Vliegliften

De veiligste weg om Maputo te verlaten gaat door de lucht. Maar de vliegtuigen van de LAM (vier stuks, altijd nog meer dan er taxi’s in de stad zijn) staan kapot aan de grond, zijn te vol geboekt of worden opgeëist voor voetbalclub of president. De hulporganisaties hebben eigen vliegtuigen of huren bij kleine privé-maatschappijen. Ook deze vluchten zitten altijd vol, bovendien is een vracht medicijnen belangrijker dan een passagier. Voor wie niet de juiste mensen kent is vliegliften de snelste mogelijkheid.

Het meisje van Air Serv weet daar alles van, ze weet precies wie en wat er de lucht ingaat. Elke dag loop ik even bij haar langs. ‘Naar Tete, nee, daar is geen brandstof meer. Daar staan al twee kisten aan de grond.’ ‘Zambézia? Daar worden de voedseldroppings beschoten, die hebben we twee weken op dieet gezet.’

Geritsel met dollars heeft geen zin. Als je een plaats krijgt, is hij gratis. Ze stuurt me naar het vliegveld: ‘Zorg dat je er morgen om zeven uur zit en wacht.’

Ik zit en wacht. Tientallen Mozambikanen zitten en wachten. Bestaat er een volk dat beter kan wachten? Op de pleinen in de stad, voor de deviezenwinkels, voor de poorten van de ziekenhuizen, in de gangen van de ministeries, in de rij voor het juiste papier, starend naar een blinde muur, want velen kunnen niet lezen, en wat is er anders te doen? Maar zo gelaten als ze kunnen zitten, zo driftig kunnen ze duwen. Gaat het gerucht van een vrije stoel, dan verdringen ze elkaar voor de balie, trekken aan dozen en tassen of bestormen met zijn dertigen een Cessna met plaats voor zes. De eerste ochtend zag ik een Franse piloot kwaad langs de landingsbaan op en neer lopen, net zolang tot de ruziënde kluwen zijn toestel zou verlaten. Niemand wou eruit en hij niet omhoog.

Alleen, zonder bagage, maak ik meer kans dan het Amerikaanse echtpaar dat uit de sandalen springt van ongeduld om in de noordelijkste provincie voort te mogen gaan met zijn sociale communicatieproject. ‘Videofilms maken met jongeren’ in een streek waar het schoolboek ternauwernood is doorgedrongen. De blanke zoekt een taak in Afrika, of zoals een westers diplomaat me zei: ‘Afrika is een paradijs voor witte mislukkelingen.’

Een dominee van Jimmy Swaggarts Shekinha Ministry wacht al acht dagen met een koffer vol bijbels op een vlucht naar Inhambane. ‘Waar wordt er nog geloofd zoals in Afrika?’ Hij bidt om een plaats en dringt mee als er gedrongen wordt. Maar de weegschaal wil hem niet, zijn bijbels zijn te zwaar. ‘De mensen hebben mij nodig, ik kan ze toch niet langer laten wachten?’ roept hij vertwijfeld.

‘Wat doet u daar?’ vraag ik.

‘Bijbelstudie.’

‘En bent u ook betrokken bij een hulpprogramma?’

‘Nee, we bemoeien ons niet met politiek.’

‘Is honger politiek?’

‘Wij brengen geestelijk voedsel.’

‘En de bandieten?’

‘Ons goede werk beschermt ons.’

Moge zijn koffer hem een hernia bezorgen.

Ik heb geluk. Als ik mijn buik inhoud en bereid ben een doos ampullen van het ministerie van landbouw op schoot te nemen, mag ik mee naar Inhambane. Elke bestemming is goed, want alles is moeilijk bereikbaar. De dominee verslikt zich in zijn glimlach als hij hoort dat niet hij, maar ik de plaats krijg toegewezen.

Uit de lucht ligt het land achter de kust er verlaten bij. Nauwelijks een huttendorp of tekenen van arbeid op het veld. Vee en wild zijn uitgemoord.

Heel Mozambique lijkt leeg als je eroverheen vliegt. In de achttiende en negentiende eeuw werden er twee miljoen mensen weggevoerd. Zelfs nadat Lissabon in 1836 de slavernij had verboden ging de handel tot 1912 door. En de mijnen kostten levens: zestigduizend doden alleen al in de eerste twintig jaar van deze eeuw. En de Eerste Wereldoorlog: tienduizend zwarte soldaten, geofferd door de Portugezen in de strijd tegen het Duitse Tanganyika. En de burgeroorlog: zevenhonderdduizend. Een leven was nooit veel waard in Mozambique.

Pas als de baai in zicht komt en de rode daken van Inhambane, zie ik de eerste bewerkte lapjes land. Vredig, zoals de wereld voor bijzienden mooier is.

Het stadje kleeft. De moeraswind plakt aan mijn rug. Indiërs in witte jurken zitten wijdbeens voor hun winkel. De slingers van gedroogde mangobladeren ritselen boven hun deurposten, soldaten suffen voor het gouvernementsgebouw. Het is halfelf ’s morgens en ze zeggen nu al boa tarde.

Inhambane ken ik als naam uit oude scheepsjournalen. Een eeuwenoude haven in een natuurlijke baai. ‘Land van de goede mensen’ noemde Vasco da Gama deze ronding in het Canal de Moçambique. Gewillig in de handel – huiden, ivoor, goud –, geroemd om zijn contacten met India, China en de Indische archipel. Nog wonen er muzelmannen, hebben de boten er driehoekige zeilen als Arabische dhows, en klinkt er een gamalan tijdens de feesten. Maar de haven werd de streek ook noodlottig. Slavenhandelaren voerden een kwart van de bevolking weg. Gewend aan vreemden, ongelijke ruil en slechte grond werd Inhambane deze eeuw een ronselplaats voor de Zuid-Afrikaanse mijnen. Het Frelimo kwam hier vroeg in de strijd aan wal en won algauw het achterland. De stad bleef trouw aan de idealen van de revolutie.

De leuzen zijn er nog niet weggekwast en de jornal do povo, een met krijt geschreven volkskrant op borden langs de weg, brengt zo te zien al maanden hetzelfde nieuws: ‘Commandant, wij staan klaar. Onder uw leiding liquideren wij de bandieten en bouwen wij aan vrede en voorspoed.’

In de hoofdstraat verzamelen zich groepjes haveloze mensen, de winkeliers leggen snel lappen over hun waren. Dit zijn niet de vreemdelingen die voorspoed brengen, maar deslocados, met een hak en een waterfles op weg naar de velden buiten de stad. Als ik achter ze aan loop word ik door de soldaten die hen begeleiden teruggestuurd. De warmte vertraagt mijn reactie, loom volg ik de andere armen: schoffies en bedelkinderen, en zo kom ik uit bij het kantoor van de calamidades.

In een loods tussen zakken meel zit een witbestoven man een optelsom te maken, boekhouder Joaquim. Hij wil alles voor mij doen, mijn tolk zijn, me naar de vluchtelingen brengen of ergens een fiets voor me lenen, als ik maar met hem over ‘de wereld’ praat, in het Engels, langzaam, want hij leert het zichzelf nog maar pas. Zijn laatste krant is tien dagen oud. Bellen naar Maputo lukt al weken niet meer. ‘Is het waar dat de Berlijnse Muur wordt afgebroken?’ Ik kan zijn wereld niet groter maken want ik weet nog van niets. Joaquim hoorde ook niet meer dan een flard op de radio: ‘De militaire commandant heeft gezegd dat het een stuiptrekking van het kapitalisme is. Alle blanken gaan nu samen omdat er steeds minder van zijn.’

Hij klapt zijn boeken dicht, slaat het meel van zijn kleren en neemt me mee naar buiten.

Zoals een ander over het weer praat, zo praat Joaquim – José for you – over zijn leven, terloops, om de stilte na de kennismaking te breken. Hij studeerde medicijnen in Maputo, tot hij een vrouw ontmoette en moest trouwen. Hij brak zijn studie af en verhuurde zich als werkman in de bouw, maar hij had de juiste papieren niet. Tijdens Operação Produção* werd hij opgepakt en werkloos verklaard. Samen met zijn vrouw en kind moest hij naar Niassa. Ze werkten vijf jaar op een collectieve boerderij, ver van hun familie en moedertaal. Elk jaar kwam er een kind. De bandieten trokken ook door het Noorden. Tijdens een overval verloren ze drie van hun zes kinderen. José kijkt zo lijdzaam, alsof alles in zijn leven zo gebeuren moest, en als ik zeg: ‘Wat erg,’ zegt hij met een glimlach: ‘Ja.’

Twee jaar geleden is hij voor de oorlog gevlucht, de calamidades gaf hem hier werk. Hij loopt als een oude man, geslagen en krom. En terwijl hij moeizaam naar Engelse woorden zoekt (‘things go more bad in the modern day’), bal ik ongemerkt mijn vuisten. Ik durf hem niets meer te vragen.

We lopen langs de mangobomen ‘with leaves for happiness’ en volgen een haag van kokospalmen. De vluchtelingen werken een paar kilometer buiten de stad. ‘Ze worden bewaakt door soldaten,’ zegt José, ‘want ze zijn bang voor de bandieten.’

‘Dus ze werken onder dwang,’ zeg ik licht geërgerd. Maar hij begrijpt mij niet, dwang is voor hem een heel gewoon begrip.

‘We hebben altijd onder dwang gewerkt. Mijn ouders moesten naar Zambézia, theeplukken. De Portugese eigenaar kreeg zijn arbeiders van de politie en betaalde daar ook voor. Ze waren zomaar opgepakt. Wie weigerde moest naar de gevangenis, en later voor niets werken, want wie geen thee wilde plukken, had klaarblijkelijk geen geld nodig. Na de onafhankelijkheid is de theeplantage genationaliseerd. Ik mocht van de leiding mijn school in Maputo afmaken. Daar heb ik voor het eerst thee gedronken.’ Weer die tergende glimlach.

‘En met jou heeft de geschiedenis zich herhaald.’

‘Nee, dat was anders. Iedereen trok naar de steden, de meesten hadden geen werk. Het platteland liep leeg. Operação Produção was een ideaal. Wat de Portugezen deden was slavernij.’

‘En het Frelimo dan?’ zeg ik verontwaardigd. ‘Tienduizenden mensen uit de steden oppakken om ze in het Noorden te werk te stellen, zonder voedsel en medicijnen.’

‘De partij heeft er nu spijt van, het was een grote fout.’ Hij haalt bedeesd zijn schouders op. ‘De partij ziet verder dan wij.’

Na zo’n antwoord begrijp ik het Frelimo plotseling veel beter. Josés gelatenheid vraagt om dadendrang. Voor de jonge revolutionairen moest alles in één keer anders. In hun ongeduld dwongen ze iedereen de blauwdrukken van hun idealen te accepteren.

Aan de rand van een akker ligt een groep mannen onder een boom te slapen. De vrouwen bewerken zingend de grond. José vraagt de mannen of ze deslocados zijn. Ze knikken, roepen de vrouwen en zodra ze mijn pen en papier zien, vertellen ze omstandig hun verhaal. Ze vluchtten uit het noorden, het westen, het zuiden, de binnenlanden zijn onveilig en ze hebben allemaal honger. José vertaalt de gruwelen met een glimlach.

Ik kan er niet meer tegen. Die treurige dreun, die verongelijkte blik. Ik zou ze willen troosten en slaan tegelijk. Ze laten me de maïs zien die na elke werkdag wordt uitgedeeld: bruin stof met dode torren. ‘Het smaakt galbitter,’ zegt José. Waarom pakken ze hun hak niet op, marcheren ze niet naar Maputo om alle dollarwinkels leeg te roven?

‘In Holland zouden we in opstand komen.’

‘Maar dit is Afrika,’ zegt José, ‘wij zijn geen Hollanders.’

Ik lach om mijn eigen domheid en voel alle boosheid uit me stromen. Een zucht en ik sta er net zo sloom bij als hij.

Weer hoor ik het verhaal van de zoon die moest moorden, de brandende hutten, de afgehakte neus en handen. Zelfs het wonder van de geit wordt in haast eendere woorden verteld. Alsof hun ellende folklore is geworden. Hun belevenissen zijn afgestompt tot sjablonen. Ze steunen elkaar in hetzelfde gejammer. Mijn dagboek blijft dicht.

Verderop spelen de soldaten met kinderen. Hun geweren staan tegen een boom. Ze laten zich beklimmen, ze brullen, ze huilen, spelen leeuw en hyena, als onschuldige vaders die zelf kind willen zijn of die naar kinderen verlangen.

‘Hoe moet het met die kinderen?’ zegt José als we wat cashews poffen in de as van een vuurtje. ‘Over tien jaar zullen we pas merken hoe erg de oorlog is. Mijn jongste dochter heeft op school geen bank en geen boek. Pas in de vierde klas krijgen ze banken. Ik zat op een bank, mijn dochter zit op de grond. Het gaat alleen maar slechter.’ Voor het eerst verdwijnt zijn glimlach. ‘We people love the peace, with the peace we can do something.’ En terwijl de kinderen voor ons in de cajú-bomen klimmen en de cashews naar beneden gooien, vertelt José over zijn drie omgekomen kinderen. ‘De bandieten staken ons huis in brand en ik heb niets gedaan om het te verhinderen. They were burned to the death. They were burned to the death. Is that the right expression?’

Het hotel haat de reiziger, stof is hier de beste klant. Geen water op de kamer, geen gordijn, de matras knispert van de pies en er is in het hele dorp geen drank die het bed zachter maakt. Het meisje in de eetzaal kijkt me vol medelijden aan. Op reis zonder vrouw en zelfs geen foto van de kinderen. Ze krabt de vliegenpoep van de glazen en schenkt me water of het wijn is. Hoogzwanger sloft ze langs de tafels en slaat wat luie muskieten dood.

Het Portugese verleden slijt hier langzaam: het glazuur is van het servies gewassen, de ventilator krummelt van de roest, het chromen espresso-apparaat wordt al jaren niet meer gebruikt, het linnen zit vol gaten en de vorken missen tanden, maar naast mijn bord ligt een in kunstleer gebonden spijskaart. Het meisje schudt nee bij elke bestelling. Não há bacalhau, não há cabrito, não há vinho verde. Er is alleen wat er niet staat: rijst met kool en aardappelen. Van narigheid eet ik twee borden.

’s Avonds slenter ik naar de pier aan het eind van de hoofdstraat. Op het strand maken tientallen vluchtelingen zich op voor de nacht. Ik trek mijn schoenen uit en was mijn voeten in zee. Naast de pier zitten wat mannen in de gloed van een vuurtje. Ze wenken me, ‘malangu, malangu’ – blanke, maar eigenlijk betekent het baas – of de malangu dorst heeft? Ze houden een emmer op, een zanderig brouwsel klotst over de rand. De een zegt dat het suikerriet is, de ander noemt het cajú. Ik neem een voorzichtige slok en proef cashew op sterk water. ‘Je moet het niet zoenen maar drinken,’ zegt een soldaat die in de kring komt zitten. Hij bijt in de rand en giet zonder zichtbaar slikken de halve emmer door zijn strot.

De smaak komt met de slokken, en als er een tweede emmer wordt aangedragen druipt er ook bij mij een snor van notendrab. Ik schud wel twintig duimen. Al zit de dood ze op de hielen, vanavond vieren de deslocados feest.

Het heeft geen zin hier nog langer te blijven. Even na zonsopgang stond er een man van het gouvernementskantoor voor mijn deur. Hij had gehoord dat ik buiten de stad was geweest. ‘Zoiets kunnen wij niet toestaan, dat begrijpt u toch wel. Ga toch naar het ministerie van informatie, daar vertellen ze u alles wat u wilt weten. Dat is veiliger voor u en voor ons.’

Na een ontbijt van aardappelen en rijst loop ik met José naar het vliegveld. De wachtkamer is halfvol. Vier nonnen en een pater met een kapotte bril kijken een vliegtuig uit de hemel. Een oude, bijna blinde vrouw ligt op de grond, een in doeken gewikkelde pan als hoofdkussen onder haar oor. Op de banken zitten mannen met dunne plastic aktentassen. Al komen ze later, zij gaan voor: de partij vergadert in de hoofdstad.

De oude vrouw bedelt al een maand om een plaatsje, ze wil naar haar zoon in Maputo. De pater wacht al twee dagen. ‘We hebben dringend medicijnen nodig, eergisteren zijn twee soldaten op een landmijn gelopen. Ik moet naar Maputo.’ De nonnen staan hem prevelend terzijde. Ik zoek een vliegtuig naar het Noorden, het ministerie van informatie bezoek ik later wel. De verkeersleider heeft geen idee wat er op zijn vliegveld landen zal. De radioverbinding is verbroken en de kust is bewolkt. ‘Als het bromt is het voor ons.’

Uiteindelijk zal ik vier dagen op de banken hangen, kijken naar muskieten die aan mijn voeten vrijen, de Portugese bordjes uit mijn hoofd leren – ‘não risque e não rasque os sofas’, ‘conserva a sala limpa’ – en versjes maken:

‘Het Bevrijdingsfront van Mozambique
vecht al jaren voor de vrede
zelfs de kinderen in dit land
nemen een geweer ter hand.
Het Bevrijdingsfront van Mozambique
dat is een partij voor helden,
voor de vrouwen op de velden
en de mannen op de bank.
Maar wie oud is of doodziek
die krijgt niks in Mozambique.’

Elke dag praat ik met komende en gaande reizigers. Zoals de Zuid-Afrikaanse zakenman die zich door twee piloten in een oude Dakota door het land laat vliegen.

‘Wat maak julle hier?’ vraag ik verbijsterd.

‘Handel.’

‘Maar kan dat dan? Uw land steunt het Renamo toch?’

‘Daar is winde van verandering,’ zegt hij.

Hoewel het tegen de veertig graden loopt, draagt hij nog steeds een jasje en een das, ‘uit respek vir die Mosambiekers.

Ik ben een realist,’ zegt hij, ‘of je brengt werk naar de armen, of je haalt ze naar Zuid-Afrika, maar we hebben al armen genoeg.’ En dan, op samenzwerende toon: ‘Arbeid is goedkoop in Mozambique. Het minimumloon voor landarbeiders is...’ hij haalt een tabel uit zijn zakagenda, ‘vijftig rand tweeëntwintig per maand. En voor fabrieksarbeiders eenenzeventig rand achtentwintig.’ Wat hij hier laat maken kan probleemloos worden geëxporteerd. ‘Sonder die swaard van boikotte en sankties.’

‘Er zijn hier veel zakenlui,’ zeggen zijn piloten. Ze drinken humeurig hun limonade. Inter Ocean Airways, Guernsey, staat er op hun toestel. ‘Maar wij zijn Afrikaners.’ De een vliegt in zwembroek en sandalen, de ander heeft bakkebaarden tot aan zijn lip. Hun specialiteit is voedseldroppings, deze opdracht vinden ze wel zo rustig. ‘Even geen kogels om je kop.’ Alleen de zakenman klaagt, hij moet op vier maïszakken zitten – furnished by the people of the United States. ‘De kogels blijven steken in de derde zak,’ zegt de zwembroekpi-loot, ‘dus jy moe nie worrie nie.’

Een van de mannen op de bank blijkt een bestuurder van de Mozambikaanse Schrijversbond te zijn. Hij ziet het drietal met lede ogen aan. ‘Zuid-Afrika heeft ons in het ongeluk gestort, nu moeten wij hun hulp aanvaarden. Zelfs haat is ons niet gegund.’

De bestuurder bestrijdt het analfabetisme in de provincie Inhambane. ‘Het gaat te langzaam, tachtig procent van de bevolking kan nog steeds niet lezen en schrijven. Er zijn geen boeken en er circuleert te weinig drukwerk. Je kunt de mensen veel leren, maar als ze er niets mee doen, zijn ze na drie jaar alles weer vergeten,’ zegt hij in een mengeling van Frans en Engels.

‘En wat wordt er van de Schrijversbond verwacht?’

‘Niets. De regering is niet geïnteresseerd in schrijvers. Eerst eten, een broek en een paar schoenen. Dat is heel goed voor ons, wij kunnen nu schrijven wat wij willen.’

‘Ook in de kranten?’

‘Onze kranten zijn zeer progressief, maar zeer conservatief op het gebied van informatie.’

‘Worden de journalisten dan niet kritischer?’

Hij lacht verlegen: ‘Petit à petit.’

Veel van de partijbonzen die ik in Maputo sprak hadden lange tenen en hielden van clichés: kapitalisme, kolonialisme, imperialisme... ik had het al honderd keer gehoord en voelde me dikwijls ongemakkelijk in hun gezelschap. De toon was beschuldigend, alsof ik met de kleur van mijn vel het Westen vertegenwoordigde, en ik moest zó op mijn woorden letten dat ik me haast gedwongen voelde hun land te prijzen. Maar deze bestuurder – ‘Vergeet mijn naam’ – kan relativeren. ‘Veel westerse intellectuelen hebben zich solidair verklaard met onze strijd en bewust de partijexcessen goedgepraat. En dan te bedenken dat de Mozambikaanse intellectuelen zich in de jaren zeventig uit het maatschappelijke leven moesten terugtrekken, al waren we misschien maar met z’n vijfentwintigen. Je kon toen alleen maar revolutionair zijn, en een revolutionaire intellectueel bestaat niet, want in zo’n hoofd is geen plaats voor twijfel. Tegenwoordig trekt de partij weer intellectuelen aan, want het Frelimo staat nu eindelijk echt open voor kritiek. Laat ons nu niet in de steek. Hier wonen ook mensen die kunnen denken en schrijven. We behoren tot dezelfde universele cultuur’ – hij lijkt wel te blozen als hij het zegt – ‘culture universelle, comprenezvous?’

Er is een klein vliegtuig geland, de partijmensen kunnen vertrekken. ‘Vergeet ons niet aan de andere kant van de evenaar,’ roept hij mij bij het afscheid toe. ‘We wonen toch al nergens.’ Als hij niet voor zijn beurt was gegaan, had het een vriendschap kunnen worden.

De smeekbeden van de pater helpen niet. Hij is al drie keer de trap naar de verkeerstoren opgelopen en vraagt ten einde raad of ik niet een vliegtuig kan bestellen. Ondertussen zijn de nonnen heen en terug naar de missiepost geweest, in een glanzendwitte Fiat. Het kogelgat in de motorkap is met een pleister afgedekt. We krijgen allemaal een droog stuk cake.

‘Wij wonen in Guiua, tien kilometer ten zuiden van Inhambane,’ zegt de pater met volle mond, ‘de bandieten komen er elke nacht.’

‘Maar het Renamo respecteert de Kerk toch?’

‘Onze kerk is al drie keer platgebrand omdat wij voor het volk hebben gekozen.’

Een van de nonnen, een kleine, jonge Italiaanse met holle ogen, is vorig jaar door de bandieten ontvoerd. ‘Ze is dertig kilo afgevallen. Wij noemen haar nu Suora Magra, Zuster Mager. Het heeft in alle kranten gestaan, ook in het buitenland.’ Hij drukt zijn bril scheef op zijn neus zodat hij beter over de barst in het glas kan kijken. ‘Honderd dode Afrikanen krijgen nog geen regel.’

‘Hoe lang hebt u daar gezeten?’ vraag ik de zuster voorzichtig.

‘Zes maanden. In Manica-land,’ zegt ze met een dunne hoge stem. ‘We moesten twaalfhonderd kilometer lopen, tot ver over de grens van Zimbabwe. Mijn sandalen werden me afgenomen, ik kreeg ook een mand op mijn hoofd te dragen maar dat lukte me niet. We waren met zo’n honderd mannen, vrouwen en kinderen, allemaal uit deze streek.’ Ze heeft nooit een blanke in het Renamo-kamp gezien, maar hoorde ’s nachts wel de bevoorrading uit de lucht. ‘Kisten met schoenen, laarzen en wapens. Als we blikvoer kregen kwam het uit Zuid-Afrika.’

Ze vertelt haar verhaal rustig, wacht telkens tot ik uitgeschreven ben en dicteert dan voort. ‘Op den duur werd ik beter behandeld, ik kreeg het beste water en zelfs een speciale bewaker. Op de honger na viel het allemaal wel mee. Ik werd als eerste van onze groep vrijgelaten, midden in de nacht op de Beira-corridor.’

‘Dus u had als religieuze toch een streepje voor,’ zeg ik zonder op te kijken.

De zuster duwt mijn dagboek weg, grijpt naar haar rozenkrans en begint geluidloos te huilen. De drie andere zusters nemen haar apart, de pater kijkt me bestraffend aan.

‘Dat had u niet moeten zeggen.’ En als de nonnen ver genoeg zijn, fluistert hij: ‘Suora Magra is door haar bewaker verkracht.’

Later zegt hij me dat het bij de bandieten gewoonte is verkrachte vrouwen na veelvuldig gebruik weer vrij te laten. Vooral als de slachtoffers jong en zwanger zijn. In Xai-Xai beheert de Kerk een centrum waar zwangere kinderen door middel van de keizersnede van hun kinderen bevallen. Meteen na de geboorte worden de baby’s weggehaald. De gemiddelde leeftijd van de jonge moeders is elf jaar. ‘Te jong,’ zegt de pater, ‘zelfs voor Afrikaanse begrippen.’

De vierde dag landt er een vliegtuig op doorreis naar het Noorden. Dominee Slijm stapt als eerste uit. Zijn bijbelkoffer wordt hem door het grondpersoneel nagedragen. Met toegeknepen ogen kijkt hij naar de kinderen die op het terras voor de wachtkamer rondhangen. Een klein meisje herkent hem en rent met open armen op hem af. Hij haalt een zak snoep uit zijn handtas en helpt het meisje de wikkel van het lekkers af te halen. Ook de andere kinderen stromen toe. Hoe aangenaam is Zijn woord voor hun verhemelte, meer dan honing voor hun mond.

De piloot – ‘I’m a christian from Canada’ – vliegt voor Worldvision, ook in de Heer. Hij biedt me een plaats aan naar Pemba, de havenstad van Cabo Delgado. Nadat hij alle knopjes heeft gecontroleerd en de motoren heeft laten brullen, vouwt hij zijn vergulde zonnebril op en gaat voor in gebed. Zo maak je mensen bang, we rillen in onze riemen.

Verwarring in Pemba. Mijn Portugees is kreupeler dan ooit. Niemand wil me verstaan, niemand wil me helpen. Ik wil mee met een coluna, een konvooi, naar Montepuez, een dorp hoog in de heuvels van Cabo Delgado. Daar, in het hart van bandietenland, werken al tientallen jaren twee Nederlandse paters. Geen mens op de ambassade heeft ze ooit gezien of gesproken. Niemand weet hoe ze zich daar handhaven. De ambassadeur heeft me een brief voor ze meegegeven: ‘Als het je lukt, moet je ze toch eens de groeten doen.’

Maar het lukt niet. Iedereen zegt dat ik me eerst moet melden, bij stadsraad, district of gouverneur, als het papier er maar indrukwekkend uitziet. Zonder guia de marcha mag ik niet mee met de coluna. Ik maak een gang langs stoffige kantoren en klop op deuren die doodmoe in hun hengsels hangen. Overal plakkende plastic bankstellen, vergeelde leuzen en kalenders, gedemonteerde typemachines en fladders carbonpapier onder een kiezelsteen, en heel veel hangende, liggende, slapende mensen achter volstrekt lege schrijftafels. De schrijftafel in Mozambikaanse overheidsgebouwen is een landingsbaan voor vliegen en een bed voor hoofd en elleboog.

De bureaucratische onmacht is groot in dit land. Even voor mijn komst vielen er hongerdoden veertig kilometer buiten Pemba omdat de ambtenaren in de haven niet in staat waren de juiste papieren af te geven voor een gereedstaand maïs-transport. Honderden doden omdat het stempel ontbrak. Iedereen is bang voor zijn hachje. Het beste besluit is geen besluit, de lade dicht en wachten tot alles is vergeten.

Praat met een ambtenaar en je hoort dat hij om vijf uur is opgestaan om water en hout voor zijn gezin te halen. Daarna moest hij twee uur naar zijn werk lopen – van rietstad naar cementstad. Op zijn werk kan hij dan uitrusten en nadenken waar hij voor de avond wat maïs, vis of maniok vandaan haalt. Om elf uur ’s ochtends, als de blanken binnenkomen, heeft hij al een zesurige werkdag achter de rug. De meesten hebben domweg niet genoeg te eten. De staat is vaak maanden achter met betalen en niemand neemt ontslag want de status is hoog. Een wit overhemd, een das, een plastic aktetas en in een kantoor zitten. Op handwerk wordt neergekeken.

Op de markten is van alles te koop maar die spullen kan een ambtenaar niet betalen. Hoe moet hij met tachtig gulden in de maand – twee- tot driemaal het minimumloon – een familie van twaalf mensen in leven houden als de prijzen de laatste jaren tot een Europees niveau zijn gestegen? Alleen wie sterke deviezen heeft kan in dit land goed leven.

Als het me niet bij de ambtenaren lukt, dan maar stiekem bij de chauffeurs. De bierhuizen langs, vragen wie er binnenkort vertrekt. Ik begin te veel waarde te hechten aan stempels en papieren. Ik ben al te lang in Afrika. Door te doen wat niet mag, laat dit land zich beter zien.

Ik moet me vermannen. Per jaar vallen er veertig tot vijftig doden in de coluna naar Montepuez. Omdat iedereen me dat hier elke dag opnieuw vertelt ben ik bang geworden. Maar wat is veertig, vijftig doden? Jaarlijks sterven er duizenden op de Franse autowegen en daar ben ik nog nooit bang geweest. Op de corredor da morte worden maandelijks dertig tot veertig mensen vermoord, maar dat hoorde ik pas later. En toen ik daar met Moçambique reed was ik niet banger dan normaal.

Vrachtrijders hebben geld, dus er is volop bier in Pemba. Je herkent ze aan de vele blikjes op hun tafels, aan hun dikke truien en vuile handen en aan de kring van niet drinkende armoedzaaiers om hen heen.

‘Coluna? coluna?’ zegt een mannetje dat nauwelijks tot mijn oksels komt.

‘Sim.’

Dan is hij mijn man, Felisberto Capuz. Morgen gaat hij naar Montepuez, hij rijdt het twee keer in de week. Geen wonder dat hij nog leeft, alle kogels vliegen over hem heen.

Capuz heeft honger, Capuz heeft dorst. Ik laat een kip voor hem slachten, ik koop bier. Blik na blik rijgt hij de lipjes om zijn pink. Ik moet hem te vriend houden. Capuz kent iedereen, hij zit in de vakbond, hij is lid van de partij, hij zal alles voor me regelen. Een klein voorschot en de zaak is rond. Morgenochtend om twee uur moet ik me melden bij het leger-kamp, vier kilometer buiten Pemba.

‘Maar dat is midden in de nacht.’

‘Een halfuur later mag ook.’

Pemba is aardedonker, straatverlichting zie ik niet, ook de maan houdt zich schuil. Ik volg het geschuifel en de geur van vis – we gaan immers van de zee naar de bergen. Honderden mensen verzamelen zich om de vrachtwagens. Geen spoor van mijn kleine chauffeur. ‘Capuz? Capuz?’ De mannen lachen me uit, chauffeurs duwen me weg. Dan klinkt het sein voor vertrek. Hele kluwens nestelen zich onder dekens en zeilen. Officieel mag een chauffeur zes passagiers meenemen, maar het is de enige vorm van vervoer en de soldaten zien het met één hand door de vingers, de andere houden ze op.

‘Capuz? Capuz?’ Ze blijven maar lachen. Ik bons op deuren, hang aan een wegrijdende auto, niemand trekt me op, vrachtauto na vrachtauto verlaat het parkeerterrein, ik ren ernaast en zwaai met mijn dollars. Na veel gesoebat mag ik mee met een maïswagen, boven op de zakken waar bandieten zo gek op zijn. Minstens zestig mensen kleumen op elkaar, ik leun tegen twee geweren, koud van de nacht.

Het is zaak dicht bij elkaar te blijven, maar de oudste en zwaarst beladen auto’s breken telkens de rij. Na elk dorp moeten we opnieuw verzamelen. Waar de mato, het oerwoud, het zicht ontneemt, stuurt de commandant van de coluna een groep soldaten voor ons uit. Zonder verrekijker of walkie-talkie gaan ze op verkenning, hun geweren in de aanslag. Horen we geen knal, dan is de weg veilig. Soms liggen we uren in de schaduw van de geparkeerde vrachtwagens. Een kilometerlange slang pratende, lachende, etende, slapende mensen. Soldaten laten peuters plassen in de berm voorzover de zakken maïs geen luiers zijn, en schooieren wat eten bij de moeders.

Ik warm mijn rug aan het asfalt. Naast me ligt een man die zijn tanden heeft gevijld. Als enige blanke in de coluna ben ik een bezienswaardigheid voor hem en hij is dat voor mij. Twee rijen witte spijkertjes lachen me toe, onwillekeurig gaat mijn tong langs mijn tanden. Voor de Macondes is zo’n gebit een teken van schoonheid (en volgens sommigen een herinnering aan hun kannibalistische verleden). Zijn hele familie is versierd: zijn vrouw draagt een houten knoop in haar bovenlip – de trouwring van de Maconde – en de oude moeder heeft het uitgelubberde gat in haar neusvleugel met de sproeidop van een kleine gieter opgevuld.

Verderop liggen twee Macua-meisjes met witgekalkte gezichten. Ze hebben bloemetjes in de pasta getekend, hun kinnen zijn zwart gelaten en ook een cirkel om hun ogen. Een van hen kruipt voorzichtig naderbij om mijn roze kleur te bekijken. Want al draagt ze haar masker als voorbereiding op het huwelijk, de kalk op haar huid dient ook een ander ideaal: witter te zijn, zo mokka als de Arabieren en de Indiërs die hun havens aandeden. Ze vraagt of ik een socialist ben. ‘Socialist, hoezo?’ ‘Omdat u dollars heeft.’

Met behulp van mijn Portugese zakwoordenboek, toeristen-Italiaans en namaak-Esperanto (multi persona habar constructuar una langua universale) praten we over de oorlog. Heb ik Saïde al gezien? Hij was ontvoerd door de bandieten, zat wel zeven weken in hun kamp. Zijn naam wandelt over de hoofden. ‘Saïde, Saïde’, de malangu wil Saïde zien. Een jochie in een veel te grote legerjas wordt naar voren geduwd. Ik moet voelen hoe zijn ribben door zijn vel steken en hoe ruw de wond op zijn hoofd is. ‘Hij moest een ijzeren bak met bonen dragen,’ zegt een van de vrouwen. ‘Vier dagen door de mato, zonder eten en drinken.’ ‘En ’s nachts geen rust.’ Ze draaien hem in het rond, prijzen zijn leed, ze zingen hun klaaglijke zinnen om beurten. ‘Hij moest rennen voor zijn leven.’ ‘En nooit gehuild.’

Saïde trekt aan zijn legerjas en zwijgt. Vrouwen, soldaten, kinderen komen om hem heen staan en allemaal wrijven ze over zijn hoofd, de wond is zijn medaille.

De commandant roept dat de coluna verder trekt, hij zwaait met zijn geitenstaart en jaagt ons uiteen. Saïde krabt verloren aan zijn korst. De commandant gaat vlak voor hem staan. ‘Dit is een officiersjas,’ zegt hij. Het duurt even voordat de ernst van de misdaad tot hem doordringt. Dan scheurt hij de ordetekens van Saïdes schouders en slaat hem buiten westen. Twee soldaten dragen hem weg om hem achter een vrachtwagen op hun gemak verder toe te takelen.

De commandant blaast op zijn fluitje. Gehaast klimmen we op en in de auto’s. Saïde is geen held meer, hij is een spelbreker die met zijn foute jas voor oponthoud zorgt. Hij brengt iedereen in gevaar. Als een vrouw zijn slappe lichaam op de wagen hijst, gooien de meisjes met de witte gezichten een hand zand naar zijn hoofd.

Onze chauffeur neemt een paar slokken nipa voor de schrik: ‘Moçambique muito confusão.’

Een deel van de coluna splitst zich af naar het noorden en een ander deel naar het zuiden, maar de slang blijft even lang want bij elke kruising wachten andere auto’s en nieuwe militaire troepen voor de tocht naar Montepuez. Telkens moeten we ons laten registreren, een moeizame affaire die voor extra vertraging zorgt. Want de documenten worden vaak op het lichaam bewaard en de ranzige papieren zijn moeilijk te lezen. Een biljet in mijn paspoort doet wonderen.

De weg wordt smaller en slechter. Kapok pluist op de velden, de plantages zijn verlaten. De hongerogen nemen toe, kinderen bedelen langs de auto’s. De meesten lopen in vodden, de gelukkigen hullen zich in zakken van de voedselhulp – met Franse driekleur, don de la France, of met sterren en strepen – kazuifels tegen de zon.

Even voor Montepuez, dertien uur na ons vertrek, lopen een man in een roze nylon bontjas en een soldaat in een skipak. Europa was weer goed voor Afrika. En als ik in de hoofdstraat een jongetje zie voetballen in een T-shirt van slagerij Van den Berg, weet ik dat de Hollandse missie niet ver kan zijn.

De paters zijn verbaasd. ‘We krijgen haast nooit bezoek,’ zegt pater Dik, de dikste van de twee. ‘En nog wel een Hollander,’ zegt pater Hans, ‘vijftien jaar terug hadden we er een, en in zesenzestig, die schreef ook. Ja, dat was me ene flikker.’ Hij is vel over been, maar het oerwoud heeft zijn zachte g onaangetast gelaten.

Pater Dik praat met het lijzige accent van de geestgronden. Ze schudden me nog eens de hand, houden me lang bij de duim. ‘Da nossa velha Holanda’, ze vervallen om beurten in het Portugees. ‘Dat zijn we niet gewend,’ zegt pater Dik. ‘Het overkomt ons zelden,’ zegt pater Hans. ‘Dat zeg ik net,’ zegt pater Dik.

Ze werken al ruim dertig jaar in Cabo Delgado en wonen zestien jaar samen. Ze gaan me voor op de uitgesleten paadjes in hun huis, langs stapels oude kranten, ieder zijn eigen stoel, ieder zijn eigen kruiswoordpuzzel. Op tafel ligt de bromfietskaart van Nederland. ‘Voor als we naar de Wereldomroep luisteren,’ zegt pater Dik, ‘dan zie je het beter voor je.’ Vroeger gingen ze ook hier met de brommer op pad, maar het dagelijkse moorden beperkte hun gebied. Het leger heeft ze verboden verder dan vier kilometer buiten de stad te gaan.

Ze hebben lief en leed met het Noorden gedeeld en worden door Montepuez op handen gedragen. Ze richtten een voetbalclub op, Ajax, en een naaischool. De een verdeelt het zaad en de ander de kleren: ‘Montepuez gaat beter gekleed dan de omtrek.’ Ze hebben de kolonisten zien gaan, het Frelimo zien komen en de Russen, Roemenen en Chinezen. Ze berustten erin dat de kerkelijke goederen werden geconfisqueerd, ook hun mooie missiepost São José, vier kilometer buiten Montepuez. Nu krijgen ze het allemaal weer terug. Veel is er kapot gemaakt, maar Chica, hun wijfjesaap, zit er nog steeds in een hok, al dertig jaar. In hun kamer kooien ze drie Mozambikaanse sijsjes die met open snavel slapen.

Op hun vorige post, hoog in Macondeland, hebben ze de kopstukken van de revolutie opgeleid: Alberto Chipande, Domingos Pachinuapa, tot die naar Tanzania vertrokken om mee te helpen het Frelimo op te richten en vandaaruit te vechten. De paters zijn er trots op dat hun zonen nu minister zijn, en als ze Montepuez aandoen, brengen ze altijd een bezoek. ‘De vorige keer maakten ze op het plein het christendom belachelijk,’ zegt pater Dik. ‘Ze zeiden: “We hebben door de lucht gevlogen en God niet gezien, in boten gevaren en ook op zee niets van Zijn aanwezigheid bespeurd.” Na af-loop kwamen ze gezellig theedrinken. Ach, dat hadden die jongens de eerste tien jaar nodig en ze zeiden zelf ook: “Padre, dat gaat gerust wel over”.’

‘Maar is het niet een beetje arrogant om hier een nieuwe godsdienst te brengen?’

‘Ach nee,’ zegt pater Dik, ‘de mensen zullen hier zeker zalig worden, ook zonder doopsel. We dwingen ze tot niets, wie zich aanbiedt is welkom, maar dan wel onder zekere voorwaarden.’

‘We hebben er al te veel,’ zegt pater Hans. ‘Elke zondag zitten er duizend in de kerk, we kunnen het toch niet bijhouden.’

‘Het voornaamste wat wij doen is ze steunen in het behoud van waarden,’ zegt pater Dik. ‘De oorlog ondermijnt de traditionele structuren. Roven en moorden is de gewoonste zaak geworden. De zorg voor de oude mensen – een van de mooiste dingen van Afrika – dreigt te verdwijnen. De mensen worden onverschillig, ze lachen om elkaars ongeluk. Zieken laten ze aan hun lot over. Alle franje van fatsoen is van het leven afgerukt.’

Hij trekt zijn overhemd uit en gaat in onderhemd de tafel dekken. (Het zeil met witte bloemen, de hagelslag, de rinse appelstroop en Flipje Tiel.) ‘We blijven hier alleen omdat het laf is om te gaan. Je zou je schamen om nu weg te lopen, alsof je je familie verlaat.’

‘Nee,’ zegt pater Hans, ‘we mogen ze niet in de steek laten.’

‘Elke dag hoor je berichten over terreur, de mensen worden met kapmessen bewerkt om kogels te sparen. Ze durven ’s nachts niet meer binnenshuis te blijven, ze slapen maar kort, tot drie uur, en waken dan naast de muren van hun hut. Het leed klopt hier elke dag aan de deur. Om het hier uit te houden moet je je moedwillig verharden. We hebben afgesproken er ’s avonds niet meer over te praten.’

Het is al bijna avond en wat gebeuren gaat ligt vast. Eerst wat lezen op de veranda, als het licht het doet, want soms is er dagen geen stroom. Ze hebben alles van Christie en Christus. Dan de avondboterham, wit, met een goudbruin korstje. Elk zijn eigen beker, elk zijn eigen servet en omdat pater Hans wat doof is, elk zijn eigen gebed. Wat ze eten komt uit blik, van Caritas, ook de poedermelk en het meel. En de kok is goed getraind. Alles is er Hollands, zelfs de Maria op het dressoir staat tussen plastic tulpen.

Na het eten de ‘hygiënische wandeling’, vijf keer op en neer langs kerk en huis. ‘Hier houdt de stoep op, hier houden wij ook op.’ En dan patience à deux, met een glas Limburgs bier. ‘Een blikje per dag, daar leven we naar toe.’ Om halfacht het nieuws van de Radio Wereldomroep, pater Hans met zijn goede oor aan de luidspreker. ‘Het andere is kapot van een Duitse splinterbom, in Schimmert, zeventien dagen na de bevrijding, net na het lof.’ En als het nieuws kleiner wordt – ‘Nederland zit opgescheept met een nieuwe ziekte voor zijn vele varkens’ – vallen ze in slaap. Eerst pater Hans, dan pater Dik, de bromfietskaart op zijn knieën.

De morgen, de middag, de avond – vier dagen zie ik vier keer hetzelfde. ‘Zonder regelmaat ga je hier dood,’ zegt pater Dik. ‘Alles heeft hier zo zijn ritme,’ zegt pater Hans. ‘Dat zeg ik net,’ zegt pater Dik.

Met pater Hans maak ik elke dag een tochtje door de roodbestoven stad. Donderdag langs het enige verkeersbord van Montepuez, de H van hospitaal. Tachtigduizend zielen, maar geen dokter. Wel een verpleegster, die net een televisiedoos vol medicijnen openmaakt: een zending monsters uit Zweden. ‘Ik had liever een pot pijnstillers,’ zegt de verpleegster. De kruimelende pakken verband uit 1943 legt ze voorzichtig in de kast. Maar wat te doen met de pillen tegen vetzucht?

Vrijdag is aalmoesdag, krukkenparade, dan trekken de invaliden door de hoofdstraat. Op stokken, hangend aan elkaar, steunend op stompen arm of been, sommigen met het bedelblikje in de mond omdat hun armen zijn afgehakt. Ze strompelen langs de negen winkels, want vrijdag is de dag waarop Indiërs hun aalmoes moeten geven. Ze houden wel de koers in hun prijzen, maar niet in hun gaven. Tweeëneen-halve meticais per bedelaar, iets minder dan een cent. Een zak maïs kost zestienduizend meticais. ‘Leuke som voor school,’ zegt pater Hans, ‘hoeveel vrijdagen moet een bedelaar voor een zak maïs langs de negen winkels gaan?’

Op een hoek verdringen zich tientallen mensen. Er is een lading tweedehands schoenen met de coluna meegekomen. Twee soldaten met machinegeweren proberen op verzoek van de winkelier de klanten in toom te houden. Een geweer maakt hier evenveel indruk als een vliegenmepper.

Zaterdag doen we de huttenwijk. Montepuez moest de industriestad van het Noorden worden. Nu werkt de katoenfabriek op eentiende van zijn capaciteit en heeft de rijstpellerij nauwelijks iets te pellen. De combines van de Roemenen roesten in de velden. (De vriendenhulp wordt nog steeds in natura betaald, op het parkeerterrein achter de kazerne staat de vracht voor de nieuwe coluna al klaar: blokken marmer waarop in rode verf de bestemming is geschilderd: Ruménia, Bulgária, Rússia. De specialisten uit het Oostblok zijn hier nu verdwenen, maar in Pemba zag ik nog enkele Russen lopen, dik en ontevreden in hun wijtingwitte vel.) ‘De Mozambikanen haten de Russen,’ zegt pater Hans, ‘die gasten kijken neer op negers.’

Nee, hij niet, hij aait elk kind over zijn bol. In de hutten waar we komen knielt hij voor de zieken en toont zijn vreugde bij elke boreling. De oude vrouwen noemt hij mama en waar hij ook loopt, overal wordt pater Hans met een lach begroet. ‘Negers zijn zulke blije mensen,’ zegt hij thuis aan tafel.

Zelf zijn de paters ook blij, op een haast kinderlijke manier. Die glimlach als ze over ‘negers’ praten, het hoofd schuin naar beneden. Ze zijn ook dankbaar voor alles, dankbaar voor de vruchtenpudding en de aardappels van thuis (‘Eten jullie nooit eens maïs of maniok?’ ‘O nee,’ zegt pater Hans, ‘dat is voor de negers.’), dankbaar ook voor de Wereldomroep alsof God dat geleuter zelf door zijn hemelen tot onder dit nederige dak geleidt. Ze zijn niet in Afrika, ze mogen er zijn, ze werken hier niet, ze dienen. Ze zijn zo superieur in hun nederigheid, de witte seigneuren van Montepuez. Maar als ik zondag de mis bijwoon en het driestemmig zingen hoor en de trommels, en ik zie de paters schommelen, de armen omhoog naar de vochtkringen in het kerkendak, en met tranen in de ogen de vredeswens uitspreken, dan hou ik toch veel van ze. ‘In ons geloof zijn we zelf een beetje neger,’ zegt pater Dik. ‘Zij maken ons blij,’ zegt pater Hans.

De blijheid wordt door nog een gast verstoord, doctor Alessandro staat voor de deur, een Italiaanse priester uit Nipepe. Het stof van de zuidelijke coluna koekt nog aan zijn dikke bril. Er moeten kranten van een stoel, een bord erbij, een extra aardappel geschild. Vier is te veel, er is geen rust meer voor patience. De nieuwe gast ‘doet onderzoek onder de negers’, de paters kennen hem al jaren. ‘Het is een intellectueel,’ zegt pater Hans, ‘jij moet maar met hem praten.’

Doctor Alessandro vertaalt de bijbel in het Macua en maakt een studie van de traditionele genezers. Hij weet alles van psychosomatische kwalen, mirusi, wat bij de Macua de over-treffende trap van hoofd betekent. Hij liet zich inwijden door een curandeiro en kent nu hun kruiden, mythologie en mystiek.

Bij de Macua is de mirusi een leerschool; alleen wie zelf ziek in zijn hoofd is geweest, kan curandeiro worden. De godsdienst speelt bij de genezing een grote rol. Dromen van de patiënt worden in gesprekken met familie en genezer ontrafeld. ‘Het is een soort intuïtieve psychoanalyse,’ zegt doctor Alessandro enthousiast, ‘compleet met Oedipuscomplex en een verlangen naar terugkeer tot de moederschoot om opnieuw geboren te worden. Ik was zeer verbaasd een zo gecompliceerde, diep-filosofische godsdienst te vinden. Omdat zij niet op schrift staat is zij door de Europeanen verwaarloosd en niet voor vol aangezien.’

Alessandro graait in zijn tas en laat zijn publicaties zien. Hij spreidt ze uit op tafel, een waaier van geleerdheid bedekt de kruiswoordpuzzels. Alessandro is een tengere man met bloempothaar. Zijn broek en overhemd zijn door zon en was versleten. Alle kracht zit in zijn hoofd, zijn ogen priemen.

‘Hun geloof is net zo rijk als het onze,’ zegt hij met een schuin oog naar de paters. Als hij ook nog twee zwarte Jezussen uit een krant rolt, met een los kruis, en ze ophoudt als een poppenspeler, verbergen de paters hun ergernis achter een krant. Er heerst een onderlinge strijd, ze dingen alle drie naar de gunst van Afrika. Maar Alessandro lijkt te winnen: hij spreekt met opzet de kok aan in zijn moedertaal, eet liever met zijn handen en loopt blootvoets door het rode stof. Hij is de Afrikaan.

‘Maar waarom vertaalt u dan de bijbel in het Macua?’ vraag ik.

‘Ik gebruik de bijbel om te laten zien hoe groot hun eigen cultuur is. Als zij Genesis horen, leggen zij daar hun eigen scheppingsverhalen naast. Die schrijven we nu gezamenlijk op. Er zijn zoveel overeenkomsten, ook voor de Jezus-figuur, die bij de matriarchale Macua een soort oom van de Almoeder is. Onze bijbel is een stap naar de rehabilitatie van hun eigen godsidee.’

‘De katholieke Kerk ook?’

Alessandro lacht wat ongemakkelijk. ‘De Kerk moet niet langer haar Europese mal op Afrika leggen, maar Afrika helpen zijn eigen godsdiensten op schrift te stellen. Vergeet niet dat de slavernij veel van de geschiedenis en godsdienst uit Afrika heeft weggeroofd.’

‘Is het niet een jezuïetentruc om de Afrikaanse tradities te omhelzen en zo Afrika binnen de Heilige Roomse Kerk te houden?’

‘In de ogen van Rome ben ik allang op het duivelspad,’ zegt hij bijna fluisterend. Het is beter dat we naar buiten gaan want de paters beginnen te kuchen en de sijsjes schreeuwen het uit. We lopen het erf op en praten verder onder een boom. Alessandro ploft zonder plichtplegingen in het zand.

‘Wij katholieken mogen niet vergeten dat deze oorlog een gevolg is van ons religieus kolonialisme. Door het werk van de missie is er een enorme kloof ontstaan tussen het dagelijkse en het zondagsleven, tussen familietradities en de nieuwigheden van het christendom: ziekenhuis, school, handel en technologie. Dit heeft een verdeeldheid onder de mensen gebracht, een tweespalt tussen hart en hoofd. De Afrikanen namen de nieuwigheden wel over, maar hun traditionele leven ging ook voort; vaak voelden ze zich daar schuldig over. Die tweespalt heeft het land uiteindelijk verscheurd. Het Frelimo heeft het moderne omhelsd en het oude afgewezen: de clan, de régulos, stamhoofden, de curandeiros, de feiticeiros, toverdokters, en ook het polygame stelsel. De huwelijksmoraal werd door verklikkers gecontroleerd. Uiteindelijk heeft het ook de aanstichter van dit nieuwe denken, de Kerk, opzijgeschoven, omdat die al te zeer samenzwoor met de koloniale heersers.

Het Renamo heeft daar de tradities tegenover gesteld. In de gebieden die zij binnenvielen werden de lokale stamhoofden weer geïnstalleerd en de uniformen van de Afrikaanse koloniale politie uit de kist gehaald. Vooral de traditionele religieuze figuren kregen meer macht.’ Nu raakt Alessandro opgewonden. ‘Ze hebben hun autoriteit en prestige misbruikt,’ schreeuwt hij boven het gefluit van de gekko’s uit. ‘Het Renamo heeft de curandeiros en de feiticeiros in ere hersteld. Ze laten zich ook gebruiken voor de oorlog. Ze bezweren boze geesten en geven de bandieten drankjes die ze onzichtbaar zouden maken voor de vijand.

Het Frelimo heeft zijn falen ingezien en staat nu meer open voor het eigen verleden. Het wijst de oude waarden van Afrika niet meer af als bijgeloof. Daarmee heeft de partij Renamo’s belangrijkste wapen uit handen geslagen. Nu kunnen ze alleen nog maar moorden.’

Ik zit te lang in de schaduw van de Kerk. Er vertrekt weer een coluna. Ik neem afscheid van de paters, Alessandro brengt me naar de parkeerplaats. We zien juist hoe de chauffeurs een ijzeren container met touwen en planken van een vrachtwagen sjorren. Het ding helt vervaarlijk over en dreigt de mannen te verpletteren. ‘America cares for Africa’ – staat er in feestletters op geschilderd.

‘Nobody cares for Africa,’ bromt Alessandro. ‘Afrika is de vuilnisbak van de wereld, goed voor verouderd wapentuig, afgekeurde medicijnen en chemisch afval. Honger in Afrika is een popconcert. Slavernij is de negerhut van oom Tom, niet de mensenroof uit Afrika. Daarom schrikken zwarte Amerikanen zich rot als ze hier zijn, op zoek naar roots waar ze geen benul van hebben. Ze weten niet hoe gauw ze in hun geruite broeken weer naar huis moeten. Zelfs zij kijken neer op Afrika, blij dat ze de boot niet gemist hebben.

Afrika is het achterlijke continent en de wereld zal gelijk krijgen. Miljoenen kinderen lopen bij langdurige ondervoe-ding het gevaar van hersenbeschadiging. Wie het overleeft zal dom zijn, zeer dom. Afrika zal nog meer achterop raken. Maar honger is sterker dan een leger. De volgende generaties zullen om het verzuim van de rijke wereld in opstand komen. Het zaad voor de haat is gezaaid.’

Alessandro kijkt me fanatiek aan. Hij knijpt in mijn hand, duim, hand, duim, hand. Als een Afrikaan natuurlijk. Maar als ik op de lading kruip, zegent hij me ook met een terloops kruisje.

Voor mijn medereizigers is het nu duidelijk wat voor vlees ze in de kuip hebben. De hele terugweg noemen ze me padre.

 

* Operação Produção (1983): op papier een plan ter bestrijding van de werkloosheid en stimulering van de productie. In de praktijk kwam het neer op verwijdering van werklozen en marginalen uit de steden, wat tot een enorme chaos leidde. Wie geen identiteitskaart, arbeidskaart en inwonerskaart kon overleggen, werd naar de noordelijke provincies gestuurd. Vooral veel ouderen en zieken werden zo uit Maputo verwijderd.