10

Iris weet nu hoe ze Willem kan helpen. En ze weet ook dat ze geen keuze heeft. Ongeacht de consequenties. Ongeacht de consequenties? dringt het stemmetje in haar achterhoofd aan. Je beseft toch wel wat dit betekent? Je verraadt de ene man voor de andere, en wat als je hierdoor Menno kwijtraakt?

Maar hij is onschuldig. Onschuldig.

Het voelt als hongerklop, dit trillen van haar lichaam. Ze mag het zich nu niet veroorloven aan Menno te denken, anders ziet ze er op het laatste moment van af. Hoe zou ze zichzelf ooit nog in de spiegel kunnen aankijken als ze de informatie achterhoudt die Willem kan vrijpleiten?

Nadat Pepijn eindelijk naar zijn werk is vertrokken – er ontstond nog een bijzonder ongemakkelijk moment toen hij haar wilde kussen en zij hem onwillekeurig haar wang toekeerde – brengt ze Menno snel naar school. Daarna spoedt ze zich terug naar huis en keert Pepijns bureau binnenstebuiten op zoek naar gegevens over zijn collega’s. Met name naar die van de man die ze door Pepijn ooit ‘speciale chef luistervink’ heeft horen noemen. Gelukkig heeft Pepijn zo’n groepsfoto met genummerde silhouetten, en blijkt de als gedetacheerd rechercheur te boek staande Wim Holtrop, ofwel silhouet nummer 63, een licht kalende man met een gereserveerde oogopslag te zijn. In een van de bureauladen bevindt zich ook een medewerkerslijst, met daarbij de doorkiesnummers op het OM.

Met het zweet in de handen waagt ze de sprong. Als de telefoon drie keer is overgegaan, verbreekt ze de verbinding. Natuurlijk weigert hij haar te spreken. Ze is tenslotte niet alleen een wildvreemde voor hem, maar ook nog eens de vrouw van een officier van justitie. En wat ze hem wil vragen is allesbehalve legaal.

Ze zet thee, doet een poging aan het werk te gaan, laat de thee koud worden, staart uit het raam zonder iets te zien, pakt de telefoon en drukt op de redialtoets.

Als Iris naar het Openbaar Ministerie loopt, ziet ze Wim Holtrop al bij het hek staan. Natuurlijk, ze heeft hem eerder ontmoet, op personeelsfeestjes, en een keer in de gangen van het gebouw, toen ze Pepijn van zijn werk kwam halen. Een aardige, maar non-descripte man, die haar tamelijk merkwaardig aankijkt. Misschien kan hij zich haar ook niet goed meer herinneren.

‘Goed je weer te zien,’ zegt hij, terwijl een blos vanuit de boord van zijn beige jas via zijn hals naar zijn wangen stijgt. ‘We hebben elkaar gesproken op je expositie.’

Wat een vreemde man. Maar voor hem is dit natuurlijk ook een vreemde situatie. Ze mag blij zijn dat hij überhaupt naar haar wil luisteren.

‘O, wat leuk. En… vond u het wat?’

‘Ik vond het prachtig,’ antwoordt hij. De blos verhevigt. ‘Gaat het goed met Menno op school?’

Verbaasd vraagt ze: ‘Menno? Weet u dat ook al?’

‘Zeg maar je. Ja, hij is nu toch zeven? Ik heb ook een zoon in die leeftijd.’

Ze knikt beleefd. ‘Mag ik u… mag ik je iets vertrouwelijks vragen?’

‘Natuurlijk. Zeg het maar.’

‘Kent u Pepijn goed?’

‘Je. Ja, redelijk goed. Ik ben natuurlijk politieman, maar ik zit hier al een hele tijd en ik lever regelmatig verslagen aan hem.’

Nerveus wringt ze haar handen. ‘Ik heb hier lang over nagedacht. Pepijn weet niet dat ik hier ben. En hij zal het niet goedvinden ook. Sterker nog, wat ik nu met u ga bespreken, betekent waarschijnlijk het einde van mijn huwelijk. Ik begrijp dat u helemaal niet over bepaalde dingen mag praten. En ook dat u voor Pepijn werkt en dus niet zomaar om hem heen kunt. Maar het punt is: ik ben ten einde raad. Officieel weet ik natuurlijk van niks, maar na zoveel jaar met Pepijn… ik weet dat u… jij… dingen hoort, telefoongesprekken…’

‘Ik mag daar helemaal niets over zeggen.’

‘Twintig jaar,’ smeekt ze. ‘Twintig jaar kan Willem Steenhouwer krijgen, terwijl dat voorkomen kan worden. Er is iemand die een telefoongesprek moet hebben gehoord die avond. En die iemand heeft ook mijn stem gehoord. Ik heb erover gedacht een handtekening te vervalsen en net te doen of ik in opdracht van Pepijn die tape zou ophalen. Krankzinnig natuurlijk. Uiteindelijk leek het me beter dan maar contact op te nemen met u, en eerlijk te vertellen wat er aan de hand is. Dat er iemand veroordeeld gaat worden voor iets wat hij niet heeft gedaan. Dat het om een groot onrecht gaat.’

Hij is wit weggetrokken. ‘Het spijt me,’ onderbreekt hij haar abrupt. ‘Ik moet terug. Mijn lunchpauze is voorbij.’

Wanhopig tast ze naar zijn mouw. ‘Er moet iets in een verslag terecht zijn gekomen,’ dringt ze aan, ‘of er is iemand die dat gehoord heeft.’

‘Sorry.’ Hij rukt zich los, draait zich om en loopt weg.

‘Alsjeblieft!’ roept ze hem na.

Hij versnelt zijn pas.