HET BALKON DER DAGEN

De uitnodiging komt onveranderlijk op een droevig grijze dag, zo’n dag waarop het zelfs niet motregent en elke minuut voortkruipt als een mier over een met vogellijm bestreken stok, zo’n dag dus, en ineens hoor je het schorre geproest van blikken feesttoeters en drie meisjes springen van het balkon omlaag. Ze vliegen je om de hals en noemen je naam. Noemen je naam met zulk vreugdevol ontzag dat ze jaren op die kans gewacht moeten hebben.

De eerste dame is blond en in haar dikke Franse vlecht fonkelen spinnen van amethist en haar ogen zijn groene jade.

‘Ik heet Yosulai-Sammei,’ zegt ze, ‘en ik ben zo blij, zo gelukkig u eindelijk te ontmoeten.’ Ze bijt zachtjes in je linkeroorlel.

Het haar van de tweede dame waaiert uit in honderden vlechtjes en is het rijke oranjerood van de betere zonsondergang. Haar irissen zijn amber met piepkleine vlekjes goud.

‘Mij noemen ze Hinde-van-de-diepste-schemering en ik ben zo opgetogen, zo jubelblij om u eindelijk te ontmoeten.’ Ze legt haar linkerhand op je nek en strijkt dan met haar vingertoppen over je nekwervels, dwars door je vel en vlees, maar zo vlinderpootzacht dat je huivert en niet weet of het van angst of genot is.

‘Ik hoef mijn naam niet te noemen,’ zegt de derde dame, ‘want je kent mij al.’

Je knikt woordeloos.

‘Volg ons naar het Balkon der Dagen,’ zeggen ze in koor, ‘en weet dat dit de ochtend is dat je had moeten sterven door je eigen hand, in het ijskoude water van een Praagse brug of trappelpotend aan je slangenleren riem, of met de smaak van ijzer en cordiet in je mond en je hersens in klodders tegen het plafond.’

‘Dit is de dag dat je had moeten sterven maar je glimlachte naar een hongerige roodborstje op een winterochtend in 1998,’ zegt Yosulai-Sammei, ‘en gaf haar een stukje van je Italiaanse bol en toen er meer vogels neerstreken, bleef je brood afbreken tot je hand helemaal leeg was en zelfs die laatste kruimels strooide je in de sneeuw uit.’

‘Dit is de dag dat je had moeten sterven maar je luisterde een vol kwartier naar die wauwelende bedelaar,’ zegt Hinde-van-de-diepste-schemering, ‘toen hij je op de Magere brug aanklampte en vertelde waarom God slaapt, zo diep dat Zij onze gebeden de eerstvolgende duizend jaar wel niet zal horen. Hij stonk nog ook.’

‘Dit is de ochtend dat je had moeten sterven als je een ook maar een fractie slechter mens geweest was,’ besluit de dame die je zo goed kent dat haar naam onbelangrijk is. ‘Kom.’

En je slaat de hoek om en stapt het balkon op. Daar liggen ze aan je voeten uitgestald: alle dagen en nachten die je nu zomaar extra krijgt. Gouden steden in het schijnwerperlicht van herfstzonnen, majestueus trage bruine en kwikzilveren rivieren met meer bruggen dan je ooit kan tellen (Maar dat hoeft ook niet, want het is genoeg om te weten dat die bruggen er zijn), wolkenwaaiers teer als sneeuwvlokken. En mooier dan dat: je hoort jezelf onder een klaterende douche zingen en je weet dat iemand glimlacht als ze je hoort.

‘Hij ziet er zo vredig uit,’ mompelt een stem. De wind waait die woorden weg want ze zijn nu niet meer nodig.