De Zee der Mogelijkheden
****
Wanneer je vier kilometer lindelaan hebt geplant tot de plek waar je woont en je de laan anderhalve keer zo breed hebt gemaakt als de hoofdweg, schroef je de verwachtingen van de bezoekers op. Er zijn niet veel gebouwen die deze verwachtingen kunnen waarmaken, maar dat kan Finøholm wél, en vanavond maakt het die verwachtingen twee keer waar.
Finøholm ligt aan de kust, dus je komt vanuit het noorden bij het hoofdgebouw, en als je de laatste bocht genomen hebt, rijd je tussen twee grote cirkelvormige glazen paviljoens met waterlelievijvers en tropische bomen en plaats voor tachtig gasten per paviljoen, en bovenaan getooid met drie vergulde zeehonden, die boven op drie vergulde everzwijnen balanceren. Het lijkt op een dierennummer in een circus, maar in feite is het een detail uit Karel Riools wapenschild, dat hij liet ontwerpen toen hij Finøholm kocht.
Karel Riool heeft samen met onze vader hier op Finø op school gezeten, voordat hij – dat wil zeggen Karel – naar Frederikshavn trok en aannemer werd en een miljard verdiende, wat dus duizend miljoen is, met het graven of renoveren van de meeste riolen van Midden-Jutland; daarna werd hij als parlementslid gekozen. Mijn vader heeft verteld dat Karel er al op school van droomde om herenboer te worden. Hij probeerde de anderen spelletjes te laten spelen waarbij zij bedienden en horige boeren moesten zijn, terwijl hij herenboer en beheerder was en in een draagstoel moest worden gedragen. Dus toen hij terugkwam uit Frederikshavn, kocht hij Finøholm van de graaf van Finø, die oud was en zo arm dat hij slechts in één vertrek kon stoken, te weten de personeelskeuken. Daarna liet Karel Riool zijn naam veranderen in Charles de Finø. Hij verbouwde de herenboerderij en nam twaalf bosarbeiders, twee schutters, twee koks, twintig werklieden, twee beheerders, kamermeisjes en schoonmakers in dienst – plus een man die gespecialiseerd is in hoe het toegaat op de grote landgoederen op het vasteland. En er werden uniformen genaaid voor het personeel, zodat ze, wanneer Karel Riool een jachtpartij en een jachtdiner houdt, daar rondlopen als de lakeien uit de Tivoligarde. Karel kocht ook De witte dame van Finø, destijds heette die iets in het Arabisch wat Allahs Wil betekende, maar die kreeg dus een andere naam.
De herenboerderij zelf telt drie verdiepingen en heeft een toren. Een brede trap voert naar de hoofdingang en achter het gebouw ligt de afrit naar de pier, waar De witte dame van Finø naar aanleiding van deze dag met vlaggetjes is versierd. Alles is stralend verlicht, en Karel Riools personeel draagt uniformen en lijkt vanuit de verte op een scène uit Holbergs Jeppe op de Berg van het Finøse Amateurtoneel.
Tilte heeft tijdens deze rit veel gezegd, dus nu is het mijn taak om uit te drukken wat lama Svend-Helge, Sindbad Al-Blablab, Gitte en wij anderen denken.
‘Waarom steunt Karl Riool een religieuze bijeenkomst in Kopenhagen?’
De vraag ligt voor de hand, want Karel Riool heeft er tal van keren publiekelijk blijk van gegeven dat hij qua gierigheid maar weinig onderdoet voor Dagobert Duck. Zo kreeg de voetbalclub bijvoorbeeld geen rooie duit van hem toen we sponsors zochten. En toen Tilte en ik loten trachtten te verkopen voor de jaarlijkse, goedgekeurde loterij van de club en ons langs zijn personeel wisten te wurmen tot we bij hem waren, zei hij dat hij helaas geen contanten had: maar hier hebben jullie twee lekkere peren uit de tuin, die zijn hun gewicht in goud waard – en nou wegwezen jongens, wel thuis.
Toch wordt mijn vraag door niemand beantwoord. Daar kun je je best over verwonderen als je bedenkt hoeveel wijsheid en knowhow over plaatselijke omstandigheden er in Bermuda’s lijkwagen verzameld zijn. Daarom is Tilte degene die moet antwoorden.
‘Hij wil minister worden,’ zegt ze. ‘Hij wil beginnen met het ministerie voor Kerkelijke Zaken. En dat als springplank gebruiken.’
We staan op het parkeerterrein, dat bedekt is met fijn grind en zo groot is als een half voetbalveld. Dan schraapt lama Svend-Helge zijn keel.
‘Ik heb natuurlijk zwijgplicht,’ zegt hij. ‘Als advocaat.’
Tilte en ik knikken ernstig, wij weten allemaal hoe belangrijk professionele discretie is.
‘Drie weken geleden dineerde ik bij jullie ouders. Dat is de laatste keer dat ik hen heb gezien. Ze hadden me gevraagd om Karnovs wetboeken mee te nemen.’
Ik herinner me dat diner heel goed. Mijn vader had gebakken tarbot geserveerd. De tarbotten die in de buurt van Finø worden gevangen laten zich heel moeilijk in één stuk bakken, want ze zijn zo dik als een baksteen en hebben de diameter van een putdeksel. Er doen in verre landen verhalen de ronde over het talent van mijn vader om ze in één stuk te bakken. Die avond was het opnieuw gelukt, en dat vierden hij en lama Svend-Helge zoals altijd door een kratje speciaalbier van de Finø Brouwerij met elkaar te delen, waarna ze later op de avond orde op zaken stelden in theologische spitsvondigheden zoals: bestaat er een scheppende god, en wat reïncarneert er als we – zoals de boeddhisten zeggen – geen individuele ziel hebben. En waarom is er geen bier meer, en kunnen we niet een van de kinderen naar het tankstation sturen om er nog een stuk of wat te kopen?
We herinneren ons ook die wetboeken goed, ze zijn geel en zwaar als een doopvont.
‘Het moet aan het eind van de avond zijn geweest. Ik moet naar de wc, maar ik vergis me in de deuren. Dat is een effect van de ietwat diepere meditaties, en ik heb die in de loop van de middag intens gepraktiseerd. Eerst kan ik me niet oriënteren. Maar dan herken ik de werkkamer van jullie vader. Op zijn bureau staat zo’n fotokopieerapparaatje. En het staat aan. En ernaast ligt een deel Karnov. Er is een bladwijzer in gelegd. Dus ik werp een blik op de pagina in kwestie – dat is een gewoonte die ik heb van kantoor – en ik verwonder me, want het boek is opengeslagen bij een zelden gebruikte paragraaf, die betrekking heeft op obscure verordeningen voor de politie. Dus ik kijk naar de stapel kopieën. En ik zie dat wat ze gekopieerd hebben de wet gevonden voorwerpen is. En niet enkel paragraaf vijftien en circulaire zesenzeventig, ze hebben de hele wet en alle voorbeelden gekopieerd. Ruim vijftig pagina’s. Dus ik ga terug naar de keuken. En ik wil hun vragen wat ze in hemelsnaam met die wet willen. Maar ik word in beslag genomen. Door mijn praktijk. De vis. De beurre blanc. De nieuwe aardappeltjes. Dus ik kom er niet aan toe het te vragen. Maar nu ze weg zijn, vraag ik me ineens af of ze misschien iets verloren hebben.’
Tilte en ik hebben de afgelopen vierentwintig uur heel wat brokken onbegrijpelijke en moeilijk verteerbare informatie over onze ouders ontvangen. Dit is ook weer zoiets.
‘Als dat zo is,’ zegt Tilte, ‘kan het niet kostbaar zijn geweest. Het enige van waarde dat onze ouders bezitten, zijn wij.’
****
Finøholms voordeur leidt naar een hal, die groot genoeg is om vier kinderrijke gezinnen te herbergen en waar ze alle ruimte zouden hebben gehad op de marmeren tegels en vele jaren hadden kunnen leven zonder elkaar in de weg te zitten. Bij de deur staat een man in een blauwe jas en met een poederpruik op, die de gasten ontvangt en welkom heet en ervoor zorgt dat er geen zwartrijders naar binnen glippen.
Tilte geeft Sindbad Al-Blabab een hand, en ik moffel mijn dunne vingers in Gittes enorme knuist, en dan zijn we langs de controle en in de hal.
Naar aanleiding van deze dag is hier een garderobe ingericht, waar bedienden jassen in ontvangst nemen, terwijl ze zweten onder hun pruiken en eruitzien alsof ze inwendig huilen over het feit dat ze waren vergeten de kleine lettertjes te lezen toen ze hun handtekening zetten onder het contract waarbij ze zich als bosarbeiders lieten aanstellen.
Vanuit de hal kom je op de eerste verdieping via een trap, die breed genoeg zou zijn voor een nummer uit een Amerikaanse musical, en vandaar heb je toegang tot de ridderzaal, waar geen harnassen staan maar marmeren standbeelden van naakte vrouwen en mannen, waarop Leonora Lippenlust peinzend een blik werpt. Voor de standbeelden is een buffet ingericht, waaruit blijkt dat de tijd waarin men de gasten drie broden en vijf vissen of omgekeerd te eten gaf, voorbij is. Het lijkt op iets uit een Romeinse orgie, en bovendien staat er op een bord dat al het vlees halal is. Voor het buffet staat Karel Riool.
Als je hem niet hebt gezien kun je je vele interessante voorstellingen maken hoe een man, die uit eigen vrije wil de naam Charles de Finø heeft aangenomen, eruitziet. Maar je zou je vergissen; hij ziet eruit als wie hij is, namelijk als een man die een grote firma runt. Het enige bijzondere is de honger; die kun je zien in zijn ogen, ik heb die eerder gezien. Het doet me ergens aan denken, op dit ogenblik kan ik het niet thuisbrengen, maar die honger moet hem ertoe gebracht hebben zijn naam te veranderen, een herenboerderij te kopen en een wapenschild te laten ontwerpen. Misschien is dat de reden waarom hij degene met wie hij praat quasihongerig aankijkt, alsof hij vindt dat zijn gesprekspartner moet weten waar het in werkelijkheid om gaat. Want zijn gesprekspartner is niemand minder dan graaf Rickardt Drie Leeuwen, gekleed in een smoking van zilverlamé, een sjerp van roze zijde en spitse lakschoenen, die zo lang en glanzend zijn dat ze de smoking en de buikband in de schaduw stellen.
Om de twee edellieden heen golft een zee, bestaande uit Finø’s crème de la crème. Dat wil onder andere zeggen: de artsen, de twee postmeesters, de advocaten, de supermarktbeheerders en de directeurs van de werven, de steenfabriek en de visfabriek – en dan nog de hoofdredacteur van Het Finøse Volksblad en de delegaties die vannacht per schip naar de Grote Synode zullen vertrekken.
Het is een kleurrijke zee vanwege de feestjurken, de smokings en rokkostuums van de mannen, Karel Riools personeel in livrei, Gitte Grisant en haar gemeente in het hindoewit, Sindbad Al-Blablab met een tulband, Ingeborg Blauwbal in boerka, de boeddhisten in het purper en de drie leden van de joodse gemeente met zwarte hoeden op binnenshuis – en midden in het pallet valt mijn oog op Dorada Rasmussen, die voor deze dag in klederdracht is.
Het is een tafereel waarin je je zou kunnen verliezen en wegdromen, ware het niet dat we voor een overweldigend probleem staan, namelijk hoe we een toegangsbiljet voor De witte dame krijgen; er is geen tijd geweest ons over die vraag te buigen.
Op dat moment voel ik dat er iets met Tilte gebeurt. Het is misschien te sterk uitgedrukt om te zeggen dat ze goddelijke inspiratie ontvangt, rechtstreeks via de open deur. En na wat er gebeurd is met onze ouders en Jakob Aquinas, en na Rickardt Drie Leeuwens pogingen om de hoofdrol in Die lustige Witwe te krijgen, zijn we erg voorzichtig geworden met de vraag waar de grote ideeën vandaan komen. Toch wil ik zeggen dat wat ik nu door Tilte voel stromen op zijn minst een visioen van hogerhand is.
‘Gitte,’ zegt Tilte. ‘Nu sta je achter ons.’
Gitte slaagt er niet in te antwoorden. Tilte neemt haar bij de andere hand, en wij drieën ploegen ons door de menigte, tot we voor Graaf Rickardt en Karel Riool staan.
Tilte Laat Gitte los, steekt haar hand uit naar de gastheer van de avond, Karel Riool alias Charles de Finø.
‘Tilte,’ zegt ze. ‘Tilte de Ahlefelt-Laurvig Finø. En dit is mijn broer, graaf Peter de Ahlefelt-Laurvig Finø.’
Mijn hersenen zijn uitgeschakeld. Voor mij staat wat Tilte aan het doen is gelijk met een zelfmoordpoging. Want we staan tegenover graaf Rickardt, die een intieme vriend is, en Karel Riool, die ons weliswaar maar één keer heeft gezien, maar dat is minder dan een half jaar geleden, en toen waren we niet van adel maar verkopers van loterijbriefjes voor Voetbalclub Finø.
Het zit er daarom dik in dat we ogenblikkelijk worden herkend, waarna we worden weggevoerd in de nacht en elke kans hebben verprutst om Finø te verlaten voordat de veerboot woensdag vertrekt – en dan zal alles te laat zijn.
Wat zich nu voor onze ogen afspeelt, lijkt daarom in eerste instantie op een wonder – niet eentje van pa en ma, maar het echte werk, bekend van het Nieuwe Testament en de Veda’s en enkele plaatsen in de boeddhistische canon, die overigens veel armer aan wonderen is dan de andere religies.
Wat er gebeurt is dat Karel Riool Tiltes hand kust.
Nu moet ik er wel bij vertellen dat Tilte haar hand heeft uitgestoken, alsof ze verwacht dat die gekust wordt. En wanneer Tilte iets op die manier uitsteekt – zelfs als het een koeienvlaai op een pizzaschep was geweest – dan gehoorzamen de mensen.
‘De Ahlefeldt-Laurvig?’ vraagt Charles de Finø.
‘De Ahlefeldt-Laurvig,’ zegt Tilte.
Ik kijk Karel Riool in de ogen, en ik zie een heleboel dingen: bedeesdheid, geluk, overrompeling, maar ik zie geen herkenning. En ik begin een idee te krijgen van de genialiteit in Tiltes plan. Als je je richt tot een van iemands zeer diepe plekken, ontstaat er kortsluiting in het gezonde verstand, en een van die zeer diepe plekken in Karel Riool is de wens om in de buurt van mensen van adel te zijn.
Nu is het natuurlijk de grote vraag hoe het van hieraf verder moet, maar de vraag wordt uitgesteld, want er gebeurt iets met graaf Rickardt Drie Leeuwen. Sinds hij Tilte en mij in het oog heeft gekregen, heeft hij doodstil gestaan, zoals mensen stilstaan wanneer hun zenuwstelsel de volle laag heeft gekregen. Maar nu krijgt hij zijn spreekvermogen terug.
‘Alle donders nog aan toe!’
Eerst geloof ik dat hij zich niet langer kan inhouden, dat hij nu alles eruit flapt en ons gaat aangeven en dat alles verloren is. Maar dan volg ik zijn blik. Zijn uitbarsting slaat niet op ons. In de deuropening van de zaal staat Thorlacius-Drøbert. En vlak achter hem de bisschop van het bisdom Grenå, Anaflabia Borderrud.
Hoe het zulke duidelijk suspecte types gelukt is om zo snel te worden losgelaten, zou ik niet kunnen zeggen. En er is geen tijd om de zaak te overwegen, want Karel Riool begint nog meer te glunderen.
‘Daar is de professor,’ zegt hij. ‘En de bisschop! Ze nemen deel aan de synode. Als representanten van de nationale kerk en de natuurwetenschap.’
Tilte en ik komen gelijktijdig in actie. Het komt doordat we in onze familie zo goed op elkaar zijn ingespeeld – zoals ik al eerder heb vermeld – en verder is het een kwestie van overzicht hebben in de hele lengte en breedte van het veld, en dat heb ik: en ik heb gezien dat er maar één deur is waardoor we bijtijds naar buiten kunnen komen.
Bijtijds wil zeggen voordat Thorkild Thorlacius en Anaflabia ons in de gaten krijgen. En niet alleen zij. Want achter hen doemen Lars en Katinka op. En hoewel ze elkaar bij de hand houden en hun stralende ogen verraden dat ze aardig op streek zijn gekomen met hun verliefdheid sinds Tilte en ik hen een paar uur geleden hebben geholpen met hun rendez-vous onder de acacia, heeft dat hun waakzaamheid niet minder gemaakt, want hun arendsblik scant de zaal – en ik geef je op een briefje dat ze op zoek zijn naar ons.
Het is een situatie die ernstig uit de hand had kunnen lopen. Maar op dat moment geven lama Svend Helge en Sindbad Al-Blablab blijk van een uniek medeleven en gevoel voor omstandigheden, want met een onopvallende beweging blokkeren ze de toegang en het uitzicht op de zaal voor Katinka, Lars, Thorkild Thorlacius en Anaflabia.
Tilte en ik bukken ons en zwemmen honderd meter onder water door de mensenzee, en dan zijn we de deur uit.
****
Het vertrek dat we binnenstappen, is schemerig en koel. Er hangt een geconcentreerde etenslucht. Uit de duisternis treden de contouren naar voren van dientafels met gerechten ter aanvulling van het buffet, kratjes bier en frisdrank, batterijen wijnflessen. Op een andere tafel liggen stapels stoffen servetten. En op een derde tafel iets anders, ik til het op en vouw het uit, het is stof. Geen gewone stof, maar de stof waarvan Finøholms gordijnen zijn vervaardigd. Die hangen al voor één van de twee ramen in het vertrek en houden het midden tussen tentzeil en toneelgordijn.
De gordijnen die voor de ramen hangen, zijn voorzien van vergulde vlaggenlijnen en met gouddraad bewerkte kwasten, die zo groot zijn als verfkwasten. Maar de gordijnenman heeft zijn werk blijkbaar niet helemaal af weten te krijgen voor de feestelijkheden van die avond en heeft daarom een rol stof laten liggen. Een mogelijke verklaring kan zijn dat de man identiek is geweest aan Herman Molester Lander van de Finøse Gordijnen en Plissé Montage, onze buurman en de vader van Kaj Molester, waardoor hij redenen te over heeft gehad om zich aan het eind van de dag plotseling bezorgd af te vragen of zijn huis er nog wel staat, en daarom de boel de boel heeft gelaten en in allerijl naar huis is gegaan.
Ik besef dat er snel gehandeld moet worden en dat ik het moet doen, want Tilte is nog geheel verdiept in haar inspiratie.
Ik durf te beweren dat Assepoester geen betere behandeling kreeg van de kleine dieren als inleiding tot haar ontmoeting met de prins met wie ze nog lang en gelukkig tot het einde van haar levensdagen leefde, dan wat ik Tilte nu lever. Ik maak een tulband voor haar en een soort Romeinse toga. Gordijnmeester Lander is gelukkig zo confuus geweest dat hij zowel een kleermakersschaar als veiligheidsspelden heeft achtergelaten. Daarna maak ik een tulband voor mezelf en een soort lange jurk, en ten slotte maak ik een sluier voor Tilte van de stof die het dichtst bij het raam hangt en die het midden houdt tussen verbandgaas en een visnet.
We zijn onherkenbaar veranderd – dat heeft niet meer dan vijf minuten in beslag genomen. Op dat ogenblik gaat de deur open. Voor ons staat de gastheer van deze avond, ondernemer en parlementslid, landgoedbezitter Charles de Finø.
Het is een penibele situatie, maar het is duidelijk dat Tilte nog steeds op een stroom van gelukkige invallen surft.
‘We hoopten dat je zou komen,’ zegt ze.
Karel Riools ogen zijn nog niet aan het donker gewend geraakt, maar hij herkent Tiltes iele stem.
‘Juffrouw De Ahlefeldt-Laurvig!’
Dan krijgt hij onze kostuums in de gaten, en er valt enige verwarring in zijn systeem te bespeuren.
‘Wij representeren het Advaita Vedanta Genootschap op Anholt,’ zegt Tilte. ‘Een van de hoogste dogmavrije meditatievormen ter wereld.’
Advaita Vedanta is natuurlijk algemeen bekend geworden op Finø en op het vasteland, niet in de laatste plaats door toedoen van Ramana Maharsi, wiens portret in veel Deense tienerkamers hangt, dus hiermee zou alles eigenlijk verklaard moeten zijn. Karel Riool ontspant zich.
‘We willen iets belangrijks met je bespreken,’ zegt Tilte. ‘Iets uitermate belangrijks. Dat is de tweede en doorslaggevende reden waarom we zijn gekomen. Maar we dringen erop aan dat het zeer vertrouwelijk blijft.’
Karel Riool knikt. Zijn ogen hebben een, wat ik wil noemen, vacante uitdrukking gekregen. Dat duidt erop dat hij onder Tiltes invloed aan het raken is.
‘Zowel mijn broer en ik,’ zegt Tilte, ‘als onze ouders houden ons thuis op kasteel Anholt intensief bezig met een fenomeen waar nog maar heel weinig mensen in Denemarken weet van hebben. Wij noemen het de verborgen aristocratie. Het idee bestaat hierin dat er in de grote adellijke families een lange reeks buitenechtelijke kinderen zijn geweest, die in werkelijkheid recht hadden op de titels. Maar de families hebben dat proberen te verdoezelen. Om de duizelingwekkende rijkdommen bijeen te houden. Wij vinden dat het aan het licht moet komen. Wij zijn begonnen de kinderen en hun nakomelingen op te sporen. En we hebben ontdekt dat er twee dingen zijn die een persoon kenmerken die aristocraat is zonder het te weten. Allereerst wat we een “inwendige adel” noemen, een gevoel op natuurlijke wijze thuis te horen in adellijke kringen. En verder een fysionomische gelijkenis.’
Ik wil niet beweren dat ik alles heb begrepen wat Tilte heeft gezegd. Maar ik weet zeker dat ze zich voorbij de laatste zandbank heeft gewaagd, waarna je geen vaste grond meer onder je voeten hebt.
Maar algauw blijkt dat ik gerust kan zijn. Karel Riools ademhaling is sneller geworden, zijn ogen zijn melkwit. Als je niet beter had geweten, zou je een instorting kunnen vrezen, maar de man is een voormalige grond- en betonwerker, hij heeft het uithoudingsvermogen van een brouwerspaard.
‘Peter en ik,’ zegt Tilte, ‘wij zijn opgegroeid te midden van honderden familieportretten. En toen we jou daarnet zagen, voer er een siddering door ons beiden. Het is namelijk zeer opvallend, hoezeer jij, Charles, op een echte De Ahlefeldt-Laurvig Finø lijkt.’
Opnieuw staan Tilte en ik hier tegenover een voorbeeld van het feit dat als je rechtstreeks tot het diepste in een mens spreekt, het gewone denkvermogen het laat afweten. Karel Riool is op dit ogenblik als was in onze handen, en het heeft er alle schijn van dat we tot De witte dame zullen worden toegelaten.
Dus stel je mijn ontzetting voor wanneer er vanuit het donkerste gedeelte van het vertrek een stem luidt.
‘Zijn het de flaporen?’
We draaien ons om. Helemaal achter in het vertrek zit een vrouw met korengeel haar, dat is opgestoken als een lading gepermanent hooi, en met onderarmen als het rundgebraad van het buffet en met een koel pilsje naast zich. Zowel Tilte als ik weten onmiddellijk tegenover wie we hier staan, we staan tegenover Karel Riools echtgenote, Bullimilla Madsen, die we samen met Karel in een koets hebben zien langsrijden en die naar verluidt in de leer is geweest als smørrebrødsdame en die heeft geweigerd haar naam in De Finø te veranderen en die beslist veel royaler is dan haar man, want de dag nadat Tilte en ik bot hadden gevangen bij onze poging om loterijbriefjes te verkopen op Finøholm, probeerde Hans het. Hij trof Bullimilla thuis aan en zij kocht de hele waaier.
Dus onze indruk is dat we te doen hebben met iemand met veel kwaliteiten.
Charles de Finø is duidelijk de mening toegedaan dat we moeten worden voorgesteld.
‘Tilte en Peter de Ahlefeldt-Laurvig,’ zegt hij. ‘Gekleed in het habijt van de Hogere Veranda.’
De vrouw neemt een slokje van haar pils.
‘Het lijken anders onze gordijnen wel, Kareltje.’
Dat is een scherpzinnige opmerking, maar die dringt niet door tot Karel Riool. Hij heeft belangrijker zaken aan zijn hoofd.
‘Hoe komen we verder,’ zegt hij, ‘met die eventuele – in feite waarschijnlijke – verwantschap?’
‘Stamboomonderzoek,’ zegt Tilte. ‘Dat is de oplossing. We moeten je stamboom hebben. En dan moeten we naar Kopenhagen. Naar het rijksarchief. En de Deense adelsvereniging. Helaas vertrekt er woensdag pas een boot. Dus dat moet wachten.’
‘De witte dame vertrekt vannacht,’ zegt Karel. We regelen een vrije hut. En mijn stamboom.’
Hij buigt zich over een la. Bullimilla giet peinzend het laatste halve biertje in haar keel en pakt een nieuw flesje uit het krat.
‘Het zit er dik in dat jij van adel bent, Kareltje,’ zegt ze. ‘Met die sjieke ouwe familie van je. Vier generaties pleeruimers in het stadje Finø. En daarvóór gaat de familie op in de mist op de heide als schaapherders en halfapen.’
Eigenlijk klinkt er liefde door in de stem van de vrouw. Maar ook vermoeidheid. Het schiet me ineens te binnen dat zij misschien ook met een olifantenhoeder in huis woont.
‘Vanavond,’ zegt ze, half tegen zichzelf, ‘heb ik meer gekken gezien dan in al die jaren dat ik de kantine van het raadhuis in Kolding runde. En de avond is nog maar net begonnen.’
Tilte kiest, zoals zo vaak tevoren, de directe weg.
‘Mevrouw Madsen,’ zegt ze, ‘wat zou je ervan zeggen als blijkt dat je werkelijk een gravin bent?’
‘Ik zou ervoor betalen om dat niet te hoeven zijn,’ zegt Bullimilla. ‘Want ik ben bang dat er dan nog meer van dit soort maffe banketten komen.’
Karel Riool heeft ons een diskette overhandigd en een boek, ingebonden in verguld leer, ongetwijfeld zijn stamboom enzovoort. De tijd dringt, we zijn op weg naar buiten.
‘Bestaat de kans dat de gordijnen terugkomen uit de Hogere hoe-heet-het-ook-alweer?’
Dat vraagt Bullimilla.
‘Absoluut,’ zegt Tilte. En dan zullen ze zijn gezegend en besprenkeld met wijwater door prominente religieuze persoonlijkheden.’
Karel Riool houdt de deur voor ons open, we duiken de menigte in. Het laatste wat we horen, is Bullimilla’s stem.
‘Knettergek, Kareltje. Net als die andere vrienden van je. En dit zijn bovendien nog maar kinderen.’
****
We verplaatsen ons weer door de menigte, maar dit keer valt het ons gemakkelijk, want we gaan schuil achter Karel Riool. We vangen een glimp op van Thorkild Thorlacius en van Anaflabia en Lars en Katinka, maar die zien ons niet. De enige werkelijk griezelige verrassing is dat ik Alexander Vinkenbloed in het oog krijg, wat ik snel beredeneer met de constatering dat hij immers de afgevaardigde van het ministerie is en tot de top van de Finøse intelligentsia behoort. Dan hebben we de deur aan de overkant bereikt en bevinden we ons zogezegd op de eindstreep, waar een korte stop plaatsvindt.
Die komt van Tilte, zij is stil blijven staan voor een persoon wiens huid te olijfkleurig is om echt spookachtig wit te kunnen worden, maar hij is behoorlijk flets geworden. In zijn linkerhand houdt de persoon in kwestie een rozenkrans, maar bij het zien van Tilte stokt zijn gebed.
‘Mag ik jullie voorstellen,’ zegt Karel, ‘het neefje van mijn vrouw en een heel goede vriend van mij, Jakob Aquinas Bordurio Madsen. Hij studeert theologie in Kopenhagen en is van plan om katholiek priester te worden. Hij reist ook mee naar Kopenhagen. Jakob, dit zijn Tilte en Peter de Ahlefeldt-Laurvig van de Hogere Placenta op Anholt.’
Tilte tilt langzaam haar sluier op. Jakob heeft haar natuurlijk ondanks het kostuum herkend. Het is niet waar dat liefde blind maakt, werkelijke liefde maakt ziende. Maar nu kan ze hem rechtstreeks in de ogen zien.
Ze maakt een beweging die zowel naar haar als mijn gewaad verwijst.
‘Voor het geval je je hierover mocht verwonderen, Jakob,’ zegt ze, ‘dan kan ik je vertellen dat ik een roeping heb gekregen.’
Dan zijn we door de deur, die achter ons dichtgaat.
We zijn op een hoog terras gekomen, eronder ligt een rozentuin, aan het eind van de tuin staan twee koetsen, waarbij vergeleken onze koets van Blågårds Plads op een bietentransport lijkt. Voor elk ervan zijn zes paarden gespannen van het ras Finø’s warmbloed, die de vurige rossen van Blågårds Plads doen lijken op iets wat moet worden afgemaakt door de dierenarts.
‘De gasten voor het schip worden ernaartoe gereden,’ zegt Karel. ‘Met vuurwerk. Over tien minuten. Jullie zitten in de eerste koets.’
Hij maakt een buiging, geeft Tilte een handkus, drukt mijn vuist en aait Baskers kop, alsof Basker ook een De Ahlefeldt-Laurvig is, en dan bewegen we ons voort door de rozen.
Wanneer we alleen zijn, geef ik lucht aan de verontwaardiging die me de afgelopen vijf minuten heeft bevangen.
‘Tilte,’ zeg ik, ‘alle grote wereldreligies zijn warme voorstanders van de waarheid. Hoe valt dat te rijmen met de moddervette leugen die je net aan Karel Riool hebt verteld?’
Ik voel hoe Tilte zich in bochten wringt, ze is niet blij.
‘Er is een verhaal in de boeddhistische Pali-canon. Waar Boeddha vijfhonderd piraten doodt. Om te voorkomen dat ze moorden zullen begaan. Wanneer je bedoelingen maar goed zijn, kun je jezelf de ruimte geven.’
‘Jij bent Boeddha niet,’ zeg ik. ‘En Karel Riool is geen piraat. Hij zal erg teleurgesteld zijn.’
Tilte stopt. Ze heeft een antwoord in de maak. Het is niet makkelijk, ze staat tegenover een klassiek theologisch probleem. Hoe hard kun je iemands arm omdraaien, terwijl je ernaar verwijst dat het een hoger doel dient?
Ze komt niet aan antwoorden toe. Een bekende gedaante opent het rijtuig voor ons.
‘Dames en heren,’ zegt graaf Rickardt. ‘Nog drie minuten voordat we gaan rijden. Nog een kwartier totdat het schip afvaart!’
Ik kan je verzekeren dat de rit per koets naar De witte dame begeleid door tien minuten onafgebroken Japans vuurwerk een belevenis is, waarvan Tilte en Basker en ik normaal gesproken erg zouden hebben genoten. Maar we worden geconfronteerd met een paar probleempjes, en het eerste daarvan staat nu voor ons in de gedaante van graaf Rickardt Drie Leeuwen.
‘Heremijntijd, wat zien jullie er goed uit,’ zegt de graaf. ‘Zowel oriëntaals als noords.’
‘Jij ook,’ zegt Tilte. ‘Zwierig als een potloodventer.’
De graaf glimlacht gelukkig.
‘Onze hutten liggen naast elkaar,’ zegt hij.
Tilte en ik begeven ons met lood in de schoenen naar de deur.
‘Ga jij ook mee?’ vraagt Tilte. Met haar stem vol hoop dat we het in het lawaai verkeerd hebben verstaan, het vuurwerk is al begonnen.
‘Ik ben een van de gastheren,’ zegt graaf Rickardt. ‘Kasteel Filthøj is mijn ouderlijk huis. Jullie kunnen je verheugen! Een fantastische plek. We beoefenen biologisch-dynamische landbouw. Tijdens nachten met volle maan barst het er van de elementalen.’
Tilte en ik hebben geen extra energie over om te vragen wat elementalen zijn. Het kost ons al genoeg moeite om over de schok te komen.
Het is niet zo dat we graaf Rickardt niet mogen. We beschouwen hem zoals gezegd als een familielid. Maar een soort familielid – daar komen we niet onderuit – dat altijd een gevaar voor de openbare orde en veiligheid zal zijn.
‘Bovendien is het een conferentie over religieuze ervaringen,’ zegt de graaf. ‘Dat past precies in mijn straatje.’
Er zit niets anders op. We moeten blij zijn dat hij zo te zien zijn aartsluit niet heeft meegenomen.
De paarden verroeren zich, wij stappen de koets in.
Hier doet zich nog een concreet probleem voor.
In de verste hoek zit een oude dame met haar hoed stevig over haar bril getrokken met open mond te slapen, dus van die kant hebben we niets te duchten. Maar naast haar zit Thorkild Thorlacius en naast hem zijn vrouw en naast haar Anaflabia Borderrud.
Ik stop Basker onmiddellijk onder het gordijn. Tilte en ik zijn onherkenbaar vermomd. Maar Basker heeft geen tijd gehad zich ergens in te draperen.
We gaan zitten. De graaf helpt nog een persoon naar binnen, Vera de secretaresse, en vervolgens neemt hij zelf plaats. De koetsier laat de zweep knallen, waarop de paarden in beweging komen, niet zoals het geval was geweest als onze broer Hans op de bok had gezeten, maar ook niet alsof het een span wijngaardslakken is.
Het gezicht van de graaf straalt.
‘Een laatste woord, luitjes,’ zegt hij, ‘voor jullie, stoere zeelui: Geef ’m van jetje, verdulleme!’
Ik zie de gezichten van Thorkild Thorlacius en de bisschop trekken. Uit dat trekken valt op te maken dat van de kwellingen die ze de afgelopen twaalf uur hebben ondergaan de ontmoeting met de graaf niet de geringste is geweest.
Ik moet toegeven dat Tilte en ik ons niet volop op het vuurwerk kunnen concentreren. We lopen namelijk een dubbel risico: dat graaf Rickardt zijn mond voorbijpraat en iets zegt wat ons ontmaskert, en dat Thorkild Thorlacius ons herkent.
En nu voel ik hoe de professor beurtelings naar mijn tulband en Tiltes sluier staart.
‘Hebben wij elkaar niet eerder gezien?’ vraagt hij.
‘Wij komen van de Vedantische Sangha op Anholt,’ zeg ik. ‘Kan het daar geweest zijn?’
Thorkild Thorlacius schudt het hoofd. Zijn ogen zijn nu smal geworden.
‘Is er een volwassene samen met jullie?’ zegt hij langzaam.
Ik knik naar de slapende dame in de hoek.
‘Alleen de abdis,’ zeg ik.
Ik voel hoe er enorme krachten worden gemobiliseerd in Thorkild Thorlacius en Anaflabia, alle scherpzinnigheid, al het combinatievermogen en het psychologische inzicht die nodig zijn geweest om bisschop en wereldberoemd hersenonderzoeker te worden. Het is zo duidelijk als wat dat Tilte en ik elk moment genoodzaakt kunnen zijn het vege lijf te redden.
Op dit strategische ogenblik vlijt de oude dame haar hoofd tegen Thorkild Thorlacius’ schouder aan.
Ik moet zeggen dat ik persoonlijk net zo tegen wonderen aankijk als tegen de verhalen van lieden die beweren dat ze zo fantastisch kunnen voetballen: Ik wil de bal liefst eerst in het net zien belanden. Maar anderzijds moet ik zeggen dat wanneer het hobbelen van de wagen juist op dit ogenblik het hoofd van de oude dame met hoed en bril op Thorkild Thorlacius’ schouder doet belanden, dat onvermijdelijk het gevoel oplevert dat de deur open moet staan en dat er van buitenaf iets enorms voor Tilte en Basker en mij wordt gedaan.
Maar als er mensen zijn die denken dat wij nu domweg achteroverleunen op de eerste rij en genieten van de helpende hand der Voorzienigheid – als dat tenminste het juiste woord is – dan vergissen ze zich. En ook al zouden we misschien zin hebben gehad om achterover te leunen, we krijgen daar de kans niet toe, want terwijl het hoofd van de dame naar opzij zakt, glijdt tegelijkertijd haar hoed omhoog en wordt duidelijk wie ze is: het is Vibe uit Ribe.
Naïevere types dan Tilte en ik zouden misschien denken dat nu elke twijfel aan het bestaan van wonderen uit de weg is geruimd, want Vibe is uit de kist opgestaan, heeft een hoed en een bril opgezet en in de koets plaatsgenomen, zeven dagen na haar overlijden. Maar daar trappen Tilte en ik niet in. We merken allebei hoe er een schokje door graaf Rickard heen gaat, en dat vertelt ons dat hij er iets mee te maken heeft dat Vibe zich plotseling weer onder ons bevindt.
Iemand met Thorkild Thorlacius’ wetenschappelijke ervaring zou moeten kunnen zien dat Vibes uitstraling iets ongezonds over zich heeft. Maar hij is zo in beslag genomen door zijn argwaan jegens ons dat dit zijn arendsblik vertroebelt. Dus nu legt hij zijn hand op Vibes arm.
‘Mevrouw,’ zegt hij. ‘Eh, juffrouw, kent u deze jongelui?’
Dan trekt hij zijn hand terug.
‘Alle duivels!’
De bisschop schrikt ervan. Ze is eraan gewend dat haar aanwezigheid als een definitief sproeimiddel tegen vloekwoorden werkt. Maar de reactie van de professor is begrijpelijk. Vibe heeft op droogijs gelegen. Toch herstelt hij zich verrassend snel, en hier kun je zijn Finse sisu en professionalisme merken.
‘Juffrouw,’ zegt hij tegen Vibe. ‘Staat u mij toe? Een medisch oordeel. U bent tamelijk onderkoeld.’
Nu is de situatie, die er daarnet nog rooskleurig uitzag, zich weer aan het toespitsen en vereist ingrijpen.
‘Het is haar training,’ zeg ik. ‘Haar meditatieve training. Daar geeft ze zich altijd aan over tijdens een transport. De lichaamstemperatuur daalt. Er is haast geen ademhaling.’
Thorlacius heeft zich naar mij toe gekeerd. Op hetzelfde moment beweegt Basker zich heftig onder mijn ordekleed. Ik merk hoe alle blikken in de wagen zich verplaatsen, van Vibe naar mijn buik.
‘Buikrol,’ zeg ik. ‘Beweging van de diepere buikspieren. Een speciale yogatechniek.’
Hier vindt nog een van die gebeurtenissen plaats die eerlijk gezegd aanvoelen als een steuntje in de rug van Onze-Lieve-Heer: De wagen stopt, een van de in livrei geklede horigen opent het portier en beveelt ons aan boord te gaan.
Anaflabia en Vera en Thorlacius en zijn vrouw volgen de poederpruik. Ik merk dat ze liever willen doorgaan met hun argwaan jegens ons, maar het grappige is dat heel veel volwassenen, zelfs geboren generaals als Thorlacius en Anaflabia, iets van hun beoordelingsvermogen verliezen wanneer ze een bevel krijgen van een man in uniform. Dus in een mum van tijd zijn ze weg. Wie er achterblijven zijn Vibe, Basker, de graaf, Tilte en ik. Nu gaan we om graaf Rickardt heen staan, en hij beseft dat hij met een verklaring voor de draad moet komen, anders staat hem op zijn minst ernstig lichamelijk letsel te wachten.
‘Het was mijn aartsluit,’ zegt hij. ‘Die hebben ze van me afgepakt. Duistere krachten hebben die van me afgepakt, opeens was hij weg. Maar hij moet mee, koste wat het kost. Ik heb immers beloofd te spelen bij de conferentie. Muziek is een rechtstreekse weg tot religieuze belevenissen. En hoe moet dat zonder luit? De situatie is kritiek. Maar de kabouters schieten me te hulp. Die laten me zien waar hij is opgeborgen. En waar de sleutel is. Maar hoe moet ik hem mee aan boord krijgen? Goede raad is duur. Maar dan vertellen de kabouters me over de kist. Ik weet hem open te krijgen. Met veel moeite. Ik ben immers geen Jan met de pet. De luit past er perfect in. Hij is bovendien gevoerd.’
‘En dan zet je Vibe in de koets?’
‘Ik ken helaas haar naam niet. Maar ik volgde de instructie van de kabouters. Hemeltje, ze is kouder dan een oude turk. Ik moest handschoenen aandoen. En een hoed en een bril voor haar vinden.’
‘Rickardt,’ zegt Tilte, en haar stem is onheilspellend. ‘Hebben de kabouters je instructies gegeven over hoe je haar nu aan boord van het schip krijgt?’
De graaf schudt het hoofd.
‘Dat is soms het probleem. Ze geven alleen maar de startinspiratie, als jullie begrijpen wat ik bedoel.’
Om nou te zeggen dat Vibe uit Ribe tijdens haar leven alom geliefd was, zou een slordige omgang met de waarheid zijn. Je staat dichter bij de feiten als je toegeeft dat de meesten zeker menen te weten dat zij tijdens nachten met volle maan in een weerwolf veranderd is. Dus ze heeft niet voor een nagedachtenis gezorgd die Tilte en mij huilend zou doen instorten bij het idee haar op de kade achter te laten. Maar aan de andere kant hebben Bermuda Svartbag en alle grote wereldreligies gezegd dat het belangrijk is dat we de doden respectvol en behoedzaam behandelen. Bovendien weten zowel Tilte als ik dat wanneer wordt ontdekt dat Vibe ontbreekt, er een onderzoek wordt ingesteld. En als er iets is wat je niet nodig hebt als je onder een valse identiteit reist, dan is het een gerechtelijk maritiem onderzoek, gevolgd door een huiszoeking in de hutten.
‘Rickardt,’ zeg ik, ‘hoe heb je haar van de lijkwagen in de koets weten te krijgen?’
Graaf Rickardt opent de transportbak achter op de koets, daaruit vist hij een opklapbare rolstoel op. Tilte en ik kijken elkaar aan. Telepathisch zijn we het eens over onze volgende stap.
****
De loopplank is een trap, bij de trap staat de kapitein van het schip in een wit uniform en met een met tressen afgezette pet samen met Karel Riool om ons allemaal een goede reis toe te wensen. Wanneer Karel ons ziet, wordt zijn gezicht één grote glimlach, en dan valt zijn blik op Vibe in de rolstoel.
Heel even vrees ik dat Tilte Vibe uit Ribe gaat voorstellen als nog een De Ahlefeldt-Laurvig, maar Tilte voelt blijkbaar net als ik dat ze het daarmee te bont zou maken.
‘De leider van de Vedantische Sangha,’ zegt ze.
Karel maakt aanstalten om Vibes hand te kussen, maar dat weet ik te verijdelen door me er tussenin te werpen.
‘Helaas,’ fluister ik tegen Karel, ‘kuisheidsgelofte en zo. Geen man mag de abdis aanraken.’
Karel stapt vol respect opzij, er worden aluminium oprijplaten gehaald, en gespierde zeelui rollen Vibe aan boord en wijzen ons de weg naar onze hut. Ik word lichtelijk weemoedig bij de gedachte dat Vibe dit tijdens haar leven niet heeft mogen meemaken. Dat ze door meerdere gespierde jonge mannen tegelijk geholpen werd, zou haar gegarandeerd nog meer plezier hebben gedaan dan die holle ijsbolletjes. Onderweg passeren we het restaurant en de keuken van het schip. Tilte en ik wisselen een veelzeggende blik, want waar een restaurant is, is een keuken. En waar een keuken is, is een koelruimte. En als er iets is waar je naar zoekt wanneer je verantwoordelijk bent voor een overledene die haar kist kwijt is, dan is het een koelruimte.
Wie gelooft dat scheepshutten altijd bezemkastjes zijn met vaste kooien en een kijkgat, heeft nog nooit De witte dame van Finø gezien. Onze hut is zo groot als een huiskamer en lijkt op iets uit Duizend-en-één nacht, het bed is een hartvormig hemelbed bekleed met rood fluweel. Er is een bankstel en een marmeren badkamer, waar kamerjassen en Perzische pantoffels zijn klaargelegd. Onder andere omstandigheden zouden Tilte en ik het ons hebben gepermitteerd van deze weelderige luxe te genieten. Maar zodra de zeelui zijn verdwenen, rollen we Vibe uit Ribe de gang op en terug naar het lege restaurant en door de verlaten keuken. En helemaal achter in de keuken vinden we de koelruimte waarop we hebben gehoopt.
Het is een koelruimte waar je u tegen zegt, hij is zo groot als een campingwagen, van vloer tot plafond hangt hij vol met paarden, varkens, koeien en schapen, die gevild en halal geslacht zijn. Helemaal achterin, waar ze ongestoord van de overtocht kan genieten tot we de kist hebben gelokaliseerd en haar daarin leggen, parkeren we Vibe. We trekken een paar witte plastic zakken over haar en de stoel heen. Dan zijn we terug in de hut, waar we plaatsnemen in het pluche en het pakje uit pa’s en ma’s bankkluis voor ons op tafel leggen.
Onder het inpakpapier gaat een zwart kartonnen doosje schuil, zo een als waarin pa zijn preken bewaart. Het doosje bevat verschillende stapeltjes papier, die bijeen worden gehouden door elastiekjes. We beginnen met een stapeltje krantenknipsels.
Ze gaan over de Grote Synode. Er zijn er honderden. Eerst begrijpen we niet hoe pa en ma daaraan gekomen zijn, want ze komen uit veel verschillende kranten, en op de pastorie zijn we alleen maar geabonneerd op Het Finøse Volksblad. Maar het blijken uitdraaien te zijn van internet, die zijn bijgeknipt. Ze gaan drie jaar terug in de tijd. De eerste noemen de conferentie als een bescheiden mogelijkheid, daarna wordt de toon steeds zelfverzekerder en sensationeler, en op het laatst is het absoluut zeker dat de zaak doorgang vindt. Er zijn foto’s van de deelnemers die een definitieve toezegging hebben gedaan. En de kranten schrijven dat ze uit de hele wereld komen, vertegenwoordigers van het christendom, de islam, het hindoeïsme, het boeddhisme, het jodendom en van verschillende natuurreligies en magiescholen.
Er is een grote foto van de Dalai Lama, die voor zich uitkijkt met een speciale – doordringende zou ik het willen noemen – vriendelijkheid, die je op het idee brengt dat hij in een nieuwe styling met witte baard en puntmuts een super-Kerstman zou zijn bij het grote kerstboomfeest in het Finøse buurthuis. Naast hem staat de paus met een glimlach, waar de Dalai Lama geen last van zal hebben bij de selectie tot kerstman, maar die kwalificaties oplevert voor de post van de kindervriend, die zich tijdens de kerstrevue met de kleinste kindertjes bezighoudt. Er zijn foto’s van de Metropoliet van Konstantinopel, en nog een paar metropolieten. En Tilte heeft vast gelijk als ze zegt dat Bent Agent tijdens een dienst voor hen allemaal zou kunnen doubleren, als hij zijn mond maar dichthield en Mees thuis liet. Er zijn ook verscheidene grootmoefti’s, en zoals gezegd weet ik niet zeker wat die titel inhoudt, maar een heftiger outfit dan die zij aanhebben, heb ik niet gezien sinds het Finøse Amateurtoneel vorige jaar De kalief van Bagdad opvoerde. Daarnaast zijn er foto’s van monniken van het eiland Athos en van Mongoolse tovenaars en Spaanse karmelietessen. En de kranten schrijven dat het de grootste bijeenkomst is van vertegenwoordigers van de wereldreligies die ooit heeft plaatsgevonden, en dat het de eerste keer in de geschiedenis is dat men een poging wil doen om over religieuze ervaringen te praten. Daarna gaat de journalist helemaal uit zijn dak, omdat de bijeenkomst zal plaatsvinden in Denemarken, in Noord-Sjælland, op het historische landgoed Filthøj. En dat is fantastisch, het toont opnieuw aan dat, ook al beschouwen we onszelf als klein, we niettemin de grootsten zijn qua tolerantie en ruimte voor iedereen. En je kunt aan de journalist merken dat de grootste en meest verbreide van alle religies ondanks alles de zelfgenoegzaamheid is en blijft.
Wanneer Tilte en ik zo ver hebben gelezen, komt de shock. Want bij het volgende knipsel staat niet de conferentie zelf centraal, maar iets anders. Bovenaan in het stapeltje liggen een foto van een zwarte punthoed, die zo te zien van een grote tovenaar zou kunnen zijn, en een foto van enkele donkere beeldjes, die op koopjes van een vlooienmarkt lijken. Daarnaast zijn er foto’s van met juwelen getooide diademen van het soort dat je via internet bij Toys‘R’Us koopt, en die Tilte droeg tot ze vijf werd. Op de laatste foto zie je iets wat het midden houdt tussen paaseitjes en strandstenen, maar dan komt de tekst:
‘De Grote Synode wordt opgeluisterd door een aantal ambitieuze concerten met religieuze muziek. En tegelijk met de synode opent de grootste tentoonstelling van religieuze kostbaarheden die ooit samen zijn vertoond. Van de Tibetaanse vluchtelingengemeenschap stelt The Karmapa Trust relikwieën tentoon uit het klooster Rumtek in India, onder andere de zwarte kroon van de karmapa’s. Vanuit de moslimwereld zijn er geweven gobelins die nog nooit buiten Mekka zijn vertoond. Uit Japan, het Nationale Museum van Tokio, komen de hoogtepunten van een expositie van kimono’s en zwaarden vervaardigd door zenmeesters en zo kostbaar dat ze nooit in de handel zijn geweest. Van het Indische hindoeïsme gouden standbeelden uit het Tantramuseum in Lahore. Van het Vaticaan unieke heiligen- en Christusrelikwieën en een collectie met juwelen afgezette kruisbeelden uit de Renaissance. De kruisbeelden alleen zijn verzekerd voor een bedrag van een miljard kroon, en vanwege de verzekeringspremie wordt de expositie, die in de loop van de volgende drie jaar in twaalf landen zal worden getoond, de duurste reizende tentoonstelling ooit.’
Tilte en ik kijken elkaar aan. Het schip wiegt onder ons.
Het is duidelijk dat we deze gelegenheid niet voorbij laten gaan om inwaarts te kijken en ons af te vragen wie op dit ogenblik deze totale verlamming voelt.
Maar daarna zijn we genoodzaakt ruimte te geven aan onze verontwaardiging. Het is natuurlijk prachtig om te zien hoe mensen zich ontwikkelen, vooral wanneer het je eigen ouders betreft. Maar het is niet genoeg om te weten dat er ontwikkeling is, je moet ook bekijken in welke richting die gaat. En nu, geconfronteerd met de krantenknipsels, zijn Tilte en ik het erover eens dat het erop lijkt dat onze vader en moeder een ontwikkelingsniveau aan het bereiken zijn in de richting van minstens acht jaar gevangenis.
Het volgende stapeltje papieren bestaat uit facturen, en eerst is er geen touw aan vast te knopen. Alles is binnen de afgelopen drie maanden gekocht, van misschien wel twintig verschillende firma’s, sommige in het buitenland. We bladeren lukraak en vinden rekeningen voor elektronica gekocht bij E-Skov in Grenå, beslag van Møll & Madammen op Anholt, overalls van geïmpregneerd beavernylon van Rugger & Rammen op Læsø. Er is een rekening van twee mobieltjes en simkaarten, voor iets wat closed cell-foam beenbeschermers heet, en twee rekeningen van Pompfabriek Grenå voor iets wat ‘spuitpompen’ heet. Er zijn rekeningen voor stopwatches, voor touwwerk van neopropyleen en een onverklaarbare factuur voor iets wat een 18-voets wavebreaker heet en vijftigduizend kroon heeft gekost. Daarbij komt een buitenboordmotor van 40 pk, die ook nog eens vijftigduizend kost. En dan te bedenken dat pa en ma nooit aan boord zijn gegaan van iets wat onstabieler is dan de Finø-veerboot. Verder zijn er verscheidene rekeningen in talen die we niet kunnen lezen. Ten slotte is er een waar we met extra aandacht naar kijken, dat is een kwitantie voor vijf tweehonderdliterjerrycans met groene zeep van Samsø Saniteit n/v.
We kijken elkaar aan.
‘Het is gereedschap,’ zeg ik. ‘Om de overval mee uit te voeren.’
We openen het laatste pakje. Dat bevat een USB-stick, verder niets.
‘We moeten Leonora opzoeken,’ zegt Tilte. ‘En een beroep doen op het boeddhistische medeleven.’
We zijn zo vrij om zonder kloppen binnen te stappen, Leonora is aan het telefoneren. Ze werpt ons een kushandje toe.
‘Moet je horen, liefje,’ zegt ze tegen de vrouw aan de andere kant van de lijn, ‘ik ben op weg naar open zee, daar zijn geen zendmasten, de verbinding kan elk moment uitvallen. Wat je doet, is dat je de strop aanhaalt, hem vijf tikken met de hengel geeft en hem in de ogen kijkt. En dan zeg je: “Voel de liefde, Dikkerdje.”’
De wanhopige huisvrouw aan de andere kant protesteert.
‘Natuurlijk is dat te doen,’ zegt Leonora geduldig. ‘Maar liefde zonder filter, dat is te heftig. Daarom zit er niks anders op dan dat we beginnen met de duimschroeven en de dildo en de garrot. Het is een soort zonnebril, omdat het licht anders te scherp is. Dus je laat hem er geleidelijk aan wennen. Tegen de herfst vervang je de spanking door een liefdevolle zuigplek. Voor het jaar om is, neemt hij genoegen met de voetboeien en de nijlpaardzweep.’
De verbinding valt uit. Leonora mompelt een mantra om haar ergernis onder controle te krijgen. Tilte legt de USB-stick voor haar neer.
We hebben ons om het scherm geschaard, natuurlijk heeft Leonora haar laptop bij zich, en natuurlijk heeft De witte dame een hogesnelheidsverbinding. Het apparaat is aan, Leonora werpt een blik op het schermbeeld, Dit keer is een mantra niet genoeg, ze uit een vuile vloek.
‘Er is een toegangscode. Er is niets aan te doen.’
‘Breek de code,’ zegt Tilte.
‘Dat duurt drie dagen. We zijn er over negen uur.’
Tilte schudt haar hoofd.
‘Afgezien van die stemherkenning hebben pa en ma geen flauw benul van it. Ze weten amper hoe ze op de website van de school moeten komen om te zien wanneer er een ouderbijeenkomst is. Die codering moet kinderspel zijn.’
‘Zelfs standaardcodes kunnen labyrinten zijn,’ zegt Leonora.
Tilte en Basker en ik zeggen niets. Maar ons zwijgen houdt een milde pressie in.
Tal van keren wanneer de vegetarische gerechten haar te veel werden, heeft Leonora haar retreat voor korte tijd onderbroken en is ze heimelijk naar de pastorie toe gekomen, waar pa haar onthaalde op kalfsfilet cordon bleu en zult en eendenrillette en een paar driekwartliterflessen speciaalbier van de Finø Brouwerij.
Dus ze kan moeilijk om ons heen, en dat weet Leonora. En behalve berusting in het onvermijdelijke komt er iets in haar blik wat je vrij vaak ziet bij volwassenen die je allang kennen en wat misschien verwondering is over het feit dat zijzelf stilstaan, terwijl wij ons allemaal in volle vaart voorwaarts bewegen.
‘Toen jullie klein waren,’ zegt Leonora, ‘leken jullie zo zachtaardig.’
Ze opent de bar van de hut en vindt een fles koude witte wijn.
‘Het is mijn tsok,’ zegt ze. ‘Dat is Tibetaans voor schat, het is een manier om iets door te geven wat je tijdens je retreat hebt verworven. Bij de tsok mag je best alcohol drinken.’
Op die opmerking gaan Tilte en ik verder niet in. Er is maar één ding dat onzinniger is dan de argumenten voor de regels van de grote wereldreligies, en dat zijn de argumenten om ze weer te verbreken.
‘We zijn nog steeds zachtaardig,’ zegt Tilte. ‘Maar nu op een dwingender manier.’
****
We staan op het achterdek en zien hoe Finø in de zee wegzakt. Je hebt een beetje frisse lucht nodig wanneer je erachter bent gekomen dat je ouders afstevenen op een diefstal van kruisen ter waarde van vierhonderd miljoen dollar, plus wat ze verder nog bij elkaar hopen te kunnen schrapen. De maan heeft zich aan de hemel gewaagd. We zien het eiland als een lange, donkere verhoging met enkele lichtprikjes en af en toe de vegende schijnwerper van de noordelijke vuurtoren. Daar, op het dek, realiseer ik me ineens dat Tilte en ik nooit zullen terugkomen. Dit hangt samen met het feit dat we binnenkort volwassen zijn.
Nu zul je misschien zeggen: jeetje, de jongen is veertien en zijn zus is zestien; wat verbeeldt-ie zich wel? Is-ie van plan om op straat te wonen? Maar laat me dit even uitleggen. Er zijn veel mensen die nooit van hun leven afscheid hebben genomen van hun ouderlijk huis. Velen van hen die op Finø zijn geboren, keren vroeg of laat terug. En als ze het niet doen, dan worden ze lid van de Finøse Streekverenigingafdeling in Grenå of Århus of Kopenhagen en gaan naar donderdagse bijeenkomsten in klederdracht, en dansen op de tonen van het Finømenuet in met stro gevoerde klompen. Dat geldt niet alleen voor Finø. Overal verlangen mensen terug naar de plek waar ze geboren zijn, en in feite geldt hun verlangen misschien niet de plek zelf, want er zijn naar verluidt verscheidene historische voorbeelden uit de afgelopen tweehonderd jaar die aantonen dat mensen die in de Hollandse kolonie op Amager geboren zijn, daarnaar terugverlangd hebben.
Ik vermoed dat het om iets anders gaat, namelijk je vader en moeder. De Deense familie heeft een schaduwkant, en aan die schaduwkant zit lijm. Dat is iets wat heel duidelijk wordt bij het voetballen. Talloze keren heb ik spelers van achttien of negentien uit het eerste meegemaakt, van wie de ouders schreeuwend aan de zijlijn stonden, terwijl de kleine Frigast als een gek aan het spurten was. En dan denk je: wat is hier loos, neemt-ie zijn papa en mama ook mee als-ie naar de plee moet?
Het interessante voor Tilte en mij, zoals we hier op het achterdek staan, is dat we vrijheid voelen. Dat komt doordat we in zekere zin onze ouders hebben verloren, en ergens is dat vreselijk. Stel je voor: een jongen van veertien alleen achtergelaten. Het is alsof het kleed onder onze voeten is weggetrokken. Maar de interessante mogelijkheid die zelden wordt genoemd is dat wanneer het kleed eenmaal weg is, je voor het eerst de kans hebt om na te gaan hoe het aanvoelt om met beide voeten op de grond te staan. En dat is een vrij goed gevoel, behalve dan natuurlijk dat we niet op de grond staan maar op het scheepsdek van De witte dame.
Het is duidelijk dat je zo’n ogenblik moet gebruiken voor je nooit aflatende spirituele training. En ik kan je verzekeren dat het die training op dit ogenblik flink meezit, want plotseling zijn wij niemands zoon of dochter of hondje. We zweven boven de Zee der Mogelijkheden, en ik kan je verzekeren dat dit schokkend is, maar het is ook bedwelmend.
Helaas zijn er twee achterdekken. Op het andere, waarop we neerkijken, vangen we nu een glimp op van Alexander Vinkenbloed, die ook buiten is om op Finø terug te blikken. Vermoedelijk kijkt hij uit naar de dag dat hij per boot zal vertrekken om nooit meer terug te keren. Daarom trekken we ons peinzend terug. We vragen ons af wat Alexander Vinkenbloed in godsnaam aan boord van De witte dame doet.
Om Tiltes en mijn schuwheid tegenover onze schooldirecteur te verklaren, moet ik nu zeggen dat er helaas veel is wat erop duidt dat Alexander Vinkenbloed een ongunstige indruk van mijn familie en zelfs van mij persoonlijk heeft gekregen.
De dag waarop hij zijn eerste conflict met Tilte had over de ware betekenis van het woord Kattegat, waren Basker en ik ’s middags op weg naar een paar kameraadjes, die me eerder onder druk hadden gezet mee te doen aan het jatten van gedroogde schar, om hun te vertellen dat ik een nieuw leven zonder criminaliteit wilde beginnen.
Onderweg kwamen Basker en ik Alexander Vinkenbloed tegen, die Barones aan het uitlaten was. Toen Basker en Barones elkaar zagen, wilden ze uiting geven aan hun verliefdheid, als je begrijpt wat ik bedoel. Hier wond Alexander Vinkenbloed zich zo over op dat hij naar Basker begon te slaan, waarna ik hem probeerde te kalmeren door te zeggen dat het mooie puppy’s zouden kunnen worden. Stel je voor dat ze Baskers snelheid en intelligentie en goedhartigheid en de lange poten van Barones kregen. Misschien konden we de basis leggen voor een nieuw Finø-ras en een hondenfokkerij beginnen en een foto in de toeristische brochure laten opnemen. En zouden we niet liever een krukje voor Basker halen? Want Barones is anderhalve meter hoog, zodat hij er maar moeilijk bij kan.
Tegen de verwachting in werd Vinkenbloed daardoor niet gekalmeerd, hij deed Barones aan de lijn en ging er met haar vandoor. Ik voelde dat het belangrijk was een poging te doen tot herstel van de goede stemming. Wanneer je spiritueel zoekende bent, is het werk met het hart van doorslaggevende betekenis. Dus ik liep hem achterna en zei dat ik hem eigenlijk best begreep. Waar hij bang voor was, was zeker dat de puppy’s het uiterlijk en de intelligentie van Barones en de vacht van Basker kregen. Dan zou er niks anders op zitten dan Belladonna ermee te voeren. Helaas kreeg ik ook daarmee geen poot aan de grond bij Vinkenbloed, in plaats daarvan begon hij naar me te slaan met de hondenlijn. En dat waren precieze slagen, dus misschien is hij doctor in de pedagogische wetenschappen geworden vanwege zijn expertise in het aftuigen van leerlingen met hondenlijnen. Daarom moesten Basker en ik een sprintje trekken om buiten zijn bereik te blijven.
Nu wilde het lot dat de kameraadjes die ik opzocht, en die ik hier niet de Finøse mafia wil noemen, omdat zowel de Siciliaanse als de Oost-Europese mafia – mochten ze het in hun hoofd halen zich op Finø te gaan vestigen – zullen ontdekken dat ze het meisjeskoor van de Deense Radio zijn vergeleken met de types die we hier hebben, die kameraadjes wisten me toch nog over te halen om een laatste keer gedroogde schar te jatten. En de tuin, waarin ik me even later bevond, boven in het stellinkje met gedroogde schar en in het schijnsel van de volle maan, was de tuin van het oude vuurtorenwachtershuisje, dat in het bezit is van het ministerie en waarin ze Alexander Vinkenbloed en Barones hadden geïnstalleerd. Ze hadden pas de dag ervoor de renovatie afgerond, dus we konden absoluut niet weten dat het huisje bewoond was. Tot overmaat van ramp komen Alexander en Barones naar buiten om de maan te bewonderen, waarbij ze mij spotten. Het enige wat Vinkenbloed blijkt te bevallen aan Finø, is gedroogde schar. En ik weet uitsluitend te ontsnappen omdat Basker en Barones het weer op hun heupen krijgen en omdat ik een fosburyflop over de tuinmuur maak.
Dit had allemaal, denk ik, goedgemaakt kunnen worden door mijn slimheid en vlijt op school en door mijn algemene aandacht voor het belang van het maken van een goede indruk, ware het niet dat ik een paar dagen na deze rampzalige gebeurtenissen opnieuw door het noodlot word getroffen. Op dat moment ben ik de puntjes op de i aan het zetten op mijn techniek bij het nemen van een rechtstreekse vrije trap met effect aan de linker buitenkant, die dan al Finø AllStars tegenstanders vervult met ontzetting voor dode spelmomenten, en die zo krom is dat de mensen op Finø het niet langer een bananenvoorzet noemen, maar het over dominee-Peters Hoefijzer hebben, en dat zeg ik zonder overdrijving en in alle bescheidenheid.
Ik ben er zeker van dat jij weet hoeveel training het vergt om zo’n effectbal helemaal stabiel te krijgen, en dat een geschikte muur bij deze training absoluut noodzakelijk is. En nou hebben we de dikke pech dat de beste muur in het stadje Finø – dat vergeven is van de vakwerkhuizen uit de achttiende eeuw en grof bakstenen muurwerk uit de middeleeuwen dat hopeloos schots en scheef is – dat dit de vensterloze, drie verdiepingen beslaande, prachtige gevel van de drogisterij is, die grenst aan het oude vuurtorenwachtershuisje. En juist op het ogenblik dat ik de techniek onder de knie heb, raak ik de bal zo zuiver dat die effect krijgt als een biljartbal en wegdraait van de drogisterijmuur en daarna een steile duik maakt naar het grote panoramaraam in het oude vuurtorenwachtershuisje, waarachter Alexander Vinkenbloed en Barones van hun middagthee genieten.
Van toen af aan, ook al is de schadevergoeding allang betaald en ook al schreef ik een brief waarin ik mijn excuses aanbood en op de brief de puppy’s tekende die Barones volgens mij in het gunstigste geval met Basker zou kunnen krijgen, om nog eens duidelijk te onderstrepen wat ik die dag had bedoeld, zelfs na dit alles is de stemming niet heel goed geworden. Dit verklaart de onrust enigszins die Tilte en mij bekruipt als we Alexander en Barones op het achterdek zien.
Ik wil hier graag nog een laatste ding aan toevoegen voordat Tilte en ik naar het benedendek afdalen. Hoewel ik riskeer dat het lijp klinkt, wil ik graag zeggen dat ik op dit ogenblik warmere gevoelens voor mijn vader en moeder koester dan ooit tevoren. Misschien omdat zij domme aanhangsels van hun inwendige olifanten zijn, en misschien omdat het in feite makkelijker is om van mensen te houden wanneer het gelukt is de lijm en de levenslijn tussen jou en hen een klein beetje te verdunnen.