in de maalstroom

De schorpioenen suizen in mijn oor.

Er zweven korenaren aan mijn ogen

Voorbij. – De angel van de metafoor

 

Steekt feller als de dood komt aangevlogen.

In purperen nachten was daar vaak het koor

Van ijle kinderstemmen uit den hoge

 

Met ergens een zwaar basgeluid erdoor.

De bassen zwollen en de hemelklanken

Versmalden pijlsnel tot een snerpend janken

 

Dat loodrecht insloeg in de ruggengraat.

Het sterven hurkte op de vensterbanken.

Het lichaam en de kunst, alles vergaat.

zonder muilkorf

De straf die is verbonden aan een stem

Is dat je voorwaarts moet, van wieg naar graf.

Een straf omdat – ik zeg het maar met klem –

Vooruitgang meestal neerkomt op bergaf.

 

Je loopt gejaagd of op een sukkeldraf,

Je valt in prikkeldraad of je glijdt uit,

Je kreunt pathetisch op een wandelstaf

Of juicht op gympies – maar je gééft geluid.

 

Beweeg je tong. Verpletter het gemis

Van alle toekomst die er tóch niet is

Met openstaande keel. De nood is dringend.

 

Verhef je stem en ga niet handenwringend

Naar de onwaardige verdommenis.

Stap niet gemuilkorfd op, maar zingend, zingend.

rubberen dagdroom

Er zweeft een hamer boven je gezicht.

Je ligt in bed, maar bent niet aan het dromen.

De hamer daalt. Je doet je ogen dicht.

Je weet dat hij zo op je neer zal komen.

 

Met een fluwelen streek glijdt hij omlaag,

Van schouderblad naar navel naar abdomen.

De stalen makker mag je blijkbaar graag

Dat hij zijn hardheid zo weet in te tomen.

 

Daarop begint de moker zonder schromen

En gummiachtig in je kruis te woelen.

Je voelt het leven uit je lichaam stromen.

Het duizelt je. Zonder je ziek te voelen.

 

‘De doden slaan hun ogen op. De schors

Ontkrult zich eigenhandig van de bomen.

Giraffen rennen door de corridors.’

Het zijn wel erg zorgwekkende symptomen.

 

afscheid van een eeuw

Ik had de oude eeuw heel graag gehouden.

Ze was te kort. Ik moest nog zoveel doen.

Ik was niet meer dan af en toe verkouden

En in geen tak van sport de kampioen.

 

De hel, het vreemdelingenlegioen

En een verlamming had ik nog te goed.

Ik kreeg geen tongkus van een schorpioen,

Geen virus zegevierde in mijn bloed.

 

Ik was nog altijd niet in Benidorm.

Er is mij niet verkondigd hoe de bril heet

Die alles roze kleurt. Wat een gemis.

 

De wonderlijke eeuw die aanbreekt is

Mij net zo welkom als een winterstorm

Of als een zweer die klopt, recht in mijn bilspleet.

 

eeuwige terugkeer

Het is het goud dat in de modder blinkt.

Het is de troebelheid die vissers trekt.

Het is het bootje dat steeds dieper zinkt.

Het is de bodem, met fijn stof bedekt.

 

Het zijn de korrels uit een poederdoos.

Het is de schmink waarmee de clown zich tooit.

Het is het circus van de ah’s en oh’s.

Het is de kille schrik die nooit ontdooit.

 

Het is de bui waar de woestijn om smeekt.

Het is de cactus van de weeromstuit.

Het is de drift die uit je handen spreekt

En met die handen streel je nu mijn huid.

 

contragewicht

Er is een land dat ik met pijn verliet,

Er is een land dat ik met pijn bewoon.

Een derde land daartussen is er niet.

Mijn leven volgt een zonderling patroon:

 

Want waar ik heenga voel ik me niet thuis

En waar ik thuis ben wil ik telkens weg.

De grens wordt smal tussen geluk en kruis,

Steeds minder denk ik wat ik hardop zeg.

 

Ik heb, om aan dit noodlot te ontkomen,

Een derde land verzonnen in mijn hoofd,

Een land vertrouwd met leugens en fantomen.

 

Aan diepgewortelde en zware bomen

Hangen honkvast de loden trossen ooft

Van al mijn vederlicht geworden dromen.

 

vader

Vader, in mij blijft je wond

Bestaan – ik heb je gehoord

In wat je niet zei. Je mond

Spuugde bloed, sprak geen woord.

 

Je geheim woekert in mij voort.

Of ik het wel binnen hou?

Al pleegde ik een vadermoord,

Het is nu eenmaal van jou.

 

Het is als me zelf zo groot –

Ik vertel het niet op rijm

En vertel het niet voor mijn dood –

Anders was het geen geheim.

 

pandora

Kalmeer – straks is het afgelopen

En heeft het zwart je lijf omhuld –

Straks stijgt uit alle afvalhopen

De rook op – heb tot dan geduld.

 

Je weet (het enige wat je weet)

Dat deze hand dit schrijft – en wat

Geschreven staat kijkt koud noch heet

Naar je terug – een leeg, hol vat.

 

Niets baat je, tussen eerlijkheid

En veinzerij – er zit niets in.

Erken, terwijl je je verbijt:

Ik ben een dichter, ik verzin.

Verantwoording

Deze bundel bevat vijfenzestig gedichten, speciaal uitgekozen ter gelegenheid van de verjaardag van Gerrit Komrij. Ze worden hier in chronologische volgorde gepresenteerd. Als brontekst is Alle gedichten tot gisteren (derde, vermeerderde druk 2004) gebruikt, de laatste twee gedichten komen uit Spaans benauwd (2005).