DEEL VIER
Zulke lieden zijn gevaarlijk
1
De zak trok samen en spleet en spuwde hem uit.
Killeen hijgde naar adem alsof hij al die tijd dat hij omringd was geweest — dagen? weken? — op één long vol lucht had geleefd. De vederlichte, emulgerende vloeistof waarin hij gevangen had gezeten, had er via zijn longen op een of andere manier voor gezorgd dat hij lucht en voedsel naar binnen had gekregen, want hij had geen honger. Hij ging op zijn knieën zitten en verwachtte tunnels in het cyborgcomplex te zien. In plaats daarvan rook hij op een frisse, scherpe wind geurige schimmels en stoffige heuvels. Zijn zicht verhelderde. Vage patronen werden tot heldere beelden scherp gesteld. De wereld leek zich te strekken en op hem af te komen.
Hij stond onvast zwaaiend op een veld van verfrommelde steen. Zijn enkels deden pijn bij de herinnering aan de keren dat hij tegen de glanzende, magnetische drukkrachten van het kosmisch snoer was geklapt. Achter hem doemde als een onwaarschijnlijk natuurlijke incrustatie de cyborg op. Met de dubbele gewrichten van zijn armen streek het een snel genezende naad glad.
Weglopen is zinloos, dacht hij. Hij schudde zich droog — hoewel het vocht dat hij voelde, op een of andere manier onder en niet op zijn huid leek te liggen — terwijl de cyborg hem klikkend en zoemend gadesloeg. Ze waren de enige twee wezens in een verwoest landschap. In de verte zag Killeen iets dat een misvormde heuvel leek, maar hij wist onmiddellijk dat dat de ingang tot een soort mechstructuur was. Het was met kraters overdekt en had de lege, verslagen aanblik van een schedel. Hij voelde door zijn hele lichaam een gekietel alsof glibberige, koude draden uit hem werden getrokken. Zijn armen ontspanden zich tot gladde worstjes van spieren. Hij wankelde.
Beelden overspoelden zijn geest — zwijgend, nadenkend, rijk gedetailleerd. Deelaanzichten van de Argo. Een opvallend beeld van iets groots en wit-kleverigs, dat aan afhangende, bleek-gezwollen draden hing. Plotseling liet het hem los alsof hij uit het niets een snelle klap in zijn gezicht kreeg. Zijn geest raakte zijn loodzware, alles doordringende mist kwijt. Hij voelde een gore wind zijn haar opwaaien. De massieve gestalte van de cyborg liep weg. Het ding had een lange, hagedisachtige staart die eindigde in een voelspriet als de knop van een leerachtige bloem.
De cyborg liep gewoon weg, maar deed dat met verrassende snelheid. Zijn vele poten klikten en zoemden.
Killeen hinkte moe en pijnlijk over het vernielde land weg. Schuine stralen zonlicht vielen schemerig op een verfrommelde rug geelbruine heuvels in de verte.
Hij bleef staan en bukte zich om zijn hoofd te schudden. Uit zijn oor droop wat melkwit spul en zijn gehoor werd scherper. Slijm droop uit zijn pak.
De bijtende en toch sponzig-zoete geur van de binnenruimtes van de cyborg hing nog steeds om hem heen. Hij begon te draven. Al snel verdreef zijn eigen zweet de geur van het ruimtewezen. Urenlang baande hij zich een weg door een verbrijzeld dal. Het kosmisch snoer hing vlak boven de horizon en zijn doffe boog met robijnrode tinten sneed door de glans van een rafelige molecuulwolk. Killeen herinnerde zich de waarnemingen die hij (toevallig?) van de cyborg had gekregen: iets over een tijdelijke pauze waarbij het kosmisch snoer stillag en de bouwers hun voorraad in het luchdedige gevormde nikkelijzer konden verwerken. Nu hielden magnetische vingers de lus stabiel als een smeulende snede in de hemel.
Dank zij de afwezigheid van die gouden gloed was in de langzame zonsondergang het grillige leven in de verre streken rond Abrahams Ster te zien. Vage flitsen wriggelden diep in de opgloeiende wolkbanken voorbij dit benauwde zonnestelsel. Snelle uitbarstingen saffraangeel ziedden tegen de achtergrond van een langzaam opkomende stroom blauw. Trillend roze verspreidde energieën binnen een mantel van dofbruin stof. Spinnepoten van paarse draden kwamen tot stand en stierven en zwollen weer op alsof van kwaadaardige schoonheid glanzende bloeddruppels de ondergaande zon opvingen.
Killeen vroeg zich af of de tijdelijke opwellingen die over duistere stof-zenuwen spoelden, mechwerken waren, dan wel natuurlijke stormen en woelingen voortgebracht door de eeuwigdurende werveling van materie in het Galactisch Centrum. Of ontstonden die misschien uit onvoorstelbare werktuigen zoals dat kosmisch snoer hier? Hij bewoog zich voorzichtig voort en zocht elke natuurlijke dekking.
Daarvan was er tussen omhoogstekende rotsplaten en puntige heuveltjes genoeg. De cyborg had hem al zijn uitrusting teruggegeven, zelfs zijn gebogen geweer. Zijn buizen zaten vol brandstof. Zijn Arthur-Aspect merkte op:
Inderdaad hebben zij veel grotere vermogens. Je pak meldt dat er in elke gram brandstof meer dan honderd kiloJoules ligt opgeslagen — veel meer dan welke tech op Sneeuwvlek ook ooit bereikt heeft. De cyborg heeft ons goed voorzien.
Killeen liep voorzichtig verder en negeerde de zwakke pleidooien van zijn Aspecten. In deze vreemde wereld vertrouwde hij op de instincten van zijn jeugd. Zijn jachtzintuigen waren nog steeds afgestemd op de subtiele gunsten van Sneeuwvlek. Hier was elk detail een beetje verdraaid. Automatisch doorzocht hij elke geul op een valstrik en snoof de lucht in op zoek naar oliesporen. Een verre, kegelvormige berg stond met een lange, koolzwarte rookpluim een zurige geur af.
Het land had rust nodig. Overal lagen -ooit- trotse kliffen tegen de grond. Gesteentelagen waren uitgespreid als pakken kaarten die een verveelde reus opzij had gesmeten. Stof overdekte elke richel en doorgang, en dikke, vuile wolken daarvan dreven lui langs de horizon. Toch spoten hier en daar tinkelende bronnen omhoog — frivole fonteinen tussen oeroude, omgewoelde rotslagen. Bij een daarvan bleef hij staan en liet het water over zijn handen spelen. Hij schepte er wat van in zijn gezicht en proefde een verre, roestige echo van het water dat hij lang geleden op Sneeuwvlek had gedronken.
De binnenhitte die door de instortingen is bevrijd, heeft zich vanuit de kern een weg naar buiten gebaand. Ik vermoed dat dit water afkomstig is van diep begraven' ijsvoorraden die smelten.
'Eh-eh.'
Killeen was niet in de stemming voor techpraat van Arthur. Nog minder welkom was het piepende stemmetje van Ling. Hij moest de hinderende, plechtige nissen van zijn geest mijden; daar had de cyborg een vochtige, muffe geur achtergelaten.
Het werd ook tijd de zelfbeheersing te laten varen die hij zo lang had volgehouden toen de cyborg hem doorsnuffelde. Al die tijd had hij zijn geest van boven naar beneden laten lopen en alleen zijn bewustzijn op de voorgrond gehouden: een harde laag die zijn lagere breinen niet konden binnendringen. Nu liet hij zijn binnenste zelf weer opkomen en zich ontspannen, en begon hij zijn onthutsende ervaring te verwerken en er vrede mee te zoeken. Het eenvoudige feit dat hij leefde, dat hij overleefd had, bleef een wonder. Hij gaf er zich aan over. Hij kende dat gevoel heel goed van de ruige veldslagen op Sneeuwvlek en genoot ervan. Pijn, verdriet, angst, woede — dat allemaal moest opbloeien en wegebben en zijn plaats vinden.
Verbijsterd liet hij zijn Aspecten — Ling, Grey, Arthur, zelfs lagere Gezichten zoals Bud — los en liet hen in een eng hoekje van hem vrolijk spelen, maar verhinderde dat hun piepstemmetjes zijn aandacht in beslag namen. Ze jubelden toen ze de verkillende lucht van Nieuw-Loper proefden en de stoffige geuren opsnoven. Ze praatten tegen en door elkaar heen — minuscule aanwezigheden die door zijn sensorium tokkelden en langs integrerende knopen en oorzaakpunten stroomden. Er was zoveel met hem gebeurd! Om een ontwrichtende wanorde te voorkomen moest hij zijn Aspecten betrekken bij minstens een deelintegratie van zijn kwellingen. Zonder de Familie was hij een rare flard die over deze verpletterde wereld zwierf... maar hij wist niet of de Familie nog leefde. Hij moest zich beheersen tot hij dat wist, ook al kostte dat nog jaren zoeken.
Dus concentreerde hij zich op de vernielde wouden waardoor hij zich een weg baande, op de leeggehaalde vlakten en vernielde heuvelruggen die onder zijn snelvliegende laarzen voorbijschoten. Hij hinkte niet langer, zijn servo's reageerden weer en nu had hij een knagende honger. De Loper-Familie had altijd uit handige foerageurs bestaan, en hij riep het Gezicht van een oude vrouw op om te helpen bij het vinden van eetbare bessen en bladeren. Ze was een kregelig type dat kortaf goede raad gaf. Veel van haar kennis was op deze vreemde wereld niet toepasbaar. Ze vond smakelijke wortels maar piepte geschrokken bij de zure bladeren en ovale vruchten die hij vond. Toen hij er proevend in beet, bleken ze geschikt.
Snuffelend liep hij door het vernietigde bos. Bomen waren met een verbijsterend achteloze kwaadaardigheid omvergeslagen. Ze hingen in rare hoeken en ontblootten hun ingewanden van slangewortels. Grote stapels bleekgroene, nauwkeurig ronde bladeren lagen in rivierbeddingen, en diep daarin schoten kleine dingen heen en weer. Vochtige vlaktes waren met sporen overdekt: drietenig, zeventenig, gespleten wiggen en af en toe grote, gladde voetkussens. Killeen had nog nooit sporen van zulke grote dieren gezien en werd met ontzag voor de vroegere rijkdom van deze planeet vervuld. Zijn Arthur-Aspect voegde daaraan toe:
Dat komt natuurlijk allemaal door de cyborgs. Ze hebben de buis geleegd waar we doorheen zijn gevallen. Die kilometerbrede schacht zorgde dat het land hier maar een vingerlengte gezakt is.
'Hè? Ze halen er zo veel steen en metaal uit. Je zou denken dat 't hier dan ook diep zakt.'
Helemaal niet; dat is een kwestie van eenvoudige meetkunde. Aan het planeetoppervlak wordt het verlies over een veel groter gebied verdeeld. Kijk maar...
Het driekleurig diagram dat in Killeens rechteroog sprong, was — toen hij het eenmaal bestudeerd had — logisch, maar desondanks... 'Eén vingerlengte was hiervoor al genoeg?'
Alle lagen zijn erdoor aangetast. Seismische aanpassingen komen ongelijkmatig tot stand.
'Zou ik ook denken.'
Killeen stak een open plek over. Plotseling begon een bleekbruine fontein te spuiten en sproeide water en zand over hem heen.
Ach ja. Nog steeds komen hydrostatische krachten vrij. De trillingen hebben van de bodem hier een soort moddersuspensie gemaakt.
Deinende trillingen als een golfslag op zee dwongen Killeen steviger grond onder de voeten te zoeken, en in zijn eigen gehijg ging de stem van het Aspect ten onder. Hij vond eetbare bladeren en kauwde ze genietend weg. De bodem bleef schudden en bokken alsof die het schuim van hardnekkig leven wilde afschudden.
Voor het eerst sinds wat wel dagen leken had Killeen een volle maag, en toen hij eenmaal kalm en met lange passen was begonnen te draven, voelde hij zich beter. Voorbij de volgende heuvelrij lag een mechstad — aan stukken gereten. Immense fabrieken waren bij explosies verscheurd. Veel van de vernietiging leek het gevolg van springladingen die binnenin waren gelegd, alsof iemand bommen had meegesmokkeld. Bruine mechschilden lagen overal in het rond. Iets had de lichamen van hun onderdelen beroofd. Cyborgs, raadde hij.
Hij zwierf door de stilte van de vernielde straten. Geen mechs waren aan reparatiewerk bezig. Niets bewoog zich. Op een bepaalde kruising verhieven zich torens van decoratief versierde legeringen. Killeen moest aan de kunst van de Wesp denken en kon niet vaststellen of deze dunne dingen een functie hadden dan wel alleen als versiering van de stad bedoeld waren.
Te midden van die mechwerken voelde hij zich niet op zijn gemak en hij probeerde tussen de ruïnes geen voedsel te zoeken. Bij zonsondergang had hij de andere kant van het uitgebreide mechplex nog steeds niet bereikt. Die nacht verstopte hij zich in een onderdelenloods en sliep. Achtervolgd door koortsdromen werd hij meermaals wakker. Zijn tijd binnen het ruimtewezen kwam terug en hij stikte met verschroeide longen en tevergeefs naar boven zwemmend in geleiachtige lucht. Steeds als hij wakker werd, waren zijn arm- en beenspieren gespannen alsof hij in zijn slaap had gevochten. En dan doezelde hij weer weg en kwam de droom weer terug.
Vlak voor zonsopgang bewoog zich iets in de buurt. Voorzichtig gluurde hij naar buiten. Een groot dier kroop steeds dichterbij. Het grootste schepsel dat hij ooit gezien had, was een oude, oranje kip vroeger in de Citadel geweest. Dit ding had die gemakkelijk met één hap kunnen opvreten. De lange tanden van het beest gaven Killeen de indruk dat het dat ook allerminst onprettig zou vinden.
Het had hem kennelijk geroken. Hij had zijn hele leven jager en prooi met mechs gespeeld, maar had geen idee hoe hij dit dier moest aanpakken. Het kwam dichterbij. Zijn oren werden platgelegd. Killeen hield zijn geweer in de aanslag. Geluidloos stapte hij bij de deur vandaan en bleef kijken. Het dier stond doodstil. Op die manier bleven ze heel lang staan. Killeen werd door een vreemd gevoel van contact bevangen. De gele ogen van het dier waren helder en diep.
Een bleke dageraad sijpelde om hem heen. Eindelijk likte het dier met een verveeld gebrek aan belangstelling zijn lippen en liep weg. Bij de hoek van een opslagloods in de buurt bleef het staan, keek nog één keer om en verdween.
Toen Killeen weer begon te lopen, besefte hij dat zijn geweer was afgesteld op elektromagnetische pulsen. Die zouden op het dier geen enkel effect hebben gehad.
Zonder veel aan bepaalde dingen te denken, voelde hij conflicten in hem oplaaien, wegpruttelen en ondergaan. Beneden de kalmte van deze wereld luidde de natuurlijke greep van het leven de klokken van zijn eigen zwijgende boodschap.
2
Het was een scherpe, heldere dag. Hij vond bessen en eetbare bladeren en bleef lopen. Toen hij uit een tweede verwoeste mechstad zwakke geluiden hoorde, maakte hij een omtrekkende beweging tot hij een andere route vond.
Vanuit de verte deden de ontwrichte borstweringen hem aan zijn laatste blik op de Citadel na de Catastrofe denken. Ontelbare malen had hij die dag weer voor zijn geestesoog laten passeren. Toen leek zelfs de lucht te kolken en te rekken, herinnerde hij zich. Nog voordat de mechaanval op de Loper-Citadel begon, hadden rimpelende schitteringen de wolken overspoeld en hen daarmee gewaarschuwd. Maar dat was niet genoeg geweest, want de mechs hadden bij hun aanval immense middelen ingezet. Zijn vader had het brandpunt van de verdediging gevormd. Ondanks de wanhoop die iedereen beving toen de eerste slechte berichten binnenkwamen, had Abraham zijn ongehaaste kalmte bewaard. Killeen was in de buurt geweest toen de mechs een bres in de Citadelmuren sloegen. Abraham had een doeltreffende flankaanval op de indringers uitgevoerd. Killeen had het doel van de mechs pas begrepen toen de handige uitval van zijn vader de kop van de oprukkende mechcolonne er afsloeg en het restant in mootjes hakte.
Maar toen had hij in de hamerende chaos van meervoudige aanvallen zijn vader uit het oog verloren. Mechvliegtuigen hadden het centrum van de Citadel gebombardeerd; de borstweringen vielen. Killeen had munitie naar de luchtverdedigingskanonnen helpen dragen terwijl vreemde lichten de hemel vulden. Iedereen had boven de veldslag onzichtbare aanwezigheden gevoeld.
Toen Killeens vrouw Veronica stierf, had hij verder weinig tot zich laten doordringen. Hij had haar dood in zijn sensorium gevoeld, want ze waren heel nauw verbonden. Maar het had een chaotisch lange tijd geduurd voordat hij haar vond en zekerheid had.
Hij stond op een verre heuvel nadenkend naar de mechstad te kijken. Een deel van hem genoot bij het zien hoe machtige mechs een kopje kleiner waren gemaakt. Een nieuwe herinnering aan de Citadel, en niet alleen vanwege de stad. Ver weg begon een bleke gloed langs de hemel te stromen op een manier die hem aan de Catastrofe deed denken. Die fosforescentie kwam uit de lucht zelf, niet uit het zwakkere kleurenspel van molecuulwolken. Bij die aanblik kreeg hij het koud. Maar hij moest ook denken aan zijn ontmoetingen op Sneeuwvlek met een entiteit die op een of andere manier via de magnetische velden van de planeet zelf tot hem gesproken had. Onbegrijpelijk genoeg had dat ding over Abraham gepraat en over kwesties die Killeen niet kon volgen. Bij die herinneringen vroeg hij zich af of dat magnetisch wezen misschien getuige van de Catastrofe was geweest en de hemel met zijn aanwezigheid had verlicht. Waarom zou zo'n enorm ding zich interesseren voor het doen en laten van een klein, onbeduidend ras? Daarop waren geen antwoorden. Eindelijk schudde Killeen die stemming van zich af en liep door. De rust van de natuurlijke wereld omgaf hem.
Maar toen drong een bijtende zwavelgeur in zijn neus door. Een holle bastoon raakte de buitenrand van zijn sensorium. Een mechspoor? Maar die geur had een vreemde, suikerzoete nasmaak, anders dan de mechsignaturen die hij kende. Zijn sensorium vertaalde de elektromagnetische etiketten in geuren, want de menselijke neus stond direct in verband met de geheugencentra; een vleugje van een oude geur haalde lang begraven herinneringen boven, en dat was vaak nuttig. Killeen gleed tussen scheef hangende boomstammen die op een of andere manier nieuw groen vertoonden. De bodem was ingestort, maar de wortelsystemen leken zelfs tegen de implosie van de planeet bestand. Snel schoot hij tussen de wirwar van begroeiing door en keek aandachtig voor zich uit.
Siiiggg — iets heel snels doorsneed de lucht in de buurt. Hij liet zich in een droge bedding vallen en deed zijn best om zich op het gevoel van zijn sensorium te kunnen voortbewegen. Hete geuren klonken door hem heen. Hij kronkelde langs een richel, en nog drie andere keren verscheurde dat snelle, dunne gejank de stilte. Iets beschoot hem, zij het niet goed. Een vierde projectiel schampte hem en hij rook een snijdende microgolfpuls. Zo'n puls was doordringend genoeg om de binnenstructuren op te blazen die hij als Diode kende maar wier functie hij niet kon peilen. Hij voelde zijn eigen Diodes dichtklappen en bescherming zoeken. Stilte. Ze klikten voorzichtig weer open. Opnieuw vulde zijn sensorium zich met kleur en perspectief. Voorzichtig werkte hij zich de richel op en gebruikte een lichtbuisje om er een blik op te slaan. Op de andere flank van de richel werkte een eenzame mech zich moeizaam omhoog. Op zijn dikke pantser zaten diepe littekens. Projectielen hadden het staal laten omkrullen. Het rechthoekige ontwerp leek in niets op wat Killeen ooit op Sneeuwvlek had gezien.
Zonder nadenken richtte hij op de mech en raakte hem frontaal in zijn voorste antennecomplex. De mech bleef even staan. Killeen nam geen schade waar en vuurde opnieuw. Ditmaal was duidelijk te zien dat de mech het schot blokkeerde. Zijn elektroprojectiel ricocheerde in een robijnrode flits die het tafereel tegen de achtergrond van de steeds diepere schemering heel even verlichtte. Zijn Ling-Aspect riep:
Dit is een volmaakt overbodig risico! Ren weg zolang je kunt!
'Lang genoeg rend,' gromde Killeen.
Vaag zag hij in dat hij naar iets, naar wat dan ook, moest uithalen. De plotselinge ontmoeting met de mech had al zijn onderdrukte woede weer naar boven gehaald.
Hij had al eerder dit soort verfijnde verdedigingen gezien. Geen enkel wapen van de Loper-Familie drong erin door. De dikke loopvlakken van de mechs vonden houvast op een rotspunt. De mech draaide om zijn as en zwaaide flankprojectoren naar voren om hem volledig onder schot te kunnen nemen.
Killeen dook ineen. Hij wist dat de omringende breedbandvelden van een microgolfschot hem zelfs konden raken als hij een flink eind onder de richel lag. Hij hurkte diep en knarste hard met zijn tanden om zijn subsystemen duidelijk te maken dat ze dicht moesten. Maar er kwam niets. Nog geen fluistering.
Hij waagde een blik. De mech was brandend omgevallen. Door de zwart krullende rook heen zag hij een cyborg naderen — een lichaam dat uit een ingewikkeld samenstel van gekoppelde, in elkaar grijpende zeshoekige blokken bestond. Het baande zich vanuit een vernield dal beneden een weg omhoog waarbij zijn dikke bruine huid rimpelde en strak trok. Een schot had de mech opengereten. Zijn omhulsel van koolstofstaai krulde als kromme vingers naar buiten, wat bewees dat de cyborg op een of andere manier een interne energiebron tot ontploffing had gebracht. Killeen besloot in zijn schuilhoek te blijven. Deze cyborg hoorde waarschijnlijk bij een ploeg die de laatste nog resterende groepjes mechs of mensen moest uitroeien. Als hij wegrende, werd hij makkelijk gepakt. Zijn enige hoop was dat de cyborg zijn eigen kleine, ondoeltreffende schoten misschien niet had waargenomen.
Opnieuw sloot hij al zijn systemen en werkte zich naar rechts de helling af, waar de rotsrand misschien meer bescherming bood. De brandende mech lag zo dichtbij dat hij ook zonder akoestisch ampen het geknetter hoorde en daarna een harde knal alsof er een vat ontplofte. Hijgend bleef hij staan en dacht de rustige nadering van de cyborg te kunnen horen: een ritselende, klikkende cadans van koolstofstalen ledemaatsgewrichten. Vergeleken met de klakkende en snauwende vlammen werd het lawaai van de cyborg steeds harder. Het ding moest inmiddels de mech hebben bereikt. Maar de geluiden hielden niet op. Het gestage ritme leek zich naar links te verplaatsen en zich rond de brandende mech te bewegen. En te vertragen. Het kwam van bovenaf naar hem toe. Killeen trok zich voorzichtig heuvelafwaarts verder terug. De cyborg wist misschien niet dat hij hier was; hij zou wel heel voorzichtig zijn.
Heimelijkheid was zijn enige bondgenoot. Misschien kon hij weer over de richel glippen als de cyborg daar overstak en zo laag bij de grond blijven dat zijn tegenstander hem over het hoofd zag. Dan had hij een paar ogenblikken om weg te rennen. Hij probeerde het fluisterende geluid van de leerachtige cyborghuid te horen.
Daar... Het ding klauterde over de laatste vooruitstekende rotsrand die het hoogste punt van de richel vormde. Zachtjes trok hij zich terug. De tijd leek te krimpen en hij hoorde elke stap van de cyborg, elke draai en bijstelling van de voetkussens alsof ze houvast zochten op de steile stenen. Het ruimtewezen was nu vlak bij de top. Killeen kon niet zeggen hoe ver het was. In de enorme stilte, die alleen door het geknetter van het olieachtige mechvuur werd onderbroken, leek zijn natuurlijke gehoor elk geluidje tot iets met diepe betekenis op te blazen. Ergens verder naar boven kletterde een steentje omlaag. Killeen hoorde het voordat hij het van een rotsblok zag stuiteren en op de grond in stukken uiteenvallen. Zijn ogen volgden de waarschijnlijke baan van het steentje terug naar een zadel waar de rotsrand langzaam verdween. Daar lag het vol grind, en hij vermoedde dat vandaar een steile beekbedding omlaag voerde en aan de andere kant van de richel breder werd. Dat hield in dat de cyborg bovenop was blijven staan, misschien om te rusten maar waarschijnlijker om voorzichtig te wachten tot hij zijn hele spectrum had afgespeurd voordat hij zich aan de andere kant blootgaf.
Het zadel was niet ver weg. Als hij gelijk had, onderzocht de cyborg de helling aan de andere kant. Maar hij durfde geen enkel onderdeel van zijn sensorium aan te zetten om dat na te gaan.
Killeen zette zich schrap en was met één snelle ren over de dichtstbijzijnde kartelrand. Hij liet zich over de top rollen en kwam in een hoop grind terecht. Hij kwam overeind en voelde zich zwaar en onhandig nu geen van zijn binnensystemen werkte. Traag rende hij met pijnlijke gewrichten de heuvel af en zocht een schuilplaats.
Een blik achterom. De staartspriet van de cyborg verdween achter het zadel en daalde aan de andere kant de helling af. Maar het zou niet lang duren voordat het ruimtewezen begreep hoe de vork in de steel zat. Killeen rende holderdebolder verder, struikelde over stenen en viel een paar keer bijna languit. Nergens was een schuilplaats. De krampen van de planeet hadden deze helling schoongeveegd van grote rotsblokken, en de geulen waren dichtgeslibd en ondiep. Hij speurde naar elke smalle spleet in de richel, maar de paar kleine grotten waren ingestort. Hij was al helemaal voorbij de brandende mech, toen hij plotseling een idee kreeg. De mech lag daar geblakerd en vernietigd, door interne explosies vernield. Er begonnen vlammen uit te lekken. Dikke, vettige rook likte aan de rotshelling.
Killeen koos een plooi in de romp vlak boven het zware loopvlakmechaniek. Hij keek om naar de richel. Daar bewoog zich iets, en hij nam niet de tijd om te kijken wat de cyborg aan het doen was. Hij stortte zich in het afgeschermde deel van het brandende mechkarkas en was onmiddellijk gevangen in een wirwar van onderdelen en een stinkende drab. Nog steeds bleek uit niets dat de cyborg hem gezien had. Zonder zijn sensorium kon hij de normale aanvalsmanieren van de mechs — microgolven, infraroodverzadiging, hyperfléchettes — op geen enkele manier waarnemen, tenzij ze hem frontaal raakten.
Ineengedoken in de stinkende rommel van de vernielde mech voelde hij een trage woede in zich opkomen. Hij was opgejaagd en verwond en mishandeld en weigerde te enen male om op deze manier te sterven. Hij kon wachten tot de cyborg wegging — aangenomen dat hij niet terugkwam om onderdelen of mechschroot te oogsten. Maar iets zorgde dat hij naar buiten tuurde in de hoop dat dat grote ding zwaaiend in zijn gezichtsveld kwam. Hij wilde het minstens één keer goed onder schot hebben. Ling blafte van ongelovige woede. Killeen sloeg het Aspect meteen in zijn hok terug.
Hij luisterde aandachtig, maar ving zo dicht bij de smeulende vlammen niets op. Hij zou zich moeten blootgeven om te zien wat er gaande was. Nu hij het mechlichaam van dichtbij bekeek, herkende hij omhulsels en steunbalken en mechanieken die leken op de dingen die hij vroeger op Sneeuwvlek uit vernietigde mechs had gerukt. De buitenhuid was vreemd, maar bij alle mechs in het Galactisch Centrum golden kennelijk dezelfde fundamentele ontwerpregels.
Langzaam en voorzichtig werkte hij zich naar buiten. De meeste mechs hadden visuele detectoren die snelle bewegingen waarnamen, en de cyborg leek minstens zo goed uitgerust. Op de richel zag hij beweging. Bijtende rookspiralen prikten in zijn ogen en vertroebelden zijn gezichtsveld. Hij begon zich af te vragen of het eigenlijk wel zo'n briljant idee was geweest zich hier te verstoppen. De cyborg hoefde hier alleen maar heen te kuieren en het mechlichaam om te draaien en... Zonder enige waarschuwing verscheen de cyborg in zijn gezichtsveld -een waterig beeld, door de zure rookwade gebroken. Het wezen werkte zich met draaiende antennes handig over de kapotte bodem. Maar het kwam niet op hem af. In plaats daarvan schoot het met verbluffende snelheid over de kiezels van de brede bedding. Een parabolische schijf draaide en Killeen voelde een vaag gezoem in zijn nek. Zelfs met uitgezet sensorium hadden de chips langs zijn ruggegraat het salvo van de cyborg opgevangen.
Zo'n krachtige puls kon niet een eenvoudig commsignaal zijn. De cyborg vuurde op iets. Iets dat hem veel zorgen baarde, want hij haastte zich nu naar voren. De dubbele gewrichten van zijn ledematen bokten van de haast en zijn voetkussens gleden soms op de losse bovenlaag weg. Killeen beet op zijn lip in een poging zich te beheersen, maar dat was hopeloos. Zijn levenslange training in combinatie met de vernederende gevangenschap van daarnet zorgde dat hij het geweer met smalle loop greep dat hij van zijn vader en grootvader had geërfd. Hij stak er een kostbare patroon in, ging tegen een aluminium steunbalk staan en richtte met luxe, weloverwogen zorg op de voorste commkast van de cyborg. Hij schoot de patroon af. Hij raakte en vernielde de voet van een grote, bolle webantenne. De cyborg zwaaide zichtbaar heen en weer. Killeen wist dat hij in normale omstandigheden nooit zo'n makkelijk, passief doelwit had gekregen. Voordat de cyborg in zijn gezichtsveld kwam, was het wezen kennelijk al in moeilijkheden geweest. Hetgeen betekende dat het achtervolgd werd. Andere mechs. Deze cyborg had de pech om in zijn eentje op een overweldigende overmacht te stuiten. Killeen dwong zich het geweer weer in de lus aan zijn zij te steken. Hij had zijn woede de vrije loop gelaten, en nu al voelde hij de spijt aan hem knagen. Hij had ogenblikken van een vreemde samenhang gevoeld met de cyborg die hem uit de ruimte had gehaald en eindelijk had vrijgelaten. Misschien was hij die ene cyborg wel enige dankbaarheid verschuldigd. Maar de schanddaad die hem overkomen was, had om wraak geschreeuwd. Die wet was zo oud als de mensheid en aan die behoefte was nu voldaan.
Hij ging weer in zijn schuilplaats zitten en hoopte dat niets gezien had waar zijn ene schot vandaan was gekomen. De cyborg schuifelde verder de heuvel af. Het wezen was al bijna uit het zicht, toen vlak ernaast een rinkelend schot ontplofte waarbij bruine aarde de lucht in werd gespuwd. Killeen knipperde met zijn ogen. Mechs gebruikten maar zelden ballistische wapens. Zij gaven de voorkeur aan schonere, lichtere, nauwkeuriger elektromagnetische middelen.
Toen raakte een tweede projectiel het midden van de cyborg. Daarmee werd kennelijk een belangrijke mentale functie doorgesneden, want dat lange, zware lichaam bokte krampachtig in een bijna seksuele razernij. De cyborg draaide zich naar zijn achtervolgers om in een manoeuvre die iets wanhopigs en instinctiefs had. Killeen voelde in de bewegingen van de cyborg een koppige, fatalistische uitdaging. Zijn armen kwamen in een verkrampt gebaar omhoog als zes van woede zwaaiende vuisten tegelijk. Het wezen vuurde met alles dat het bezat naar iets buiten Killeens gezichtsveld. Maar zijn verzet was hopeloos. Het zwaaide opzij en incasseerde een nieuwe zware klap. Er stroomde rook uit. Kleine, ratelende salvo's sloegen in zijn natuurlijke, organische lichaam en lieten ondiepe rode kraters in zijn ruwe huid achter.
Zonder genoegen zag Killeen het ding sterven. De cyborgs waren, ondanks al hun onverschillige wreedheid en fundamentele vreemdheid, op natuurlijke wezens gebaseerd en organisch uit hun wereld ontwikkeld. Hij voelde een vreemd respect voor de cyborg die hem gespaard had en op deze verminkte planeet had gesmeten. Hij was niet blij te zien dat er een door mechs werd gedood, ook al had hij daar zelf aan meegedaan. Nog terwijl hij dit overdacht, drong een zwak geroep tot hem door dat hij aanvankelijk niet waarnam. Pas toen hij kleine, menselijke gedaanten zijn blikveld in zag rennen, begreep hij het.
3
De tent was versleten, rafelig en gevlekt. Killeen vroeg zich af of dat vanwege de camouflage was, want de tent was in het chaotisch landschap nauwelijks te zien.
Behalve afgebeten orders had zijn geleide de hele voettocht lang niets gezegd. Het had hem niet verbaasd dat ze — zij het met een dik accent -zijn eigen taal spraken; de gedachte dat mensen op meer dan één manier konden praten, was nooit bij hem opgekomen.
Ze hadden hem door onsamenhangende kampementen van haveloze tenten en afdaken van afval en takken geleid en passeerden meer mensen dan hij ooit bij elkaar had gezien. Zelfs in de Citadel hadden minder mensen gewoond dan hier. Klapperende wimpels met onbekende symbolen suggereerden dat dit een volledige Stam was. Sinds mensenheugenis had op Sneeuwvlek nooit zo'n grote bijeenkomst plaatsgevonden. Een vrouw in een grijze overall trok een tentflap weg en iemand gaf Killeen een por tegen zijn achterste. Om een volgende por te voorkomen en iets van zijn waardigheid te bewaren liep hij met grote passen naar binnen.
De tent leek vanbinnen groter dan vanbuiten en had een hoge punt, die door een lichtgevende ivoren bal werd verlicht. Langs de vier tentdiagonalen gloeiden olielampen die grote gele plekken op de hoofden van tientallen mensen wierpen. Ze stonden bijeen op ordelijke en eerbiedige afstand van de man die precies midden in de tent zat. Een enorm bureau van polykeramiek beheerste de ruimte. Killeen vroeg zich af of deze mensen dat zware geval meezeulden. Het zag eruit als mechwerk en was vloeiend gebogen en bewerkt, en wel op zo'n manier dat de scherpe boog de blik richtte op de kleine man die er lui in een lichte metalen stoel achter zat.
Die gestalte leek niet indrukwekkend genoeg om de voortdurende, zwijgende aandacht van de anderen in de tent te verdienen. Hij was klein en stevig gebouwd en zijn haar was zo zwart als het ebbehouten bureau. Een lange, dofrode snee liep van boven zijn rechterslaap over zijn donkere wang naar het kaakscharnier. Iets had bijna zijn oog geraakt, want het litteken drong tot diep in zijn dikke wenkbrauwen door. Een stuk of tien mannen en vrouwen stonden als lijfwachten naast het bureau. Niemand zei iets. Allemaal keken ze toe hoe de man een groot stuk van een groene vrucht at. Sap liep over zijn kin en druppelde op een witte doek op zijn borst. Het uniform van de man was van een bleekblauwe, lichte, soepel uitziende stof die in niets leek op wat Killeen kende. Hij smakte met zijn lippen en richtte zijn aandacht uitsluitend op het eten, en dat gold blijkbaar ook voor alle anderen. De lange stilte duurde voort. Killeen vroeg zich af of dit toneelstuk ter wille van hem werd opgevoerd, maar liet dat idee varen toen hij de vervoering op de gezichten om hem heen zag. Dit was een soort bevoorrechte, bijzondere audiëntie, heel anders dan een bijeenkomst van Familie en kaptein zoals Killeen die kende. De etende man droeg geen zichtbaar insigne. De mensen om hem heen hadden geïmproviseerde uniformen aan van een ruwe stof met insignes die in de verte op de huisemblemen van Sneeuwvlek leken. Ze keken weliswaar geëxalteerd, maar ook met de intensiteit van het gezag. Sommigen droegen kleine medailles van dof, touwachtig zilver. Waren dit misschien de kapteins van de legioenen die hij buiten had gezien?
Eindelijk zoog de kleine man op zijn vooruitstekende tanden, smakte met zijn lippen en gooide het klokhuis van de vrucht over zijn schouder. Iemand begon het op te rapen. De man leunde achterover en rekte zich gapend uit. Nog steeds keek hij naar niemand in het bijzonder. Pas toen leek hij Killeen op te merken en keek hem met ondoordringbaar-uitdrukkingsloze ogen aan. 'En?' vroeg de man. 'Ik... ik heet... '
'Knieën!' brulde de man.
Killeen knipperde met zijn ogen. 'Wat? Ik... '
Iemand sloeg Killeen hard maar nauwkeurig tegen de achterkant van zijn knieën, zodat hij geen steun meer had, vooroverviel en nog net op zijn knieën wist te zakken. 'Verklaring!' fluisterde een stem naast hem.
'Ik kom van de Loper-Familie. Ik bewijs eer aan deze landen van... van...' Killeen was in de hoop op nieuwe ideeën aan een oude begroeting begonnen, maar nu moest hij de Familienaam noemen.
'Drieën!' zei de fluisteraar.
'... van Drieën én zoek hulp in een tijd van bittere noodzaak, tegen de verwoestingen en kwellingen die zijn toegebracht door onze wederzijdse...
'Banden!' schreeuwde de man van achter het bureau. Onmiddellijk werden Killeens armen gegrepen en achter zijn rug vastgebonden. Vanwege iets in 's mans blik toen hij dat bevel gaf, liet Killeen hen zonder protest begaan. Door die lege ogen was plotseling iets vurigs en levendigs, een kramp van sadistisch genot geschoten. De man stond op. Erehangers hingen zwaaiend aan een brede, scharlakenrode gordel die keurig over het midden van zijn blauwe pak liep. 'Hij is ontwapend?'
Een gefluister antwoordde: 'Jawel, Uwe Almachtige.'
'Hij begrijpt zijn plaats in ons streven?'
De fluisteraar naast Killeen aarzelde, en zei toen: 'Hij is kaptein, Uwe Almachtigheid. We vonden ons niet bevoegd tot instructie.'
Deze doorzichtige poging om de verantwoordelijkheid af te schuiven werkte kennelijk, want de donkere man knikte kalm en spreidde zijn handen in Killeens richting alsof hij een probleem aanpakte. 'Daar moet ik dus zelf voor zorgen.' Plotseling keek hij Killeen fronsend aan. 'Je Familie?'
'Loper.'
'Bestaat niet.'
'We komen van andere planeet.'
'Nooit van gehoord.'
'We kwamen hier een schuilplaats zoeken tegen de mechs.'
'Ha! Goed gekozen. Hier hebben we ze vernietigd.'
'Dat zie ik.'
'Je ziet alleen wat ik bepaal,' zei de kleine man op redelijke toon. 'Dat zul je begrijpen.'
'Ik, eh...'
'Inmiddels bevechten we de Cyberduivels. Ook zij zullen voor onze moed en felheid en vurige geest wijken.'
'Cybers?'
Zijne Almachtigheid knikte. Zijn ogen stonden weer leeg. Met getuite lippen en verwachtingsvolle blik leek hij naar een verre stem te luisteren. Toen keerde zijn concentratie terug. Zijn gezichtsspieren spanden zijn olijfkleurige huid zodat die glom onder de kegel van fosforescerende gloed die om hem heen viel. De gloeiende bal recht boven hem wierp een parelwitte cirkel op de grond met de donkere man als middelpunt. De menigte bleef op een afstand en waagde zich niet verder dan het punt waar de zachtere gloed van de olielampen de harde, witte cirkel binnendrong. Abrupt vervolgde hij alsof hij nooit gezwegen had: 'Ze doorsnijden het land met hun grote zwaard. Net toen de overwinning binnen handbereik was en de mechs het hazepad kozen, vielen deze reuzendingen uit de hemel op ons neer. De overwinning werd ons ontzegd. Maar we zullen overwinnen!'
Dit ontlokte aan iedereen in de tent luide kreten van bijval.
De man keek Killeen verwachtingsvol aan. 'Deze actie is natuurlijk een tribuut aan mijn onsterfelijke natuur. Ze sturen het allerergste op me af dat de kwaadaardig scharnierende hemelen kunnen vinden.'
Zijn ogen lieten Killeen los en gleden in de gele oliegloed aandachtig van het ene gezicht naar het andere. Zijn lippen puilden uit alsof die een enorme druk maar nauwelijks konden weerstaan.
'Dat is als compliment bedoeld! Ze sturen ons hun machtigste en ontzagwekkendste paladijnen, nu die mechbende hals over kop aan onze laarshakken probeert te ontsnappen. Ze bewijzen ons eer! En ze zullen sterven!'
Abrupt boog zijn smeulende, opkomende woedeblik naar de knielende Killeen af en verdampte in een lange zucht. In een oogwenk was de neutrale leegte van zijn blik terug.
Hij zei mild: 'En ik ben blij dat je ons in deze moeilijke tijden komt helpen.'
Killeen zei zorgvuldig: 'Ik ben nu alleen, meneer. Mijn... '
'Uwe Almachtige!' zei een hard, dringend gefluister in zijn oor. 'Ik ben alleen, Uwe Almachtige. Mijn Familie...'
'Die noemde je Loper?' vroeg de kleine man nadenkend.
'Jazeg, ze...'
'Ik dacht dat ze logen. Ik had nog nooit van zo'n Familie gehoord en hield ze voor misbaksel-Tweeën of afvallige Troeven.' Killeen vroeg opgewonden: 'Lopers? Hier?'
'Je begrijpt dat een geest die zich aan de verdediging van ons ras wijdt, de details noodgedwongen aan anderen overlaat. Ik heb slechts tijd voor de omgang met de geest die zich boven en in en door ons beweegt.'
'Zijn ze hier, Almachtige?'
De dikke, donkere wenkbrauwen trokken in een verwardbelangstellende uitdrukking samen. 'We vonden ze rondzwerven. Ze kwamen met een verhaal over een landing in een mechschip en over ontsnapping aan de luchtaanvallen van de Cybers die we een dag eerder hadden gezien. Ik achtte dat een bewuste leugen. Maar nu ik jou voor me zie — een kaptein, afgaande op je distinctieven — wordt dat verklaard.'
'Hoeveel?'
's Mans gezicht verstarde, en Killeen besefte dat hij een fout had gemaakt. Wat voor fout? Was zijn vraag te direct geweest? De doodse stilte om hem heen gaf de indruk dat hij zijn vergissing zou kunnen herstellen... 'Uwe Almachtige, ik smeek u — onthul mij het aantal van degenen die nog leven.'
De mond van Zijne Almachtige werd iets minder strak en hij wierp een blik op de vrouw links van hem. 'Meer dan honderd,' was het antwoord. Killeen hield zijn adem in. De meeste Lopers hadden het gered. 'Ik zal hun vrijlating bewerkstelligen,' zei Zijne Almachtige met een grandioos zwaaiend armgebaar. Iedereen in de tent juichte alsof dit een unieke daad was, alsof deze man, die zich een belachelijke titel had aangemeten, op een of andere manier de levens van de Lopers had gered. Het gezicht van de donkere man kreeg een nadenkende uitdrukking en zijn ogen zwierven naar de punt van de tent. 'Ik oordeelde hen scabreuze lafaards, schamele resten van vernietigde Kleuren in de Families. Als zodanig waren zij geen enkele rol waard in de machtige stormloop die gaat komen; ze zouden slechts voor arbeidstaken worden ingezet. Het mogen strijden in onze onoverwinnelijke Stam is geen eer die lichtvaardig verleend wordt. Dat begrijp je ongetwijfeld.'
'Eh, jazeg.'
De wenkbrauwen trokken fronsend samen. 'Jazeg, Uwe Almachtige.'
Het gezicht ontspande weer, maar de blik vergleed nu in uitdrukkingsloosheid. ' Nu mogen zij deelhebben aan de heroïsche strijd die ons wacht. Ik verwacht dat jij weer het bevel op je neemt, kaptein.'
'Jazeg, Almachtige, zodra... '
'Er zullen offers worden gevraagd.'
Killeen keek de man aan, maar kon zijn bedoeling niet peilen. Zijne Almachtige gebaarde, en iemand maakte Killeens armen los. Moest hij opstaan? Iets in de houding van de kleine man, die met zijn handen op zijn heupen stond, maakte duidelijk dat hij beter kon blijven knielen. Zijne Almachtige tuitte zijn lippen en zijn blik zwierf weer weg. Hij zei afwezig: 'Met mijn alziende facetten begrijp ik je verwarring. Vanuit een ander terrein van menselijk handelen ben je hierheen gereisd, want zo wenste ik dat. Met wat je deed, gehoorzaamde je mijn bevel, hoewel je onwetend in het duister tastte. Ik was de onzichtbare kracht die je over de nachtzwarte afgronden tussen de werelden trok. Ik wenste dat en zond mijn emanaties om je te leiden.'
Deze redevoering ondokte een gemompel. Nauw bedwongen uitroepen van ontzag vervulden de tent.
'En hier bereik je de volheid van de menselijke lotsbestemming.' Deze uitroep had de holle klank van iets ingestudeerds. 'Eh, jazeg... Almachtige.'
'Ik ben de gegevene. Tijdens dit gesprek dreigde je de eerbied voor mij uit het oog te verliezen.' De wenkbrauwen trokken samen. 'Wellicht kwam dat uit onwetendheid voort. Is dat het geval, dan is dit het moment om je mijn diepste wezen te tonen.'
Killeen zei behoedzaam: 'Jazeg.' Overal in de tent ritselde het van gespannen verwachting. Iemand draaide lampen lager en de schaduwen kropen nog verder de tent in. Een nauw bedwongen opwinding ruiste als een plotselinge windvlaag door de menigte mannen en vrouwen.
'Aanschouw.'
De kleine man strekte zijn armen uit, en plotseling glansde en gloeide zijn hele lichaam. Tegen de achtergrond van de blauwe stof verscheen een geel skelet, alsof binnen in de man nog iets anders huisde. Het bewoog met hem mee, en toen Zijne Almachtige eerst naar de ene en toen naar de andere kant liep, voerden zijn botten en ribben en bekken hun wrijvende draaiingen uit. Boven op de gebogen ruggegraat grijnsde een doodskop die trots ronddraaide. De botten werkten soepel en wekten de indruk dat een wezen gemaakt van zuivere, stralende hardheid kon rondlopen en de wereld kennen, veilig opgesloten in zijn vasthoudende kracht. Er sijpelde royaal licht uit, dat in de tent een duisternis doorsneed die even diep was als die in de onbezoedelde ruimte tussen de sterren. In deze vaag werkende schaduwen, waarbij windvlagen de tent als verre donderslagen lieten klapperen, impliceerde het ingewikkelde samenstel van scherp licht het bestaan van een innerlijk ras van onkwetsbare wezens die harder waren dan mensen.
Zijn donkergele kaak ging rond een onzichtbaar scharnier heen en weer toen Zijne Almachtige zei: 'Ik ben het wezen van de mensheid zelf en kom om te wreken en te redden. Door middel van mij zal de menselijke lotsbestemming aan het licht treden. Mechs en Cybers zullen zonder onderscheid worden vernietigd.'
In de dikke, beschaduwde lucht trilde het skelet van leven. Willekeurige tinten schoten door de bewegende botten, en dikke gewrichten zwaaiden met kunstige levendigheid door het onringende duister. 'Sterfelijk?' riep hij uit. 'Nee! De sterfelijkheid is mij niet vreemd, en toch ben ik niet sterfelijk. Ik ben de manifestatie! God zelf!' Killeen begreep dat deze techtruc bedoeld was om indruk op hem te maken. Hij plooide zijn gezicht tot een verbaasde uitdrukking en probeerde tegelijk te zien hoe het beeld van de bewegende ribbenkast en benen op het blauw tot stand kwam.
'Ik ben de immanente geest van de mensheid die God ons gegeven heeft! In dit zo bittere en toch zo veelbelovende uur van de mensheid is de glorieuze waarheid dat ik ten volle begiftigd ben met goddelijkheid. God handelt niet langer door middel van mij. Hij is mij geworden. Ik bèn God! Dáárom zal de Stam mij volgen naar zijn zekere lotsbestemming. Dáarom zul jij, kaptein van de verdwaalde Lopers, je laatste krachten wijden aan mijn zaak, de zaak van de ware God van de mensheid!'
4
De mensenmenigte in het dal was uitgestrekt en indrukwekkend. Twee vrouwen leidden Killeen door groepen Familieleden. Ze waren allebei kapteins, maar Killeen vroeg hen niets.
Hij had zich naar dit massale kamp laten brengen omdat de mannen en vrouwen die hem gevonden hadden, erop aandrongen. Maar al zijn instincten riepen Pas op! Dit waren grimmige en zwijgzame mensen, en het gesprek met Zijne Almachtige had Killeen hevig van zijn stuk gebracht. Hij moest aan het wrange advies van zijn vader denken: 'Het punt bij anderlingen is, dat ze anders zijn.' Dat gold misschien ook voor deze verre rest menselijkheid.
Het schemerlicht wierp schuine, zwavelgele stralen over het verwoeste land en verlichtte vliedende, amberkleurige momenten lang details. Ze passeerden een hijgende oude man die een draagstel sleepte dat diepe voren in de grond trok. Jonge paren hielden elkaar rond rokende kampvuren bij de hand en hurkten met hun kleine baby's bijeen. Naast een knetterende oranje lamp trok een kleine, dikke matrone een verontwaardigd gezicht terwijl ze met een handelaar over de prijs van een plastic zak graan sjacherde. Kinderen renden tussen de afdaken. Ze richtten en schoten op elkaar met stokken en riepen hees en opgewonden de strijdkreten van de Families. Mannen controleerden en olieden plechtig hun wapens. De glimmende onderdelen waren zorgvuldig op versleten doeken gelegd en ze hielden de gebutste lades tussen hun dikke, uitgespreide knieën. Een jonge vrouw leunde tegen een buitgemaakte mechtransporteur en speelde afwezig een licht, vloeibaar deuntje op een harp. Ze had haar laarzen en kuitbeschermers nog aan. De pneumatische kragen zaten glanzend en strak rond haar enkels, en kennelijk had ze nog steeds wachtdienst. Maar de muziek kwinkeleerde op een tuimelende bries en beloofde een lichtheid die nergens te zien was.
Hier en daar stonden gammele hutten en hokken van palen en canvas. Daarbinnen spatten vettige vuren rossig licht tegen de dunne wanden en vergrootten alle bewegingen tot schaduwdrama's in gebarentaal. Rond de lekkende vlammen groepten mensenmenigtes, en op hun gezichten las Killeen niet de uitputting die hij verwacht had, maar een overtuigde, zwijgende, vanzelfsprekende kracht. In de gloed van het laatste beschikbare licht verrichtten ze hun techwerk.
Ploegen laadden mechtransporteurs uit. Er was ook een heel park van automatische mechtrucks. Hij was onder de indruk van dit hoge plunderingsniveau. Het overtrof alles wat hij ooit op Sneeuwvlek had gezien. Overal waren mechapparaten en een overvloed aan reserveonderdelen.
Killeen vroeg naar de namen van de Families en zijn escorte riep ze af als ze de kampementen passeerden: Drieën, Tweeën, Dubbelnullen, Negens, Zevens, Vijfnullen, Boeren, Azen. Bij de nadering van elke groep werden ze door een wachtpost aangeroepen en antwoordden ze met wachtwoorden.
Het hele kamp, dat aanvankelijk een willekeurig samenstel had geleken, bleek wel degelijk volgens plan aangelegd. Elke Familie was in de vorm van een taartpunt opgesteld en hun lange-afstandswapens wezen naar buiten om een deel van de omtrek te bestrijken. Hij passeerde een brede punt van de Negen-Familie, gegroepeerd onder een rijkdom aan lange, omhooggerichte staven.
'Luchtprojectielen,' antwoordde een van zijn begeleiders op zijn vraag. Ze snifte verkouden en haar ogen waren gezwollen. 'Kunnen mechs neerhalen.'
'Hoe?'
'Elektromagnetisch.'
'Welke band? Microgolven? Infrarood?'
Haar gebruinde gezicht verstrakte wantrouwig. 'Familiegeheim.'
'Ben jij een Negen?'
'Neezeg. Maar Families houden hun techspul voor zich.'
'Jouw Familie ook?'
"Tuurlijk. Ik ben Zevenskaptein. We hebben redenen, geloof me.'
'Zoals?' hield Killeen aan.
'Oude gebruiken van toen Families nog niet zo veel last van mechs hadden.'
'Maar iedereen is toch verenigd onder Almachtige?'
'Zijne Almachtige.'
'Jazeg, jazeg. Luister, wat is plaats van Zevens tussen andere Families? Ik kan al die Familienamen niet volgen en... '
'Oud gezegde: Zeven komt voor Elf. Alleen zijn er niet veel Elven meer. Mechs hebben afschuwelijk huisgehouden. Rest is door Cybers praktisch verpletterd.'
De stem van de vrouw klonk als grind dat door een pijp rolt. Killeen hoorde er de klank van gezag in die Fannie had bezeten. Voorzichtig vroeg hij: 'Maar als we verenigd zijn, waarom dan geen tech delen?'
'Zou niet meer geheim zijn.'
"t Kan makkelijk zijn om elkaars wapens te kennen.'
'Hoezo?'
'Als 't moeilijk wordt, kan meer dan één Familie ze gebruiken.' Devrouw schudde haar hoofd. 'Als je kennis niet voor je houdt, verlies je 'm.
'Maar...' Haar geïrriteerd schuddende hoofd maakte Killeen duidelijk dat verdere exploratie van dit terrein geen zin had. Hij ging overstag en zei achteloos: 'Zal wel zwaar zijn om die grote spullen op je rug mee te sjouwen.'
'Heb wel erger gezien.'
'Da's goed als je plek verdedigt als Citadel, maar...'
'Jouw volk had Citadel?'
Dit was het eerste teken dat iemand belang stelde in hun herkomst. Killeen vroeg zich af hoe belangstellend hijzelf zou zijn geweest als hij nog op Sneeuwvlek was geweest, op de vlucht voor de mechs; waarschijnlijk niet erg. 'Jazeg, grote. Goeie luchtverdediging.'
'Wij hebben paar grote wapens houden. Hielden mechs lang genoeg tegen om ze af te breken en onderdelen aan draagriemen te hangen.' Killeen kon wel raden hoeveel zo'n vertragende actie gekost had — gevangen in de wilde, onberekenbare werveling van de veldslag en door de vreemde afwijkingen van het doodstoeval doorkruist. Hij zei met ontzag: 'Maar dat spul moet je hinderen bij snelle acties.'
'Klopt tegen mechs. Maar tegen Cybers kun je beter zware spullen hebben; anders knijpen ze je uit. Cybers zijn moeilijker.'
'Hoezo?'
'Ze lezen je tech weg. Voelt kriebels in je hoofd, en dan is 't weg.'
'Je bedoelt: ze dringen in je sensorium en halen je kennis weg? Maar daar ga je aan dood.'
'Hoeft niet.' Ze hoestte hevig en spuwde maar zonder haar loop te onderbreken een bruine fluim een handlengte voor haar rechterlaars. Killeen zei: 'Waar ik vandaan kom, kan dat mech niet schelen. Als-ie klaar is, maakt-ie je gewoon pierdood.'
Ze knikte en hoestte. Vijftien mannen kwamen moeizaam het pad langs met een stuk mechtech dat Killeen niet herkende; zij drieën gingen opzij om de groep te laten passeren.
Ze zei: 'Ik weet nog dat mechs dat deden. Maar hielden daarmee op toen we overhand kregen.'
'Zijne Almachtige zei dat jullie ze verslagen hebben.'
Ze zei onwillig: 'Tijdje.'
'Hoe?'
'Werkten beetje samen met paar mechsteden. Hielpen ze concurreren.' Killeen was verbaasd. 'Andere mechs?'
'Jazeg. Zijne Almachtige regelde dat met ze.'
'Waar ik vandaan kom, hebben paar Families dat probeerd. Maar gevaarlijk. Afspraken duurden nooit lang.'
'Hier wel. We smokkelden dingen op mechtransporteurs. Snap je, een mechstad gaf ons nepvoorraden. Zo maakt dat ze echt leken. We smokkelden ze op konvooi dat van buitenfabrieken naar grote steden ging.'
'Indrukwekkend,' zei Killeen eerbiedig. 'Hoe?'
'Geen metaal dragen. Heel langzaam door konvooidetectoren kruipen.'
'Klinkt poepielink.'
'Was 't ook. Hield ons in leven.' Killeen vroeg: 'Dat deed Zijne Almachtige allemaal?'
'Jazeg. Begon met deal voor alleen eigen Familie. Mechs voor wie ze werkten, gaven bescherming. Toen we zagen hoe 't ging, lag hele stam aan z'n voeten.'
'Ik heb paar behoorlijk verwoeste mechsteden zien.'
'Dat deden wij. We smokkelden 'r bommen in en legden ze.'
'Gevaarlijk.'
'Met mechhulp kwamen we door vallen.'
'Dat hebben wij nooit leerd,' zei Killeen in de hoop haar verder uit haar tent te lokken.
'Makkelijk als je weet hoe. Daarna grepen we mooie dingen, 'trusting. Wou dat 't zo door was gaan.'
'Wat gebeurde 'r?'
'Plotseling geen mechs meer. Of niet veel meer. De meeste leken in ruimte. 's Nachts zagen we ze...'
'Misschien hadden ze belangrijker dingen. Cybers.'
'Dachten wij ook.'
'Wanneer was dat?'
'Tijdje geleden, misschien twee seizoenen... niet dat we behoorlijke zomer hadden met al die wolken meestal voor zon.'
'En jullie hebben mechs goed te grazen nomen,' hield Killeen aan. Ze bleef waakzaam rondkijken, en Killeen wist dat je die gewoonte nooit meer kwijtraakte als je jarenlang in de openlucht op de vlucht was geweest.
'Zijne Almachtige zei dat dit grote kans was. We overvielen zelf mech-steden. Kenden alle trucs, snap je.'
'Juist,' zei Killeen waarderend.
'Sloegen hard toe. Net toen we onze kans schoon zagen, kwamen 'r vijf nachten dat 'r grote lichtballen omhoog vlogen' — ze wees met een verweerde hand naar de hemel — 'en was 'r soms donder. Overal in lucht, keihard.'
Ze passeerden een groot, brullend kampvuur. Honderden mensen zaten er schouder aan schouder omheen. Killeen voelde de bijtende hitte van de vlammen. Een zacht, klagend lied klonk uit het omringende duister op, terwijl de laatste sporen van de schemering wegebden. Het was een vreemd lied, maar er klonk een plechtige rouwbas in door die hem aan de Citadel van lang geleden deed denken, en aan Familieliederen die al vele jaren lang ongezongen waren gebleven.
De Zevenskaptein, die naast hem liep, maakte een gebaar van haar schouder via haar buik naar haar heup en weer terug naar de andere schouder — kennelijk een gebaar van respect. De menigte blokkeerde het pad en ze bleven staan.
Ze fluisterde: 'Daarna zagen we niet veel mechs meer. Maar Cybers hebben we zat.'
'Hadden jullie voor die tijd wel 's Cybers zien?'
'Neezeg. Bóeren-Familie zegt dat ze lang geleden tegen Cybers vochten. Maar mijn gezel Alfer zegt dat Boeren altijd leuteren over dingen waar ze ballen van weten. Heeft gelijk.' Er kwam een behoedzame blik in haar ogen. 'Niet da'k iets tegen andere Families verenigd onder Zijne Almachtige zeg, snap je.'
Killeen knikte: 'Dus Cybers hebben mechs verslagen, denk jij?'
'Ziet 'r naar uit.'
Killeen overwoog haar over zijn ervaring in het Cybernest te vertellen maar vond dat hij die zelf nog niet genoeg doordacht had om er iets aan te hebben. In plaats daarvan begon hij zich een weg langs de dicht opeengepakte menigte te banen. Ze zongen hun langzame lied nu ritmischer, af en toe onderbroken met onthutsend schrille jammerklachten waar zijn hoofdhuid van ging jeuken. Alle gezichten waren met niets-ziende ogen vol tranen op de knetterende vlammen gericht. Killeen voelde de ernst van dit Familieritueel, maar het leek in niets op wat hij kende. Een groot, rood embleem op de schouder van een man maakte duidelijk dat ze Hartenachten waren.
Alledrie liepen ze er omheen en bereikten het doorgroefde pad op het moment dat uit de steeds diepere amberkleurige schemering een kar opdook die door zes vrouwen werd getrokken. Killeen deed een stap opzij om hen door te laten. Op dat moment zag ook de menigte de kar en steeg een collectieve zucht op. Verwrongen pijnkreten vervulden het duister.
Naast de kar liep een erewacht met het geweer in de draaghouding. De zwerm mensen er omheen duwde Killeen tegen de kar. Hij zag drie lijken formeel naast elkaar met hun armen langs hun zij op de bodem liggen. Allemaal staarden ze naar de avondhemel. Hun rimpelloze en onbezorgde gezichten vormden een schril contrast met hun lichaam eronder. Twee van hen waren vrouwen — met een donkere, gerimpelde en opengescheurde huid. Allebei hadden ze een enorme kneuzing die van hun vooruitstekende schouderbeen tot hun buik reikte. Maar eigenlijk was het geen kneuzing, zag hij. Het purper had zich tot in de borsten van de vrouwen verspreid en richels gelig vlees opgeduwd. De randen van de wond waren rimpelig en scheef, alsof iets van binnenuit had proberen te ontsnappen door de borstkas van de vrouwen los te wrikken, maar daar uiteindelijk niet in geslaagd was en dus nog steeds op de loer lag en druk uitoefende. De ribben werden uit elkaar gebogen en hun buiken en longen werden een dikke, grote blaar die als een waterige, doorschijnende zak naar voren stak.
Het mannelijke lijk lag op zijn buik en verward haar bedekte zijn hele hoofd. Een zwelling spleet de rug van zijn uniform. Alweer zo'n glimmende, strakke koepel. De zijne was door bruine korsten als van opgedroogde modder omringd.
De drie waren dicht tegen elkaar aan gelegd en pasten precies in de breedte van de kar, zodat hun lichamen niet konden rollen en de strakke, glimmende, grotesk gezwollen wonden niet openbarstten. Killeen voelde hoe de opkomende misselijkheid vocht in zijn mond bracht. Hij draaide zich om en zoog de lucht tussen zijn tanden door naar binnen om de smerige smaak te vermijden die als een plotselinge klap tegen zijn gezicht kwam. De opdringende lichamen terugduwend keek hij recht in de ogen die nietsziend langs hem heen staarden, en wist het pad weer te bereiken. De twee vrouwen stonden te wachten. Hij fluisterde: 'Hoe... hoe komt...?'
'Cybers,' zei de spraakzame. 'Dat doen ze soms als ze dicht genoeg in buurt kunnen komen.'
'Maar... wat...'
'Die mensen hebben parasieten in zich. Zijne Almachtige zei dat ze reinigd en zuiverd moeten worden. En daar heeft-ie gelijk in.'
'Laten... laten we gaan.'
Ze schudde haar hoofd, en de krullen van haar zwarte haar kronkelden als levende touwen. 'Nu weggaan is gebrek aan eerbied.' Lichamen drongen zich tegen hem aan en hun zwijgende druk dreef hem naar het kampvuur. Achter de kar zwol het langzame, ernstige ritme van het rouwlied van de Hartenachten aan. Hij zag gehandschoende handen de vuile, stijf wordende lijken van de kar trekken. Ze werden voorzichtig neergelegd — de man nog steeds in het midden op zijn buik — en op het hoofd van alle drie werd een rood hart van textiel gelegd. Toen nam een lange vrouw met kapteinsemblemen met geoefende, sterke en beheerste stem het woord.
Killeen luisterde niet naar wat ze zei. Hij keek naar de lijken. Naarmate de lijkstijfheid voortschreed, begonnen de armen en benen zachtjes te rukken en te trillen, alsof de ritmes die het kenmerk van een Familieleven waren — op de loop zijn, de eindeloze opeenvolging van een nomadische vlucht — over de afgrond van de dood heen meedogenloos doorgingen.
Toen liep de kaptein naar de eerste vrouw, maakte een ritueel gebaar met een lang mes en stak het hard en zeker in de glazige blaar. De glanzende koepel scheurde met een hoorbaar plofje. Melkwitte vloeistoffen gutsten eruit, stroomden over het gezicht van het lijk de nog steeds geopende mond in, overdekten de nog steeds starende ogen en druppelden over haar benen. Er leek onmogelijk veel van dat spul te zijn, en toen het was weggestroomd, spleet en brak de schil van de blaar onder de herhaalde messteken van de kaptein.
Ze stak dieper. De punt van het mes verdween, en plotseling begon het lijk van binnenuit met een nat, zuigend geluid te schudden en te schokken en heen en weer te wiegen. Iets daarbinnen bewoog zich wild, rukte en trok de gebroken ribben verder uit elkaar. Een kramp, een stuip, en toen lag het lijk doodstil. Geknakte ribben zakten naar binnen. De dode vrouw leek verschrompeld, leeggehaald. Nu het gezicht eindelijk tot rust was gekomen, leek het op dat van de Familieleden die rond het spektakel stonden toe te kijken. Een lange, scherpe neus stak tussen twee prominente jukbeenderen uit. Haar ogen leken onder de donker geworden leden weg te zakken. Uit een van de neusgaten kroop een klein insekt en bleef op een bloedeloze lip zitten.
De kaptein trok haar mes uit het lijk. Aan de punt stak een hard, bruin, chitineachtig ding dat nog steeds verwoed wriggelde. Het was taai maar op een of andere manier nog ongevormd, alsof de kop en poten zich nog uit de vochtige, in elkaar grijpende bruine segmenten moesten zien los te werken. Het vocht kronkelend tegen het mes. Maar plotseling stroomde het leven weg en kwam het ding slap te hangen. De menigte ging achteruit. De kaptein gooide de bruine massa op de grond. Direct sprong een vrouw naar voren die het met beide laarzen verpletterde. Ze riep iets dat Killeen niet begreep: een schreeuw van woede en wanhoop en verdriet. Toen verdween ze weer in de menigte. Mannen en vrouwen in de buurt pakten haar vast, gaven haar aan elkaar door, omhelsden haar en troostten haar zacht mompelend. De kaptein behandelde de tweede vrouw net zo. Killeen bleef er verdoofd naar kijken. Ditmaal vermorzelde een man het bruine ding. Het knapte met het geluid van handgewrichten die verpletterd worden. De man deed het snikkend en stampte en stampte voordat hij weer de menigte inliep. De blaar op de rug van de man was groter dan die van de vrouwen. De huid van de zwelling werd dunner en doorschijnend en pulseerde met kleine beweginkjes — hier een holte, daar een bolling, tot de hele rug en borstkas van de man doelgericht leken te leven. De romp was inmiddels onherkenbaar geworden, behalve de omhullende ribben die rond de schuddende, kloppende, opstijgende vleesheuvel gapend opzij werden gedrukt.
De kaptein van de Hartenachten stak snel haar mes op en riep een paar rituele woorden. Voordat ze het mes in de rug van de man kon steken, begon de blaar te splijten. Melkwit vocht droop naar buiten. Donkere barsten liepen vanaf het hoogste punt omlaag.
Iets krabachtigs en kleins werkte zich naar het flikkerende licht van het vuur en schuifelde weg. De kaptein aarzelde niet. Ze dreef haar mes in het ding, dat al langs het been van het lijk omlaag liep. Kleine pootjes vochten schrapend tegen het lemmet, maar het mes had zijn werk gedaan.
Een collectieve zucht steeg uit de menigte op. De drie lijken lagen nu slap en levenloos. De nauwste verwanten — want alle aanwezigen waren verwant, zij het misschien in de verte — kwamen naar voren om de eer van de begrafenis op zich te nemen.
Killeen liep op stijve benen bij het brullende, knetterende vuur weg. Toen hij het pad weer bereikte, vroeg hij de Zevenskaptein hees: 'Dat doen Cybers? Planten hun... hun zaad in ons? Laten ons niet eens gewoon netjes doodgaan?'
De zongebruinde vrouw antwoordde: 'Jazeg. Maar dingetjes zijn geen Cybers.'
'Wat dan?'
'Soort scharrelaartjes. Ik heb ze achter Cybers zien lopen en kleine dingen doen. Soms klimmen ze erop en pikken aan gewrichten en zo.'
'Zoals vlooien?'
'Zal wel.'
Killeen zei ongelovig: 'Gebruiken ons gewoon om vlooien uit te broeden.'
'Ze laten ons liggen, en paar uur later komen die dingen. Of ze doden ons van afstand als ze geen tijd hebben.'
'Waar gebruiken ze mechs voor?'
'Weet niet. Onderdelen misschien.'
Killeen zoog op zijn lip om zijn misselijkheid te verbergen. De vrouw zei: 'Cybers zijn erger dan mechs. Veel erger.'
De vrouw die nog niets had gezegd, voegde er bitter aan toe. 'Da's vast, maar we zullen overwinnen, 't Is Gods wil, die ons beproeft.' Door een toenemende, met olieachtige vuren onderbroken duisternis liepen ze verder. De hemel boven hen gaapte en spande zijn spieren.
5
Killeen vond de blik op Joslins gezicht abrupt en immens grappig. Haar mond hing open en haar ogen en mond vormden grote ronde O's. Toen omhelsden ze elkaar, en de andere Lopers, die rond een klein, afgeschermd vuur zaten, sprongen luidruchtig op en kwamen allemaal om hem heen staan.
Cermo sloeg hem op zijn rug en omhelsde hem, en toen kwam ook de rest als een felle, opwindende, snelle veeg voorbij. Het nieuws verspreidde zich, en lachende gezichten vervulden de steeds koelere avondlucht met fervente vreugde. Overal onder de samengepakte menigte werd geroepen en teruggeroepen. Ze sprongen bij kampvuren in de buurt overeind en kwamen met luide, opgewonden, ongelovige en blije stemmen aanrennen. Toen was Tobie er ook. Ondanks de warmende gloed van de knetterende vlammen — die iemand al had aangeblazen, waardoor een behaaglijke guts warmte en opwekkende straling ontstond — was zijn gezicht ingevallen en grijs. Killeen tilde zijn zoon op, draaide hem in een plotseling onstuitbare opwelling van emoties rond en vond de jongen verrassend zwaar.
'Wat, waarom, hoe...?' vroegen de stemmen, maar Killeen schudde zijn hoofd. Hij had een brok in zijn keel en alles was vaag. Tobie had geen uitleg nodig. Hij gilde en lachte alleen maar, net zoals vroeger, voordat het trage proces van volwassenwording hem had meegesleurd. Killeen lachte onbeheerst, en toen hij zich omdraaide, zag hij nog meer mensen — glorieuze massa's Lopers, een vloed waar hij niet meer dan een stroompje verwacht had — door het laatste vage schemerlicht op hem af komen rennen. Bij het gevoel dat hij opnieuw het middelpunt was van alles waar hij echt om gaf — centrifugaal weggeslingerd naar de Familie die op zijn beurt uit het donker kwam aanstromen en hem omgaf — deed zijn keel pijn. Hij werd gebombardeerd met vragen, en dat leken geen afzonderlijke ideeën, maar alleen de manier waarop de Familie hem weer naar binnen trok. En in het lekkende licht van de vlammen, dwars door het waanzinnig gepraat en geroep heen, zag hij haar. Ze leunde achterover met haar handen stevig achter haar rug, zodat die haar emoties niet verraden konden. Ze beheerste zich met moeite en knipperde verwoed met haar ogen; haar mond was door een innerlijke pijn vertrokken en haar ogen waren vochtig en klagend groot. Sjibo.
Anders dan de anderen kwelde ze hem niet met vragen. Ze deed een beroep op een eeuwenoud Loper-gebruik waarbij een vrouw haar man mocht weghalen bij Familiekwesties als hij gewond was of in de problemen zat. Killeen had nog nooit gehoord dat zo'n voorrecht ook met betrekking tot een kaptein gold, maar maakte geen bezwaar. Hij liet zich door Sjibo naar een doosvormige, vreemd gebouwde tent leiden, en leek daar in een muskusgeurige, warme kuil te vallen. Alles deed pijn. Alle onderdrukte angst en zorg was opgeslagen in gespannen spiercomplexen: verwrongen afzettingen in zijn sensorium als brokjes graniet in een zandbedding. Elk opgeslagen aangroeisel wachtte slechts op een wegvallen van de zelfbeheersing om zijn pijn te kunnen uiten. Sjibo zei weinig en begon een hoog, zwevend lied over oeroude daden te zingen. Intussen vielen zijn kleren van hem af en kroop een maaswerk warmte over zijn vuile huid. Ze wreef hem met zwaar geparfumeerde oliën in en schraapte die met een scherp geslepen stenen lemmet weg. Zijn huid gilde het bij die reiniging uit maar verzonk toen in een tintelende gloed.
Ze bewerkte heel zijn lichaam licht, luchtig en bijna zonder aanraking en leek woorden uit zijn keel te plukken, zodat het verhaal onwillekeurig uit hem lekte en door de huid droop die op haar handen reageerde. Zijn sensorium beefde en bleef aan haar vochtige adem en snelle bewegingen haken. Hij voelde haar eigen wanhoop en sombere dagen, die de lucht tussen hen in doorvlochten en zich mengden met hun lust. Ze waren samen in een nieuw oord, een zone die ze nooit eerder betreden hadden, omdat het leven tussen hen al jarenlang mild en kalm was geweest, niet bij machte om diep naar binnen te reiken. Ze omklemden elkaar hevig. Ze verzonken in elkaar en hun botten werden één. Killeen voelde boosheid op het koppige vlees dat zich met zijn stompzinnige gewicht tegen hun samensmelting verzette; hij worstelde met de onbegrensd luie koppigheid van hun lichamen. Sjibo beet en trok en spande zich, en ze werden smalle wiggen die in elkaar werden gedreven. Hun lichamen bleven achter. Samen gleden ze naar zeilende ruimtes ver weg. Heel lang tikte geen tijd.
Toen hoorde Killeen in de verte toevallig het gemompel van gesprekken. Het rinkelend gekletter van iemand die iets met metaal aan het doen was. Knetterende vuren. Vermoeid giechelende kinderen. De wereld was weer gaan draaien. 'Ah,' zei Sjibo met zware oogleden. 'Hier.'
Ze lagen in eikaars armen en lachten. Killeen voelde een fluisterende pijn in zijn onderrug en wist dat hij niet al het verleden had uitgebannen en dat ook nooit zou kunnen.
Ze waren uit de stille ruimte terug. Een nietszeggende en toch verwachtingsvolle druk daalde op hem neer.
Feiten, feiten, natuurlijk. Altijd die onverzettelijke massa feiten. Ze waren op een verwoeste wereld gestrand en werden door twee vijandige rassen belegerd. De Familie verbleef in de innige omhelzing van een vreemdsoortig mensenras.
Zijn plannen met Nieuw-Loper waren voorgoed in rook opgegaan. Ontsnapping leek de enige mogelijkheid, maar de Ar go was in beslag genomen, onbereikbaar — als hij de vlekkerige en scheefhangende tijd die hij in de ingewanden van het ruimtewezen had doorgebracht, goed begreep. Killeen krulde zich tegen Sjibo aan en liet zich op zoek naar nog een extra ogenblik vergetelheid in haar muskusgeur verzinken.
6
Het geklik en geklak van regen maakte hem neerslachtig. Bleek ochtendlicht viel door een massa paarse wolken. Killeen hurkte onder een afdak. Het zeildoek wapperde in een koude wind die zijn uiterste best leek te doen het regenfront in te halen.
'Wordt lichter volgens mij,' zei hij tegen Joslin, die in de buurt op haar hurken zat.
Ze bekeek het lage, rommelige dal waar tientallen ontbijtvuren schuine draden rook op de wind naar de hemel zonden. 'Hoop 't. Haat dat rennen in die modder.'
'Ik dacht aan 'tzelfde. Waarom kamperen ze hier, hele Stam schouder aan schouder?'
'Moet van Zijne Almachtige.' Haar gezicht was uitdrukkingsloos en haar ogen verrieden niets.
Hij beet in een graanstaaf. Daar zaten klanders in. Nou, ook op de Argo hadden klanders gezeten; dat ongedierte was niet uit te roeien. Maar hier waren de mensen zelf ongedierte.
'Mechs zouden hele boel verpletteren,' zei hij, 'als ze wisten dat ze d'r zoveel konden grijpen.'
'Als je 't mij vraagt, doen mechs niet ter zake. Ze hebben zat problemen met Cybers,' zei Joslin.
'Oké, Cybers. Die kampvuren van vannacht verraden ons. Waarom slaan
ze bij zo'n grote massa niet toe?'
'Niet hun manier.'
'Volgens wie?'
'Zijne Almachtige.'
'En wie is dat? Gisteravond maakte-ie grote vertoning. Hield met moeite m'n gezicht strak.'
Joslins wenkbrauw fronste afkeurend. 'Maak niet kleinste grapje.'
'Allemaal zo gek als hij?'
'Kom maar kijken.'
Killeen had er weinig zin in knarsend over het modderige terrein te lopen, maar iets in Joslins stem zorgde dat hij haar achternaging. Hij voelde elk gewricht en elke servo in zijn been als zware, vochtige wiggen bewegen. Hij had gisteren een flinke afstand afgelegd en een deel van de nacht gelopen met de patrouille die hem binnenbracht. Samen met de bemanning had hij op de zwaartekrachtdekken van de Argo oefeningen gedaan om geen spiervezels kwijt te raken. Hij had heel optimistisch verwacht dat de lagere zwaartekracht van deze planeet in zijn voordeel zou zijn. Nee dus. De regen bezorgde hem een bijzondere, doffe pijn in zijn kuiten en onderrug, waardoor hij onhandig en kreupel ging lopen en sjokte als een oude man. Hij liep daarover te piekeren terwijl hij achter Joslin grommend een scherpe, steile heuvelrug beklom, en was niet voorbereid op wat hij aan de andere kant te zien kreeg. Een grote stalen balk stond bijna rechtop in de grond. Daaraan was, met haar hoofd omlaag, een vrouw gebonden. Haar paarse tong stak tussen opeengeklemde tanden naar buiten en haar ogen puilden uit. 'Ah, ah, alsjeblieft... ' zei ze hees.
Killeen deed een stap naar haar toe en trok zijn mes uit de schede. 'Nee.' Joslin hield hem met een hand op zijn schouder tegen. 'Als je haar aanraakt, krijg je problemen. Dan gaan ze ons allemaal... '
'Ah, alsjeblieft... handen... God... '
Killeen zag dat de aan de balk gebonden handen van de vrouw gezwollen en blauw waren. Bij haar enkels sneed draad in grotesk grote voeten, die donker waren van het opgehoopte bloed. 'Ik kan niet... '
'Niemand van ons is in haar buurt weest. Zijne Almachtige zegt dat iedereen die helpt, hetzelfde krijgt.' Joslin praatte zorgvuldig en beheerst. 'Waarom hangt ze daar?'
'Ze is "ongelovige", zoals ze hier zeggen.'
'Ongelovige in w«it?'
'In Zijne Almachtige. En in hun zekere overwinning, denk ik.'
'Dit is...' Killeens stem stierf weg toen hij langs het smekende, rode gezicht van de vrouw keek. In de smalle geul waren nog drie balken in de grond geramd. Ze werden met stenen bijna rechtop gehouden. Aan alle drie hing omgekeerd een lichaam. Hij herinnerde zich plotseling de 'kunst' die jaren geleden de Wesp had vertoond. Menselijke kunstwerken. Deze grove monumenten voor het kwaad in de mens hadden iets vreemd vergelijkbaars.
Hij deed een paar stappen in hun richting, maar zag toen de fluisterend zoemende wolk insekten rond elk lijk. Met stijve benen liep hij naar de dichtstbijzijnde balk en kon bij de aanblik van de honderden zwermende mijten over het lijk zijn ogen nauwelijks geloven. Toen hij in de buurt kwam en zich bukte om naar het gezwollen, bloedzwarte gezicht te kijken, zoemden ze kwaad. 'Dat is Anedlos!' riep Killeen.
Joslin trok hem weg. 'Niet kijken. Hangt 'r al dagen. Gisteren ging-ie dood. Andere twee zijn van Stam — Kaartkleur.'
Killeen stotterde verbijsterd: 'Anedlos was... Anedlos was... goed met z'n handen... hij... hij... '
'Wou niet meedoen aan eredienst. Maakte ruzie met Zijne Almachtige.'
'En daarvoor...' Killeen dwong zich tot zwijgen en probeerde na te denken. 'Wat deed jij toen?'
'Zijne Almachtige? Ik smeekte, maar... '
'Smeekte? Meer niet?'
'Wat kon ik doen?' vroeg Joslin uitdagend.
'Tegen die gek zeggen dat niemand rechtspreekt in Loperfamilie behalve Loperfamilie.'
'Hier... hier gaat 't anders.'
'Geen Stambeslissing kan Familie-uitspraak ondaan maken. Dat weet je.' Joslin spreidde haar handen in een gebaar van onmacht. 'Oude regels werken hier niet. Zijne Almachtige zegt dat-ie belichaming Gods is, en zijn wil is wet.'
'Hij is gek.'
'Jazeg, maar-ie heeft vele, vele Families die denken dat-ie God is.'
'Van mechs doden word je geen God.'
Joslin haalde de schouders op. 'Die Families hier hebben altijd goden en zo had. Zijne Almachtige heeft dat op een of andere manier samenvoegd.' Killeen herinnerde zich het Nialdi-Aspect dat hij jaren geleden bij zich had. Nialdi was een fervent gelovig iemand waaraan hij nooit echt iets gehad had, hoewel het Aspect eeuwenlang de raadsman van kapteins was geweest. Zodra hijzelf kaptein was geworden en over de toewijzing van Aspecten besliste, had hij Nialdi in de chipopslag gelegd.
Religieuze hartstocht... komt altijd naar boven... op momenten van diepgaande veranderingen. Aan het einde van het Luchtertijdperk... was er veel godsdienstijver... Nialdi... is van... vlak daarna... lijkt waarschijnlijk dat Zijne Almachtige... verscheidene van dat soort persoonlijkheden bij zich heeft... die hem misschien... charismatische macht... over de Stam geven...
Zijn Grey-Aspect fluisterde zacht, maar Killeen begreep wat ze bedoelde. Nialdi paste de schijnbare waarheden van die tijd op het heden toe.
Zijne Almachtige deed hetzelfde. De truc om zijn mensen aan mechsteden te verhuren had de man misschien genoeg macht gegeven om de machtige onderste Aspecten in het spel te brengen. Killeen zei: 'Toch kunnen we niet...'
'Luister,' zei ze verhit. 'Ik heb álles probeerd. Zijne Almachtige gaf mij leiding omdat we dachten dat je dood was. Meer dan voedsel krijgen kan ik niet doen. Toen we landden, ging 't heel slecht met ons. Die mensen namen ons op. We hadden geluk...'
'Volg die gek, en je komt van kwaad tot erger,' zei Killeen geïrriteerd. Hij beende naar de vrouw terug en haalde iets te voorschijn om de draden los te wikkelen. Dat was moeilijk omdat ze diep in haar polsen hadden gesneden. Voordat hij klaar was, zag hij bloed uit haar mond stromen. Het bespatte de grijze modder en mengde zich met de stromende regen die de geul in kwam gewaaid. Ze was dood. Weer in het Loperkamp haalde hij Cermo en Joslin en Sjibo bij elkaar en ondervroeg hen diepgaand, te beginnen met hun ontsnapping. Sjibo had de vlucht uit het station geleid. Ze had zelfs de flitser die Joslin verborg, weer aan de praat gekregen. De Cybers die Killeen gevangennamen, hadden het toestel genegeerd. Zodra ze weggingen en hun beheersing erover ophieven, had Sjibo het toestel bevolen zich bij de vloot flitsers te voegen die de Familie bevatte.
Ze hadden veel geluk gehad. Toen het kosmisch snoer ophield met draaien, zag Sjibo haar kans schoon. Door een handige manipulatie van de microbreinen in de ruimteveren was ze met een steile duik de atmosfeer ingegaan. Een van de ruimteveren met vier Lopers aan boord was uit elkaar gevlogen. Ze liet iedereen een ruwe landing maken op een dagsnelmars van hier. Ze waren 's nachts neergekomen. De wachtpost hier had een hardloper gestuurd om te kijken wie ze waren. 'Punt is: wie zijn zij?' vroeg Killeen.
'Kaarten-Stam. Ze hebben kartonnen kaarten waar ze mee spelen. Daar staan hun Familienamen op,' zei Cermo. Zijn gezicht was ingevallen en met baard bekoekt.
'Hm. Lijkt raar om Familie te maken van spel,' zei Killeen. 'Maar meer hebben we hier niet.'
Sjibo zei: 'Volgens een Negen komt onze Familie óók van spel.' Killeen snoof ongelovig. 'Lopers en Koningen en Torens?' Sjibo haalde de schouders op. Cermo zei: 'Ik wed dat ze dat verzonnen hebben. Gewoon omdat wij 't raar vonden dat zij naar kaartjes noemd zijn.'
Killeen zei nadenkend: 'Maar we hebben veel gemeen. Stammen, Families, ook zelfde regels.' Sjibo zei: 'Moeten van zelfde plek komen.'
Joslin knikte. 'Volgens Zijne Almachtige komen we allemaal van zelfde Luchter.'
Cermo vroeg: 'Hoe weet-ie dat?'
'Z'n Aspecten,' zei Joslin. 'Ik wed dat Aspecten ons allemaal beetje zelfde houden. Regels en zo... Daar zeuren Aspecten altijd over.'
'En hoe je moet praten,' zei Killeen. 'Aspecten zeiken altijd over praten.'
Sjibo zei: 'Dat verklaart misschien waarom we die Kaarten nog steeds begrijpen.'
'Klinkt logisch,' zei Joslin. 'Als taal veranderde, konden we Aspecten nietbegrijpen. Of ruilen met die Kaarten.'
Killeen vroeg beheerst: 'Wie zegt dat we dat gaan doen?'
'Zijne Almachtige,' antwoordde ze.
'Waarom?'
'Onze tech combineren.'
Killeen zei: 'Zevenskaptein leek dat niet te interesseren.'
'Zijne Almachtige zegt dat-ie Aspecten van Loperofficieren wil nagaan.'
Ze keken elkaar aan.
Sjibo zei: 'Denkt misschien dat we niet genoeg godminnende Aspecten hebben.'
Joslin zei: 'Ik weet alleen maar wat Zijne Almachtige me vertelt.'
'Da's vast niet veel,' zei Cermo.
'Ik red me best,' zei Joslin trots. 'Ik heb voor eten en tenten zorgd.' Killeen wist nog hoe de Familie jaren vóór hun vertrek van Sneeuwvlek op een nacht verrast was en al hun beddegoed en tenten en veel kookgerei had moeten achterlaten. Hoewel ze wel heel ver verwijderd waren van het heerlijke, exotische comfort van de Argo, was hij blij te zien dat de Familie zich snel aan de ontberingen van het land had aangepast. In de buurt was een metaalbewerker bezig uit een paar kapotte mech-buizen een draagrek te fabriceren. Oude talenten werden weer aangeboord, en overal in het kamp waren Lopers bezig. Op hun gezichten zag Killeen een herwonnen vertrouwen dat voortkwam uit de ontdekking dat de oude methoden hun nut nog steeds bewezen.
Hij ging na welke regelingen Joslin met de Stam had getroffen en wat ze aan voorraden en voedsel hadden. Hij stuurde vijftig Lopers uit om mee te helpen bij de foeragering voor die dag, die ver van het Stamkamp in samenwerking met anderen plaatsvond. Er moesten vele Familiekwesties worden geregeld. Killeen moest beslissen hoe hij de ingewikkelde bevelsketen van de Familie moest reorganiseren, nu ze de vier mensen in het ruimteveer en natuurlijk Anedlos kwijt waren. Over de kwestie-Anedlos praatte Killeen tussen opeengeklemde tanden. 'Zo'n behandeling nemen we niet. Maar we moeten eerst goed rondkijken tot we alles beter begrijpen.'
Zijn luitenants knikten. Ook toen hij op andere punten overging, wist hij dat hij echt niets kon zeggen dat hen veel zelfvertrouwen zou geven. De naakte feiten van hun situatie spraken duidelijke taal. Eén blik op de troosteloze vlakte was genoeg. Hier zaten ze dan op de ouderwetse manier op hun hurken: klaar om op te springen en bij het minste alarm in actie te komen. In een paar dagen tijds waren ze alles kwijtgeraakt, ook de Argo en hun dromen.
Sjibo maakte duidelijk waar iedereen aan dacht. 'Ik zeg: bij kleinste kansje meteen aan boord van Argo.'
'Ik wou dat je 'm was blijven beheersen,' zei Killeen vriendelijk. 'Dan hadden we kunnen wegkomen.'
'Neezeg,' riposteerde Sjibo. 'Dat Cyberschip dat jou greep, was veel sneller dan Argo. Had ons makkelijk vangen.'
'Maar startte later dan ik. Greep me aan andere kant van klereplaneet.'
'Pas toen we wegvlogen in flitsers,' wierp Sjibo tegen. 'Wilden zeker alleen mij,' zei Killeen luchtig, in de hoop hun aandacht af te leiden.
'Waarom?' vroeg Joslin.
'Bekeken me van alle kanten en lieten me gaan.'
'Zeker weten da's alles?' Joslin keek Killeen bevreemd aan.
Probeerde ze wantrouwen te zaaien? 'Kan 't niet verklaren. Maar heb 't overleefd.'
Joslin plukte aan haar overall en zei niets. Killeen voelde iets van het onbehagen uit zijn officieren wegdruppelen. De simpele aanwezigheid van een duidelijke leider hielp.
Hij had van Fannie geleerd hoe belangrijk het was om fouten en twisten uit het verleden te laten rusten. Daarin was Abraham een genie geweest. Killeen wist dat hij het vanzelfsprekende leiderschap van zijn vader op dit soort momenten miste.
Om de stemming te laten omslaan, slurpte hij van een kop warme, bruine vloeistof — en spuugde die toen abrupt uit. 'Stuur groep op weg; vijf met beste neus,' zei hij. 'Kijken of we in dit godvergeten oord jodharranstruiken kunnen vinden. Kunnen we tenminste wat fatsoenlijks brouwen.'
Cermo nam een slok van de zijne. 'Niet zo erg vies.' Killeen haalde zijn neus op: 'Smaakt naar mechpis.'
'Jazeg,' zei hij instemmend, 'maar heeft ook goeie kanten.'
'Wat dan?'
'Nou, 't is niet verslavend.'
Ze keken elkaar een tijdje niet-begrijpend aan, en toen klonk bij Cermo een zachte grinnik, bij Joslin een bulderlach, en daarna lachten ze allemaal. Ze lachten jankend, ratelend, hoestend, alsof hun lach onder hoge druk uit hun lichaam werd geperst en als kleine kanonschoten de regen en de kille lucht in barstte: explosies van zelfbewustheid, kleine vuistgebaren naar hun sombere lot.
7
De dageraad van de volgende dag bracht een jankende vlaag stof die door de bijtende lucht hagelde. Het kampvuur van de Negen-familie liep uit de hand. Een huilende wind blies het in woedende vlagen uiteen. De vlammen waaiden de tenten en hun voorraad droog gras in. Een rookwolk rolde over het terrein van de Loper-Familie, en Killeen probeerde haastig een ploeg op de been te krijgen.
Natuurlijk wilde niemand komen. De wind graaide zijn bevelen weg, en dat was een goed excuus om ze niet te horen. De brand was de schuld van de Negens, maar als die hen bereikte, hadden ze daar niet veel aan. Een dozijn mannen en vrouwen bleken alleen aan hun nekvel uit hun tenten te sleuren.
Ze rukten tot in de muil van de vlammenzee op en graaiden het gras voor de oranje tongen weg, die met verbijsterende snelheid naar voren schoten. Ze kregen de brand niet in bedwang en sloten zich aan bij een Negensbrigade die vooral probeerde de tenten en uitrusting in veiligheid te brengen.
Killeen maakte ruzie met hun luitenant maar bereikte niets. Hij durfde zijn eigen ploeg niet in de steek te laten om de Negenskaptein te zoeken, uit angst bij zijn terugkeer te ontdekken dat de meeste Lopers waren teruggegaan om hun eigen bezit te beschermen. Het bijtende stof maakte het makkelijk om weg te glippen in de kolkende wolken gruis die als enorme, vuilbruine dieren over de grond vlogen. Een goede oplossing was er niet. Daarom stuurde Killeen een ordonnans terug met het bevel de hele Familie te mobiliseren en aan het werk te zetten. Met graafgereedschap maakten ze een brede geul voor het aanstormende vuur, maar vanwege de pijnlijke vlammen en het bijtende zand konden ze onmogelijk met hun gezicht naar de storm gaan staan. Ze stuitten het vuur vlak voordat het een groepje ontwortelde en uitgedroogde oude bomen bereikte, die anders in een oogwenk in vlam hadden gestaan en naar alle kanten gloeiende as hadden verspreid. De wind ging even snel liggen als hij was opgestoken. Ze stampten de laatste vlammen uit, gingen terug naar het kamp en vonden overal stof. Uit elk scheurtje in een tent lekte een poederfijn stroompje. Killeen en Sjibo veegden net hun tent uit, toen Tobie met zijn handen in zijn zakken kwam aankuieren.
'Wist wel dat 't goed idee was om buiten te slapen,' zei hij opgewekt. 'Jazeg. Zag je gisteren onder iemand anders' afdak schuilen toen 't regende,' grijnsde Killeen. 'Allemaal weer opdroogd.'
'Slaap je gewoon in zak?'
'Heb geen zak, en ook niet nodig. Pak houdt me warm.' Tobie had zijn volledige velduitrusting aan — aluminium middenrifkooi, scheenservo's en zware scheenschokbrekers van koolstofstaai. 'Moet vermoeiend zijn om dat rond te zeulen,' zei Killeen. 'Ik vind 't lekker,' zei Tobie, die ging zitten en een compressorvergrendeling bijstelde. 'Heb ze geruild voor wat 'trusting.'
'Wat heb jij geven?'
'Paar backup-chips in m'n schouder.'
'Die zijn van Familie.' Tobie keek geïrriteerd. 'Nou eh... '
'Vroegen ze ouwe godsdienstige Aspecten?'
'Hè? Nee, hoor, helemaal niet.'
Killeen was opgelucht. Hij was ervan overtuigd dat Zijne Almachtige uiteindelijk chips van de Lopers zou proberen te krijgen, gewoon omdat kennis macht was. Aan de andere kant mocht hij niet de fout maken om aan elk klein incident een enorme reikwijdte toe te kennen. 'Wat heb jij geven?'
'Kom op, papa, ik heb techchips bij me die niemand meer gebruikt.'
Killeen hield zijn stem beheerst. 'Zoals?'
'Bouwdingen. Muren bouwen van mechonderdelen. Dat soort dingen.'
'Dat hebben we misschien nodig.'
'Wanneer? Hier kan je niks bouwen.'
Zijn stem liet hem eindelijk in de steek en werd scherp. 'We vinden plek. Bouwen Citadel, alleen groter dan laatste. Ook beter — alleen weten we niet hóe, want jij hebt kennis weggeven.'
Tobie zei sarcastisch: 'Als die tijd komt, ruil ik ze terug. Als we ons vestigen, hebben we geen trekspullen nodig.'
'Zoek aan wie je chips hebt geven... '
'Gewoon twee Negensjongens. En 't was eerlijke ruil; heb niks géven...' "... en ruil ze terug tegen wat ze willen. Maar haal die chips terug.'
'Papa!' Aangedreven door zijn compressoren maakte Tobie een sprongetje. 'Ik kan niet gewoon...'
'Dat zul je wèl. Familiebezit blijft in de Familie.'
'Luister, andere mensen ruilen ook. Da's doodgewoon.'
'Wie?'
'Hoe komen we anders aan trekspullen, tenten, kook... '
'Zelf maken; net als op Sneeuwvlek. Wie?'
'D'r is niet genoeg kapot mechspul hier. En maken kost...'
'Ik zag onderdelen in het Negenskamp. Schooi wat bij elkaar, ga zitten en begin de vaardigheid te gebruiken die je in je hebt zitten. Goed. Wie nog meer?'
Toen Tobie hem de namen van vier anderen had gegeven, gaf hij Joslin opdracht hen te vinden en de uitrusting terug te krijgen die ze geruild hadden. Hij zag aan haar stijve mond dat ze dat geen aangename taak vond, maar zonder een woord te zeggen ging ze aan het werk. Killeen stond toe te kijken hoe Tobie naar het Negenskamp liep. Hij besefte vaag dat hij deze kwestie beter had kunnen aanpakken. Sjibo kwam naar hem toe, legde een arm om hem heen en knuffelde zijn wang zwijgend met haar neus.
Hij gromde gefrustreerd. 'Moeilijk om weer vader te worden als je kaptein weest bent.'
Ze knikte. 'Tobie is bang, net als iedereen. Heeft iets nodig dat 'm opbeurt.'
'Dat begrijp ik. Maar... '
'We moeten allemaal herstellen. We zijn Argo kwijt, moeten richting hebben.'
'Tobie lijkt heel kalm.'
'Hij en Besen hebben elkaar holpen.'
'Bedoel je...?'
Ze knikte en maakte een gebaar dat liefde, romantiek, hofmakerij betekende.
'O.' Killeen knipperde met zijn ogen. 'Dat had ik niet merkt.'
'Doen veel ouders niet.' Ze glimlachte. 'Nou, ik... '
Killeen probeerde uit alle macht iets wijs en vastberadens te zeggen, maar gaf het op — zijn binnenwereld was een chaos. Zijn eerste reactie op dat nieuws was een doordringend gevoel van verlies, en hij wist dat dat absurd was. Dat gevoel deed Sjibo te kort. Haar had hij immers nog steeds, en dat Tobie opgroeide, was onvermijdelijk.
Hij hield zich voor dat deze crisis hem misschien kwetsbaar had gemaakt en dat de pijnscheut die hij voelde, een bijeffect was van de grotere zorgen die op hem drukten. Hij probeerde alles op een rij te zetten, maar zag Sjibo's mond vertrekken van onderdrukte pret en besefte dat ze zijn verwarring las. Eindelijk grinnikte hij gelaten en gooide zijn handen omhoog. 'Moest eens gebeuren. En ook domdgoeie meid.'
'Blij dat je eindelijk wakker wordt,' zei Sjibo opgewekt. Hij kuste haar. Zijn Ling-Aspect zei streng:
Ik waarschuw nog steeds tegen openbare vertoningen van genegenheid. Je staat tegenover grote problemen, en alles wat de bevelsketen verzwakt...
Killeen duwde het Aspect weer in zijn benauwde ruimte en genoot ervan. Nu ze weer vaste grond onder de voeten hadden, kon hij zich meer op zijn instincten verlaten.
Hij liet Sjibo achter en liep door het Loperkamp. Hij vroeg zich af welke maatregelen hij kon nemen om zijn groeiend gevoel van naderend onheil te bezweren. Besen zat op een natuurlijke richel en fluxvormde wat mechmetaal tot draaggereedschap.
'Tobie is beetje uit z'n humeur,' zei ze, toen hij ging zitten.
'Da's iedereen,' antwoordde hij.
Met Besen had hij altijd normaal kunnen praten. Nu hij over haar nadacht, begon hem langzaam te dagen dat dit 'meisje' in feite een volwassen vrouw met een vanzelfsprekend zelfvertrouwen was. Uit haar hoekige gezicht sprak iets van slimme terughoudendheid.
'Volgens sommigen hebben we 't hier slechter dan op Sneeuwvlek,' zei ze.
'Kan wezen.'
'Denken dat snoer straks weer gaat draaien. Dan komen we daar nooit meer doorheen.'
'Tenzij we uitvinden wanneer 't gaat draaien,' antwoordde Killeen.
'Hoe?' vroeg ze.
Killeen grijnsde. 'Geen idee.'
Besen lachte. 'Nou, in ieder geval ben je terug en is iedereen niet meer zo somber.'
Killeen knipperde met zijn ogen. 'Hè?'
'Ik had 't al opgeven. We zaten alleen maar naar grond te staren tot jij opdook.'
Daar schrok hij echt van. 'Waarom?'
'Joslin probeerde ons moed in te praten. Ging niet.'
Killeen zei niets, en ze vervolgde: 'We volgden je omdat je droom had
waarin we geloofden. Da's enige reden waarom iemand weggaat van huis.'
'Droom is over.'
'Jazeg, dat weten we. We zijn niet stom.' Ze keek hem met getuite lippen streng aan.
'En Cybers zijn erger dan mechs.'
'Maar jij hebt meer dan één droom in je.' Killeen schrok opnieuw. 'Watte?'
'Jij verzint wel manier. Dat weten we.'
Hij wist niet wat hij moest zeggen en verborg dat door op te staan. 'Kom mee, laat me omgeving zien.'
In haar brede mond leek bedwongen vrolijkheid over zijn onhandigheid te schuilen. Plechtig zei ze: 'Jawel, kaptein.'
Volgens alle regels die hij geleerd had, was rondlummelen in een reusachtig kamp als dit, duidelijk zichtbaar vanuit de lucht en zelfs vanuit de ruimte, roekeloos. Grote vuren 's nachts, rookpluimen overdag, regelmatige rijen tenten — de mechs kenden dat allemaal heel goed. De Cybers waarschijnlijk ook.
Hij liep langs de nu al geurende latrinegeul van de Lopers en controleerde of de grijpstang, die langs een van de zijden was aangebracht, sterk genoeg was. Als jongetje had hij zonder zo'n stang naast de geul gehurkt, en meer dan eens had hij zijn evenwicht verloren. Deze stang was een lange, alum-keramische arm van een of andere mechtech, en rustte aan de uiteinden op gevorkte stokken. Hij bleek zijn volle gewicht te kunnen dragen, toen hij ging zitten en, net als altijd na het ontbijt, zijn dagelijkse ritueel verrichtte. De Lopers waren hun verlegenheid over dit soort zaken allang kwijt en omheinden hun geul nooit; ook in de Citadel van lang geleden maakte niemand zich veel zorgen over privacy. Hij liep over de uitloper van de volgende lage heuvelrug en zag dat deze Stam andere opvattingen had. Sommigen hadden opvouwbare schermen en één had zelfs een dak. Maar dieper het dal in zag hij een stroompje, dat nu overvol regenwater stond. Het diende eerst als drinkwater en daarna als riool.
'Hartstikke stom,' zei Besen naast hem. 'Die rivier?' vroeg hij.
'Jazeg. In paar Families is nu al dysenterie. Met groot kamp als dit krijg
je ergere ziektes. Springen heel snel rond.'
'Al tekenen zien?'
'Geruchten hoord,' zei ze.
'Vertel als je meer hoort.'
'Je krijgt niet makkelijk wat uit ze.'
'Hoezo?'
'Ze kletsen almaar over rechtschapenheid en hoe alles goed komt als ze ware pad volgen en dat soort dingen.'
'Misschien hebben Aspecten ze te hard onder duim.' Besen overzag het dal en zei: 'Jazeg. Zo te zien uit Hoge Arcologie-tijd.' Killeen was merkwaardig tevreden. 'Meeste jonge mensen interesseert geschiedenis te weinig om dat soort dingen nog te weten.' Ze draaide zich om en keek hem aandachtig aan. 'Maar dat moeten ze wèl! Anders begrijp je hier niks van.'
"Tuurlijk... als je genoeg tijd hebt. Maar we krijgen 't nu hartstikke druk.' Ze trok haar wenkbrauwen samen. 'Als we vergeten wie we zijn, wat is dan nut om door te gaan?'
'Klopt.' Killeen was diep in zijn hart trots op haar kalme vurigheid. Deze Stam onderwierp zich dan misschien aan Zijne Almachtige, maar hij wist bijna zeker dat de Lopers dat niet zouden doen. 'Besen... ik ben blij dat je met Tobie gaat. Hij en ik hebben 't tegenwoordig niet makkelijk met mekaar.' Ze glimlachte. 'Moeilijke tijden voor iedereen.'
'Moment dat jongen zich losmaakt en eigen weg gaat, eh... '
'Ik weet het.'
'Ik... ik waardeer je hulp,' eindigde hij onmachtig. 'Je doet het niet zo slecht,' zei ze, en ging weer aan haar werk. Killeen bleef naar het dal kijken en met zijn gedachten worstelen. In principe was de situatie simpel. Een kaptein volgde de bevelen van de Stam op. Maar daar voelde hij iets levensgevaarlijks in.
'Rapport, kaptein,' zei Joslin formeel. Hij had haar niet horen aankomen.
'Heb je voor chips zorgd?'
'Hier en daar bonje trapt. Komt wel in orde.'
'Goed. Hoe staat 't met voorraden?'
'Niet veel.' Ze drukte op haar pols en een grafiek met de inventaris van hun eetbare voorraden verscheen in Killeens rechteroog. Door ermee te knipperen, kon hij hem zien.
Hij bestudeerde de heuvels. De ravijnen waren dichtbebost geweest, maar de meeste waren nu door modderverschuivingen verstopt. Hele groepen bomen waren al grijs en dood. 'Maar we stropen hier ook gebied vlakbij af. Kluiven 't af.'
'Ik zal kijken of Families nog wat hebben.'
Killeen gebaarde naar het beekje dat kronkelend in het stoffige dal stroomde. 'Water is voorlopig geen probleem. Maar als iemand stroomafwaarts monsters water neemt, weten ze dat we hier zijn.'
'Cybers?'
Killeen keek fronsend naar de slordige massa Families open en bloot in het dal. 'Waarschijnlijk. Punt is: wat hebben we aan vechten tegen Cybers?'
Joslin keek hem aandachtig aan. Vermoedde ze iets? vroeg hij zich af. Over zijn tijd in het binnenste van de Cyber had hij haar zoveel verteld als hij kon. Net als hij had ze gevonden dat het waarschijnlijk een slecht idee was het hele verhaal aan de anderen te vertellen zolang hij het niet beter begreep.
Als antwoord op vragen vanuit de Familie had hij laten doorschemeren, zonder echt te liegen, dat hij op een of andere manier, ingepakt op het lichaam van een Cyber, uit het ondergrondse nest was ontsnapt zodra hij de kans kreeg. Hij kon de tegenstrijdige sensaties die hij in het Cyberlichaam had beleefd, nauwelijks verklaren. Bij de herinnering daaraan huiverde hij tegenwoordig van walging. Beelden ervan doorschoten zijn slaap. De dag tevoren had hij met opzet hard gewerkt in de hoop dat de vermoeidheid hem de vergetelheid van de slaap zou gunnen. Maar de broedende, verschuivende dromen hadden hem opnieuw gekweld. De brand van die ochtend had hem gewekt uit het afschuwelijke gevoel dat hij stikte in sponzige lucht die naar binnen dromde zodra hij vocht om een schone hap adem te krijgen. Dat hij was teruggeslingerd naar de echte wereld, ook al was daar dan een verwoestende brand te blussen, was een opluchting geweest.
'Hebben we keus?' vroeg Joslin met bezorgde blik. Killeen vroeg zich af of hij op de Familie soms een vreemde indruk maakte. In ieder geval deed Joslin een beetje stijf en formeel tegen hem. Ook Sjibo was sinds zijn terugkeer voorzichtig met hem geweest, alsof hij zowel kwetsbaar als onbetrouwbaar was geworden. Nou ja, bedacht Killeen, misschien was hij dat ook wel.
'Denk 't niet. Zo te zien hebben Cybers vooral interesse in leeghalen van planeet, niet in gebruik van oppervlakte.'
Hij wees omhoog, waar een dunne wolkenlaag een deel van een reeks grijze vlekken in de verte bedekte. Stukken Cyberbouwsels hingen laag aan de horizon in banen rond de pool. De grote boog van het kosmisch snoer was een vage, bleekgele kras over de hemel. Aan de rand van zijn gezichtsveld draaide iets. Hij stelde zijn ogen er scherp op, maar zag alleen een dun spoorbeeld in een baan rond de evenaar. De Cybers beheersten de hemel, maar om een of andere reden gebruikten ze geen ruimteaanvallen tegen hen. Waarom niet?
Joslin zei: 'Ze zuigen binnenste leeg, halen alle metalen weg, en dan hebben wij alleen nog schroot. Doodt alle planten en ons waarschijnlijk ook.' Killeen luisterde even naar Arthur en zei: 'Volgens Aspecten verandert temperatuur voorlopig niet erg. Grote probleem zijn aardbevingen.'
'Zijne Almachtige zegt... '
'Luister, man die denkt dat-ie God is, is niet erg te vertrouwen.'
'Volgens mij moeten we in 'm geloven.' "m Geloven of In 'm geloven?'
Joslin zei behoedzaam: 'Ik heb 'm paar dagen langer zien dan jij. Hij was heel goedgunstig. We waren tenslotte mensen die plotseling uit hemel kwamen vallen en van alles van Families wilden — eten, tenten. Hij hielp ons wegkomen van schepen voordat Cybers ons vonden. Hij is geboren leider!'
'Luister, weet je nog hoe Fannie was? Dit was leiderschap. Deze vent...'
'Gebruikt nieuwe methoden,' zei Joslin zonder toe te geven. 'Dit zijn vreselijke tijden; oude manieren werken niet.'
'We hebben niks anders.'
'Hoe dan ook, onze gezamenlijke wetten zeggen dat hij als Ouderling nieuwe kaptein had moeten benoemen. Jij was weg, waarschijnlijk dood. Als-ie zich aan wet had gehouden, was jij nou geen kaptein.' Ah, dacht hij. 'Wie dan?'
Ze aarzelde en zei: 'Zijne Almachtige vroeg 't mij en ik beloofde kamp te regelen. Onderhandelde met andere Families.'
'Je verdient lof. Dat is voorlopig alles,' zei Killeen, die haar scherp en militair groette. Hij draaide haar nadrukkelijk de rug toe en begon weer naar het dal te kijken.
Zijn Ling-Aspect drong in zijn denken door:
Die officier houdt van de smaak van de macht. Naar mijn ervaring lessen zelfs gevaarlijke tijden die dorst niet.
Killeen raapte een steen op en genoot van het gebonk waarmee die de helling af stuiterde.
8
In de tent van Zijne Almachtige was het benauwd van zoete wierook en prikkend zweet. De vijftien kapteins stonden op bevel in een halvemaan stijf in de houding voor het brede zwarte bureau. Een laag blauwe rook hing boven hun hoofd. Killeen moest hoesten bij de walgelijke stank in zijn keel. Zijne Almachtige fronste zijn wenkbrauwen bij dat geluid en herhaalde zijn bevel.
'Alle Families zullen evenveel strijders aan de aanval bijdragen. We slaan gezamenlijk toe. Allemaal delen we in het risico, allemaal delen we in de overwinning.'
Killeen dacht: En als we verliezen, is er niemand opgesteld ah achterhoede om onze rug te dekken. Maar dat durfde hij niet te zeggen. 'We volgen onze vertrouwde, zegevierende tactiek — de correcte handelwijze waarmee we al zo ver zijn gekomen. Na de aanval moeten we zo veel Cybergebouwen vernietigen als we kunnen.' Voordat de behoedzaamheid tussenbeide kon komen, zei Killeen: 'Het spijt me buitengewoon, maar ik ken de juiste tactiek niet.' Zijne Almachtige keerde zich bijna lui om en keek hem recht aan. Tot dusver had deze donkere, gedrongen man zijn rede afgestoken met zijn ogen op het blauwe waas gericht, alsof hoog in de tent geheime gedachten loerden.
'Ik had gedacht dat je inmiddels wel zou weten welke revolutionaire krijgsontwikkelingen ik tot stand heb gebracht.'
'Ik heb uw wapens gezien. Dat zijn er heel wat en van sommige had ik nog nooit gehoord, maar... '
'Kaptein van Lopers — een nog weinig vertrouwde Kleur, maar welkom in het gezelschap van hen die mij zijn toegewijd — ik begrijp je onkennis. Toen ik de komst van je Familie voorspelde, zei ik dat de hulp die uit de hemel zou vallen, zou moeten worden bijgeschaafd. En ik en mijn officieren zijn bereid je naar mijn hogere doelen te vormen, wees daarvan verzekerd.'
'Nu, meneer, daar ben ik blij om. Mijn Familie heeft behoefte aan...'
'Is je al eens opgevallen dat niemand die mij aanspreekt, het onwaardige en beschamende woord "meneer" gebruikt?'
Killeen maakte het gebaar dat hij de andere kapteins had zien maken — een buiging met een gelijktijdige stap naar achteren, waarbij hij zijn handen omlaag liet vallen. Het leek volledige aanvaarding uit te drukken. Zijne Almachtige knikte bijna verveeld. 'Op de wereld die jullie gezonden heeft, beoefenden jullie de frontale aanval?'
'Op Sneeuwvlek jazeg — maar bijna nooit, want de omtrek van mech-plexen werd altijd onder schot houden. Je was er zó weest...' Het kostte hem moeite zijn zin met 'Uwe Almachtige' te beëindigen. 'Ik heb een nieuwe, verpletterende manier ontwikkeld om frontaal aan te vallen. Daarbij wordt één Familie als eerste krijgers aangewezen. Ze stellen zich het eerst bloot en trekken het vuur aan. Een tweede verrast de vijand door vanuit een schuilplaats te komen aanstormen. Daarna valt de hoofdmacht het nest aan.'
'Die tweede groep... hoe blijft die verborgen...
Almachtige?'
'Door de tunnels van die laaghartige Cybers in te sluipen.' Killeen fronste zijn wenkbrauwen en zei niets. Maar de kleine man in het uniform keek hem verwijtend aan en zei: 'Jij hebt hier nog veel te leren, kaptein. Mijn openbaringen hebben me deze schitterende methode doen geworden en me van onze overwinningen verzekerd. Geenszins tasten we ons een weg voorwaarts door schaduwen en onzekerheid.' Killeen knikte, maar wist niet wat hij moest zeggen. 'Ik voorzie onze overwinning, die op Gods vleugels en mijn schouders wordt aangedragen. Je ziet, kaptein van Lopers, dat ik ben opgenomen in de rijen van de Goden. Als afgezant van de Fundamentele Wil van de natuur ben ik noodzakelijkerwijs ook zelf Goddelijk.' Zijne Almachtige legde dit uit alsof hij het tegen een slim maar onwetend kind had. Killeen had allerlei vragen, maar iets in de vreemd uitdrukkingsloze ogen van Zijne Almachtige legde hem het zwijgen op. Zijne Almachtige knikte alsof hij tevreden was en riep toen plotseling:
'Roep iedereen op! Ik moet de Families gereedmaken voor de volgende stap op weg naar hun lotsbestemming!'
Kapteins en onderofficieren haastten zich weg om hun Families te alarmeren. Een rij gewapende mannen en vrouwen kwam in actie; hun volledige trekuitrusting glom pas gepolijst. Rinkelend en zoevend begeleidden ze Zijne Almachtige naar buiten, maar torenden met hun beklede schokbrekerlaarzen hoog boven hem uit.
Killeen stuurde een snelle oproep naar Joslin, Sjibo en Cermo. Bijna iedereen was al in het dal beneden verzameld, en hun Lopers stonden in rechthoekige formaties op de rechterflank. De korte toespraak van Zijne Almachtige tegen de kapteins paste nauwelijks bij wat Killeen van de Stamgewoonten wist. Het grootste deel had hij onbegrijpelijk gevonden. Nu ging Zijne Almachtige de hele stam toespreken. De Stam omvatte de overlevende Families uit dit deel van Nieuw-Loper. Niemand had het ooit over de andere Stammen die deze planeet hadden bewoond. De mechsteden waren bij hun onderlinge strijd de laatste tijd kennelijk mensen gaan gebruiken. Daarvan waren ook op Sneeuwvlek voorbeelden geweest, maar de oude wijsheid van Killeens Familie luidde dat de concurrentie onder de mechs meer leek op het snoeien van ongewenste takken aan een overigens vruchtbare plant. Hier echter voerden de mechs onderling oorlog. Hadden de Cybers het tijdstip van hun invasie zodanig gekozen dat ze daarvan profijt konden trekken? Killeen daalde naast de Drieënkaptein naar het dal af. Het was middag, en het zonlicht viel in plekken door het wolkendek. Hij zocht het kosmisch snoer, maar dat was niet te zien. Als dat begon te draaien en de kern weer ging leegzuigen, was Killeen van plan zijn Familie naar vlak terrein te leiden, ongeacht wat de Stam deed.
Het leek alweer een hele tijd geleden sinds de Drieënkaptein hem uit de tent van Zijne Almachtige langs die verpletterende begrafenisceremonie had geleid. Killeen zei dat tegen haar, en de kaptein antwoordde: 'Sindsdien hebben we meer gevallen had. Cybers opereren voorbij volgende bergrug — of wat daarvan over is. Paar Cybers sloten stel Zevens in en lieten lijken met van die mijteëieren van binnen liggen.'
'Misschien stoppen Cybers ook nog iets anders in lijken,' zei Killeen heel voorzichtig.
Het toch al verweerde en gelaten gezicht van de kaptein kwam vol diepe rimpels. 'Zoals wat?'
'Dingen om ons op te sporen.'
Ze schudde haar hoofd, "t Kan ze niet genoeg schelen. Schieten alleen op mensen als ze erover struikelen. Niet zoals mechs — nog niet tenminste.'
'Jullie hebben voor mechs werkt.'
"Tuurlijk — enige manier om te overleven.'
'Waar ik vandaan kom, waren mechs niet te vertrouwen.'
'Ze werden plotseling gek. Begonnen elkaar overhoop te schieten.'
Killeen zei behoedzaam. 'De vraag die ik daarnet stelde... ik begreep niet helemaal wat-ie bedoelde.'
'Integreer maar gewoon de elektromaglabels en oproepcodes en zo van je mensen.'
'Maar luister, we moeten toch plannen maken... '
'Zodra ploeg in tunnels zit, vallen we gescheiden aan.'
'En ondersteunend vuur?'
'Zorg daar zelf maar voor. Elke Familie dekt zichzelf.' Killeen zei sceptisch: "t Lijkt mij beter om... '
De Drieënkaptein keek hem moe en sardonisch aan. 'Ik vind dat zo wel
best. Zijne Almachtige zegt: doe 't zus of zo. Prima. Op die manier krijg
ik Familie snel weg als 't misloopt.'
'Maar coördinatie...'
'Luister, dit plan is woord van God.'
De kaptein zei dat op een plotseling vlakke en nuchtere toon. Killeen wilde net met snijdende spot antwoorden, maar zag drie officieren achter hem lopen. Toen hij achteromkeek, leken ze veel belangstelling voor zijn antwoord te hebben. Hij deed zijn mond dicht en knikte stijf. Hij voegde zich bij de Loperformatie vlak voordat Zijne Almachtige begon te spreken. De woorden bereikten hem via de algemene comm, uitgezonden door de gekoppelde vermogens van een driehoek van officieren, die vlak onder Zijne Almachtige op een klein heuveltje bijeen stonden.
Hoewel Killeen had gehoord dat de Stam ruim boven de tweeduizend leden telde, was de aanblik van zo veel mensen, in rijen en colonnes opgesteld die bijna tot de overkant van het dal reikten, indrukwekkend. Sinds een enorme feestdag in de Citadel — toen hij nog jonger was dan Tobie nu — had hij niet meer zo veel mensen bij elkaar gezien. Toen had er een feestelijke sfeer geheerst; nu doordrenkte iets plechtigs en grimmigs de comm. Hoog gehesen, maar opgelapte en zongebleekte Familievlaggen wapperden en klapperden in de wind.
Zijne Almachtige begon met een ondoorzichtig overzicht van hun dappere veldslagen, zó vol namen en eretitels dat Killeen er geen touw aan kon vastknopen. In ieder geval werd hij niets wijzer over de manier waarop de Families hadden gevochten, en Killeen begon te vermoeden dat Zijne Almachtige in feite weinig belangstelling voor de essentiële details van manoeuvres en bevelvoering had. Dat bleek algauw, toen de man met wilde handgebaren en een van woede vertrokken gezicht de euveldaden van hun vijanden begon te beschrijven. De Cybers leken niet toevallig op duivels uit de hel — en spoedig zouden ze opnieuw daarheen verbannen worden.
'Smaad en hoon worden hun deel! Nederlaag en kastijding!' De man nam een imponerende houding aan, en hoewel Killeen een deel van zichzelf koel en sceptisch wist te houden, kon hij zich niet helemaal aan diens kracht en vurigheid onttrekken.
'Ons allen wacht uiteindelijk de dood! Maar die kan niet deren. Het graf blijft de overwinning ontzegd, want het is daar dat wij beloond zullen worden!'
De enorme menigte roerde zich terwijl de ene hoogdravende zin na de andere hen overspoelde. Killeen voelde zich door de ritmische kracht van die zingzang meegesleurd. Voor het eerst begreep hij hoe Zijne Almachtige een Stam bijeen had gehouden die verpletterende nederlagen had geleden en nu oog in oog met een onbegrijpelijke vijand vol achteloze kwaadaardigheid stond.
'... bij wiens komst om Al dat Is te oordelen, ik aan de rechterhand zal staan van... '
De lucht zelf leek te flakkeren van een nieuwe intensiteit, van hete draadjes aangewaaid op een bries.
'... verpletter die dingen van metaal en vlees tot vormloze materie! Vernietig de dienaren van de laatste veldslag tegen ons uit de geschiedenis! Want wij komen voort uit de natuurlijke substanties van het universum en zijn daarmee één en verheugen ons in de vruchten ervan zonder kunstgrepen of bezoedeling van de geest. Wij zijn het produkt van Gods eigen evolutie. Er zullen geen monsters uit de hemel vallen die onze heilige vruchten plukken, niet als wij de oeroude namen aanroepen.' Gerommel in de verte, alsof bergen zich tegen een ruwe hemel schurkten.
"... want na de laatste, bevrijdende veldslag zullen wij op weg gaan. Wij zullen de heiligste en majesteitelijkste Hemelzaaier aanroepen en gevoed worden en ons voortplanten!'
Lichtflitsen doorschoten de wolken. Heel hoog roerde zich iets zilverigs. '... om ons van het kwaad van deze plaats te bevrijden. Deze verslinders van werelden zullen vallen zoals de mechs vóór hen gevallen zijn. Geloof in mij... '
Een wervelstorm spleet de gevlekte wolkenbanken. Killeen zag dat de menigte erop begon te letten. '... hier op Aarde... zoals... in de hemel!'
In lange bogen daalden dunne lijntjes blauw af. Een wirwar van licht bracht de hemel tot opwinding, die leeg leek tot er een golf hitte uit stroomde. Toch huiverde Killeens sensorium van kleine, snelle details. 'Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede. Kwaadwilligheid gericht door een opperste wil, wij smeken u... '
Een steeds dichtere aanwezigheid doemde in Killeens sensorium op -toch waren buiten alleen doorschijnende, tastende flitsen te zien. Killeen herinnerde zich plotseling dat hij zulk immens geflikker al eens eerder had gezien. De nacht nadat de cyborg hem had vrijgelaten, had dat de verre hemel verlicht.
'Wat... wat?' De stem van Zijne Almachtige klonk schor. Zijn ritme stokte en hij staarde met open mond naar het tafereel aan de hemel. En aanvankelijk bijna onhoorbaar in de fluisterende wind kwam een stem aanfladderen die Killeen kende:
Ik zoek een zekere mens. Geef teken als jullie dit kunnen waarnemen. Ik spreek op magnetische vleugels en breng tijdingen uit het hart van dit domein.
De stem van Zijne Almachtige dreunde van onverhulde verrassing en vreugde. 'Ik ben hier! Ik heb uw woord met het zwaard en mijn moed verbreid... '
Nee, jij bent niet wie ik zoek. Ik heb opdracht mijn boodschap uitsluitend aan de doelpersoon ter hand te stellen. Mijn voeten zakken weg in plasma en mijn armen reiken zelfs tot in deze bitterkoude zones. Zoek degene die Killeen heet. Ik spreek namens zijn vader.
9
Een golf van onrust ging door het dal. De Familieformaties dreigden uiteen te vallen. Voeten schuifelden zenuwachtig en joegen stof op dat wel een zichtbaar antwoord leek. Iedereen staarde omhoog en probeerde het schaduwfiligrein te zien dat vederlicht over de hemel danste. 'Wat?' Zijne Almachtige klonk zwak en moeizaam vergeleken met de volle, galmende macht die uit de rimpelende lucht omlaag hamerde. 'Bent u... God? Spreekt God op deze wijze?'
Ik zoek een wezen van een soort die, naar ik waarneem, hier bijeen is. Veel langer dan mijn plicht was, heb ik deze wereld doorzocht en maar heel weinig kleine wezens zoals jullie gevonden. Dit soort lage vormen is meestal talrijk, maar jullie zijn zeldzaam tussen de beschutte enclaves die ik heb afgespeurd — deze grove, kille planeten van onbelangwekkend trage materie.
'Ik spreek hier namens de mensheid!' riep Zijne Almachtige. In Killeens sensorium leek de mensenstem overspoeld door een overlappend netwerk van gladde golven. De enorme brekers vormden rasters die oprezen en weggleden. Hij moest aan de wiskundig tot stand gebrachte oceaan denken die hij in de greep van de geest van de Wesp had bezeild.
Ben jij degene die ik zoek? Je zendt een doordringende stank uit die op de zijne lijkt, zie ik. Maar je essentie is minder hoekig gevormd en vertoont de diepere tinten van kokende gassen. Nee, jij bent niet diegene. Scheer je weg.
De mond van Zijne Almachtige vertrok zich van duistere woede. 'Jij bent God niet! Jij komt van de Cybers! Zeg het! Scheer jij je weg, demon!' Killeen hield zich onzeker op de achtergrond. Dit was dezelfde stem die hem jaren geleden op Sneeuwvlek had geroepen. Die had hem de raad gegeven de Loper-Citadel niet te herbouwen en de Argo te zoeken. Toen de Lopers de Argo onder een verweerde heuvel hadden gevonden, had Killeen een nieuw contact met de stem verwacht, nieuwe bevelen... maar tijdens de tweejarige reis van de Argo was dat niet gebeurd. Hij zou maar al te graag antwoord geven.
Maar hier? De stem was voor iedereen hoorbaar en onthulde misschien Killeens volgende stap.
Hij probeerde te raden wat Zijne Almachtige hieruit opmaakte, vooral omdat 's mans gezicht vertrokken was van frustratie. De ontvangst van de boodschap zelf kon onmogelijk maken dat Killeen op basis daarvan handelde, als Zijne Almachtige die informatie op een of andere manier ten eigen gunste kon aanwenden.
Jullie kleintjes zijn met zovelen, allen met een andere geur en vorm. Ergerlijk! De schepping is veelvormig, maar dit is slechts luchthartigheid — wie kan behoefte aan deze verscheidenheid hebben, aan deze eindeloos vermenigvuldigde tinten en nuances? Maar uiteindelijk lijken jullie, mieren, niet het werk van waar meesterschap. Het maakt mijn taak alleen maar moeilijker.
'Vlucht, vuige afgezant... of we verpletteren je.' Zijne Almachtige legde de hele, aanzienlijke macht van zijn keel in deze joelende kreet.
Jij waagt een botsing met mij? Jij wilt een wezen verpletteren dat uit de allertaaiste velden bestaat? In mijn magnetische slippen verdamp jij tot stof, kleine, lastige larve. Met één loze gedachte van mij richt ik verkolend geweld tegen duizenden van jou aan. Maar dat is niet van belang — men kan niet van mij verlangen dat ik afdaal in de poel van gore dampen en geplette hoeken waaruit jouw onbeduidend ras bestaat. Ik kan geen wormenlegioen doorzoeken alleen maar om één boodschap met verwarde betekenissen af te leveren. Ik ga.
De ziedende draaikolk begon zich uit de hemel terug te trekken. De druk op Killeens sensorium ebde weg.
'Nee! Wacht!'
Hij sprong omhoog en gooide zijn armen in de lucht alsof hij de wijkende lijnen blauwe flux hoog boven hen wilde grijpen. 'Ik ben Killeen! Hier!'
Het kantpatroon van straling hield even rimpelend op. Killeen zag langs de gebogen magnetische veldlijnen van de planeet nieuwe flitsen omlaagschieten.
Inderdaad. Ik voel je vlakke geur en schuine zelf. Goed... ik ben dit zoeken, deze verplichting moe. Ik ontving deze opdracht van een macht die dichter bij de Eter huist dan zelfs ik. Hoewel ik met mijn hoofd het domein van koude en trage planeten zoals deze kan bereiken, staan mijn vele voeten op het rimpelviak van stormdoorsneden plasma, de aangeslibde schijf die de hete vraatzucht van de Eter voedt. Van diep binnen mijn geteisterde domein komt het samenstel van vragen dat ik nu stel.
Killeen sloeg Zijne Almachtige gade terwijl deze woorden neerdaalden. De woede van de man leek zich op te kroppen. Zijn ogen en lippen puilden uit en zijn kaak ging onbeheerst heen en weer. Maar hij gaf geen bevelen. Killeen deed een stap bij zijn Familie vandaan, zodat zijn sensorium zo schoon mogelijk werd.
'Zeg... laatste keer zei je dat er iemand was die zich mijn vader noemde.
Wat... '
De eerste is een vraag. Hoe gaat het met Tobie?
Elke twijfel die Killeen ooit gekoesterd had over de betekenis van die vreemde zin van jaren geleden, vervloog nu. Wie anders dan Abraham zou allereerst naar zijn kleinzoon vragen?
'Prima — groeit als kool. Staat hier naast me. Kijk of u zijn...'
Ik neem een zwakkere aura waar, ja, iets gelijkend op de jouwe. Dat zal ik achterwaarts doorgeven langs magneetlijnen die naar het Centrum spiralen. Het zal weerkaatst worden naar de wirwar van geometrieën waar iets duister ligt te wachten. Bij mijn voetpunt sproeit antimaterie uit een kunstmatige bron, en dus kan ik geen nauwkeurige transmissie garanderen van zulke fragiele gegevens als jullie minuscule aura's.
'Is mijn vader bij u? Zeg hem dat we... '
Nee, niet hier bij mij. Al dat mij gewordt is de verzekering dat hij dieper binnenin leefde, ergens wervelend in door tijd geteisterde kolken.
'Leefde? Leeft hij nog steeds?' Killeens stem verstrakte.
Vormen zoals jij lijken daar te loeren om redenen die mij niet onthuld zijn. Ik kan niet zeggen of dat bijzondere exemplaar nog steeds standhoudt. De aanwezigheid daar van zulke onbeduidende, primitieve entiteiten is een dieper geheim dan wat ook in jouw boodschappen, klein brein, maar ik zal je niet vermoeien met kwesties die je niet bevatten kunt. Luister dus aandachtig. De volgende boodschap is: Pas de scheepscodes van de Argo op de Erfenissen toe.
Killeen schreeuwde: 'Erfenissen? Maar we hebben geen schip...'
Stilte, klein brein.
'Ons schip is weg!'
De elektromagnetische entiteit boven hem bewoog zich onbekommerd, bijna rusteloos. Het wezen wierp glimmend groen licht tegen de wolken in de buurt en duwde ze weg zodat het hele hemelgewelf openging. De hoge cirruswolken gaapten alsof ze de sombere hemel verderop wilden bijten.
De boodschappen die ik dien over te brengen, zijn geen eenvoudige uitspraken, maar eerder microscopisch kleine intelligenties — fragmenten van het brein dat ze zond. Dus moet ik wachten tot dat stofje een soort antwoord oplevert. Het zegt nu: Dan ben je verloren.
'Maar dat is... '
Zijne Almachtige schreeuwde: 'Kaptein van Lopers! Ik beveel u: laat af! Spreken met deze brenger van rottenis verwart onze hele Stam en leidt ons allen op een vals spoor.'
Killeen keek Zijne Almachtige even aan en maakte een wegwerpgebaar. Hij probeerde na te denken. Zijn vader...
'Ik waarschuw je!' De stem van Zijne Almachtige won aan dreiging. 'Omgang met... '
'Cermo! Omtrek ster!'
De Lopers verbraken de rijen en hergroepeerden zich tot een goed opgestelde, naar buiten gerichte falanx. De lucht zong toen hun sensoria zich naar buiten richtten en de verwarde velden van de andere Families deden krullen.
Killeen zei vlak: 'Ik duld geen bemoeienis. Dit is geen duivel of Goddoder. Laat ons met rust!'
'Ik beveel...' Maar Zijne Almachtige brak zijn zin af toen hij de kracht van het opgehoopte, verbonden Loperveld voelde. Wapens kwamen van schouders omlaag, werden aangeklikt en op belangrijke doelen gericht — om te beginnen op Zijne Almachtige zelf. 'Wij, Lopers, vragen een moment voor onszelf. Hoort! Ik roep de oude regels aan. De eerste en meest vereerde daarvan luidt dat een Familie mag vragen met rust te worden gelaten!'
Het dal gonsde van onbehagen. De andere Families deden niets. Zijne Almachtige balde zijn vuisten, maar moest toezien hoe Killeen zijn sensorium weer naar de hemel richtte.
Ik mocht deze waarschuwingen pas overbrengen als jullie je uit de greep van mechanische intelligenties hadden bevrijd. Daarom sprak ik niet toen jullie nog in het schip waren. Dat wordt bewoond door mechanische vormen die de sleutel tot de Erfenissen niet mogen ontvangen.
'De Argo heeft mechs aan boord?' Killeen had geweten dat bepaalde kleine vormen zich na de geslaagde menselijke muiterij op Sneeuwvlek aan gevangenschap hadden weten te onttrekken, maar hij had ze machteloos en onbeduidend geacht.
Mechanische vormen dringen overal door. Ze zijn het stof dat tussen de sterren hangt.
Er klonk bijna iets van medeleven in de broedende stem die door Killeens sensorium opdrong.
'Luister, kan mijn vader op een of andere manier helpen? We zitten hier vast. Een of andere levensvorm scheurt de hele planeet aan stukken. We kunnen er niet uit, tenzij iets machtigs als u ons helpt.'
Ik ben boodschapper, geen verlosser.
'Zeg 't tegen mijn vader, als hij nog leeft. Stuur hulp!'
De kleine geest die ik ondervraag, zendt jammerklachten van spijt, als dat je een troost is. Maar meer niet. Mijn macht staat in geen geval te zijner beschikking.
Het kleurige kantwerk begon te vervagen. 'Laat ons hier niet achter!'
Vaarwel.
'Nee!'
Maar het was al weg.
Killeen liet zich plotseling doodmoe op de grond zakken. Een zware depressie zakte als een wolk over hem heen en hij hijgde alsof hij gerend had. Uit zijn wereld droop alle kleur weg.
Sjibo trok hem overeind. Handen ondersteunden hem. Tobie legde een arm om zijn schouder en hielp hem met lopen. De Lopers handhaafden hun verdedigende sterformatie. In een zware spanning keken de andere Families naar hen — met hun handen niet ver van hun wapens. Sjibo zei: "t Komt terug. Geef 't niet op.'
Killeen keek rond over de sombere, stoffige vlakte vol rijen haveloze mensen. 'Oké. Oké,' zei hij automatisch zonder het zelf te geloven. Zijne Almachtige riep dreunend: 'We joegen het angst aan; wees daarvan verzekerd! Het wezen vluchtte voor ons vertoon van solidariteit!' Killeen schudde zijn hoofd en zei niets. Hij verwachtte onmiddellijke vergelding van Zijne Almachtige, maar de donkere man keek hem alleen woedend aan. Er kwam een lege, glazige blik in zijn ogen. Zijne Almachtige wendde zich af van de Lopers en ging verder met het opzeggen van de oude litanie. Killeen gaf een teken en de Lopers verlieten de sterformatie en vormden weer rechte rijen. Maar de scherpe spanning, hoewel onderdrukt, bleef. Naast Killeen fluisterde Tobie: 'Die vent vergeet niks.' Besen voegde eraan toe: 'Was misschien bang van dat luchtding. Ik tenminste wel.'
'Moeilijk een man bang maken die al God is,' zei Sjibo droog. Killeen woonde de rest van de dienst verdoofd bij; de woorden gleden van hem af als regendruppels van een voorruit.
Toen de ceremonie voorbij was, leidde hij de Lopers de vlakte uit. Ze liepen pittig, maar hun blik was hol en afgeleid. Hij ving het bittere gefluister van de andere Families op. Sommigen riepen smaadwoorden en dreigementen. Hij liet hen rustig begaan. Hij moest aan het gezicht van zijn vader denken.
Toen ze het groepje officieren rond Zijne Almachtige passeerden, wierp deze met donkere, half dichtgeknepen ogen een gekwelde, taxerende blik op Killeen. 'Ik spreek je later nog, kaptein.' Meer zei hij niet. Toen draaide hij zich bruusk om en beende weg. Killeens Grey-Aspect zei:
Gindse Almachtige... kijkt mager en hongerig. Zulke lieden zijn gevaarlijk... zoals de ouden zelden.
Killeen knikte, maar vergeleken met wat de Lopers zojuist verloren hadden, leken de meningen van gewone mensen onbeduidend.