3

Het is een koude dag. Amper boven het vriespunt. Hetzelfde geldt voor Pepijns stemming. Bij gebrek aan communicatie met zijn vrouw heeft hij zelf maar een paar conclusies getrokken. Ze mag dan besloten hebben bij hem te blijven, dat ze aan die verhouding een eind heeft gemaakt, betwijfelt hij ten zeerste. Want helemaal gek is hij natuurlijk niet. Als ze ook maar iets om hem gaf, had ze hem haar excuses aangeboden, verzekerd dat het nooit weer zou gebeuren. Had ze… nou ja, had ze wat dan ook gedaan om hem tegemoet te komen. Maar nee, hij moest het doen met dat ene hoofse knikje en dat uitdrukkingloze gezicht van haar. Doet het haar dan allemaal niets? Heeft hij zich al die tijd in haar vergist?

Alsof hij al niet genoeg aan zijn hoofd had, kwamen gistermiddag ook Meerdink en Bazhouri hem nog beschuldigen. Ze bleven maar hameren op het feit dat het vriend Couwenberg wel heel goed uitkwam dat die Oekraïense, nu ze dood was, niet meer kon terugkomen op haar verhaal over zijn lieve zoontje Björn. Fijntjes had hij ze uitgelegd dat Couwenberg weliswaar graag experimenteerde met allerlei zaken die God verboden heeft, maar dat moord in zijn dossiers niet voorkwam. ‘Dat is me echt een stap te ver,’ had hij gezegd.

Waarop Meerdink, die zelden om woorden verlegen leek te zitten, opmerkte: ‘Hoe is dat Japanse spreekwoord ook alweer? Zelfs de langste reis begint met de eerste stap.’

‘Chinees,’ meende haar collega Bazhouri ook nog een duit in het zakje te moeten doen. ‘Het is een Chinees spreekwoord. Moeten we niet snel met Björn of zijn vader gaan praten?’

Hoofdschuddend had hij de overijverige rechercheurs aangekeken. ‘Jullie schijnen nogal van spreekwoorden te houden,’ had hij gezegd. ‘Welnu, ik heb er ook een voor jullie: laten we geen slapende honden wakker maken.’ Na deze woorden leunde hij achterover in zijn stoel, maar zoals altijd had Meerdink weer een antwoord.

‘Over slapende honden gesproken, je zou ook de IND nog bellen.’

Hij had haar gevraagd wat ze daar precies mee bedoelde.

‘Wat ik daarmee bedoel? Dan had ze misschien nog geleefd,’ had ze verontwaardigd gezegd, om vervolgens met haar neus in de lucht zijn kantoor uit te marcheren, op de voet gevolgd door haar eeuwige schaduw Bazhouri.

‘Dat heeft er niets mee te maken!’ had hij ze nog nageroepen.

Kortom, een dag om zo snel mogelijk te vergeten. Hij kijkt op zijn horloge. Hopelijk heeft Mengeling zo dadelijk beter nieuws voor hem. Het wordt tijd zijn leven weer krachtdadig in eigen hand te nemen. Te beginnen met de rugleuning van zijn stoel. Hij draait aan de knoppen onder het zitgedeelte, tot hij de juiste heeft gevonden, waardoor de rugleuning naar voren schiet. Als de hoofdofficier even later zijn kamer betreedt, treft hij hem kaarsrecht achter zijn bureau aan, verdiept in een dossier.

Mengeling gaat tegenover hem zitten. ‘Ik heb erover nagedacht en nog wat mensen gesproken, maar het kan gewoon niet.’

‘Het is formeel niet verboden,’ reageert Pepijn.

‘Klinkt prachtig. Helaas halen we ons een ongelooflijke teringzooi op de hals als we ermee doorgaan.’

‘Waarom?’

‘Doe nou niet zo naïef. En dat voor zo’n slimme jongen.’

‘Ze is ermee gekapt.’ Hij zucht. ‘Weet je, ik wilde ze al graag pakken, maar nu ben ik helemaal gemotiveerd.’

‘Dat snap ik. Maar je hebt een carrière, weet je nog? En dan een persoonlijke vendetta voeren?’

Pepijn slaat een hand tegen zijn borst. ‘Maar het is toch míjn carrière? Als ik die nou wil riskeren om die lui te pakken, dan zou ik dat toch zelf moeten weten?’

Mengeling kijkt zuinig. ‘Nou, dat is te zeggen: ik blijf wel verantwoordelijk.’

De verjaardag van Huub Couwenberg wordt gewoon gevierd. Een mannetje of twintig is komen opdraven en Björn heeft overal uitstekend voor gezorgd. Hij heeft de kamer versierd met slingers en overal schalen met hapjes neergezet, die op verzoek van zijn vader bestaan uit plakken leverworst, Amsterdamse uien, haring en borrelnootjes. Niks geen moderne fratsen zoals inktvisringen of garnalenenvelopjes.

‘Dit,’ zegt hij tegen zijn zoon terwijl hij hem een glazige ui voorhoudt, ‘is nou een echte Amsterdamse ui. Zo eentje waarbij je de tranen in de ogen springen als je een hap neemt. Kom daar nog maar eens om, tegenwoordig heb je alleen van dat nepzuur.’ Hij slaat een arm om Björns schouder. ‘Goed gedaan, jochie.’

‘Nepzuur,’ beaamt Björn. ‘Zoetzuur.’ Zijn gezicht straalt van trots.

‘Dat zeg ik. Het woord alleen al. Zoet en zuur, dat kan geeneens. Sommige mensen laten van die cateringbedrijven komen. Voor een feestje. Alsof het geld gratis is.’

‘Bitterzoet,’ peinst Björn nog even hardop door. ‘Dat heb je toch ook? En zoutzuur… maar dat is weer wat anders.’

Couwenberg laat zijn zoon los. ‘Ik had eigenlijk helemaal geen zin het te vieren dit jaar. Maar ja, het leven gaat door…’

Een hand landt op zijn rug. ‘Gefeliciteerd,’ hoort hij Willem zeggen.

Couwenberg draait zich om. Elsie, Marit en Marco zijn er al een tijdje en even, na dat akkefietje met die Oost-Europese hoer, had hij gevreesd dat Willem het vandaag zou laten afweten. Opgelucht neemt hij diens uitgestoken hand aan. ‘Dank je wel. En ook nog bedankt voor de dvd’s. Elsie zei dat het jouw idee was.’ Hij wijst naar een tafel vol cadeaus.

‘O, ja. Welke is het nou geworden?’ vraagt Willem.

Couwenberg pakt de dvd-box van tafel. ‘Prison Break.’

De uitdrukking van zijn schoonzoon verraadt niets. ‘Ik heb ook nog een kleinigheid voor je,’ zegt hij, en haalt een fles champagne tevoorschijn.

‘Alweer? Ik heb nog een halve kelder vol met die champagnes van jou. Je weet toch dat ik dat spul niet drink?’

‘Ik blijf gewoon proberen je op te voeden.’

Elsie en de kinderen voegen zich bij hen. Marits gezicht staat op onweer. ‘Hoe laat gaan we weg?’ vraagt ze.

‘Je verveelt je toch niet?’ informeert Couwenberg. Zijn kleindochter negeert hem en neemt een Amsterdamse ui van de schaal. Als ze erin bijt, springen de tranen haar in de ogen.

Couwenberg wringt zich tussen zijn kinderen en kleinkinderen door. ‘Even wat met de andere gasten babbelen,’ mompelt hij.

Pepijn verlaat de ring en stuurt zijn auto met hoge snelheid door het havengebied. Het is jaren geleden dat hij Iris in haar werkruimte heeft opgezocht. Het zou hem niet verbazen als die studio niet meer blijkt te bestaan. Blijkbaar draait ze er haar hand niet voor om hem allerlei leugens op de mouw te spelden.

Als hij bijna bij de studio is, trilt zijn mobiel.

‘We hebben Carla ondervraagd,’ zegt Meerdink, die voor het gemak de begroeting achterwege laat.

‘Carla?’

‘De collega van Mireille.’

‘O, ja.’ Pepijn knijpt zijn ogen tot spleetjes. Die vrouw die daar in de verte naast een donkere man jogt, is dat Iris?

‘Het was een interessant gesprek,’ vervolgt Meerdink.

Hij neemt snelheid terug. Nee, het is Iris niet. Ze lijkt zelfs totaal niet op haar. Heel ander haar, veel kleiner.

Meerdink kucht.

‘Ja, ik luister,’ haast Pepijn zich te zeggen. ‘Het was dus een interessant gesprek.’

‘Precies. Niet dat ze heeft bekend dat zij en de Oekraïense onder druk gezet werden om het alibi van Björn te bevestigen, hoor. Maar die lichaamstaal, man, ze had net zo goed schuldig op haar voorhoofd kunnen laten tatoeëren. Nagelbijten, om de haverklap over haar schouder kijken, schrikken van plotselinge geluiden… we moeten Björn nu meteen ophalen.’

Pepijn parkeert zijn auto aan de waterkant.

‘Hoor je wat ik zeg?’

Hij haalt de sleutels uit het contact en opent het portier. ‘Ik kom erop terug,’ antwoordt hij, verbreekt de verbinding en werpt de telefoon op de achterbank voor hij het portier afsluit.

Hij loopt de steiger af en belt aan bij de studio van zijn echtgenote. Het duurt een tijdje voor ze open doet.

‘Wat doe jij hier nou?’ vraagt ze verbaasd.

‘Ik mag toch wel eens langskomen om mijn vrouw aan het werk te zien?’

Wantrouwend neemt ze hem op. Hij retourneert de blik en loopt achter haar aan de studio in.

‘Ik ben bijna klaar,’ zegt ze.

Hij leunt tegen een wand met magazijnstellingen. Vier modellen, twee mannen en twee vrouwen, nemen allerlei verschillende poses aan. Iris laat haar camera’s ratelen terwijl de modellen elkaar kussen, elkaar indringend aankijken en met de rug naar elkaar toe staan. Er worden nogal broeierige blikken uitgewisseld. Wat is hier nu weer aan de hand? Of ligt het aan hem en slaat hij nu een beetje door met alles op zichzelf te betrekken?

‘Oké, bedankt, jongens,’ zegt Iris na verloop van tijd. Ze praten nog even na en ze laat hun een paar resultaten op het scherm van haar camera zien. Dan verdwijnen de modellen naar de kleedkamer.

Iris begint op te ruimen.

Pepijn wijst naar de houten vlonders en de parasols. ‘Moet ik even…’ vraagt hij.

‘Graag,’ antwoordt ze. Samen beginnen ze de decorstukken te verplaatsen.

‘Wat was dat nou?’ vraagt hij.

Ze maakt een wegwerpgebaar. ‘O, een themanummer.’

‘Waarover?’

‘Doet er niet toe. Hoe was het op je werk?’

Met een bons laat Pepijn een zware parasolvoet naast een van de magazijnstellingen neerkomen. ‘Ik kan aan niets anders denken. Ik zie alleen maar die man voor me, met jou. In een of andere goedkope hotelkamer.’

Ze schudt haar hoofd, probeert hem er met een blik op de kleedkamer toe te brengen zachter te praten, maar hij is niet van plan in te binden. ‘Of hebben jullie het hier gedaan?’ roept hij.

Ze brengt een hand naar haar voorhoofd. ‘Jezus…’

‘Waar precies?’ vraagt hij, en zet een stap naar voren. ‘Heb je hier eigenlijk een bed? Of doen jullie het gewoon op…’

‘Hou je bek! Ik heb toch gezegd…’

‘Je hebt niets gezegd. Je bent er wel, maar je zegt niets.’

‘Ik heb gezegd dat ik hem verteld heb dat het voorbij is.’

Woede laait in hem op. ‘Ja! Maar je hebt niet gezegd: Pepijn, het spijt me verschrikkelijk. Ik hou alleen van jou en ik weet niet wat me bezielde, en dat soort dingen.’

‘Is dat wat je wil horen?’

‘Ja,’ bijt hij haar toe, ‘eigenlijk wel. Ik denk dat ik er geen genoeg van zou krijgen dat te horen.’

De deur van de kleedkamer gaat open en de modellen komen een voor een naar buiten. Iris haast zich ze uitgeleide te doen. Kom maar op, denkt Pepijn als ze afscheid heeft genomen van de laatste, een mannetjesputter met donkere krullen die hij voor geen cent vertrouwt met zijn vrouw. Kom maar op, laten we dit uitvechten. Maar Iris draait zich om en zegt: ‘We moeten naar huis. Tess wacht.’

‘Ik dacht dat je nog iets ging zeggen.’

Ze buigt haar hoofd. ‘Dacht je dat het makkelijk was?’

Hij steekt de grote, kale ruimte over en blijft vlak voor haar staan. ‘Ach, heb je het moeilijk?’ Hij doet geen moeite het sarcasme uit zijn stem te bannen.

Ze trekt wit weg. ‘Ik heb gezegd dat ik van je hou.’

Hij blokkeert de deur door zijn handen ertegenaan te zetten. ‘Wat ik wil horen is dat je zegt dat je in een vlaag van verstandsverbijstering hebt gehandeld. En dat je die gozer eigenlijk verschrikkelijk vindt. Dat je hem nooit meer wil zien. En dat je…’

Haar mobiel piept. Een sms. Iris bekijkt het bericht, zonder het te openen. Ze stopt haar mobieltje weer weg.

‘Wat is dat?’ vraagt hij.

‘Jezus, krijgen we dit nu de hele tijd?’

‘Ja, vind je het gek?’

‘Ik heb al honderd keer gezegd dat ik voor jou kies. Het spijt me, ik kies voor jou en daarmee afgelopen.’

Een bittere smaak welt op in zijn mond. ‘Maar waarom voelt het dan niet zo? Het is alsof je nog steeds van twee walletjes probeert te eten. Wie was dat?’

‘Dat doet er niet toe. Werk.’

Plotseling schiet zijn hand uit. Hij doet een greep in haar jaszak. Ze probeert hem tegen te houden, zet haar nagels in zijn pols. Hij schudt zich los.

‘Hou op!’ schreeuwt ze.‘Hou op!’

Zijn vingers klemmen zich om haar telefoon en hij haalt zijn hand weer uit haar zak. Terwijl hij haar met één arm tegenhoudt, opent hij het berichtenmenu en leest het sms’je.

‘Ik verlang naar je,’ leest hij hardop, waarna hij het toestel vol walging in haar richting smijt. Ze kan het nog net opvangen voor het op de grond belandt.

‘Dat jij tot zoiets in staat bent,’ sist hij. ‘Jij, die nog geen winkel in durft… die geen stoplicht voorbij kan zonder te stoppen… ik wil dat je hem nú belt, waar ik bij ben. En hem vertelt dat hij op moet rotten!’ Als ze zwijgend haar hoofd buigt, tilt hij met twee vingers haar kin op. ‘Nu!!!!’

Couwenbergs verjaardagsfeest is in volle gang. Het feestvarken zelf heeft al heel wat jenever op. Er schieten hem weer de woorden van een mooi oud lied te binnen. ‘De olieman heeft een Fordje opgedaan, daar rijdt ie mee als een vorst door de Jordaan,’ zingt hij. Willem kan er maar niet over uit dat zijn schoonvader blijkbaar in staat is zijn verjaardag te vieren, ondanks wat hij op zijn geweten heeft. Iedereen lacht en praat, en als Björn even later met een taart vol brandende kaarsjes de kamer in komt, barsten de gasten uit in ‘Lang zal hij leven’. In dolle uitgelatenheid blaast Björn zelf een deel van de kaarsjes uit, met medeneming van wat vlokken slagroom. ‘Ik wil alleen maar helpen,’ grinnikt hij als zijn vader hem een oorvijg verkoopt.

De bel gaat.

‘Nog meer gasten!’ roept Björn, en hij draaft naar de deur, om even later terug te komen met Meerdink en Bazhouri.

‘Gefeliciteerd,’ kweelt Meerdink. Iedereen valt stil. Couwenberg neemt de uitgestoken hand van de blonde rechercheur niet aan.

Willem staat op. ‘Mag ik vragen wat de bedoeling is?’

Meerdink trekt haar wenkbrauwen op. ‘U bent?’

Uit een ooghoek ziet Willem Elsie en Marit gegeneerd toekijken.

‘Steenhouwer. Advocaat. De heer Couwenberg viert zijn verjaardag. Wat u ook wilt, het komt bijzonder ongelegen.’

‘Dat snap ik, maar we willen even met de heer Couwenberg praten. Junior.’

Willem schrikt maar houdt zijn gezicht in de plooi. ‘Het is niet nodig om dat uitgerekend nu…’

‘Jawel, meneer Steenhouwer,’ valt Bazhouri zijn collega bij. ‘Het gaat om een moordzaak. We nemen Björn even mee naar het bureau.’

‘Dan ga ik mee,’ zegt Willem beslist.

Bazhouri schudt zijn hoofd. ‘Het spijt me.’

‘Kunnen ze dit doen?’ roept zijn schoonvader uit. ‘Dat bestaat toch niet? Dit kunnen ze toch niet maken?’

‘Om welke moordzaak gaat het?’ informeert Willem.

‘Natalia Korzatsjenko. Bij sommigen beter bekend als Mireille,’ zegt Meerdink, haar blik strak op Björn gericht.

Björn kijkt alsof hij het in Keulen hoort donderen. ‘Mireille?’ zegt hij. ‘Wat is er met Mireille?’

‘Ik eis dat ik met mijn cliënt mee mag,’ zegt Willem.

‘Ik ben godverdomme jarig!’ schreeuwt Couwenberg.

Bazhouri houdt zijn poot stijf. ‘Het spijt me, meneer Steenhouwer.’

‘Wat is er met Mireille?’ herhaalt Björn met stijgende verbazing.

Willem legt een hand op Björns schouder. ‘Ga maar gewoon mee, jongen, dat is het beste.’

‘Welja,’ keuvelt Meerdink, ‘het is maar een uurtje. Drink nog wat, eet nog wat, hij is terug voor je ’t weet. Hopelijk.’

‘Wat is er met Mireille?’ vraagt Björn met stemverheffing.

‘Ze is dood,’ antwoordt Meerdink. ‘Heel naar. Wist je dat nou echt niet?’

Zijn mond valt open.

Niemand beweegt. Willem ontmoet de ogen van zijn dochter. Ze kijkt alsof ze een stomp in haar maag heeft gekregen.