****
Technisch gezien is de auto die nu voor Leonora’s klooster stopt een lijkwagen, dat wil zeggen: hij is zwart en heeft grote ruiten aan de achterkant en er is plaats voor een kist met bloemen. Verder heeft hij sfeer genoeg om Bermuda Svartbag Jansson in staat te stellen langzaam weg te rijden, de nabestaanden achterlatend met het gevoel dat de auto best wel eens ten hemel zou kunnen varen.
Die sfeer is rond deze auto sterker dan rond andere lijkwagens, want hij rijdt op een gewoon kenteken, heeft vierwielaandrijving en is een halve meter hoger dan zijn concurrenten en anderhalve meter langer, omdat hij behalve de ruimte voor de kist zeven extra plaatsen heeft. Bermuda gebruikt hem af en toe namelijk ook als schoolbus en heeft overigens ook plaats nodig voor haar eigen vier kinderen en moet zich door twee meter hoge sneeuwhopen kunnen ploegen als ze moet assisteren bij thuisbevallingen in de meest afgelegen contreien van het eiland. Dus als je de omstandigheden op Finø kent, verwonder je je niet over de auto.
Wat daarentegen wél verwondering kan wekken, is dat er juist nu een witte kist in de wagen staat.
‘Dat is Vibe uit Ribe,’ zegt Bermuda. ‘Zij moet naar Kopenhagen. Om gezegend te worden. Door Da Sweet Love Ananda.’
Basker snuffelt sceptisch aan de kist.
‘Is het lang geleden dat ze is overleden?’ vraagt Tilte.
‘Tien dagen. Maar ze ligt koel. De kist heeft een transportabele koelinrichting.’
Da Sweet Love Ananda is Gitte Grisants Indische goeroe. Ik stuur hem in gedachten een blijk van medeleven. Vibe uit Ribe heeft jarenlang de ijskraam bij de haven gerund en stond erom bekend dat ze op warme dagen, als ze het risico liep uitverkocht te raken, holle ijsbolletjes maakte voor de kinderen om op deze diabolische wijze haar voorraad langer te laten duren. God zij haar ziel genadig.
Dan gaan we in de auto zitten. Voorlopig is er niemand die vraagt waarom wij mee moeten. Ik overdrijf niet als ik zeg dat Tilte en Basker en ik door veel mensen op Finø als een soort mascottes worden beschouwd, en de algemene mening is dat overal waar wij meedoen projecten lukken, puzzelstukjes op hun plaats vallen en een hartelijke en montere stemming ontstaat.
Dan verlaat de auto de parkeerplaats en rijdt door de zandhaver de weg op. Ik geef Tilte een kneepje in haar hand en Basker een klopje. We hebben alle drie het gevoel dat we, ondanks de ernst van de situatie, op weg zijn in de goede richting.
Ik vind dat we gebruik moeten maken van de vredige vervoerstijd in een auto met vierwielaandrijving, die over de Finøse Grote Heide rijdt waarmee het oostelijke gedeelte van het eiland tot het bos aan toe bedekt is. Ik voel dat we die tijd moeten benutten om je nog een paar details te geven over wat mijn vader en moeder die avond in de keuken bewoog, toen Tilte haar vraag stelde omtrent de sacramenten.
De volgende zondag – de zesde zondag na Driekoningen – spreekt mijn vader in de kerk over de verschijning op de berg.
Zoals ik je verteld heb, is dat een tekst die niet zo eenvoudig is voor mijn vader. Zolang hij de tocht van Jezus en discipelen de berg op beschrijft, loopt het gladjes. Bij die passage klinkt hij als een mengeling van een berggids en een scoutingleider, maar als hij bij het punt is aanbeland dat er een wolk over de expeditie daalt en God vanuit de wolk spreekt, begint hij onzeker te worden en de boel af te raffelen. En dat is best te begrijpen, want die passage roept een zondvloed aan vragen op, zoals: als God met de discipelen en Jezus kan spreken, is hij dan een soort persoon? En hoe ziet die persoon eruit, en wat kun je doen als je God zelf graag wilt horen spreken, en hoe kan de Verlosser converseren met gestorven profeten? Op al die vragen heeft pa zo weinig antwoorden dat hij ze niet eens durft te stellen. En dat weet hij. Hij is bang om het toe te geven, en tegelijkertijd doet het hem verdriet dat hij bang is. Dat alles maakt dat hij bij deze passage begint te klinken alsof zijn mond vol pap is, en in de kerk zitten wij, zijn drie kinderen, en Basker met kromme tenen met hem mee te voelen en ons geen raad te weten.
Dan vindt er een kleine ramp plaats. Wat er gebeurt, is dat de kerk in één klap in mist wordt gehuld. Dat gebeurt op het moment dat pa voorleest dat Jezus in een wolk wordt gehuld.
Het is eerder voorgekomen dat de kerk, en trouwens het hele stadje, in mist wordt gehuld. Dat komt doordat we midden in de Zee der Mogelijkheden liggen. Het heeft iets met warme en koude luchtstromen te maken, wat mijn broer Hans op gedetailleerde en saaie wijze zou kunnen uitleggen. Dus het is zo natuurlijk als wat. Als pa begint te lezen, is er een stralende zon en een blauwe hemel, alsof Finø de parel van de Middellandse Zee is. Als hij de zin afmaakt, is het mistig, alsof de kerk is ingepakt in katoen. We hebben dat eerder meegemaakt en het zal vast nog wel eens gebeuren, en daarmee zou de kous af moeten zijn. Maar wat er nu gebeurt, is dat als pa bij de plek is aanbeland waar staat dat er uit de wolk een stem klonk, op dat ogenblik de grote klok in de kerktoren slaat.
Ook daar is een natuurlijke verklaring voor, die Tilte en ma en ik na de dienst krijgen, wanneer we de toren in gaan en een van de torenuilen vinden, die direct tegen de klok aan is gevlogen. We geloven dat hij dood is, tot ma hem op schoot neemt en over het voorhoofd strijkt. Hij slaat zijn ogen op en staart ma verliefd aan, zodat ik ervan begin te zweten onder mijn armen, maar dan zegeviert het gezonde verstand en herinnert de uil zich dat hij een uil is en geen protagonist in een liefdesdrama, waarna hij opspringt en met een gil de toren in verdwijnt.
Maar dat constateren we helaas pas na afloop. Daar in de kerk is er niemand die aan natuurlijke verklaringen denkt, het heeft een totaal overrompelend en verlammend effect dat de klok bij die passage slaat.
Misschien had de situatie op dat moment nog genormaliseerd kunnen worden, misschien hadden we pa en ma na afloop weer met beide voeten op de grond kunnen laten neerkomen. Maar nu gaat het pas echt mis.
Ik wil niet uitsluiten dat er achter de natuur en het weer iets anders schuilgaat dan de natuurkrachten, maar als er deze zondag iets anders en meer op het spel staat dan de meteorologie, dan zijn het duistere en demonische krachten, want wanneer pa aan het eind van zijn preek is, gebeurt er iets met de mist, die tot dan toe rond de kerk heeft gelegen als watten boven een kerstuitstalling. Plotseling komt er een gat in de watten, en door het gat schijnt de mediterrane zon precies zo dat hij een straal zendt door het bovenste gedeelte van het kerkraam en op het altaarstuk.
Het altaarstuk van de kerk in het stadje Finø stamt uit een voorhistorische tijd en is beroemd als een filmster. Er zijn dikke boeken over geschreven en er komen bussen vol toeristen om het te bezichtigen. Er wordt twee keer in full colour naar verwezen in de toeristische brochure.
Voor zover ik het kan bekijken moet het stuk geschilderd zijn door een van de voorvaderen van degenen die patriottische liederen hebben geschreven over Finø als een baby in de blauwe reiswieg van het Kattegat, en het bewijst dat totaal knettergek zijn niet iets is wat in één generatie is afgehandeld. Hoewel de nakomeling een dichter is die van voren niet weet dat hij van achteren leeft, kan zijn voorvader best een schilder zijn geweest die door het lot aan een operatie is onderworpen die schoon schip heeft gemaakt in zijn hersenen.
Het stuk stelt natuurlijk de zee voor met vissersboten, en de zee lijkt op slush-puppie in Tivoli De Vrijheid in Århus, en de vissersboten lijken op varende badkuipen. Maar wat de meeste ruimte in beslag neemt, is de Verlosser, die bij een arme sloeber zit uit wie hij demonen heeft verdreven. De demonen zijn in varkens gedreven, die op grizzlyberen lijken. De Verlosser lijkt niet op een type dat aanstalten maakt om al die dingen te gaan doen die hij naar verluidt wist te realiseren in niet meer dan drie jaar. Hij ziet eruit alsof elk van de varkens hem in één hap naar binnen zou kunnen werken.
Maar toch gebeurt er iets met de kerkgangers, wanneer de zon het gezicht van de Verlosser raakt. Je kunt zonder overdrijving zeggen dat de mensen betoverd zijn, en dat komt eigenlijk niet door de zon maar door de uitdrukking die er op het gezicht van mijn vader is verschenen. Ik noem het een veelzeggende uitdrukking. Het veelzeggende bestaat hierin dat wat hier gebeurt niet toevallig is en dat hij er controle over heeft.
Wij, zijn kinderen, slaan onze ogen naar hem op en proberen zijn blik te vangen, maar dat lukt niet. Hij maakt aanstalten om de preekstoel te verlaten, en dan vindt het ergste plaats. Er komt een windstoot die de deur van het kerkportaal openperst en daarna ook de kerkdeur.
Natuurlijk komt dat doordat die deuren niet behoorlijk sluiten. Dat hebben ze nooit gedaan. En plotselinge windstoten zeggen ons pas wat als ze krachtig genoeg worden om rieten daken de lucht in en het hotdogkarretje de haven in te waaien. Deze windstoot behoort niet tot die klasse. Maar de timing verleent het een geheel eigen klasse, en mijn vader kan de verleiding niet weerstaan om daar gebruik van te maken. Wanneer Bent Agent en Reddings-John overeind komen om de deuren dicht te doen, zegt pa met geheven handen: ‘Stop! Laat ze maar open. We hebben bezoek.’
Hij zegt niet van wie we bezoek hebben, maar dat is ook niet nodig, want iedereen in de kerk weet dat het de Heilige Geest is, en het publiek is meteen verkocht.
Wanneer de dienst voorbij is en we door het kerkportaal lopen langs de plek waar pa de mensen staat te begroeten, zien zowel Hans als Tilte en ik dat hij een nieuwe en nooit eerder geziene uitdrukking op zijn gezicht heeft. En wij weten waar die vandaan komt. Die is gekopieerd van de Verlosser op het altaarstuk.
Wanneer we pa passeren, blijft Tilte staan.
‘Het was toeval,’ zegt ze.
Pa glimlacht naar haar. Op de gemeenteleden om ons heen komt die glimlach wellicht barmhartig over. Op ons, zijn kinderen, komt hij over alsof hem de hersenen zijn uitgeblazen.
‘De voorzienigheid werkt via het toevallige,’ zegt pa.
We kijken hem aan. En we zien het alle drie. De inwendige olifant is aan het opzwellen tot een heliumballon.
‘Pa,’ zegt Tilte. ‘Je bent een nare oplichter!’
Helaas is dit de laatste keer in lange tijd dat een denkend mens tot pa weet door te dringen, en in feite dringt Tilte niet tot hem door, want zijn glimlach wordt alleen maar nog breder en vergevensgezinder.
‘Schat,’ zegt hij tegen Tilte, ‘je weet niet wat je zegt.’
****
Ik vraag om begrip voor het feit dat we een ogenblik terugkeren naar Bermuda Svartbag Janssons maanvoertuig, want ze zet de auto ineens aan de kant van de weg, zet de motor af en doet de lichten uit. Tjongejonge: wat is het donker om ons heen.
Finø is een van de laatste plekken in Denemarken waar de nacht werkelijk zwart kan worden. Want achter ons is het een heel eind naar het stadje Finø, en voor ons gaat Nordhavn schuil achter de grote bossen. Slechts hier en daar ligt een huis, en de maan heeft zich verstopt, wat in deze nacht misschien wel de wijste politiek is.
Om ons heen zie je de space, die speciaal is voor Finø, nergens op het eiland is het verder dan vijftig kilometer tot het dichtstbijzijnde vasteland, dat Zweden is, dat op zijn beurt een uithoek is. Tilte en ik hebben een theorie dat er hier op Finø bijzonder gunstige mogelijkheden zijn om naar de deur te zoeken: gedachten vormen namelijk een hindernis. Die houden je in de gevangenis. Hier worden gedachten als het ware uit je hoofd de ruimte in gezogen, iets wat natuurlijk zwaar en belastend moet zijn voor bijvoorbeeld Alexander Bister Vinkenbloed en Kaj Molester Lander, die sowieso al weinig gedachten hebben. En de gedachten die er zijn, zijn van slechte kwaliteit. Maar voor mensen als Tilte en ik, wier hoofd zo vol zit met krachtige ideeën dat we constant beducht moeten zijn voor een schedelbreuk van binnenuit, voor ons zijn de leegte en de ruimte een verkwikking, zoals de psalmdichter schrijft. Dat schreef ik ook in de toeristische brochure. Ik was degene die de passage ‘Finø by night’ schreef. Op grond van mijn verleden meenden Tilte en Dorada Rasmussen dat ik meer ervaring had met laat op zijn dan de meesten.
‘Is er iets mis?’ vraagt Bermuda.
Je kunt niet begrafenisondernemer en vroedvrouw zijn zonder over een verfijnd vermogen te beschikken de stemmingen van andere mensen te interpreteren, en zowel Tilte als ik dragen zware gewichten op onze schouders.
‘Pa en ma zijn verdwenen,’ zeg ik.
Bermuda heeft wat ik zou willen noemen een directe en constante visie op het bestaan, wat vermoedelijk komt door dat voortdurend beurtelings kinderen in de wereld helpen en doden in de grond stoppen. Dus het is ongewoon voor ons om haar nu met het een of ander te zien worstelen.
‘Ejnar had voor hen moeten vliegen,’ zegt ze.
Bermuda is getrouwd met Ejnar Knoetenbever, die zijn vliegcertificaat heeft gehaald om zelf naar Noorwegen, Zweden en IJsland te kunnen vliegen om het contact aan te halen met de Scandinavische filialen van de vereniging Asathor. En om vlieguren te verzamelen, vliegt Ejnar Finø-bewoners naar en van het vasteland, als ze de benzine maar betalen. Onze vader en moeder heeft hij heel wat keren gevlogen, en ze zijn overigens dik met elkaar bevriend.
‘Ze hadden naar Billund moeten gaan,’ zegt Bermuda. ‘Maar opeens wilden ze een etmaal eerder vliegen. Ejnar kon niet, hij had een training. Maar hij heeft naderhand degene die hen vloog gesproken. Ze werden afgezet in Jonstrup.’
Het komt voor dat mensen van Finø naar het opgeheven vliegveld bij Jonstrup worden gevlogen. Maar dat is niet de weg naar La Gomera. Als je van Finø naar de Canarische Eilanden moet, vlieg je naar luchthaven Billund en stap je daar uit.
‘Ik dacht dat ik het moest zeggen,’ zegt Bermuda. ‘In deze speciale situatie.’
Tilte aait haar arm. Bermuda en zij hebben een nauwe relatie. Er is maar weinig wat mensen zo dicht bij elkaar kan brengen als wanneer ze elkaar helpen met het in kisten leggen van lijken.
Bermuda draait zich om, de auto start, we rijden de maanloze Finøse nacht in, bekend van mijn beschrijving in de toeristische brochure.
Het is geen pretje, maar we moeten ons erdoorheen slaan, het moet gedaan worden. Alle grote wijzen hebben gezegd dat er geen spirituele vooruitgang optreedt zonder onverbiddelijke eerlijkheid. Dus ik keer terug naar mijn vader en moeder en hun volgende stap naar de ondergang. Die wordt de volgende zondag tijdens de preek gezet, dus al een week na de meteorologische rampen. En hoewel de volgende stap weinig lijkt voor te stellen, heeft hij diepgaande consequenties.
De tekst van die dag is uit de Handelingen der Apostelen, en op het moment dat pa over de opstanding uit de dood vertelt, komt er een witte duif aangevlogen vanaf het plafond. Die beschrijft een paar rondjes om het model van de theeklipper De Tuimelaar van Finø, dat onder het gewelf hangt en dat ma heeft gebouwd, en daarna koerst de vogel naar het orgel in de richting van mijn moeder. De koude rillingen lopen me over de rug bij de gedachte dat hij zo meteen op haar schouder zit en zijn snavel tegen haar neus wrijft en aanhalig begint te koeren, maar dat gebeurt niet. Hij duikt weliswaar ongeveer naar de plek waar zij zit, maar dan is hij spoorloos verdwenen.
Dat de duif zodoende begaafder overkomt dan zowel de torenuil als verscheidenen van mijn klasgenoten, is de enige troost in een situatie die nu gevuld wordt met deprimerende details. Het eerste is dat de kerkgangers die deze zondag op het randje van de bank zitten, omdat ze willen zien of datgene wat er vorige zondag gebeurde toevallig was of dat het een nieuwe periode inluidt, op het punt staan op te stijgen.
Mijn vader kijkt weliswaar naar de duif, maar niet op een verraste manier, absoluut niet, hij kijkt ernaar alsof die duif precies is waar hij wezen moet, en dan gaat hij door. Het effect in de kerkruimte is hooggespannen, de mensen zijn geschokt. Op zijn dooie gemak maakt hij de preek af, ma speelt en er wordt gezongen. Bij het verlaten van de kerk zijn de mensen geschokt, iedereen, met uitzondering van ons, de kinderen. Wij zijn niet geschokt, wij zijn gedeprimeerd. We gaan de kerk uit en lopen langs pa zonder hem aan te kijken, met uitzondering van Tilte. Zij kijkt hem aan met zo’n blik die de persoon in kwestie normaal gesproken naar de intensive care zou sturen en daarna, met zeer grote waarschijnlijkheid, naar het kerkhof, maar pa blijft er onverschillig onder.
Die dag komen we bijeen op Tiltes kamer, en Hans probeert zoals altijd de situatie te redden.
‘Ergens is het mooi,’ zegt hij. ‘Misschien kan het de mensen helpen dieper te gaan geloven.’
‘Hansjelief,’ zegt Tilte, ‘het is al gek genoeg om elke zondag aan de mensen te vertellen dat God bestaat en dat het bestaan zin heeft als je daar zelf niet honderd procent zeker van bent, wat je alleen maar kan zijn als je het zelf hebt beleefd, en dat heeft pa niet, dat heeft hij zelf toegegeven. Dat is één ding, en al erg genoeg. Maar dat hij en ma iets vertonen, een witte duif, en laten doorschemeren dat het een wonder is, dat is sjoemelen met het vertrouwen van mensen in God, en wie dat doet, graaft zijn eigen graf.’
We hoeven ons niet af te vragen waar de duif vandaan komt, dat is niet nodig, want om het halve jaar moeten wij, de kinderen, de grote koperen luchter in de kerk poetsen. De installatie waarmee die wordt neergelaten is gebaseerd op stemherkenning en zit samen met het ophangwerk tussen het kerkgewelf en het dak. Je kunt daar komen via een kruipbrug, waar alle ruimte is om een vogelkooi te plaatsen. Voor ma zal het een klein kunstje zijn geweest om die te construeren met een bodem die met afstandsbediening in gang kan worden gezet, zodat de duif het ene moment zittend op zijn stokje rustig de dienst heeft kunnen volgen en zich het volgende moment, tot zijn eigen verrassing, in vrije val midden in de kerkruimte heeft bevonden.
Er is ook geen reden om ons te verdiepen in de vraag waar de duif oorspronkelijk vandaan is gekomen. Onze familie heeft nauwe relaties met de dierenhandel in Grenå, die ons in contact heeft gebracht met de kennel waar we Basker i, ii en iii hebben gekocht. Deze stijlvolle winkel heeft ons ook altijd verse voederdieren verkocht voor Belladonna en Maarten Luther en verse vis voor de zandtijgerhaaien.
Hans probeert het een laatste keer voor pa en ma op te nemen.
‘En jouw extensions dan?’ zegt hij.
Wanneer we Tilte proberen te helpen met het op orde brengen van haar financiën door haar erop attent te maken dat ze een groot gedeelte van de enorme bedragen die ze heeft verdiend in de begrafenisonderneming van Bermuda Svartbag en seksueel-culturele coaching van Leonora Lippenlust gebruikt om haar extensions te laten maken in Århus – als we haar daar beleefd op attenderen, antwoordt Tilte altijd dat ze er in wezen een spiritueel oogmerk mee heeft. Ze helpt God met het repareren van de kleine details die hij niet rond wist te krijgen bij de Schepping. Dus wat Hans bedoelt is: is het dan niet in orde om God een handje te helpen door de dienst wat op te fleuren?
Maar nu schakelt Tilte op een andere versnelling over, nu wordt ze serieus en gevaarlijk op een manier waardoor zwakkere types dan Hans en ik dekking zouden hebben gezocht.
‘De vraag of God bestaat,’ zegt ze, ‘is het belangrijkste in een mensenleven. Of je nu ergens in gelooft of niet, of je het weet of niet, iedereen is op zoek naar de zin van zijn leven. Iedereen probeert erachter te komen of er iets buiten de gevangenis is, iets wat gemaakt heeft dat de wereld is ontstaan en eruitziet zoals het geval is. We willen er allemaal graag achter komen wat er gebeurt wanneer we doodgaan, en of we ergens waren voordat we werden geboren. Dus die plek binnen in ons allemaal, daar moet je niet mee sjoemelen.’
Daar hebben we niet van terug. Daarom blijven we zitten zonder iets te zeggen, hoewel we het er niet allemaal mee eens zijn. Dat is het interessante aan ons, broers en zus: we kunnen het zo oneens met elkaar zijn dat we er haast een moord voor zouden begaan. Maar ondertussen is er niettemin iets wat zonder overdrijving wederzijds respect en waardering genoemd kan worden.
Ten slotte zegt Tilte iets.
‘Ze graven hun eigen graf,’ zegt ze. ‘En ze doen het niet met een schop. Ze doen het met een graafmachine.’
Daar laat ze het voor deze keer bij.
****
We staan op de inrit van de goed onderhouden boerderij waar de grootste advocatenfirma van Finø is gevestigd en die ook de thuisbasis is van de boeddhistische sanga op Finø. De man die in de auto is gestapt, is lama Svend-Helge. Hij lijkt een zwaargewicht, en dat was hij inderdaad voordat hij rechten studeerde en naar Tibet reisde en lama werd. Zoals gezegd is hij een vriend van de familie en ook de advocaat van pa en ma. Toch groet hij ons niet, en het is duidelijk waarom: de aanwezigheid van Bermuda zit hem dwars. En zo meteen zal duidelijk worden waarom.
We naderen bewoonde streken, en als we de landtong inslaan, zijn aan de horizon de lichtjes van Nordhavn te onderscheiden. We stoppen voor Giergård, dat nu Finø Puri Ashram heet, en Gitte Grisant en twee van haar vrouwelijke leerlingen komen naar buiten, alle drie in het wit gekleed.
Gitte knikt naar Tilte en mij maar niet naar lama Svend-Helge, waarna zij en haar vriendinnen plaatsnemen. Dan rijden we in het nachtelijke duister door de dorpjes en rijden Nordhavn binnen. We houden halt voor Bulleblufhuis, een huizenblok in het centrum van het stadje, waar de islamitische moskee ligt, en naar buiten stapt grootmoefti Sindbad Al-Blablab.
In werkelijkheid is Sindbad geen grootmoefti, hij is alleen maar imam. Maar hij heeft een volle baard en een blik die ervoor zorgden dat hij werd gecast als Long John Silver in Schateiland door het Finøse Amateurtoneel. En die rol nam hij aan – wat hem geliefd heeft gemaakt op Finø.
Het heeft zijn populariteit nog meer versterkt dat hij is getrouwd met Ingeborg Blauwbal van Blauwbalgård, die tot de islam is bekeerd en een boerka heeft aangetrokken en haar vriendin Anne Sofie Mikkelsen heeft overgehaald hetzelfde te doen, wat iedereen een vooruitgang vindt voor Finø. Persoonlijk vind ik dat een boerka best flatteus kan zijn. Voor mijn part mogen nog meer mensen dit goede voorbeeld volgen, bijvoorbeeld Kaj Molester Lander. In zijn geval hoeft er geen gat voor de ogen te zijn.
Maar hoewel Sindbad het joviale type is, gebeurt er iets met hem als hij Svend-Helge en Gitte Grisant ziet. Hij verwaardigt hen met geen blik, ook Tilte en mij niet, hoewel wij degenen zijn die samen met Bermuda zijn rolkoffers moeten verslepen. Het zijn er zo veel dat we ze om de kist heen moeten stapelen. We gaan ervan uit dat Vibe uit Ribe hiermee akkoord gaat. Tijdens haar leven pikte ze weliswaar niets, maar zoals de zaak er nu voor ligt verwachten we van die kant geen protesten.
Tilte en ik kennen een spirituele oefening, die we hebben gevonden tijdens onze bestudering van Advaita Vedanta in de Finøse bibliotheek. Advaita Vedanta is het puikje van het boeddhisme, het eerste van het boeddhisme en een tegenhanger van AllStars van Voetbalclub Finø, als je begrijpt wat ik bedoel. De oefening houdt in dat je jezelf afvraagt wie je eigenlijk bent. En wanneer je dan vanzelf een antwoord krijgt, bijvoorbeeld: ik ben Peter Finø, één meter vijfenvijftig lang, zevenenveertig kilo, maat negenendertig voetbalschoenen, dan kijk je naar dat antwoord en vraag je je af of dat je binnenste wezen bevat. Als dat niet het geval is, vraag je verder, gaandeweg niet met woorden maar door te luisteren en zonder verwachtingen te hebben van wat je tegen zult komen als je helemaal binnen bent, op het ergste voorbereid.
Tilte en ik doen dat spelletje vaak als we samen aan het werk zijn, het is een stilzwijgende overeenkomst, niemand kan het aan ons zien. Ook nu niet. Terwijl we op ons gemak Sindbads rolkoffers op elkaar stapelen, vragen we ons af wie hier eigenlijk aan het stapelen is. Wanneer we klaar zijn, houden we een pauze. Dat maakt deel uit van de oefening en schijnt krachtig te zijn aanbevolen door Ramana, die volgens de algemene opvatting op Finø een spiritueel zwaargewicht zou zijn. Juist wanneer je staat uit te blazen en op je lauweren rust, zou de normale werkelijkheid heel dun en de deur vlak in de buurt zijn.
Dus daar staan Tilte en ik met zweet op het voorhoofd en met onze rug naar Bermuda’s ruimtevaartuig ons te bezinnen en dwars over Nordhavn Torv te kijken. Aan de overkant van het plein ligt de grote speler op de toonaangevende beurzen van de wereld, Finø Bank.
We krijgen het idee tegelijkertijd. Het is, zoals ik al zei, heel gewoon dat wanneer je met de grote spirituele reis inwaarts aanvangt, je vrij vaak op een idee komt. Wat je idealiter moet doen, is het idee loslaten en onderzoeken waar het vandaan kwam. Maar dit idee is zo goed en de situatie helaas – dat moeten we toegeven – enigszins urgent, dat ik mijn hoofd in de auto steek.
‘Gitte,’ zeg ik. ‘We hebben pa en ma beloofd iets te betalen wat ze schuldig waren.’
‘Het is de kluishuur,’ zegt Gitte. ‘Hun bankkluis. Maar het is zondag.’
Gitte is een kordate dame. Wanneer je bedenkt dat ze chef is van Finø Bank, een ashram leidt en een man heeft en drie zoons, die in het eerste van de handbalclub zitten, waar ze spelen en zich gedragen en eruitzien als neanderthalers, dan is het misschien zelfs te zwak uitgedrukt dat ze kordaat is. Ik kan je verzekeren dat Gitte een vrouw is, bij wie je – als ze, zoals nu, niet van wijken weet omdat het zondag is – een kraan nodig hebt om haar te verplaatsen.
Die kraan komt nu, want Tilte steekt haar hoofd door het raampje.
‘Gitte,’ zegt Tilte, ‘er zijn twee dingen in de wereld waarvan ik dacht dat die nooit gesloten waren. Het ene is het kosmische medeleven. En het andere is de service van Finø Bank voor zijn klanten.’
****
De deur van de bank is met twee sleutels op slot gedaan, en bovendien moet Gitte het alarm uitschakelen. De bank is natuurlijk aangesloten bij het Finøse beveiligingsbedrijf. Dat is geruststellend, in geval van een overval kunnen klanten en personeel het rustig aandoen, Reddings-John zal hier hoogstens drie kwartier later verschijnen met zijn neonkleurige veiligheidslaarzen en graaf Dracula.
De bankkluizen van de klanten zijn ondergebracht in een speciale kluis, die zo groot is als een ziekenhuislift. De deur ervan gaat met een lichte zucht open. Gitte heeft het licht niet aangedaan, misschien om de buren niet ongerust te maken. In tegenstelling tot ons uit het stadje Finø staan de inwoners van Nordhavn erom bekend dat ze nogal schrikkerig zijn, maar er is meer dan genoeg licht van de straatlantaarns buiten.
Je kunt bankkluizen blijkbaar in verschillende formaten huren. Sommige zouden groot genoeg zijn voor je schoonmoeder, en in andere is amper plaats voor verlovingsringen in een lucifersdoosje. De kluis die Gitte nu opent, heeft het formaat van een geïllustreerde bijbel. Ik steek mijn hand erin en vindt iets wat smal en hard is en wat in een plastic tasje is verpakt met wit elastiek eromheen.
Buiten zijn er medemensen die met smart op ons zitten te wachten. Toch blijft Gitte staan, er is iets wat ze wil zeggen.
‘Hebben jullie vader en moeder het fijn op La Gomera?’
‘Uit de kunst,’ zeg ik. ‘Zon op hun buik, ijskoude margarita’s en blote tenen aan de waterkant.’
‘Dat moet heerlijk zijn. Om even weg te zijn. Door de week is er immers genoeg te doen. Ook voor jullie ouders.’
We kennen Gitte Grisant al ons hele leven, maar we hebben haar niet eerder op die manier gezien. Het is een vredig ogenblik. Maar je moet het vredige niet onderschatten.
‘De bank,’ zegt ze. ‘De ashram. Het gezin. Het valt allemaal niet mee…’
Gitte Grisants drie jongens scoren doelpunten zoals ze ademhalen. Maar ze worden alle drie om de haverklap het veld af gestuurd en krijgen constant waarschuwingen. Ze spelen alsof ze aan een gewapend gevecht deelnemen, ik heb nooit helemaal begrepen waarom, als je nagaat dat ze zijn opgegroeid met yoga en darmspoelingen en afbeeldingen van goden met een olifantenslurf. Maar op dit moment is er iets zichtbaar aan het worden wat ik niet eerder heb gezien. Wat er opdoemt, is de olifant binnen in Gitte. En ik bedenk dat de ene olifantenhoeder de andere kent, misschien heeft Gitte iets gezien bij onze vader en moeder wat ze herkent.
Ze wil nog iets zeggen, maar iets weerhoudt haar. Dan duwt ze de kluisdeur dicht.
We rijden in zuidelijke richting, Nordhavn uit en over Nordsandet, een gigantische overgroeide duin met zulke hoge steile hellingen naar het water dat je niet zou denken dat dit Denemarken was. In zekere zin is dat ook niet zo, we zijn op Finø.
Ik weet niet of jij wel eens in een auto samen met religieuze opperhoofden van verschillende religies hebt gezeten. Waarschijnlijk niet, want doorgaans doen dit soort stralende persoonlijkheden alles wat ze kunnen om elkaar uit de weg te gaan. En ik kan je verzekeren dat de lust je vergaat om over dat soort ervaringen naar huis te schrijven. Sindbad en Gitte Grisant en Svend-Helge en hun gevolg hebben tot nu geen woord met elkaar gewisseld. Laat ik het zo zeggen: elk van hen ziet eruit alsof de anderen niet bestaan, en dat is geen houding die bevorderlijk is voor de sfeer in Bermuda’s auto.
Dan komt Tilte op een idee waarmee ze de duistere stemming wat milder hoopt te maken. Op de plek waar de weg helemaal tot de rand van de helling gaat, waar een loodrechte val van vijftig meter aan onze rechterkant is en we de golven op het strand diep onder ons zien, op die plek buigt ze zich naar Bermuda, pakt het stuur beet en draait het naar rechts zodat de lijkwagen op de vangrail en de lege ruimte daarachter aanstuurt.
De vangrail is zo laag dat het erop lijkt dat ze dit voor de grap doet, en we raken hem bijna als Tilte opnieuw aan het stuur rukt, waarna de auto terug is op de rijbaan.
In de vergelijkende godsdienstwetenschappelijke onderzoekingen van Tilte en mij in de Finøse bibliotheek en op internet hebben we ons erover kunnen verheugen hoezeer de grote spirituele persoonlijkheden het altijd met elkaar eens zijn geweest dat het besef dat we dood moeten iets is wat op een dieper plan heel goed zou zijn voor de levenslust en het optimisme.
In elk geval staat vast dat het nu effect heeft, want na Tiltes inval is de stemming niet meer als ervoor.
Bermuda blijft aan de kant van de weg staan en zet de motor af. De gezichten in de auto zijn zo bleek dat ze oplichten in het donker.
Ik weet niet of jij de uitdrukking ‘de stilte van het graf’ kent. Dat is een verschijnsel dat Tilte en ik vrij goed kennen. Uit een periode toen Tilte een doodkist had geleend van Bermuda Svartbag Jansson, die ze bij de Anholtse Doodkistenfabriek betrekt. Ze hebben twaalf verschillende modellen, alle met poedercoating behandeld en met een heel mooie afwerking. Tilte had een wit model geleend. Hans en ik hielpen haar met de kist naar haar kamer te dragen, hij was vrij zwaar. We zetten hem in haar inloopkast. Dat is het achterste gedeelte van haar kamer, waar ze door ma gemaakte kledingrekken heeft opgesteld. Het was Tiltes plan – dat ze ook uitvoerde – dat wanneer ze vriendinnen mee naar huis had genomen en ze kleren hadden gepast, gezichtsmaskers hadden aangebracht en thee hadden gedronken op Tiltes balkon en een aflevering van Sex and The City hadden gezien, dat ze hen dan uitnodigde in het achterste gedeelte van de kamer. Daar liet ze hen in de kist plaatsnemen zodat ze konden merken hoe het voelde om dood te zijn, waarna ze het deksel erop legde.
Tilte was zeer tevreden met het project, ze zei dat ze een diep contact met haar vriendinnen kreeg. Met de uitdrukking ‘diep contact’ bedoelt Tilte datgene wat er gebeurde wanneer de vriendinnen in de kist naar de stilte van het graf hadden liggen luisteren en zij hen na afloop naar huis bracht en het er met hen over had dat ze, ook al waren ze nu veertien of vijftien, in een groter verband in een mum van tijd dood zouden zijn. Na zo’n wandelingetje ontstond er, zei Tilte, wanneer ze afscheid van hen nam bij het tuinhekje, vaak een diep contact.
Helaas werd Tilte na vrij korte tijd gedwongen de kist terug te geven, want veel vriendinnen – en ook de jongens onder haar vrienden – waren na zo’n dieper contact genoodzaakt een dag of veertien bij hun ouders in bed te slapen en een week lang niet naar school te komen, waarna hun ouders met onze vader en moeder spraken. Pa moest toen een van die gesprekken met Tilte voeren waar hij vandaan komt met grote zweetplekken onder zijn armen en een uitdrukking op zijn gezicht alsof hij degene was die in de kist heeft gelegen. Bovendien kwam er ten slotte een doorslaggevend incident met Kaj Molester, waar ik nog op terug zal komen, en toen zat er niets anders op dan dat Tilte de kist moest teruggeven.
Maar eer het zover was, hadden zowel Hans als ik geprobeerd erin te liggen. Hans’ benen staken buiten boord, maar bij mij werd het deksel erop gedaan. Ik lag in het donker en volgde Tiltes instructie. Ze had me uitgelegd dat ik me moest voorstellen dat ik dood was en dat de wormen me opaten. Ze had ergens gelezen dat de technische term voor die wormen spektorren was, en ze had verteld hoe ze eruitzagen. En in die kist was het stil – dat geef ik je op een briefje –, daar begreep ik wat de stilte van het graf inhield. Dat is dus de reden waarom ik die herken, nu die zich voordoet in Bermuda’s rupsvoertuig.
Dan neemt Tilte het woord.
‘Peter is nog maar veertien,’ zegt ze, ‘maar hij heeft al heel wat achter de rug, zowel drugsmisbruik als grove nalatigheid van de kant van zijn opvoeders. Hij heeft een broze persoonlijkheid, die gemakkelijk stukgaat. En op dit moment is hij bedrukt over de stemming. Daarom willen hij en ik jullie vragen of jullie zo vriendelijk willen zijn elkaar even goedendag te wensen, want dan is er misschien een kans dat Peter onderweg geen psychose krijgt. En dan bestaat ook de hoop dat we levend aankomen.’
De anderen zijn nog niet helemaal zichzelf, maar nu kijken ze elkaar tenminste aan en mompelen iets wat met krachtige elektrische versterking en wat goede wil als een goedendag kan worden opgevat.
Natuurlijk is het nog geen blijk van wat je spontane en overdreven vriendelijkheid zou kunnen noemen, het duidt er eerder op dat ze zo bang zijn voor Tilte dat ze het haast in hun broek doen. Maar toch is het een eerste stap.
Tilte heeft een goede inzet geleverd, dat moet ik zeggen, dus ik laat haar terugvallen naar het middenveld en neem het zelf van haar over.
‘Er is nog iets,’ zeg ik. ‘Onze vader en moeder zijn verdwenen en ze worden gezocht. We willen hen graag vinden voordat de politie dat doet. We moeten met De witte dame mee naar Kopenhagen. We hebben jullie steun nodig. Jullie kennen Karel Riool. Niemand die hem eventueel een rooie cent kan kosten, komt er bij hem in, voordat hun rechtmatige bedoelingen en identiteit tot drie generaties terug zijn gecontroleerd. Zou het misschien mogelijk zijn dat we konden zeggen dat we bij jullie hoorden?’
De gezichten voor me zijn gesloten.
‘Als jullie ouders gezocht worden,’ zegt Svend-Helge, ‘en jullie ervandoor gaan, dan zouden wij medeplichtig zijn aan iets crimineels.’
Het wordt stil in de auto, het enige geluid wordt gevormd door de golven tegen de kust. Dan zegt Sindbad iets.
‘Jullie zijn me opgevallen,’ zegt hij, ‘toen we Schateiland speelden en mijn vrouw een ringslang in haar pruik vond. Toen ze op het toneel stond voor vierhonderd mensen. Ik herinner me ook de keer dat jij, Peter, je kandidaat stelde als Mr. Finø. En ik dacht aan jou toen De Verenigde Deense Verzekeringsmaatschappijen twee privédetectives en een taxateur hiernaartoe stuurden omdat er zo veel ruiten werden kapotgeslagen en er zo veel gedroogde schar uit de tuinen werd gestolen.’
Het is opnieuw stil. Ik ben het die de stilte verbreekt. Niet om hun hulp te krijgen, dat heb ik opgegeven. Maar om iets uit te leggen.
‘Het is eigenlijk niet zozeer voor ons,’ zeg ik. ‘Wij kinderen redden ons wel. Het ergste is pa en ma.’
Ik zoek naar woorden die kunnen beschrijven hoe pa en ma zijn. Zijn ze verloren of net als kinderen, of zijn ze verdwaald, of liggen ze eigenlijk op de juiste koers maar op een verkeerde manier, ik kan niet op de woorden komen.
‘Het is niet in de eerste plaats omdat ze terug moeten komen om voor ons te zorgen,’ zeg ik. ‘Tilte en ik zullen ons vast wel redden, wij zijn diep geïnspireerd door de bedelmonniken en de ongeschoeide karmelieten, we kunnen een oranje outfit van Leonora lenen en met de bedelnap langs de Finøse wegen trekken.’
Of ik volledig achter deze verklaring kan staan en of ik op Tiltes en Baskers steun kan rekenen met die bedelnap, weet ik niet helemaal zeker. Maar soms moet je naar het doel oprukken, ook al zijn er geen medespelers in de buurt te bekennen.
‘Het is namelijk zo,’ zeg ik, ‘wat jullie, die pa en ma kennen, misschien zal verbazen is dat wij van hen houden. Het is liefde.’
Er gebeurt het een en ander met de gezichten voor me. Medeleven is een groot woord, speciaal in een gezelschap als dit. Maar dat de stemming wat milder is geworden, dat kun je wel stellen.
‘Er is een tekst in de Koran,’ zegt Sindbad. ‘Daar staat dat de kleine duiveltjes vaak de ergste zijn. Maar zij hebben ook behoefte aan de grootste barmhartigheid.’
****
Nu de stemming in elk geval lichtelijk gekleurd is door begrip voor Tiltes en Baskers en mijn situatie, en Bermuda’s lijkwagen zich een weg baant door de onheilspellende Finøse nacht – zoals ik het in de toeristische brochure formuleerde –, zal ik het relaas afronden over mijn vaders en moeders eerste verdwijning.
De eerste maanden gaan mijn ouders met een zekere voorzichtigheid te werk. Soms is het een suizen van de wind op het juiste moment tijdens de dienst, wanneer pa het er bijvoorbeeld over heeft dat de engelen ergens in de Openbaring van Johannes in bazuinen beginnen te blazen – en dat terwijl er buiten de kerk geen windje te bespeuren valt. Of soms zijn het een paar orgelpijpen, die beginnen te fluisteren op het moment dat pa leest dat ‘Jullie moeten van de daken roepen wat jullie in de oren wordt gefluisterd’, ook al zit ma niet achter het orgel maar beneden in de kerk. Of soms is het een begrafenis, als pa aan het eind van de ceremonie aarde op de kist werpt en zegt ‘tot stof zult gij wederkeren’, dan stijgt er een klein beetje witte damp uit het graf op, een heel klein beetje maar, bijna als een fijne rook die net zo snel weer weg is als hij is gekomen, maar die de nabestaanden niettemin van hun stuk brengt. En er is niemand die argwaan heeft, het is allemaal zo elegant gedaan, er zijn geen schoonheidsfoutjes. Je kunt merken dat ma met de schaaf bezig is geweest.
We betrappen hen bijna op heterdaad wanneer de kerk in mei een nieuw dak krijgt. Er is een ploegje looddekkers gearriveerd die de loden platen buiten voor de kerk gieten, ze hebben een bak met zand die ze schuin houden en waarover ze vloeibaar lood gieten, die ter plekke stolt. Terwijl ze daarmee in de weer zijn, zien we ma op een gegeven moment met hen praten, en wanneer zij ons in de gaten krijgt, werpt ze ons een blik toe die totaal gespeend is van de onvoorwaardelijke liefde waarmee een moeder altijd naar haar kinderen dient te kijken. En hoewel we ons omdraaien en doen alsof onze neus bloedt, hebben we gezien dat ze iets aan de looddekkers heeft gegeven en dat ze hen nu aan het instrueren is in het gebruik daarvan. Dus als pa twee zondagen later weer uit de Openbaring van Johannes aan het voorlezen is – dit keer is het iets met een instortende stad – en er op hetzelfde ogenblik een loden plaat van het dak dondert en hetzelfde zich een minuut later herhaalt, besluiten Tilte en Hans en ik dat we voor onbepaalde tijd niet met onze ouders willen praten.
Dat we dat niet willen, blijft helaas zonder uitwerking, pa en ma merken het niet eens. Wanneer we de maand mei ingaan, is de kerk op zondag stampvol, wat in eerste instantie niet alarmerend is, mijn vader en moeder hebben samen altijd toeschouwers kunnen trekken. Maar eind mei staan de mensen in de rij op het kerkhof, en de mensen beginnen overal vandaan toe te stromen tot de dienst, eerst uit Anholt en Læsø, maar daarna ook uit Grenå.
De mensen van het vasteland hebben altijd graag op Finø willen trouwen, vooral Kopenhagenaars. Misschien heeft het iets te maken met het feit dat het niet meevalt om op Blågårds Plads of in Virum elkaar te staan beloven dat je voor eeuwig bij elkaar blijft, als alles wat je onder ogen komt wanneer je om je heen kijkt bewijst dat je wel vreselijk veel mazzel moet hebben als de dingen die mensen elkaar beloven de volgende woensdag nog overeind staan. Het is makkelijker op Finø, waar je bent omgeven door zestiende-eeuwse vakwerkhuizen en het Finøse klooster uit de middeleeuwen en horden ooievaarsparen, en waar je in de toeristische brochure kunt lezen dat Finø’s oernatuur erbij ligt zoals ze altijd heeft gedaan, met moerbeibomen en ijsberen en Hans in klederdracht en Dorada Rasmussens bonte papegaai. Dus de kerkenraad heeft allang een wachtlijst moeten oprichten om niet vier bruiloften per week te krijgen. Maar nu begint de wachtlijst vervaarlijk op te zwellen, en er beginnen aanvragen te komen uit het hele land en van toekomstige en kersverse ouders, die hun kinderen in de kerk willen laten dopen, en van de naaste familie van mensen die dood zijn en die willen horen of de overledene op Finø begraven kan worden, ook al heeft de man tijdens zijn leven nooit een voet op het eiland gezet. Er komt ook een stijlvolle brief van een oudere dame, die wij kinderen lezen omdat we tegen die tijd zo ongerust zijn geworden dat we het ons af en toe permitteren pa’s en ma’s post te openen. De dame vraagt of ze op Finø kan worden gecremeerd en of ze haar as daarna kan laten omvormen tot vetballen voor de vogels, die door pa moeten worden gezegend en vervolgens als voer aan de Finøse papegaaien moeten worden gegeven, die – naar zij heeft gehoord – in groten getale op het eiland voorkomen, zodat ze er zeker van kan zijn dat ze wordt uitgescheten over het hele aan natuurschoon zo rijke eiland, waarvan ze heeft gehoord dat de Heilige Geest er is neergedaald.
Die brief zou voor veruit de meeste mensen een waarschuwing zijn geweest dat ze nu niet alleen met domweg naïeve en goedgelovige lieden te maken hadden maar ook in contact traden met de echte weirdo’s, maar pa en ma zijn hier blind voor, op dit moment leven ze in een vrij smal deel van de werkelijkheid.
Begin juni komen er uitnodigingen binnen van het vasteland. De uitnodigingen komen in eerste instantie van vrijkerkelijke gemeenschappen, die altijd op zoek zijn naar dominees die in tongen kunnen spreken of op gloeiend ijzer of op het water kunnen lopen, of die anderszins iets extra’s te bieden hebben wat de nationale kerk niet heeft. Maar algauw willen ook grotere firma’s graag iets horen over christendom, ethica en geld – liefst gecombineerd met een lezing en een dienst, zoals die naar verluidt door pa wordt gehouden. In juli gaan pa en ma voor het eerst op tournee, en je kunt misschien zeggen dat terwijl ze tot nu toe wat hebben lopen pootjebaden aan de waterkant, ze nu aanstalten maken om met al hun kleren aan het water in te gaan.
Er is niemand in de kerkenraad en niemand erbuiten die met zoveel woorden zegt dat naar hun mening de Heilige Geest in pa en ma en de Finøse kerk is neergedaald. Maar het zit er dik in. Daarom wordt er zonder problemen zoiets extreems en ongehoords georganiseerd als dat er een dominee invalt uit Århus en een organist uit Viborg, en dat overgrootmoeder voor ons komt zorgen terwijl pa en ma een maand lang op tournee gaan midden in Finø’s zomerseizoen.
Het is niet alleen zo dat er geen problemen zijn, er heerst een lichte en luchtige stemming in de kerkelijke kringen op Finø bij het idee dat het eiland nogmaals en op een nieuwe manier zijn natuurlijke plaats op de wereldkaart aan het bevestigen is.
Pa en ma zijn natuurlijk ook in die stemming terwijl ze de nieuwe stationcar die ze hebben gekocht vullen met koffers. En die aankoop is het eerste, maar niet het laatste teken dat het hier naast al het andere helaas ook om geld gaat. En dan hebben pa en ma naar ons gewuifd bij wijze van afscheid, de veerboot is van wal gestoken en ze zijn weg.
Wij, de drie kinderen en Basker en overgrootmoeder, zijn niet bevangen door die lichte en luchtige stemming, integendeel, wij gaan gebukt onder duistere en dreigende voorgevoelens.
Die voorgevoelens gaan zwaarder wegen naarmate de weken verstrijken en er enkele krantenartikelen tot Finø doordringen waarin staat dat het publiek, de gemeenschappen van de vrijkerken en de grote bedrijven vallen als biljartkegels vanwege de zeer speciale stemming die er ontstaat tijdens pa’s preken. De geruchten luiden dat je de aanwezigheid van het goddelijke in de sacramenten gewoonweg kunt voelen als een soort vibratie. Wanneer we dat lezen, kijken we elkaar aan.
Weliswaar is de deur van pa’s en ma’s werkkamer de afgelopen maand dicht geweest, maar toch hebben we een glimp opgevangen van het reisaltaar dat ma heeft gebouwd, en wij kinderen weten nog goed hoe ze een paar jaar geleden een bankje timmerde met een plaat waarop je kon staan nadat je had geschaatst op het Finøse Bloedzuigermeer. Die vibreerde door je hele lichaam op een prettige manier, waaraan wij vreugde beleefden zonder te vermoeden dat het een bouwsteen van een zwendelnummer zou blijken te zijn.
Minstens één keer per week sturen pa en ma een ansichtkaart, waarvan de tekst altijd een variatie is op het thema ‘Het gaat ongelooflijk goed’, vergezeld van een cheque en een verzoek om naar restaurant Schraalhans te gaan en een zesgangendiner te eten. En elke keer lezen we de kaart en leggen de cheque bij het huishoudgeld. De enige die iets zegt is Tilte, en dat maar één keer, waarbij ze de cheque een tik met haar vuist geeft en zegt: ‘Bloedgeld!’
Wanneer pa en ma thuiskomen, zijn ze opgewekt op het dartele af en strooien met cadeaus, die we niet aannemen: voetbalschoenen en echt haar voor extensions en een camera die op een sterrenkijker kan worden gemonteerd. Twee weken later gaan ze er weer vandoor, het vicariaat in de kerk is verlengd en overgrootmoeder is terug.
Dit keer vertrekken ze niet in de stationcar. Ze vertrekken in een negenpersoonsbus, met zwart folie voor de ruiten. Ze laden hem in in het holst van de nacht, nadat ma zeven etmalen achtereen met dichte deuren in de werkplaats heeft doorgebracht. En wanneer ze vertrekken, vrezen we het ergste.
Dat we op het juiste spoor zijn met onze vrees voor het ergste dringt tot ons door wanneer we in Het Finøse Volksblad een grote advertentie zien staan, die pa en ma blijkbaar in alle grote kranten hebben geplaatst. Daarin bieden ze financieel advies aan. We concluderen hieruit dat zij, die zelf nooit met geld hebben kunnen omgaan, begonnen zijn de mensen te vertellen wat ze met hun spaargeld moeten doen.
De stemming onder ons kinderen bereikt een depressief dieptepunt wanneer Het Finøse Volksblad een artikel uit het dagblad Børsen citeert, dat enthousiast vertelt over een kerkelijke dienst met lezingen over christendom en geld, gevolgd door directe financiële begeleiding, die pa en ma hebben gehouden voor de Associatie van Deense Grote Banken. De bijeenkomst heeft plaatsgevonden op een landgoed bij Fakse, en de journalist schrijft dat tijdens de dienst de wilde dieren zich verzamelden voor het pand – herten, dassen, egels en zwermen vogels – en tijdens het financiële consult verschenen er eigenaardige lichtpatronen en nevels in het vertrek.
Hoe pa en ma het puur technisch met de dieren hebben aangepakt, kunnen we niet achterhalen, maar je moet niet vergeten dat onze familie zoölogische ervaring heeft uit Belladonna’s tijd, terwijl we bovendien vogelspinnen, haaien, kippen en voederkonijnen in de tuin van de pastorie hebben gehouden. Maar het is zonneklaar dat pa en ma hun boekje te buiten zijn gegaan en zich op het terrein van de eigenlijke wonderen hebben begeven.
Ze komen de week daarop thuis, en ze arriveren niet in de bus waarin ze ons hebben verlaten, want daar hebben ze een chauffeur voor gehuurd die hem de volgende week terug moet brengen. Ze arriveren in een Maserati, en wanneer ze vanaf de veerboot aan land gaan, is het gerucht voor hen uit gereisd: er staan Finø-bewoners helemaal vanaf de haven tot de Grote Markt.
Ik weet niet of jij ooit een Maserati hebt gezien, dus voor het geval dat dit niet zo is, kan ik vertellen dat het een auto is voor mensen met exhibitionistische neigingen, die tegelijkertijd graag willen laten zien dat ze te bescheiden zijn om hun jas te openen. Het is kortom een voertuig dat van binnenuit aan het exploderen is door alles wat niet wordt vertoond. Wanneer het voor de pastorie tot stilstand komt en ma uitstapt, ziet de verzamelde menigte – waaronder Hans en Tilte en Basker en ik ons helaas ook bevinden – dat ze een mink draagt, die tot de grond reikt en iedereen naar adem doet happen, uitgezonderd de achthonderd nertsen die ervoor het loodje hebben moeten leggen en die allang voor het laatst naar adem hebben gehapt.
Daarna volgen er veertien dagen waarin we overwegen of er misschien een christelijke en meelevende manier bestaat om pa en ma te bereiken. Zouden we hen bijvoorbeeld een klap op het hoofd moeten geven met een ijzeren stang en hen naar de eerstehulppost van de psychiatrische afdeling van het Finøse ziekenhuis rijden om hen in een dwangbuis te laten leggen?
Helaas kunnen we niet tot een besluit komen voordat ze zich opnieuw op weg begeven. Wij kinderen slaken een zucht van verlichting, omdat de druk afneemt van onze kameraadjes die hopen dat pa een ritje in de Maserati met hen maakt met tweehonderd kilometer per uur in de bocht en tweehonderdzestig op het rechte stuk naar het vliegveld, of die een glimp hopen op te vangen van mijn moeder naakt in de mink.
Het masker valt een week later, en wel zodanig dat Tilte en ik thuiskomen van school en onze broer daar aantreffen, die over zijn rekensommen gebogen diende te zitten in het internaat-gymnasium in Grenå. Hij zit op de bank naast Bodil Nijlpaard, die geflankeerd wordt door drie andere vervaarlijk uitziende personen. Dat blijken professor Thorkild Thorlacius-Drøbert met echtgenote alsmede de bisschop van het bisdom Grenå, Anaflabia Borderrud te zijn.
Ik heb eerder vermeld dat ik er in mijn vroege jeugd – dus van mijn vijfde tot mijn twaalfde jaar – een enkele keer toe gedwongen en verlokt ben om mee te doen aan het jatten van fruit en wellicht ook een enkel keertje van tarbot uit een kaar, maar dat dit iets is wat tot het verleden behoort. Toch heb ik een groot gedeelte van mijn leven als slachtoffer van onterechte verdenkingen geleefd, met als gevolg dat er bij ons op de pastorie een aantal keren onbekende personen zijn opgedoken die een snel proces en een prompte terechtstelling eisten.
Maar ik kan je vertellen dat de stemming rond Bodil en haar hitsquad onheilspellender is.
‘Het duurt een poosje voordat jullie ouders thuiskomen,’ zegt ze. ‘Het is ons gelukt jullie voor een paar weken in het kindertehuis in Grenå onder te brengen.’
Tilte en ik huldigen het standpunt dat je in een situatie waar je moeilijk of onmogelijk met charme of een vlotte tong uit kunt komen, wat goed karma nodig hebt.
Dat vertoont zich nu tot onze verrassing in de gedaante van overgrootmoeder, want plotseling staat zij in de deuropening. En wanneer ze zich tot Bodil richt, doet ze dat op een toon die ik niet eerder heb gehoord, zacht en vleiend, zoals je je zou kunnen voorstellen dat een non zich tijdens de hoogmis fluisterend tot de abdis richt met de bedoeling een briefje van vijftig te lenen, en door die ootmoed laat Bodil zich om de tuin leiden.
‘Waar hebben we de eer aan te danken?’ vraagt overgrootmoeder.
‘We hebben een noodsituatie,’ zegt Bodil. ‘De ouders van de kinderen zijn in voorlopige hechtenis genomen. Terwijl de zaak wordt opgehelderd, hebben we plaats voor hen gevonden in een instelling in Grenå. Vanaf vanavond.’
‘Ze zouden hier bij mij beter af zijn,’ zegt overgrootmoeder.
‘We hebben met de schoolleiding gesproken,’ zegt Bodil. ‘Die vindt dat de kinderen het meest gediend zijn met vaste regels. En gezondheidszorg.’
‘Wat mij zorgen baart,’ zegt overgrootmoeder, ‘dat zijn de media.’
Dit is een verrassende twist – ook voor ons kinderen. Wij weten niet dat overgrootmoeder überhaupt van het bestaan van media afweet. Ze kijkt geen tv en leest geen kranten, en ze keek altijd naar onze pc’s en mobieltjes alsof ze in haar jeugd informatie lieten circuleren op runenstenen en grof ingehouwen stenen tafelen, en dat ze daar voor haar part best mee door hadden mogen gaan.
‘Stel je voor dat het in Het Finøse Volksblad kwam,’ zegt overgrootmoeder. ‘Dat minderjarige kinderen uit huis zijn geplaatst en tussen het uitschot van de maatschappij zijn ondergebracht.’
Het is moeilijk voorstelbaar dat overgrootmoeder werkelijk naar de krant zou stappen. Maar wat duidelijk begint te worden, is dat de weg die zij in deze situatie is ingeslagen niet het smalle pad van de waarheid is waarover pa vertelt bij de belijdenisvoorbereiding, maar eerder de autoweg die je gebruikt als je je pantsertroepen snel in stelling moet brengen.
Dat is ook de indruk die Anaflabia en Thorkild Thorlacius en Bodil blijkbaar aan het krijgen zijn. Eerst hebben ze naar overgrootmoeder gekeken als iets uit de toeristische brochure, kleurrijk en exotisch, maar nu is hun gelaatsuitdrukking aan het veranderen.
‘Natuurlijk zou niemand van ons in deze familie iets aan de kranten willen vertellen,’ zegt overgrootmoeder. ‘Maar ik ben negentig. U weet misschien dat veel mensen van mijn leeftijd er moeite mee hebben om hun water op te houden. Dat geldt niet voor mij persoonlijk. Ik heb de straal altijd kunnen doorknippen.’
Overgrootmoeder knipt met haar handen in de lucht, alsof ze de heg knipt.
‘Alsof hij wordt doorgesneden met een mes. Speelt u dat klaar?’
Hier kijkt ze Anaflabia Borderrud aan, die wat bleekjes begint te worden.
‘Maar de woorden,’ zegt overgrootmoeder. ‘Die kan ik niet tegenhouden. Misschien is het een vroege vorm van alzheimer, er zijn halve dagen dat ik me niet kan herinneren wat ik tegen wie heb gezegd. Stel je voor dat ik bij zo’n gelegenheid mijn mond voorbij zou praten. Over de uithuisplaatsing en de wonderen in de kerk. Tegen een journalist van Het Finøse Volksblad.’
Daarmee heeft ons goede karma een draai aan de situatie gegeven. Thorkild Thorlacius en Bodil en Anaflabia krabbelen snel terug, en overgrootmoeder doet hun uitgeleide tot de deur, met een stroom aan gedetailleerde adviezen over welke bekkenbodemoefeningen ze dienen te doen – oefeningen die er bij frequente herhaling toe kunnen leiden dat je de straal wanneer je maar wilt kunt doorknippen alsof hij wordt doorgesneden met een scheermes.
Bent Agent vertelt ons de daaropvolgende dagen de nadere details: wat er is gebeurd, is dat pa en ma een kerkelijke handeling hebben uitgevoerd bij de Associatie van Deense Investeringsmaatschappijen en bij die gelegenheid een wonder hebben willen verrichten. Ze wilden bankbiljetten verbranden, die daarna weer uit de as tevoorschijn zouden moeten komen. Het verbranden is gelukt. Maar ze zijn er niet in geslaagd de zesentwintig miljoen kroon weer tevoorschijn te laten komen.
Wat ons kinderen verwondert, is niet dat pa en ma iets groots hebben verbrand. Dat hebben ze vele malen gedaan. Het is algemeen bekend op Finø dat mijn moeder een ervaren pyrotechnicus is, die jarenlang het merendeel van het nieuwjaarsvuurwerk voor het stadje Finø heeft gemaakt. Wanneer de grote heide op Finø om het jaar moet worden afgebrand omdat die onder natuurbescherming valt, dan is het de taak van mijn moeder om samen met Reddings-John en Bent Agent de heide in haar verschroeide en fraaie staat terug te brengen.
Daarom is er niemand van ons die zich over die afbrandingsactie verwondert, ook al branden bankbiljetten in feite vrij slecht. Dat weten we omdat Tilte een keer een briefje van honderd heeft verbrand, dat Vibe uit Ribe haar schuldig was als loon omdat Tilte haar tijdens de vakantie had afgelost in de havenkiosk. En toen Vibe op het laatst, na twee maanden haar best te hebben gedaan de zaak in het vergeetboek te laten verdwijnen, over de brug kwam, zei Tilte dat het om het principe ging. En nu wilde ze Vibe graag laten zien hoe ze tegen geld aankeek, en toen hield ze het briefje van honderd kroon in de vlam van de gezellig brandende kaars op de toonbank. Het brandde heel langzaam, maar op het laatst was het dan toch weg. Dus natuurlijk kan ma zesentwintig miljoen in de fik laten vliegen. Wat ons verwondert, is dat pa en ma niet slim genoeg zijn geweest om ze weer terug te laten komen.
Daar krijgen we echter ook een verklaring voor – en die is niet zo leuk. We krijgen die pas na een half jaar. In eerste instantie horen we in alle vertrouwelijkheid van Bent Agent dat pa en ma in staat van beschuldiging zijn gesteld op grond van het boerenbedrogartikel, en korte tijd later dat de aanklacht is ingetrokken bij gebrek aan bewijs. En daarna volgt het proosdijgerecht en het psychologisch onderzoek, die pa en ma allebei vrijpleiten, en dan keren ze terug naar Finø.
Ik weet niet of jij van je eigen familie het gevoel kent dat het enige waar je blij over bent is dat je vader en moeder in elk geval op dit moment op vrije voeten zijn, omdat het om niet genoeg bewijs heeft om een aanklacht in te dienen, en dat hun laatste nummer niet op de voorpagina van de kranten staat, omdat degenen die opgelicht zijn alles geheim hebben gehouden uit angst zich volledig belachelijk te maken?
Voor het geval je dat niet zelf hebt meegemaakt, kan ik je vertellen dat het een tijd is waarin je je gedeisd houdt en met gedempte stem spreekt, om te voorkomen dat er opeens glas barst, en waarin je bleek en zwijgend in je eten zit te prikken, ook al zijn het pa’s viskoekjes.
Er is niemand op Finø of op school die iets met zekerheid weet, al hebben velen een vermoeden. Maar Tiltes en mijn lippen zijn verzegeld. Velen bezitten te veel tact om iets te zeggen, en degenen die niet zo fijngevoelig zijn is hun leven te dierbaar. Dus we beleven deze tijd omringd door een muur van vragen die nooit worden gesteld.
De tijd heelt echter alle wonden. En niet alleen de tijd, ook de conclusie van het psychologisch onderzoek toont aan dat pa en ma normaal zijn, maar waarschijnlijk ontoerekeningsvatbaar waren op het moment van het misdrijf omdat ze overwerkt waren.
Wanneer pa weer op de preekstoel staat en ma achter het orgel zit, is de rust weergekeerd. En hoewel zowel pa als ma bleker en magerder zijn dan tevoren en soms een uitdrukking in hun ogen krijgen als de varkens op het altaarstuk, maken ze een onaangedane indruk.
Het duurt ook niet lang voordat de gewone rampen en triomfen van alledag het beeld van pa’s en ma’s misdrijven naar de achtergrond hebben gedrongen. Aangezien Hans op dit moment kandideert voor de titel Mr. Finø en wint, en ik zoals gezegd door Kaj Molester Lander het podium op word gelokt in de waan dat ik een speciale prijs zal ontvangen voor mijn noeste inzet in het eerste van Voetbalclub Finø, en ik daarna een ijzeren buis vind en op jacht ga naar Kaj Molester, die de grote bossen in vlucht om daar als vogelvrije te leven en pas na drie etmalen thuiskomt, wanneer ‘mijn slapte het ijs der toorn heeft doen smelten’ zoals de psalmdichter schrijft, dan begrijp je dat pa’s en ma’s zonden voor Finø’s gewone bevolking in het vergeetboek raken.
Maar niet voor ons kinderen. We praten niet met onze ouders, de herinneringen drukken zwaar op onze schouders, en op het laatst wordt het ondraaglijk voor pa en ma.
Het is op een avond in de keuken, pa werkt met zijn ijsmachine – het enige wat financieel gezien nog over is van hun avontuur, zowel de Maserati als de mink zijn verloren gegaan als onderdeel van de schikking – en ma werkt aan een nieuw stemherkenningsapparaat, dat op een koekoeksklok lijkt.
Dan schraapt pa zijn keel.
‘Wat er gebeurd is,’ zegt hij, ‘was dat het wonder dat jullie moeder en ik kanaliseerden, als het ware verschoven werd in de tijd. Dat wil zeggen dat de bankbiljetten verdwenen zoals de bedoeling was, maar niet meer opdoken. De opschudding is groot, maar de zaak wordt in der minne geschikt met de investeringsmaatschappijen en de autoriteiten. Ik weet de situatie tot ieders tevredenheid op te lossen en we zijn het erover eens dat we niet verdergaan met de zaak. Het is een enorme verrassing dat het geld een week later plotseling weer opduikt. Theologisch gezien zijn jullie moeder en ik van mening dat het zo verklaard moet worden dat we hier te maken hebben met een wonder dat niet ogenblikkelijk is maar zich over enige tijd uitstrekt. Voordat we ons hierop weten in te stellen en de nieuwe situatie hebben overwogen, wordt er contact met ons opgenomen door de politie, die niet over de geestelijke diepte beschikt om de volle spirituele betekenis van de situatie te begrijpen.’
‘Waar neemt de politie contact met jullie op?’ vraagt Hans.
‘Ze nemen contact met ons op bij een bedrijf dat Deense Diamanten en Edelmetalen Investeringsmaatschappij heet, op het moment dat we het geld aan het investeren zijn in goud en platina met het oog op jullie toekomst.’
Het wordt doodstil in de keuken. Als je denkt dat deze stilte vol verdriet moet zijn over het feit dat onze ouders zo’n stelletje oplichters zijn, en met respect voor het feit dat ze er niettemin in geslaagd zijn de investeringsmaatschappijen, het ministerie van Kerkelijke Zaken, de Rijkspolitie en het gerechtspsychiatrische onderzoekscomité ervan te overtuigen dat het voor ons aller bestwil is dat dit in de doofpot wordt gestopt, als je dat denkt, dan heb je de spijker op de kop geslagen.
Maar er speelt zich ook iets anders af in de stilte, en dat valt veel moeilijker te verklaren. Namelijk dat pa in zekere zin, misschien voor tien procent, gelooft dat ma en hij dat nummer met de hulp van Den Hoge hebben uitgevoerd, en dat ze het in zekere zin hebben gedaan om onze jeugd en toekomst met goud- en platinastaven te veraangenamen. Dus in zekere zin betekent dit dat het zaak is om wakker te zijn, want de liefde kan zich in vrijwel onherkenbare vermommingen voordoen.
Op dat ogenblik vergeven we pa en ma. Er wordt niet meer over gesproken, het onderwerp is van de baan en keert niet meer terug, uitgezonderd misschien hopelijk in de nachtmerries van pa en ma. Maar Tilte en Basker en Hans en ik, wij beseffen op dat ogenblik dat als je de ambitie koestert om geduld te hebben met andere mensen, dat je dan ook hun olifanten moet kunnen vergeven.