TWEE
Op 3 februari 1587 kwamen in de grote zaal van Fotheringhay Castle driehonderd mensen bijeen om een koningin onthoofd te zien worden. Maria Stuart was betrapt bij het beramen van een opstand tegen haar nicht Elizabeth 1 en na veel getalm ten slotte wegens verraad ter dood veroordeeld. De gasten die het geluk hadden om voor de bloederige gebeurtenis te worden uitgenodigd, namen plaats rond een inderhaast opgebouwd, met zwart fluweel bekleed podium. Het publiek viel stil toen de gevangene werd binnengeleid.
Maria was een lange, indrukwekkende vrouw, die bekendstond om haar schoonheid en haar gevoel voor drama. Die morgen was ze gekleed als een elegante non, in een lang zwartsatijnen gewaad, afgezet met zwart fluweel. Om haar middel had ze twee rozenkransen gebonden, symbolen van het katholieke geloof dat ze weer hoopte in te voeren in het protestantse Groot-Brittannië. Haar kastanjebruine haar was bedekt met een lange witte sluier. Maar toen ze op het podium haar mantel en sluier had afgelegd, had ze niets kloosterachtigs meer, want onder het zwart en wit droeg ze een donkerrode fluwelen uitstaande onderrok en een donkerrood satijnen lijfje. In deze dracht naderde ze de gemaskerde beulen.
De verzamelde menigte dacht bij deze kleurrijke kleding aan veel meer dan aan het bloederige einde dat ze te zien zouden krijgen. In het Engeland van de Tudors - en in de rest van Europa - was rood de kleur van het martelaarschap, van moed en van koninklijk bloed. Het was dus een uitdagende dracht voor iemand die wegens verraad was veroordeeld. Door dit tartende gebaar kreeg ze des te meer waardigheid op het moment dat ze haar hoofd op het blok legde.
Rood was rijk aan betekenis en had veel prestige in het Europa van de Renaissance. Hoewel elke kleur een eigen symbolische waarde had (volgens een populair werkje stond groen voor liefde en blijdschap, en wees turkoois op jaloezie), kon geen ervan in belang en verscheidenheid wedijveren met rood. De vele betekenissen waren ontleend aan zeer verschillende bronnen, die soms meer dan duizend jaar oud waren.
Sommige betekenissen kwamen zelfs uit de oude Hebreeuwse cultuur. In de joodse traditie was rood een kleur van enorme betekenis en complexiteit. Het symboliseerde niet alleen de mens (Adam betekent 'rood' in het Hebreeuws), maar ook de godheid in de vorm van een brandend braambos. Felrood was de kleur van het bloedoffer en stond symbool voor de zonde die met het offer moest worden goedgemaakt. 'Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw,' luidt vers 1:18 vanjesaja. Rood had nog andere connotaties, die te maken hadden met rijkdom, oorlog en seksuele liefde. In Hebreeuwse teksten dragen rijke mannen en dappere soldaten vaak rode kleding. In het Hooglied worden de lippen van de bruid vergeleken met 'scharlaken draad'. Net als in veel andere culturen werd rood in de joodse cultuur ook geassocieerd met de ultieme manier om van schaamte blijk te geven, het blozen. Deze ingewikkelde en soms tegenstrijdige wirwar van betekenissen behoorde tot de rijke erfenis die de mens uit de Renaissance had meegekregen en waarvan het merendeel via de bijbel was overgeleverd.
Associaties met de kleur rood werden tijdens de Renaissance ook sterk beïnvloed door de klassieke cultuur. Net als voor de joden was rood voor de oude Grieken en Romeinen een goddelijke kleur, die prominent aanwezig was bij huwelijken, begrafenissen en andere rituelen. De binnenkant van heilige tempels en de standbeelden van Romeinse goden waren soms rood geschilderd. In de klassieke oudheid werd rood ook geassocieerd met het grootste hemellichaam, de zon, die door kunstenaars werd afgebeeld als een gloeiende rode schijf met witte, roodachtig gele en gouden stralen.
Bij de Grieken en Romeinen werd rood - eveneens zoals bij de joden - met oorlog in verband gebracht. De Griekse historicus Xenophon schreef dat de oorlogszuchtige Spartanen rode mantels het geschiktst vonden voor de oorlog, misschien omdat bloedvlekken er minder zichtbaar op waren, zodat ze onsterfelijk leken. Later was de macht van de Romeinen voor een groot deel op de in scharlakenrood gehulde legioenen gebaseerd. In het gehele Romeinse Rijk stond de rode tuniek voor de man die de soldateneed had gezworen en niet meer onder de normale wetten viel. Als de bevelhebber hem daar opdracht toe gaf, mocht hij mensen doden zonder strafte hoeven vrezen.
Binnen de burgermaatschappij profiteerde rood van de associatie met purper, de kostbaarste verfstof in de Oude Wereld. Dit keizerlijke paars, dat werd gemaakt van de purperslak, bestond in feite uit een hele reeks kleuren, waaronder diep scharlaken, karmijnrood en violette tinten. Voor mensen uit de klassieke oudheid waren de intensiteit en de glans van de kleur net zo belangrijk, zo niet belangrijker, als de kleur zelf. Om genoeg purper te krijgen voor één enkel kledingstuk moesten stoffenververs duizenden slakken pletten en dit maakte het tot een berucht dure kleurstof. In de vierde eeuw, onder keizer Diocle-tianus, kostte een pond van het beste purper 50 000 denarii en was het dus letterlijk zijn gewicht in goud waard. Minder dure soorten kostten 16 000 denarii per pond, nog steeds een enorm bedrag in een tijd dat steenhouwers 50 denarii per dag verdienden.
Vooral vanwege de kosten werd antiek purper in de klassieke wereld een belangrijk symbool van macht en prestige. 'De officiële fasces van Rome, de takkenbundel samengebonden rond een bijl, baant er paden voor,' schreef de geleerde Plinius in de eerste eeuw na Christus in zijn Naturalis historia. 'Het [purper] wordt gebruikt om zich van de gunst van de goden te verzekeren en voegt luister toe aan elk kledingstuk.' Op feestdagen mochten alleen senatoren en andere grote leiders het keizerlijk paars dragen. Onder Caligula, Nero en de keizers uit de vierde eeuw was het voorbehouden aan leden van de keizerlijke familie. Ondanks deze beperkingen gebruikten vele tot de elite behorende Romeinen het antieke purper (of daarop lijkende kleuren) waarschijnlijk voor minder ceremoniële doeleinden. Volgens Plinius werd een dubbel geverfde variant bijvoorbeeld gebruikt 'als bekleding voor eetbanken'.
De mode in antiek purper veranderde mettertijd. Aan het begin van de eerste eeuw gaven de Romeinen de voorkeur aan purper dat naar rood neigde, terwijl de meest begeerlijke tint vijftig jaar later een mengsel was van scharlaken en purper-zwarte kleurstoffen, die volgens Plinius 'de kleur van geronnen bloed [opleverden], op het eerste gezicht zwartachtig, maar tegen het licht gehouden, glimmend'. Maar terwijl de donkere soorten purper meer status kregen, bleven scharlaken en karmijn prestigieuze kleuren in het oude Rome. Hoewel ze vaak met andere kleurstoffen dan purperslakken werd gemaakt, kregen ze door de associatie met de keizerlijke kleur meer glans en waarde. De Romeinen waren vooral onder de indruk van de scharlaken stoffen uit Perzië en oostelijker gebieden, die kennelijk het werk van hun eigen stoffenververs wisten te overtreffen.
Na de val van Rome bleef rood in het voormalige keizerrijk een kleur van grote betekenis. In veel Europese legenden en volksverhalen werd de kleur met bovennatuurlijke krachten geassocieerd, en rood zou veel later een symbolische waarde krijgen in sprookjes (zoals bij Roodkapje of de vergiftigde rode appel van Sneeuwwitje). In veel culturen dacht men dat rood-harigen een speciale band hadden met het bovennatuurlijke en dat rood draad heksen afschrikte. Rijke kinderen kregen een halssnoer van rood koraal als bescherming tegen ziekten, en rode stof zou keelpijn en pokken tegengaan. Dergelijk bijgeloof berustte waarschijnlijk meer op lokale tradities en het geloof van druïden dan op het Romeinse idee van rood als mystieke, machtige kleur. Dat schrijvers van IJsland tot Italië rood met woestheid en moed associeerden, had niet noodzakelijkerwijs iets te maken met de herinnering aan de Romeinse legioenen, maar waarschijnlijk eerder met het feit dat rood universeel met bloed en de bloederigheid van oorlog in verband werd gebracht.
Andere Europese ideeën over rood werden wel rechtstreeks uit de klassieke wereld geërfd, en dat gold nergens meer dan in die meest Romeinse van alle instellingen, de rooms-katholieke Kerk. Vanaf het eind van de twaalfde eeuw was rood een symbool voor de kerkelijke macht en nam de kerk een rood kruis op een wit schild tot embleem. Rood werd officieel uitgeroepen tot het symbool van het Pinkstervuur en het bloed van Christus. Niet-officieel werd de kleur verbonden met belangrijke christelijke concepten als martelaarschap, kruisiging en christelijke naastenliefde. Middeleeuwse kunstenaars beeldden Maria afin een rode of blauwe mantel en op de schilden van kruisvaarders stond vaak een rood kruis.
Maar rood had ook negatieve connotaties, zoals de kerkvaders zich ongetwijfeld bewust waren. Als kleur van het hellevuur kon rood zowel het duivelse als het goddelijke symboliseren - ideeën die minstens teruggingen op de oude Hebreeërs en waarschijnlijk nog verder. Zoals iedereen wist die het Oude Testament las, was de zonde scharlakenrood. Daarom moesten prostituees in sommige steden een sjaal, cape of plaatje met een rode kleur dragen en dienden joden en andere uitgestotenen soms een klein rood merkteken op hun kleding aan te brengen. Ook in het Nieuwe Testament werd rood met zonde in verband gebracht. In het Boek der Openbaringen wordt de antichrist voorgesteld als een 'grote rossige draak' die zich vermeit in het gezelschap van de 'vrouw in purper en scharlaken', de hoer van Babyion, die 'dronken is van het bloed der heiligen en het bloed der martelaren'.
Ondanks deze teksten decreteerde de paus in 1295 dat kardinalen voortaan rode gewaden dienden te dragen. Het ging in feite om een roodachtige tint van het antieke purper, dat de Kerk tegen hoge kosten uit Gonstantinopel liet komen, de enige plek waar de oude Romeinse kleur nog te krijgen was. Maar ook daaraan kwam een einde toen Constantinopel in 1453 door de Turken werd veroverd. Het geheim van het antieke purper ging in de chaos verloren. Kort daarop liet de Kerk de gewaden in een Europese rode kleur verven, die was gemaakt van aluin, in de Renaissance een belangrijk bijtmiddel voor kleuren. Vanaf dat moment hulden kardinalen zich in scharlaken, zodat militante protestanten de katholieke Kerk er later van beschuldigden de hoer van Babyion te zijn, en de paus de antichrist uit de Openbaringen.2
Voor de meeste Europeanen was het nieuwe 'kardinaalsrood' eenvoudigweg een zichtbare uiting van de tijdelijke en geestelijke macht van de paus. Voor hen vertegenwoordigde rood al lang de kleur van koningen, deels doordat antiek purper in middeleeuws Europa zo schaars was dat koningen het vaak moeilijk konden bemachtigen. In de eeuwen tussen de val van Rome en de val van Constantinopel beschikten alleen de Byzantijnse keizers en de hoogste kerkelijke rangen over een bevredigend aanbod van de kleurstof. Sommige Europese vorsten namen hun toevlucht tot goedkopere, met plantenextracten gekleurde stoffen, hoewel die niet zo gemakkelijk te onderscheiden waren van de rossige kleding die handwerkslieden en boeren droegen. Rode stof, die veel te duur was voor het gewone volk, was veel opvallender en extra aantrekkelijk omdat hij werd geassocieerd met koninklijke deugden als moed en succes in de oorlog. Bij middeleeuwse schrijvers staat rood ook symbool voor vuur, 'het nobelste van de vier elementen'. In heel Europa was rood vanaf de Middeleeuwen een teken van koninklijke status, een kleur die niet alleen voor stoffen maar ook voor familiewapens de voorkeur genoot.
Vorsten hadden een voorliefde voor scharlaken- en karmijnrood, maar hoe deze kleuren er in de Middeleeuwen en Renaissance precies uitzagen, is verre van zeker. Kleurbeleving is berucht subjectief. Zelfs op individueel niveau zijn er biologische en cognitieve verschillen in de waarneming, verwerking en benaming van kleuren. Iedereen ziet rood een beetje anders. In de loop van de tijd verandert ook de kleur die bij een naam als 'rood', 'groen', 'bruin' enzovoort hoort. De kleur wordt donkerder of lichter, fletser of juist helderder. Zo kan de betekenis van 'scharlakenrood' van plaats tot plaats, van eeuw tot eeuw, en zelfs van mens tot mens verschillen.
Toch is het mogelijk om in zijn algemeenheid aan te geven wat 'scharlaken' en 'karmijn' tijdens de Middeleeuwen en Renaissance ongeveer vertegenwoordigden. Deze woorden verwezen niet per se naar een kleur, zoals tegenwoordig. Voor stoffenhandelaren en -bewerkers duidden ze vaak op het gebruik van bepaalde soorten rode pigmenten en stoffen. Bij 'scharlaken' ging het bijvoorbeeld altijd om wol van de beste kwaliteit die met een rode, van insecten gemaakte kleurstof was geverfd. Deze leverde in een ander kleurbad soms paarsige, grijze, zwarte en zelfs groene wollen stoffen op, die niettemin in het vak 'scharlaken' werden genoemd. Maar buiten de textielhandel werden de woorden 'scharlaken' en 'karmijn' gebruikt voor de rijke, volle, lichtende rode kleuren die bij de Europeanen al sinds de tijd van de Romeinen geliefd waren. De precieze kleur die bij met de kleurbenaming werd geassocieerd varieerde met de tijd, maar 'karmijn' betekende vaak 'rood dat naar paars neigt', terwijl er bij 'scharlaken' aan een wat helderder kleur werd gedacht.
Hoewel minder zeldzaam dan het antieke purper waren scharlaken en karmijn als kleurstof niettemin kostbaar en konden vroeg-Europese vorsten er niet al te kwistig mee omgaan. Een kleine hoeveelheid van deze kleuren was echter voldoende om van echt koningschap te getuigen. Van Karei de Grote werd bijvoorbeeld gezegd dat hij scharlakenrode leren schoenen droeg toen hij in Rome tot keizer werd gekroond. Latere vorsten, die meer goede rode kleurstof konden krijgen, gaven blijk van hun koninklijke waardigheid door zich van top tot teen in de begeerde kleuren te hullen. Onder de vele vorsten die deze mode volgden, waren Richard n van Engeland, die bij zijn kroning karmijnrode schoenen, broek en toga droeg, en koning Ferdinand van Spanje, die zich liet schilderen in precies dezelfde scharlaken gewaden als die van de Maagd Maria die boven hem zweefde.
Ter meerdere eer en glorie van de vorst mochten degenen die in zijn naam rechtspraken eveneens scharlaken en karmijn dragen. In Schodand, Engeland en het Heilige Roomse Rijk droegen rechters een schitterend scharlaken toga. De leden van het Engelse Hogerhuis waren eveneens in scharlakenrood gekleed. In Frankrijk waren koninklijke magistraten gerechtigd een scharlaken toga te dragen, terwijl de kanselier van de koning in karmijnrood gekleed ging. In Venetië en Florence hoorden scharlaken en karmijnen mantels tot de officiële kleding van hoge bestuursfunctionarissen.
Ook hovelingen droegen soms scharlaken en karmijn, ondanks de enorm hoge prijs van kleding in die kleuren. In de vijf-tiende-eeuwse beschrijvingen van de garderobe van Hendrik vi van Engeland kostte de goedkoopste scharlaken stof per meter negen shilling: meer dan het maandloon van een meestermetselaar. De duurste rode stoffen kostten twee keer zoveel. In Vlaanderen en elders in Europa lagen de prijzen ongeveer even hoog.
Voor degenen die zich dergelijke ongehoorde sommen konden veroorloven, werd fijne rode stof door de prijs juist des te aantrekkelijker. In het fabelachtig rijke Venetië paradeerden jonge aristocraten in scharlakenrode wollen mantels, terwijl degenen die de beste karmijnrode zijde droegen, zich naar men zei a modo principe kleedden - 'op de wijze van een prins'. Elders in Italië droegen de mannen van eliteclans als de Medici, de d'Estes en de Farneses als vanzelfsprekend luxe scharlaken en karmijnen stoffen, zo lijkt het ten minste op de schilderijen van renaissanceschilders als Domenico Ghirlandaio en Giovanni da Oriolo. Luxe rode stoffen werden ook door hooggeplaatste vrouwen gedragen, zoals Lucrezia Panciatichi, die begin zestiende eeuw trouwde met een telg van een vermogende familie van Florentijnse hoogwaardigheidsbekleders. Op een portret van Agnolo Bronzino poseert ze sereen in een schitterende rode jurk, met mouwen die een feest zijn van karmijn en gesmokte scharlaken zijde (afb. 3).
Sommige aristocratische families hulden hun voorouders zelfs na hun dood nog in majesteitelijk rood door portretten in dure rode stoffen van hen te bestellen. Het spectaculairste van deze postume portretten werd in de zestiende eeuw geschilderd door Jacopo Pontormo. Het is van een sombere Cosimo de Medici, gekleed in helder scharlaken (afb. 2). (Het valt moeilijk te zeggen wat Cosimo zelf van dit portret zou hebben gevonden. Hij was een nuchtere bankier die halverwege de vijftiende eeuw een bekwaam heerser van Florence werd en ooit sceptisch opmerkte: 'Een heer maak je al met twee meter stof.')
Aristocraten waren ook om andere redenen dol op de kleur rood. Sommige hooggeboren families bedekten de wanden van hun huis met tapijt waarin rode zijde was meegeweven. Dergelijke tapijten waren veel duurder dan schilderijen, en in die tijd ook stukken begeerlijker. Op deze wandkleden zag je in rood gehulde edele dames en heren wandelen, dansen en jagen tegen een veelkeurige achtergrond. Op andere wandtapijten, zoals het vijftiende-eeuwse tapijt La dame a la licorne (De jonkvrouw met de eenhoorn), dat voor de Franse edelman Jean le Viste werd gemaakt, was de achtergrond van millejleurs op zich een kleurig geheel van scharlaken en karmijn. Er hingen overigens niet alleen rode tapijten aan de wand. Bij de elite lagen er ook op vloeren en tafels weelderige rode kleden, vaak geïmporteerd uit het Oosten. Rood was ook in allerlei andere vormen populair. In kerken en kapellen gloeide het gebrandschilderde glas, en men droeg ringen met robijnen en andere rode edelstenen, die werden geacht de drager tegen het kwaad te beschermen en ziekten van het bloed te genezen. Boeken waren vaak gebonden in rode stof of rood leer. Federigo, de hertog van Urbino, bestelde in de vijftiende eeuw een rijke bibliotheek van Latijnse boeken, waarop van hem werd gezegd dat hij 'alle schrijvers een waardige glans verleende door hun werk in scharlaken en zilver in te binden'.
Zoals de patriciërsklasse van rood hield, zo genoot ook de vermogende middenklasse ervan, zij het in beperkter mate. Kooplieden, rechtsgeleerden en welgestelde kunstenaars droegen soms scharlaken- en karmijnrode kleding, waarmee ze af en toe zelfs de weeldewetten overtraden. In de Ghaucers Canter-bury Tales verklaart de uitbundige Wife of Bath dat motten en mijten geen kans hebben om haar 'fleurigste scharlaken jurk' op te eten, aangezien ze hem altijd aanheeft. Mannen die in de Renaissance maatschappelijk succes hadden, droegen graag een scharlakenrode hoed of muts. Sommigen hadden zelfs een scharlakenrode tulband op, zoals te zien is op een portret van Jan van Eyck uit de vijftiende eeuw (afb. 4). De flamboyante tulband staat weliswaar wat vreemd boven de nuchtere trekken van Van Eycks zuinig kijkende model (het gaat wellicht om een zelfportret), maar voor renaissancekooplieden en -kunstenaars was een scharlaken tulband een goed middel om zichzelf aan te prijzen, een exotische manier om te laten zien dat ze succes hadden op de internationale markt en geld hadden voor de aantrekkelijkste rode kleurstoffen.
Diepe, rijke rode kleuren waren ook populair onder boeren, maar vanwege de hoge kosten en de strenge weeldewetten kregen zij zelden de kans om rood te dragen. Ze konden zich hooguit oranjerode of rossige kleding veroorloven, die, als de kleur wat helder uitviel, trouwens ook tegen de weeldewet of het plaatselijke gebruik kon indruisen. In sommige streken had de bevolking duidelijk een hekel aan de weeldewetten; in Duitsland eisten boeren bijvoorbeeld in 1525 tijdens een opstand onder andere het recht om rood dragen.
Terugkijkend vanuit een tijd waarin rood alomtegenwoordig is, valt het grote verlangen naar deze kleur misschien moeilijk te begrijpen. Maar tijdens de Renaissance was deze begeerte maar al te reëel - en nam toe naarmate de welvaart steeg. Het feit dat helderrode stoffen zeldzaam bleven, maakte ze des te begeerlijker.
Rode stoffen waren vooral zeldzaam omdat rode kleurstoffen schaars waren. Slechts een handvol substanties leverde een rode kleurstof op, en sommige, zoals henna, waren niet geschikt om kleding mee te verven. Andere waren moeilijk te vervoeren en waren duur of gecompliceerd in het gebruik.
Zelfs de populairste rode verfstof in Europa, meekrap, had ernstige tekortkomingen. Meekrap is een van de oudste bekende verfstoffen. Het werd al in het oude Egypte en China gebruikt en was waarschijnlijk het rood waarmee Griekse en Romeinse krijgslieden zich insmeerden. De sterke en verhoudingsgewijs goedkope verfstof wordt gewonnen uit de wortels van de mee-krapplant, die behoort tot de overvloedige walstrofamilie (of Rubiaceae). Meekrap kan door iedereen worden verbouwd, maar goed rood van meekrap maken is een precies karweitje, waar enig geluk bij komt kijken, omdat de meekrapwortel sterk in kwaliteit verschilt en de kleurstof gevoelig is voor alkaliteit en temperatuur. De meeste soorten meekraprood neigen naar oranje, en stoffenververs kwamen vaak uit op koraalrood, roodbruin en steenrood, die vaak goedkoper en makkelijker met andere plantaardige kleurstoffen konden worden gemaakt.
De enige stoffenververs die wisten hoe ze een consistente rijk rode kleur uit meekrapwortel konden maken, woonden in het Ottomaanse Rijk, in India en andere Aziatische landen. Deze kleurstof, die door Europeanen 'Turks rood' werd genoemd, was het best te gebruiken bij katoenvezel, maar katoen was zeldzaam in het Europa van de Renaissance. Het ingewikkelde proces vergde ruim drie maanden en meer dan twaalf stappen, waarbij onder andere ranzige olijfolie, koemest en bloed aan het verfbad werden toegevoegd. Ondanks deze onappetijtelijke ingrediënten wilden Europese ververs zich de techniek maar al te graag eigen maken. Door de complexiteit van het procédé en de begrijpelijke neiging van de stoffenververs uit het Oosten om hun methoden geheim te houden, slaagden ze daar pas in de achttiende eeuw in. Ondertussen waren de lagere en middelste standen heel tevreden met het oranjerood van de meekrapwortel. Maar de hoogste stand nam alleen genoegen met het presti-gieuzere scharlaken of karmijn.
Om aan het verlangen naar deze zeldzamer kleuren tegemoet te komen maakten ververs gebruik van kostbare stoffen als brazielhout, de algemene term voor een aantal tropische hardhoutsoorten die voorkwamen in het Oosten. Van brazielhout kwamen diep karmijnrode en paarse kleurstoffen, die gewoonlijk al snel verbleekten tot een modderig paarsbruin. Om die reden werd het 'bedrieglijke brazielhout' vaak vervloekt als een 'valse kleur'. De kleurstof had bovendien de neiging om de textiel stijf te maken. Maar vanwege de schaarste aan goede verfstoffen bleef brazielhout waardevol. Toen er in Zuid-Ame-rika nieuwe soorten waren ontdekt, werd de hele streek triomfantelijk 'Brazilië' genoemd.
Een andere belangrijke verfstof was orseille, die gemaakt werd van een korstmos dat op rotsen aan de kust groeide. De kleurstof was bekend in de klassieke oudheid en werd eeuwenlang in het Midden-Oosten gebruikt. In 1300 ontdekte een Florentijnse koopman de formule en deed daarna fantastische zaken met de export van rode stoffen. Maar orseille had net als brazielhout de neiging om te vervagen, wat veel kopers een ernstig nadeel vonden.
Een rode verfstof die Europese stoffenververs voor nog grotere problemen stelde, was stoklak, waarvan schellak werd gemaakt. Stoklak komt in de natuur voor in India en Zuidoost-Azië en wordt gemaakt van de schildluis Laccifer lacca, die op bomen een plakkerige hars uitscheidt. De hars werd verzameld met de schildluis er nog in. Hij maakte vuurrode vlekken op hout, maar op textiel waren de resultaten minder. Europese stoffenververs hadden moeite met deze dure, gomachtige substantie en maakten er vooral gebruik van om leer te verven.
Ververs die brazielhout, orseille en lak niet goed genoeg vonden, gebruikten rode verfstoffen die heldere, duurzame kleuren opleverden: kermes van de kermeseik, en Pools en Armeens rood. Deze kleurstoffen kwamen alledrie van aan stoklak verwante insecten, en deden het veel beter op dierlijke vezels als wol en zijde dan op plantaardige vezels als katoen en linnen.
Kermes van de kermeseik levert sinds mensenheugenis een belangrijk pigment voor verfstoffen. Ten tijde van het Romeinse Rijk was Spanje een vooraanstaande leverancier; het land betaalde de helft van het tribuut dat het aan Rome verschuldigd was in de vorm van deze verfstof. Kermesschildluizen kwamen voor in warme, droge streken langs de Middellandse-Zeekust en in het Midden-Oosten. Ze zaten op de bladeren en takken van de kermeseik en werden in de lente verzameld. Er waren verschillende soorten, maar de schildluis die de beste kleur opleverde en daarom het meest werd gevraagd, was de Kermes vermilio. De insecten werden met stoom en azijn gedood en vervolgens gedroogd, geplet, voor de verkoop verpakt en aan stoffenververs rond de Middellandse Zee en verder verkocht.
Pools rood, in het Engels St.John's blood, was afkomstig van het insect Margarodes polonicus. Er werden soms tienden en pacht mee betaald in de regio waar het werd gekweekt, in Oost-Europa, Rusland en Klein-Azië. In Oost-Europa werden de insecten gewoonlijk in juni en juli verzameld, vanaf de feestdag van de heilige Johannes - vandaar de naam St.Johns blood. In tegenstelling tot de kermesluis, die in de openlucht gedijt, leeft de Poolse schildluis op de ondergrondse wortels van de scleranthusplant, zodat verzamelen een moeizaam karwei was. Aangezien er per plant slechts ongeveer veertig minuscule insecten op de wortels zitten, moesten er duizenden planten worden uitgetrokken en schoongemaakt om voldoende verfstof te verkrijgen. De grasachtige bosjes werden vervolgens weer geplant, maar vaak verdorden ze toch, zodat er nieuwe planten gekweekt moesten worden en de kostbare verfstof nog duurder werd. Maar de luizen leverden een prachtige kleur op, die door stoffenververs vaak meer werd gewaardeerd dan die van de kermesluis.
Ook Armeens rood was populair. Het werd gemaakt van het insect Porphyrophora hameli, een parasiet die gedijt op de wortels en stelen van bepaalde grassoorten in Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Turkije en Iran. Armeens rood was moeilijk te oogsten, evenals de Poolse variant. De insecten kwamen iedere herfst plichtsgetouw uit hun ondergrondse schuilplaats te voorschijn, maar slechts kort. Bij het verzamelen had men al snel de verkeerde insecten te pakken. Maar als de Armeense schildluizen eenmaal waren verzameld, gedood en verwerkt, was het rood bijzonder waardevol. Het was zeer geliefd bij de Assyriërs en Perzen (de eerste vermelding van Armeens rood dateert uit de achtste eeuw voor Christus), maar was vanwege het hoge vetgehalte lastig te gebruiken als textielverf. In het middeleeuwse Europa werd het door velen als de beste verfstof beschouwd.
Moderne scheikundigen hebben aangetoond dat de kleur van deze drie van insecten afkomstige pigmenten van nauw verwante moleculen afkomstig is. Zelfs tegenwoordig hebben experts moeite om de kleurstoffen met het blote oog van elkaar te onderscheiden. Ten tijde van de Renaissance leken ze zo op elkaar dat vaak dezelfde naam werd gebruikt. Sommigen in de Engelssprekende wereld noemden ze alle drie grain, wat terugging op het Romeinse granum, dat 'korrel' of 'zaad' betekent, maar ook de benaming was voor kermes. De gedroogde insecten werden aanvankelijk voor zaadjes van gedroogde bessen versleten, een opvatting die lang bleef bestaan in het Europa van de Renaissance.3 De rode verfstoffen werden ook wel 'vermiljoen' genoemd, naar het Latijnse woord vermiculum, dat 'kleine worm' betekent - eveneens een verwijzing naar een oud idee over de herkomst van de verfstof.
In de veertiende eeuw raakte het woord 'kermes' in zwang als term voor de kleurstoffen. Het was afkomstig van het Arabische woord voor het insectenrood, kirmiz (hieruit ontstond ook het woord 'karmijn'). Net als vermiljoen betekende kirmiz 'worm', hoewel waarschijnlijk slechts weinig mensen zich daarvan bewust waren. Het woord 'kermes' verwees aanvankelijk alleen naar het geïmporteerde Poolse en Armeense rood, maar werd in de zestiende eeuw een algemene aanduiding voor alle drie de insectenkleurstoffen.
De soorten kermesrood werden soms samen met andere verfstoffen gebruikt om zwart, violet en andere kleuren te maken, maar als kleurstof om textiel diep scharlaken- of karmijnrood te verven waren ze het waardevolst. Ze werden als de edelste verfstoffen beschouwd en waren daarom duur, zoals blijkt uit de prijslijsten van twee Florentijnse textielververijen uit de Renaissance. Bij de ene ververij kostte kermesverf bijna twee keer zoveel als groene kleurstof en meer dan drie keer zoveel als geel of lichtblauw. Bij de andere was het prijsverschil zelfs nog groter: daar lagen de kosten om een stof fel scarlatto-rood te verven tien keer hoger dan die voor hemelsblauw.
Kermesrood was altijd kostbaar, maar in sommige handen werd het nog meer waard. Vooral de Venetiaanse stoffenververs stonden bekend om hun prachtige rode verstoffen. Als belangrijke zeemacht beheerste Venetië de handel tussen Europa en het Oosten. De stad handelde niet alleen in zijde, specerijen, slaven en edelmetaal, maar ook in kermes en andere kwaliteitspigmenten voor de stoffenververij. Door dit meesterschap en de rijkdom die dit opleverde, werden de Venetiaanse stoffenververs, onder wie de vluchtelingen uit andere steden, zoals de Lucchezen en hun nakomelingen, geïnspireerd tot het ontwerp van allerlei opvallende kleuren rood. Iedereen was jaloers op hun diepste, schitterendste rood, dat in Europa bekendstond als 'Venetiaans scharlaken'. Overal probeerden stoffenververs dit na te maken, zonder dat dit ooit lukte - misschien omdat niemand eraan dacht arsenicum toe te voegen, dat de Venetianen gebruikten om de helderheid van hun kleurstoffen te vergroten.
Dat de stoffenververs van Venetië rijk en machtig werden, was deels te danken aan geheimhouding van het procédé van het Venetiaans scharlaken. Behalve de gebruikelijke gildenre-gels die straf oplegden aan leden die geheimen prijsgaven, verspreidden ze enge verhalen om mensen te ontmoedigen in hun ververijen rond te hangen. Uiteindelijk gingen deze verhalen een eigen leven leiden. Er zou een witte geest rondwaren in de ververswijk. En een spook met een zwarte cape en breedgerande hoed jaagde met een bovennatuurlijke lantaarn in de hand op mensen die zo dwaas waren om na zonsondergang in de buurt van de ververijen te komen.
Dergelijke verhalen hielpen lange tijd het geheim van het Venetiaans scharlaken te beschermen, maar vanaf het begin van de zestiende eeuw verloor Venetië terrein als centrum van de textielververij. Door de Turkse verovering van Constantino-pel in 1453 gingen veel contacten met handelaren uit het Midden-Oosten verloren. De voortdurende groei van het Ottomaanse Rijk baarde de Venetiaanse handelaren bovendien veel zorgen. Nog erger voor de Venetianen was dat de Portugezen een nieuwe route naar Indië hadden ontdekt, om Afrika heen. Met deze ontdekking, en wat later de ontdekking van Amerika door de Spanjaarden, verschoof het zwaartepunt van de Europese handel van Venetië naar het Iberisch schiereiland. Toen het gerucht Venetië bereikte dat de Spaanse conquistadores in de Nieuwe Wereld een spectaculaire nieuwe kleurstof hadden ontdekt die minstens zo helder was als Venetiaans scharlaken, moet dat de laatste druppel hebben geleken.
Was het gerucht waar? Venetië - en heel Europa - wachtte
af.