn cliënt dat heeft gezegd?’
Willem fixeert zijn ogen op het gezicht van Huub, wiens kaak ongecontroleerd beweegt. Tegen beter weten in hoopt hij dat alles zich nog ten goede zal keren.
Maar het gezicht van Couwenberg verhardt. ‘Ik ben er zeker van,’ zegt hij.