Ressano Garcia

De ambassadeur trekt nu toch echt zijn handen van mij af. Ik mag naar een vluchtelingenkamp, hij doet een oogje dicht als ik een voedseldropping wil meemaken, hij laat mijn visum verlengen, regelt een bezoek aan het ziekenhuis, opent zijn huis voor wie ik maar wens te ontmoeten, hij geeft me een reisbrief, de sleutel van zijn voorraadkast, zijn schrijftafel staat tot mijn beschikking, zijn luie bank, zijn kok wast mijn kleren en warmt ook buiten diensttijd het eten voor me op, ik drink zijn Bokma, eet al zijn pinda’s op, hij vraagt de Zuid-Afrikaanse zaakgelastigde om alsnog een visum voor me te regelen, ik mag mijn liefje bellen, maar ik mag niet met de trein naar Ressano Garcia.

‘Een van de gevaarlijkste plaatsen in het land,’ zegt hij, ‘nagenoeg elke maand een overval. Als er wat met je gebeurt krijg ik de schuld. En met de trein! Je bent getikt. Dat is de mijnwerkerstrein, die lui komen terug met geld en geschenken en worden overvallen.’

‘Ik kan misschien terug met een legervliegtuig,’ zeg ik.

‘Die vent geeft me alleen maar gelazer,’ zegt hij tegen Xai-Xai, zijn hond.

Maar als ik de volgende morgen om zes uur met mijn kleine rugzak de trap afsluip, staat hij in de keuken koffie te zetten en smeert boterhammen voor onderweg. Buiten wacht zijn chauffeur. ‘Ik weet van niks hoor, ik weet van niks. Maar kom in godsnaam heel terug.’

Ik beloof het, ook ik ben contra-bala, net als de soldaten in de bush die na een toverdrankje de kogels tegemoet rennen.

Op het perron staan honderden mannen. IJsmutsen op, truien in bundels onder de arm, klaar voor een koeler Transvaal. Zij die al eerder gingen, dragen oranje helmen en mijnoveralls. Vrouwen met baby’s op de rug zitten op zakken ingezouten vis. Het zijn de marketentsters voor de soldaten aan de grens. Langs de rails lopen kinderen met hun bedelblikje, ook zij willen mee.

De trein komt drie uur te laat binnen. De rijen zijn dik, de deuren te klein. Zakken en koffers gaan door de ramen, en als er geen beweging meer in deur en gangpad zit, ook de mensen. Het glas is er toch al uitgebroken. Een deel van de reizigers moet achterblijven. Elke meter is gevuld. De soldaten die ons tijdens de tocht zullen beschermen, zitten in een open wagon achter de locomotief, sommige liggen op de daken.

De eerste coupés waar ik me opgetild door de stuwenden doorheen laat voeren, hebben geen banken. Het zijn de beste plaatsen, want je ligt op je bagage en vindt steun in de kluwen. Lastiger zijn de wagons waar de zittingen zijn uitgesloopt en alleen nog de ijzeren beugels staan. Hier zijn de gaten opgevuld met dozen, zakken en tassen, en hangen de reizigers ongemakkelijk in de stangen.

Samen met twee mijnwerkers bouw ik een bank. Eén bil zit op een zak uien, de andere hangt. Vallen is onmogelijk, we plakken lekker tegen elkaar aan.

Tegenover me zit een Indiër, een grijze baard over zijn smetteloos witte jurk en een gehaakt kalot op zijn hoofd. Hij is op weg naar Barberton, in Oost-Transvaal.

‘Waar is de eerste klas?’ vraagt hij.

‘Kwijt,’ zegt de conducteur.

De Indiër is in de war. Bang zijn witte kleren vuil te maken hangt hij aan de enige stang die nog over is van het bagagerek en laat zijn witte kaartje zien. ‘Primeira classe.’ Hij was op familiebezoek in Maputo en vindt de mensen in Mozambique ‘heel beleefd, rustig, en niet zo opgewonden en agressief als in Zuid-Afrika’.

‘Waarom bent u niet gaan vliegen?’ vraag ik.

‘Dit is sneller. Als ik dood moet is het mijn tijd en dan maakt het niet uit hoe ik reis. Maar ik wil wel zitten.’ Hij zoekt een evenwicht tussen zakken en manden en moffelt een koekblik achter zijn rug.

Zodra de trein rijdt gaan de manden en zakken open en begint iedereen te eten. Gebakken vis en kip, in een krant gewikkeld, rijst uit de pan, alles gaat van hand naar mond. Ik stop een boterham in een kogelgat, want de wind blaast recht in mijn ogen. Dan liever de walm van mijn buren, hun kleren en haren ruiken naar warme aarde. Ik snuif de geuren op, zo diep dat ik er zelf mee doortrokken raak. Honderd, honderdvijftig mensen in één rijtuig en ze smakken allemaal.

De zon klimt, de trein rijdt langzaam en ondanks de tocht stoken de dampende lijven de temperatuur op. Zo reizen de mannen die voor dit land deviezen binnenbrengen. (Later legt een partijfunctionaris mij uit dat het geen zin heeft hout op de banken te timmeren, de mensen die halverwege uitstappen slopen het er toch weer af. Handig voor de kookpot.)

Rechts, op de weg langs de industrieterreinen, loeien de sirenes van de motorpolitie. Daarachter deinen witte Volvo’s, een minister met zijn gevolg op werkbezoek.

We rammelen van links naar rechts. De rails zijn uitgesleten, een enkele wissel wordt stapvoets genomen. Dit spoor is met Nederlands geld gelegd, om Pretoria met de zee te verbinden. Paul Krüger heeft in Maputo de lijn nog plechtig geopend. De meeste stations zijn uitgebrand. Het Portugese tegelwerk bij Tenga is vernield door kogelgaten. Kinderen venten langs de trein. Telkens komen nieuwe walmen bij ons binnen: papaya, kokosnoot en massala, een wilde vrucht in harde schil met de geur van rotte banaan. De trein stopt midden in het veld. Een vrouw vertelt dat hier onlangs drie vrouwen zijn vermoord: ‘Continua,’ roept ze, ‘ik wil thuis sterven.’

Het land ligt vrijwel overal braak. Om een enkel station staan vluchtelingenkrotten. In Moamba is de halve hoofdstraat uitgebrand. Twee jaar geleden zijn de bandieten door dit dorp geraasd. ‘Alles gestolen, alles weg, mijn hele winkel leeg,’ zegt een koopman bij wie ik tijdens een lang oponthoud even water drink. ‘Ik bezat alleen nog de kIeren die ik droeg.’

De vegetatie wordt groener en dichter. In mijn zelfverzonnen Portugees kan ik aardig met de mijnwerkers praten. Ze vinden Zuid-Afrika een goed land, goed geld, goede radio’s, goede mensen, duim omhoog, ‘bom, bom’. De meesten spreken Fanagalo, de lingua franca van de mijnen, een ratjetoe van Nguni-talen, Engels en Portugees. Een enkeling verstaat wat Afrikaans. ‘Warrem?’ ‘Ja, baie warrem.’ Maar na die woorden wordt het niet meer zo gezellig als daarvoor, ze denken dat ik daarvandaan kom. (En ik had het kunnen weten: weigerde een ontwikkelingswerker in Pemba niet Nederlands met mij te praten uit angst om voor een Zuid-Afrikaan te worden aangezien?)

Ik vraag me meer en meer af waarom ik me in deze marteling stort. Ressano Garcia ligt aan de Zuid-Afrikaanse grens, het is de sluis naar de Zuid-Afrikaanse mijnen en berucht om de ‘elektrische muur’ die economische vluchtelingen buiten moet houden. Maar het is ook een web van handel, smokkelarij, corruptie en banditisme. De suikertreinen uit Zimbabwe komen erlangs, er gaat een weg naar Swaziland en volgens de geruchten hebben de bandieten hun uitvalsbasis in Zuid-Afrika. Denk ik nu werkelijk illegaal de grens over te komen, of is het mijn zucht naar sensatie? Wil ik een aanval meemaken? Na al het horen zeggen ook eens voelen en zien?

We verlaten de vlakte en klimmen langzaam de bergen in. Het ijzer en hout zucht om ons heen. Na een paar uur rijden we door het dal van de Incomáti. Stukken rails liggen als veterdrop in het gras, uiteengerukte treinstellen zieltogen langs het water. De meeste passagiers kijken niet eens naar buiten. Ze praten, kluiven of krabben in de aangekoekte rijst. Moeders kauwen de bonen zacht voor hun kinderen. Na het eten wassen ze hun handen met een dopje water – een ballet voor tien vingers en drie druppels.

De Indiër heeft vrede met zijn plaats en deelt stukken vruchtenkoek uit. Een mijnwerker achter me, die minuten-lang over mijn schouder naar mijn dagboek staart, vraagt of hij het even mag vasthouden. Zijn grove vingers wrijven over de doorgedrukte regels. ‘Alfabeto?’ ‘Ja, alfabeto.’

‘Alfabeto,’ mompelen de omstanders, en ze tikken tegen hun slaap.

We zijn niet ver meer van Ressano Garcia. De zon staat laag en brandt door de ramen. De berghellingen zijn dichtbegroeid. Een aap zwiept mee in de bomen. We schommelen door de tropen.

Maar plotseling verandert het ritme, de wielen schokken, we vallen voorover, naar achter, opzij. Ik hoor zachte knalletjes alsof er kiezelstenen op de rails zijn gelegd. Iedereen duikt naar beneden. Er wordt geschoten. Kogels tikken op het grind en dan stilte... en meer kogels, dof en droog. Tegen de wagons, en luider, in de wanden van onze coupé. We kruipen onder de bagage, ik lig op één wang tussen de pitten, visgraten en peuken en zoek naar mijn dagboek. Ik kan het niet nalaten me voorzichtig op te richten, waar ligt de mijnwerker met mijn dagboek?

De trein rijdt door en helt naar één kant over. Ik houd me vast aan een beugel, klaar voor de ontsporing. Niemand gilt, er is geen paniek, alleen zenuwachtig gegiechel en kipgefladder. Een losgebroken geit stapt over onze ruggen en benen. Iedereen blijft liggen, zelfs de allerkleinsten weten hoe ze zich moeten gedragen, ze zijn getraind op oorlog.

De trein stopt. De knallen komen nog dichterbij. Ik denk alleen maar aan mijn dagboek. De mijnwerker heeft zich achter twee dozen verschanst. Ik moet dit opschrijven. Wat ik zie wordt een zin. Regels schieten door mijn hoofd. En ik moet schrijven, op een oude envelop, op de rand van een krant, op het vruchtenkoekpapier, op alles wat maar inkt vasthoudt. Ik denk niet aan de dood maar tel de gewrichten van een visgraat die het kleine meisje naast mij in haar knuist houdt en pieker me suf hoe de ribbetjes van een vis eigenlijk heten. Taal is acupunctuur geworden, het neemt mijn angst weg. En terwijl de kogels om me heen vliegen, twijfel ik over de plaats van een komma.

Het schieten neemt af. Schoenen knarsen langs de rails, we horen geschreeuw in de berm. De Indiër gaat als eerste staan, veegt zijn kalot schoon, drukt hem achter op zijn hoofd en kijkt voorzichtig uit het raam. Weer klinkt er een schot, hij duikt prevelend naar beneden. ‘Next time I fly,’ zegt hij, zijn borst is bruin van de vruchtenkoek.

De conducteur blaast op een fluitje. De kust is veilig. Er heerst een lacherige stemming, baby’s beginnen te huilen, sigaretten worden uitgedeeld en met trillende handen aangestoken. De soldaten rennen gebukt voorbij. Een commandant knalt met zijn zweep in de lucht. Acht jongens lopen voor hem uit, de handen op het hoofd. Hun overhemden zijn van hun lichaam gerukt en hangen in repen om hun middel, striemen bloeden op hun rug. Het zijn bandieten, gespierd, weldoorvoed. Ze worden naar de soldatenwagon getrapt. De anderen zijn gevlucht. Het achterste deel is het meest beschoten. Niemand gewond, niets gestolen. Volgens de conducteur was het een wilde bende en omdat de machinist niet stopte kregen ze geen kans. Nu bleef het alleen bij schieten.

De Indiër vist mijn dagboek van de grond en overhandigt het me met een kleine buiging. ‘Now you have your story.’

Als ik de vodjes in mijn dagboek overschrijf komt er een woedende man op me af. Hij rukt aan mijn pen en aan mijn kleren en sleurt me van mijn plaats. Hij schreeuwt in een taal die ik niet kan thuisbrengen. Twee mijnwerkers houden hem in bedwang. De Indiër gebaart me dat ik maar beter niet meer kan schrijven. Maar de man blijft naast me staan.

Nu ben ik echt bang. Zodra de trein Ressano Garcia binnenrijdt, dring ik me naar de deur en ren het perron op. Ik zie butsen en gaten in het koetswerk. Een deel van het station is uitgebrand. Op straat liggen kogelhulzen in de goot.

Soldaten hangen, zitten en liggen op de stoepen van de huizen. Ik ruik de dronkenschap. Het dorp golft van de rivier de berghelling op. De huizen zijn witgekalkt, de daken hebben rode pannen en zijn lieflijk Portugees. De omringende wildernis dampt in de late zon. Hoger op de helling wonen de vluchtelingen, in tenten, rieten hutten, in krotten gebouwd van autowrakken en stukken wagon. Halfnaakte vrouwen zakken naar het dorp af, kinderen rennen over de uitgetrapte paadjes.

Alles is kapot en aangevreten, maar rechts, over de kammen van de bergen, glanst de orde: Zuid-Afrika. De grens vormt een scheiding in de rimboe, kilometers prikkeldraad met wachttorens op de hoogste punten. Een gordijn onder stroom.

Ik loop met de mijnwerkers naar het hooggelegen hek van het ronselkantoor van WANELA, de Witwatersrand Native Labour Association. Zij moeten buiten wachten en papieren laten zien. Voor mij zwaait alles open en ik meld me in een stoffig kantoortje waar een blanke man in korte broek juist bezig is zijn tas te pakken. Hij stelt zich voor als Dale Slinger. Hij is gehaast en geërgerd: ‘Wat zoekt u hier? Hoe bent u hier gekomen?’

‘Met de trein.’

‘Hoe haalt u het in uw hoofd.’

‘De mijnwerkers doen het ook.’

‘Die zijn het gewend. U moet hier onmiddellijk weg,’ zegt meneer Slinger, ‘u moet zich melden bij de administrateur.’ Hij loopt naar de telefoon, draait een nummer en smijt kwaad de hoorn op de haak. ‘Nog geen kilometer van hier bel je geruisloos naar New York en in dit gat hoor je alleen maar vogels op de fokken lijn.’ Hij vloekt in het Afrikaans, schuift een stapel papieren in zijn tas en snauwt: ‘U bevindt zich op verboden terrein. Onlangs was hier een Canadese filmploeg om de enige klagende mijnwerker die ze konden vinden voor het hek te filmen. Die hebben we er ook uitgetrapt.’

Ik sus hem in zijn eigen taal en Slinger smelt. Ek weet mos, de meeste mijnwerkers zijn trots op hun werk in Zuid-Afrika. Waar kunnen ze in hun eigen land zoveel geld verdienen? Het verhoogt hun status, na een jaar kunnen ze hun lobola, bruidsschat, betalen.

Ik ben alsnog welkom en Slinger leidt me snel rond. De nieuwe lichting mijnwerkers staat al in rijen op het binnenplein. Ze worden ingeschreven, krijgen pasjes om hun nek en moeten onder de douche. Maar Slinger heeft geen tijd voor een gesprek, om vijf uur sluit de grens, hij moet naar zijn gezin in Zuid-Afrika. Waarom ik niet meega? Daar zit ook meneer Mateus, hij is hier de baas van WANELA en kan me alles vertellen. Bovendien, ‘daar’ – Slinger wijst naar het prikkeldraad – ‘daar is het veiliger.’

‘Ik wacht nog op de verlenging van mijn Mozambikaanse visum,’ jok ik. ‘Ik kan het land niet uit.’

‘We zullen vanavond voor je bidden,’ zegt hij, en hij rijdt me naar het huis van de administrateur. Die wil me niet ontvangen, hij laat zijn dochter door het raam zeggen dat hij geen verantwoordelijkheid voor me kan nemen. ‘Para casa, ga naar huis,’ roept ze.

Het enige pension van het dorp is vol. Dan maar naar Machado Hilário, eigenaar van een eethuis en bierhal. ‘Daar vind je wel een bed,’ zegt meneer Slinger met een knipoog.

Hilário zal voor me zorgen. Hij hijst zijn broek tot zijn oksels, zet me achter twee flessen bier en laat me alleen met de soldaten. Ze zitten aan tafels of leunen tegen de muur, hun machinegeweren binnen handbereik. Het zijn er wel honderd. Ze kauwen kauwgom en een groepje speelt met draagbare radio’s waaruit dezelfde muziek komt als uit de luidspreker boven onze hoofden: Die Stem van Suid-Afrika. De meesten hebben geld, ze leven van de smokkel en van de terugkerende mijnwerkers. Hilário draagt de kratten aan.

Ik kijk naar de Frelimo-vlaggetjes aan de zoldering, naar de bevlekte nieuwjaarswensen aan de muur en rook de ene sigaret na de andere. Een jongen die een beetje Engels spreekt wil graag mijn filters uitproberen. Hij koopt bier voor wie naar hem lacht, hij handelt in suiker. ‘Er valt weleens wat van de trein,’ zegt hij.

Hij gaat voor me zitten, zet de tafel vol flessen zodat er geen plaats is voor asbak en ellebogen, nodigt zijn vrienden uit en laat de hoeren komen. Om acht uur gaat de avondklok in en mag er geen mens meer over straat. Ze hebben nog tweeëneenhalf uur voor ze terug naar hun kazerne moeten, tijd genoeg voor een feest.

We zetten het op een wild drinken. Zweet gutst van onze gezichten, maar de hoeren likken het op. Ze kruipen op soldatenknieën, kneden hun kruis en sabbelen aan hun grauwe knopen. Ik ben klaarblijkelijk te goed voor ze, want de soldaten sleuren ze telkens bij me weg. Ze aaien me, zoenen me, vegen hun lipstick van mijn wang en krabben het vuil van mijn broek. Ik drink me moed in. Hoe later het wordt, hoe voller en hoe meer geweren. Ik voel me veilig tussen het schiettuig.

Een uur voor de avondklok komt de administrateur binnen, op twee passen gevolgd door de directeur van het ziekenhuis en de partijsecretaris. Ze ontbieden me aan hun tafel en Hilário brengt eten: varkensoor met rijst en bonen. Het drietal kijkt me ernstig aan. Heb ik een officiële guia de marcha, een reisbrief, aha! meneer is een vriend van de ambassadeur. Zou ik dan niet een taalcursus Engels-Portugees voor de administrateur kunnen verzorgen en zo’n kleine taperecorder, wat boeken voor de school en lakens voor het ziekenhuis? Ik neem de bestellingen op en beloof mijn best te doen. Maar de administrateur vertrouwt mijn dagboek niet. Schrijver? Daar zijn de bandieten juist op uit, ze zouden me kunnen ontvoeren zodat ik later aan de wereld kan vertellen hoe goed de bandieten voor me waren en hoe machtig ze zijn. Voor wat dollars kan hij me een veilige nacht garanderen. Tien, twintig misschien? Hij graait naar mijn geld en rolt de biljetten tot kokertjes. Ik krijg een bed thuis bij Machado Hilário. Hij zal een soldaat meegeven.

Even later loop ik naast Hilário, een beschonken soldaat gaat ons voor. Ons pad wordt verlicht door de gele schijnwerpers van de grens in de bergen. Ratten en leguanen schieten opzij. Mevrouw Hilário moet de echtelijke slaapkamer in gereedheid brengen. Zij stribbelt tegen, ik stribbel tegen, maar het moet. Alleen het breedste bed is goed genoeg.

De ijskast gaat open, bier op tafel en we drinken tot we erbij omvallen. De soldaat kotst op een levensgroot spaarvarken dat naast de salontafel staat. Te moe om me te wassen stap ik met kIeren aan in bed.

De volgende morgen snurkt de soldaat voor mijn deur, het geweer tussen zijn benen en het spaarvarken onder zijn hoofd.

Hilário’s huis kijkt uit over het dorp. Overal roken de ochtendvuurtjes, ook om de barakken van WANELA is leven te zien. Vrachtwagens rijden af en aan. Als ik om acht uur het terrein op stap, is er net een groep mijnwerkers uit Zuid-Afrika gearriveerd. Ze dragen schone overalls en sjouwen met tassen en nieuwe dozen. Ik krijg geen kans ze aan te spreken, want ‘die baas’ wacht me al op, in korte broek, kousen tot de knie, forse buik en een gouden kruis met Jezus onder zijn drie kinnen. Op zijn bureau ligt een houten blokje waarin zijn naam kundig is uitgesneden: José Mateus.

‘We ronselen niet meer,’ zegt hij als hij een stoel voor me vrijmaakt en met zijn zakdoek de as van zijn papieren slaat, ‘heb je dat tentenkamp hiernaast gezien? Daar bivakkeren tientallen Mozambikanen, wachtend op een wonder, wachtend op een telex die bewijst dat ze bestaan, op een envelop, op een paspoort. Die stakkers smeken mij om werk. We noemen ons niet meer WANELA, maar The Employment Bureau of Africa: TEBA – Take Every Black Available. Ze tekenen voor een paar maanden. We kunnen er maar negenhonderd per week aannemen. Vroeger was dat vier keer meer.’

José Mateus praat in wolken rook. Voor het raam achter zijn bureau hangt een blauwe vlag: vijfenzeventig jaar TEBA – 1912-1987. Daarachter schuifelen de mijnwerkers voorbij. Ze zijn naar de plaats van herkomst gegroepeerd: Xai-Xai links, Maxixe in het midden, Maputo rechts. Namen worden afgeroepen, papieren gestempeld. Vanmiddag vertrekken ze naar de mijnen en straks gaat er een groep naar huis.

Als Mateus de vlag verder wegtrekt, rijden er een paar mannen in een rolstoel voorbij. ‘We houden van onze invaliden,’ zegt hij. ‘Ze kunnen niet meer onder de grond, maar we leren ze lassen.’ We kijken naar de mannen op het schuin aflopende plein. Zo stil, alleen een gedwee geschuifel en een enkele snauw.

‘De Mozambikanen zijn veranderd,’ zegt Mateus. ‘Vroeger wou alles onder de tweeëntwintigste breedtegraad graag werken. Ze liepen tenminste niet weg na drie maanden, ze spaarden, waren niet agressief, ze hielden van de mijnen.’ Hij spreekt Engels met een sterk Zuid-Afrikaans accent en het woord ‘fokken’ ligt hem voor op de tong. De fokken oorlog heeft alles ontwricht, de fokken Mozambikanen tonen geen respect meer. ‘Hun moraal is ondermijnd, ze stelen, ze zijn opstandig en vervalsen documenten.’

‘Waarom neemt u ze dan nog? Er zijn genoeg werkloze Zuid-Afrikanen.’

‘De Zuid-Afrikaanse zwarten werken niet graag in de mijnen. Zodra ze wat geld hebben lopen ze weg. De Mozambikanen verdienen bij ons tien keer meer dan in hun eigen land en het rekruteren is hier goedkoper. Oké, oké, we zijn de schoften, de uitbuiters, natuurlijk, maar ik zal je eens laten zien wat die klootzakken verdienen. Zevenhonderd rand in de maand. Veertig procent in het handje, zestig procent gaat naar Mozambique en dat krijgen ze na hun contract uitbetaald. In meticais, niet tegen de zwarte marktprijs natuurlijk, maar ook nog minder dan de officiële koers.’ Hij staat op, zoekt in klappers en papieren en gooit het ene officiële document na het andere voor mijn neus. ‘De regering steekt miljarden in zijn zak. De mijnwerkers worden beroofd door hun eigen mensen. Ze weten dat, en daarom kan gezag ze geen flikker meer schelen.’

‘Maar u doet eraan mee.’

‘We moeten wel, zo wil de Mozambikaanse regering het. Ze hebben onze deviezen hard nodig en we zijn ook zakenlui. Het maakt ze van ons afhankelijk.’ Mateus’ ogen dwingen me hem aan te kijken, ze smeken me het met hem eens te zijn. Grote gebaren schuwt hij niet en hij noemt me samenzwerend bij mijn voornaam. ‘Ach, Adriaan, wat heb ik van dit land gehouden, maar ik moest weg, ik hield het niet meer uit. In ’77 ben ik naar Zuid-Afrika gegaan, bouwde een nieuw bestaan op, en nu heeft mijn werk me hier weer teruggebracht. Ik ben blij dat ik in Mozambique mag werken. Ik ben hier geboren, ik ben een Afrikaan, geen Europeaan. Ik ben in Portugal geweest, ze spreken mijn taal, maar ik begrijp ze niet. Ze zitten anders in elkaar. Ik voelde me daar een vreemde. Ik wil niet méér zijn, ik ben geen minderheid, ik ben Mozambikaan, gelijk aan de zwarten. Wij Portugezen waren geen racisten.

Ik was vóór de onafhankelijkheid en gaf het Frelimo het voordeel van de twijfel. Mijn vrouw en ik gingen naar de wijkvergaderingen, we wilden meepraten over de beste oplossing, maar we kregen van alles de schuld. We hadden ze bestolen, zeiden ze. Ik zei: “En waar is de vis? Hebben we die ook uit de oceaan gestolen? Waarom is er geen vis op de markt, waar zijn de tomaten, de uien, de sla? Mee naar Portugal genomen?” “Je bent reactionair,” zeiden ze. Hahaha,’ Mateus stikt in zijn sigaret. ‘Ach man, ze hebben me reactionair gemaakt. Zij maken me wit.

Ze willen dat ik ze bevelen geef. Eerst was het camarada, toen senhor, nu is het weer patrão. De cirkel is rond. Zij zetten mij op een voetstuk.’

José Mateus gaat staan, zwaait met zijn armen, gaat weer zitten en zegt met huilerige stem: ‘Ze kunnen het niet, ze kunnen het niet.’ Hij verfrommelt een leeg pakje sigaretten en gooit het naar het portret van president Chissano. ‘Mijn camarada, de klootzak. Kijk hem lachen in zijn lijst.’

‘Waarom hangt hij hier?’

‘A question of policy, my friend. Kom mee naar buiten, ik zal je laten zien hoe ze het hier hebben.’ Tiktak klappen de deuren, Mateus slaat wat mannen op hun schouders, regelt drie zaakjes in een tel en duwt me de doucheruimte in. ‘Splinternieuw. En hier de fokken urinoirs, de wc’s, tien brillen op een aluminium plank, maar ze schijten in de douche, ze schijten in de urinoirs. Wat gaat er in die koppen om? Beesten zijn het.’

Hij pakt een bezem, schuift een drol weg en slaat woedend met de deuren. De mannen in de barakken ernaast maken zich uit de voeten. Mateus stormt hun slaapvertrekken binnen, trekt dekens weg en laat me de kapotgesneden matrassen zien. ‘Nog geen week oud of het mes moet erin. Waarom? Hoe voed ik die kerels op?’ Hij gaat als een gekruisigde voor de stapelbedden staan.

‘Ik ben geboren in LM, Lourenço Marques, drie jaar geleden ben ik er terug geweest. Mijn mooie stad, met een Ho Tsjimin- en een Lenin-boulevard. Ik heb er een dag rondgelopen en gehuild.’ Mateus laat zich op een bed zakken en schudt langdurig zijn hoofd. ‘Ik was zo treurig, maar nu zeg ik: Godzijdank dat ze die naam veranderd hebben. Mijn oude LM bestaat niet meer.

Dit land gaat kapot. Je laat kinderen van vier jaar ook niet met een computer spelen. Ik zie geen toekomst meer. Ik zat met Chissano op school en met al die laaienlichters uit de regering. Beste jongens, vrienden waren het, maar ik ben geen marxist. Ik ben weggegaan op de dag dat mijn dochtertje thuiskwam met het verhaal dat de onderwijzer de klas om snoep had laten bidden. En Jezus gaf niets. Geen snoep op hun tafeltje, niets. Toen weer oogjes toe voor het Frelimo en kijk eens... de vuilak trok zijn la open en de la zat vol snoep.

Ik ben een gelovig man, ik wil niet dat ze Jezus belachelijk maken. En toen begon mijn kok me ook nog bevelen te geven, mijn kók! Ik kon het niet meer verwerken.’ Mateus trom-melt op zijn maag: ‘Ik heb dorst. Kom, laten we de grens over-gaan, ik wil ijskoud Zuid-Afrikaans bier.’

Paspoort in orde of niet, José Mateus is ‘de koning van de republiek Ressano Garcia’. Dus stappen we in zijn busje met een door kogels gerafeld dak en rijden zonder problemen de grens over. We passeren het lager gelegen Komati-monument dat aan de vredesbesprekingen tussen Zuid-Afrika en Mozambique herinnert. ‘Twee weken voor het overleg werden de winkels in Ressano gevuld,’ zegt Mateus, ‘zodat het er goed uitzag voor de buitenlandse journalisten. Een week na het akkoord werd alles weer weggehaald.’

We rijden door niemandsland. Bejaarde vrouwen en kinderen lopen ons tegemoet, ze kijken schichtig om zich heen. De kinderen dragen lappen en dekens. ‘Die komen uit hun bed. De grensbewakers laten ze ’s nachts achter de hekken slapen, daar zijn ze veilig voor bandieten.’

Hier begint de rijke wereld al: de weg is schoon, geen wrakken, geen afval in de bermen. De elektrische grens blijft verborgen in het groen. Aan de Zuid-Afrikaanse kant hoor ik vertrouwde klanken. De mannen bij de slagboom spreken Afrikaans. Ik moet me beheersen ze niet aan te spreken. Papieren zijn niet nodig, maar na het laatste hek worden we toch teruggeroepen. Een man in een korte broek met gele sokken komt ons achternagerend. Moet ik alsnog mijn paspoort laten zien? Hoe verklaar ik het ontbreken van een visum? Alle grenscomputers kennen me als ‘ongewild persoon’.

De man blijkt een goede vriend van Mateus. Een douanier met een vrije dag. Ook hij heeft dorst en stapt bij ons in.

‘Ek is Klaas Grové, aangename kennis.’ Hij draagt een Hawaii-overhemd, een gouden halsketting en zijn schoenen zijn even grijs als zijn Errol Flynn-snor. (Zo’n Afrikaner heb ik nog nooit gezien. Waar is die swartskoen en die bruin baadjie? Zo zagen ze eruit in ’73. Heeft de televisie ze dan toch veranderd?)

Ik praat mijn mooiste Afrikaans, maar Grové houdt zich doof. Ik kan mijn opwinding nauwelijks verbergen, er kookt maar één ding in mijn hoofd: ik rijd op verboden grond, ik ben in Zuid-Afrika, illegaal in Zuid-Afrika. Jaren hebben ze me een visum geweigerd en nu zit ik naast een douanier in een korte broek.

Tien minuten later parkeert Mateus zijn busje voor een kaal kantoor aan de rand van Komatipoort. Opgeverfd en aangeharkt, met geteerde trottoirs en in de steek gelaten kinder-speelgoed op de groene perken.

‘Terug naar de beschaving,’ zegt Mateus als hij de manshoge ijskast opent en ons ieder een sixpack toegooit. We ploffen in de bruinfluwelen banken, duwen het lipje terug in het blik en drinken een ijskoude Lions. Na twee slokken knijpt Grové met één hand zijn blikje fijn. Hij is een zwijgzame drinker en hij kijkt me almaar lachend aan. Als Mateus praat knikt hij instemmend mee, en Mateus praat aan de lopende band.

‘Het is totale anarchie in Ressano. Tien kilometer na Moamba liggen veertig uitgebrande auto’s langs de weg, op een stuk van vijfhonderd meter.

De oorlog heeft het land onbestuurbaar gemaakt. Niets werkt meer. Ze hadden in Ressano een ziekenhuis, dat is genationaliseerd, nu hebben ze vier muren. Op de weg van Maputo naar Xai-Xai worden tientallen van onze mensen vermoord. Het leger gooit ze in een kuil naast de weg. Geen doodsbewijs, stempeltje, niets. Hoe moeten wij de weduwen van onze mensen betalen? Zonder officieel bewijs kunnen wij niets. Ik word er gek van. Weet je wat ze in Mozambique zeggen? “Laten we het geweer uit de Frelimo-vlag halen en vervangen door een opgehouden hand.” ’ Grové lacht vet en vermorzelt een blikje, en nog een en nog een.

‘We houden van onze werkers, eerlijk, ik houd van die kerels,’ zegt Mateus bij het openscheuren van een tweede sixpack. ‘We leren ze lezen en schrijven, ze krijgen de beste dokters, we geven ze condooms, handenvol. Drie jaar geleden hebben we er duizenden op aids gecontroleerd. Wat dat niet gekost heeft. Vijfenzeventig procent van de mijnwerkers uit Malawi heeft aids. Uit Malawi moeten we ze niet meer hebben. En een zwarte vrouw raak ik niet meer aan.’

Terwijl Grové en Mateus de laatste vuile moppen uitwisselen, kijk ik dromerig naar buiten. Zal Grové me de straat op laten gaan? Zal ik naar Johannesburg liften en Eva in de Kaap opbellen: ‘Hihi, hier ben ik.’ Heeft Komatipoort een station? Is het wel een dorp of alleen een nederzetting voor grensbewakers en soldaten?

‘Hoeveel mensen wonen hier eigenlijk?’ vraag ik Grové.

‘Hier bly tweehonderd mense.’

‘Het ziet er veel groter uit.’

‘Dis die lokasie vir die swartes,’ hij neemt een slok bier, ‘dis baie gekompliseerd.’

Als het bier uit Mateus’ ogen druipt en hij om de sigaret zegt hoeveel hij van de zwarten houdt, geef ik te kennen dat ik terug wil naar Ressano Garcia. Het heeft geen zin om er hier vandoor te gaan. Grové blijft me maar aanstaren. Ik ben zijn gevangene.

José Mateus rijdt me naar de bierhal. Het is halfeen en de vloer ligt alweer bezaaid met verse kroonkurken. Hilário schept rijst, oor en bonen. Om de eetlust te versoepelen vertelt hij dat er twee lijken in zijn keuken liggen. ‘Vannacht binnengebracht,’ zegt hij, ‘twee jonge vrouwen, hoeren.’

Drie dagen geleden zijn ze door de bandieten meegelokt, onder het voorwendsel dat Ressano zou worden aangevallen en het bij hen veiliger was. Ze zijn misbruikt en gedood. Vannacht zijn hun lichamen hier voor de deur gelegd. Hilário wijst naar een rode zaagselvlek op het beton. Een andere hoer heeft hem de toedracht verteld.

Mateus slaat met zijn vuist op tafel. ‘Ik ga nu naar de administrateur, ik wil erbij zijn als hij dit aan Maputo rapporteert.’ Hij schrokt zijn bord leeg en stapt alleen in zijn busje.

‘Wil je ze zien?’ fluistert Hilário in mijn oor. Ik hoor hem zijn vette lippen aflikken. Misselijk loop ik naar het station.

Het is drie uur in de middag. De ochtendtrein stoomt zich op om te vertrekken. Er is zelfs een eersteklas rijtuig met banken en ruiten. Een nieuwe radio schettert het laatste nieuws: SWAPO heeft de verkiezingen gewonnen. Geen hond die het interesseert.

Ik herken veel vrouwen van op de heenweg. Ze ruiken nog naar vis maar slepen nu met suiker en zakken nieuwe ijsmutsen. Jonge meisjes verkopen bier en als dat op is verkopen ze zichzelf. Aan het eind van onze coupé is een goederenwagon waar soldaten en mijnwerkers zich even met hen terugtrekken. Als we bij een wissel stoppen, springt er een meisje uit de trein om haar onderlijf met een blikje water uit te spoelen. Schoon, en klaar voor de volgende klant. Een mijnwerker komt bezweet uit de wagon en knoopt zijn felgroene overall tevreden dicht. Op zijn rug staat in vetwitte letters: MAAK VANDAG ’N VEILIGE DAG.

Het wordt donker. De meeste coupés zijn niet verlicht, de onze heeft twee wiebelige lampen. De stemming is uitgelaten. We krijgen bier van een dikke man die stapels biljetten uit zijn geldtas trekt. Volgens een man naast me is hij van de Solidariteitsbank, waaraan iedere mijnwerker per contract zes rand schuldig is. Een idee van Samora Machel. Zo betaalt de Mozambikaan mee aan de bevrijding van de Derde Wereld. Omdat de man de rands op de zwarte markt wisselt, zuipen we met z’n allen zijn geldtas leeg.

De conducteur is niet meer uit onze coupé weg te slaan. Het is dezelfde als gister en hij heeft mijn kaartje al vijf keer geknipt. Als hij met zijn zatte kop een nieuwe lamp wil indraaien en het peertje uit zijn hand valt, ziet hij mij hevig schrikken van de knal. Ik duik op de grond. De conducteur herkent me. ‘Ratatatata,’ roept hij, en hij maait met twee uitgestoken vingers in het rond. ‘Ratatatata.’ Hij valt gierend van de lach achterover, wijdbeens, met zijn hoofd in de schoot van een visvrouw en plast in zijn broek. Tranen biggelen over zijn wangen. ‘Ratafafa,’ bralt hij, zijn vinger blijft op me gericht. Ik voel het bloed uit mijn gezicht trekken. ‘Rafafafa...’ De hele coupé lacht me uit.