Waarom een boek over cochenille? Dat is een redelijke vraag. Mijn grootvader en overgrootvader waren textielververs, dus misschien zit kleur me gewoon in het bloed. Maar ik dacht zelden aan cochenille, totdat ik begin jaren negentig in Oxford studeerde en voor mijn afstudeerscriptie onderzoek deed naar de verbreiding van chocola in Europa.
Voor dit onderzoek moest ik naar het Archivo de Indias in Sevilla, waar ik erg heb genoten, want is het een magische plek. Het archief is gehuisvest in een koopmansbeurs uit de Renaissance en gelegen aan een elegant plein, naast de gigantische gotische kathedraal met zijn Moorse minaret en de gekanteelde muren van de Reales Alcazares, de koninklijke paleizen. Er bevinden zich daar zo'n 80 miljoen pagina's archief die betrekking hebben op de Spaanse koloniën, waaronder brieven van Columbus, Cortés en de Habsburgse koningen.
In dat archief bracht ik enige weken aan een houten bureau met uitzicht over de binnenplaats door om de enorme zwarte registerboeken van vroeg-zeventiende-eeuwse vloten door te spitten op het woord 'chocola'. Omdat chocola een betrekkelijk ongewoon luxeartikel was, kwam het zelden in de registers voor. Maar bij het doorbladeren van de eeuwenoude handschriften zag ik keer op keer, bladzij na bladzij, de woorden grana en grana cochinilla, ter vermelding van de ladingen donkerrro-de verfstof die over de Adantische Oceaan naar Sevilla waren verscheept. Pas toen ik uit minder academische bronnen had vernomen dat cochenille na zilver het belangrijkste exportartikel van Nieuw-Spanje was, begon ik te begrijpen hoe belangrijk de verfstof destijds voor het Spaanse Rijk was geweest.
De deadline voor mijn scriptie was nabij en ik kon me dus niet veroorloven lang aan iets anders dan chocola te denken, maar ik wist dat ik op een dag meer over cochenille te weten wilde komen. Ik kon nauwelijks geloven dat iets zo kostbaars bijna door de moderne wereld vergeten was.
In de winter van 2000-2001 kwam het onderwerp cochenille weer bij me op. Thuis in Massachusetts lag al maandenlang sneeuw en het weerbericht kondigde om de paar dagen nieuwe buien aan. Toen ik op een grijze dag tijdens die witte winter naar de rozerode geraniums op de vensterbank van mijn keuken zat te staren, dacht ik opeens: Als dat nu eens het enige rood was dat we op de wereld hadden? En op dat moment begreep ik instinctief dat mensen ooit enorm naar kleuren moeten hebben verlangd. Ik kon me zelfs voorstellen dat ze bereid waren er hun leven voor te geven. Dat zette me weer aan het denken over cochenille, en zo begon ik in bibliotheken naar gegevens te zoeken om te zien of er een verhaal in zat. En wat voor verhaal bleek dat uiteindelijk te zijn - een verhaal over meer dan vier eeuwen verlangens, rivaliteit en koloniale rijken, met de kleur rood als middelpunt.
Bij het vertellen van dit verhaal werd ik door veel mensen geholpen en ik ben blij dat ik hen hier kan bedanken. Als ik ondanks al hun hulp toch fouten heb gemaakt, ligt de schuld geheel bij mij.
In de eerste plaats ben ik dank verschuldigd aan de historici en andere onderzoekers van wie ik werk heb gelezen voor de research voor dit boek. Vooral de artikelen van R.A. Donkin en Raymond Lee waren onmisbaar. Een historicus aan wie ik extra veel dank verschuldigd ben, is professor sir John Elliott, de supervisor van het onderzoek dat mij naar het archief in Sevilla bracht. Hij ontsloot nieuwe werelden voor me. Ik ben hem vooral dankbaar voor de zorgvuldige lezing van vele hoofdstukken van dit boek, des te meer omdat zijn eigen geschriften een toonbeeld van geleerdheid en elegantie zijn. Ook wil ik lady El-liott graag bedanken voor haar vriendelijkheid en gastvrijheid.
Ik had het geluk bij het werk aan het boek ook door verschillende Oaxacanen te worden geholpen. Dr. Alejandro de Avila Blomberg, de directeur van de heerlijke Oaxacaanse Jardin Et-nobotanico hielp op allerlei manieren bij dit project, niet in het minst doordat hij me erg inspireerde met zijn totale inzet voor het Oaxaca van vroeger, van nu en van de toekomst. Hij bracht me in contact met andere onderzoekers, wees me op nuttige boeken en gaf me zijn artikelen en manuscripten te lezen. Als ik Oaxaca bezocht, was hij de vriendelijkheid zelve en gaf hij me het gevoel dat ik geen vreemdelinge was, maar een welkome vriendin. Ook de hulp van Eric Mindling van Manos de Oaxaca heb ik zeer gewaardeerd. Hij was een bijzondere gids, die vanaf het begin blijk gaf van een ontspannen houding, gevoel voor humor en veel liefde voor de streek. Eric stelde me voor aan don Ignacio del Rio Duenas, een mede-cochenillefanaat, die me mijn eerste levende Dactylopius coccus liet zien en me een insiderrondleiding gaf in Tlapanochestli, zijn nopal-kwekerij en museum in Santa Maria Coyotopec. En via Eric ontmoette ik ook Fidel Cruz en Maria Luisa Mendoza, die me verwelkomden in hun workshop en me in Teotitlan del Valle lieten zien hoe ik met cochenille kon verven.
Veel lof wil ik uiten voor de toegewijde medewerkers van de bibliotheken en archieven die ik tijdens het werken aan dit boek heb geraadpleegd, waaronder de British Library, de Bodleian, de Koninklijke Bibliotheek, de bibliotheken van Harvard Uni-versity (vooral de Houghton Library, Lamont Library, Wide-ner Library en de Ernst Mayr Library van het Museum of Comparative Zoology), de bibliotheken van Wellesley Collge, Middlebury College en Brandeis University, en het Minuteman Library System. Speciale dank gaat uit naar Jodie Randall, bibliothecaresse van de Jardin Etnobotanico, en de medewerkers van de Waltham Public Library, vooral Tom Jewell, Kate Tranquada en de onvermoeibare Marialice Wade, de supervrouw van Interlibrary Loan Requests.
De grootste steunpilaar van dit boek, en een wervelwind van enthousiasme, vriendelijkheid, scherpzinnigheid en humor was Tina Bennett. Ze begeleidde me bij de eerste plannen voor het boek, gaf wijze adviezen terwijl ik het boek schreef en reageerde enthousiast op elk concept dat ik haar opstuurde. Haar hulp was van onschatbare waarde. Daarnaast ben ik dank verschuldigd aan haar geweldige assistente Svedana Katz en de andere behulpzame medewerkers van Janklow & Nesbit, vooral Cecile Barendsma, Kate Schafer en Cullen Stanley.
Terry Karten en Jane Lawson, mijn redacteuren, ben ik buitengewoon dankbaar voor hun vertrouwen in dit boek en in mij. Naar aanleiding van onze gesprekken deed ik telkens nieuwe inzichten op en hun invoelende commentaar op het manuscript hielp me het boek duidelijker te zien. Als alle goede redacteuren haalden ze meer uit me dan ik wist dat er in me zat. Ik dank ook de vele andere medewerkers van HarperCollins en Transworld/Doubleday die me hielpen dit boek de wijde wereld in te sturen.
Graag bedank ik ook Robbert Ammerlaan van De Bezige Bij, die in het plan voor het boek geloofde; Nick Caistor van de bbc, die me aan Alejandro voorstelde; Toby Greenberg, die fantastisch werk leverde op het terrein van beeldresearch; Vicki Haire, die zeer zorgvuldig het manuscript persklaar maakte; dr. Jo Kirby, die me op de hoogte hield van recente ontdekkingen over het gebruik van cochenille in de schilderkunst; professor Jean Lee, die naar mijn ideeën over cochenille en koloniale rijken luisterde en goede adviezen gaf; dr. Jason Lemon, door wiens proefschrift ik een beter inzicht kreeg in het encomienda-systeem; dr. Sarah Lowengard, met wie ik geestrdiftige virtuele conversaties voerde over kleurgeschiedenis; Tom Reiss, die me een prachtig verhaal over een rode broek vertelde dat in zijn volgende boek, The Oriëntalist, zal komen te staan; dr. Elizabeth Snoddy Guéllar, die me haar conferentiebijdrage over Isaac Vasquez toestuurde; Hester Velmans, die een Nederlands verslag over de invoering van cochenille op Java voor me vertaalde; de artsen Robert Sands, Cynthia Slater, Howard Marton en Carolyn Kreinsen, die zorg droegen voor mijn gezondheid; het personeel en de faculteit van het Middlebury College Science Center, die me toestemming gaven om gebruik te maken van het scheikundig lab; en de Britse Marshall Scholarship Commission, die het onderzoek financierde dat me de eerste keer naar Sevilla bracht.
Voor hun antwoorden op verschillende vragen bedank ik David Austin van Abimelech Hainsworth, mevrouw G. Brewer van het National Army Museum in Londen, Sarah Burge van de Society of Dyers and Colorists, professor J.C.R. Childs van de University of Leeds, Jon Culverhouse van Burghley House, Valeska Hilbig van het Smithsonians National Museum of American History, en Erika Ingham van de National Portrait Gallery. Voor hun opmerkingen over rood en mode dank ik Jenny Xia, Linda McCrerey en Aimee Fitzgerald. De medewerkers van de lijst Natural Dyes op Yahoo waren een bron van kennis over de praktische aspecten van het textielverven. Ze gaven me goede adviezen toen ik zelf met cochenille experimenteerde.
Nancy Werlin, die de eerste hoofdstukken van dit boek las en van wijs en enthousiast commentaar voorzag, ben ik dankbaar voor haar hulp. Patrice Kindl en Diane Davis plaatsten aanmoedigende kanttekeningen bij het voorwoord. Speciale dank gaat uit naar Resa Nelson, getalenteerd schrijfster en goede vriendin, die op een belangrijk moment het hele manuscript las en nuttig advies gaf. Veel dank ben ik ook verschuldigd aan de andere vrienden die me bleven aanmoedigen terwijl ik dit boek schreef, vooral Carolyn en Ted Colton, Mary Jo Fernan-dez, Lisa Firke, Kathi Fisier, Rona Gofstein, Shiram Krishna-murthi, Ben en Linda Labaree en Jenny Turner. Dona Vaughn, die de publicatie van dit boek helaas niet meer heeft mogen meemaken, was een zeer gewaardeerde hulp.
De meeste dank ben ik verschuldigd aan mijn familieleden. Steve Butler stuurde aanmoedigingen uit Duitsland en Jonathan Butler en Valerie Grabiel reageerden zeer enthousiast toen ze van het boek hoorden en gaven goedgetimede reisadviezen. Stephen en Sarah Greenfield zorgden voor een hartelijk welkom in Groot-Brittannië, en Ruth en Grace Greenfield bedolven me onder hun charmes. Pat en Bert Greenfield vertelden me familieverhalen over cochenille, hielpen me met Hebreeuws en voorzagen me van thee, maaltijden en liefdevolle zorg tijdens mijn onderzoek in Londen.
Mijn ouders, Crispin en Barbara Butler, hielpen op talloze manieren. Ze lazen hoofdstukken, stelden schitterende vragen en pepten me op met hun enthousiasme en liefdevolle aandacht. Mijn vader speelde voor alchemist en hielp me Drebbels 'ongeluk' in het lab na te bootsen. Hij fungeerde als privé-we-tenschapsconsulent en wist een aantal zeldzame bronnen voor me op te sporen. Van mijn moeder, die gouden handen heeft met kleding en stoffen, leerde ik mijn leven lang over textiel en kleur. Door me te laten toekijken terwijl zij de stukjes van een quilt neerlegde voor ze deze aan elkaar stikte - en het stiksel lostornde als het niet mooi genoeg was - leerde ze me ook het een en ander over de kunst van het schrijven.
Maar het fijnste vond ik het om dit schrijfavontuur te kunnen delen met mijn man, David Greenfield. In de ruim drie jaar dat dit boek deel uitmaakte van ons leven heeft hij elk hoofdstuk ten minste drie keer gelezen, me op mijn onderzoeks-reizen vergezeld, me geholpen met de verfexperimenten, chemische schema's opgesteld en aan heel wat gesprekken over cochenille deelgenomen. Hij stelde de juiste vragen, gaf wijze adviezen en geloofde vanaf het begin in Het volmaakte rood en in mij. Hij is een continue bron van kracht en vreugde.