ACHTTIEN
De opkomst van de synthetische kleuren betekende een diepgaande verandering in de wijze waarop kleuren werden gemaakt. Landen hoefden niet langer zeldzame insecten of bomen te stelen of koloniën in de tropen te bemachtigen. Wetenschappelijke vindingrijkheid was nu de belangrijkste variabele - plus een flinke voorraad steenkool of aardolie, want daarmee konden er in fabrieken waar ook ter wereld schitterende kleuren worden vervaardigd.
Zo veranderde de internationale strijd om de macht over kleur en kwamen er ook andere winnaars. De lucratieve verf-stoffenhandel was eeuwenlang in handen geweest van koloniale grootmachten als Spanje en Groot-Brittannië. Zij overheersten in dat opzicht Duitsland, een arme conglomeratie van verspreide vorstendommetjes met weinig geluk in de koloniale loterij. Maar in de nieuwe wereld van de industriële scheikunde lagen de kansen voor Duitsland beter. Het land was rijk aan steenkool, blonk uit op wetenschappelijk gebied en had leiders die bereid waren in onderzoek te investeren.
De resultaten van het Duitse programma voor industriële ontwikkeling waren ronduit spectaculair. Aan het begin van de jaren zestig van de negentiende eeuw produceerde Duitsland nauwelijks synthetische kleurstof en minder dan twintig jaar later had het land alle Europese concurrenten achter zich gelaten. In 1881 maakte Duitsland bijna de helft van alle synthetische kleurstoffen ter wereld. Het Duitse marktaandeel bleef stijgen en werd, mede dankzij de octrooiwetgeving, onaantastbaar.
Al sinds de Renaissance bestonden er octrooien op uitvindingen, maar het was altijd erg moeilijk geweest ze te handhaven. Pas eind achttiende, begin negentiende eeuw werden er in veel westerse landen nieuwe octrooiwetten aangenomen waarmee inbreuk op patenten makkelijker kon worden opgespoord en voor de rechter gebracht. Ook de verbeterde communicatie-en vervoersmogelijkheden droegen daaraan bij. Halverwege de negentiende eeuw was het octrooirecht in veel bedrijfstakken, waaronder de textielververij, van vitaal belang geworden.
Met het octrooirecht werd een zekere mate van openheid van de textielververs verwacht. Om bescherming te kunnen genieten moesten ze voldoende over hun geheime technieken onthullen om de octrooiambtenaren ervan te overtuigen dat ze iets nieuws en waardevols hadden ontdekt. Veel textielververs moeten zich daar intuïtief tegen hebben verzet. Geheimhouding was tenslotte lang de hoeksteen van de textielverfbranche geweest, zozeer zelfs dat indiscretie door middeleeuwse stoffenverversgilden in Lucca en elders met verbanning en zelfs de dood werd bestraft. Maar de openheid die door de octrooiwetten werd afgedwongen, had ook voordelen. In de negentiende eeuw genoten textielververs en hun bedrijven een mate van bescherming die zelfs de meest draconische gildenregels nooit hadden kunnen garanderen. Met een octrooi konden stoffen-ververijen ex-werknemers, bedrijfspionnen of wie dan ook voor de rechter dagen als hun verfformules of -technieken werden geïmiteerd. Het tijdperk van de rechtszaak was aangebroken.
De verffabrieken in Duitsland waren zich terdege bewust van de voordelen van octrooien. De Duitse octrooiwetten waren de beste ter wereld, met een uitstekend evenwicht tussen bescherming van de bestaande rechten van uitvinders en stimulering van nieuwe vindingen. Het Duitse patentsysteem had een protectionistische inslag, want Duitse octrooiaanvragen werden bevoordeeld ten opzichte van buitenlandse. De Britse en Amerikaanse octrooiwetten waren veel coulanter ten opzichte van buitenlandse ondernemingen, die patenten konden krijgen zonder ze ooit toe te passen. Dit werkte in het voordeel van Duitse bedrijven, die honderden verfoctrooien aanvroegen in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, en vervolgens weigerden die te gebruiken. De Britse en Amerikaanse verfindustrie kwijnde weg onder al deze beperkende octrooien, zodat Britse en Amerikaanse textielfabrikanten afhankelijk werden van de import van Duitse textielverf.
Dankzij een slimme toepassing van het octrooirecht, wetenschappelijke vindingrijkheid en een wijs gebruik van grondstoffen bouwde Duitsland dus een grote voorsprong op. Rond 1900 produceerde Duitsland viervijfde van alle synthetische kleurstoffen die er op de wereld werden gemaakt. Geen concurrent kwam ook maar in de buurt. Zwitserland was goed voor ongeveer een tiende van de wereldproductie en het overgebleven tiende kwam voor rekening van landen als Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten, die ver achterbleven in de chemische wedloop. Bovendien liep Duitsland voorop bij het kleurstoffenonderzoek, waaruit nieuwe categorieën producten voortkwamen, zoals parfums, medicijnen en de eerste plastics die van koolteer werden gemaakt.
Zelfs William Perkin, het Britse wonderkind van de verf-stoffenindustrie, kon de ontwikkelingen in Duitsland niet bijhouden. Gefrustreerd door de harde eisen van de zakenwereld en het Engelse octrooisysteem, dat zijn ontdekking onvoldoende beschermde, verkocht Perkin in 1873 zijn familiebedrijf. Op de opmerkelijk jonge leeftijd van zesendertig jaar trok hij zich terug in een luxe landhuis. Hij was geen miljonair, maar dankzij het vermogen dat hij met zijn verffabriek had verdiend (ongeveer 100000 pond) hoefde hij niet meer te werken. Hij had thuis wel een laboratorium en bleef wetenschappelijke artikelen publiceren, maar hij hield zich niet meer met de commerciële kant bezig. En daar leek hij geen spijt van te hebben. Hij propageerde matigheid en vegetarisme en besteedde veel tijd aan familie, kerk en liefdadigheid. De briljante chemicus, die in Groot-Brittannië als genie gold, was ook een toegewijd trombonist en amateurgoochelaar. Volgens zijn neef 'was hij in zijn element als hij kinderen vermaakte op schoolfeestjes'.
Hoezeer Perkin ook genoot van zijn sterk vervroegde pensioen, hij maakte zich zorgen dat Groot-Brittannië zoveel terrein verloor aan Duitsland in de branche die hij zelf min of meer had opgebouwd. Nog voordat hij zijn fabriek verkocht, zag hij al tekenen van deze machtsverschuiving. Zijn oude mentor, August Hofmann, had in de jaren zestig van de negentiende eeuw het Royal College of Chemistry verlaten voor een leerstoel in de chemie aan de Universiteit van Berlijn. En Hofmann was niet de enige. In het daaropvolgende decennium keerden ook andere Duitse scheikundigen die in Engeland werkten terug naar hun vaderland, met medeneming van hun expertise. Aan het eind van de negentiende eeuw waren de Duitse onderzoeksinstituten zo geavanceerd dat twee zoons van Perkin die hem in de scheikunde wilden opvolgen, naar Duitsland gingen voor een hogere opleiding in de chemie.
Veel naties stoorden zich aan de Duitse dominantie in de chemische industrie, vooral de Britten, die met spijt terugdachten aan hun vroegere voorsprong. Maar in 1906, toen een aantal wetenschappers zich in Londen verzameld hadden voor een galadiner ter ere van Perkins ontdekking vijftig jaar eerder, verzekerde de Duitse chemicus Carl Duisberg de gasten dat ze zich geen zorgen hoefden te maken. Als hoofd van Bayer, de grootste chemische fabriek van Duitsland, meende Duisberg dat de chemische industrie in Duitse handen veilig was: 'Engeland heeft een hoogontwikkelde steenkool- en ijzerindustrie. Zijn textielindustrie, zowel het spinnen als het weven, is ongeëvenaard. En Engeland heeft meer koloniale bezittingen dan welk ander land ook. Slechts in de koolteer-kleurindustrie moet Engeland genoegen nemen met een tweede plaats... Waarom mag Duitsland op dit gebied nu niet eens de eerste plaats innemen?'
Zeker, waarom niet? Het antwoord werd duidelijk toen kort daarop de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Tegen die tijd was de chemische industrie zo stevig in handen van de Duitsers dat de geallieerde landen voor kleurstoffen bijna geheel van Duitsland afhankelijk waren en er, zodra de oorlog begon, een crisis uitbrak in de textielindustrie. Er waren nauwelijks kleurstoffen van eigen bodem en de meeste waren onstabiel en onbetrouwbaar, wat het moreel binnen de geallieerde landen geen goed deed. Maar het zou nog erger worden, want door de voorsprong in de chemie was Duitsland ook beter dan andere landen in staat om gifgas te produceren.
In 1914 begon het Duitse leger met uiterst geheim onderzoek naar traangas, waarbij vooraanstaande wetenschappers en kleurstofscheikundigen werden ingeschakeld, onder wie Carl Duisberg van Bayer. Toen de onderzoeksgroep na proeven tot de conclusie kwam dat traangas niet krachtig genoeg was voor oorlogsdoeleinden, haalde een jonge hoogleraar, Fritz Haber, zijn collega's over tot het gebruik van chloor, een veel gevaarlijker chemische stof die vaak in de Duitse verfindustrie werd toegepast. Na uitgebreid onderzoek door Haber en consorten liet het Duitse leger in april 1915 bij leper een wolk geelgroen mosterdgas boven de geallieerde linies ontsnappen, die vooral Frans-Algerijnse en Canadese troepen trof. Hun longen werden verwoest en ze stikten in de loopgraven. Zij waren de eerste slachtoffers van de moderne chemische oorlogvoering.
Na leper haastten de geallieerden zich om de Duitsers in te halen. Al snel produceerden zij ook gifgas dat ze inzetten op het slagveld. Maar vanwege de voorsprong die de Duitse kleurstoffenindustrie voor de oorlog had, lag Duitsland ook ver voor met de productie van giftige stoffen. Verfbedrijven als Bayer, Hoechst en Badische werden oorlogsmachines van de Duitse keizer en leverden enorme hoeveelheden gifgas af. Ze produceerden ook andere strijdmiddelen die nauw verwant waren aan de chemicaliën uit de verfindustrie: explosieven.
Aan het eind van de oorlog was er van de Duitse voorsprong op het gebied van industriële chemie weinig meer over. De Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk, Japan, Rusland en Italië hadden ten behoeve van de chemische oorlogvoering geheime laboratoria en fabrieken gebouwd en daarin een gigantische productie bereikt. Na de oorlog bleven deze fabrieken en laboratoria bestaan. Hoewel Duitsland een belangrijke producent van kleurstoffen en andere chemische producten bleef, was de concurrentie enorm toegenomen, ook doordat de geallieerden in het kader van het Verdrag van Versailles aanspraak maakten op de helft van de aandelen in de Duitse verfindustrie en bepaalde rechten op Duitse kleurstofoctrooien.
De geallieerde fabrikanten merkten echter al snel dat de octrooiclausules in het Verdrag van Versailles niet het verwachte voordeel opleverden. Ook in de twintigste eeuw was de stof-fenververij nog met geheimzinnigheid omgeven. De vereiste openheid voor de octrooiwet was niet absoluut en Duitse stoffenververs, en hun collega's elders, aarzelden om al hun beroepsgeheimen aan de octrooiraad te onthullen. De Duitse verfpatenten bevatten dan ook niet alle details die een fabrikant nodig had om winst te maken. Na de oorlog betaalden geallieerde fabrikanten de Duitse fabrieken soms voor licenties en advies om ten volle van hun expertise te kunnen profiteren.
Toch maakten ondernemers uit de geallieerde landen in toenemende mate gebruik van doorbraken die door eigen scheikundig onderzoek waren bereikt. Veel scheikundigen waren hun carrière begonnen in de oorlogsindustrie en hielden zich pas na 1918 met de productie van verfstof bezig. Na de oorlog verbeterden sommige geallieerde landen hun octrooi-wetten zodanig dat de eigen industrie werd bevoordeeld, zoals de Duitse octrooiwetten lange tijd hadden gedaan.
Maar ook met de octrooiwetgeving waren stoffenververs nog bezorgd over industriële spionage, en rivaliteit bleef de regel in de moderne kleurenhandel. De rivaliteit verhevigde nog toen in de jaren twintig het aantal bedrijven in de chemische kleurindustrie flink toenam. Talloze fabrieken uit de oorlogsperiode begonnen in vredestijd verf te produceren. De Europese en Amerikaanse markt werd overspoeld met synthetische kleurstoffen. Om tijdens deze periode van recordproductie de prijzen laag te houden zochten de chemische fabrieken naar nieuwe klanten. Dit deden ze niet alleen in het Westen, maar ook in andere delen van de wereld.
Ten minste sinds de jaren negentig van de negentiende eeuw werden er op de soeks in het Midden-Oosten en de bazaars in Azië naast cochenille en indigo ook synthetische kleurstoffen aangeboden. Maar consumenten in Azië, Afrika en Zuid-Amerika gebruikten in de jaren twintig nog vooral natuurlijke kleurstoffen. Dit lag deels aan een gebrek aan aanbod. De meeste synthetische stoffen werden in het Westen verkocht, zodat er maar een beperkte hoeveelheid voor de rest van de wereld overbleef. En door de transportkosten waren deze duurder dan natuurlijke kleurstoffen die in de niet-westerse landen zelf werden gemaakt. Ook de traditie speelde een rol. Vooral de bewoners van landelijke, verafgelegen gebieden hielden zich liever aan de oude methoden.
De westerse bedrijven achtten deze regio's rijp voor ontwikkeling. Om hun afzet veilig te stellen en rechtstreekse concurrentie te vermijden deelden ze de wereld al snel op in een reeks kartels. Franse bedrijven werd bijvoorbeeld de overhand gegund in Latijns Amerika, en Duitse in het Verre Oosten. Toen de zaken tot onderlinge tevredenheid geregeld waren, overspoelden deze bedrijven de nieuwe markten met synthetische kleurstoffen.
Eerst langzaam, maar daarna steeds sneller drongen deze kleurstoffen door tot in de binnenlanden van Azië, Zuid-Amerika en Afrika, waar ze werden verkocht voor een prijs die zelfs in zeer arme streken betaalbaar was. Binnen enkele tientallen jaren werd de nog resterende handel in cochenille en andere natuurlijke kleurstoffen weggevaagd door de synthetische kleuren. Zelfs in afgelegen dorpen in het bergachtige Oaxaca liep de traditionele verfkunst het gevaar voor altijd te verdwijnen.
Ver voor de Eerste Wereldoorlog waren cochenilleboeren al een zeldzaamheid in Oaxaca. In 1909 meldde de Fransman Léon Diguet dat hij grote moeite had om in Oaxaca nog actieve cochenilleboeren te vinden. 'De nopalkwekerijen zijn de een na de ander verdwenen,' schreef hij. Alleen bij het stadje Ocotlan, een kilometer of dertig van Oaxaca, vond hij ten slotte 'een paar miserabele nopalplantages die nog door autochtonen worden onderhouden'.
Diguet was in een aantal opzichten te pessimistisch. Aan het begin van de twintigste eeuw werd er in verder afgelegen dorpen ook nog cochenille geproduceerd, en volgens een andere bron werden er zelfs in 1932 nog kleine hoeveelheden cochenille uit Oaxaca uitgevoerd. Maar Diguet had gelijk met zijn opmerking dat de industrie op sterven na dood was. Hoewel er nog een beperkte markt voor cochenille bestond, waren de Oaxacanen niet meer opgewassen tegen de concurrentie van producenten uit andere delen van de wereld, vooral de Canarische Eilanden. Het was ironisch genoeg hun langdurige ervaring die hun de das omdeed. Omdat de Dactylopius coccus inheems was in Mexico, kwamen daar ook veel natuurlijke vijanden van de schildluis voor. Op de Canarische Eilanden en in andere cochenilleproducerende gebieden bestonden dergelijke vijanden niet. Voor Oaxacanen was de cochenilleteelt daarom lastiger, duurder en riskanter dan voor andere toppro-ducenten.
Na verloop van tijd zakte ook de lokale markt voor Oaxa-caanse cochenille in. Vanaf de jaren negentig van de negentiende eeuw, zo niet eerder, werd een gedeelte van het Oaxa-caanse textiel met fuchsine, magenta en andere synthetische kleurstoffen gekleurd in plaats van met cochenille. Het gebruik van synthetische kleuren nam na de Eerste Wereldoorlog alleen nog maar toe. De voornaamste reden was waarschijnlijk dat ze minder duur waren. De Oaxacanen moesten hun brood verdienen en het was makkelijker en goedkoper om de nieuwe kleurstoffen en voorgeldeurd garen te gebruiken dan zelf textiel te verven. Maar door deze omschakeling ging de kennis van de traditionele wijze van textielverven bij de meeste Oaxacanen uiteindelijk verloren.
Zelfs in 1947 stond er echter nog in een Amerikaanse reisgids over Mexico dat er Oaxacanen waren die wollen poncho's rood verfden met cochenille, al was deze 'over het algemeen vervangen door anilinekleurstoffen'. Maar tegen die tijd was cochenille snel bezig te verdwijnen. Niet lang na de verschijning van deze reisgids kreeg een Mexicaanse wetenschappelijke expeditie die op zoek was naar monsters van Dactylopius coccus in het ene na het andere dorp te horen dat de cochenilleteelt al lang geleden was stopgezet. Met hulp van Lauro Ramirez, een Zapoteekse boer die twee jaar eerder als laatste in zijn dorp met de cochenilleteelt was gestopt, werden er uiteindelijk bij het gehucht San Agustin Amatengo nog cochenilleluizen gevonden op wilde cactussen.
Om de Oaxacaanse cochenille-industrie voor uitsterven te behoeden deden de leden van de Mexicaanse expeditie wat de concurrenten van Mexico ooit in Madras en op Haïti en Java hadden gedaan: ze kweekten een voorraad cochenille in een botanische tuin en gaven vervolgens populaties door om elders verder gecultiveerd te worden. Aanvankelijk werd er weinig geproduceerd en werd er mondjesmaat levende cochenille verspreid onder vertrouwde kwekers. Er werden ook monsters van de kant-en-klare verfstof naar Mexicaanse ambachtslieden gestuurd om de kunst van het verven met natuurlijke kleurstoffen levend te houden.
Aan het eind van de jaren zestig leek Mexico een grootschalige herleving van het cochenillegebruik tegemoet te gaan. In Noord-Amerika en Europa nam de vraag naar de verfstof toe als gevolg van de trend om natuurlijke producten te gebruiken. Zelfs na een uitbraak van salmonellavergiftiging in New York, die uiteindelijk door een besmette lading cochenille uit Peru bleek te zijn veroorzaakt, verminderde het enthousiasme voor de verfstof niet, deels omdat synthetische kleuren steeds meer in verband werden gebracht met een nog gevreesdere ziekte: kanker. Wetenschappers dachten dat de arbeiders die in de synthetische kleurenindustrie werkten het grootste risico liepen, maar volgens sommige onderzoeken hadden ook consumenten een verhoogde kans op kanker, vooral door rode kleurstoffen. Aan het begin van de jaren zeventig bereikte de ongerustheid een hoogtepunt toen uit Russisch onderzoek bleek dat amarant, dat in de Verenigde Staten als Red no. 2 en in Europa als E123 bekendstaat, als ingrediënt in voedsel of medicijnen kankerverwekkend was. Toen ratten die aan amarant waren blootgesteld kwaadaardige tumoren bleken te ontwikkelen, verbood de Amerikaanse keuringsdienst voor voedsel en medicijnen fda in 1976 het gebruik van deze kleurstof. Critici vonden dat de overheid overhaaste conclusies trok, maar de ongerustheid omtrent synthetische rode kleuren nam in de daaropvolgende tien jaar verder toe. Sommige onderzoekers en consumentengroeperingen zagen niet alleen een verband met kanker, maar ook met astma, adhd, hyperactiviteit en allerlei andere kwalen.
Fabrieken zochten vanwege deze gezondheidsrisico's naar andere, natuurlijker alternatieven. Cochenille werd al snel populair als kleurmiddel dat, voorzover bekend, volkomen veilig was, goed mengde met andere ingrediënten en lang houdbaar bleef. Alleen of in combinatie met andere natuurlijke kleurstoffen konden er verschillende soorten rood, paars, roze en oranje van worden gemaakt voor de voedsel- en cosmetica-industrie. Tegen 1990 was er een heuse renaissance in het gebruik van cochenille ontstaan en werd er wereldwijd weer bijna vijfhonderd ton van geproduceerd.
Sindsdien neemt de productie verder toe. De meeste export gaat naar de Verenigde Staten, Europa en Japan, waar fabrieken uit de gedroogde insecten karmijnzuur extraheren. Hoewel karmijnzuur tegenwoordig ook langs synthetische weg gemaakt kan worden, is dit te ingewikkeld om kosteneffectief te kunnen zijn. Cochenilleluizen zijn nog steeds de meest economische makers van dit zuur, en daarmee is de teelt van deze diertjes ook de enige commercieel interessante manier om de kleurstof te produceren.
Cochenille wordt vrij van insectendeeltjes als vloeistof of poeder verkocht en op Europese etiketten aangeduid als E120, maar ook als 'cochenille-extract', 'karmijn', 'karmijnzuur' of gewoon als 'kleurstof toegevoegd'. De stof wordt in allerlei producten gebruikt: in snoep, ijslolly's, worstjes, yoghurt, fruitsap, roomijs, appelmoes, pudding, kaas, hoestsiroop, rouge, lippenstift, oogschaduw en campari.
Sinds het begin van deze heropleving van cochenille is de productie in Mexico toegenomen, maar wie op een volledig herstel van de industrie had gehoopt, werd teleurgesteld. De concurrentie is fel, want ook in andere delen van de wereld haasten boeren die kansen ruiken zich om aan de vraag naar de verfstof te kunnen voldoen. De Canarische Eilanden, Bolivia, Chili, Zuid-Afrika en nog enkele landen exporteren cochenille, maar Peru heeft veruit het meest van de renaissance geprofiteerd.
Hoewel de Peruanen sinds de oudheid wilde cochenille verzamelen, kweken ze pas vanaf halverwege de negentiende eeuw gedomesticeerde schildluizen. In 1870 was de totale productie nog te verwaarlozen en het had geen verbazing gewekt als de cochenillecultuur tijdens de grote cochenillecrisis van dat decennium geheel verdwenen was. Maar de Peruaanse cochenillecultuur overleefde de crisis. Door de zeer lage lonen, het gunstige klimaat en de afwezigheid van natuurlijke vijanden van cochenilleluizen wisten de Peruanen in het midden van de twintigste eeuw de magere resten van de internationale coche-nillemarkt in handen te krijgen. Toen de vraag in de jaren zeventig weer toenam, bevonden ze zich in de beste positie om er snel aan te voldoen.
Peru produceert nu al enige jaren 80 procent of meer van alle cochenille ter wereld. De jaarlijkse export bedroeg de laatste jaren bijna 1000 ton en de branche breidt zich steeds verder uit. Geschat wordt dat er in afgelegen Peruaanse streken zo'n 40 ooo gezinnen van cochenille leven. Velen verzamelen de insecten in de bergen. Maar zelfs in Peru kent de cochenillehandel problemen, waarvan de onberekenbaarheid van de internationale cochenillemarkt de voornaamste is. De cochenilleprijzen fluctueerden enorm de afgelopen dertig jaar. Alleen al in de jaren negentig schommelde de prijs tussen de 12 en 90 euro per kilo. Sindsdien is de prijs gezakt.
Het voornaamste probleem van de cochenille-industrie aan het begin van de eenentwintigste eeuw lijkt overproductie te zijn, doordat er te snel te veel mensen in de cochenillebranche zijn gestapt. Omdat er aan de verwerkingskant minder concurrentie is en meer winst gemaakt kan worden (de kleurstof is aanzienlijk meer waard dan de schildluizen), breidt een aantal cochenilleproducerende landen, waaronder Peru, de branche ook in deze richting uit. Fabrikanten in Noord-Amerika en Europa kopen de verfstof nu vaak rechtstreeks als poeder of vloeistof in deze landen.
Maar in het Westen is sprake van een toenemende weerstand tegen cochenille, vooral in de Verenigde Staten, waar artsen hebben ontdekt dat cochenillekleurstoffen bij een beperkt aantal mensen levensgevaarlijke allergische reacties kunnen veroorzaken. Veganisten, vegetariërs en dierenrechtenorganisaties protesteren tegen het gebruik van de schildluizen en wijzen erop dat bieten en rode kool ook als kleurstof kunnen worden gebruikt. Ook fabrikanten van kosjere etenswaren zijn niet gerust op de verfstof. De prijs van cochenille is nu tot beneden de 10 euro per kilo gezakt en het is niet duidelijk wanneer die zich zal herstellen.
Dat is verschrikkelijk nieuws voor Peru, maar de reactie in Mexico, het oude cochenillecentrum, is gematigder. De tegenwoordige cochenille-export van Mexico valt in het niet bij die van vroeger eeuwen, ondanks de inspanningen van mensen als Ignacio dei R10 Duenas, een gepensioneerde ingenieur die zich met aanstekelijk enthousiasme op de herleving van de cochenillecultuur in Oaxaca heeft gestort. Oaxaca bevindt zich weliswaar in de voorhoede van de Mexicaanse cochenilleproductie, maar de industrie is nog steeds geen belangrijke factor in de regionale economie.
Doordat cochenille weer beschikbaar is in Oaxaca, werd wel de eeuwenoude textielcultuur nieuw leven ingeblazen en aan een volgende generatie doorgegeven. Toen de kunst van het textielverven met natuurlijke producten bijna was verdwenen, probeerden ambachtelijke wevers als Isaac Vasquez, een Zapoteek uit het stadje Teotidan del Valle, de oude technieken weer op te pakken. Vasquez kleurt wol met cochenille, indigo uit Tehuantepec en kleurstoffen die van mos, de zoete acaciaboom en andere natuurlijke materialen zijn gemaakt. Hij kreeg bekendheid met stoffen, die over de hele wereld worden verkocht. In zijn werkplaats thuis verft Vasquez tegenwoordig nog steeds met cochenille.
Ook andere families in Teotidan werken met natuurlijke kleuren, zoals Fidel Cruz en zijn vrouw Maria Luisa Mendoza, die met hun kleine kinderen aan de rand van de stad wonen. Cruz leerde als kind al weven, maar raakte pas als jonge man in de jaren negentig geïnteresseerd in verfstoffen als cochenille. Omdat er geen leraren waren, haalden zijn vrouw en hij hun kennis uit boeken en vertrouwden ze op wat er binnen de familie nog aan kennis leefde. Aanvankelijk mislukte er veel, maar na verloop van tijd wisten ze de geheimen van de kleur te doorgronden.
Ze betrekken hun cochenille van verschillende Mexicaanse leveranciers, onder wie de Rio Duenas nopalkwekerij in Santa Maria Coyotepec. Mendoza maalt de schildluizen tot een fijn poeder met haar stenen vijzel of metate en Cruz gooit dat in een bubbelend verfbad op een gasvlam. Om het rood te fixeren en te intensiveren roert hij er wat aluin, acaciavruchten en vers geperste limoenen doorheen. Ze laten de wol uren in het stomende verfbad weken. Af en toe trekt Cruz de strengen uit het bad omhoog en laat ze weer terugvallen. Hij wacht geduldig tot de kleur hem bevalt. Aan een lijn die achter hem dwars over de verharde binnenplaats is gespannen, hangen de scharlaken strengen wol te druipen die hij eerder heeft geverfd. De stoffige horizon en de kammen van de bergen op de achtergrond worden door de felgekleurde waslijn in tweeën gesneden.
De met cochenille geverfde garens van de familie Cruz zijn dieper en rijker van kleur dan moderne garens, maar voor veel Oaxacanen blijft deze rijkdom buiten bereik, want Mexicaanse cochenille is soms wel veertig keer zo duur als een soortgelijke hoeveelheid synthetische kleurstof. Het kost ook veel meer tijd om van schildluizen kleurstof te maken. En omdat maar weinig importeurs, toeristen of plaatselijke winkeliers bereid zijn zo veel meer te betalen voor een natuurlijke kleur, gebruiken de meeste ambachtslieden in Oaxaca synthetische kleuren.
Toch staan de familie Cruz en Isaac Vasquez niet alleen. Er zijn meer goede Oaxacaanse stoffenververs die, ondanks de hoge kosten, gebruikmaken van in de streek geproduceerde cochenille en andere natuurlijke kleurstoffen. In de ingewikkelde patronen van hun wollen kleden en tapijten gloeien de stroken cochenille als rood vuur op als een teken van een uitstervende kunst die behouden bleef, als een talisman van de gloriedagen van weleer.