Dwaze vrouw, hoopte je echt dat er maar één realiteit bestond? Luister, achter elke schaduw hurken de Anderen en weinigen kleden zich in menselijke gestalten.
- De leringen van de Matriarch
1
Haar ouders slapen en het laatste televisiescherm is gedoofd. Steels schuift Melissa het raam omhoog en ploft neer tussen de tulpen van de voortuin.
Fluister een woord. Ja, dit, en het Woord kruipt als een koude slak uit haar mond. De geknakte tulpen veren overeind, de geplette aarde wordt rul en wist haar voetsporen uit.
De nacht drukt solide op een stad waarin enkel nog neon-reclames branden. Hoog boven haar in de zwarte hemelkoepel zengen de sterren. (‘Zonnen zijn het, Melissa,’ had haar leermeesteres gezegd, ‘grote blobbels vuur en ver weg. Miljoenen jaren wandelen voor een gewoon mens, maar voor een meisje als jij hoogstens een Woord ver.’)
Ze rent over de lege snelweg. Kil, oranje licht sijpelt uit de lantaarns omlaag. Haar handen kleuren grijs. Alsof ze een van die dode mensen is, die in dunne nevels uit hun grafkisten wegdampen en dorstig (‘Dorstig als de woestijn na duizend jaar zonlicht, Lissa, dorstig als je vader zonder bier op zaterdagavond, dorstig.’) loeren op dronken feestgangers.
Ze doet twee, drie snelle danspassen. De glans van de lantaarns verschuift naar geel en wordt een halve seconde even intens als daglicht. Een vogel begint te zingen, zwijgt abrupt en drukt zich huiverend tegen zijn boomtak aan.
‘Ogen die zien,’ fluistert Melissa, ‘in lichamen van ijdel vlees, wees blind voor mij in naam van...’ en ze noemt iemand die ouder dan de aarde en wreed als de natuur zelf is. Iemand die eigenlijk geen geschikt gezelschap vormt voor meisjes van acht.
Nu kan ze pas echt rennen. Als haar voeten het zwarte, wegflitsende asfalt nog raken is het per ongeluk. Ze zweeft over de manege waar ze elke zondag les krijgt: paarden hinniken een krachteloos protest.
Aanvankelijk is ze licht als distelpluis. De wind speelt met haar, duwt haar omlaag, sliert haar langs boomtoppen, maar dan pakt Melissa de wind stevig vast (Niet met haar handen. O nee, natuurlijk niet met haar handen!) en weeft een storm.
Tachtigduizend kilometer boven haar registreert een weersatelliet een onverklaarbaar hogedrukgebied.
Het zal onverklaard blijven. Zij nestelt zich in de orkaan, die haar zacht en verend als eiderdons omsluit.
Er is licht, er is duisternis, er is het krijsen van vliegende dingen die beslist geen vogels zijn en dan rijst de askleurige middernachtszon in het westen en strijkt Melissa neer in Avalon.
Uit gewoonte werpt ze een blik op haar polshorloge. De secondewijzer beweegt niet langer.
Ze knikt en een klein beekje tevredenheid stroomt door haar lichaam.
Ze vindt haar vriendin aan de rand van de grote, rechtopstaande stenen. Deze schemerdag draagt Morgana een oud lichaam: haar gezicht is een masker van rimpels, haren een pruik van geloogd, slierend rendiermos, armen als knoestige takken.
‘Jasses, Gana,’ klaagt Melissa, ‘waarom doe je dat? Je lijkt nog ouder dan mijn oma!’
De vrouw lacht, haar brede kwaakmond klapt open en Melissa vangt een onaangename glimp op van lange, bruine tanden.
‘Deze gestalte behaagt mij, liefje,’ zegt ze. ‘Vandaag tenminste.’
‘Maar je bent niet echt oud!’ werpt Melissa tegen en ze probeert niet rechtstreeks naar haar vriendin te kijken. ‘Ik bedoel in Avalon is toch geen tijd? Geen tijd om oud te worden? Dat zei je zelf.’
‘Ay, lieve, kleine onwetende Lissa. In Avalon is tijd net als overal. Alleen zijn wij onsterfelijk. Dat is iets anders dan geen tijd. En natuurlijk, de tijd verloopt hier trager. Precies 28.715 maal zo traag.’
‘Waarom eigenlijk?’ vraagt Melissa, leergierig als altijd.
Morgana haalt haar schouders op, mompelt iets over de hartslag van de Kneders en afwijkende droomgradiënten. ‘Leer je nog wel, Lissa. Als je ouder bent.’
‘Oh,’ zegt Melissa een beetje teleurgesteld.
‘En wat heb je vandaag gedaan?’ vraagt Gana.
Melissa bijt nadenkend op de binnenkant van haar wang.
‘Allebei? Mensendingen en toverdingen?’
‘Allebei,’ zegt Morgana. ‘Zal ik dit lichaam maar uitdoen, liefje? Vind je het echt vervelend?’
Melissa knikt. Een snel, bedeesd kleine-meisjes-knikje.
Morgana wrijft over haar buik. Haar vel splijt open en begint te roken. Verfrommelde repen huid pellen los. De wind smijt ze omhoog en ze verdwijnen in de koperkleurige schemering.
Morgana trekt een laatste flard los en spreekt een Krimpwoordje dat klinkt als de doodskreet van een veldmuis.
Ze ploft aan Melissa’s voeten neer: een klein, blond meisje met kattenogen.
‘Vertel op, Lissa. Ik ben benieuwd.’
‘Oké,’ zegt Melissa. ‘Ik stond op en at een bord cornflakes en daarna ging ik naar school. De meester vertelde over strokartonfabrieken in Drente, vroeger dan, en waar...’
‘Wacht!’ zegt Morgana. ‘Wat is strokarton?’
‘Eh ja, je neemt stro. Dat is gedroogd graan, het stuk dat je niet opeet dan. En dat maken ze heel klein en dan drukken ze er heel hard op, met lijm geloof ik, en dan heb je karton.’
‘Tss,’ zegt Morgana, ‘je woont in een vreemd soort wereld.’
‘Ja en daarna ging ik met Robbie naar de speelplaats. Robbie is mijn vriendje en...’
‘Je vriendje, Lissa?’ zegt Morgana, ‘een mensenvriendje?’
Haar stem krijgt iets schrils en ze spreekt ‘mensenvriendje’ uit alsof het iets smerigs is dat aan haar schoenzool is blijven kleven en nu een vieze veeg op het tapijt heeft gemaakt.
‘Ja,’ zegt Melissa verschrikt. ‘Wat is er mis? Ik ken Robbie pas twee dagen!’
‘Melissa,’ zegt Morgana. (En nu wordt ze echt bang. Haar vriendin noemt haar nooit Melissa.) ‘Heb je hier soms geen vriendjes genoeg? De kleine jongens met de horentjes en de meisjes van de bomen?’
‘Ja maar,’ begint Melissa en dan stopt ze abrupt. Bijna had ze gezegd: ‘Maar die zijn niet echt! Die zijn van hier!’ Voor Morgana zijn flats en bussen en zakjes chips de onechte dingen, de droomdingen. Als Morgana uit de rand van haar ooghoeken kijkt ziet ze vliegtuigen en juwelierswinkels, vage flitsen die verdwijnen als je er rechtstreeks naar kijkt.
Net als de dinosaurussen en eenhoorns die Melissa uit haar ooghoeken op drukke verkeersrotondes ziet grazen. Alleen als ze de orkaan berijdt kan ze het solide Avalon achter die schimmige beelden bereiken.
‘Ik wist niet dat het verkeerd was,’ besluit ze lam.
‘Och verkeerd...,’ Morgana zucht. ‘Er is nog niets mis gegaan. Vertel verder.’
‘Ik viel van de schommel,’ zegt Melissa, ‘en toen draaide ik de tijd terug en ik zat weer op de schommel en de tweede keer hield ik mij stevig vast en toen viel ik niet!’
‘Je leert snel, Lissa.’ (Gelukkig, ze noemt me weer Lissa!) ‘Een maand geleden had je de tijd nog niet kunnen omdraaien.’
‘Ik zag ook een, hoe noem je die ook weer? Zo’n hagedis met een lange nek en neusgaten bovenop zijn hoofd. Erg groot.’
‘Brachiosaurus,’ zegt Morgana. ‘Fantastisch, Lissa! Hun wereld ligt opvallend ver van de jouwe. In alle nabije realiteiten heeft een inslaande komeet de dinosaurussen uitgeroeid.’
‘Is die wereld echt heel ver?’ vraagt Melissa. Ze wil graag dat het zo is. Misschien vergeet Gana haar mensenvriendje dan.
‘Veel verder dan Avalon,’ zegt Morgana. ‘Je weet toch nog wanneer onze werkelijkheid en die van jullie uit elkaar dreven?’
‘Twee miljoen jaar geleden,’ antwoordt Melissa prompt. Het getal zegt haar niets. Duizend vindt ze al te veel om zich voor te stellen en miljoen is duizend maal duizend.
‘Precies. Toen gingen de Australopithecus en jouw voorouders, je weet wel, die mensen in berenvellen, elk een andere kant op.’
‘De slag om Tsillinidaneth,’ knikt Melissa. Ze kan het verhaal bijna letterlijk citeren. Hoe magiërs van beide partijen elkaar bestreden met getemde bliksems en zonnevuur en complete continenten vernielden. Een strijd die zo hevig was dat de tijd zelf in twee richtingen gesplitst werd en de vijandige rassen elk in een nieuwe realiteit terecht kwamen waarin de ander niet langer bestond.
‘Goed zo,’ zegt Morgana. ‘Ja, bij jullie stierven mijn voorouders uit en bij ons...’
‘stierven de mensen uit,’ vult Melissa gretig aan. Plotseling krijgt ze een naar idee. Een paar dagen geleden heeft ze ‘Australopithecus’ in een boek over oerdieren opgezocht. Grote, kromme apen waren het. Met overal haar en kleine, gemene oogjes. Zou Gana? Ze kan er precies zo uitzien als ze zelf wil, maar als ze nu eigenlijk, haar echte lichaam...
Morgana’s lach tinkelt door de schemering.
‘Lissa toch! Dat was lang geleden, erg lang geleden. Heb je geen plaatjes gezien van je eigen voorouders? Waren die niet ook erg harig?’
Ze springt overeind, klapt in haar handen. Morgana groeit. Haar armen worden dun, haar krullen verkleuren tot een diep kastanjebruin. Voor Melissa staat een vreemdelinge, slank als een berkenboom, beweeglijk als zeewier. De grote gouden ogen lijken met een eigen, intern licht te stralen.
‘Gana...,’ fluistert Lissa met een vreemde mengeling van angst en ontzag, ‘jij bent mooi, zo mooi, ik...’ Ze begint te huilen.
‘Wat is er, liefje?’ vraagt de vreemdelinge. ‘Maak ik je bang?’
Melissa schudt woest haar hoofd. ‘Nee, nee! Jij, jullie zijn zo mooi! En ik niet, ik ben maar een mens.’
‘Lissa!’ zegt Morgana en nu klinkt ze streng, ‘Het is niet jullie, het is wij! Jij bent een van ons. Straks kun jij ook zijn wie je maar wilt. Ik trek toch ook elk lichaam aan waar ik zin in heb? Dit was gewoon mijn eerste lichaam. Niks bijzonders. Enkel mijn eerste.’
En zij wordt een vogel, een leeuw met blauwe manen en een arendssnavel, een grote gevleugelde dolfijn.
‘Goed,’ zegt Lissa moedig en ze veegt haar tranen weg, snuft.
‘Later. Als ik groot ben, Gana.’
De zon heeft de kleur van parelmoer en de sterren zijn kleine versierjuweeltjes in de koperen hemel. Ze jaagt met de gehoornde jongetjes achter een springpoot aan en duikt in een bron. Diep, steeds dieper tot het koperen licht grauw en dan zwart wordt. Melissa giechelt, aait vissen zonder ogen, daar op de stille bodem, waar het water opnieuw oplicht met gloeialgen. Ze heeft het Ademwoord gesproken en nu kan het water haar niets meer doen.
Op het eiland der Winden leert Morgana haar dertien nieuwe woorden en dan slentert een jochie hun grot binnen en hij zegt: ‘Ave, Morgana en wie is dit? Een nieuw mensenkind of gewoon een ordinaire elf in geleende veren?’
Morgana lacht. ‘Dit is Lissa, Arthur. Ze komt uit jouw wereld maar niet uit jouw tijd.’
Het gezicht van het jongetje betrekt en even lijkt hij op een oude man. ‘Tijd is een woeste storm buiten de elfenheuvel,’ zegt hij treurig en dan glimlacht hij gelukkig weer.
Ze spelen tikkertje tot Lissa’s oogleden lood en loodzwaar worden en zij naar haar bed verlangt. Ze slaapt bijna als de storm haar terug draagt naar het land van televisies en marsrepen.
2
‘Melissa Evermeyer!’ roept de leraar en zijn stem slaat een beetje over. Dit is niet de eerste keer vandaag dat hij haar naam noemt. En, zo vermoedt hij, ook niet de laatste.
‘Ja, meneer?’ antwoordt ze. Volmaakt onschuldig, alsof heel iemand anders net haar gummetje tegen het schoolbord kaatste.
‘Zo is het wel genoeg! Jij blijft straks na. En jij ook, Bert!’
‘Stomme lul!’ mompelt ze, heel zacht.
Ze voelt een korte, hevige steek van haat (Als je eens wist wie ik was!) en bijna fluistert ze een Woord. De eerste lettergreep hurkt al op haar onderlip, een klein, venijnig geluidje. Ze bijt op haar tong. Hard. Dwars door de pijn proeft ze de oud-ijzersmaak van bloed.
Nee, niet dat Woord! Ze heeft haar kennis nog nooit misbruikt, niet echt, en die twee lettergrepen zouden zijn hart vastgrijpen en knijpen, knijpen tot het een laatste harde stoot gaf en als een uitgeperste citroen tussen zijn ribben zou bungelen.
Ze sluit haar ogen, misselijk van opluchting en schaamte. Als ze dat Woord gebruikt had...
Nooit meer toveren voor haar plezier. Dat is het. Ze zou iets gemeens worden, iets vals.
Heks, denkt ze, ik zou een heks worden... en plotseling haat ze haar leraar nog intenser. Bijna, door jouw schuld! Een heks.
Ze beweegt haar duimen in langzame cirkels en gebruikt een ander Woord, ditmaal vragend.
‘Ja, ja?’ antwoordt iemand. Iemand die negentien realiteiten opzij van de onze leeft in een duistere heuvel vol harige tunnels, in een land waar zelfs de sterren wanhopig gillen en de zon een spin van smaragd is.
‘Holterbrink,’ fluistert Melissa. ‘Bezoek Holterbrink. Vannacht, als hij alleen is.’
In die plaats knikt iemand, snel, met geheim, ijskoud plezier.
Je vindt het toch zo belangrijk om te leren? denkt Melissa. De Vrouwe met de Lange Tong zal je dingen leren die je nooit in de klas durft vertellen!
Meneer Holterbrink draait de knop van de tv om. Nederland 2 krimpt met een klein tikje tot een lichtpunt, floept uit. Stilte en duisternis kruipen de kamer in.
Elly is met de kinderen naar de bioscoop, een of andere stomme popfilm, Hard Rap of zo. Het huis kraakt alsof het verborgen spieren ontspant en nu met zwarte, lege ramen naar de snelweg tuurt. Hij staat op en knipt de bureaulamp aan. Vierentwintig proefwerken. Aardrijkskunde. Snel sorteert hij ze op alfabet.
Als zijn vingertoppen Melissa’s blaadje raken voelt hij een vreemd schokje. IJzige elektriciteit, denkt hij en dan is de sensatie verdwenen. Automatisch veegt hij zijn hand aan zijn broekspijp af.
Hij legt het bovenste velletje recht. Alies Horven. IJverig meiske, dat wel, maar van aardrijkskunde snapt ze niet veel. Met een zucht, een theatraal soort zucht, slijpt hij een punt aan zijn rode potlood. Hij legt zijn potlood neer.
De stilte is veranderd: van de afwezigheid van gerucht is het een steels adem inhouden geworden. Zo wordt de jungle stil, denkt hij, als een luipaard voorbij sluipt. Wachtende stilte, angststilte.
Hij draait zijn stoel een halve slag: een geoliede, geluidloze zwaai. Hij voelt ogen, onzichtbare ogen die gretig zijn geringste spiertrillinkje volgen.
Niets. De kamer is leeg. Hij tuurt in de schaduwen van de kast, in de spleet waar de gordijnen elkaar bijna raken en tegelijkertijd probeert hij zichzelf uit te lachen.
(Hoe oud ben je nu eigenlijk, Gert? Tweeënveertig en nog steeds bang in het donker!)
Maar de opluchting blijft uit, het gevoel van ‘Ik ben een volwassene’ wil niet komen. Voor de tweede keer zoekt hij de schaduwen af met de angstige gretigheid van een jongetje dat een donkere grot insluipt.
Zijn blik glijdt over haar handen en hij kijkt al naar de plank met woordenboeken voor hij het zich realiseert. Hij draait zijn hoofd, tast haar eerst met de rand van zijn gezichtsveld af, ongelovig, helemaal bereid een paar neergeworpen kleren te ontdekken en hard te lachen.
Ze zit op zijn tvstoel, vol in het licht van de bureaulamp. Ontspannen, een Mona Lisa-glimlach om haar lippen.
Zo dichtbij! Twee, drie stappen...
Ze vloeit omhoog. Een ander woord is er niet voor haar lome pantergratie, het buigen van haar soepele polsen als zij zich opdrukt.
‘Ik ben je nieuwe onderwijzeres,’ zegt ze en haar stem is hees en sensueel en nog duizenden dingen meer, die wel met seks maar niets met liefde en tederheid te maken hebben. ‘Je droomvrouw, liefste,’ zegt ze en het is waar, gruwelijk waar. Hij herkent haar, zijn puberachtige natte-droom-nimf. Tientallen jaren geleden al weggedrukt, vergeten, en soms, in kleine stukjes, op zijn eigen vrouw geprojecteerd. Ze is al zijn overwonnen angst voor seks, zijn pijnlijk hunkerende eerbied voor de onbegrijpelijke en onbereikbare wezens die met ‘meisje’ worden aangeduid.
Haar vingertoppen beroeren zijn pols. Hij probeert te gillen, maar het blijft een zwak geratel diep in zijn keel.
‘Je bent toch niet...verlegen?’
Haar hand omklemt nu zijn pols en hij voelt haar kracht. Een onwrikbare greep, alsof haar vingers uit solide glas gegoten zijn. Ze opent haar mond en nu kan hij wel gillen.
Niet voor niets noemt Melissa haar de Vrouwe met de Lange Tong...
De volgende dag verschijnt de leraar niet op school. Pas drie maanden later staat hij weer voor de klas: een vroeg oude man, die slecht orde houden kan en ‘s nachts te veel lampen laat branden.
3
Melissa valt niet echt op tussen haar leeftijdgenootjes. Misschien is ze een tikje zekerder van zichzelf, wat wilder dan de andere meisjes. Dat is haar gedrag, haar lichaam.
Maar haar gedachten...
Een volle nacht in Avalon kost bijna geen tijd op Aarde en haar groeiende botten en spieren negeren de koperen schemeruren dan ook. Ze denkt nu op twee streng gescheiden manieren: als een gewoon mensenkind met ouders, een school en kleine-meisjes-geheimen, maar ook als een Avalonesse, te wild en vrij voor angst of verdriet. Onsterfelijk, vol achteloze wreedheid die geen vleugje haat meedraagt.
Uit haar ooghoeken ziet zij dingen, waarvoor gewone mensen blind blijven. Trilobieten zwemmen tussen de guppies van haar vaders aquarium. Kleurige pissebedden lijken het. Zonlicht, dat niet op haar Aarde schijnt, glinstert op hun rugsegmenten. Ze tasten naar watervlooien, schieten omhoog, hun peddelpootjes veranderen in snelheidsstrepen. Dan zinken ze terug in de modder van hun lang voorbije Siluurtijd, onbeweeglijk. Voorwereldlijke opwindbeestjes.
Tenslotte zwemmen ze door de muur naar buiten en glijden weg tussen een zwerm mussen.
‘Ik wil niet met je spelen,’ zegt ze tegen Robbie. ‘Je bent een jongen!’ In haar stem klinkt Avalonische verachting door, een rigoureus afwijzen van alles wat minder is.
‘Maar...,’ zegt Robbie. ‘Gisteren...’
‘Ik speel niet meer met je,’ zegt ze, ‘jongens zijn...’ Ze giechelt, doet een stap achteruit en kwakt de deur dicht. Ze bukt zich, luistert aan de brievenbus. Even stilte, een geluidje dat misschien een snik is (of een onderdrukt kreetje van woede) dan voetstappen, die zich snel verwijderen, het klappen van het tuinhekje.
Ze kijkt in haar zakspiegeltje en probeert te glimlachen. Het wordt een apinnengrijns.
‘Jij bent mijn beste vriendin,’ zegt zij die nacht tegen Gana. ‘Ik wil hier altijd blijven.’
‘Natuurlijk,’ antwoordt Morgana. ‘Later, als je genoeg weet.’
‘Leer haar de Woorden van Dis,’ roept een meisje van de bomen. ‘Ze is nu slim genoeg!’
‘Ja,’ knikt Morgana, haar blonde krullen hopsend, ‘ja, ze is nu slim genoeg.’ Ze spreekt een nieuw woord uit, zorgvuldig de activerende gebaren vermijdend. ‘Lissa, met dit Woord kun je de grond splijten en de vuurkinderen omhoog roepen.’
‘Is dat geen gevaarlijk Woord?’ vraagt Melissa.
‘Voor Avaloniërs bestaan geen gevaarlijke woorden,’ antwoordt Morgana, maar ze zegt het te snel, te schichtig.
Net als mijn ouders, denkt Melissa, wanneer ze ergens niet over willen praten. Of als ze liegen.
4
Midden in de nacht schrikt ze wakker. Door haar hele lichaam zeurt een rare, doffe pijn: verlies, het ontbreken van iets essentieels.
Ze luistert naar het suizen van haar bloed.
Iemand is dood, denkt ze.
Dan: Opa!
Ze stuurt haar gedachten uit, stelt zich de verlaten straten voor. Huizen doemen op, flitsen voorbij. De Apollolaan, het kruispunt, verder! verder! en flats zonder een enkel verlicht raam worden zichtbaar.
Omhoog, de vijfde verdieping.
Ja, daar, dat is het raam van zijn slaapkamer.
Ze maakt de gordijnen doorzichtig.
Zijn hoofd ligt naast het kussen. De flakkerende, gele gloed die alle levende wezens omhult ontbreekt.
Heel even kijkt ze recht in zijn verwrongen gezicht. Melissa voelt de kreet diep in haar borstkas opwellen, ze bijt op haar tong, perst haar vuist tegen haar lippen.
Hij is niet vredig gestorven.
Later, veel later, komen de herinneringen aan haar grootvader opwellen. Ze bellen aan als onwelkome gasten. Want hoe kan ze genieten van wat voorbij is als de muren van haar kamer ‘nooit meer, nooit meer’ blijven fluisteren?
Een herinnering verdicht zich, krijgt diepte en substantie. Haar opa leest voor, zijn handen expressief, zijn krachtige lichaam nu nog recht als een deurpost. Het is een grote-mensen-verhaal, maar als ze zijn gelaatsuitdrukkingen ziet en luistert naar hoe hij het voorleest, snapt ze het best.
Een man vindt ergens een deur in een muur waar hij nooit eerder een deur heeft gezien. Hij gaat naar binnen. Achter de deur wacht een prachtige wereld vol fonteinen en paleizen, terwijl aan de bomen allerlei lekkere dingen groeien. Hij komt een heel aardige vrouw tegen en ze doen kindermaakspelletjes (Melissa’s beste begrip van seks op die leeftijd). Hij vindt het erg fijn, maar na een tijdje wil hij weg. Waarom begrijpt Melissa niet precies, maar hij doet de deur weer open en loopt naar huis terug.
De volgende dag heeft hij vreselijk spijt. Hij zoekt de deur maar vindt hem niet meer terug. De muur is glad alsof er nooit een deur in heeft gezeten.
‘Tja,’ zegt haar opa. ‘Lis, als jij ooit zo’n deur vindt moet je goed onthouden waar hij zit.’
Ze had ijverig geknikt en toen ze haar deur vond, had ze verdraaid goed onthouden waar hij precies zat. Al was het meer een Hoe?-deur dan een Waar?-deur. Je denkt aan de geur van nieuwe paddestoelen, de bittere smaak van gebrande suiker, aan een bol van louter vuur en het plezier van een klein beekje en dan kunnen planten spreken en voel je de nabijheid van Avalon.
‘Opa,’ zegt ze, ‘Opa!’ En de herinneringsbeelden worden nog helderder. Alsof iemand een schijnwerper aanknipt.
Had ik maar kiespijn! denkt Melissa. Want dit soort pijn is erger. Veel erger.
Na tienduizend eeuwigheden beginnen de vogels te zingen en valt ze in een diepe, hopeloze slaap.
‘Lissa,’ zegt haar moeder als ze de volgende dag van school terugkomt, ‘ik...ik moet je iets naars vertellen.’
‘Weet ik al!’ gilt Lissa en ze rent de trap op, smijt de deur van haar kamer dicht. ‘Ik weet het al!’
De kist met haar grootvader rolt geruisloos over de bewegende vloer van het crematorium. Een zware, metalen deur glijdt open. Dieper in het gebouw is vuur. Helder, definitief vuur.
Uit stof zijt ge ontstaan
Ashes to ashes
Nalar e Nalar
Hetzelfde sentiment in al haar aardse talen. In Avalon bestaat geen woord voor de dood van denkende wezens, alleen voor het einde van planten en dieren en dat woord is ‘verandering’.
Ze voelt de Macht in haar ontwaken. Nooit is zij zo sterk geweest. Als een slaperige slang ontrolt hij zich diep in haar geest. ‘Soms is de sleutel pijn,’ had Gana gezegd. Haar macht is een slang van ijs in een land vol smeulende sintels. Melissa rekt haar eindeloze lichaam en rukt met haar giftanden de ster die het Woord is uit de loodgrijze hemel.
Drie lettergrepen zijn het maar, een paar bewegingen (als mist ontsnappen zij uit de vochtige aarde), dat is genoeg om de verscheurde gedachtenresten samen te voegen tot wie hij was (Hongerig zijn ze, Lissa. De ondoden. En dorstig. Oh, dorstig!) en haar opa zal wandelen in de schemering, in de nacht.
Misschien iets bleker, zijn tanden wat langer.
(Dorstig. Zijn ogen kleine punten wit vuur. Blind. Doden lachen niet, Lissa. Doden lachen niet!)
‘Zelfs als ze hem tot as verbrand hebben?’ vraagt ze aan de slang die haar alles kan geven. ‘Werkt de spreuk dan ook nog?’
‘Ja, zelfs dan,’ verzekert de slang, die zij zelf is. ‘Spreek het Woord, Lissa.’
Zij stoot de klanken uit.
‘Nu het patroon der Verzegeling. De wijsvingers, twee passen naar rechts.’
‘Nee!’ zegt Lissa, ‘nee!’ en ze balt haar handen tot vuisten en weigert haar voeten te verplaatsen.
‘Wil je hem dood houden, Melissa? Nooit zijn stem meer horen?’
‘Ja!’ antwoordt Melissa en de deur glijdt dicht achter de doodskist en laat haar achter in een te wijde, kale zaal.
5
Ze vindt zijn grot bij toeval. Hoewel, in Avalon bestaat het toeval niet. Dat is iets voor haar wereld. In Avalon is iedere gebeurtenis beladen met betekenis en dwingend noodlot.
Ze herkent hem direct. De Verrader.
Onzeker, heen en weer geslingerd tussen angst en gretige eerbied, loopt ze langs de walmende kristallen van zijn grot. Hij port een klein vuur op, moeizaam, onhandig.
Een oude man die bang is voor vogels.
Voorzichtig raakt Melissa zijn wond aan die bloedt en bloedt en de grot met een benauwde, weeïge geur vult. Het is een ritueel gebaar. Onvermijdelijk.
‘Waarom genees je jezelf niet?’ vraagt ze vol mededogen.
‘Dit is geen wond om te genezen,’ zegt de oude man. ‘Ik mag niet vergeten.’
‘Wat vergeten?’
‘Wie mij verwondde en waarom. Vooral niet waarom.’
‘Buiten noemen ze je de Verrader. Gana denkt dat je dood bent.’ Melissa gebruikt het mensenwoord voor ‘dood’.
‘Ik had andere namen,’ zegt hij, ‘op jullie wereld. Prometheus. Satan en Lucifer.’
‘Drager van het Licht,’ vertaalt Melissa, die achtennegentig talen vloeiend spreekt. ‘Je gaf ons het vuur.’
‘Lichtdrager. Ja, ze straften mij, de Avaloniërs.’
Hij herinnert zich de bergpiek, koud als een nieuw zwaard, waaraan ze hem vastketenden.
En de vogel. Hij haat sindsdien vogels.
‘Morgana leerde mij Woorden,’ zegt Melissa. ‘Maar nooit de pre... waarom ze werken.’ Ze worstelt met een vaag inzicht. Achter een heleboel kleine feitjes zit vaak een groot feit. Zoals er duizenden soorten bomen zijn, allemaal anders. Toch draagt elke boom bladeren om met die bladeren eten uit zonlicht te maken. Die bladeren en wat ze doen is het grote feit. Het principe. Zo heet het.
‘Is er geen groot Woord?’ vraagt ze. ‘Eentje waardoor ik alle kleintjes kan begrijpen?’
‘Morgana vertelde je vast wel over wetenschap en magie, dat het twee heel verschillende zaken zijn?’
‘Ja, ze sluiten elkaar uit. Een pistool vuurt niet in Avalon.’
‘Werkelijk? Leugens, Melissa. Waarom werken de Woorden dan wel in jouw wereld? Magie en wetenschap zijn eigenlijk hetzelfde. Alleen is de magie van Avalon ouder dan jullie wetenschap. Daarom lijkt zij machtiger.
Je kan op twee verschillende manieren naar de werkelijkheid kijken: mensen zien oorzaak en gevolg, vaste onveranderlijke natuurwetten. Zij temmen de materie, spannen de natuur als een paard voor de ploeg. Sla het paard en hij zal de ploeg trekken.
Avaloniërs zien storm, vuur, de sterren en rotsen als levende, bezielde wezens. Zij bestuderen hun gedrag en manipuleren hen. Magie is toegepaste psychologie, de psychologie van natuurkrachten. Jullie weten niet echt waarom natuurwetten werken, de Avaloniërs weten niet waaraan de Woorden hun kracht ontlenen. Beide systemen zijn het resultaat van eindeloos lang uitproberen tot je de juiste instrumenten of de goede bezwerende woorden vindt. Met een Woord vagen zij een stad weg, jullie doen hetzelfde met een druk op de knop. Het witte, verterende vuur is identiek.’
‘Ontploft een atoombom dan in Avalon?’
‘Zeker. Minder heftig misschien omdat de tijd hier trager verloopt, maar exploderen zal hij zeker.’
‘Waarom vertel je me dit? Ik denk...Morgana legde het nooit uit. De anderen ook niet. Het is een soort geheim?’
‘Een soort geheim, ha! Lissa, wat voor soort woorden leerde ze je? De zachte en scheppende, of Woorden met klanken als knarsende kiezels? Als het grommen van de zee?’
‘In het begin de zachte: hoe je een plantje uit een zaadje kunt roepen, hoe ik moet zweven... Je liegt! Gana is mijn vriendin! Ze zou me nooit..’ (Heks, denkt ze, ze wilde een heks van me maken! )
Ze duwt hem van zich weg en rent struikelend door de grot. De kristallen walmen, koud als neon.
‘Ze heeft je gebruikt!’ gilt de Verrader en ze huivert voor de snerpende haat in zijn stem. ‘Vroeger konden ze de aarde moeiteloos bereiken, maar nu keert het getij. Ze zijn bang! Hoor je me, doodsbang! En jij bent hun vijfde colonne, Avalons Manhattan Project.’ Zijn stem zakt weg en Melissa mompelt een vergeetwoordje, dat de herinnering aan zijn afgrijselijke beschuldiging zal uitwissen. Zodat Gana haar vriendin weer is. Ze hapert bij de laatste lettergreep. Prometheus’ woorden verbleken, zinken weg, maar niet volledig. Echo’s blijven hangen, kleine zeurende stemmetjes vol twijfel.
Hier aan de oevers van de oceaan voel je Avalon deinen op de golfslag. Avalons bergpieken en vlakten zijn puimsteen, lichter dan water en de wind stuwt haar voort naar horizons, die in al die miljoenen jaren nog niets van hun zuigende magie verloren hebben.
Een leviathan rijst als een tweede eiland, opent zijn doorzichtige vinnen. Zijn kreet is scherp en zuiver als ijs.
‘Ik ben geen mens,’ fluistert Melissa. Dan, harder: ‘Geen mens! Ik kan zijn wat ik wil!’ En de slang die haar Macht is ontrolt zich. Zij strekt haar lichaam, ratelt schubben van brons. Zij opent haar ogen die als verterende vlammen zijn. Zij kent de Woorden van Dis, zij kan, zal de aarde breken!
‘Heks,’ zegt een stem vol medelijden en spijt en de Melissa-slang verschrompelt, wordt een worm.
‘Maar je bent dood,’ zegt ze en nu is ze een klein meisje, tot het bot toe verkleumd, rillend aan het strand van een wereld die de hare niet is.
‘Opa?’ vraagt ze. ‘Morgana?’
6
‘Wat heb je daar?’ vraagt Melissa.
‘Weet ik niet.’ Het gehoornde jongetje schudt de cilinder maar hij weigert te ratelen. ‘Voelt raar aan. Dof. Alsof het niet leeft.’
Melissa laat haar vingers over het gladde materiaal glijden.
‘IJzer,’ zegt ze verwonderd. ‘IJzer?’
Want Avalon is vol goud, schel zilver, platina, diamant. IJzer stoort hun magie echter en wist zelfs de krachtige gedachten van planten en insekten uit. Niemand zal het ooit uit de diepe lavazee onder de aardkorst omhoog roepen.
De cilinder is zwaar, een massief brok staal. Op een uiteinde ontdekt ze letters, mensenletters: een tekst in het Engels:
JET PROPULSIONS LABORATORY
United States of America
Tachyonic Transmission Project
mark 5, number 9
LARGE REWARD: PLEASE SEND THIS SAMPLE TO THE AMERICAN EMBASSY AND SPECIFY THE EXACT LOCATION OF THE PROBE.
‘Kun jij dat lezen?’ vraagt het jongetje.
‘Nee,’ liegt Melissa. Ze slingert het ding zo ver mogelijk het meer in. ‘Het is waardeloos.’
De zware cilinder blijft even drijven, alsof het meer zulk negatief metaal weigert, maar dan zinkt het toch en stuurt rimpelingen naar de oever.
‘Je had het niet mogen weggooien!’ protesteert het jongetje. ‘Ik vond het! Het is van mij!’
‘Zwarte magie,’ zegt Melissa ernstig. ‘Er zat een boze geest in.’
‘Oh,’ dan: ‘Bedankt Lissa. Ik wist niet...’
Ze blijft naar het meer kijken dat de kringen glad strijkt.
Prometheus heeft de waarheid gesproken. Het getij is gekeerd. De weg naar Avalon ligt wijd open, terwijl de Avaloniërs de aarde niet langer kunnen bereiken. Ze kent de tovenaars van haar eigen wereld met hun computers, hun ruimtecapsules en hun onblusbare nieuwsgierigheid. Ditmaal is het enkel een blok ijzer, in de volgende zal een muis zitten. Later mensen en hun machines.
Lasers tegen vuurgeesten? Tanks tegen draken?
7
Natuurlijk schrikt ze niet echt. Ze had het al heel, heel lang verwacht. Bovendien is ze zeker niet de eerste van haar klas. Vriendinnen bouwen een hecht communicatienetwerk op waarin elke angstigtrotse verandering direct wordt doorgeseind. Haar moeder heeft haar alles uitgebreid uitgelegd. Misschien zelfs wel te uitgebreid, zodat de echte verandering een beetje als een anticlimax komt.
Ze wrijft over haar nieuwe borsten (nu ja, borsten, heuveltjes eerder nog) en kijkt naar de vochtige, rode vlek op haar hand. Eigenlijk voelt ze zich een beetje beroerd.
(Elke maand? Waarom wij wel en de jongens niet?)
Ze zegt een Woord en het bloed verdwijnt. Ze kent een ander Woord dat de pijn zal verdrijven en de verandering ongedaan kan maken. Maar dat is een ijswoord, een antileven woord.
‘Ik ben een vrouw,’ zegt ze geluidloos, ‘een VROUW! en ik wil geen meisje meer zijn.’ Nee, dat Woord zal ze nooit gebruiken.
Ze trekt snel een teken in de lucht en het bloed is terug.
‘Mamma!’ roept ze uit de douchecel. ‘Ik ben begonnen!’
Snelle voetstappen op de gang. Met moeite onderdrukt ze een hysterisch gegiechel.
Ik kan baby’s krijgen, denkt ze. Kleine mensjes, niet groter dan poppen. Als kleine, roze plantjes groeien ze diep in me.
Ineens is ze volwassen, ouder dan Avalon en de aarde. En verantwoordelijk. Alsof zij als enige geen angst en onzekerheid meer mag kennen en beide werkelijkheden moet beschermen.
8
Zijn vuurtje brandt nog steeds. Boven de ingang van de grot heeft hij een adelaar gespijkerd, de vleugels gespreid.
‘Ik heb nog eens nagedacht,’ begint Melissa.
‘Verbaast me niets,’ antwoordt Prometheus. Hij schopt as over het vuur, grijpt dan met een grimas van pijn naar zijn rechterzijde.
‘Wacht!’ zegt Melissa. Ze raakt zijn voorhoofd aan.
De wonde sluit zich.
‘Jij!’ Hij ontbloot zijn tanden, sist. Een wild dier, in het nauw gedreven, zigzaggend tussen woede en vrees.
‘Ik ken je Ware Naam,’ zegt Lissa kalm. Haar tong kronkelt, terwijl haar lippen klinkers vormen die nooit eerder door mensen uitgesproken werden. Heel even trilt zijn gestalte en Melissa herkent de dinosauruslijnen in zijn silhouet.
‘Vader,’ zegt ze. ‘Jij schiep de mens en de Australopithecus.’
Hij buigt zijn hoofd. ‘Ze ketenden mij. Zij stuurden de vogel. En mijn andere kinderen, de mensen, noemden mij Duivel en Satan.’
‘Ouders blijven verantwoordelijk voor hun kinderen,’ zegt Melissa met een zekerheid die pas een paar uur oud is. ‘Satan was wijs. Hij gaf ons keuzes. Dat vindt niemand leuk.’
‘Ik kan je niet helpen,’ zegt hij. ‘Er is een Ander. Ouder dan ik. Veel ouder. Haar naam is Tiamat.’
Melissa wacht.
‘Te lang,’ zegt hij. ‘Het eeuwige leven is altijd te lang. Ik leerde haten en Zij...Zij werd krankzinnig.’
‘Kan zij mij helpen?’
‘Misschien.’
9
‘Je moet dieper de chaos in reizen,’ had Prometheus gezegd, ‘dieper dan enig levend wezen de laatste miljard jaar heeft durven gaan.’
Hier is de hemel dofrood, in het noorden vreet zwart aan de horizon. Ziek en dwergachtig de bomen, hun takken krommen angstig weg van de duistere zonsopgang.
‘Loop,’ spoort haar slang Melissa aan. ‘Je hoeft alleen je voeten te verplaatsen, ja, zet de ene voor de andere. Leun tegen de orkaan die naar de te oude oceaan stinkt en de rottende dingen die hun leven niet wilden opgeven toen hun tijd kwam.’
Veel later: ‘Het strand, Lissa’. Ze strekt haar handen en luistert naar de woorden die de slang haar influistert. De golven bevriezen, worden hard als kristal. Ze loopt over de verstilde zee, de schuimtoppen knarsen onder haar schoenzolen als gesponnen glas. Haar slang zingt en haar spieren trekken op de ritmen nu ze zelf te moe is om ze te bevelen.
Nacht verslindt de hemel en rijst als een muur in het Oosten op.
Ze draait zich om. Alleen in het Westen gloeit nog een draadje rood, dun als spinrag. Avalon is ver, de aarde niet meer dan een droom.
Tenslotte bereikt ze de poort. Tussen bleke cactussen hurken drie vrouwen. Melissa herkent hen ook al zijn ze in haar wereld enkel legendes: de schikgodinnen.
‘Ga terug,’ zegt de eerste en ze grijnst zonder tanden. Haar skeletachtige vingers tasten in de duifgrijze mist en trekken een lichtend koord te voorschijn.
‘Dit is geen weg voor wezens die nog ademen,’ zegt de tweede zonder op te kijken en ze spant het koord tot het een gloeiende lijn is, niet dikker dan de snede van een scheermes.
‘Dit is je leven,’ zegt de derde en ze neemt het koord tussen haar scherpe nagels.
‘Laat mij door,’ zegt Melissa’s slang. ‘Het is de wil van Zeus.’
De vrouw lacht. ‘Verouderde magie! Zeus? Rook van vergeten altaren! As in de wind! Wat kom je stelen, dom mensenkind?’
‘Breek mijn draad!’ tart Melissa. ‘Als ik hier niet levend binnen mag gaan.’
‘Wil je sterven? In Hades is geen herinnering en de enige sterren daar zijn kakkerlakken met ogen van licht. Je zou je doel daar vergeten.’
‘Breek mijn draad,’ herhaalt Melissa.
De vrouwen vervagen, worden drie lange mannen in smetteloos witte jassen. ‘Je kunt haar nu niet bezoeken, meisje,’ zegt de eerste. Hij strijkt door zijn dunne haar, raakt zenuwachtig de brug van zijn hoornen bril aan. ‘Zij zit in de isoleercel. Volledig ontoerekeningsvatbaar.’
‘Gevaarlijk,’ beaamt de tweede. ‘Een klassiek geval van schizofrenie. Denkt dat zij een godin is...’
‘Maar Zij is...’ mompelt Melissa. Ze is moe, monsterachtig moe.
‘Dat bemoeilijkt de zaak juist,’ knikt de derde. ‘Daarom is zij ongeneeslijk. De prognose...’
‘Laat mij door!’ beveelt Melissa. Haar benen dragen haar naar de poort, de psychiaters stappen opzij, glimlachen treurig. ‘Wij hebben gestudeerd,’ zeggen ze. ‘Al onze kennis vermocht niets. Wat denk jij te bereiken, een amatrice?... eigen risico, kunnen niet instaan voor de gevolgen.’
Hun stemmen versmelten met de wind en Melissa strompelt het centrum van alle realiteiten in.
10
Een wezentje niet groter dan een rat, grinnikend en jankend achter tralies van solide schemering. Kleine vonkjes spatten uit haar vacht, spiralen door haar kooi. Lissa weet dat het melkwegen zijn, misschien complete universa.
Schijn is bedrieglijk, zeker in het centrum.
‘Onderwijs mij,’ zegt Lissa.
Het wezentje ontbloot haar krachtige knaagtanden: ‘Ah! Een leerlinge! Wat is het geluid van één klappende hand?’
Met een zucht zet Lissa zich voor de kooi. Dit kon wel eens een langdurige les worden.
11
Frans pakt het schrift aarzelend aan.
‘Hoe vond je het, Lissa? Eerlijk zeggen.’
‘Echt eerlijk?’
‘Ja,’ zegt Frans. Hij ontwijkt haar ogen een beetje, niet helemaal, maar zijn blik raakt alleen haar ooghoeken, niet haar pupillen. Ze vangt een glimp op van zijn handen: zijn vingers krommen, zijn linkerwijsvinger drukt hard op zijn duim. Ze rukt haar hoofd naar rechts en weet dat de haren half over haar gezicht slieren. Net een discoster, denkt ze en ze lacht zichzelf uit, maar kan de beweging toch niet stoppen.
‘Oké,’ zegt ze, ‘Het is een soort sprookje.’
Hij lacht, een kort, zenuwachtig geluidje, dat diep in zijn keel blijft.
‘Fantasy, Lissa. Sprookjes voor volwassenen.’
‘De magie,’ zegt Lissa, ‘en hoe het land er uitziet, prima. Duidelijk, net een film (Hoor mij!) maar de mensen, ik bedoel, wie wil er nu een held zijn? Zomaar, Yushu... eh, Yush en de rest.’
‘Yushunatix,’ vult Frans aan.
‘Yushunatix vertrekt patsboem zodra hij over die schat hoort. Oké, zijn vader heeft zijn koninkrijk verloren en zo, maar Jezus, die bewaker, de Naamloze, heeft al tweehonderd andere helden verslagen en hij denkt dat het hem zo maar zal lukken. Ik bedoel, als je hem eerst laat twijfelen? Uitvluchten laat verzinnen, dan wordt Yushunatix echter, meer een mens.’
‘Misschien heb je gelijk.’
‘Mensen blijven mensen,’ zegt Melissa. ‘Ook al zijn het prinsen.’
‘Ik zal het opnieuw schrijven,’ zegt Frans. ‘Wil je wat drinken?’
‘Cola,’ zegt Lissa, die nevelwijn dronk in Avalon. Hij klikt de cassetterecorder open en verwisselt het bandje. ‘Kom je vanavond op het schoolfeest?’
‘Ja.’
Gewoon blijven proberen, denkt Melissa als hun lippen elkaar raken. Ze onderdrukt dapper een kotsreflex (Zijn spuug in háár mond!) en opent haar lippen iets verder. De punten van hun tongen raken (Alleen maar nat, is dat nu leuk?) schuiven dan iets door. (Zijn vingers die over haar handpalm aaiden, dat was toch ook...fijn? Goed, zijn tong is ook een soort vinger.) Ze voelt zijn tanden, een kleine scherp hoekje in zijn voortand. Dan opnieuw zijn tong, steviger nu, levend en trillend: een krachtige spier. Zijn linkerhand glijdt langs haar ruggengraat (Haar regenjas is geen barrière.) en hobbelt over de bobbeltjes van haar ruggenwervels. Een nieuw soort warmte gloeit in haar maagstreek. Een warmte die langzaam lager zakt.
Is dat nu vlinders in je buik hebben? Vast niet.
Hou op met denken: bijt ze zichzelf toe. Voel!
Zijn hand stopt. Gaat omhoog en woelt in haar haar. Hé, dat is een stuk beter! Nu omlaag langs haar hals. Verrek, ik heb zelf óók handen!
Ze trekt twee strepen langs zijn zijden, knijpt vlak boven zijn bekken. Hij puilt uit ter hoogte van haar navel.
(Natuurlijk, idioot, hij is langer dan jij! Je klikt niet zomaar in elkaar vast!) De warme plek is nu groter, haar tepels worden twee hete, harde puntjes. Haar buik, haar hele buik gloeit. Alsof ze in warm water ligt, warm bad, vlinders? warme vlinders, hier, buik helemaal hol en vlinders. Lager, ga lager, Jezus! Ja, houd die hand daar en blijf bewegen!
Hij laat haar los, laat haar los! Ze trekt hem naar zich toe maar hij is al te ver achteruit gestapt: haar vingertoppen schampen af op zijn regenjas en kunnen zich niet langer om de kleine, uitstekende botjes van zijn bekken krommen.
‘Tot morgen,’ zegt hij, ‘Lissa, oké?’
Zijn stem klinkt bijna klaaglijk.
(Kom terug, droplul! Ik zit vol vlinders, ik voel de vleugels tegen mijn maagwand fladderen en ook daar lager, in mijn...mijn kut, verdomme!)
‘Tot morgen,’ zegt ze en ze draait zich om, rukt de deur open en kwakt hem achter zich dicht.
(Een soort echo daar? Uit het verleden? Robbie. Ah, Jezus, ja! Voor de tweede keer. Alleen doet nu iemand anders het haar aan.)
Ze bukt zich, kijkt door de brievenbus: een schim, het klappen van het tuinhekje, voetstappen wegstervend in de nacht.
Knappe meid, slimme meid! De beste magiër (magistra?) van Avalon en ze kan niet eens haar kerel bij zich houden.
(Haar kerel? Dat stom stuk vreten? Streep Frans door, dik rood potlood. Laat hij wegrotten! Moge de Avuliërs zijn vlees verscheuren!)
Ze trapt tegen de kapstok, bijt op haar onderlip.
Doe iets! Ze trekt de deur open, stapt de tuin in. Sterren seinen in de pikzwarte hemel.
Heel langzaam klauwt een helse woede zich uit haar omhoog. Haar vlinders veranderen in een zwerm hongerige maden met kaken van ijskoud vuur.
Ik ben Melissa! Ik weet!
(Oh, wat ik al niet leerde van het wezentje dat hemels en aardes schiep! Ik ken nu de blinde dingen die aan de wortels van de Ygdrassil knagen. Ik kan nu het grote getij keren of ondoordringbare muren optrekken tussen Avalon en Aarde.
‘Heks,’ ademt Melissa, ‘heks.’ Plotseling is het een glorieuze eretitel. Ze spant haar lichaam, krijst een Woord dat de sterren verwringt en de lichten in de huizen doet knipperen. Een huiverend, tijdloos moment en dan worden de schimmige beelden van Avalon scherp en kleurig.
Het getij is gekeerd. De aarde ligt open voor Avalon.
Morgana staat abrupt naast haar. En de Anderen. Loki, Odin, Huitzilpochtli. Eens heersten zij over de mensen en zij zullen opnieuw heersen.
‘Zuster,’ zegt Morgana.
‘Geliefde,’ zegt Loki.
Melissa antwoordt niet. Gebiologeerd staart zij naar haar reflectie in de ruiten: zij is lang en bevallig, haar ogen groot en goudkleurig. Haar lach tinkelt, helder als verzonken klokken in een heliumzee.
Arrogant.
Avalonisch.