Proloog
De kist staat open. Op het eerste gezicht zit er niet iets in, anders dan wat proppen wit, zacht ritselend papier. Eén voor één haalt Mark van Hattem, conservator van het Legermuseum in Delft, ze eruit. Bijna eerbiedig legt hij ze terzijde.
Hij wordt op de vingers gekeken door een jonge, stille Fransman in dienst van het Musée de l’Armée in Parijs – waar de kist vandaan komt. Op een kleine afstand staan nog een paar Fransen, en medewerkers van het Legermuseum met fototoestellen. De stemming is bijna plechtig, hoewel elders in de zaal wordt geboord en gezaagd. De voorbereidingen voor de tentoonstelling Voor Napoleon. Hollanders in oorlogstijd, 1792-1815 zijn in volle gang.
Als bijna alle proppen uit de kist zijn verwijderd, blijft er een groot, wit pakket over. Aan de vorm is te zien wat erin zit, zo beroemd (of berucht) is die vorm: een steek, Napoleons hoofddeksel. Van Hattem aarzelt, mag hij het pakket uit de kist tillen? Hij kijkt naar de vertegenwoordiger van het Musée de l’Armée, die glimlacht.
‘Je vous en prie,’ zegt hij.
De Delftse conservator tilt voorzichtig het pakket uit de kist en loopt ermee naar een tafel. Een medewerkster van het museum maakt een foto.
Het gezelschap schaart zich rond de tafel en het pakket wordt uitgepakt. Er komt een donkergrijze, vilten steek tevoorschijn, met een kleine kokarde erop, rood, wit en goudbruin. Die laatste kleur was ooit blauw. De steek staat op een kleine sokkel, de plek van het hoofd is gevuld door een houten bal.
Na kort overleg met de vertegenwoordiger van het Franse museum mag de sokkel worden verwijderd. De binnenkant van de steek is gevoerd met gele zijde waar een netje tegenaan is gezet, om verder verval te voorkomen. Van Hattem streelt de randen van de hoed. Napoleon moet een groot hoofd hebben gehad.
Het vilt is verhard tot een soort leer, lijkt het wel, en hier en daar zitten behoorlijke butsen, zelfs een klein scheurtje is zichtbaar, aan de achterkant. ‘Je voelt dat hij is gedragen,’ mompelt de conservator, maar op de vraag wat er door hem heen gaat, wil hij geen antwoord geven.
Napoleon droeg de hoed, naar verluidt, bij Austerlitz, zijn mooiste veldslag. Het is niet de enige steek van de kleine keizer die de tand des tijds heeft doorstaan. Het Musée de l’Armée heeft er nog een paar. Eentje die hij droeg bij Marengo, een exemplaar dat op Sint-Helena is geweest.
De hoeden werden door ene Poupart gemaakt, chapelier de l’Empereur, een paar dozijn per jaar joeg de keizer erdoorheen. Ook in het museum van Fontainebleau hebben ze er een paar, waaronder een die door de keizer aan een officier van zijn garde cadeau werd gedaan toen hij in ballingschap ging en eentje die ooit door een Japanse miljonair voor zijn zoontje werd gekocht. Na vaders dood schonk de zoon de hoed zo snel als hij kon aan het museum.
Geschiedenis is meestal ver weg, maar nu heel dichtbij. Als de afgevaardigde van het Musée de l’Armée even niet oplet, kan ook ik de hoed aanraken. Mark van Hattem en een collega zijn weg om de vitrine te halen waar de hoed in zal worden opgesteld. Het harde vilt voelt koud en doods aan. Ik probeer me bij de butsen en slijtageplekken aan de randen voor te stellen hoe de hand van Napoleon de steek afnam en weer aandrukte op het hoofd. Ik voel hem bijna zwaaien naar zijn troepen. Ik kan mijn vingertoppen op de plekken van zijn vingertoppen leggen, maar ik durf de hoed niet op te zetten.
Jammer.
De stilte rond Napoleon
Het is vandaag 11 maart 2008 en ik denk aan Napoleon, die op de kop af tweehonderd jaar geleden ongetwijfeld iets belangrijks deed, in ieder geval iets wat is geboekstaafd, zoals heel zijn leven, bijna van minuut tot minuut, op papier staat. Ik zou op kunnen zoeken wat hij deed, maar ik heb er geen geen zin in. Oké, hij leidde een jachtpartij in de bossen rond Versailles. En ’s avonds ging hij naar het theater.
Er zijn over Napoleon meer boeken geschreven dan een mens in een leven kan lezen. Dat heb ik me niet laten vertellen, maar persoonlijk vastgesteld. Zelf heb ik de afgelopen jaren een paar honderd boeken over de man gelezen, allemaal boeken die er al waren voordat ik in hem geïnteresseerd raakte. Dan zijn er ook nog de nieuwere boeken, de boeken die verschenen sinds mijn verslingering aan dit onderwerp. De meeste daarvan las ik zodra ze in de boekhandel lagen, maar inmiddels lijken er maandelijks meer titels bij te komen dan ik aankan. Ja, wat Napoleon betreft zijn we gedoemd voor altijd achter te lopen.
Er gaat geen dag voorbij of ik bedenk iets wat met hem te maken heeft. Zie je ineens op televisie de oude beelden voorbijkomen van die kolonel die in het Spaanse parlement met een pistool zwaait, schiet je te binnen dat Napoleon via een soortgelijke, knullige staatsgreep aan de macht kwam. De kolonel niet, natuurlijk.
Wandel je door de Damstraat in Amsterdam, waar mijn geliefde nog heeft gewoond voor ze mijn vrouw werd, realiseer je je ineens dat ook Napoleon (op vrijdag 11 oktober 1811) in die straat is geweest: zijn koets liep er vast in een verkeersopstopping als gevolg van al te nijvere putjesscheppers. Dat doet dan weer denken aan de enorme stank die in het negentiende-eeuwse Amsterdam heerste, en waaraan koningin Hortense, de vrouw van Lodewijk, de broer van Napoleon die in Holland tot koning was benoemd, zich zo ergerde. Vandaar is het weer een kleine stap, en in werkelijkheid maar een paar minuten lopen, naar Felix Meritis aan de Keizersgracht: daar heeft Napoleon eens een bal gegeven, en zelf ook gedanst.
Dan is er Stendhal – op een dag lees je zijn Lucien Leuwen, en dan schiet je opeens De kartuize van Parma te binnen: reed niet de held van dat verhaal, Fabrizio, in het gevolg van maarschalk Ney mee op het slagveld van Waterloo? En hoe beschreef Stendhal ook alweer Fabrizio’s ontmoeting met Napoleon?
Zoeken, zoeken – maar daar is de passage: ‘De maarschalk stopte langdurig bij een aantal cavalerieafdelingen, die hij charges liet uitvoeren. Onze held had echter enkele uren nauwelijks enig besef van wat zich om hem heen afspeelde. Hij voelde zich erg moe en als zijn paard galoppeerde, viel hij als een stuk lood in zijn zadel terug. Plotseling riep de wachtmeester naar zijn mannen: “Zien jullie de Keizer niet, idioten!” Meteen riep het escorte luidkeels: “Leve de Keizer!” Het spreekt vanzelf dat onze held zijn ogen opensperde, maar het enige wat hij zag was een aantal galopperende generaals dat eveneens door een escorte werd gevolgd. De lange haarbossen die aan de helmen van de dragonders hingen, beletten hem de gezichten te onderscheiden. Nu heb ik door die vervloekte glazen brandewijn (de held is aangeschoten, mb) de Keizer niet op het slagveld kunnen zien! Door deze gedachte werd hij weer klaarwakker. Zij reden opnieuw een holle weg in die onder water stond: de paarden wilden drinken. “Dat was dus de Keizer die net voorbijreed?” vroeg hij aan de man naast hem. “O, beslist. Het was de man die geen belegsel op zijn jas had. Hoe komt het dat jij hem niet hebt gezien?” ’
Een tegenvaller, deze scène, maar ook wel weer mooi. Zo dichtbij, en dan tóch de grote held niet zien. Ik herken me er wel in, eigenlijk. Gebeurt er eens wat, vis je achter het net. Maar dan schieten me alweer andere dingen te binnen, Elba bijvoorbeeld. Mijn garagehouder, Jan Roest aan de Zeeburgerdijk: hij heeft in zijn kantoortje sinds jaar en dag twee ansichtkaarten van schitterend blote billen hangen, billen waar zandkorrels aan kleven: de kaarten zijn verstuurd vanaf het eiland Elba; het staat er met grote letters op. Wat heeft me belet naar Elba te gaan?
Waarom ga ik volgende week niet?
Dat brengt me bij Île de Ré, vlak voor La Rochelle, aan de Franse Atlantische kust, het laatste stukje Frans grondgebied waar de keizer op rondliep. Van hier ging zijn reis naar Sint-Helena, alweer een eiland. Hij was een man van eilanden. Corsica, Elba, Île de Ré, Sint-Helena. Vaak heb ik beschreven gezien hoe Napoleon aan boord van de Bellerophon, onderweg naar Engeland en Sint-Helena, voor het laatst naar zijn Frankrijk keek; de kust langzaam in de mist en de verte zag verdwijnen. Zo’n moment voor 100 procent kunnen navoelen en opschrijven, daar zou ik tevreden mee zijn, dat zou genoeg zijn.
Dan denk ik weer aan Napoleons bezoek aan de Lage Landen. Er is een mooi boek over, van meneer Hodenpijl. Het bevat als bijlage een lange lijst adressen; waar en bij wie de maarschalken en generaals en stalmeesters en kamerheren en ordonnansofficieren en adjudanten uit het gevolg van de keizer en de keizerin in Utrecht, Amsterdam, Den Haag en Rotterdam werden ondergebracht; maarschalk Berthier, prins van Neuchâtel en Wagram (Napoleons chief of staff, de grote meester van de logistiek van zijn legers): in Utrecht bij de familie Van Heilman aan het Janskerkhof 500, in Amsterdam bij de familie Hodshon Dedel, aan de Herengracht 550, in Den Haag bij de familie Van Schuylenburg aan de Vijverberg, in Rotterdam bij de heer Van der Pot Groeneveld, Korte Hoogstraat 228. Ook in het gevolg, zie ik: generaal Gourgaud. Voor hem is in Utrecht en Amsterdam niets geregeld, maar in Den Haag slaapt hij bij de familie Du Tour in de Houtstraat en in Rotterdam aan de Leuvehaven 23, samen met een tiental anderen. Al die adressen kun je af, al die levensverhalen van de bewoners zijn te achterhalen.
Een interessante man, overigens, die Gourgaud. Hij heeft Napoleon tijdens de laatste veldslagen in 1814, op Franse bodem, na de nederlagen bij Dresden en Leipzig, een keer het leven gered, en voegde zich een jaar later bij het groepje dat de keizer in ballingschap naar Sint-Helena volgde. Daarover schreef hij prachtige memoires, waarin hijzelf naar voren komt als een enorme zeikerd, een somberman eerste klas, maar wel de enige die af en toe de keizer durft tegen te spreken. Pas kortgeleden landden die memoires, in een eerste druk, op mijn bureau. Je lacht je een hoedje. Gourgaud lijdt nog meer dan Napoleon. Ooh ja, en hij huilt veel. Zijn baas moet hem dan troosten.
Terug naar Hodenpijl, die we op pagina 42 openslaan: ‘Pas had zich te Gorinchem de mare verspreid dat Napoleon te Dordrecht was aangekomen, of door trompetters van verschillende bereden korpsen welke te Gorinchem voor ’s keizers ontvangst aanwezig waren, werd door de geheele stad appèl geblazen.’
Op naar Gorinchem dus, en ik ben er geweest; langs de Merwede geslenterd, de exacte plek bekeken waar Napoleon aan land kwam, hij werd vanuit Dordrecht stroomopwaarts geroeid in een enorme sloep, dat soort dingen. Je kunt aan de gang blijven, wil ik maar zeggen. Die sloep overigens heb ik wel eens gezien in het Musée de la Marine in Parijs; werkelijk een prachtig vaartuig. Hij kwam er ook in Willemstad mee aan, en in Hellevoetsluis. Verder mag ik graag aan de burgemeester van Middelburg denken die urenlang in de kou stond te wachten tot de keizer eindelijk kwam – en toen kreeg de man een vreselijk standje.
Ter zake.
Dat is het hem nu juist – je kunt met Napoleon niet ter zake komen. Geen enkel boek dat ik over hem heb gelezen bevatte alles wat ik al wist uit voorgaande boeken. In zekere zin, zou je kunnen zeggen, bestaat een historische figuur van zijn omvang uit omissies. Weliswaar zijn alle omissies gecoverd, maar ze zijn, door de pure omvang van het complete verhaal, niet met elkaar te verbinden.
Ik denk aan Napoleon als ik Elvis ‘Mystery Train’ hoor zingen. Net als in de mythe van Elvis heb je in de mythe van Napoleon een cesuur, een breuk: de jonge en de oude, de snelle en de langzame, de slanke en de dikke. Net als bij Elvis heb je liefhebbers die zich alleen maar willen verliezen in de jonge versie van de held, toen Napoleon nog lang haar had en ongewassen en wild Italië veroverde. Maar er zijn er ook die de latere, dikke, keizerlijke Napoleon verafgoden.
De veldslagen bij Lodi, Castiglione, Rivoli, Arcola zijn de ‘That’s All Right Mama’, ‘Blue Moon of Kentucky’, ‘Mystery Train’ en ‘I Forgot to Remember to Forget’ van de jonge, onbesuisde Napoleon, 21 jaar en aan het hoofd van een onverslaanbaar leger, niet omdat het zo groot en machtig was, maar omdat de bevelhebber zo slim en energiek was, zo onzelfbewust geniaal, vergelijkbaar met Elvis toen hij de Sun-singles opnam, een jongen die niet wist wat hij deed en alleen maar swingde. De grote, latere slagen, bij Austerlitz, Jena, Friedland, Wagram zijn in deze analogie de perfecte singles die Elvis voor rca opnam vóór hij in het leger (sic!) ging: ‘Heartbreak Hotel’, ‘Love Me Tender’, ‘Don’t Be Cruel’, ‘Hound Dog’. Daarna begon bij beiden langzaam de neergang.
Sta ik in een Franse kiosk en valt mijn oog op een foto van president Sarkozy die zijn toenmalige vrouw Cécilia even in haar wang knijpt, dan denk ik aan Napoleon, die hetzelfde deed bij zijn vrouwen. In de wang knijpen, aan hun oor trekken. Tikkertje spelen, daar hield hij ook van. Denk ik verder aan Sarkozy, dan stel ik vast dat hij klein is, en bovenmatig energiek, precies als Napoleon. De romanschrijver Patrick Rambaud schreef drie historische romans over Napoleon, fascinerende boeken vol seks en geweld, en onlangs een satirische roman over het hof van Nicolas i; het omslag vertoont Davids beroemde schilderij van Napoleon die de Alpen oversteekt, alleen is het hoofd van de keizer vervangen door de grijnzende tronie van de president.
Van die dingen.
Ik bezocht eens bij Sotheby’s een veiling van de bezittingen van Joseph Luns, oud-minister en oud-secretaris-generaal van de navo. Een van de meest bizarre dingen die Luns bezat, was een oude waterketel die in het ijzingwekkende jaar 1812 door een soldaat van Napoleon op en neer naar Moskou was gedragen. De naam van deze soldaat was Woolsink en hij kwam uit De Lutte in de buurt van Oldenzaal. Na zijn dood kwam de ketel (‘in onbruikbare staat’) in bezit van zijn dochter Trui, die hem weer cadeau deed aan mr. Free Leus, woonachtig in huize Limosa, Smalendijk 9, hoek Beldmanweg, Zuna, gemeente Wierden, post Nijverdal.
Ergens in 1970 zag mr. Leus een televisieprogramma over Luns. Kennelijk maakte Luns toen melding van zijn bewondering voor Napoleon, want mr. Leus besloot hem de waterketel te schenken, iets wat hij meldde per brief. Deze brief bereikte Luns per koerier in Paramaribo, waar hij als minister van Buitenlandse Zaken een conferentie van Nederlandse ambassadeurs moest voorzitten. In een lange brief terug betuigde Luns zijn dank voor de gift, die mr. Leus maar naar het ministerie in Den Haag moest sturen. Jammer natuurlijk, want mooier was het geweest als de oude, lekke ketel niet alleen de Berezina maar ook een oceaan was overgestoken, om vervolgens in de koffers van Luns (ook te koop bij Sotheby’s) weer terug naar Nederland en België te reizen, en samen met een uniformknoop gevonden op het slagveld van Austerlitz, een brief van Napoleon en een doos tinnen soldaatjes te eindigen in de kast waar Luns zijn militaria bewaarde. Ook die kast was overigens te koop.
Ik heb niets gekocht.
Nog zoiets: onderweg van Utrecht naar Amsterdam passeerde de keizer in 1811 een boerenhoeve die Nooitgedagt heette – de boeren stonden devoot langs de weg. De keizer stopte, zoals hij vaak deed als zijn onderdanen met de pet in de hand langs de weg stonden; soms gaf hij ze dan een goudstuk, soms kneep hij ze in hun wang. Deze keer wilde hij weten wat Nooitgedagt betekende, want nieuwsgierig was hij, altijd, op het ziekelijke af.
Toen iemand uit het gevolg het woord Nooitgedagt had vertaald, schijnt Napoleon zowat uit het zadel te zijn gevallen van het lachen. En op welk paard zat hij? Voor de paarden van de kleine keizer heb ik een zo groot zwak dat ik geen paard langs de kant van de weg kan zien staan zonder aan de negentiende eeuw te denken.
Ook denk ik wel eens aan Jaffa, de Israëlische stad waar hij is geweest, tijdens zijn Egyptische veldtocht: in Jaffa vielen zijn troepen ten prooi aan de pest, duizenden stierven. Er is een beroemd schilderij van Antoine Gros dat een bezoek van Napoleon aan het pesthuis verbeeldt; als een echte Jezus, inclusief lang haar en oplichtend gelaat, trotseert hij de dodelijke ziekte; om hem heen stervenden, maar zijn aanwezigheid alleen al lijkt genezing te brengen. Dan denk je toch onwillekeurig even aan de Messias te midden van melaatsen.
Regelmatig kom ik langs de gedenknaald die voor koning Willem ii iets buiten Baarn, maar precies in het gezichtsveld van paleis Soestdijk staat – een bijna kilometer lange, kaarsrechte gleuf in het bos maakt hem zichtbaar voor de paleisbewoners. Die zuil is opgericht ter nagedachtenis aan Willems heldenrol bij Waterloo – een rol die omstreden is; volgens velen werd hij door zijn eigen troepen uit het zadel geschoten om te voorkomen dat hij hen voorging in een wisse dood. Maar zelf zag de prins (ook wel Slender Billy genoemd) zijn verrichtingen op het slagveld als veel belangrijker dan die van Wellington en Blücher samen.
Ik zit ook wel eens naar schaatsen te kijken. Dan rijden onze jongelui hun snelle rondjes op de kunstijsbaan van Erfurt. Maar in plaats van op de tussentijden te letten, denk ik dan aan 1808, toen de kleine keizer zijn Duitse vorsten en de tsaar in Erfurt uitnodigde om een week of drie te dansen, te jagen, maîtresses uit te wisselen, te dineren, te lunchen, te souperen, naar de Comédie Française te kijken, de beste zangers en zangeressen van de Parijse opera te beluisteren en intussen ook nog wat te vergaderen; dat wil zeggen: de tsaar en de keizer. Zij kenden elkaar al van Tilsit, waar Napoleon na de Russische nederlaag bij Friedland met de tsaar een verbond had gesloten, dit in een tent gebouwd op een vlot en dat vlot dreef in de rivier de Neman, en Napoleon was ervan overtuigd dat hij de tsaar in zijn zak had (‘Als het een vrouw was, zou ik hem tot mijn maîtresse maken,’ zei hij eens), en daar, in die zak, had hij hem nu nodig, want zijn troepen waren Spanje binnen getrokken en op onverwachtse tegenstand gestuit. Dus er moesten extra soldaten vrijgemaakt worden die nu in Pruisen lagen, en om te voorkomen dat de Oostenrijkers van de nieuwe, Franse zwakte gebruik zouden maken en ten strijde zouden trekken, was het nodig dat de Russen zich andermaal op dezelfde lijn stelden: mocht Oostenrijk iets proberen, dan zou de tsaar zich aan de zijde van Napoleon scharen. Om een en ander kracht bij te zetten, verklaarde Napoleon graag met een van de zusters van de tsaar te willen trouwen.
Dat was het idee.
Maar ondanks de feestelijkheden (er werd onder meer op uitgezette konijnen gejaagd op het slagveld van het naburige Jena, waar twee jaar tevoren nog 40.000 man waren gesneuveld) kwam de tsaar de kleine keizer maar nauwelijks tegemoet, wat achteraf wel verklaarbaar is, want ook Talleyrand (soms Napoleons minister van Buitenlandse Zaken, dan weer speciale gezant, dan weer ambteloos, maar altijd invloedrijk, een intrigant pur sang) was in Erfurt aanwezig, en iedere dag als Napoleon en de tsaar elkaar hadden gesproken, kwam hij bij de Russen op de thee om de tsaar vuiligheid in het oor te fluisteren. Zo eindigde Erfurt weliswaar met een boze, waarschuwende brief van Rusland en Frankrijk aan Engeland, maar verder werd er niets bereikt – nou ja: Napoleon maakte kennis met zijn jeugdheld Goethe, wiens Leiden des Jungen Werthers hij ooit had verslonden.
Vier jaar later, overigens, zou de keizer, op de terugtocht vanuit Rusland, midden in de nacht in Weimar aanleggen om van paarden te wisselen – bij die gelegenheid nam hij de moeite iemand uit het postiljon de groeten aan Goethe over te laten brengen, zo was hij ook wel weer.
Erfurt zou je het begin van het einde kunnen noemen; vanaf dat moment was er geen weg terug. De oorlog in Spanje zou uitgroeien tot een kankergezwel, Pruisen en Oostenrijk versterkten hun legers, nationalisme greep overal in Europa om zich heen, en uiteindelijk zou Napoleon zich vergissen en tegen Rusland ten strijde trekken.
Dan is er slordigheid.
Van mij, van anderen.
Een beroemd briefje, in Italië geschreven, aan zijn geliefde Joséphine zou de volgende tekst hebben bevat: ‘Ik kom eraan, was je niet!’ Dat briefje heb ik nergens kunnen vinden; niet in de verzamelde correspondentie van de keizer, niet in zijn liefdesbrieven. Wel kom je de tekst van het briefje links en rechts tegen, maar dan wordt het meestal zonder bronvermelding geciteerd, of afgedaan als apocrief. Toch zou ik dat briefje graag in het echt zien, net als ik er wel een teen voor over zou willen hebben om aanwezig te kunnen zijn bij maarschalk Neys cavaleriecharges bij Waterloo: duizenden paarden met daarop kurassiers, lansiers, huzaren, dragonders, allemaal in schitterende uniformen, die een heuvel op stormen.
In hoge mate bepalend voor het idee van een historische figuur zijn de eerste boeken die je over hem leest, in mijn geval: The Campaigns of Napoleon van de Engelse historicus David Chandler en The Emperor’s Last Island van Julia Blackburn. Het eerste boek las ik toen de Amerikanen Irak aan het binnenvallen waren, en overal zag ik parallellen. Bovendien is het geweldig goed geschreven en heeft Chandler een bijzonder hoge pet op van het militaire genie van Napoleon – hoe hij keer op keer zijn tegenstanders in de rug aanviel, omsingelde of in tweeën splitste, alsmaar weer doet Chandler het met het grootste genoegen uit de doeken: de manoeuvre sur les derrières en le position central. Die twee concepten, gecombineerd met snelheid, elan en vechtlust – en je bent er.
Het boek van Blackburn gaat over Napoleon op Sint-Helena en ze is er zelf ook geweest. Het zou Een schitterend einde kunnen heten. Als ik het zelf had geschreven, en dit is het enige boek in de hele Napoleon-bibliografie dat ik graag had willen schrijven, had ik het zo genoemd. Het is een bij vlagen hilarisch en ontroerend portret van een man in gevangenschap, omringd door oliebollen en nitwits, een man die zich er nochtans toe zet zijn eigen mythe vorm te geven en daar nog in slaagt ook, ondanks genoemde nitwits en oliebollen die wél de pen moesten hanteren, want zelf schrijven deed de keizer niet meer, alleen zijn handtekening zette hij nog, een enkel initiaal: N.
Is er ooit een einde?
Oorlog en vrede van Tolstoj zal misschien nog wel eeuwen gelezen worden, als er nog genoeg eeuwen te gaan zijn, natuurlijk. Op pagina 780 en 781 kan de lezer daar tot het einde der tijden lezen hoe een regiment Poolse cavaleristen zich in de dood stort, puur en alleen om bij de keizer in een goed blaadje te komen. De scène gaat zo. Napoleon galoppeert door Rusland. Zijn legers zijn net de Neman overgestoken. Het is 1812. De kleine keizer komt bij een nieuwe rivier, de Wilija. Daar treft hij het Poolse regiment, onderdeel van zijn leger. Hij zet zich aan de oever op een boomstam om na te denken en met een verrekijker naar de overkant te kijken. Hij verordonneert vervolgens dat er verderop een aantal bruggen over de rivier moet worden geslagen, zo snel mogelijk. Op dat moment wordt hij door een oude besnorde officier van de ulanen met een gelukkig gezicht en fonkelende ogen benaderd: of hij zijn jongens door het water mag voorgaan naar de overkant?
‘Tuurlijk, ga je gang,’ zegt de keizer.
De oude officier met de snor en het gelukkige gezicht (op de een of andere manier kan ik die twee dingen niet rijmen, maar Tolstoj dus wel) en de fonkelende ogen heft zijn sabel, roept ‘Vivat!’ en beveelt zijn mannen hem te volgen, het water in. ‘Hij gaf zijn paard de sporen en galoppeerde naar de rivier. Hij gaf het paard, dat onrustig was geworden, een venijnige ruk, plonsde in het water en stevende af op het diepste gedeelte, waar de rivier het snelst stroomde. Honderden ulanen galoppeerden achter hem aan. Het water was koud en ijzig in het midden van de snel stromende rivier. De mannen klemden zich aan elkaar vast, vielen van hun paarden; er verdronken enkele paarden en er verdronken ook mannen.’ Uiteindelijk veertig in totaal.
Terwijl dit alles gebeurde, zat Napoleon dus op die boomstam na te denken, en toen een adjudant hem attent maakte op het heroïsche drama dat zich afspeelde, begon hij gewoon over iets anders te praten. Hij zag het niet, en het interesseerde hem niet. Uiteindelijk bereikte de snorremans met het gelukkige gezicht (ik moet ineens aan overste Karremans denken, hoewel die nooit blij keek) levend de overkant. Hij draaide zich om en riep zo hard als hij kon vanuit zijn doorweekte uniform: ‘Vive l’Empereur!’ Maar de boomstam was leeg, de keizer vertrokken.
Ooit kwam ik een uitspraak tegen die me tot op de dag van vandaag bezighoudt. Napoleon zou zich het best laten definiëren door de stilte die om zijn persoon hing. Heel wat mensen hebben geprobeerd de essentie van Napoleon onder woorden te brengen. Je komt dan altijd dezelfde dingen tegen. Men heeft het over zijn niet te stuiten energie, van het type dat andere mensen bijna vanzelfsprekend meesleept, een charismatische energie. Men heeft het over zijn militaire talent (waar hij zelf trouwens nogal gemakkelijk over deed; aanvallen, snelheid en enthousiasme waren de ingrediënten voor een overwinning) of zijn zucht naar macht.
Hele boeken zijn er over zijn seksuele gedrag, zijn eetgewoontes, zijn manier van converseren, zijn familiezucht en Corsicaanse vendettastijl. Ieder facet van zijn karakter, iedere seconde van zijn leven, alles wat hij heeft gedaan en nagelaten is honderden malen tegen het licht gehouden, van alle kanten bekeken en aan gort geanalyseerd. De ene keer is hij een held, de andere keer een tiran, een voorloper van Hitler. Ook kom je hem tegen als de grondlegger van het moderne Europa, als een ziener, een messias, een god, en daarna weer als een schurk, een patjepeeër. Maar de stilte om hem heen had ik nog niet gezien.
Het beeld alleen al.
Een energieke man.
Een man aan wiens aandacht niets ontsnapt, een man die voortdurend bevelen uitvaardigt. Die zijn land regeert vanuit het zadel, vanuit een voortbolderende koets, vanuit verre, koude kastelen en tenten aan de rand van een slagveld waar zojuist duizenden mannen zijn gesneuveld. Een man die altijd omringd wordt door anderen: ondergeschikten, hielenlikkers, lijfwachten, generaals, maarschalken, bedienden, ministers. Maar tussen hem en die kring van anderen is een kordon van stilte.
Je ziet het voor je.
Keizer in gepeins verzonken.
Op een afstandje zijn personeel, zijn vrienden, zijn medestanders. Had hij trouwens vrienden? Daarover is weinig bekend. Er waren er genoeg die hem bewonderden, en die in zijn legers vochten, maar of het vrienden waren? Ik denk dat dat het verkeerde woord is. De keizer te paard, in zijn enige campagne op Franse bodem, die van 1814, toen de Oostenrijkers, Russen en Pruisen van alle kanten Frankrijk binnentrokken en uiteindelijk Parijs zouden bezetten: hij rijdt een paar passen voor zijn officieren uit. Die mannen zien er pico bello uit, prachtige uniformen, prachtige hoeden met pluimen, schitterende zadeltassen, veel goud. Maar de keizer ziet er eenvoudig uit, in zijn donkergrijze jas. Hij zit een beetje ineengezakt op zijn schimmel. Zijn laarzen zitten onder de modder. Je ziet hem denken aan honderden dingen tegelijk. Als hij iets wil zeggen, of een bevel geeft, gebaart hij even – en vanuit het gevolg achter hem maakt zich een ruiter los die zich even bij de grote man voegt om de boodschap in ontvangst te nemen. Daarna laat hij zich terugzakken, of galoppeert hij henen.
Sublieme eenzaamheid.
De stilte rond Napoleon.
Niemand durft iets te zeggen. Iedereen wacht op hem, altijd. En op heel wat schilderijen is die stilte ook te zien. Napoleon in Egypte. Zijn officieren op een afstandje. Napoleon bij Austerlitz: dommelend op een stoel bij een kampvuur. Zijn officieren op eerbiedige afstand. De blikken op hem gericht, dat wel. Napoleon aan boord van het schip dat hem naar Sint-Helena brengt: de handen op de rug, de blik op de kustlijn die langzaam verdwijnt. Zijn officieren verderop, zachtjes onderling fluisterend over hun keizer. Alleen, en niet alleen, eenzaam tot in de kern, door stilte omringd. Hij moet zijn eigen gedachten hebben kunnen horen, zo stil was het.
Maar waar las ik nou deze observatie?
Ik weet het niet meer. Dat irriteert me mateloos. De laatste boeken die ik heb gelezen, heb ik al een paar keer doorgebladerd, op zoek naar de passage, maar ze duikt niet op. Het is alsof ze zich heeft verstopt. Ik kan zo opzoeken wat Stendhal, Balzac, Chateaubriand, Joseph Roth, Heine, Stefan Zweig, Conan Doyle en Henry Kissinger van Napoleon vonden, geen probleem, en bijna allemaal hebben ze wel iets interessants over de kleine keizer gezegd. Maar ik wil weten van wie die observatie over de stilte is, want ik kan iets met die stilte, ik wil weten of er in het verlengde van die stilte nog meer is.
Een man gedefinieerd door de stilte om hem heen – meesterlijk vind ik het. Maar waar ik het heb gelezen, en wanneer, weet ik niet meer. Het achtervolgt me. Wat die stilte vult, ten slotte, zijn verhalen.
De vlucht van de adelaar
Geschiedenis is overal. Neem Golfe-Juan, aan de Côte d’Azur, tussen Antibes en Cannes. Een stoffig stadje met een spoorlijn, een enorme jachthaven vol glimmende schepen, een boulevard met restaurants, en een strand. Hier landde op 1 maart 1815 Napoleon – hij kwam vanuit zee. Het jaar daarvoor was hij verbannen naar het eiland Elba, nu wilde hij Frankrijk opnieuw aan zijn voeten krijgen, of redden van de ondergang, hoe je het maar bekijkt.
Hij was niet alleen, de kleine man: hij had drie schepen bij zich, 1026 soldaten, veertig paarden, twee kanonnen en een koets. Eenmaal aan de wal zette de ex-keizer zich onder een olijfboom. Het zou mooi zijn als die olijfboom er nog stond, maar dat is dus niet het geval. In plaats daarvan is er wel een enorm monument op de boulevard dat de terugkeer van Napoleon memoreert: vier grote informatiepanelen op groene palen met een keizerlijke kroon erboven.
Onder de boom overwoog Napoleon wat hem te doen stond. Hij kon via Aix-en-Provence en door het Rhônedal optrekken naar Parijs, of hij kon via de Alpen en Grenoble gaan. Het nadeel van de eerste route was dat hij dan door de hem vijandelijke Provence moest, het nadeel van de tweede dat het bitterkoud was in de Alpen. Hij stuurde honderd mannen naar Antibes om bij het garnizoen daar de paarden te vorderen. De mannen werden prompt gearresteerd. Hij stuurde honderd man naar Cannes om te voorkomen dat het nieuws van zijn landing zich zou verspreiden. Deze mannen hadden succes. Het zou nog zeker een dag duren voor maarschalk Masséna in Marseille van de terugkeer van zijn oude baas hoorde.
Uit de richting van Cannes kwam nu een koets. Aan boord bevond zich de prins van Monaco, een man die Napoleon kende, want hij had deel uitgemaakt van de hofhouding van zijn ex-vrouw, de geliefde, maar inmiddels overleden Joséphine. ‘Waar gaat u heen?’ vroeg hij aan de prins.
‘Naar huis,’ antwoordde die. ‘En u?’
‘Ik ook,’ zei de ex-keizer en hij noodde de prins onder zijn olijfboom om gezellig over vroeger te keuvelen.
Een uur later vervolgde de prins zijn weg, en zette ook Napoleon zich in beweging, richting Cannes en Grasse. Hier en daar langs de weg stonden boeren en vissers. Ze keken hem met open mond na. Wie niet geloofde dat het de keizer was die voorbijtrok, haalde een geldstuk tevoorschijn en vergeleek de beeltenis van de passant met het stoere profiel op de munt: verdomd, hij was het! Niemand durfde te juichen, een slecht teken. Vlak voor Cannes sloeg Napoleon zijn bivak op – een straatnaam in het huidige centrum van de stad herinnert daaraan: Le Bivouac de Napoleon. De straat (waar de zon nooit schijnt) ligt niet ver van Le Palais des Festivals, waar het beroemde filmfestival wordt gehouden.
De terugkeer van Napoleon luidde een van de spectaculairste perioden van de Franse geschiedenis in: de honderd dagen. Dominique de Villepin, ex-premier, schreef daar een paar jaar geleden een schitterend boek over. Kom in Nederland eens om een premier die een fatsoenlijk boek schrijft. De honderd dagen eindigden bij Waterloo, waar Napoleon definitief werd verslagen. De weg daarnaartoe, het begin althans, is in Frankrijk sinds de jaren dertig een attractie: de Route Napoléon, de n85, van Golfe-Juan, via Cannes, Grasse en Gap naar Grenoble. Het is een weg die je kunt lezen als een kruisgang: hij leidt naar de dood, maar ook naar onsterfelijkheid.
==
*
==
De weg voert door een onherbergzaam landschap. Het begin, bij Cannes en Grasse, is nog wel aardig, maar al snel daarna wordt het land kaal, droog en rotsachtig. De weg voert langs steile afgronden. In de verte tekenen zich de grillige, besneeuwde toppen van de Alpen af. Het is nauwelijks te bevatten dat men er vroeger niet voor terugdeinsde honderden kilometers te voet af te leggen. Toch deed Napoleon dat in 1815, zoals hij trouwens in 1800 dezelfde Alpen ook al eens te voet overtrok, maar dan de andere kant op, naar Italië, om er de Oostenrijkers in de rug aan te vallen.
Ja, lopen kon hij, de keizer.
De Route Napoléon is, voor de kenners, een aaneenschakeling van anekdotes die mythische proporties hebben aangenomen. De oude boerin die hem tussen Grasse en Séranon in haar hoeve noodde, wortelsoep te eten gaf en hem vervolgens langdurig onderhield over de politieke situatie in Frankrijk, waarop hij de onsterfelijke woorden sprak dat politiek een zaak van mannen was en soep koken een vrouwenzaak; de inwoners van Castellane en Barrème die uitliepen met tuiltjes violen, waarover later meer, de burgemeester van Sisteron die in l’Auberge du Bras d’Or Napoleon op het hart bond dat hij de steun van het volk had als hij maar afzag van oorlog voeren en hoge belastingen, enzovoorts, enzoverder. De stad Gap, waar Napoleon met open armen werd ontvangen: alle huizen en straten verlicht, de mensen zingend in de straten, de aap die generaal Drouot van Elba had meegenomen en die dapper met de troepen mee marcheerde, behalve als hij te moe was, dan sprong hij bij een van de oude soldaten (sommigen waren te voet op en neer naar Moskou geweest) op de schouders, en soms ook wel bij Napoleon op de nek, dan streelde hij liefdevol de keizerlijke wangen.
Ziet u het voor zich?
Voor wie niet bekend is met de mythevorming, is de Route Napoléon een lange, barre tocht langs campings, hotels, restaurants en snackkarren die allemaal naar de man zijn vernoemd: L’Empereur, Le Petit Caporal, Napoléon, Les Cent Jours – verder duikt hier en daar bij het binnenrijden van alweer een stoffig bergdorpje een bord op waarop een keizerlijke adelaar staat. Verder is er niets – tot Grenoble nadert; daar neemt niet alleen het aantal uitspanningen toe dat zijn naam aan de kleine keizer ontleent, maar ook het aantal borden en straatnamen.
Uiteindelijk is er dan het stadje La Mure, en verderop Laffrey – daartussen maakt de weg een vervaarlijke, scherpe daling en dan bevindt de reiziger zich opeens op de Prairie de la rencontre, de plek waar de royalistische troepen uit Grenoble de keizer en zijn gevolg, inmiddels behoorlijk aangezwollen, wilden tegenhouden.
Tevergeefs natuurlijk.
De soldaten die de weg versperden, kwamen oog in oog te staan met de gevreesde garde van Napoleon, klein maar fijn, en toen die troepen naar links en naar rechts weken, stapte Napoleon zelf op de tegenstander af, onderwijl zijn beroemde jas openknopend. ‘Ik ben uw keizer,’ schreeuwde hij, ‘wie mij wil doden, schiet nu.’ Niemand schoot, iedereen riep: ‘Vive l’Empereur!’ Het hele detachement sloot zich vervolgens bij Napoleon aan en kort daarop viel Grenoble, gevolgd door Lyon, Auxerre en uiteindelijk Parijs zelf.
Op de prairie staat een enorm standbeeld van Napoleon, klein en dik en met een pruillip, te paard. Het is omgeven door picknickbanken en prullenbakken. Het onkruid tiert er welig. Het vervallen chalet langs de kant van de weg, waar souvenirs werden verkocht, is gesloten. De geschiedenis is hier een attractie die niet meer zo goed loopt.
==
*
==
Even iets compleet anders: de bloemen van het voorjaar, te beginnen bij de krokus. Laten we eerlijk zijn, krokussen hebben iets onbeschaamds. Dat steekt de kop maar uit het kale gras en roept hysterisch dat het lente is. Oké, een voorteken zijn krokussen wel, maar ze juichen altijd te vroeg. Als de krokussen bloeien, wachten nog weken van guur en koud weer. Het is net alsof die krokussen dat eigenlijk prima vinden. Ze lachen ons uit.
Narcissen, daar moet je van houden.
Ik haat ze.
Dan tulpen; die andere bloem die zo nadrukkelijk bij het voorjaar hoort. Is eigenlijk een wat ordinaire bloem, geknipt om in bossen bij benzinestations te staan. Bloemen die je op de valreep koopt als je naar je oude moeder gaat, naar iemand in het ziekenhuis onderweg bent of een stille tocht gaat lopen. Hup, je ratst een bosje tulpen mee. Kleur doet er niet toe. Als er maar een cellofaantje omheen zit.
Tot slot, viooltjes.
Die hebben wel iets, vind ik, maar ze bieden een slordige aanblik, vooral als er meerdere kleuren door elkaar heen staan, nogal ordinair eigenlijk. Maar blauwe viooltjes solo zijn pico bello; ze zijn dapper en fragiel aan alle kanten, maar toch staan ze op wacht. Ze bewaken als het ware het voorjaarsgevoel. Ze symboliseren nederigheid en trouw. Ze stralen hoop uit, zoals hoop hoort te zijn, kwetsbaar.
De viool is een bloem met geschiedenis. Zo was Zeus ooit verliefd op Io, maar bevreesd voor de toorn van zijn vrouw Hera. Hij veranderde toen Io in een witte koe, en voerde haar vervolgens liefdevol violen. Ook gaat het verhaal dat het de lievelingsbloem van koningin Hortense was, de viola odorata in dit geval, het maartse viooltje, een wilde variant, en dat haar moeder, Joséphine, als bruidsboeket een tuil van die viooltjes droeg toen ze met Napoleon trouwde. Bij haar dood, veel later, bevond de kleine keizer zich in ballingschap op Elba, maar het eerste wat hij deed toen hij terugkeerde in Frankrijk was het graf van Joséphine bezoeken om er een krans van maartse viooltjes neer te leggen.
Apocriefe verhalen misschien.
Niet apocrief is het volgende: toen Napoleon in 1814 naar Elba werd verbannen, ging onder zijn volgelingen al snel de mare dat hij terug zou keren, en wel ‘als de violen bloeien’, in maart dus. Liefkozend noemden de achterblijvers hem ‘Caporal Violette’. En inderdaad, op 1 maart 1815 stond hij ineens bij Cannes op het strand en was de Vol d’aigle een feit. Hoog zou hij vliegen, en diep vallen, maar dat laatste was toen nog niet bekend.
Overal waar hij in die dagen passeerde, wemelde het van de viooltjes. Boerinnen boden hem manden vol, de trappen van het stadhuis van Lyon lagen ermee bezaaid, enthousiaste burgers droegen de bloemetjes in hun knoopsgat, op hun hoed of als ketting om de hals, tot in Parijs aan toe, waar de viool dat voorjaar werkelijk mode was, een mooi proletarisch bloemetje, zeker vergeleken met de witte lelies die in het wapen van de gehate Bourbons zaten. Een officiële betekenisdrager was het viooltje in het keizerrijk niet; dat waren, wat de natuur betreft, de adelaar en de bij. En de bij, dat nijvere beestje, had Napoleon meegenomen naar Elba – de bij stond op de vlag die hij daar voerde. Zo gedroeg hij zich overigens ook op dat eiland – strikt genomen was hij er geen gevangene, maar soeverein vorst, zij het op een piepklein stukje aarde en met een handjevol onderdanen. Desondanks legde hij er wegen, olijfgaarden en mijnen aan.
De maand maart: nog jaren na Napoleons definitieve verbanning naar Sint-Helena (en zelfs lang na zijn dood in 1821) zou het een onrustige maand in Frankrijk blijven. Altijd waren er in maart weer geruchten en liederen die zijn terugkeer aankondigden; de ene keer was hij onderweg met een leger van 400.000 Amerikanen en 1000 Spaanse priesters, de volgende keer was hij in een hutkoffer uit het verbanningsoord ontsnapt en bevond hij zich in Oostenrijk. Mannen die op de een of andere manier op hem leken, trokken door arme streken om weduwen op te lichten, waarzeggers op kermissen lazen in hun glazen bollen altijd zijn spoedige comeback. Boeren zagen in de wolken zijn beeltenis, baby’s kwamen ‘Vive l’Empereur’ roepend ter wereld; in de buurt van Auxerre legde een kip een plat ei dat de contouren van het keizerlijke hoofd had. Kip en ei werden door de autoriteiten in beslag genomen.
Intussen was ook een grote vraag naar memorabilia ontstaan: bustes, munten met zijn beeltenis, gravures, posters, boeken; hoe langer hij weg was, hoe populairder hij leek te worden en hoe gehater het regime dat hem had vervangen en dat de facto een terugkeer naar de tijd van vóór de Revolutie inhield. De nieuwe Napoleon, die na zijn dood ontstond, was de behoeder van die Revolutie, de man van de ‘Marseillaise’ die Frankrijk glorie, voorspoed en trots had gegeven; geen despoot, maar een zoon van het volk.
Twee bedden
‘Vanavond de laatste aflevering,’ hoorde ik in een visrestaurant een dame verzuchten.
‘Ooh, Napoleon,’ zei haar tafelgenoot, een zuinig kijkend mannetje met een ringbaard. Het leek me geen liefhebber van historische drama’s, maar waarschijnlijk keek hij mee om haar een plezier te doen.
Ze hadden het over de monumentale serie over leven en werken van Napoleon die op de Belgische en Nederlandse televisie te zien was.
De uitspraak bracht mij in één klap terug in de zomer van 2003, toen het in Parijs dagenlang veertig graden Celsius was en de bejaarden bij bosjes overleden. Maar die hitte weerhield heel wat mensen er niet van een bezoek te brengen aan de crypte van Napoleon in de Dôme des Invalides, glitterend het goud van de koepel.
Napoleon overleed in 1821 op het eiland Sint-Helena. Officieel ging hij dood aan kanker, maar ook is er het verhaal dat hij zou zijn vergiftigd met arsenicum, een stof die in heel lichte dosering voorkwam in de lijm waarmee het behang in het huis op Sint-Helena was vastgeplakt, lijm die door het vochtige klimaat nogal wat gassen afgaf. Ook daaraan zou de gevangen keizer kunnen zijn bezweken, net als trouwens aan heimwee en hartzeer of verveling. Er zijn zelfs geruchten dat hij is vermoord.
In 1840 haalde koning Louis-Philippe het lichaam van Napoleon terug naar Frankrijk. Over die Retour des Cendres zijn heel wat boeken geschreven, maar het mooist is Julia Blackburns The Emperor’s Last Island, waarin gedetailleerd, maar met een vleugje ironie het openen van het graf op Sint-Helena, het optakelen van de kist (feitelijk lag Napoleon in diverse kisten, volgens het systeem van de Russische poppetjes – je opent het en er komt een steeds kleiner poppetje tevoorschijn) en het vervoer naar Frankrijk wordt beschreven.
In Parijs wachtte het stoffelijk overschot een heldenontvangst. Honderdduizenden mensen stonden stil langs de route die het lijk ging en twintig jaar later vond het zijn definitieve bestemming in de kelder van de Dôme des Invalides. Sindsdien brengen dagelijks duizenden mensen een bezoek aan de donkerbruine superkist. Op de vloer rond het monster staan de namen van de veldslagen die Napoleon won, magische namen.
Marengo.
Eylau.
Wagram.
Austerlitz.
Jena.
Borodino.
Toen ik er was, in die krankzinnige zomer van 2003 toen de bejaarden bij bosjes stierven vanwege de hitte, werd de crypte onder andere bezocht door drie busladingen Duitsers, een bus Franse veteranen, boers uitziende mannen die nog in Algerije hadden gevochten, ze kwamen uit de omgeving van Cahors, vele tientallen bejaarde Amerikaanse echtparen, drie schoolklassen onder strakke leiding van zwetende juffen, honderden loslopende toeristen, onder wie vele Japanners die er alles aan gelegen leek zoveel mogelijk vast te leggen en zo min mogelijk te bekijken, en een Nederlandse vader met drie zoontjes die alle drie sprekend op hem leken, allemaal roodharig en voorzien van een brilletje. In leeftijd varieerden de jongens van twaalf tot zestien.
De vader, een lange man in een korte broek, voerde de zonen goed geïnformeerd langs de crypte. Hij had iets van een geschiedenisleraar, en hoewel de jongens zich uiteraard geneerden voor zijn luide, duidelijke stem, waren ze toch niet bij hem weg te slaan. Alleen de oudste viel met zijn walkman en ongestrikte Adidassen wat uit de toon. Hij was het ook die een paar keer protesteerde tegen het bezoek aan het Musée de l’Armée dat hierna op paps programma stond, ‘alleen maar oude uniformen’. Misschien was hij er al een keer geweest.
‘We gaan naar het bed waarin Napoleon is overleden,’ zei de vader, ‘dat staat daar. Zijn kamer op Sint-Helena hebben ze helemaal nagebouwd.’
De jongens knikten.
Voordat ze het Musée de l’Armée en Napoleons laatste kamer bezochten, gingen ze naar de souvenirwinkel. Daar waren tientallen boeken, t-shirts, spelletjes, tinnen soldaatjes, vlaggen, bekers en op schaal nagemaakte kanonnen van de Grande Armée te krijgen. ‘Allemaal tien euro, niet meer!’ riep de vader.
De jongens doken de winkel in.
De vader scharrelde langs de boekenkasten, met die blik van iemand die alles al heeft, en eindigde bij het raam waar een replica van Napoleons dodenmasker te koop lag voor 490 euro. Hij streelde het gezicht, de fijne neus, de kleine mond, het voorhoofd. Hij had het eerder gedaan, dat kon je zien. Alle rumoer om hem heen verstomde even; waar gingen zijn gedachten heen? Hoe is zoiets mogelijk? Wat is het geheim van Napoleons aantrekkingskracht?
Een uur later trof ik het viertal in het Musée de l’Armée, bij het bed waarin de keizer zijn laatste adem uitblies. Eigenlijk zijn het twee bedden, want Napoleon had in al zijn slaapkamers, en ook in de tent die hij tijdens zijn veldtochten gebruikte, twee bedden staan, zodat hij gedurende de nacht van slaapplaats kon wisselen. Voor wie onrustig slaapt, woelt en zweet en misschien wel om zich heen slaat, is dat een slimme oplossing. Lekker opnieuw beginnen in een vers bed.
Overigens zijn het aandoenlijke, kleine bedden op frêle, stalen pootjes met een soort tentje eromheen gebouwd. De constructie kan worden ingeklapt. Van de twee bedden die er in de nagebouwde kamer van Sint-Helena (bloemetjesbehang, gele gordijnen) staan, is er eentje opgemaakt en de ander opengeslagen alsof er zojuist iemand uit is opgestaan. Op het kussen ligt een slaapmuts, haastig afgetrokken. Onder het bed staat een lampetkan.
Het is nog best moeilijk om deze uitstalling zonder emotie te bekijken. Dat komt vooral door de maat van de bedden – wat was hij klein! – en het idee dat in één daarvan de dood heeft toegeslagen. Ook straalt de uitstalling een enorme eenzaamheid uit, een wurgende beklemming. De drie jongens en hun vader stonden er in gepaste stilte naar te kijken. Maar de oudste, met zijn walkman, drentelde na een tijdje weg. Hij ging niet ver, trouwens, want zijn aandacht werd getrokken door een piepklein houten doosje aan de muur; daarin bevond zich een vierkante centimeter van de donkerblauwe jas die Napoleon tijdens de slag bij Marengo had gedragen. Die jas ging met hem mee de kist in toen hij dood was, maar een Engelse militair, kapitein Crossley, wist er nog snel een stukje af te snijden. Nu hangt het, naast een haarlok, in Parijs. De jongen op zijn gympen stond er een tijdje zwijgend naar te kijken. Hij leek te overwegen of hij zijn vader moest roepen om hem op deze vondst te wijzen, maar uiteindelijk deed hij het niet. Hij hield het voor zichzelf.
Het eerste eiland
Een man moet ergens ter wereld komen en het mooiste is een nederige start, een stal bijvoorbeeld – wat dat betreft zat Jezus van Nazareth helemaal goed. Elvis Presley trouwens ook; die kwam in een lullig houten hutje in Tupelo, Mississippi ter wereld. Ook hij kon na zijn geboorte alleen maar hogerop.
Napoleon werd geboren in Ajaccio op Corsica, in wat tegenwoordig de Rue Saint-Charles heet, een smalle straat in het oudste deel van de stad, vlak bij de citadel en de haven. Om de kleine man te gedenken en om toeristen te lokken, noemt men dit deel van de stad tegenwoordig Quartier Impérial, maar de bijbehorende luister ontbreekt. De smalle straten zijn nauwelijks begaanbaar vanwege de terrassen en souvenirwinkels.
Over de geboorte zelf zijn verschillende verhalen. Stendhal beweert in zijn kleine biografie van Napoleon dat Letizia Bonaparte op de 15de augustus 1769 tijdens de mis door weeën werd overvallen, zich huiswaarts haastte, maar haar slaapkamer niet meer kon bereiken en toen haar kind maar baarde op het tapijt in de woonkamer. Letizia, die Napoleon overleefde, en Stendhal trouwens ook, ontkende dit verhaal: op Corsica hadden de mensen geen tapijt in de woonkamer. Waar ze de kleine man dan wel baarde, zei ze er niet bij. Men houdt het daarom op de canapé in de salon, maar of het de canapé is die er dezer dagen tentoon staat gesteld, is onduidelijk – er is in ieder geval niets aan te zien: gewoon een oude bank te midden van tientallen oude stoelen en andere banken.
Napoleon werd niet in armoede geboren, sterker nog: de familie Bonaparte was welgesteld. Aan het geboortehuis is dat goed te zien, want het is gigantisch; meerdere verdiepingen, een binnenplaats, enorme kelders, kamers en trappenhuizen. Toch ging er weinig geld om in het gezin, want men leefde van de ruilhandel. De familie had landerijen en dieren; jaarlijks gingen er een paar koeien en varkens naar de slager en kon er weer een jaar lang gratis gewinkeld worden. Het belangrijkste bezit was een van de twee olijfboomgaarden van Ajaccio (de andere boomgaard was van de jezuïeten): tegen olie kon alles geruild worden. ‘La famille tenait à honneur de n’avoir jamais acheté ni pain, ni vin, ni huile.’
Het geboortehuis van Napoleon is niet het enige wat in Ajaccio aan de grote man herinnert. Vlak bij de Rue Saint- Charles ligt het Place Foch, dat gedomineerd wordt door een groot standbeeld van Bonaparte als eerste consul, omringd door vier leeuwen. Daar niet ver vandaan, op het Place De Gaulle, staat een indrukwekkende beeldengroep van Napoleon omringd door zijn broers (hij te paard, zij te voet), iets westwaarts is het Place d’Austerlitz, waar een megalomaan beeld van de keizer op een heuvel staat – een lange, steile, marmeren trap voert naar zijn voeten. Beneden staan adelaars op sokkels, de trap gaat langs een enorm tableau waarin de namen van alle veldslagen staan gebeiteld, met onderaan de grote, civiele verdiensten: de Université, Banque de France en Code Civil.
De man kijkt uit over zijn stad.
Naast het monument, er min of meer in verwerkt, ligt een rotspartij waarin met enige moeite een grot is te ontdekken. Dit is de Grotte Napoléon, waar de kleine Bonaparte heen vluchtte als hij ruzie had met zijn moeder of zomaar onzichtbaar wilde zijn. De legende wil dat hij in zijn grot droomde van grote daden, veldslagen en het keizerschap à la Caesar.
Dat kan natuurlijk.
Maar er hangt ook de geur van mythevorming omheen. Een grot is te mooi om waar te zijn, een dromend jongetje in een grot helemaal. Een grot is het binnenste der aarde waar helden worden geboren. Er kleeft ook iets pseudoreligieus aan – je ziet de profeet zitten die in eigen land niet wordt geëerd; op de vlucht, maar in gebed. Tegenwoordig liggen er gebroken bierflessen in de grot, en in de stenen staan opruiende teksten en onbeholpen liefdesverklaringen gekrast. De grot is nog steeds een plek waar jongeren zich verstoppen.
Aan de voeten van de keizer ligt, als gezegd, het Place d’Austerlitz. Het is een groot, leeg plein waar ze dezer dagen bezig zijn met de voorbereidingen voor de Napoleondagen die ieder jaar rond 15 augustus in Ajaccio worden gehouden. Er worden tribunes gebouwd, verlichting opgehangen, geluidsinstallaties gebouwd. Duizenden mannen uit heel Europa zullen hier gekleed in oude uniformen de brandende hitte trotseren. Daarna gaan ze bier drinken en goedkope pizza’s eten in het Quartier Impérial. Als aandenken nemen ze bosbessenlikeur mee naar huis; die zit in een fles in de vorm van de grote man, zijn karakteristieke steek is de dop.
==
*
==
Wat is een gelukkige jeugd? Doen die eerste jaren ertoe of betekenen ze alleen iets als je er later op terugkijkt? ‘L’enfant, né dans un pays heureux, à un moment heureux, d’heureux parents, est rarement un héros,’ noteert Louis Madelin in zijn standaardwerk Histoire du Consulat et de l’Empire. ‘A celui qui vaincra le destin, il faut avoir respiré l’air de l’adversité; s’il est né dans le malheur, à une heure tragique, au sein d’un peuple exaspéré, quelle force son caractère peut puiser – s’il est fort – dans de telles circonstances!’
Zou het zo zijn?
Napoleons jeugd was vrij onbezorgd, dat wil zeggen: tot zijn tiende, want toen bracht zijn vader hem naar een kostschool in Brienne, in het noordoosten van Frankrijk, waar hij werd opgeleid tot militair. Tot zijn tiende was hij op Corsica een levendig, agressief, nieuwsgierig kind, dol op soldaatje spelen. Was hij geen militair geworden, maar ontdekkingsreiziger, dan was hij als achtjarige vermoedelijk dol op landkaarten, schepen en verre einders geweest. Hij was niet alleen wild en vechtlustig overigens, hij had ook een stille kant; hij kon broeden, dromen en mokken. Hij had geen anderen nodig, hij was graag alleen. Op de kostschool in Brienne had hij daar meteen profijt van.
Een buitenstaander.
Hij kwam van Corsica. Hij sprak nauwelijks Frans. Hij zag er slordig en armzalig uit, ziekelijk zelfs, bleek en met lang, piekerig haar (details die altijd maar weer terugkomen); hij werd geplaagd door zijn medeleerlingen, veracht en buitengesloten. Aanvankelijk leed hij eronder, maar al snel legde hij zich erbij neer. Hij warmde zich aan de heimwee naar zijn eiland, en de droom van een onafhankelijk Corsica onder leiding van de grote Paoli – de generaal die het eiland los had gemaakt van Genua, maar in het jaar van Napoleons geboorte door de Fransen werd verjaagd en vanuit Engeland aan een comeback werkte. De jonge Napoleon verafgoodde Paoli, schreef hem zelfs brieven.
Jong als hij was, in Brienne bekwaamde Bonaparte zich in wiskunde, aardrijkskunde, de klassieken en de Franse literatuur. Hij was een goed student en een van zijn leraren was generaal Pichegru, die enkele jaren later met een revolutionair Frans leger de Nederlanden binnen zou trekken, maar uit de gratie viel toen zijn leerling uit Brienne Eerste Consul werd.
Over Napoleons tijd in Brienne zijn verschillende, klassieke anekdotes: het sneeuwballengevecht waarbij hij stenen in de ballen stopte om de vijandelijke citadel te veroveren, de opmerking dat hij de Fransen ‘tout le mal que je pourrai’ zou bezorgen en de repliek die hij gaf toen een leraar wanhopig uitriep dat hij een vreemd geval was. ‘Je suis un homme!’ zou de elfjarige woedend, maar trots hebben gezegd.
Elf jaar.
Een man.
Na vijf jaar Brienne werd Napoleon toegelaten tot de École Militaire in Parijs, waar hij nog harder ging studeren. Hij maakte er ook furore door de schoolleiding aan te vallen; de opleiding was in zijn ogen niet militair genoeg, en te frivool. Er ging te veel tijd heen met vijfgangendiners, en rijkere studenten liepen de kantjes ervan af. Napoleon behoorde tot de arme studenten; hij leefde van een magere beurs, zijn vader had grote zakelijke problemen waar hij spoedig aan zou bezwijken. De gedachte aan Corsica hield de jonge cadet op de been, en de studie natuurlijk, altijd de studie – niemand die zo van artillerie hield als Napoleon – kanonnen en mortieren waren zijn lust en zijn leven, iets leukers om over te lezen en te piekeren kende hij niet.
Zijn leraar op dit vlak was ene Louis Monge, die het volgende rapporteerde over zijn leerling: ‘Réservé et studieux, il préfère l’étude à toute espèce d’amusement, se plaît à la lecture de bons auteurs, très appliqué aux sciences abstraites, pas curieux d’autres, silencieux, aimant la solitude, capricieux, hautain, extraordinairement porté à l’égoïsme, énergique dans ses réponses, prompt et sévère dans ses reparties, ayant beaucoup d’amour propre, ambitieux et aspirant à tout, ce jeune homme mérite qu’on le protège.’
Talent had hij dus.
En hij deed geen moeite aardig gevonden te worden, een zeker teken dat hij ook wíst dat hij talent had. Hij genoot er ook van, jong als hij was: ‘Militaire, moi, je le suis parce que c’est le don que j’ai reçu en naissant,’ zei hij later toen hij keizer was, ‘c’est mon existence, c’est mon habitude.’
Le don.
De gave.
Na drie jaar École Militaire was de kleine man klaar voor het ware werk. Hij werd gestationeerd in Valence, bij het 64ste regiment. De reis naar het zuiden was een klein beetje thuiskomen – de zon, de wind, de droogte, de geuren – Corsica was voor het eerst in acht jaar weer dichtbij. In Valence nam hij zijn intrek in een herberg, zoals alle officieren, tegenover een boekwinkeltje waar hij de werken van Rousseau en Voltaire kon lenen, en andere boeken kocht, standaardwerken over geometrie en oorlogvoering.
Hij socialiseerde nauwelijks, maar studeerde des te meer, koortsachtig bijna. Zelfs als hij niets te doen had, had hij het gevoel dat hij geen seconde kon verliezen. De eenzaamheid maakte hem melancholiek, in zijn dagboek filosofeerde hij over zelfmoord. Hij kreeg kennis aan veel oudere dames die ’s avonds graag met hem wandelden, hij droomde van de liefde en seks. Corsica was niet ver meer. Van een kind was hij veranderd in een man – die terug naar huis wilde.
==
*
==
Alles verandert, maar bij Guy de Maupassant las ik een passage over Corsica die me ineens deed beseffen dat niet álles verandert: een eiland blijft een eiland, mist is altijd mist, regen is regen – of het nu gisteren viel of twee eeuwen geleden.
‘En plotseling riep iemand, met de blik in de verte: “O, kijk daar eens, wat is dat?”
Op zee, achter de einder, verscheen een enorme onbestemde grijze massa.
“Dat is Corsica!” zei iemand anders. “Zo zie je het twee keer of drie keer per jaar onder bepaalde buitengewone atmosferische omstandigheden, als de lucht volkomen doorzichtig is en het eiland zich niet verbergt achter nevelen van waterdamp die altijd het verschiet verhullen.”
Vaag kon je de bergkammen onderscheiden, het leek of je de sneeuw op de toppen kon zien liggen. En iedereen was verrast, geraakt, bijna geschrokken van die plotselinge verschijning van een wereld, door dat spook dat uit de zee oprees.’
Ik stel me zo voor, ik weet het eigenlijk wel zeker, dat die bepaalde, buitengewone atmosferische omstandigheden waar De Maupassant in 1884 op doelde er nog steeds zijn, en er ook al waren in de jaren dat Napoleon opgroeide op Corsica – een enorme onbestemde grijze massa die op kan doemen uit de zee en die zichtbaar is vanaf het vasteland, want daar speelt het verhaal van De Maupassant zich af.
Een andere, maar even enorme en even onbestemde grijze massa bepaalde aan het einde van Napoleons leven het uitzicht vanaf Longwood, het landgoed dat hij en de zijnen op Sint-Helena bewoonden. Las Casas omschreef het in zijn Mémorial de Sainte-Hélène zo: ‘Longwood (...) se trouve dans une des parties les plus élevées de l’île. C’est un plateau assez étendu sur la côte orientale, et assez près du rivage. Une partie de l’horizon présente au loin l’immense mer.’ Er klinkt weinig vrolijkheid in die woorden door, en je voelt de immense zee.
Hoe dan ook.
Napoleon was een man van de zee, of op zijn minst een man van eilanden. Hij werd geboren op een eiland, hij stierf op een eiland. Hij bracht zijn eerste ballingschap op een eiland door, Elba, en hij streed zijn hele leven tegen een eiland, Engeland. Zijn grootste politieke zege boekte hij op een zelfgemaakt eiland in een Russische rivier bij Tilsit: daar legde hij de tsaar zijn wil op. Niet voor lang, maar toch, het was een eiland. En trouwens, hij kroonde zichzelf ook tot keizer op een eiland, de Nôtre-Dame bevindt zich op een eiland in de Seine. En nog meer water: hij begon zijn loopbaan met het veroveren van bruggen in Noord-Italië; Lodi en Arcola zijn er voor altijd beroemd door geworden.
Ach, water.
Maar de zee was niet goed voor Napoleon. Hij was als eilander een man van het land, en helemaal niet van het water. De zee rond het eiland van zijn jeugd werd beheerst door vijanden en onderdrukkers, zoals later de zeeën rond Frankrijk en Europa altijd beheerst werden door Engeland. De zee was het symbool van isolement en eenzaamheid, maar ook van macht en overheersing. De enige keer dat hij zelf buiten Europa was, in Egypte, kon hij niet terug omdat de Franse vloot door de Engelsen in de pan was gehakt. Op het nippertje ontsnapte hij later, met achterlating van duizenden manschappen. Bijna had de zee hem gescheiden van zijn vaderland, en zijn roeping.
De zee dwarsboomde hem ook toen hij vanuit Boulogne Engeland wilde binnenvallen. Vlotten met kanonnen, primitieve duikboten, luchtballonnen, alles probeerden de Fransen om aan de overkant van Het Kanaal te komen, maar niets lukte. Toen hij vlak na zijn kroning tot keizer Boulogne bezocht voor een vlootschouw en oefening, stormde het zo hard dat honderden mannen verdronken.
In een brief aan Joséphine omschreef hij het zo: ‘Ce spectacle était grand: des coups de canon, le rivage couvert de feux, la mer en fureur et mugissante, toute la nuit dans l’anxiété de sauver ou de voir périr ces malheureux! L’âme était entre l’éternité, l’océan et la nuit.’ Ja, hij kon al formulerend schitterend laveren tussen cool en eloquent – met de nadruk op het eerste: Stendhal las niet voor niets iedere dag voor hij aan het werk ging een uurtje in de Code Civil – Napoleons burgerlijk wetboek, dat nog steeds de basis vormt van de meeste moderne Europese wetgeving en dat een wonder van droge, maar toch elegante formuleerkunst is.
‘L’âme était entre l’éternité, l’océan et la nuit.’ Let op die woorden. De ziel tussen eeuwigheid, de oceaan en de nacht. Napoleon had er altijd een handje van zich voorspellend uit te laten over zijn eigen einde – hij moet het altijd bij zich hebben gedragen.
Het meest frappante voorbeeld daarvan is dit: toen hij net soldaat was en studeerde aan de artillerieschool in Auxonne (niet ver van Dijon) verdiepte hij zich via de Géographie Moderne van Lacroix in de Engelse koloniën. Daarbij kwam hij ook het eiland Sint-Helena tegen. In zijn notitieboek schreef hij toen de naam van dat eiland op een verse bladzijde. Hij zette een forse streep onder de naam, en kriebelde er deze woorden onder: ‘petite île’.
Meer niet.
De rest van de bladzijde bleef leeg, een immense leegte te midden van alle andere, volgepende pagina’s. Het is interessant om na te denken over dat moment in 1789. Je ziet de jonge soldaat zitten, in een koude studiezaal. In een hoek brandt een moeizaam vuur.
Langs de ramen huilt de regen.
Al bladerend in de atlas komt de jongeling een eiland tegen dat aan Engeland toebehoort, maar dat zo ver weg is dat hij even door zijn eigen eenzaamheid wordt overmand. Misschien denkt hij aan zijn eigen eiland, misschien aan zijn moeder, misschien aan zijn eigen woorden uit diezelfde tijd: ‘l’océan communique avec le grand abîme’, de grote afgrond. Hij was er jong bij, dat is een ding dat zeker is, en ik denk niet dat hij kon zwemmen.
==
*
==
In september 1787 reisde de achttienjarige Napoleon van Corsica naar Parijs; nu hij soldaat was, kon hij ook verlof opnemen, en daartoe was hij naar huis gegaan, want hij hield zielsveel van zijn moeder, en daarbij: hij vond het ook leuk om in de politiek van het eiland te konkelen. Maar nu nam hij vanaf het eiland de boot naar Toulon, en ging vandaar per koets verder. De reis duurde ruim een week. In Parijs nam hij zijn intrek in een goedkoop hotel, het Hôtel de Cherbourg, in de Rue du Faubourg Saint-Honoré. Alle jongens van achttien die naar Parijs gaan, komen in goedkope hotels terecht. Mijn eigen eerste hotel lag in de Rue du Bac; met een vriend op een kamer met één tweepersoonsbed, mét kuil in het midden. Na één nacht besloot de vriend dat hij liever op de grond sliep. Toen was er geen ruimte meer om te lopen. Maar gelukkig had de kamer een balkon, en twee oude keukenstoelen. Daarop zaten we dan stokbrood met worst te eten, en wijn te drinken, natuurlijk. Een restaurant konden we niet betalen.
Ach ja, je jeugd.
Napoleons bezoek aan Parijs stond in het teken van de vrouwen. Eigenlijk vielen ze hem voor het eerst op. Wat een vrouwen had je in Parijs! Allemaal mooi, hautain, machtig en onbereikbaar, op de hoeren na die in de galerijen van het Palais Royal hun zaken deden. Avondenlang liep de jonge officier door die galerijen; hij had de moed nog niet om een meisje aan te spreken, maar hij voelde wel dat het moment steeds dichterbij kwam. Zijn hart klopte sneller dan anders, ’s nachts kon hij in zijn hotelletje de slaap niet vatten. Uiteindelijk sprak hij een meisje aan. Dit was op de avond van de 22ste november, een donderdag, al zijn er ook historici die beweren dat het op de 9de november was, een vrijdag.
Wij kennen haar naam niet, maar we weten dat ze uit Nantes kwam. Ze was niet opmerkelijk mooi. Dat is logisch – een timide jongen die voor het eerst een meisje koopt, neemt niet de mooiste, bang als hij is voor haar kunsten, maar een lelijk eendje dat hopelijk niet in de gaten zal hebben dat het zijn eerste keer is. En in plaats van zich aan haar over te geven, begint hij haar te ondervragen, brutaal en met morele superioriteit. Zo komt hij erachter dat ze haar maagdelijkheid verloor aan een veel oudere militair, dat ze daarop wegliep van huis, zich gaf aan een andere officier en zo de hoererij binnenrolde.
Enzovoorts.
Het meisje uit Nantes geeft de jonge klant een arm. ‘Kom, we gaan naar je hotel,’ fluistert ze in zijn oor. Hij wil wel, maar durft hij? Hij durft nog niet helemaal. ‘Wat gaan we doen?’ treuzelt hij. ‘We warmen ons aan elkaar, en ik zal je bevredigen,’ zegt ze, ‘dat wil je toch?’
Dat wil hij.
En daar gaan ze, en het gebeurt en een uur later is het meisje uit Nantes weer vertrokken en is Napoleon alleen. Hij schrijft over haar in zijn dagboek, hij schaamt zich, voor wat hij heeft gedaan én voor het plezier dat hij heeft beleefd. Hij schrijft erover in zijn dagboek, zoals alle achttienjarige jongens die het voor het eerst hebben gedaan. Ik denk niet dat het veel zin heeft, maar een reisje naar Nantes spookt door mijn hoofd.
’s Heren wegen
In 1814 presenteerde koning Willem i een plan voor een nationaal netwerk van wegen. Hij zei bij die gelegenheid: ‘Geen land ter wereld is rijk genoeg om zich de weelde van slechte wegen te kunnen veroorloven.’
De koning wist natuurlijk niet dat een van ’s lands mooiste wegen op dat moment, de Napoleonsbaan op de westelijke Maasoever tussen Maaseik en Blerick, vlak bij Venlo, zou verworden tot een van de gevaarlijkste en slechtste wegen van het koninkrijk. Had hij het wel geweten, dan had hij er trouwens niets aan kunnen doen.
De weg is een kilometer of zestig lang. Hij werd door Spaanse krijgsgevangenen van Napoleon aangelegd om Noord- en Zuid-Limburg met elkaar te verbinden en het is nog steeds de belangrijkste route tussen de twee provinciehelften. Hij voert langs dorpen met stugge namen als Heide, Haelen, Neer, Hei en Kessel, van die plaatsen waar de huizen zijn opgetrokken uit donkerbruine bakstenen en voorzien van donkerbruine, metalen rolluiken.
Er vallen jaarlijks vele doden op de Napoleonsbaan, omdat het zo’n nare tweebaansweg is waar behalve veel vrachtwagens ook nogal wat trekkers met karren gebruik van maken. Er wordt dus veel ingehaald, wat weer op allerlei manieren wordt ontmoedigd, iets wat het gevaar alleen maar vergroot. Bij Ittervoort heeft de weg een beruchte bocht met zware, oude eikenbomen; daar wil de jeugd op zaterdagavond nog wel eens tegenaan knallen.
Uiteraard zijn er al jaren plannen voor een snelweg. Aanvankelijk zou die op de westelijke oever van de Maas komen, aan dezelfde kant als de Napoleonsbaan, maar daar staken natuurbeschermers een stokje voor. Nu wordt er gewerkt aan een autobaan op de oostelijke oever, maar veel schot zit er niet in. Ook daar heb je bijzondere diersoorten.
Afgezien van de verkeersveiligheid en de overlast die de weg veroorzaakt bij de mensen die erlangs wonen, is de Napoleonsbaan ook een mooie weg. Hij herinnert aan hoe Nederland was voor de snelweg zijn intrede deed, en dorpen en steden veranderden in afslagnummers.
Het is een weg met kruispunten, herbergen en kroegen. Het is een weg langs boerderijen met erven waarop de hond waakt en de was aan de lijn wappert, langs vers geploegde akkers, velden vol koolzaad, boomgaarden vol bloesemende appel- en perenbomen, langs autosloperijen en bordjes die naar campings wijzen, langs kassen, bouwvallen, frietkotten en posters aan bomen die een optreden van Golden Earring aankondigen, een band die ook al door Nederland toerde toen er alléén nog maar wegen als deze waren.
Een wonderlijk idee.
Het landschap in dit deel van Limburg wordt dezer dagen beheerst door lange, smalle, met plastic afgedekte heuvels waar asperges in worden geteeld. Ze hebben iets naargeestigs, alsof het massagraven zijn, vooral als de wind waait en het plastic flappert. Dat er een delicatesse in groeit, is moeilijk te bevatten.
Overal langs de weg liggen uitgestrekte velden op de oogst te wachten, maar de mooiste aspergevelden zijn de kleine veldjes die dicht tegen een boerderij aan liggen. Daar worden al asperges gestoken, voor de verkoop aan reizigers op de weg – een tientje de kilo voor de dikste en de lekkerste, 9 euro voor een maatje kleiner, 7 voor de dunste.
De Napoleonsbaan; wie er iedere dag gebruik van moet maken, zal er niet van houden, maar eigenlijk is de weg cultuurgoed. Misschien is Nederland nét rijk genoeg om zich deze slechte weg te kunnen veroorloven: het is een weg die leeft.
==
*
==
Er is, uiteraard, de nodige horeca langs de baan. De Viersprong, De Pleisterplaats, ’t Heuske, De Stevel, Het Anker, en diverse wokpaleizen. De mooiste uitspanning is café-wegrestaurant Feyenoord bij Nunhem.
Het is een eenvoudig, witgepleisterd pand met een enorm parkeerterrein eromheen, voor vrachtwagens. Binnen een bar met wat krukken, een stamtafel en een gokkast. Daarnaast ligt een eetzaal met acht tafels. Voor de ramen hangt vitrage, in de vensterbank staan wat planten. Het meubilair is van goed gepolijst hout, op de tafels liggen kleedjes. Daarnaast is iedere tafel voorzien van een royale asbak en een peper-en-zoutstel, inclusief flesje maggi. De kaart biedt ossenhaaspuntjes met friet, broodjes gezond, uitsmijters. Achter de bar staat een blonde, gezette vrouw.
Properheid, dat is haar passie.
En Feyenoord – de voetbalclub.
Het pronkstuk van de zaak is een ingelijste brief van Phida Wolff, de legendarische administrateur van Feyenoord. Wolff, van origine een Amsterdammer en stenograaf bij De Telegraaf, vertrok in 1934 naar Rotterdam omdat hij daar bij Feyenoord meer geld kon verdienen. Al snel was hij het kloppend hart van de club. Hij zorgde ervoor dat de contributies binnenkwamen, schreef de supporterskrant vol en notuleerde bij bestuursvergaderingen.
Het moet een markante, en ook precieze en breedsprakige man zijn geweest. De brief die hij op 13 maart 1968 naar de familie Smeets-Geraedts stuurde, getuigt daarvan. ‘Wij hebben met veel plezier kennisgenomen van uw mededeling dat u op 14 maart a.s., en wanneer u deze brief ontvangt is dat dus precies vandaag, uw wegrestaurant opent, hetwelk u de naam Feyenoord hebt gegeven.’ Een groot vertrouwen in de posterijen had hij ook.
‘Van ganser harte spreken wij de wens uit dat het uw Feyenoord even goed zal gaan als het ons door de loop van nu bijkans zestig jaren ging en wellicht dat uw naam aantrekkingskracht zal uitoefenen op het publiek, en laat ons dan tevens hopen, dat dat in even grote mate het geval zal mogen zijn als dat momenteel en al zo vele jaren geschiedt ten aanzien van ons Stadion.’
Prachtig proza.
Maar Wolff was niet iemand die zich ergens gemakkelijk van afmaakte. Hij gaf ook graag goede raad. ‘Wanneer u ervoor kunt zorgen altijd met goede producten op tafel te komen, dan zult u kunnen constateren dat de klant zich koning gevoelt, en met uitzondering van mindere allure mogen wij zeggen dat wij er bij voortduring naar gestreefd hebben de klant tot koning te verklaren.’ Met de ‘mindere allure’ zal meneer Wolff die periodes bedoeld hebben dat Feyenoord even beroerd speelde. Wat hij, tot slot, wil zeggen, is dit: wie voortborduurt op het voorgaande, zal het ver brengen. ‘Proficiat derhalve met uw Feyenoord, dat wij een gouden tijd en toekomst toewensen.’
Wat de brief behalve de inhoud zo mooi maakt, is dat hij op een oude schrijfmachine is geschreven, ik vermoed door Phida Wolff zelf. Het briefpapier draagt het oude logo van Sportclub Feyenoord. De vouwen zitten nog in het papier. De uitbaters van de zaak hebben zich aan de raadgevingen gehouden. Feyenoord is een begrip in de wijde omtrek, zo’n zaak waar truckers bij binnenkomst hun laarzen uittrekken en met een handdoek onder de arm op kousenvoeten naar het toilet gaan. Achter de bar wordt intussen hun bakkie koffie alvast ingeschonken. Uit de keuken komt de geur van erwtensoep.
==
*
==
Ten zuiden van Tiel en ten noorden van Oss ligt aan de Maas het kleine dorp Lith. Het best laat het zich naderen vanuit het noorden, door een landschap van dijken en uiterwaarden, langs een gehucht dat Moordhuizen heet.
Ineens ligt dan de Maas voor je neus – een verrassend smalle rivier, op dit punt, veel minder machtig dan de Waal nauwelijks een kilometer verderop. Aan de overkant tekent zich Lith af: een bescheiden kerkje, kleine, donkere huizen langs een hoge, slingerende dijk. Een pontje vaart op en neer.
Welkom in Brabant.
Behalve uit de Lithsedijk, waaraan een honderdtal huizen (vele te koop), café Veerzicht (gesloten) en het witte huis waarin de dokter woonde in Antoon Coolens Dorp aan de rivier, bestaat Lith uit een klein plein, het Marktplein, met een muziektent. Aan het plein liggen twee kroegen, een Chinese snackbar, het gemeentehuis en Betties Boetiek. Naast de kerk, daar weer achter, ligt nog een plein – meer een parkeerterrein. Daaraan liggen een Plus-supermarkt en een Etos.
Lith is een dorp waar de kinderen van de lagere school tussen de middag naar huis gaan. Moeders in fluorescerende jassen doen dienst als klaar-overs. Een mooi gezicht is dat, zeker in de regen. Af en toe dendert een zware vrachtwagen door het dorp. Er is een doorgaande, drukke weg.
Ergens hier werd op 27 september 1776 Maria Elselina Johanna Versfelt geboren. Haar vader was dominee, haar moeder dochter van de stadhouder van Kempenland. Na de dood van de dominee, in 1781, vertrok de moeder met haar dochter (en zes zonen) naar Amsterdam, waar Maria Elselina in 1792 trouwde met Jan Ringeling Claaszoon, een bankier die de vergissing beging zijn jonge (bloedmooie) bruid op huwelijksreis naar Parijs te brengen, waar zij onder bekoring kwam van hoge Franse militairen, en ten slotte van Napoleon.
Met twee van zijn maarschalken, Moreau en Ney, onderhield ze amoureuze betrekkingen, met de laatste zelfs zo heftig dat ze hem, met kortgeknipt haar en verkleed als man, vergezelde op de Russische veldtocht. Ze maakte alle verschrikkingen mee: de slag bij Borodino, de brand van Moskou, de honger en winter tijdens de terugtocht, de slag bij de Berezina. Ze at rauw paardenvlees, vocht met kozakken, verloor Ney uit het oog, maar vond hem ook weer.
Ach, maarschalk Ney.
Hij was koppig en moedig op het onbesuisde af, als hij niet vocht een luiwammes en een drankorgel, een van de weinigen die de keizer tegen durfden te spreken (in 1814 was hij het die namens de maarschalken naar Fontainebleau reisde om Napoleon te melden dat zijn commandanten hem niet meer steunden en Parijs dus in handen van de vijand zou vallen), hij en zijn troepen voerden in 1808 de beslissende charges uit op het slagveld van Friedland, de eerste grote overwinning op de tsaar. Le brave des braves, noemde Napoleon hem, maar ook, op Sint-Helena, een imbeciel die hij nooit maarschalk had moeten maken. Ney zou jammerlijk aan zijn einde komen.
Maria Elselina Johanna Versfelt had hem toen al verlaten en een andere naam aangenomen: Ida Saint-Elme. Ze kwam ook niet meer uit Lith, maar uit Italië en beweerde dat ze van Russische adel was. In 1827 publiceerde ze een reeks van acht boeken, Mémoires d’une contemporaine, destijds een bestseller vol smeuïge verhalen en pikante details over haar leven, en dat van haar mannen, haar keizer en zijn veldtochten. De boeken waren een doorslaand succes, maar rijk werd Ida er niet van. Ze stierf blind en berooid in een armenhuis in Brussel en werd in een anoniem graf begraven.
Ook in Lith herinnert niets aan deze beroemde dochter.
Italiaanse toestanden
The Passion van Jeanette Winterson is een lucide en geestige roman. De hoofdpersoon is werkzaam in de keukens van Napoleon. Zijn taak is het om de kippen die de keizer eet de nek om te draaien. Dat zijn er heel wat, want de keizer eet niets anders.
Vooral het eerste deel van het boek is mooi. Dat speelt zich af in Boulogne, waar Napoleon een reusachtig legerkamp had om zijn troepen voor te bereiden op de invasie van Engeland. Maanden en maanden werd er geoefend, en uiteindelijk blies Napoleon de onderneming af. Af en toe kwam hij wel langs in Boulogne, vooral om kip te eten en in Jeanette Wintersons roman te figureren.
Zeer vermakelijk.
Over Napoleons culinaire voorkeuren is veel bekend, maar niet dat hij nou ongelooflijk gek op kip was. Hij hield vooral van snelheid. Lang aan tafel zitten was hem een gruwel, zelfs toen hij op Sint-Helena zat en niets meer te doen had en best uren gezellig aan tafel had kunnen zitten. Maar hij hield er niet van, zoals hij ook niet van gezelligheid hield, maar wel weer van spelletjes – mits hij ze won. Toch is er een verband tussen de kip en Napoleon.
Daarvoor moeten we naar Italië, niet ver van Milaan, in de buurt van Alessandria, een stoffige garnizoenstad waar het Italiaanse leger in de jaren zestig is vertrokken. Marengo bestaat (en bestond) uit een paar boerderijen, wat huizen en een stompe, bakstenen toren. Het ligt in een bocht van een heel drukke weg, die rechtstreeks Alessandria in voert, zo’n weg met veel benzinestations erlangs, en treurige woningen met veel kinderspeelgoed op het erf, hier en daar een autowrak. Ook ligt er een enorme suikerfabriek aan de weg, al jaren gesloten en overgeleverd aan de natuur – overwoekerd door onkruid, en voorzien van honderden ingewaaide of kapotgegooide ramen.
Marengo.
Er is hard om gevochten, op een warme dag in juni 1800 toen het landschap er weelderig en ondoordringbaar bij lag: hoog opgeschoten wijngaarden, greppels, beken, heuveltjes, struikgewassen. Aanvankelijk zag het ernaar uit dat Napoleon de strijd zou verliezen, een deel van zijn leger had hij onder aanvoering van zijn goede vriend generaal Desaix in zuidelijke richting gestuurd, maar toen ze uiteindelijk Marengo moesten opgeven en zich terugtrokken naar San Giuliano, een boerderij enkele kilometers westelijker, verzuimden de Oostenrijkers het af te maken en keerden Desaix en zijn troepen precies op tijd terug om een spectaculaire tegenaanval uit te voeren, en de vijand te verslaan. Desaix kwam hierbij om het leven.
Daarna was het tijd om te eten. Omdat het zo’n mooie zomerdag was geweest, was het vechten tot ver in de avond doorgegaan. Iedereen verging van de honger. Napoleons kok stuurde er een paar soldaten op uit om zo snel mogelijk wat eetbaars te organiseren, niet moeilijk in dit vruchtbare land. Ze kwamen terug met een kip, enkele uien, olijfolie, tijm en knoflook. Hieruit ontstond Poulet à la Marengo, een beroemd gerecht dat ik nog nooit ergens op de kaart heb zien staan, maar datzelfde geldt voor Tong Picasso, hoewel – dat heb ik wel eens gegeten in een ver verleden: tong met stukjes fruit van Delmonte, uit een blik.
Terug naar Marengo, het gehucht met de bakstenen toren. Veel van de gevechten speelden zich af rond een beek die daar vlakbij door het land loopt, de Fontanove. Dat is een mooie naam voor een beek, en hij loopt er nog steeds, al is het landschap al jaren zo weelderig niet meer als destijds; nu worden er vooral suikerbieten en aardappelen verbouwd.
In gezelschap van Giulio Massobrio bezocht ik deze beek. Massobrio is niet zomaar iemand, hij zit in de directie van het Centro Europeo di Studi e Ricerche sul Periodo Napoleonico, in de redactie van het vakblad The Napoleontic Review en in de leiding van de vvv van Alessandria. Alles wat je zou willen weten over Marengo, weet hij – en zodoende dat we door de nederzetting liepen, een blaffende hond achter ons aan, recht op een donkerblauwe bmw af die aan het einde van een stoffig weggetje met de neus in de bosschages stond, precies daar waar Massobrio mij de Fontanove wilde laten zien. In de verte lag op een heuvel Castel Ceriolo, het kasteel dat op bijna alle schilderijen van de veldslag te zien is.
Terwijl we steeds dichter bij de bmw kwamen, vertelde Massobrio over de troepen van Lannes en Victor die hier gelegen hadden, over cavaleriecharges van de Oostenrijkers onder leiding van generaal Ott, over de vreselijke verliezen die de Fransen leden terwijl Napoleon tien kilometer verderop in zijn hoofdkwartier zat, vastbesloten dat er niets aan de hand was, nou ja, een schermutseling waarbij ze wel erg veel schoten.
Mijn aandacht werd intussen steeds meer getrokken door de bmw, die op het eerste gezicht leeg leek, tót ik ineens een blond hoofd even boven de hoedenplank zag en begreep dat de zwarte vlek daar vlak naast niet een hoofdsteun was, maar het achterhoofd van een jongeman die lui onderuitgezakt lag en zich eens lekker liet pijpen.
Door wie?
Kijk, dat heb ik dan weer, dacht ik erachteraan – ver van huis met een deskundige aan mijn zij, geen slecht weer bovendien (de zon scheen boven Marengo), maar er hoeft maar iets te gebeuren of ik ben afgeleid. Ook mijnheer Massobrio zag nu wat er aan de hand was, en wat lacherig hielden we halt.
‘Love and war are inseparable,’ zei hij met een aangrijpend accent. Ik beaamde dit, gemakshalve. De actie in de bmw ging onverminderd voort. Een man die zijn illegale geliefde even mee heeft genomen voor een ritje, ze komen hier wel vaker. Hij heeft een baan, zij is huisvrouw en getrouwd – maar niet met hem. Het zou ook anders in elkaar kunnen zitten. Maar wat love en war echt inseparable maakt, is natuurlijk de honger na gedane zaken. Dat bracht mij terug bij de kip, Marengo, Jeanette Wintersons The Passion, behalve het verhaal van een kippennekkenwringer ook een hartstochtelijke liefdesgeschiedenis, en Napoleon, de man in wiens voetsporen ik hier stond, oog in oog met een zacht kreunende bmw.
==
*
==
Nadat we de velden van Marengo hadden bekeken, inclusief het hoofdkwartier van Napoleon en de plek waar zijn vriend Desaix de dood vond, niet ver van de flauwe heuvelrug waar generaal Kellermann zijn beroemde cavaleriecharge uitvoerde, reden we terug naar Alessandria – de oude vestingstad.
De zon scheen.
De stad wordt van het land gescheiden door een rivier, de Bormida, en hoewel de loop daarvan iets is gewijzigd, ligt de belangrijkste brug nog steeds op dezelfde plek. Terwijl we er passeerden, maakte mijn gids me attent op een reusachtige eikenboom die daar staat. ‘Planted by Napoleon, in 1805,’ zei hij en ja, dan kijk je toch anders naar een boom. Ik herinnerde me bovendien een kort bericht uit de Haagsche Courant; ergens in Den Haag was een eikenboom gekapt die Napoleon in 1811 nog voorbij had zien komen en waaronder later Chopin had gezeten.
We passeerden intussen de boom, een reus inderdaad (in de verte beneden een droge bedding van keien waar een smal stroompje doorheen kringelde), en reden Alessandria binnen. De gids zette mij af op het centrale plein en even later zat ik in restaurant Napoleon – ik lieg niet. De inrichting was verschrikkelijk, maar het eten prima. Ik overdacht wat ik hier deed, wat ik vaak doe sinds ik met Napoleon bezig ben.
‘Bril, je bent gek,’ roepen vrienden als ik vertel over mijn passie en meestal gaan ze ook nog meewarig kijken. Dat leidt soms tot twijfel, bij mij, dat kan ik niet ontkennen, maar toch – ik heb er nog steeds niet genoeg van. Misschien heeft Napoleons leven op mij dezelfde aantrekkingskracht als Goede Tijden, Slechte Tijden op mijn dochters. Best mogelijk; in grote lijnen komt het keizerlijke leven overeen met de logica van een soap – good times, bad times – you win some, you lose some, what goes up, must come down – dat werk.
Napoleon bracht in 1805 opnieuw een bezoek aan het slagveld. Hij was onderweg naar Milaan om zich tot koning van Italië te laten kronen, daarmee de basis leggend voor de Italiaanse eenwording die door Garibaldi zou worden voltooid. Om redenen van sentiment en geschiedvervalsing wilde hij het oude slagveld nog een keer zien. Bij die gelegenheid plantte hij dus die eik bij de brug over de Bormida. Als ik me niet vergis was hij in gezelschap van zijn geliefde Joséphine, maar toch is het me volstrekt onmogelijk de keizer als bomenplanter voor de geest te halen; was het een jong boompje dat hij plantte, of pootte hij een eikel in de grond? Wat ging er door hem heen, behalve niets?
Marengo is in de napoleontische legende van cruciaal belang. De eerste die dat begreep was Napoleon zelf. Hij was in juni 1800 nog maar net aan de macht, als Eerste Consul. Hij had een staatsgreep gepleegd waarbij hij van zijn paard viel en door zijn broer Lucien uit zijn woorden moest worden geholpen. Zijn land was een zootje, overal rukte de vijand op. Om het momentum terug te krijgen en de aandacht af te leiden van de deplorabele binnenlandse toestanden, trok hij met zijn leger over de Alpen om de Oostenrijkers uit Italië te jagen.
En wat gebeurt er?
Hij laat zich verrassen.
Er zijn geen andere momenten in Napoleons militaire carrière die in dit opzicht kunnen wedijveren met Marengo: niet alleen werd hij verrast, de vijand koos de aanval, en niet hij, een ongerijmdheid volkomen strijdig met zijn imago, ook werd hij bijna verslagen en pas op het nippertje gered door Desaix en zijn troepen. De slordigheid van Marengo, de opperbevelhebber liet zijn troepen urenlang vechten zonder zelf poolshoogte te nemen, heeft de kleine man zichzelf nooit vergeven – en later op allerlei manieren proberen te corrigeren – documenten liet hij verduisteren, ooggetuigenverslagen veranderen, geschiedschrijving aanpassen. Tot op Sint-Helena was hij ermee bezig, en toen hij eindelijk dood was, liet hij zich begraven in de jas die hij droeg in juni 1800, bij Marengo.
De kern van de vervalsingen is eenvoudig: het was niet de vijand die achter hem aan joeg, nee, hij was het die de vijand in de val lokte. Desaix kwam niet toevallig op het juiste moment terug, nee, zijn verschijning op het slagveld maakte deel uit van een weldoordacht plan. Zo eenvoudig als de leugen is, zo moeilijk is hij te weerleggen – wat meteen het geheim van een goede leugen is. Marengo was waar Napoleon, net in business als staatsman, nog lang geen keizer, nog steeds een zoon van de Franse Revolutie, maar geen eenvoudige, hippe generaal meer, door het oog van de naald kroop, ternauwernood ontsnapte aan een debacle dat ongetwijfeld zijn einde had betekend. Het zegt toch wel wat dat hij er zelf zo veel belang aan hechtte juist deze slag zo memorabel te vinden.
Zijn eigen falen.
Zijn eigen zwakte.
Zijn afhankelijkheid van anderen, en geluk – om die dingen draait Marengo, en hoewel hij geprobeerd heeft er een triomfantelijke saus van leugens overheen te leggen, is Napoleon altijd trouw gebleven aan dat wankele, gevaarlijke begin van zijn loopbaan als staatsman. Het had allemaal heel anders kunnen lopen, lijkt hij eigenlijk te zeggen. Zelfs zijn pogingen Marengo te vervalsen hebben iets aandoenlijks.
Straten van Parijs
Zo cruciaal als Marengo is in het verhaal van Napoleon, zo onbeduidend is de Parijse straat die naar de veldslag is vernoemd. Amper vijftig meter lang, tussen de Rue Saint-Honoré (de trendy winkelstraat waaraan ook de achterzijde van het Elysée ligt) en de Rue de Rivoli (de statige, eindeloze straat vol warenhuizen en souvenirwinkels), vlak bij Cour Carrée, het winderige plein aan de voorzijde van het Louvre. Aan de Rue de Marengo zijn gevestigd een parkeergarage, een wisselkantoor en een antiquair die onder andere een groot schilderij van maarschalk Bernadotte, diens staf en diverse zwaarden, sabels en degens in de verkoop heeft. De zaak is alleen op afspraak open.
De Rue de Marengo ligt in de goeie buurt; tien minuten de Rue Saint-Honoré in en je komt bij de Eglise Saint-Roch, waar Napoleon op 5 oktober 1795 als jonge generaal een volksopstand de kop indrukte door met artillerie op de massa te schieten die zich op de trappen van de kerk bevond. Het regende die dag en daarom aarzelden de opstandelingen met hun opmars naar de Tuilerieën. Napoleon, jong, gretig en slecht gekleed, aarzelde natuurlijk niet – hij sleepte de hele dag met kanonnen tot hij aan het einde van de dag het eindelijk opmarcherende volk aan flarden kon schieten.
Zijn naam was gevestigd.
De kerk staat er nog steeds, geflankeerd door een krantenkiosk en een gammel hotel. Verderop passeert Saint-Honoré de Place Vendôme – naar verluidt ziet het er nog steeds zo uit als in Napoleons dagen. De gedenkzuil op het plein is beslagen met het brons afkomstig van de vijfhonderd kanonnen die hij in 1805 buitmaakte bij Austerlitz. Op de zuil staat een beeld van de keizer zelf, somber afgetekend tegen de hemel. Op een steenworp afstand hiervandaan ligt La Madeleine, ook door Napoleon gebouwd, net als trouwens de beurs en het Place Saint-Sulpice aan de andere kant van de Seine, bij het Palais du Luxembourg. De kerk daar stond er al en diende in de jaren kort na de Revolutie als opslagplaats voor graan en hooi. Later zou Napoleon de torens gebruiken voor zijn beroemde semafoor – een communicatiesysteem dat werkte met vlaggen en vuur en geheel afhankelijk was van goed weer. De linkertoren van de kerk onderhield (via tientallen andere torens die de berichten doorgaven) het contact met Lyon, de rechter met Orléans en Bordeaux.
Op het plein bij de Madeleine is de juwelier Odiot gevestigd, tweehonderd jaar geleden een zilver-en-goudsmid waar Napoleon en zijn familie zaken mee deden en nog steeds is het huis Odiot actief. Ooit liep ik daar binnen omdat ik vooral benieuwd was naar het beroemde gouden wijnglas dat Napoleons zuster Pauline naar een afdruk van een van haar borsten liet maken. Een glas is het natuurlijk niet, dan zou zij een heel rare tiet hebben gehad, maar eruit drinken kun je wel, dus wat is het dan? Een kelk zeker niet, een kom wellicht, een schotel, een schoteltje? Een niet al te diepe kom, zonder steile wanden, een slome mok, misschien is dat de beste benaming. Hoewel, nee – cup, dat is het woord. Bij wijze van handvat zit er een gouden bij aan vast, want behalve de n en de adelaar was de bij een napoleontisch icoontje, misschien omdat de keizer zo’n nijvere man was.
Hoe dan ook, het was nog vroeg toen ik bij Odiot arriveerde. De stoep was net geboend en nu was de werkster binnen bezig. Kennelijk zag ik er deskundig of kooplustig uit, want ze liet me binnen zonder verder iets te vragen. Al snel had ik tussen het uitgestalde bestek, de honderden broches en ringen, kandelaren en vazen, snufdozen en vingerhoedjes de gouden borst van Pauline gevonden – voor 1350 euro kon ik hem de mijne noemen en voor 2500 euro had ik er twee.
In haar tijd was Pauline Bonaparte een vrouw die er wezen mocht. Ze was aanvankelijk getrouwd met een van haar broers weinige vrienden, generaal Leclerc, maar toen die ergens sneuvelde, huwelijkte diezelfde broer haar uit aan een van Italiës machtigste families: Borghese. Ze moest een oude man trouwen. Pauline liet zich hierdoor niet uit het veld slaan en ontwikkelde zich tot een van de meest nymfomane vrouwen van haar tijd, zelfs haar machtige broer was niet veilig voor haar charmes.
Over haar boezem valt naar aanleiding van de drinkcup (die door Odiot nog steeds gemaakt wordt met de originele mal, die ooit dus koud en zacht tegen Paulines borst drukte om de waarheid zo goed mogelijk te vangen) het volgende te zeggen: hij was mooi, maar niet al te groot. Een cupje b om in bh-termen te spreken, misschien ooit een c geweest, maar nu een tikje op haar retour. Borsten zijn, in tegenstelling tot onze oversekste schoonheidsidealen en de ideologie van de plastische chirurgie, op hun mooist als ze over hun hoogtepunt heen zijn; ze moeten niet rond en stevig zijn, maar zacht en weelderig, zonder te hangen, uiteraard. De borsten van Pauline hadden die kwaliteit op het moment dat ze ze eventjes ontblootte voor de mannen van Odiot om er een afdruk van te maken. En het ‘eventjes’ van dat moment is eeuwig geworden, voor slechts 1350 euro.
Wat ontbreekt is de tepel – maar dat is logisch; het zou een klein putje in de bodem van het glas hebben veroorzaakt, een krater die de glooiing die de bodem nu heeft alleen maar zou bederven. Denkend aan glooiingen, schiet me ineens te binnen dat de cup nog het meest aan een forse schelp doet denken, zo eentje die je nooit vindt op het strand, maar wel altijd in souvenirwinkels kunt kopen.
Nee, ook dat klopt niet.
De drinkborst van Pauline Bonaparte is werkelijk een ding op zichzelf. Ook mooi: de omkering. Normaal voedt een kind zich aan een borst, hier drink je uit een borst binnenstebuiten – nu de vraag: had Pauline kinderen?
Met die vraag verliet ik de winkel van Odiot om prompt op straat het ene bekoorlijke decolleté na het andere tegen te komen, want het was ook nog lente in Parijs, een jaargetijde dat nog véél ouder is dan tweehonderd jaar, net als het fenomeen boezem, trouwens. Mijn volgende stop was Napoleons favoriete chocolade-en-bonbonleverancier, de firma Debauve & Gallais aan de Rue des Saints-Pères – ja, het leven was een feest.
Malmaison
Rueil-Malmaison is een voorstad van Parijs. Ooit bestond de plaats uit twee nederzettingen, inmiddels zijn die aan elkaar gegroeid. De stad ligt ten westen van Parijs, iets onder La Défense en de universiteitsstad Nanterre. Er zijn verschillende mogelijkheden om er te komen: met de trein, rechtstreeks vanuit de stad, via La Défense – uitstappen Rueil-Malmaison, met de auto of de taxi, of met de metro naar La Défense en daar overstappen op de bus.
Ik nam de trein.
Maar ik had beter de metro en de bus kunnen nemen. Daar kwam ik achter toen ik na veel boemelen uitstapte op de eindbestemming; in geen velden of wegen was het château te zien waar ik heen moest. Wel kwam ik onmiddellijk in een winkelcentrum terecht en kort daarop in een straat met een café dat Bonaparte heette.
Goed teken.
Inmiddels had ik ook het eerste bordje gevonden dat naar het Musée National de Malmaison wees; het stond niet ver van het café en er stond een monter pictogrammetje bij van een wandelend mannetje. Ik maakte eruit op dat ik het château te voet kon bereiken.
Daar ging ik.
Het was een onaangename, maartse voorjaarsdag. Af en toe regende het, maar daarna scheen de zon weer. Er stond een snijdende wind. Ik liep door een lange straat waaraan kleine, oude villa’s lagen. De tuinen stonden vol magnolia’s, bloesemende kersenbomen en oude auto’s, ongetwijfeld het eigendom van de poetsvrouwen die binnen bezig waren. Af en toe werd ik achteropgereden door een lege bus – iets wat mij altijd treurig stemt: een perfect georganiseerd vervoerssysteem waar niemand gebruik van maakt en dat desondanks stipt op tijd de dienstregeling afwerkt. Je kunt maar beter dood zijn, denk ik dan.
Ik liep inmiddels de bebouwde kom uit. Aan de ene kant was dat gunstig, want het château waar ik naar onderweg was, lag in een groot park aan de rand van de beschaving. Aan de andere kant maakte ik me ook wel zorgen, want nergens zag ik iets wat op een kasteel leek, behalve dan af en toe een bordje dat de wandelaar de weg wees. Ik ging nog wel de goede kant op.
Amper was ik de ene bebouwde kom uit, of ik kwam de volgende bebouwde kom alweer binnen – nergens stonden borden die dit verklaarden, maar ik hield het erop dat ik zojuist Rueil uit was gelopen en nu Malmaison betrad. Andersom was natuurlijk ook mogelijk, maar de eerste mogelijkheid gaf toch de meeste aanleiding tot optimisme. Na nog een kilometer stuurden de wandelpijlen mij ineens rechtsaf en toen linksaf een kinderspeeltuin in. Vandaar was het nog maar een klein eindje naar het Office de Tourisme, een instelling die ik nu juist níet wilde bezoeken. Gelukkig stond er ook nog een bordje dat mij naar de overkant van een drukke straatweg wees.
Het hagelde even.
Ik wandelde langs een bejaardentehuis, een schoenenwinkel en een bakker bergopwaarts naar een gebouw dat er indrukwekkend en oud uitzag; geen château, maar toch iets wat op geschiedenis wees – het gemeentehuis van Rueil, of van Malmaison dus, want hoe de vork hier nu in de steel zat, bleef onduidelijk. Bovendien hielden hier de pijlen op die naar het château wezen en er zat niets anders op het maar aan toevallige passanten te vragen. Ik was inmiddels langer dan een uur onderweg, vanaf het station, en ik had honger. Na een paar keer de verkeerde kant op te zijn gestuurd – iets wat altijd gebeurt als je mensen de weg vraagt, heel wonderlijk – kwam ik in een smal straatje waarin een pannenkoekenhuis was gevestigd dat Joséphine heette.
Hèhè, dacht ik, de goede weg.
Aan het einde van het straatje gloorde een oude bakstenen muur waar hoge bomen bovenuit staken. Daar moest ik heen, al was het maar omdat ik niet wist waar ik anders heen moest; het straatje had geen zijstraten. En om nu op mijn schreden terug te keren, dat zou een nederlaag zijn; hoe mooi de uitdrukking ‘op uw/mijn/onze schreden terugkeren’ ook is.
Het was weer droog.
Ik kwam bij een park. Het bestond uit glooiende grasvelden, aangelegde bosschages, bloemperken vol verregende viooltjes. Tussen bemoste bomen stond een beeld van een adelaar met gespreide vleugels, ook bemost. Ik ben vergeten waarom, maar ik wist zeker dat het château nu heel dichtbij was en dat ik alleen maar het smalle pad naar boven hoefde te volgen, daar zag ik iets wits. De zon was inmiddels goed doorgebroken en ik zweette me een ongeluk. Ik volgde het slingerende pad en kwam nergens, nou ja, bij een wit muurtje waarachter een route nationale lag waarover weer heel veel lege bussen reden. Het was bijna halfeen en mijn gedachten werden beheerst door de lunch waar ik aan toe was. Dat hele château kon me gestolen worden, godverdomme.
Ha, daar was het.
Dacht ik hoopvol.
Maar nee, nog was ik er niet, zo vertelde een wandelende dame die ineens opdook tussen het lover – ik moest nu een slingerend pad af naar beneden, dan aan het einde rechtsaf over een parkeerterrein, links aanhouden en langs opnieuw een muur, rechtdoor, en dan liep ik ertegenaan, het kon niet missen. Ik volgde de aanwijzingen op en na nog eens twintig minuten stond ik dan eindelijk aan de poort van het château.
Aan een muur (het wemelde hier van de muren) hing een telefooncel van France Télécom, en iets verderop was een bushalte vanwaar ik de bus naar La Défense kon nemen. Ik keek naar het château – het was meer een groot buitenhuis dan een kasteel. Het was overwegend wit van kleur, met een blauwe, houten uitbouw als toegang. Ik zette mij weer in beweging, over de lange oprijlaan, richting ingang. Er was niemand die mij met uitgestoken hand tegemoet kwam, een teleurstelling natuurlijk. Maar ja, ik had mijn komst ook niet aangekondigd. Toch was ik er nu – bij het huis van Rose de Beauharnais, de vrouw die Napoleon Joséphine noemde, omdat hij nu eenmaal de gewoonte had mensen om wie hij gaf een nieuwe naam te geven.
Slechte tanden
Het is zeker dat hij erg verliefd op haar was, om niet te zeggen: in haar ban. Het is ook zeker dat hij, vóór hij haar ontmoette, nauwelijks ervaringen had met vrouwen. Toen hij in 1795 in Parijs kwam, schreef hij zijn broer Joseph dat de vrouwen in die stad niet alleen erg mooi waren, maar ook veel politieke macht hadden – het leek wel alsof alles om hen draaide. Hij was bang voor die vrouwen en hun invloed. Dat hij verlegen was, hielp natuurlijk ook niet.
Toen ontmoette hij haar.
Ze was de maîtresse van zijn baas. Ze was elegant, mooi, vriendelijk, gevoelig, maar ze had een slecht gebit en was een paar jaar ouder dan de meeste andere vrouwen die een rol speelden in Parijs. In hun gezelschap was Rose de Beauharnais nét iets te onopvallend, nét iets te onuitgesproken, nét iets te gewoon.
Maar Napoleon viel op haar.
Ze wijdde hem in, dat is een ding dat zeker is – en hij zou er zijn leven lang van onder de indruk zijn. Hij bezong het kleine, donkere oerwoud in haar schoot, haar borsten die hij wilde zoenen, haar voeten, haar handen, haar slepende tongval, haar ogen en haar voeten. Hij noemde haar ‘het lekkerste kontje van Parijs’. Hij schreef haar honderden liefdesbrieven en kreeg er maar een handvol terug, want zij wist hoe ze een man aan zich moest binden. Daarbij: ze was níet verliefd op hem, nog niet. Ze vond hem grappig, anders dan anderen – en ze begreep dat hij een grote toekomst had, iets waar ze behoefte aan had, want ze was van arme adel, weduwe van een pompeuze flapdrol die niets anders had gedaan dan haar bedriegen, moeder van twee kinderen en koopziek, ontzettend koopziek, tweehonderd paar handschoenen per jaar had ze nodig.
Ach ja, vrouwen.
Napoleon zat bij haar op schoot toen de schilder Gros vanuit Parijs naar Milaan werd gehaald om hem te portretteren als overwinnaar bij Arcola – het eerste schilderij dat van hem werd gemaakt en waarop hij strijdbaar vooropgaat, het vaandel in de ene hand, de sabel in de andere hand, de blik verbeten en vurig, de haren wapperend. Heel Frankrijk zou het schilderij leren kennen, maar de held zelf was te ongedurig om ervoor te poseren, vandaar dat zijn vrouw, die natuurlijk van kunst hield (hij was net een blauwe maandag met haar getrouwd), hem op schoot nam. Je ziet het voor je.
En ze ging vreemd; al tijdens het eerste jaar van hun huwelijk. Vreemdgaan, overspel – het was normaal, het hoorde erbij. Een beetje man had een maîtresse, een beetje dame had minnaars, soms een paar tegelijk. Maar Napoleon kon er niet tegen, want hij was verliefd op zijn vrouw, hij wilde haar helemaal alleen voor zichzelf, zoals alle jongens dat willen als ze voor het eerst de koorts van de liefde voelen. Toen hij hoorde dat ze vreemdging, met een huzaar die Hippolyte Charles heette, een charmante praatjesmaker, een versierder op en top, werd hij gek van jaloezie en om haar te straffen, ging hij zelf vreemd, en niet zo’n beetje ook.
We bevinden ons inmiddels in Egypte, 1798. De kleine generaal is beroemd en hij is machtig. Om hem een beetje uit beeld te houden, hebben zijn bazen hem op expeditie naar het oosten gestuurd. Men vreest een staatsgreep van hem, vandaar. Via het Midden-Oosten wil Bonaparte nu naar India, om het af te pakken van de aartsvijand Engeland. Maar alles zit tegen, zoals het hoort, en de expeditie loopt stuk in de woestijnen van Egypte en Palestina. Gelukkig heeft de jonge luitenant Fourès zijn vrouw meegesmokkeld naar Egypte.
Pauline.
Bellilotte.
Zij ging gekleed als man, maar was van een adembenemende schoonheid. Toen de opperbevelhebber haar zag, stuurde hij haar man onmiddellijk op een zinloze missie. Daarna nam hij haar tot zich en spoedig reed ze op een kameel naast hem door Caïro en sprak heel het expeditieleger erover. Zelfs de Engelsen kwamen het te weten, en publiceerden het verhaal in hun kranten en verspreidden het nieuws in Parijs, waar Joséphine nog altijd rommelde met haar charmante huzaar.
Maar de liefde voor Bellilotte, Napoleon noemde haar Cleopatra, zij hem Caesar, ging weer niet zover dat hij haar meenam toen hij in 1799 halsoverkop Egypte verliet. Ze kwam pas twee jaar later terug in Parijs, kreeg van haar inmiddels machtige minnaar een huis en legde zich toe op het schrijven van romans en later het importeren van tropisch hardhout uit Brazilië. Ze rookte pijp, bleef mannenkleding dragen en hield als huisdier een aap.
Joséphine reisde haar man tegemoet toen ze hoorde dat hij onderweg was uit Egypte. Ze wilde eerder bij hem zijn dan zijn broers, die hem ongetwijfeld over haar huzaar zouden vertellen. Ze nam helaas de verkeerde route, en toen Napoleon in Parijs kwam, trof hij zijn huis leeg en verlaten. Hij sloot zich op in de slaapkamer en wachtte tot zijn vrouw terug zou komen. Dit leidde tot een klassieke scène, in talloze schilderijen en prenten verbeeld: de overspelige vrouw die in het holst van de nacht terugkeert in de echtelijke woning en huilend, soebattend, jammerend, zichzelf het haar uit het hoofd trekkend, voor de dichte deur van de slaapkamer ligt; alles op alles zettend om maar binnen te worden gelaten, alweer een bijna bijbels tafereel inderdaad.
Uiteindelijk liet hij haar binnen.
Maar het zou nooit meer zo zijn als het was. Napoleon zou Joséphine nooit meer trouw zijn, hoezeer zij ook van hem begon te houden, want dat was de tragiek: voor hem was het over, voor haar begon het pas.
Wenen
Vanuit de lucht is Wenen een enorme stad. Waarschijnlijk geldt dat voor alle steden vanuit de lucht. Maar wie aanvliegt op de luchthaven van Wenen, krijgt de stad zo perfect voorgeschoteld dat het bijna jammer is dat het vliegtuig ook nog echt gaat landen. De machtige Donau, de met wolkenkrabbers volgebouwde eilanden in de rivier, de voorsteden, de bergen in de verte, de elektriciteitscentrales langs de uitvalswegen, de oude binnenstad met z’n kerken en paleizen, alles trekt keurig voorbij, als het zonnetje tenminste schijnt.
De zon scheen toen Napoleon op woensdag 10 mei 1809 in Weidling, niet ver van Wenen, zijn koets verwisselde voor een van zijn witgrijze paarden. Aan het hoofd van zijn keizerlijke garde reed hij een paar uur later de voorstad Mariahilfer binnen. Vanuit het ommuurde centrum van Wenen werd er op hen geschoten en besloten werd tot een artilleriebombardement. De componist Joseph Haydn heeft het misschien nog gehoord, maar misschien ook niet – hij lag op zijn sterfbed. Na de overgave van de stad (op zaterdag de dertiende) zou hij de laatste adem uitblazen. Het een houdt geen verband met het ander, maar toch kom je de samenloop van gebeurtenissen in heel wat literatuur over Napoleon tegen, net als het feit dat Beethovens Fidelio in het Theater an der Wien in première ging vlak nadat Napoleon in oktober Wenen weer zou verlaten.
Napoleon was niet voor zijn lol in Wenen, ook al betrok hij daar het zomerpaleis van de Habsburgfamilie en liet hij niet alleen een toneelgezelschap uit Parijs overkomen (men speelde onder meer de Phèdre van Racine), maar ook zijn maîtresse Marie Walewska uit Polen. Bij haar zou hij die zomer een zoon verwekken die na zijn dood nog enige furore zou maken in Parijs. Hij was in Wenen omdat Oostenrijk hem tot oorlog had gedwongen, en omdat hij liever snel korte metten maakte met de vijand dan er lang mee te wachten. De vijandelijkheden waren op 11 april begonnen, een maand later was hij hier al.
Maar de vijand was nog niet verslagen, sterker nog: de vijand was dichtbij, aan de overkant van de Donau. Zo’n zinnetje, ‘aan de overkant van de Donau’, zegt eigenlijk maar weinig, tot je de Donau werkelijk ziet: een heel brede, zeer kolkende rivier. Bruin, grauw en in alle opzichten onaantrekkelijk. Met een wals van Strauss heeft het niets te maken, mijn muzikale associatie zou eerder hard, elektrisch en industrieel zijn. Veel fabrieken en viezigheid, spoorlijnen en moeizame bruggen.
De enige brug die er in 1809 was, hadden de Oostenrijkers opgeblazen. Dus moest er een nieuwe komen. Napoleon liet zijn oog vallen op het eiland Lobau, iets ten oosten van de stad. Als hij eerst zijn leger op dat eiland zette, was het vandaar geen lange weg meer naar de overkant – al waren er nog steeds bruggen nodig, natuurlijk. De brug naar Lobau werd geslagen en het leger stak over. Ook de andere bruggen werden aangelegd (al dat hakken en zagen en timmeren, een nijver volkje, die Fransen) en de slag om Aspern en Essling, de twee kleine stadjes aan de overkant waar aartshertog Karel zijn troepen had opgesteld, kon beginnen. Twintigduizend doden verder trokken de troepen van Napoleon zich weer terug op Lobau, ze hadden niets gewonnen.
Op het Heldenplatz in Wenen (waar Hitler op 2 april 1938 een triomfantelijke rede hield, vanaf het balkon van het keizerlijk paleis, pal onder een enorme gouden kroon en adelaars met gestrekte vleugels) staat een groot ruiterstandbeeld van de ‘Sieger von Aspern’: aartshertog Karel. Het is gemodelleerd naar het beroemde schilderij van David waarop Napoleon over de Sint-Bernhard trekt (een van de vier versies van dat schilderij hangt een kilometer verderop in het Belvédère). Het paard steigert, de hertog wordt omgeven door een wapperende mantel. Het is een ingenieus beeld, omdat het alleen maar rust op de achterbenen van het paard; in het binnenste van het dier zit een netwerk van gewichten om het beeld omhoog te kunnen houden. Het klopt wel een beetje bij de wankele positie die Karels overwinning in de geschiedenisboeken heeft, twee maanden later werd hij immers wél verslagen.
Het eiland Lobau is tegenwoordig geen eiland meer, maar het ligt nog wel aan de andere kant van de Donau. Daar heeft het zich in de vorm van een moerassig niemandsland tegen de oevers aangeschurkt. Gedeeltelijk is het gebied industrieterrein; er bevinden zich tientallen opslagtanks van de Oostenrijkse olie-industrie, gedeeltelijk is het beschermd natuurgebied. Het is vooral een strook land waar Wenen in de zomer naartoe trekt. Langs de waterkant wemelt het van de uitspanningen met namen als Weidinger’s Freizeit Paradies, Villa Wahnsinn, Die Total Verrückte Kneipe, Safari Lounge en Mosquito Fisch und Grill. Maar er is ook een Napoleon-wandelroute, langs hier en daar een gedenksteen.
Een van die stenen markeert de plek waar de Franse keizer op het eiland zijn hoofdkwartier had. Ik kom er terecht door helemaal aan het einde van de Raffineriestrasse (zo heet de oude straatweg langs de uitspanningen en de spoorlijnen naar de olie-industrie) onder een verroeste vangrail door te kruipen. Een smal, modderig pad voert naar de Langhammer Hütte, een blokhut van de Wiener Fisch Verein (sinds 1927). Verderop is een klein, maar bevroren meertje – een eend zit verloren op het ijs.
Ik wurm mij een weg door kale struiken en kom op een kale vlakte vol elektriciteitsmasten. Er loopt een pad en een bordje wijst de weg. Grillen en barbecueën is hier verboden. Gezien de striemende kou is dat wel jammer. Ik word ingehaald door een oude man in een trainingspak, zijn zweet prikt in mijn neusgaten. Ik loop door tot ik bij een grote steen onder een boom kom. Hier bevond zich het bivak in de meidagen van 1809. Ik probeer me er een voorstelling van te maken, wat nog niet meevalt, om niet te zeggen dat het ondoenlijk is – zou dát het zijn dat zo veel mensen naar monumenten, gedenkstenen en historische locaties lokt? De pure ondoenlijkheid, de onoverbrugbaarheid van de eeuwen? Schuilt er soms troost in dat we nooit werkelijk zullen weten hoe iets ooit was?
De zon van Austerlitz
De weg tussen Wenen en Brno in Tsjechië is een lange, rechte weg door een glooiend landschap. Tweehonderd kilometer lang. Aan de Oostenrijkse kant wordt er wijn verbouwd, en de stadjes zien er zelfs in de winter welvarend uit. Toch is het asfalt slecht en de weg geen snelweg; met een beetje pech zit je een uur of langer achter een colonne oude vrachtwagens.
In Tsjechië verandert het beeld naarmate je dichter bij Brno komt. De weg wordt breder, en zoals snelwegen overal ter wereld, zingt ook hier de weg zich los van de omgeving – geen stadjes meer, alleen nog maar afritten en af en toe reclameborden, het landschap ver weg, als in een ongrijpbare, verschoten ansichtkaart.
Brno zelf is een grote industriestad, knooppunt van snelwegen en spoorwegverbindingen. De weg uit Wenen mondt er uit in een lange, brede allee langs haastig opgetrokken supermarkten, autodealers, sloopbedrijven, elektriciteitsbedrijven en fabrieken opgetrokken uit oude bakstenen, al jaren gesloten. In het midden van de weg boldert een trammetje, nog uit de tijd dat dit land bij het Oostblok hoorde.
Tien kilometer ten oosten van Brno ligt een aantal dorpen dat door de geschiedenis met elkaar is verbonden: Z?atc?any, Sokolnice, Slapanice, Blaz?ovice, Prace en Slavkov. Laatstgenoemde plaats zou je ook een stadje kunnen noemen. Het heeft een stationnetje waar treinen stoppen, diverse scholen, een hotel en een kasteel. Het geheel maakt een vervallen indruk.
Het landschap is licht heuvelachtig, voorzien van beken, struikgewas en heggen. De velden zijn uitgestrekt, ’s zomers zullen ze wel vol graan of maïs staan. In de winter ligt er sneeuw op. Hier en daar staan oude bomen, vooral in de buurt van kruispunten. Eén heuvel steekt er als een soort puist bovenuit: de heuvel van Prace. Erg hoog is hij niet, maar je ziet hem vanwaar je ook komt. Aan de noordzijde van het gebied loopt een oude postweg, tussen Brno en Slavkov, waar nog twee heuvels aan liggen: de Z?urán? en de Santon. Halverwege die weg ligt een kleine nederzetting. In de loop der jaren hebben zich daar wat huizen verzameld rond een oude herberg: het posthuis Stará Pos?ta.
Ik was niet onbekend met de streek, want ik kende hem uit de literatuur. Ik had ook al heel wat plattegronden gezien, maar toch nam een zekere opwinding bezit van me toen ik mijn eigen stafkaart had. Weliswaar moest ik alle plaatsnamen veranderen (in de meeste boeken worden Engelse en/of Franse benamingen gebruikt die soms helemaal niet sporen met de huidige, Tsjechische namen), maar toen dat eenmaal was gelukt, kwam december 1805 een stuk dichterbij. Weer wat later stond ik dus zelf op de Z?urán?, waar Napoleon aan de vooravond van de gevechten zijn bivak had.
Nu komt het.
De reis naar Austerlitz was er voortdurend eentje door sneeuwbuien en mist geweest. Ook was ik voortdurend de weg kwijt, en uitzonderlijk slecht gehumeurd. Een van de redenen was dat ik het vrij zinloos vond wat ik aan het doen was. Dwars door Europa reizen om een oud slagveld te zien, mankeerde er iets aan mij? Maar de Z?urán? stelde niet teleur. Er lag een aanzienlijk pak sneeuw op de velden, maar het karrenspoor naar de heuvel was geplet door banden en voetstappen; kennelijk had ik voorgangers, niet verrassend, maar wel een kleine domper. Op de heuvel zelf stond een eenzame, kale boom, met daaronder een gedenksteen. Een hand had geprobeerd de sneeuw van de steen te schuiven, maar was er halverwege mee opgehouden.
Daar stond ik dan.
En de zon brak door.
Het gebeurde precies toen een vliegtuig zich met wiebelende vleugels uit de wolken liet zakken om verderop op het vliegveld van Brno te gaan landen; ineens glinsterde alles. Een paar tellen later zag ik daadwerkelijk de lucht openbreken en de zon tevoorschijn komen; zij scheen recht in mijn gezicht, en het licht deed zeer aan de ogen, vanwege de sneeuw op het land voor me.
Le soleil d’Austerlitz.
Het is een begrip.
Op de ochtend van 2 december (er lag toen geen sneeuw overigens) brak de zon precies op het juiste moment door; om halfacht, volgens de deskundigen. Rood en gloeiend kwam hij op boven het slagveld, een veld dat nog geheel in nevelen en mist gehuld was, een cruciaal gegeven, want daardoor kon de vijand niet zien hoe de kleine keizer (hij was het die dag op de kop af één jaar) zijn troepen had opgesteld. Vanaf dezelfde plek als waar ik nu stond, zag Napoleon de zon boven het land doorbreken en bijgelovig en optimistisch als hij was, wist hij meteen dat het een goed voorteken was. Oorlog laat zich bovendien het best onder optimale omstandigheden voeren. De zon van Austerlitz nam hij onmiddellijk in zijn eigen legende op.
Een van de wonderen van de natuur is de snelheid waarmee de zon door kan breken, dat is iets wat mij altijd weer verbaast. Binnen een halfuur kan de lucht volkomen blauw zijn, en dat nadat het dagenlang grijs en grauw en miezerig en koud was. In dezelfde tijd vergeet je hoe het ook alweer was vóór de zon van zich deed spreken; ze wist als het ware alle data hierover van de harde schijf. Dat deed zich nu voor terwijl ik op die heuvel stond. In de verte werd die andere heuvel, de Prace, steeds duidelijker zichtbaar. Dat was toen het centrum van de gevechten. Maar ook nu, bijna tweehonderd jaar later, was het nog steeds de spil waar het landschap om leek te draaien. Wonderlijk, wonderlijk. En helemaal wonderlijk is dit: het was, verdomd als het niet waar is, dezelfde zon die nu doorbrak, geen steek veranderd, nou ja, niet rood.
Nederland
De mooiste bossen van Nederland liggen in de buurt van Utrecht, op de heuvelrug. Dorpen als Zeist, Doorn en Driebergen hebben zich daar genesteld, de rijkste dorpen van Nederland. Niet ver van Zeist ligt een nederzetting die Austerlitz heet, en daar weer niet ver vandaan een attractie die de Piramide van Austerlitz heet, een attractie met speeltuinen en pannenkoekenhuizen; al zeker honderd jaar de eindbestemming van menig schoolreisje. Vooral in de schamele jaren vijftig en vroege jaren zestig gingen er duizenden kinderen heen.
Toen de Piramide in 1804 werd aangelegd door de troepen van generaal Marmont, bestond het land tussen Zeist en Woudenberg nog uit heidevelden, perfect terrein om met 18.000 soldaten te oefenen. Toen Marmont zijn troepen voldoende had gedrild en de verveling toesloeg, liet hij ze dit monument bouwen voor Napoleon, zijn opperbevelhebber, die dat jaar keizer zou worden.
Marmont was niet de eerste de beste, trouwens. Hij kende Napoleon goed. Hij was er al bij toen een heel jonge Bonaparte het beleg van Toulon voor de revolutionaire machthebbers in Parijs wist te winnen, en hij ging later met Napoleon mee naar Egypte, waar dus ook het idee van een piramide vandaan kwam. Ook in Parijs tref je piramides (een straat die zo heet, een glazen exemplaar als ingang van het Louvre). Later zouden Marmonts en Napoleons wegen elkaar nog een paar keer prachtig kruisen.
Van aarde en heideplaggen bouwden de soldaten een 36 meter hoge, getrapte piramide, met bovenop een houten obelisk. Bij helder weer kon je vanaf de top Amsterdam en de Zuiderzee zien liggen, maar ook het rivierenland van de Betuwe, en zelfs Breda. Er zijn schilderijen uit die tijd die de Piramide als een eenzaam, maar machtig bouwwerk te midden van een woeste leegte tonen, iets wat nu nauwelijks voorstelbaar is, dat heidevelden in tweehonderd jaar uit kunnen groeien tot indrukwekkende wouden.
Vrij snel na de voltooiing van het bouwwerk, aanvankelijk de Marmontberg genaamd, moesten de generaal en zijn troepen zich melden in het Noord-Franse Boulogne. Een jaar later was er de slag bij Austerlitz, het gat in Tsjechië. Napoleons broer Lodewijk (inmiddels koning van Holland) vernoemde dus in 1806 de Piramide op de heide bij Zeist naar die beroemde veldslag en het verderop gelegen legerkamp werd het dorp Austerlitz. Het enige café dat er lange tijd was heette Bonaparte. Op het dak stond een gefiguurzaagde keizer – tot regen de verf van het hout had gespoeld en de keizer in zijn blootje leek te staan; toen hebben ze hem weggehaald.
Een paar jaar geleden werd begonnen met de renovatie van de Piramide. Ze was veranderd in een woest begroeide heuvel waar een scheefgezakte toren (niet de oorspronkelijke, maar een later gebouwd exemplaar, van steen) op stond. Veel lol viel er niet meer aan te beleven. De werkzaamheden waren op een gegeven moment zo ver gevorderd dat de Piramide weer bijna in oorspronkelijke staat leek gebracht: een indrukwekkend bouwwerk van 180.000 graszoden, keurig trapsgewijs op een 2 meter hoge basis gestapeld. Aan de noordzijde van de Piramide was het gras al volledig uitgelopen; aan de zonkant was het nog pril en sprieterig. Het geheel rook overweldigend naar een voetbalveld. Alles wees erop dat het een perfect kunstwerk ging worden.
Maar niet dus.
Een jaar later was ik weer in de bossen bij Zeist. Bomen in alle kleuren: geel, rood, bruin, verwelkt groen. Beukennootjes, eikels, kastanjes, paddenstoelen, het bekende werk. Het mooie weer hielp lekker mee, natuurlijk, en het was druk in het bos: mountainbikers, gezinnen met kinderen, senioren arm in arm, honden. Herfstvakantie in Nederland, de mensen weten niet beter of ze moeten naar buiten. Na een tijdje kwam ik bij de Piramide.
Of laat ik het zo zeggen: na een uur kwam ik bij een zielige heuvel waar een oud, scheef torentje bovenop prijkte. De 180.000 knalgroene graszoden waren op een enkele na niet groen meer, maar bruin, grijs en grauw. Hier en daar groeide wat onkruid en links en rechts staken buizen uit de heuvel. Hele stukken waren bovendien met landbouwplastic afgedekt. Andere stukken leken ingestort of weggestroomd. Het landschap om de Piramide heen was een trieste zandvlakte.
Ik liep er een rondje.
Aan alle kanten zag de heuvel er even bedroevend uit. Het leek wel alsof de landschapsarchitecten, aannemers en hoveniers die aan de restauratie hadden gewerkt zomaar op een dag hadden besloten dat het allemaal geen zin had en ’s avonds al hun machines en apparatuur hadden ingeladen om met de noorderzon te vertrekken. Een wonderlijk idee, als je erover nadenkt, en best begrijpelijk ook – ik begin ook wel eens ergens aan waar ik halverwege geen zin meer in heb, wie niet? Bij een groot, openbaar werk zie je het zelden, maar misschien zou het juist wel vaker moeten gebeuren; het heeft ook iets moois. Opgegeven, te groot, te ingewikkeld, geen zin meer, laat maar. Weer later bracht ik opnieuw een bezoek aan de Piramide. Nu lag ze er precies zo bij als de eerste keer dat ik haar zag. Alsof alle pogingen haar in oude glorie te herstellen een droom waren geweest.
==
*
==
De belangrijkste boekwinkels van Parijs liggen aan de Boulevard Saint-Germain, vlak bij de twee beroemdste cafés van Parijs, Les Deux Magots en Café Flore. Het is waarschijnlijk geen toeval dat ik de namen van die kroegen wél weet, maar de namen van die boekwinkels altijd vergeet.
Een paar jaar geleden vond ik in een van die winkels een boek dat handelde over Napoleons tijd op Sint-Helena. Het was een boek met veel foto’s van soldaten en landschappen en ik had de indruk dat het ging over een film die daar gemaakt was; de foto’s waren stills. Ik was niet erg geïnteresseerd, en ik had haast, natuurlijk, dus ik bladerde het boek nogal snel door. Daarbij passeerde ik een pagina waarop in koeienletters een Nederlandse naam stond: Dirk van Hogendorp. De naam stond er als een soort uitroep, een kreet van verontwaardiging. ‘Hij wel, die Dirk van Hogendorp, en wij niet! Hij staat wel in het testament van de keizer, en wij niet! Schande!’
Hé, dacht ik.
Maar daar liet ik het bij en ik bladerde nog wat verder en zette het boek terug. Met al die foto’s erin kon het geen nuttig historisch werk zijn. En bovendien had ik dus haast, al zou ik niet meer weten waar ik dan heen moest, misschien wel naar het Gare du Nord om de trein naar Amsterdam te halen.
In de maanden die volgden moest ik vaak aan het boek denken, en vooral aan Dirk van Hogendorp – een naam die mij zeker iets zei, want ik heb in Amsterdam jaren vlak bij een Van Hogendorpstraat gewoond. Toen ik eindelijk het denken omzetten in actie, kwam ik er snel achter dat de straat niet naar Dirk, maar naar zijn broer Gijsbert is vernoemd, en die Gijsbert was aan het begin van de negentiende eeuw een van ’s lands meest vooraanstaande orangisten. Hij was in 1813, na het vertrek van de Fransen, een van de opstellers van de nieuwe grondwet.
Maar Dirk?
Dirk was zijn jongere broer, en het zwarte schaap van de familie. Samen met zijn broer was hij opgeleid in Duitsland. Hij had een aantal jaren bij de marine gediend en was toen zijn vader gevolgd naar Nederlands-Indië, waar senior een grote rol speelde in de voc. Dirk ging dat ook doen, maar werkte zich al snel in de nesten door gerotzooi met vrouwen en machtspelletjes. Bovendien kregen de ideeën van de Franse Revolutie greep op hem, en hij schreef op de terugweg naar Nederland (ontslagen inmiddels) een vlammend verhaal over de misstanden die hij aantrof op Java. Hij schreef er ook een toneelstuk over, Kraspoekol of De Slavernij. Een Tafereel der Zeeden van Neerlands-Indiën, dat in 1801 in Den Haag werd opgevoerd. Bij de première werd de auteur uitgejouwd en de uitvoering werd na het eerste bedrijf gestaakt.
Maar Nederland was veranderd, en naar Frans model een republiek geworden, en Dirk hield het hoofd boven water: in 1803 werd hij als ambassadeur naar Sint-Petersburg gestuurd en een jaar later was hij lid van de Raad van State en weer wat later zelfs minister van Oorlog, onder Lodewijk Napoleon. Als Frankrijk de Nederlanden inlijft, komt Dirk in het vizier van de kleine keizer – en als die in 1810 een bezoek brengt aan Nederland is Dirk van Hogendorp zijn aide-de-camp én graaf van het keizerrijk. Dat was nog eens carrière maken.
In 1812 neemt Napoleon Van Hogendorp mee naar Rusland. Hij wordt gouverneur van Vilnius – een stad die tijdens de erbarmelijke terugtocht van de Grande Armée een belangrijke rol heeft gespeeld. Hier lagen de wintervoorraden, tonnen voedsel en kleding. Dirk had het zo georganiseerd dat alleen kleine eenheden Franse troepen de stad binnen konden; de rest moest buiten in de sneeuw wachten tot ze aan de beurt waren. Nog niet zo lang geleden werd in een buitenwijk van Vilnius een massagraf met duizenden lijken opgegraven – men dacht dat het slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog waren, maar het waren soldaten van Napoleon, slachtoffers van Dirks geweldige organisatie, zou je ook kunnen zeggen. Desondanks benoemde Napoleon hem tot gouverneur van Hamburg, een stad waar grote bloedbaden werden aangericht; volgens Dirk door maarschalk Davout, volgens Davout door mannen van Dirk.
De keizer ging naar Elba en Dirk ging terug naar Den Haag, waar zijn broer inmiddels betrokken was bij de organisatie van een nieuwe Oranjemonarchie. Voor Dirk was er niets te doen, en net als eerder werd hij weer met de nek aangekeken – tot in april 1815 Napoleon op de kust van Zuid-Frankrijk landt en het gedonder opnieuw begint. Dirk haast zich naar Parijs, verkleed als matroos, en biedt zijn diensten weer aan. Napoleon benoemt hem tot gouverneur van Nantes, waar Dirk, inmiddels 54 jaar en met twee huwelijken en vele maîtresses achter de rug, verliefd wordt op een vijftienjarig meisje, een aanzienlijke burgerdochter. Aanvankelijk lijkt een huwelijk tot de mogelijkheden te behoren, maar na Waterloo is alles voorbij en wie weet eindigde het meisje met de geschonden eer wel in de galerieën van het Palais Royal in Parijs, tussen de hoeren.
Dirk van Hogendorp ging nu moeilijke jaren tegemoet, maar toch bleef hij avontuurlijk en in 1816 vertrok hij naar Brazilië om in de buurt van Rio de Janeiro een plantage te beginnen. Met pijn en moeite en veel gebedel bij zijn familie krijgt hij het geld rond, maar de plantage mislukt en hij schrijft zijn memoires, ondertussen konkelend met Portugezen in Brazilië die daar een onafhankelijk keizerrijk willen stichten; een post als minister van Buitenlandse Zaken ligt voor hem in het verschiet. Maar voor het zover is, gaat Dirk dood, zonder dat hij weet dat hij in het testament van zijn held met 100.000 goudstukken is bedeeld.
Dit alles is waar gebeurd, ha. Maar dat boek waarin ik voor het eerst de naam van Dirk van Hogendorp zag staan, heb ik nooit meer gevonden. Al een paar keer was ik in Parijs, in dezelfde winkels – en het lijkt wel van de aardbodem verdwenen. Misschien heb ik het wel nooit in handen gehad, denk ik wel eens – het moet niet gekker worden. Meer dan een komma in het verhaal van Napoleon is Dirk van Hogendorp niet. Maar wel een mooie komma, ik blijf aan hem denken.
==
*
==
Zoals ik ook vaak aan Lodewijk denk, de broer van Napoleon en de eerste koning van Holland. Hij was een zeer eenzaam man, maar eenzaamheid en koningschap horen bij elkaar. Ter verdere complicatie had Lodewijk ook nog eens een broer die alles beter wist en een karakter dat neigde naar melancholie en chagrijn. Bovendien leed hij aan reumatiek en was hij gedeeltelijk verlamd als gevolg van een verwaarloosde geslachtsziekte. De enige vriend die hij in Holland maakte, was een hond die tijdens een werkbezoek aan Tiel in zijn koets sprong en die hij prompt naar die plaats vernoemde.
Tiel was in het Paleis op de Dam en in de tuinen van Huis ten Bosch niet erg geliefd. Hij blafte naar iedereen, en vloog voorbijsnellend personeel in de broekspijpen. Hij at van tafel en sliep op Lodewijks lamme voet. De koning geloofde dat daar een heilzame werking van uitging, zoals hij ook geloofde in moedermelk. In Lodewijks gevolg bevond zich daarom een min.
Wat zijn vrouw Hortense daarvan vond, is onbekend, maar wat we wel weten is dat zij nauwelijks van haar man hield, en nog minder van Holland, dat ze koud, kaal en zuinig vond. Het grootste deel van haar regeerperiode bracht ze daarom elders door, in Parijs, in Duitsland, in de Pyreneeën, in Laken bij Brussel. Overal was het beter dan in Holland, waar zij zich zo treurig voelde.
De eenzaamheid van een koningin, en een koning, is door Hortense in haar memoires indrukwekkend beschreven. Men zit voortdurend aan tafel, maar men zegt niets tegen elkaar. Na de maaltijd, die uren duurt, neemt de koning zijn zoontje op schoot en speelt hij urenlang met één vinger piano. Daarna brengen lakeien de speeltafels binnen en is het kwartetten geblazen. Soms loopt de koning met zijn zoontje naar het bordes om naar de bevolking te zwaaien.
Om een uur of tien ’s avonds is het tijd voor het eerste en enige woord dat koning en koningin tot elkaar spreken: ‘goedenacht’. De koning begeeft zich dan naar zijn vertrekken, in de uiterste zuidoostelijke hoek van het paleis, en de koningin naar de hare, in het noordwesten, die uitkijken op de Nieuwe Kerk en een stinkende gracht. Daar leest ze nog wat, ze hield erg van spookverhalen, en borduurt ze bij de haard, die walmt dat het een aard heeft. Hun kind brengt de nacht elders in het koude, vochtige paleis door.
Uiteindelijk ontvluchtte de koningin haar koning en haar koninkrijk en bleef Lodewijk alleen achter, met Tiel de hond. Napoleon was inmiddels zo ontevreden met zijn broers verrichtingen als koning dat hij besloot Holland bij Frankrijk in te lijven. In juli 1810 deed Lodewijk afstand van de troon. Een paar dagen later verliet hij het land. Aan zijn ellende kwam daarmee geen einde, trouwens, want na een paar dagen reizen sloeg bij Hannover zijn koets om en daarbij werd de hond Tiel tussen de wielen vermorzeld. Nu was Lodewijk pas echt heel eenzaam, al voelde hij zich ook best een beetje bevrijd van dat vreselijke koningschap en zou hij later zijn hart verpanden aan een mooi, zestienjarig, Italiaans meisje dat hij in onbegrijpelijke gedichten bezong.
Het grote schilderij
Een van de beroemdste schilderijen in het Louvre is Le Sacre de Napoléon van David. Het is zo’n schilderij dat iedereen kent, maar je hoeft het niet gezien te hebben. Het maakt deel uit van het collectieve geheugen. Napoleon, gekleed in een lange, wit-gouden mantel en met een gouden laurierkrans in het korte, zwarte haar, plaatst zijn vrouw, Joséphine, de kroon van keizerin op het hoofd; zij zit devoot geknield voor hem, in een lange jurk met sleep. Achter de keizer zit paus Pius vii die een zegenend gebaar maakt. Tientallen mensen kijken toe; ministers, familieleden (onder wie Napoleons moeder, die in werkelijkheid afwezig was, omdat zij zo’n hekel aan Joséphine had en haar de kroon niet gunde, maar die per se van Napoleon op het schilderij moest), militairen, kardinalen. De scène speelt zich af in de Nôtre-Dame.
Het schilderij is enorm groot, bijna 6 bij 10 meter, en het is zo gemaakt dat je als toeschouwer het gevoel hebt dat je erin stapt. Om dat effect te versterken liet David toen het voor het eerst tentoon werd gesteld grote spiegels in de zaal plaatsen. Dat was in 1808 en niet lang daarna liet Napoleon zich scheiden van Joséphine om te trouwen met de Habsburgse Marie-Louise en verdween het schilderij in de kelders van het Louvre, hoewel het ook nog een tijd in Brussel schijnt te zijn geweest, waar David zich in ballingschap terugtrok toen Napoleon in 1814 en opnieuw in 1815 zijn macht verloor. Daar, in Brussel, werkte David aan een paar kopieën van het schilderij, bestemd voor de handel met Amerika, waar een levendige belangstelling was voor Napoleon.
Allerheiligen is voor veel Fransen een ideale dag om een bezoek te brengen aan het Louvre, want het is een vrije dag. De zaal van Le Sacre puilde dan ook uit van de mensen toen ik er binnenkwam. Hartveroverend was een vader van een jaar of veertig die zijn zoontje van vijf langs de tekeningen en schetsen van David leidde en iedere keer vroeg: ‘C’est qui, ça?’ Dan wees hij met zijn vinger.
‘C’est uh...’ mompelde het jongetje verhit en zoekend naar het juiste antwoord, ergens op zijn kleine harde schijf.
‘C’est Jooo...’
‘séphine,’ maakte de dreumes dan af.
Het Louvre besteedt een hoop aandacht aan de wordingsgeschiedenis van het schilderij. Heel opmerkelijk is dat David zich niet aan de opdracht heeft gehouden. Hij moest de kroning van Napoleon schilderen, maar schilderde de kroning van Joséphine. Hij maakte wel allerlei voorstudies van Napoleons zelfkroning; eentje zelfs met olieverf op hout die pas in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd ontdekt, ónder een portret van paus Pius en kardinaal Caprara, een schilderij dat in Philadelphia hangt.
Met röntgenfotografie hebben deskundigen ontdekt dat David de twee geestelijken gewoon over Napoleon en de geknielde Joséphine heen schilderde. Heel geestig, maar ook een beetje spookachtig, is het beeld van een stoere Napoleon die met het zwaard in de ene hand en de kroon in de andere hand op het punt staat zichzelf te kronen. Het hoofd van de keizer schemert door in het voorhoofd van de paus, de kroon in zijn knuist hangt in Pius’ borstelige wenkbrauw. Een aantal voorstudies, houtskool op papier, hebben ook de zelfkroning als onderwerp; Napoleon naakt die zichzelf kroont, Napoleon in een caesariaans gewaad, met op de achterkant van het papier, doorschemerend, een dwaze kermisklant met dikke neus en horrelvoet.
Het verhaal wil dat David van zijn robuuste, agressieve voorstelling van zaken afzag op advies van zijn leerling Gérard; die vond het serener, nobeler en vooral gewoon mooier om de keizer zijn vrouw te laten kronen; dan lag zij daar ook niet voor niets op haar knietjes. Volgens Napoleon was het Joséphine zelf die David zo gek kreeg haar de hoofdrol in het schilderij te geven; het was háár afscheidscadeau aan de man die haar dumpte omdat ze geen kinderen van hem kon krijgen, én haar afscheidscadeau aan het Franse volk. Maar dit zei hij pas toen hij op Sint-Helena zat en het verraad van zijn tweede vrouw, Marie-Louise, duidelijk was – zij liet na zijn eerste verbanning naar Elba nooit meer iets van zich horen. Tegen David was Napoleon overigens lovend, althans in het openbaar. ‘U hebt zichzelf overtroffen, u heeft van mij een ridder gemaakt.’ Binnenskamers was hij minder tevreden. Hij vond zichzelf te dik.
Joséphines cadeau is succesvol geweest. Zij is in Frankrijk minstens zo populair als keizerin Sissi in Oostenrijk, vele malen populairder dan haar opvolgster Marie-Louise, die hautain en koel was, en ook veel populairder dan keizerin Eugénie, de vrouw van Napoleon iii. Zij is nog altijd geliefd, bij kinderen, ouden van dagen en dames die van mode en tuinieren houden – twee terreinen waar zij veel invloed heeft uitgeoefend. Malmaison trekt duizenden bezoekers per jaar. Haar dood in 1814 wordt nog altijd ieder jaar met missen herdacht. Zij is een icoon geworden, vijfjarigen kennen haar naam.
De minimaarschalk
Ik ben nooit van het tinnen soldaatje geweest, maar het kan natuurlijk nog komen. Tinnen soldaatjes zijn namelijk niet voor kinderen, maar voor volwassen mannen.
Als kind speelde ik veel met soldaatjes, maar ze waren van plastic. Behalve dat waren ze piepklein, een lullig centimetertje groot, hooguit. Ik had er veel, dozen vol – gele soldaatjes, blauwe soldaatjes, grijze soldaatjes, groene soldaatjes. Rode en witte soldaatjes bestonden niet. Het was de bedoeling dat je de soldaatjes beschilderde, maar daar vond ik ze te klein voor. Achter op de dozen waarin ze werden verkocht stond precies welke kleuren verf je moest kopen, en hoe je welk onderdeel van het minuscule mannetje moest beschilderen, uiteraard met een piepklein kwastje, maar ik moest er niet aan denken.
Mijn favoriete soldaatjes behoorden tot het Amerikaanse leger, te herkennen aan de helm die inmiddels is vervangen door een helm die heel erg op de oude Duitse helm lijkt, een verwarrende, maar ook wel veelzeggende innovatie. Op de tweede plaats stonden de soldaatjes van het Engelse Afrika-leger, te herkennen aan de korte broek, de hoge sokken en de slappe petjes. Aan de Duitsers had ik een hekel natuurlijk, maar het meest van al haatte ik de Japanners, die dan ook geel waren en zelfs in het klein over gemene spleetogen beschikten.
Wat deed ik ermee?
Welnu, oorlog voeren.
Het liefst deed ik dat in de tuin, maar omdat de mannetjes zo klein waren, had ik natuurlijk maar heel weinig tuin nodig; een halve vierkante meter was meer dan genoeg; drie kiezelstenen konden een rotsformatie verbeelden, een graspol was een levensgevaarlijk woud, een schep zand uit de zandbak een woestijn. Het enige wat ik hoefde te doen was al mijn soldaatjes strategisch opstellen en dan konden de vijandelijkheden losbarsten.
Ik moest hieraan denken toen ik in Parijs in de binnentuin van het Palais Royal tegen de winkel van Les drapeaux de France aan liep, hét walhalla voor de verzamelaar van tinnen soldaatjes, in het Frans: soldats de plomb. De etalage van de zaak stond vol kleine huzaren, grenadiers, lansiers, infanteristen, mannen te voet en mannen te paard, prachtig beschilderd, met de meeste nadruk op de uniformen en iets minder aandacht voor de kleine, vaak bebaarde gezichten die grotendeels schuilgingen onder petten, hoeden, helmen, hoofddeksels voorzien van de mooiste pluimen.
Ik naar binnen.
Daar was het nog erger, of zo je wilt: nog mooier. Langs alle muren hingen vitrines vol soldaten, in rotten en slagorde opgesteld, wat vermoedelijk de essentie van het spelen met tinnen soldaatjes is – je moet ze groeperen, zoals ze tweehonderd jaar geleden ook gegroepeerd ten strijde trokken; in colonne of op lijn, schaakstukken in dienst van hun keizer. Behalve ondergeschikten in soorten en maten, hebben ze bij Les drapeaux de France ook de napoleontische legerleiding in het klein; alle maarschalken in hun mooiste uniformen.
En: de man zelf.
Die is er in soorten en maten, maar meestal te paard met zijn hand in zijn lange jas. Ook kun je hem zittend kopen; dan zit hij weggezakt in een stoeltje broeierig voor zich uit te kijken. Hij is er ook staand, weer met die hand in die jas gestoken. Volgens sommige schrijvers duidt die hand erop dat hij altijd buikpijn had, of last van zijn lever. Anderen houden het erop dat hij kouwelijk was aangelegd, weer anderen dat de hand in de jas een teken van beschaving was. We zullen het fijne ervan nooit weten, wat mij prima bevalt.
Ik kocht maarschalk Ney.
65 euro, zes centimeter hoog.
Mooie, lange groene jas, afgezet met bont, gouden sluitingen, hoge laarzen, sabel in de hand, andere hand wijzend, witte handschoenen, zwarte steek op het hoofd, duidelijk zichtbare, rossige bakkebaarden, vurige blik in de toch moeizaam opgeschilderde ogen.
Ney is een wonderlijke figuur. Hij is vooral de held van Rusland, waar hij in 1812 het commando voerde over de troepen die rugdekking moesten geven aan de terugtrekkende Grande Armée. Daarvoor had hij zich al onderscheiden tijdens de slag bij Borodino. In het Louvre hangt een klein, aangrijpend schilderijtje van Ney: Le Maréchal Ney à la Redoute de Kovno van Denis Auguste Marie Raffet. Daarop zien we de maarschalk met een lange, rode baard in een ondergesneeuwd landschap bij een hek staan. Hij wijst in de verte, waar in de mist de schimmen van mannen te paard te zien zijn. De maarschalk draagt een lange jas, hoewel: eigenlijk gaat hij gekleed in lompen, net als de hem omringende soldaten, een handjevol. Ook liggen er wat lijken in de sneeuw. Ney heeft een musket in de hand, de bajonet op de loop. Hij denkt niet aan opgeven.
Twee jaar later gaf Napoleon wél op, en hij vertrok naar Elba. Maarschalk Ney bood zijn diensten aan aan het nieuwe regime, en kreeg een hoge functie. Amper een jaar later zette de keizer weer voet op Franse bodem om een spectaculaire comeback te maken. Ney kondigde aan hem te zullen stuiten, sterker nog: in een ijzeren kooi zou hij het monster door de straten van Parijs voeren. Maar toen hij met zijn troepen tegenover Napoleon stond, kreeg hij een brief van zijn voormalige bevelhebber waarin hij werd gemaand zich terstond te melden. ‘Ik zal u ontvangen zoals ik u ontving na Borodino.’ Dat was te veel voor Ney en hij liep met zijn hele leger over, wat meteen het einde van het bewind van de dikke, bange Lodewijk xviii betekende.
Een paar maanden later speelde Ney opnieuw een hoofdrol, nu bij Quatre-Bras en twee dagen later bij Waterloo – waar hij er maar niet in slaagde eervol en strijdend te sterven. Het ene paard na het andere werd onder hem weggeschoten, maar zelf bleef de maarschalk ongedeerd, tot zijn eigen verdriet. Na Napoleons vertrek naar Sint-Helena werd Ney gearresteerd en als landverrader ter dood veroordeeld. In de vroege ochtend van 7 december 1815 werd hij tegenover het Observatoire aan de zuidpunt van de Jardin du Luxembourg geëxecuteerd. Hij gaf het vuurpeloton zelf bevel te schieten, en legde de hand op het hart om de jongens duidelijk te maken waar ze op moesten richten. Toch schoten drie soldaten hem in zijn gezicht, en eentje schoot hoog over. Die kogel is nog steeds in de muur te zien.
En nu staat hij op mijn bureau, maarschalk Ney. Het is even wennen, maar af en toe til ik hem op om me te laten verrassen door zijn gewicht. Hij is veel zwaarder dan je van zo’n klein poppetje zou denken, maar dat is het lood, hetzelfde spul als waar ze kogels van maken. Dat schiet dan altijd even door me heen.
De zaadvraag
Hij was zijn vrouw niet trouw, de man. Na de eerste maîtresse volgden er meer, want dat is het lot van de maîtresse – zij is nooit voor altijd, nooit de enige. Na Pauline Bellilotte kwam een lange stoet actrices, zangeressen, vrouwen van anderen, hofdames van de keizerin en beroepsmaîtresses.
Goed in bed was hij niet.
Hij had altijd haast.
Charmant was hij de ene keer wel, de andere keer niet. Beroemd is de anekdote over juffrouw Duchesois – hij liet haar halen en toen ze er was, kwam een bediende het hem zeggen. ‘Laat haar maar even wachten,’ zei hij. Een uur later kwam de bediende opnieuw, de juffrouw vroeg wat ze intussen moest doen. ‘Laat ze zich maar uitkleden,’ zei de man. Weer een uur later, opnieuw de bediende: wat nu? ‘Laat haar maar weer gaan,’ antwoordde Napoleon – hij keek niet eens op van zijn werk.
Wat hij erg waardeerde in vrouwen was speelsheid. Hij hield erg van tikkertje spelen, kietelen, stoeien. Hij maakte er een uurtje voor vrij in zijn drukke agenda – en dat was het, zoals hij ook iedere dag twee uur of meer vrij maakte om in stomend hete baden te zitten – een gewoonte die volgens sommigen zijn vruchtbaarheid aantastte; testikels zijn niet voor niets buiten het lichaam geplaatst – zij moeten niet te warm worden.
Vanaf het moment dat hij zichzelf tot keizer uitriep, in 1804, begon die vruchtbaarheid een belangrijke rol te spelen in zijn betrekkingen met het andere geslacht. Dat kwam vooral omdat Joséphine maar geen kind van hem kon krijgen. Omdat ze wel twee kinderen van een ander had, onder wie Hortense, getrouwd met Napoleons broer Lodewijk, begon de keizer aan zijn zaad te twijfelen. En niet alleen hij natuurlijk; heel zijn familie en uiteindelijk heel Frankrijk maakte zich er zorgen over – zonder zoon geen troonopvolger, en wie zou dan het purperen kleed om krijgen? De zoon van Joséphines dochter Hortense? Een kind van Caroline, zijn zus, die getrouwd was met Joachim Murat, de cavalerieartiest? Eugène, de zoon van Joséphine, die Napoleon adopteerde?
Prangende vragen.
Vooral voor de broers en zussen van de keizer, die een ontzettende hekel aan Joséphine hadden, van die rechtgeaarde platte hekel die mensen die op de maatschappelijke ladder omhoog vallen nu eenmaal hebben aan hen die hun plaats op die ladder al hebben verworven en er als vanzelfsprekend mee omgaan. Wat dat betreft waren de Bonapartes parvenu’s en nouveaux riches van het zuiverste water, woorden overigens die in die jaren voor het eerst werden gebruikt. Wat ze Joséphine in feite verweten was dat ze het beter voor elkaar had dan zij én dat zij een leven had gehad vóór ze Napoleon ontmoette, een leven oneindig veel hoger op de maatschappelijke ladder dan de Bonapartes ooit zouden komen. En dus was de hele familie vanaf dag één bezig Joséphine verdacht te maken en op een zijspoor te dirigeren.
Nare mensen.
Aanvankelijk had Napoleon geen hof en geen hofhouding. Hij was een hardwerkende jonge generaal, trouw aan de principes van de Revolutie. Naarmate zijn successen groter werden (en een van zijn eerste grote successen was de vrede van Amiens, die na Marengo werd gesloten en Europa in een periode van grote voorspoed stootte), begon hij meer te hechten aan pracht en praal; uniformen, koetsen, galadiners, spectaculaire ontvangsten van buitenlandse gasten, parades, kunst aan de muur. Maar omdat het koningshuis kortgeleden was afgeschaft en de upper class ofwel onthoofd door de guillotine, dan wel het land uit gejaagd, moest hij het wiel opnieuw uitvinden, en vooral: roeien met zijn eigen riemen, wat betekende dat hij een nieuwe adelstand maakte die bestond uit zijn trouwste militairen en politieke vazallen. Zo werden bakkerszonen, huurlingen, slagersknechten, speculanten en voormalige priesters graaf of hertog en beladen met rijkdommen. Maar die mensen wisten natuurlijk niet hoe je je moest gedragen als je rijk was – het best laat zich het leven aan het hof van Napoleon dan ook vergelijken met de reallifesoaps van de Pfaffjes of Frans Bauer: mensen die zich wentelen in weelde, met geen idee in hun hoofd en niets anders omhanden dan de volgende auto of alweer die vervelende, bemoeizuchtige broer die belt.
Het was niet leuk aan het hof.
Het was zelfs ronduit saai, en vaak beklemmend. Behalve dineren, converseren, kaarten en borduren was er niets te doen. Het duurde uren voor iedereen in de juiste opstelling zat om te dineren en als Napoleon dan eindelijk binnenkwam en ging zitten, at hij volkomen ongeïnteresseerd uit de schalen die op tafel het dichtstbij stonden en verliet dan boerend de zaal weer. Een kwartier, langer wilde hij niet aan tafel zitten.
Tegen zijn vrouw werd hij steeds onaardiger – vooral als hij weer eens een affaire was begonnen. Hij vernederde haar waar anderen bij waren, beschuldigde haar ervan expres niet zwanger te willen worden, noemde haar oud en lelijk waar anderen bij waren, hekelde voortdurend haar jaloezie.
Was hij het aanvankelijk geweest die jaloers was, naarmate hun huwelijk vorderde, werd zij het steeds meer, altijd bang dat hij een ander zou vinden die hem een zoon kon geven, altijd bang voor zijn vreselijke familie. Tegelijkertijd klampte ze zich steeds wanhopiger aan hem vast en groeide ze in de ogen van het volk tot de vrouw die hem geluk bracht, de muze die hem zijn overwinningen influisterde. Maar hoe groter de overwinningen op het slagveld, hoe prangender de vraag: wie volgt de keizer op als hij onverhoeds sneuvelt? Wat is een dynastie zonder een opvolger, en wat is een vrouw die geen kinderen kan baren?