Geheim toerisme
Gisteren viel de eerste regen in Maputo, onverwacht na een tijd van droge wind. We liepen allemaal naar buiten, de donder in, lieten onze kleren natregenen en snoven de geur van dankbare aarde op. Nu hoor ik overal mensen lachen, diep uit hun buik, en ver weg een vaag getrommel. Een troostend geluid, want het betekent dat mensen ergens iets vieren.
Ik wacht voor het ministerie van informatie. Mijn visum is verlopen, en omdat het hoe langer hoe lastiger wordt zonder de juiste papieren te reizen en te werken, wil ik me toch nog melden. Een gehoorzaam journalist kan een beroep doen op gidsen en tolken. Liever had ik met die leugenbende niets van doen. Ik wil vrij zijn, zonder opdrachtgever, zonder ideologische belemmeringen. Geen aandeelhouder in een betere wereld, ik ben al moralist genoeg. De meeste Afrikaanse journalisten dienen hun regering en zijn er niet op uit hun lezers te informeren. Ze spreken met de stem van de man aan de macht. Ze zijn bang dat kritiek verdeeldheid zaait. Als een regering dissidenten executeert of een hele stam vervolgt, dan noemen ze dat ‘sociale reconstructie’. Spreekt een westers journalist of diplomaat daar schande van, dan wordt zijn kritiek afgedaan als racistisch. De toon moet eensgezind zijn en opbouwend. Het hardste applaus komt meestal van bevlogen westerlingen.
Hoe moeilijk het is om onder officiële leiding verslag te doen bleek wel uit een bezoek aan Masaka, een opvangkamp even buiten Maputo voor uit Zuid-Afrika teruggestuurde Mozambikaanse vluchtelingen. De hulpverlener zei dat mijn verhaal belangrijk zou zijn voor de geldgevers uit het Westen. De Nederlander die in het bezoek bemiddelde zag ook graag een positief stuk. Ik had het gevoel dat mijn pen levens moest redden. De hulpverlener vond het onprettig dat ik met vluchtelingen sprak die hij niet zelf had uitgekozen. Zoals de kleine Alberto uit Mutatara, provincie Sofala. Lichamelijk onvolgroeid maar geestelijk in staat zijn woord te doen. In 1977 werd zijn hele familie voor zijn ogen vermoord. Toen de bandieten zijn dorp in brand staken, wist hij te ontsnappen. ‘Hoe oud was je toen?’ vroeg ik. ‘Tien jaar.’ Hij is de bush ingerend en meteen door het Frelimo ingelijfd. ‘Hoe lang zat je daar?’ ‘Tien jaar.’ ‘Dat kan niet,’ zei de hulpverlener en hij trok me naar een groepje andere mannen, maar Alberto bleef maar achter me aan lopen. Portugees durfde hij niet te praten, hij probeerde het met een beetje Engels. Ja, hij vocht tien jaar in het Frelimo-leger, vorig jaar is hij gedeserteerd en naar Zuid-Afrika gevlucht. De hulpverlener stuurde Alberto weg en legde me de ware toedracht uit: ‘Deze jongen is vrijwillig eerder tot het leger toegetreden en is er vrijwillig uitgegaan. Deze jongen is een leugenaar. Vergeet zijn verhaal, laat zien dat u van Afrika houdt.’
Ik had hem graag een klap verkocht, maar het bleef bij een diepe zucht. Vroeger schreef ik over Afrika zoals hij het wilde. Ik verzweeg wat ik zag: de minachting voor mensenrechten, de corruptie, de feodale houding van de autoriteiten. Bang als ik was thuis de racisten in de kaart te spelen, niet wetend dat ik eigenlijk zelf een racist was door zo voorzichtig te doen en alles te prijzen wat zwart was.
Ja, ik houd van Afrika. Van de mensen, van het landschap, van de geuren, van de regen en de diepe lach. Van de herders, fluitend naar hun vee in het hoge gras, van de nijlpaarden, borrelend als oude mannen aan de waterkant, van het suizend uitspansel. Noem het en ik mis het, zelfs de muskieten na de regen.
De ambtenaar kan me ontvangen. Hij is juist bezig zijn kantoor van de ene lege kamer naar de andere lege kamer te verhuizen. Twee telefoons en een wereldontvanger met een gebroken antenne. Hij ziet er jong uit in zijn witte blouse met blauwe vlinders, hij heeft nog de handen van een kind.
‘Zo kan ik de BBC niet krijgen,’ zegt hij.
‘Luistert u daar dan naar?’
‘Hoe moet ik anders weten wat er hier gebeurt.’ Hij herstelt de breuk met een paperclip, de antenne wiebelt tussen ons in. ‘Nu werkt hij weer,’ zegt hij, ‘een druk op de knop en de waarheid is slechts een kilohertz verwijderd.’
Ik zie mijn kans schoon en ontvouw meteen mijn plannen. Maar zo eenvoudig ligt dat niet. Het voorrecht van kritiek is alleen aan hem. Een bezoek aan Tete of Zambézia zit niet in het ‘programma’. Wat al te zeer naar oorlog riekt valt daarbuiten. Als ik hem vertel waar ik geweest ben, vraagt hij geschrokken: ‘U gaat daar toch niet over schrijven?’
‘Nee nee, dat was vakantie,’ zeg ik op mijn hoede.
‘Dan is het goed, want zonder onze toestemming mag u eigenlijk helemaal niet reizen.’ Maar hij blijft vriendelijk, een bezoek aan een school, een rehabilitatieprogramma, opvangkamp, fabriek of boerderij wil hij zo voor me regelen. En het centrale ziekenhuis van Maputo? Na een eindeloos palaver over het nut en het waarom (ik verzwijg dat ik er met oorlogsslachtoffers wil spreken) geef ik het op. Ik zal een beroep doen op deftiger kanalen.
‘Hoe oud bent u eigenlijk?’ vraag ik.
‘Twintig.’
‘U ziet er veel jonger uit.’
‘Tweeënveertig.’
‘U lijkt wel zestig.’
Zo gaan we toch nog als kameraden uit elkaar. Bij de deur zegt hij met een lachje: ‘We people of Mozambique suffer a lot. Enjoy your holiday.’
Elke namiddag gaat pater Simon met een plastic tas vol bananen, twee flessen dikke bonensoep en een zak vol legerkoekjes naar het Centrale Ziekenhuis van Maputo. Hij bezoekt de patiënten die van buiten komen, zonder familie in de stad. Voor hij het terrein opgaat, maakt hij een praatje met de sigarettenverkopers langs het hek. De een heeft geen benen, de ander geen armen, een enkeling is blind en verkoopt zijn handel op de tast. Het zijn slachtoffers van landmijnen. De pater luistert naar hun klachten en geeft ze een koekje.
De pater heeft me uitgenodigd voor zijn dagelijkse ronde. Hij geeft me een witte jas en zegt: ‘Doe maar als een dokter.’ We lopen de tuin in, groeten de patiënten die in het stof onder de bomen liggen, openen een achterdeur en stappen de duisternis binnen. Niemand die me tegenhoudt. Lange gangen, bedompt en smerig, de kamers verlicht door een peertje. Hier en daar zijn de ruiten gebroken en de gaten gedicht met karton. Dozen blitskorrelkoffie, aartappelskyffies, luxe uit Zuid-Afrika.
De eerste patiënt is een jongen van twaalf jaar. Hij vocht anderhalf jaar bij het Frelimo en ligt nu al drie maanden hier. Zijn moeder weet het pas twee weken, niemand had haar gewaarschuwd. Sinds hij uit vechten ging had zij hem niet meer gezien. Ze slaat de vliegen weg bij de bloedende wond aan zijn keel. De jongen ligt in een plas bloed. Pater Simon vraagt om schoon beddengoed, maar er zijn geen lakens meer. De wond is al dagen niet meer verschoond. De enige verpleegster op de afdeling – moddervet in een smetteloos wit uniform – haalt haar schouders op. ‘Waarom een schoon laken? Hij bloedt het toch onder.’ Een paar kamers verder zie ik haar de thermometer verkeerd om onder een oksel stoppen. De jongen krijgt een koekje.
In de volgende kamer ligt een vrouw uit Quelimane, ruim duizend kilometer ten noorden van Maputo. Ze huilt, ze moet morgen het ziekenhuis uit omdat ze voor de zoveelste keer haar infuus heeft losgetrokken. De verpleegster is kwaad en wil niet meer met haar praten. De pater vraagt of ze toch niet mag blijven. ‘De dokter heeft haar genezen verklaard,’ zegt ze koel. De soep van de pater sijpelt uit haar halswond.
De plastic infuusflessen zijn opengeknipt en worden bijgevuld met een vocht uit gebutste kommen die op karretjes in de gangen staan. Als ze al worden bijgevuld; een meisje ligt al drie dagen droog, ze reageert niet op onze vragen, haar ogen zijn uitdrukkingloos, maar volgens de pater klopt haar hart. Hij legt een koekje op haar kussen.
De pater praat opgewonden over hun leed. Waar ze beschoten zijn, hoeveel doden, hoeveel kogels, en van hoe ver ze komen. Hij toont me de bloederigste wonden en gezwellen, tilt lakens op, schuift verbanden weg. Ik moet alles van hem zien: de kakkerlakken op de etensborden, de ratten in de plees, en ik moet alles ruiken. ‘Stinkt het? Stinkt het?’ De stank bijt aan mijn huig. De pater ruikt al jaren niet meer. Afrika heeft hem zijn neus afgenomen.
Zijn patiënten verteren in eenzaamheid. Door de oorlog kan geen familie ze over land bezoeken. Niet altijd spreekt iemand hun taal. Tijd om te voeren is er niet. Maputo lapt op wat de districtsziekenhuizen niet kunnen. Afgehouwen oren en neuzen liggen hier niet, die helen ook in de provincie.
In een zijkamer zit een vader in een oranje overall. Hij werkt in de Zuid-Afrikaanse mijnen, maar woont al drie maanden bij zijn twee dochters in het ziekenhuis. Hun moeder ligt in een ziekenhuis tweehonderdvijftig kilometer verderop. Bij de jongste van vijf is de onderkaak door een granaatscherf weggeschoten. Ze kwijlt op de met wit plastic overtrokken matras. Ze boft dat het afwasbaar is, de meesten liggen op schuimrubber hompen die zo van bloed doortrokken zijn dat het roestig rood karton geworden is. De pater voert haar dikke bonensoep. Het ziekenhuis voorziet alleen in rijst met bonen, vaak onvoldoende gekookt, een maal voor stevige tanden. De oudste dochter kreeg een granaatscherf onder haar linkeroog en zit er al vrolijk gerepareerd bij. Als de pater haar rechteroog afdekt en een vinger ophoudt, ziet ze niets. De vader dankt ons voor het bezoek en klapt in zijn handen voor het koekje.
Een jongetje uit Inhambane is door zijn kaak geschoten. Hij kan praten als hij zijn handen op de gaten legt, anders reutelen zijn woorden weg in de tocht.
‘Wat is er gebeurd?’ vraagt de pater.
‘Matsanga.’
‘Ben je militair?’
‘Ja.’
‘Hoe oud ben je?’
‘Elf jaar.’
‘Bij de bandieten?’
‘Nee, nee,’ het jongetje schudt heftig zijn hoofd. Hij zat bij het Frelimo. Alle jongens uit zijn streek zijn vorig jaar door het leger ingelijfd.
‘Het leger houdt zich niet aan een leeftijdsgrens,’ zegt de pater, ‘ik heb hier al zoveel militairen tussen de tien en vijftien jaar gehad. Wie er sterk uitziet nemen ze mee. Al was het alleen maar om te voorkomen dat het Renamo ze ontvoert.’
Het licht valt uit. Het ziekenhuis heeft een eigen generator maar het duurt een kwartier voor die is gestart. Mijn handen zoeken een stoel in een hoek waar het minder stinkt. Als het licht weer aangaat zit ik op een halfgebruikte zak bloed-plasma, naast een jongeman van wie het gezicht van voorhoofd tot kin is opengereten. De Cubaanse dokter heeft het vorige week dichtgenaaid met een schoenveter, zo lijkt het wel. De jongen komt uit een dorp dertig kilometer ten noorden van Maputo. Hij trok dapper op met zijn nieuwe bazooka, de bandieten waren bijna onder schot, maar de kameraden die hem moesten dekken schoten per ongeluk op hem.
‘Wie heeft je hier gebracht?’ vraagt de pater.
‘De mensen uit Michafutene.’
‘Niet het leger?’
‘Nee.’ Het leger heeft nooit wat laten horen, geen kameraad heeft hem opgezocht.
Hij is tweeëntwintig jaar en sinds zijn twaalfde bij het Frelimo. In die tien jaar is hij nooit thuis geweest. Officieel is de dienstplicht twee jaar, plus een halfjaar rekrutentijd. Allemaal keurig op het Vijfde Congres afgesproken, maar de praktijk van de oorlog is anders dan de woorden, de moties, de leuzen en de voornemens in de kranten.
‘Coragem,’ zegt de pater, en hij geeft hem een koekje.
Beteuterd loop ik achter hem aan. ‘Ik ben nog steeds hartstochtelijk frelimist,’ zegt hij, ‘maar het wordt wel moeilijker om het vol te houden. De partij heeft haar sympathie in de dorpen verspeeld. De mensen zijn de verplichte vergaderingen en het eindeloos gepraat beu. Ze haten het gedwongen werk op de collectieve boerderijen. Daarom worden juist de coöperatieve dorpen door het Renamo aangevallen. Want daar is de hekel aan de partij het grootst. Iedereen weet dat de boeren liever hun eigen land bewerken en je hoort meer en meer verhalen over boeren die het Renamo helpen de dorpen plat te branden. Het Frelimo krijgt nu van alles de schuld, zelfs van de droogte.’
Maar het Renamo laat zich ook niet onbetuigd. Even verder kreunt een kind dat deze morgen is binnengebracht. Zijn vader en moeder zijn gisteravond aan de overkant van de baai door de bandieten vermoord. De jongen wacht al tien uur op zijn operatie. Hij ligt op een houten bank, zonder pijnstillers, in een bloeddoordrenkte deken. Ik houd zijn hand vast en voer hem een banaan. Zijn naam is hij vergeten, hij ijlt.
Zo gaat onze wandeling voort. Langs muren met kleurenfoto’s van in microscopen turende Oost-Duitse artsen en portretten van Papa Machel die baby’tjes inent. In een zijhok verzorgen twee vrouwen een man die al een halfjaar op bed ligt. Hij is doorgelegen. Ze verschonen het papier onder zijn wonden, gebruikte cementzakken. Drie koekjes troost.
Een vrouw heeft op de gang een miskraam gekregen. Ze zit wijdbeens op een stoel bij te komen. De foetus ligt midden in de gang in een plas bloed. Een verpleger probeert het lijkje in een krant te wikkelen, maar het glipt telkens weg. De kranten zijn dun in dit land, het bloed weekt de pagina’s. Uiteindelijk veegt hij het met de rand van zijn zool in een hoek, heel voorzichtig, geen vuil mag het wit van zijn schoen raken.
‘Is er dan geen bord?’ roept de pater, terwijl hij vertwijfeld een kast opentrekt. Ik voel de neiging een kruis te slaan, al was het maar om de ellende af te weren. Maar de pater slaat zijn zakdoek uit en legt hem zonder plichtplegingen over het kind. Niet groter dan een hand, maar al zo voltooid.
‘Naar de vrolijke vleugel,’ zegt de pater. Naar de gekken en de zelfmoordenaars. Daar wordt tenminste nog gelachen en kruipen gezonde kinderen rond. Het ruikt er ook beter. De wonden van het hart stinken niet. Vrouwen, verlaten door hun man, herstellen hier van een kapotte maag of een verbrande slokdarm. Gemalen glas en petroleum genieten de voorkeur. Alleen de rijke pleegt hier zelfmoord met een pil.
Een soldaat, eenzijdig verlamd door een kogel die dwars door zijn schedel vloog, kraait van plezier als hij ons ziet. Hij ligt al acht maanden op deze afdeling. Kort na zijn operatie heeft hij de pater nog het verhaal van de aanslag kunnen vertellen, daarna heeft hij geen woord meer gesproken. Niemand weet hoe hij heet, waar hij vandaan komt. Het laatste koekje is altijd voor hem.
Buiten ligt de stad in duisternis. ‘Ik haat het Renamo,’ zegt de pater voor het hek, ‘maar we zullen de tegenpartij toch moeten erkennen, anders kun je niet met ze om de tafel en komt de vrede nooit.’
Hij gaat naar zijn kale kamers en ik naar een partij in Somer-shield, de duurste wijk van de stad, zo wit dat zelfs de Portugezen er van de rijke Britse kooplieden niet mochten wonen. De straten zijn er nog heel, de hekken zijn hoog en veilig.
Witte servetjes om de ijskoude glazen, welverzorgde handen die in nootjes graaien en ik luister naar de gruwelen van de dag.
‘Niets dan tegenstrijdige berichten,’ zegt de ambassadeur. ‘Een groep soldaten heeft na een Renamo-aanval op Marracuene de gewonden beroofd. De bevolking rebelleerde tegen het leger, de soldaten zijn gestraft maar hebben als represaille de vrouwen weer verkracht.’
‘Niemand weet meer wie wie doodt,’ zegt de vrouw van de Joegoslavische ambassadeur.
‘Ik heb vanmiddag honderdzestig langs de boulevard gereden, even mijn moter schoongeblazen,’ zegt de Tweede Man. ‘We leven in een belegerde veste.’
‘Wir leben in einer erotischen Wüste,’ zegt de Duitse ambassadeur.
‘Sorry, de pinda’s zijn op,’ zegt de gastvrouw. ‘Ze waren nergens meer te krijgen.’
Er wordt hier meer geklaagd dan in het ziekenhuis. Ik drink mijn rug los en waggel naar de residentie. Het licht is uitgevallen. Ik stommel naar boven en plof op bed. Onder een stijfgesteven laken droom ik van de hel. Tot het mortiervuur aan de overkant van de baai me wekt. Ze schieten weer. De jongeman op het ministerie van informatie had gelijk: ‘Tourist season is closed.’