de bloedhonden
Vera waste haar handen onder de kraan – water was er nog, water in overvloed, de enige luxe die ze nog tot hun beschikking hadden. Met handenvol wierp ze het koude water in haar gezicht om tot haar positieven te komen, stroopte haar mouwen op en boende haar naakte onderarmen tot ze rood en gloeiend waren om elke fysieke herinnering, elk spoor van de lucht van hun mannenlijven, hun uniformen van zich af te wassen, de lucht van die bloedhonden die in alle vroegte waren binnengedrongen om hun huis overhoop te halen en in alle hoeken te speuren met het teken van de dood in hun pupillen.
Op een wenk van Johanna: ga met ze mee, doe gewoon – alsof zij beiden een bepaalde stijl, een soort gastvrijheid tegenover de indringers moesten handhaven – had zij de ss’ers rondgeleid. Zij liet ze bereidwillig iedere kamer zien, opende de deuren van elke kast, maar niet al te snel, ze moesten tijd zien te rekken. Een aantal van de kasten zat op slot en dat wekte de argwaan van de ss’ers die uit frustratie tegen de deuren trapten, maar het oude trouwe huis was solide, de deuren gaven geen krimp. Een van de kerels greep haar bij de pols en schreeuwde iets in haar oren waarvan niet de betekenis, maar de klank haar duidelijk maakte dat er iets dringend van haar geëist werd. Met een ss’er op haar hielen liep ze de trappen af naar de benedenverdieping waar haar moeder in peignoir kwijnend tegen de deurpost van de salon leunde en de aandacht van een officier afleidde door hem allerlei dwaalspoorachtige verhalen te vertellen. Vera vroeg haar naar de sleutelbos waarmee de laatste kasten geopend konden worden. Theatraal hief Johanna haar handen omhoog: ‘Ik denk in het bureau van je vader...’ en toen Vera onverrichter zake terugkwam, richtte zij zich met een ‘Verzeihen Sie mir...’ tot de officier en zei tegen Vera: ‘Misschien boven in de linnenkast!’ Dit alles vormde een spel tussen hen beiden dat zij met dodelijke ernst ten beste gaven, terwijl ze boven hun hoofden de laarzen hoorden rondstampen en een beeld voor ogen kregen van de liederlijke wanorde die daar ontstond omdat de ss’ers hun bajonetten in de bedden staken, in de klerenkasten, zelfs in het kolenhok, in hun ijver de prooi op te sporen.
Inmiddels speelde zich in Vera’s hoofd een ander scenario af: kleine Tristan die op zijn moeders verzoek kalmpjes de trap was afgelopen, moest zijn eigen missie gaan vervullen: door de laan naar nummer 16 lopen – onthoud dat goed: nummer 16, had Johanna hem ingeprent – waar een longarts woonde die nog over telefoon beschikte. Daar moest hij melden dat zijn vader door de ss werd gezocht en vragen of die meneer het Gerechtshof wilde bellen om zijn vader te waarschuwen. En hij, de dromerige, altijd wat wereldvreemde knaap had, zoals naderhand zou blijken, zijn missie met overleg en koelbloedigheid volbracht. Hij had zijn jasje aangetrokken en zijn schooltas gepakt alsof de school nog altijd in functie was en niet al maanden gesloten wegens gebrek aan kolen en elektriciteit – ook hij een radertje in het spel dat zijn moeder bliksemsnel had ontworpen op het ogenblik dat zij de overvalwagen voor de deur had zien staan. Een kleine jongen die naar school ging wekte geen argwaan, terwijl zij en Vera hun komedie speelden van angstige vrouwen die hun man en vader ergens in een geheime schuilplaats hadden verstopt. De wachtpost voor de deur liet hem gaan en Tristan omzeilde dat massieve lijf om op weg te gaan naar nummer 16.
Toen de huiszoeking zonder resultaat bleef, kwamen de ss’ers in tweestrijd. Immers indien de vogel was gevlogen moesten zij in allerijl naar het Gerechtshof om hem daar in de boeien te kunnen slaan. Johanna had de officier verteld, terwijl ze nog altijd tegen de deurpost leunde – zij was ziek, zei ze en sloeg haar ogen met hulpeloze blik naar hem omhoog – dat haar man altijd matineus was en al vroeg de deur was uitgegaan om zich te voet naar zijn werk te begeven, hij was altijd zo plichtsgetrouw; een hele stroom lukrake Duitse woorden viel van haar lippen alsof ze daarmee die Duitser tegenover haar als een spin in haar web kon inspinnen. En tegelijkertijd speelde zij de argeloze dame die geen weet had van de boosheid van de wereld of zelfs maar van de mogelijke fatale uitkomst van deze huiszoeking. Had dit tot resultaat dat de officier zich ongemakkelijk begon te voelen en zijn dreigend vertoon intoomde? Hoe het zij, hij floot zijn manschappen terug, maakte een onhandige buiging voor Johanna, een overblijfsel van hoffelijk gedrag uit een ander tijdsgewricht, en leidde zijn mannen de trappen af. Vera en Johanna hoorden buiten in de sombere winterochtend de motor van de overvalwagen aanslaan en vervolgens viel de stilte in. Stilte van een verlamde stad, waarin zich slechts een enkele verdoolde ziel voortbewoog met een slee of handkar over het ijsdek van de straat.
vera en de januskop
Op de reclamezuil die op de hoek van de Amstelveenseweg en de Koninginneweg stond, zag zij een aanplakbiljet met daarop het beruchte ss-teken: twee bliksemschichten die in haar geest insloegen. Versteend bleef ze staan, maar het scheen of de zwarte letters buiten proportie groot werden en haar naar zich toe zogen: bekanntmachung. der höhere ss- und polizeiführer nordwest gibt bekannt. Daaronder volgde een rij namen, maar de afstand was te groot, of haar geest te verward om die te kunnen lezen.
Haar lichaam wilde rechtsomkeert maken, wilde die zuil van zich afduwen, hem uitwissen, het leek of denken een te zware opgave was, of haar geest vluchtte in een leegte. Zij wilde toegeven aan een flauwte die zich prikkelend aankondigde op haar koude huid, maar ze bezwijmde niet, het bleek onmogelijk het barmhartige moment te bereiken waarop ze niets meer zou weten, niets meer zou voelen, en die fatale zuil niet langer zou bestaan.
Maar hij bestond, zijn plompe aanwezigheid was onontkoombaar. Hoe dikwijls had zij de namen onder het hatelijke ss-teken niet met een woedende opwinding gelezen, maar het waren altijd namen van onbekenden gebleven. Nu dreigde iets anders, nu dreigde een zwart gat dat zich voor haar voeten zou openen. Ze had een vluchtige gedachte hoe zij dit: de dood van haar vader, van die aanwezigheid die er altijd in hun leven was geweest, aan haar moeder en broertje zou moeten melden. Het bleef echter een ongrijpbare gedachte waaraan ze geen vorm wist te geven. Had Johanna enig vermoeden gehad van deze dreigende rampspoed en had zij haar, Vera, onkundig willen laten zo lang dat mogelijk was? Nu viel er aan de waarheid niet langer te ontkomen, nu kondigde het noodlot zich aan in zwarte letters op de aanplakzuil; het onherroepelijk voortsnellen van de tijd kon geen halt worden toegeroepen.
Het noodlot had een Januskop: ja of nee. Dood of niet dood.
Zij waagde een stap dichterbij, recht voor zich uit. Bijna was ze meteen weer blijven staan, zo’n zware beproeving was die stap, toch balde zich iets in haar samen, wilskracht kon je het niet noemen, eerder noodzaak om een einde te maken aan die luchtledigheid, ademnood. Ze las:
Tengevolge van den laffe politieken moordaanslag op den Procureur-Generaal Mr. Dr. Feitsma, werden op 7 februari 1945 als vergeldingsmaatregel de volgende personen standrechtelijk doodgeschoten:
1e de hooggraadmetselaar J. Smuling,
2e de Vice-President van de Arrondissements-Rechtbank alhier, Mr. W.J.H. Dons,
3e de Raadsheer bij het Gerechtshof alhier, Mr. H.J. Hülsmann,
4e de communistenleider en leider van een verzetsorganisatie, J. Bak,
5e de communistische arts C.W. Ittmann, allen te Amsterdam.
Zijn naam stond er niet bij.
Onzeker of zij het wel goed gezien had, zwierven haar ogen nogmaals over de rij namen, haar lichaam ving aan te trillen omdat daaruit plotseling alle spankracht was weggeweken. Hij was ontkomen. Ontkomen aan het vuurpeloton. Rakelings langs de dood gescheerd... Toch kon de angst die zich in haar had vastgeklauwd, niet in een oogwenk worden omgezet in blijdschap, die overgang was te groot. Hooguit siepelde er een gevoel van opluchting in haar binnen, een opluchting die vermengd met afgrijzen en somberte in haar binnenste rondwervelde. Geleidelijk nam die werveling af en werd haar hartklop minder jachtig. Toch zou het beeld van haar vaders dode gezicht zoals dit in dat ene ogenblik aan haar was verschenen, van tijd tot tijd terugkomen – zijn dode gezicht zou een stempel blijven dat eenmaal in haar geest gedrukt, nog jaren later in haar dromen zou opdoemen.
Zij week weg van de zuil, liep met de vuisten gebald in haar jaszakken heen en terug over het trottoir alsof het haar onmogelijk was zich los te scheuren van de namen van de ter dood gebrachten. Door de vermoeidheid, de kou die zich paarde aan haar eenzaamheid, kreeg ze het gevoel, niet dat het veel later was – iets wat nog voorstelbaar zou zijn geweest – maar dat ze buiten de tijd was geraakt. De tijd stond stil, de stad lag gestold om haar heen, de zwarte bomen strekten hun macabere takken naar de hemel alsof er nooit meer een voorjaar zou aanbreken. Ze deden haar aan die dode mannen denken voor wie de tijd niet meer bestond en wier namen op de zuil stonden alsof zij misdadigers waren geweest.
Wat gebeurde er met hun lichamen? vroeg zij zich af. Dat wat er van hen resteerde en waaraan je hun persoonlijkheid, hun ambt, hun leven nog kortstondig kon aflezen? Werden de lichamen vrijgegeven aan de familieleden? Moesten die hun dode geliefden gaan ophalen bij de ss? Een huivering ging door haar heen bij het visioen dat haar verbeelding opriep: zij zag zichzelf lopen met haar dode vader op een handkar over de beijsde straten... klampte zich echter onmiddellijk weer vast aan de enige zekerheid die ze bezat: mijn vader niet, mijn vader is er niet bij.
Toch sprong één naam tussen die van de terechtgestelden uit de anonimiteit. De naam van de vader van een schoolvriendje waarmee ze dikwijls na schooltijd was opgelopen omdat zijn huis niet ver van het hare aan de Koninginneweg stond: Hülsmann. Die naam maakte het drama tastbaar. Zíjn vader was omgebracht, de hare niet in dit sinistere dobbelspel dat de bezetter met de bevolking speelde. De blijdschap over haar vaders ontsnapping die geleidelijk als een luwe wind door haar heen begon te stromen werd hierdoor getemperd, ze voelde zich verward, bijna schuldig. Hoe kon ze haar vriendje ooit onder ogen komen?
Gedurende de dagen die volgden zou ze heen en weer worden geslingerd tussen de impuls naar haar schoolkameraad toe te gaan om hem te laten weten hoezeer zij met hem meevoelde en anderzijds de neiging dit voorval zonder te reageren te laten passeren.
Zij ging niet. Uit lafheid? Vrees in een situatie verzeild te raken die teveel van haar zou vragen? In de jaren nadien voelde zij soms wroeging wanneer zij aan die bleke jongen dacht met zijn schooltas op zijn rug, die door deze moordpartij vaderloos was geworden, maar herstellen deed zij haar verzuim niet, hetgeen haar gemakkelijk werd gemaakt doordat ze hem nooit terugzag. Mensen verdwenen uit je leven – dat was de werkelijkheid van de oorlog.
ijsbloemen
Arnolds studeerkamer stond nu leeg, was koud, onbezield. Het was een ruimte geweest waarin de boeken, papieren, gedachten, soms de rook van een enkele sigaret, een eigen van de buitenwereld afgescheiden atmosfeer hadden geschapen. Toch had die kamer voor de kinderen nooit iets plechtigs of afwerends gehad, integendeel er heerste een genoeglijke rust. Hun vader zat daar achter zijn paperassen als een tevreden snorrende kater, misschien was hij op die plek in de rust van de avond het gelukkigst geweest, met zijn krasserige kroontjespen tussen wijsvinger en middelvinger geklemd, of in de weer met de rode stempellak die hij druppelsgewijs op de processtukken liet vallen die nog dezelfde avond door de parketwachter zouden worden opgehaald. Zijn hoofd vol problemen die met de rechtspraak en nieuwe ontwikkelingen op dat gebied van doen hadden, niet alleen waar het strafrecht betrof, maar ook het stemrecht voor vrouwen of de verbeterde richtlijnen voor de reclassering – een wereld waarin hij vol animo zijn weg zocht.
Jaren later, toen haar vader al gestorven was, begreep Vera dat hij het met de problemen in zijn gezin veel moeilijker had gehad omdat hij daar geen wetten kon handhaven, geen duidelijke zwart-wit tegenstellingen kon vinden, omdat daar alles gecompliceerder was, verweven met teleurstelling, onbegrijpelijkheid en onbegrip. Daar was hij in een labyrint terechtgekomen van ondoorzichtige zaken: die van de diverse ingewikkelde psychische structuren van zijn echtgenote en bloedeigen kinderen.
Nadat de oorlog was beëindigd en hij de draad van zijn leven weer trachtte op te pakken, sloot hij zijn herinneringen weg achter een vergrendelde deur. Hij praatte nooit meer over het gebeurde noch over zijn gevoelens, in feite wilde hij niets van zijn vrouw of kinderen weten wat hem onaangenaam kon treffen, wat hem kon verwonden. En in zijn ouderdom kwam er zelfs weer een lichtzinnig optimisme over hem, alsof hij alles wilde bedekken met, ja met wat? Niet met de mantel der liefde, maar met een niet willen weten, met een soort onwerkelijk positivisme. Gewoon, hij wilde alles een verfje geven met een vrolijk tintje.
Maar toen zij kleine kinderen waren, vertegenwoordigde de studeerkamer een warm rustpunt voor het slapengaan, een pleisterplaats tussen dag en nacht. De aandacht van hun overbezorgde moeder was, nadat ze hen in bad gedaan en in schone pyjama’s had gestoken, even op iets anders gericht: zij was op de benedenverdieping bezig met het geven van instructies aan het dienstmeisje omtrent de bezigheden van de volgende dag. Onno en Vera, schoongeboend en quasi suikerzoet, hingen tegen hun vader aan en bedelden om een stukje chocola dat zij weggeborgen wisten in de diepe bureaula. Vader plaagde hen, nee, moeder zou dat niet goed vinden... Hadden zij hun tanden al gepoetst? Nee, dan mocht hij hun geen chocola geven.
Tegen de kinderlijfjes evenwel die op zijn knieën klauterden, tegen hun vleiende handjes op zijn gezicht, was hij niet opgewassen. Nu vooruit dan maar, een klein stukje... En dan kwamen de tjoklatrepen tevoorschijn, zes stuks voor een kwartje bij Albert Heijn, tot de oorlog daar een eind aan maakte en de kinderen niet meer voor het slapengaan zijn studeerkamer binnenkwamen.
Nu stonden er ijsbloemen op de ramen. Zonder de papierwinkel van het parket zag zijn bureau er levenloos uit, het koperen stempelleeuwtje dat hun vader altijd in de gloeiende rode lak had gedrukt was dof geworden. Soms dwaalde Johanna naar binnen en streek met een lege blik in haar ogen over de bureaustoel, het vloeiblad, de tinnen inktpot, alsof die stomme voorwerpen haar iets konden vertellen, iets van hem konden terugroepen in zijn vertrouwde gedaante, hier op deze plek waar hij behoorde te zijn. Piekerde hij over haar en de kinderen? Dacht hij na over de noodlottige gebeurtenissen? Was hij slapeloos, ontredderd? Niemand zou nu een hand op zijn voorhoofd leggen om de daarin rondwoelende dromen te kalmeren. Of zat hij in zijn schuilplaats verdoofd op iets eetbaars te kauwen, met het gevoel: ik heb het gered, ik besta nog...?
Nu leek uit het vertrek elk spoor van leven te zijn weggewist, zij had zelfs moeite zich zijn lach te herinneren of zijn knorrige afweer wanneer hij in zijn werk verdiept was en niet naar haar wenste te luisteren. Haar gedachten grepen hulpeloos om zich heen terwijl haar ogen over de doodse voorwerpen gleden, haar adem die in de vrieskou omhoogwolkte, was het enige dat bewoog in de stille kamer. Zij trok zich terug uit deze catacombe en sloot de deur af met de sleutel.
arnold
Hij was niet in staat het fatale beeld van zijn innerlijk netvlies weg te vagen: de bewuste foto, zwart-wit, grof korrelig, die in het illegale krantje Vrij Nederland had gestaan. Ook al richtte hij zijn blik op iets anders, het bleef aanwezig, ook als hij zijn ogen sloot, zelfs wanneer hij sliep. Dat beeld leek in zijn schedel te zijn opgehangen als het achterdoek voor alles wat zich nu verder in zijn leven zou afspelen: hoe ze daar lagen in het plantsoen op de Apollolaan, voorover gevallen in hun versleten colbertjasjes, lang uitgestrekt, de pols van de één vastgeketend aan die van de ander alsof zij misdadigers waren. En tegelijk kwamen ze hem naïef voor, zoals ze met de goeiige onhandigheid van kamergeleerden neergestort lagen op het beijzelde gras. Komend, zoals hijzelf, uit de oude wereld van orde en regelmaat en bovenal van gerechtigheid die nu was versplinterd door onvatbaar geweld, vermalen door het ijzeren regime van de vijand. Een vijand zonder gezicht, met drijfveren en motivaties die uit een onkenbare andere wereld leken te komen. Eén van de twee had geen schoenen aan zijn voeten, alleen sokken, donkere sokken. Dat detail trof hem. Waren die schoenen hem uitgetrokken, of had hij ze door de overijlde haast waarmee zijn beulen hem ter dood wilden brengen niet aan zijn voeten kunnen krijgen? Misschien hadden ze hem gezegd dat hij die toch nergens meer voor nodig zou hebben. Wat maakt het uit of je met koude voeten naar je dood wandelt, of met warme?
Dons en Hülsmann, zijn collega’s. Hoe hadden zij zich gevoeld vlak voor hun overrompelende gewelddadige dood? Hadden zij zich in hun panische verbazing nog gedachten kunnen vormen over hun voorbije leven in die luttele minuten voor hun executie? Of hadden zij gemeend tot op de seconde voor het vuursalvo dat dit niet kón bestaan zo zonder enige aanklacht of veroordeling, dat dit een vergissing of een nachtmerrie moest zijn waaruit ontwaken mogelijk was? Het wegsnellen van de seconden, de laatste teug lucht, hun tijd van leven afgesnoeid door een vlijmscherp mes.
En hij zat hier nog, kauwend op iets ondefinieerbaars dat suikerbiet of aardappel moest zijn, hij kauwde nog, slikte nog, bespeurde nog een sprankje warmte. Zijn perceptie was nog intact. Waarom zij, twee excellente mannen? En hij niet? Toeval? Lotsbestemming?
Fatum. Van dat woord had hij altijd veel gehouden. Het borg een mysterie in zich dat een mens klein maakte, deemoedig. Fatum, afgeleid van het Latijnse fari, spreken. Bij de Romeinen betekende fari: het gesprokene, ook wel godsspraak of orakel genoemd. Hij herinnerde zich hoe zijn leraar Latijn op het gymnasium daarover uitweidde en verteld had hoe fatum de betekenis kreeg van ‘het onafwendbare’, het noodlot. Fatum was iets van de goden geweest en nu regeerden deze nazischoften alsof zij de goden waren die over dood en leven heersten.
Hoe moest het zijn om volstrekt onvoorbereid ter dood te worden gebracht? Zonder dat de geest zich een verhouding kon hebben gezocht tot het eigen sterven? Zonder de waardigheid van een mens die zijn sterfelijkheid onder ogen heeft durven zien? In dat geval was een mens niet veel meer dan een slachtdier – niet eens een offerdier, dat tenminste met ceremonieel ter dood wordt gebracht omwille van een kosmisch idee of mythologisch begrip. Zij waren slachtdieren geweest, willoze slachtdieren...
Ophouden met denken moest hij. Ophouden, ophouden, het dwangbeeld uitbannen.
Hij verlangde naar zijn boekenkast, hij verlangde hevig naar de stemmen van de eerste rechtsfilosofen in de geschiedenis: Socrates en Plato, om zijn geest mee te laven, om die te genezen van zijn bitterheid en wanhoop, weg van de misdadige willekeur en onmenselijkheid die de wereld in een zwijnenstal hadden veranderd. Misschien kon hij in een briefje aan Vera vragen wanneer zij voedsel aan de deur afleverde om de volgende keer, samen met de knolrapen en gerimpelde aardappelen, zijn Politeia mee naar binnen te smokkelen. Hij herinnerde zich hoe hij al op het gymnasium gebiologeerd was geraakt door de logica en de wijze van redeneren van Plato en via hem van diens leermeester Socrates. De twee giganten die hem in zijn studiejaren de weg hadden gewezen door hem het gevoel te geven dat hun richtlijnen aan zijn werk en zijn leven helderheid en redelijkheid konden verschaffen.
Nu hij het fundament waarop zijn bestaan en carrière waren gebaseerd onder zich voelde afbrokkelen, groeide zijn verlangen naar bevestiging van zijn oude denkbeelden. Hij wenste terug te gaan naar die jaren waarin hij in zijn geestdrift had gemeend dat de begrippen over de gehoorzaamheid aan de wet, over de rechtvaardigheid of de ideale staatsinrichting voor altijd gegrondvest waren in een beschaafde samenleving. Was hij een naïeveling geweest? Was mogelijk Plato zelf een naïeveling geweest? Omdat de dingen van deze wereld nu eenmaal niet de weerspiegeling zijn van een ideaal, een droom over vrijheid en menselijkheid? Hoe vaak had hij in de loop van deze oorlog niet gezien dat drijfveren van morele aard, zoals solidariteit, menselijke waardigheid, opofferingsgezindheid, van mensen waren afgevallen als versleten vodden en hoe zij zich nieuwe drijfveren aanschaften die beter bij de huidige omstandigheden pasten en die hun bovendien van een zekere mate van veiligheid en succes verzekerden? En toch... toch bleef in hem de koppige overtuiging dat het fundament van elke menselijke samenleving gebaseerd diende te zijn op gehoorzaamheid aan de wetgeving en begrippen omtrent rechtvaardigheid. Dat bovendien de ideale staatsinrichting ook rekening moest houden met de menselijke onvolkomenheid, zoals Plato in zijn Nomoi, de Wetten, uiteenzette. Dat had hem toentertijd het diepst geraakt, de wijze waarop de grote wijsgeer in zijn glasheldere betogen een plaats voor de menselijke onvolkomenheid had ingeruimd. In zijn afzondering verlangde hij terug naar de kalme tred van Plato’s betoogtrant in diens Dialogen, die een balsem waren geweest voor zijn jeugdige geest – en die dat mogelijk opnieuw konden bewerkstelligen. Toch had het verhaal over de dood van Socrates hem het diepst van alles getroffen. Socrates, veroordeeld tot het drinken van de gifbeker, had de dood hanteerbaar weten te maken, niet door zich voor te doen als een held of zijn dood tot een dramatische gebeurtenis te verheffen, nee, hij had de dood gekleineerd door hem met nuchterheid en kalmte tegemoet te treden. Hij troostte zijn leerlingen en onderwees hen in het aanvaarden van de meest algemene en meest menselijke gebeurtenis in ieders leven: de dood.
Opnieuw moest hij aan Dons en Hülsmann denken. Had de geest van Socrates hen in het ultieme ogenblik bijgestaan door de dood hanteerbaar te maken?
tristan
In het koude huis waren de beide vrouwen achtergebleven, moeder en dochter samen met de kleine Tristan die zijn vader het leven had gered zonder zich daarvan bewust te zijn. De jongen aanvaardde de afwezigheid van zijn vader met evenveel gemak als het verdwijnen van zijn oudere broer. Misschien vatte hij die dubbele verdwijntruc op als van eenzelfde orde waarmee het elektrisch licht was verdwenen en duisternis en kou hun intrede hadden gedaan. Ook zijn school was uit zijn wereld weggewist, kranten bestonden niet langer, de illegale radio was door de Duitsers in beslag genomen. Vroeg hij naar zijn vader of zijn broer? Johanna vond zijn stilzwijgen bevreemdend en trachtte achter de gedachten in dat ronde kinderhoofd te komen. Hij had dezelfde ogen als zijn broer: groen, hoewel lichter van tint en met blonde in plaats van donkere wimpers.
‘Mis je papa?’ vroeg ze.
Hij bezag haar peinzend alsof hij bij zichzelf te rade moest gaan om bij het beeld van zijn vader te komen.
‘Dat weet ik niet zo precies,’ gaf hij ten antwoord onderwijl in zijn neus pulkend, ‘misschien wel...’
Of was dit laatste bedoeld om haar in haar verlangens tegemoet te komen? En Vera? Miste zij haar vader? Of de broer waarmee ze in haar kinderjaren dag in dag uit had gespeeld? Johanna voelde een eigenaardige hulpeloosheid over zich komen. Jij hebt te weinig aandacht besteed aan je oudste zoon, zei ze in gedachten tegen Arnold, je zat altijd maar achter je bureau. Had ook Vera geleden onder zijn mentale afwezigheid? Toch had ze geen lust om daarover met haar dochter in discussie te gaan. Vera was bijna volwassen, meisjes maakten zich los van hun vader – er moest ruimte komen voor andere ervaringen, andere emoties. Niet dat zij die nu kon opdoen... De oorlog had hen ingevroren als kikkers in het ijs, verdoofd wachtten ze of er ooit nog een lente zou komen, of het leven zich weer aan hen zou presenteren, opspringend in hun bloed. Of niet natuurlijk. Of niet.
Er werd gezegd dat de Duitsers bij een overwinning van de geallieerden Amsterdam nooit goedschiks zouden verlaten, maar dat zij de stad zouden platbombarderen en teisteren met sulferbommen die vuurzeeën zouden doen ontspringen. Toch dacht ze er niet over na, de oorlog maakte je fatalistisch. Ze voelde zich merkwaardig rustig, zo samen met Vera en het kind, de altijd gespannen draad van haar zorgelijk gepieker en haar angsten leek te zijn geknapt. Dus dobberden ze de dagen door met onbenullige bezigheden die hen in leven moesten houden. Zoals houtjes hakken voor het noodkacheltje, ‘hoge hoed’ genaamd, een ruilhandeltje gaande houden om iets eetbaars binnen te halen, op de houtenbandenfiets – het laatste vehikel dat nog resteerde van hun rijwielpark – naar Arnolds onderduikadres fietsen om schielijk een zakje suikerbieten of aardappelen in de portiek te dumpen – veelal Vera’s taak, die kriskras door de stad trapte om eventuele achtervolgers los te rijden.
Johanna ontdekte in zichzelf een onvermoede handelsgeest. De triomf die zij ervoer wanneer ze de ring van haar grootmoeder of oorbellen die zij toch nooit droeg, voordelig tegen een paar knolrapen of een pond suiker had versjacherd, droeg bij haar zelfbewustzijn en haar plezier (kun je van plezier spreken in zo’n ellendige tijd?) te vergroten, het animeerde haar zelfs om te lachen, flirterig te praten met louche handelaars die aan de deur kwamen, zodat die haar méér gaven dan aanvankelijk in hun bedoeling lag. Zulke kleine dingen van de oorlog maakten het bestaan draaglijk, ze strooiden wat kruidigheid door de doodse dagen. Soms zei ze tegen Vera, als een samenzweerster: ‘Zullen wij vanavond een kopje échte thee drinken?’ Echte thee, ooit gehamsterd, vijf jaar geleden, een exotische drank uit de archipel van de thee, iets uit lang vervlogen dagen. En dan zaten zij bij het carbidlichtje, in een deken gewikkeld, als twee stille drinkers van hun thee te nippen.
Zij waren in een luwte terechtgekomen. In de stilgevallen stad waarin hooguit een enkel voertuig door de ijzige straten rolde, leek het of niet alleen hun oren doof waren geworden, maar ook hun geest was verdoofd. De toekomst was een vinger lang en zo leefden zij van het ene uur op het andere.
Tristan had zijn eigen methode van overleven ontwikkeld. Hij, de kabouter van het gezin, verdween in een zelfgemaakt universum buiten bereik van de onvatbare mensenwereld. Hij klauterde op stoelen om bij de hogere planken van de boekenkast te kunnen komen en haalde daar zware boekdelen vanaf die hij als een hamster meenam naar zijn ijskoude kamertje. Daar zat hij met blauwe vingers te tekenen. Piramiden tekende hij, waarvan hij de maten op de millimeter nauwkeurig overnam van de illustraties uit De Geschiedenis Van Het Oude Egypte. Hij tekende en schreef schriften vol, tabellen van dynastieën met de data ingevuld daarachter. Op een goede dag verlangde hij grotere vellen papier om zijn piramiden indrukwekkender proporties te kunnen geven en Johanna was zo goed of zo kwaad niet of zij ging op zoek in het bureau van Arnold naar de blanco achterkanten of enveloppen van processtukken. Soms mompelde hij de namen van farao’s: Amenhotep, Ichnaton... alsof het magische formules waren waarmee hij zijn wereld kon manipuleren. Johanna verbaasde zich in hoge mate over haar jongste, ze zag hem, gekleed in een te grote trui van zijn broer op de grond geknield, als een dwerg die zich bekwaamt in het uitspreken van toverspreuken. Hoe kon een kind van acht jaar zich zo verbeten in een onbegrijpelijke en verre wereld verdiepen? Wat vond hij daar? Haars ondanks werd ze beslopen door gevoelens van trots op haar jongste zoon – werd ze dan nooit wijzer? Herinnerde zij zich niet meer hoe zij van verrukking vervuld was geweest toen de kleine Onno haar zo filosofisch en bijzonder had geleken? Niettemin was het te verleidelijk om zich in deze somberte niet over te geven aan een sprankje licht, iets dat naar een toekomst verwees.
‘Je moet me niet uitlachen,’ zei ze tegen Vera met een verontschuldigend lachje, ‘maar je zou haast denken dat hij een reïncarnatie van een oude Egyptenaar zou kunnen zijn. Het lijkt wel of hij iets herkent, of hij zich thuis voelt in die oude wereld.’
Op zekere dag kwam de huisbaas, een kaalhoofdige tabakshandelaar wiens lijf in die hongermaanden tot een slappe zak was geslonken, aan de deur bellen. Geagiteerd rukte hij aan het touw waaraan de noodbel was opgehangen om vervolgens amechtig de trap te beklimmen en Johanna dringend te spreken te vragen. Onder vier ogen welteverstaan. Achteraf was Johanna blij dat Arnold dit bezoek bespaard was gebleven, want de tabakshandelaar had iets verontrustends te melden. Toen hij die ochtend een ommetje wilde maken om zijn hond uit te laten, was hem opgevallen dat de stoep van Johanna’s huis met grote hanenpoten was beklad. Zichtbaar voor iedere willekeurige voorbijganger stond er in krijt geschreven: onno is nsb.
‘U begrijpt,’ zei de tabakshandelaar, zijn bleke handen opheffend, ‘dat ik geen ogenblik heb gewacht om naar u toe te komen!’
Johanna had zich echter al bliksemsnel omgedraaid en riep luidkeels door het trappenhuis: ‘Vera! Vera!’
Stuurs liep Vera de trap af – altijd, bij iedere calamiteit, moest zij komen opdraven, maar haar gezichtsuitdrukking veranderde op slag toen zij hoorde wat haar moeder haar fluisterend toevertrouwde. Zij kreeg de opdracht die lasterlijke woorden, die uitschreeuwden wat jarenlang achter hun dichte deur verborgen was gebleven, weg te schrobben. Zelf keerde Johanna terug naar de woonkamer waar de tabakshandelaar zorgelijk in een leunstoel zat en bood haar gast een kopje koffie aan van het beste surrogaat gemaakt van gemalen beukennootjes. Ze beijverde zich hem met kalmerende woorden te sussen. Onno was volstrekt geen nsb’er, hij was bij een razzia opgepakt om in de Arbeidsdienst te gaan werken, vandaar dat hij tegenwoordig niet thuis woonde (de waarheid manipuleren, dat leerde je wel in de oorlogsjaren).
Bekommerd zei de tabakshandelaar dat het voor haar onkreukbare echtgenoot verschrikkelijk zou zijn wanneer de hele buurt van deze gemene verdachtmaking op de hoogte zou raken. ‘En je hebt altijd domme mensen die er geloof aan hechten,’ voegde hij er cryptisch aan toe.
Hij hoopte van harte dat hij de enige was die de smadelijke woorden op de stoep had opgemerkt. Hij drukte Johanna’s tengere handen tussen de zijne en staarde met zijn varkensoogjes langdurig in haar vermoeide, maar nog altijd mooie ogen, want ja, hij was een bewonderaar van haar. Hoe ze haar gezin in leven wist te houden met een man die was ondergedoken en nog iedere dag gevaar liep. Wanneer er ook maar iets was waarmee hij haar van dienst kon zijn: zij hoefde maar te kikken.
Inmiddels was Vera met een emmer water naar de plek des onheils gelopen. Tristan, altijd ogenblikkelijk ter plekke wanneer hij iets opwindends vermoedde, huppelde met de bezem achter haar aan. Schichtig blikte Vera in het rond om te kijken of de straat leeg was, kieperde toen snel een puts water over de schandvlek in hun leven en begon verwoed te schrobben. Tristan amuseerde zich met het op- en afspringen van de stoeptreden, keek toen met zijn hoofd schuin naar de vervagende letters.
‘Dat heb ik gedaan,’ zei hij.
Vera onderbrak haar geschrob.
‘Wat heb jij gedaan?’
‘Dat heb ik geschreven,’ herhaalde Tristan niet zonder trots.
Daar stond haar broertje, een kalm duiveltje. Begreep hij meer dan zij vermoedde? Wat betekende dat uitdagende glimmertje in zijn ogen? Wat wist hij? Was het wraak vanwege zijn jarenlang buitengesloten zijn van de onbegrijpelijke tumultueuze show die zijn familieleden ten beste hadden gegeven?
Daar stond hij, de achtjarige aanstichter van alle commotie en bekende zijn schuld. Of zijn onbewust verraad? God weet hoe zoiets in zijn werk gaat, dacht ze. Had hij zichzelf op deze manier ook een rol willen toebedelen in het oorlogsdrama?
Goedkeurend keek de tabakshandelaar naar de schoongeboende stoep en groette de beide kinderen van zijn buurvrouw met een knipoog.
arnold
Zoveel als hem mogelijk was probeerde hij het woord honger of zelfs maar de suggestie van een hongerige maag te vermijden, want hij zag in dat zijn gastheer, een vriend uit zijn studententijd, bij wie hij op die noodlotsdag was binnengevallen, er nog beroerder aan toe was dan hijzelf. Johanna had immers altijd nog aan iets eetbaars weten te komen, maar de vrijgezel, zijn studievriend, had zichzelf op eigen kracht in leven moeten houden en bijster handig was hij daarin blijkbaar niet geweest. Arnold zag hoe sterk hij was vermagerd, hij had iets van een snoek, een roofvis, zijn ogen waren rond en puilend. Als een vrek telde hij het aantal suikerbieten of aardappelen, hij hield het niveau van de gaarkeukensoep nauwlettend in het oog alsof hij hem, Arnold, ervan verdacht daarvan stiekem een volle eetlepel naar binnen te hebben geslokt. Kleinzielige ruzies ontbrandden waarvan hij het bespottelijke inzag: twee rechtsgeleerden die elkaar een aardappel of een stuk suikerbiet betwistten.
Op de tiende dag van zijn verblijf bewoog de vrijgezel zijn dunne lippen en toen kwam daar de boodschap uit die Arnold al had gevreesd: hij moest weg. Simon kon zijn aanwezigheid niet langer verdragen, afgezien nog dat het levensgevaarlijk was iemand die door de Gestapo werd gezocht onderdak te verlenen. Bovendien diende hij, Simon, de kachel nu voor twee te stoken om het voedsel gaar of tenminste eetbaar te krijgen en de ruimte warm te houden. Zelf was hij altijd om brandhout te sparen eenvoudigweg in bed gaan liggen.
‘Natuurlijk, neem me niet kwalijk,’ zei Arnold, ‘dat zal ik ook doen... geen probleem.’
Maar terwijl hij die woorden uitsprak besefte hij zijn vergissing. Iedere hap die in zijn mond verdween werkte Simon op de zenuwen.
‘Als je wilt zal ik morgen weggaan,’ opperde hij niet van ganser harte, ‘als het donker wordt.’ Hij voelde hoe hij het duistere gat van de stad werd ingedreven.
‘Morgen hoeft nou ook weer niet,’ mompelde de vrijgezel terug.
En zo gingen er in de schemer van de namiddag wat mompelige woorden heen en weer in een poging van de twee mannen de (schijnbare? kwetsbare?) harmonie te bewaren.
Als een stijf onbeweeglijk pakje, de dekens tot de kin toe opgetrokken en met al zijn kleren nog aan, lag hij in bed. Zijn omhoogwolkende adem die via een kier in het verduisteringspapier door het schijnsel van een passerend legervoertuig werd verlicht, gaf aan dat er nog leven in hem zat. Hij moest die oneindige nacht zien door te komen van donker tot het eerste licht, en zich gedurende die twaalf, dertien uur de nachtmerries van het lijf proberen te houden. Hij ontdekte dat hem dit het beste lukte wanneer hij in zijn geest alle hem dierbare plekken van zijn leven bezocht.
Hij was begonnen met het notarishuis Nieuwmarkt 12 in Den Bosch waar hij was geboren en daarop aansluitend het gymnasium waar hij de enige protestantse jongen in een klas van uitsluitend katholieke leerlingen was geweest, een outsider, evenals de joodse jongen die de Smous werd genoemd en met wie hij daardoor een duo vormde: de Smous en de Protestantenbonk.
Hoe zou het de Smous vergaan zijn? Had hij tijdig weten te ontkomen? Was hij omgebracht in een vernietigingskamp? Hier moest hij zijn gedachten een wending geven om niet in het domein van de fantomen terecht te komen. De opdracht die hij zichzelf had gesteld was: uitsluitend door de straten lopen, door de huizen die hij had bewoond, de gebouwen waarin hij had gewerkt. Hij switchte naar Zierikzee waar hij als kantonrechter zijn loopbaan was begonnen en waar Johanna, zijn geliefde, hem in de weekends kwam bezoeken en waar afkeurende blikken achter tulen gordijntjes naar haar elegante stadse verschijning loerden wanneer zij door de straat voorbijkwam. Die verschijning achter zijn oogleden bracht even een glimlach op zijn verstijfde lippen: die zachte borstjes, die violetblauwe ogen die zij zo smachtend naar hem omhoog kon slaan... En ook nu was ze er nog als een baken in de achtergrond van zijn leven, zij hield zich staande, sterk was ze, misschien sterker dan hij. Zij had hem een boodschap in het binnenste van een knolraap gestuurd: Wij redden ons wel, maak je niet ongerust. Wij houden van je, alles zal goed komen. Onder de dekens tastten zijn vingers naar haar briefje in zijn borstzak – de uitwerking daarvan was haast net zo weldadig als haar hand op zijn voorhoofd en even had hij toch een wat opgewekter gedachte: misschien overleven we al deze ellende.
Verbeeldde hij het zich of hoorde hij door de nachtlucht in de verte een kerkklok slaan? Alle kerkklokken waren toch immers omgesmolten tot kanonskogels? Het volstrekt in het duister tasten omtrent de tijd was hem een gruwel. Was het twee of vier uur in de ochtend, schoot die nacht met zijn slakkengang nooit op? Hij hoorde zijn horloge, het gouden horloge van zijn vader de notaris op het tafeltje naast zijn bed met delicate stapjes door de tijd lopen. Hij pakte het in zijn hand, knipte het dekseltje open en staarde naar de wijzerplaat zonder iets anders te zien dan een vaag wit schijfje. Maar wat betekende tijd? Zwom hij niet in een tijd die geen begrenzing kende, dreigde hij daar niet in op te lossen? Alleen het smalle vingertje van de secondewijzer had een stem, het was een kleine zeer nauwkeurige machine die minieme deeltjes van de tijd afsneed en achter zich neergooide. Toch begon het dunne wijzertje altijd weer opgewekt aan een nieuwe cirkelgang. En ondertussen kromp de tijd. Had de ter dood gebrachte Dons of Hülsmann nog op zijn horloge gekeken en berekend hoeveel rondgangen van de kleine wijzer hij van zijn dood was verwijderd? Waren die laatste seconden enorm uitgedijd, vol met elkaar verdringende gevoelens en gedachten? Of waren die seconden ongrijpbaar vervluchtigd zonder dat zij enig inzicht opriepen? Maar nee, op hun horloge had geen van de ter dood veroordeelden nog kunnen kijken, hun handen waren geboeid geweest...
Hij wentelde zich van de ene zij op de andere, trok de dekens over zijn hoofd alsof hij daarmee het visioen kon afschermen, sloeg die vervolgens weer terug omdat hij dreigde te stikken.
Hij dwong zichzelf weer te wandelen in zijn geest. Wandelen door het Vondelpark, door de lente, door de herfst naar het gebouw dat het middelpunt van zijn leven had gevormd: het Gerechtshof aan de Prinsengracht. Hij beklom de treden van het bordes of, wanneer hij in zijn verbeelding met de fiets kwam zette hij die tegen de pui. Fietsendieven waren een zeldzaam verschijnsel en wie zou zich wagen zo dicht bij het hol van de leeuw? Hij groette de griffier, liep de trap op naar zijn werkkamer waar zijn secretaris wachtte om hem ergens over aan te spreken. Je zag aan diens ogen dat de man er het zijne van dacht en alle hebbelijkheden van de heren die in hun zwarte toga’s door de gangen zeilden, van hemzelf incluis, meende te doorzien.
Hij zag de klerken door de gangen schuifelen om papieren van gewicht van de ene naar de andere kamer te brengen, zag de advocaten en officieren van justitie samenscholen om gedachten uit te wisselen. Toch kwam dit vertrouwde beeld dat hij opriep hem onwerkelijk voor. Kon het mogelijk zijn dat de gebruikelijke rechtsgang nog zijn loop had? Of had de Gestapo het gebouw in beslag genomen? Onmogelijk, het Paleis van Justitie verdroeg geen Gestapo. In zijn verbeelding veegde hij de kamers van de ambtenaren leeg, de rechtszaal waarin vonnis werd gewezen – alles veegde hij leeg. Zo moest het zijn: een leeg bolwerk van gerechtigheid midden in de tot ondergang gedoemde stad, een lege kinkhoorn waarin enkel het voormalig stemgeruis van magistraten nog even rondgonsde en vervolgens stilviel.
Hij beeldde zich in hoe hij zijn werkkamer binnentrad waar zijn toga en baret achter het kamerscherm hingen, zijn baret voorover geknakt als het hoofd van een gehangene. Zou hij ooit die toga nog aantrekken en daarin rondlopen als de schim van zichzelf? Zou hij nog vonnis kunnen wijzen over burgerlieden die verhoudingsgewijs onbeduidende delicten hadden gepleegd? Hij zag ze angstig, stug of onverschillig tegenover zich in de beklaagdenbank zitten, de kleine misdadigers die diefstal of fraude hadden gepleegd, die hun vrouw of medeminnaar het ziekenhuis in hadden geslagen, een enkeling daartussen met een dood op zijn kerfstok, doodslag of moord, crime passionel of moord met voorbedachten rade, hij zag die hele stroom van grauwe anonieme gestalten voorbij paraderen, de honderden die hij veroordeeld had in steeds dichtere formaties langs schuifelen en daarachter en daarboven verrees tegen een bloedrode lucht het gigantische verslindende monster dat Goya in zijn Desastros de la Guerra, zijn visioen van de oorlog, had geschilderd: het mensetende monster dat zijn bloedige muil opensperde om een mens aan stukken te scheuren. Datzelfde vreeswekkende monster hing nu boven de bezette stad, diens enorme aanwezigheid voelde hij in de stilte van de nacht boven de huizen hangen waarin al die machteloze mensen zich schuilhielden. Maar dit monster, het nazimonster, had geen duizenden, maar miljoenen slachtoffers tussen zijn kaken vermalen. Het had de oude orde verstoord en de door wijze mannen geconcipieerde rechtspraak aan flarden gereten.
Hoe zou je ooit nog, dacht hij, in een wereld die dit wangedrocht heeft voortgebracht en gevoed, een vonnis kunnen vellen over klein geboefte of een stumper die een misstap heeft begaan?
Toch prijkte onveranderlijk op de schoorsteenmantel van zijn werkkamer het marmeren beeld van de geblinddoekte Vrouwe Justitia, zijn leidsvrouw, met de weegschaal in de ene en het zwaard in de andere hand.
‘Waarom heeft die mevrouw een blinddoek voor?’ had Onno als vijfjarig ventje gevraagd toen hij eens bij zijn vader op bezoek kwam – die wilde altijd het naadje van de kous weten, had hij gedacht.
‘Omdat die mevrouw recht moet spreken over iemand die iets slechts heeft gedaan. Maar ze wil niet weten wie dat is, of hij mooi is of lelijk, rijk of arm, of hij een prins is of een bedelaar. Zij wil alleen maar weten wat voor slechts die persoon heeft gedaan en dan zegt zij wat voor straf hij heeft verdiend.’
‘Kan die mevrouw hem met dat zwaard zijn kop afslaan?’
‘Nee, ze gebruikt haar zwaard nooit. Dat heeft ze in haar hand om te laten zien dat er niet met haar valt te spotten.’
‘Krijgt die prins dan net zo’n erge straf als de bedelaar?’ ging Onno door met vragen.
Hij had toen gemeend dat zijn kind een onderzoekende geest bezat en zin voor rechtvaardigheid. Dit gaf hem het gevoel dat zijn zoon naar hem aardde en dat deed hem plezier. En hij had geantwoord, willens en wetens bezijden de waarheid: ‘Ja, de prins krijgt net zo’n zware straf als de bedelaar.’
Plotseling sloeg een hete golf van verdriet door hem heen en brak binnen in zijn verkild gemoed, vanwege dat ventje van vijf jaar dat hij verloren had, dat zoekgeraakt was in het tumult van deze tijd, de lawine van vreemde ophitsende denkbeelden. Zijn zoon, bloed van zijn bloed. Maar zijn zoon was nu nog slechts het omhulsel van zijn zoon en daarin had een onbekend personage zijn intrek genomen, een harde gewetenloze persoon. Gewetenloos? Of was hij geïnjecteerd met de verkeerde misselijkmakende slogans over een superras en over Untermenschen? Welke proleten hadden dat gedaan? Hoe was het zo ver gekomen? Hij tastte terug in zijn herinnering naar de eerste signalen, zonder die te kunnen traceren. Het kwam hem voor of zijn zoon van de ene dag op de andere in een vreemde was veranderd, zo omstreeks zijn zestiende. Wat kon daaraan vooraf zijn gegaan in hun beschermd familieleven, nog voordat de oorlog uitbrak? Johanna had hem vaak verweten dat hij zich te weinig verdiepte in de geestelijke ontwikkeling van zijn kinderen, dat hij, zodra zich een probleem voordeed, onzichtbaar werd en zich terugtrok achter zijn bureau. Had hij schuld? Had hij zijn vaderplicht verzaakt? Mogelijk, maar duidelijk werd hem dit toch niet. Waarom kon een kind zich niet normaal ontwikkelen wanneer hij in zijn jonge jaren het goede voorbeeld kreeg en in een harmonieus gezin opgroeide? Hij had Johanna altijd overdreven gevonden met haar gepieker. Zij had zichzelf veel ellende aangedaan met haar verwijten en zelfverwijten, echt iets voor een vrouw om zich daar zo intensief mee bezig te houden. Nee, ze had hem geen schuldcomplex kunnen aanpraten. Integendeel voelde hij in plaats van schuld dikwijls verbittering omdat zijn zoon, zíjn zóón, een smet op zijn blazoen had geworpen, een smet die nooit kon worden weggewassen... Dons en Hülsmann waren als honden neergeschoten en hij, hij had een zoon die heulde met de vijand.
Plotseling zag hij het verbeten gezicht van Onno in het duister opdoemen. De ellendeling had hem zelfs verwijten durven maken en hem toegevoegd dat hij niets dan een bang burgermannetje was, een gehoorzame hond die aan de leiband liep van die wereldvreemde heren van de Hoge Raad. Enorm uitvergroot verschenen de woorden die Onno hem had toegebeten voor zijn geestesoog: laf was hij geweest, eerloos, iemand die geen keuze had durven maken, die zich drukte.
In ademnood geraakt gooide hij de dekens van zich af en liep op kousenvoeten naar het raam om de kou te voelen van de vriesnacht achter het glas. Hij speurde door een kier in het verduisteringspapier naar iets dat licht gaf, misschien de maan of een eerste schijnsel van de dageraad, maar zag niets van dien aard. Heen en weer liep hij door het donkere vertrek, gekooid door zijn gedachten. Hoe kon hij ooit ontkomen aan deze infame tijd, deze augiasstal, waarin zijn zoon verdwaald was geraakt, meegelokt door de verdoemelijke nazihetzers.
Hij moest zich aan zijn eigen haren uit dit smerige moeras zien te trekken, hij moest weer vaste grond onder de voeten zien te krijgen. Hij ging op zijn bed zitten, zijn voorlopige bed, hem voor korte tijd grootmoedig afgestaan. Hij moest dankbaar zijn... Eigenaardig woord: dankbaar, teruggebracht tot het allerelementairste begrip, dankbaar omdat je nog ademhaalt. Hij steunde zijn hoofd in zijn handen, ellebogen op de knieën. Zijn hoofd voelde zo zwaar, een droomvlaag ging door hem heen dat zijn hoofd een loden kogel was, alles binnen die schedel gestold was tot lood. Hij probeerde zich een voorstelling te maken van Johanna. Ergens was er toch nog een Johanna in zijn leven, en kinderen... hij moest dichterbij zien te komen, bij die gestalten die nog leven vertegenwoordigden.
Het zou gemakkelijker zijn dood te zijn zoals Dons en Hülsmann, onschuldig neergeschoten schimmen met ketens rond hun polsen, een tweeling in de dood. Zouden ze samengeketend voor Petrus aan de hemelpoort verschijnen, tweelingzielen door hetzelfde fatum weggevaagd? Binnen in zijn loden hoofd zag hij Johanna glimlachen, ja, die geloofde nog in Petrus, die geloofde nog dat er rechtvaardigheid bestond, niet hier op aarde maar misschien ergens in hoger sferen. Maar ik zal in het vagevuur moeten branden, Johanna, ik moet branden.
Was hij laf geweest? Het was waar dat hij zich altijd gehouden had aan de uitspraken van de heren van de Hoge Raad, het hoogste Rechtscollege. De ambtenaren van de Rechterlijke Macht, zo hadden de heren beslist, werden gesommeerd niet in staking te gaan noch in het verzet, zij dienden op hun post te blijven omdat anders nsb’ers hun opengevallen banen zouden innemen waardoor er chaos in het land zou ontstaan. Chaos wanneer er geen eerlijke rechtspraak meer bestond, geen beleid van rechtschapen gestudeerde mannen, er zou willekeur gaan heersen en de nieuwbakken rechtsgeleerden zouden onder één hoedje spelen met de vijand en de jeugd corrumperen met hun leugens. Hij had van twee kwaden de minste gekozen, meende hij. Was die keuze de juiste geweest of had hij zich halverwege moeten bezinnen, zeker toen de jodenvervolging een aanvang nam? Had hij ooit zijn huid geriskeerd? Verdiende hij nog wel de hoogdravende aanspreektitel: Hoogedelgestrenge?
Verloren eer komt moeilijk weer. Let op uw eer en houdt haar net, het witste kleed is het eerst besmet – al die gezegden uit een andere wereld, een wereld die kopje onder was gegaan... Hij voelde dat zijn oude wereld nooit weerom zou komen, dat hij, zo hij al zou overleven, een achtergeblevene zou zijn, een fossiel.
Maar een nog verontrustender gedachte bestookte hem. Was er iemand in zijn plaats vermoord? En zo ja, wie kon dat zijn geweest? Het procédé hield gewoonlijk in dat het aantal prominenten dat moest worden geliquideerd en ook het tijdstip waarop, van tevoren werden vastgesteld, en Duitsers zouden geen Duitsers zijn wanneer ze daarvan afweken. De blunder dat zij hem hadden laten ontsnappen moest worden goedgemaakt en de tijd drong, Befehl ist Befehl. En dus moesten zij ijlings een bruikbaar slachtoffer uit de gevangenis hebben gehaald en naar het plantsoen op de Apollolaan, de plaats van executie, gebracht.
Keer op keer, beseffend hoe zinloos dit speuren naar de bewuste persoon en de juiste toedracht was, gleden zijn ogen over de namen van de Bekanntmachung. Was het de leider van een verzetsorganisatie, J. Bak? Of de communistische arts C.W. Ittmann? Het moest die arts geweest zijn, vermoedde hij. Communist zijn was sowieso een doodzonde. Heb ik het leven van een andere man gekregen? Als de oorlog ooit beëindigd wordt moet ik daar onderzoek naar doen. Wat die man voor denkbeelden heeft gehad, of hij in het verzet zat, of hij vrouw en kinderen achterliet – ik loop in de schoenen van een dode, dacht hij.
’s Nachts droomde hij daarvan, zag hij een schim, een geketende gestalte, en tegelijkertijd was hij dat zelf, zag hij het gouden vestzakhorloge van zijn vader, de notaris, op zijn buik hangen, zag hij hoe zijn eigen hand het gouden klepje aan de achterkant opende om naar het raderwerk en het tikkende hamertje te kijken. Het hamertje werd groter, tikte zwaarder, zwaarder alsof er een doffe moker in zijn handpalm hamerde – tot een explosie hemzelf en alles rondom uiteen deed spatten. Schreeuwend ontwaakte hij, badend in zijn zweet.
Simon, zijn gastheer, beklaagde zich daarover: ‘Met dat geschreeuw verraad je mij, dat wordt te gevaarlijk.’ Arnold begreep dat de maat vol was. Hij moest weg en dus sjokte hij zonder bagage, in de schemer van de namiddag, naar een mogelijk onderduikadres en vandaar weer naar een ander adres, hij was een ongewenst persoon, begreep hij, en moest opeens aan een verdwenen joodse collega denken. Waar bevond deze zich nu?
Hij voelde hoe hij een fatale grens naderde en kreeg de neiging om ergens in het Oosterpark onder de struiken te gaan liggen en te slapen, slapen.
de dodenstad
Met vette rode verfletters stond een kartonnen bord dat aan een boom was gespijkerd zijn boodschap te seinen: durch kampf zum sieg.
Zijn blik gleed erlangs, maar voor het eerst wekte die leuze geen enkele geestdrift bij hem op. De rode woorden kwamen nergens aan, vielen als dode vogels uit de lucht. Sieg? Waar bevond zich die sieg? Waar hield hij zich op? Niet hier waar verlatenheid tussen de kale bomen hing en lege boerderijen met hun dode raamogen over de akkers staarden. En waar hingen hun medestrijders uit, de duizenden nsb’ers die volgens de beweringen samen met hen de onneembare vesting zouden bouwen die de ondergang van de Engelsen zou inluiden? Moesten zij, de Jeugdstormers, geholpen door hooguit een handjevol Arbeitseinsatzknapen hier de verdedigingswerken optrekken, hier in deze negorij waar slechts een enkele granaat overheen huilde als een ellendig jankende hond? Die woorden: durch kampf zum sieg, kwamen hem opeens leugenachtig en hol voor, een gevoel van wrok sloop bij hem binnen.
In de bocht van de weg kon hij het grasland langs de oevers van de IJssel zien. De brug was opgeblazen en lag in het water, steenhopen, verwrongen staal, half afgebroken pijlers vormden een barrière waartegen wrakhout en samengedreven bootjes in het smerige water schommelden. Voor de rest niks, absoluut niks. Alleen een paar telegraafpalen, schuin overhellend of geknakt, leken in de opkomende mist heen en weer te zwaaien als verontruste spooksels. Het rook er naar akkers, naar locomotiefrook, ergens blikkerde een stuk glas in een raamsponning als een noodsignaal, vonkend in het laatste schijnsel van de ondergaande zon.
Dit was het welkom dat Arnhem hun bereidde: grauwheid, desolaatheid.
Aan de horizon tekende de voorstad zich af als een laaggebergte van ruïnes en dakloze huizen; uitgezonderd een schamel lichtje in een souterrain en een zieltogend sliertje rook uit een schoorsteen vielen er geen tekenen van leven te bespeuren. Schoorvoetend liepen ze verder, de groeiende duisternis in hun rug duwde hen met onverbiddelijke drang verder. De modderweg die ze waren gevolgd veranderde in een klinkerweg, een boerenkar draaide hun kant op en uit pure opluchting staken zij hun arm omhoog om de voerman te groeten, maar de ineengedoken gestalte bewoog zich niet. Het was of er een dode op de bok zat.
Onverhoeds bleek de stad toch naderbij gekomen. De neiging overviel hen te blijven stilstaan, hun adem in te houden, zozeer leek de stilte in het steenlandschap op de stilte van een kerkhof. Onno voelde hoe het zweet uit zijn haren in zijn nek liep; uit alle macht zette hij zich schrap om op de been te blijven. De anticlimax was te groot. Bij een stad denk je aan bedrijvigheid, stemgeluid, niet aan doodse stilte, de grijsheid van een rouwsluier.
Schuw om zich heen kijkend liepen ze langs tuinen vol versplinterd hout, van een schuur, een kippenhok misschien, van balken, meubels, uiteengereten bomen; de bloembedden bloeiden met rode bakstenen in grijs puin. Ze kwamen voorbij een getroffen kerk – door gaten in het dak kon je de dakspanten zien als graten van een vis, de leikleurige pannen leken op vissenschubben, de gotische ramen waren kapotgesprongen. Tot Onno’s verbazing werkte de torenklok nog: op dat waanwijze ronde gezicht in de toren wezen de wijzers het juiste uur aan: tien over halfvijf, alsof er geen verwoesting, geen desolate stilte aan zijn voet lag. Punctueel deed het uurwerk zijn plicht, met ongenadige tred lopend door de tijd.
Als natte zwerfhonden liepen de Stormers langs de kerk. Waarheen waren ze onderweg? Waar vonden ze onderdak voor de nacht? Hun schaarleider, een puisterige jongeman amper ouder dan de jongens waarvoor hij verantwoordelijk was, leek ook niet bijster zeker van zijn zaak.
Arnhem, de Dodenstad. Arnhem, het Oord van Verschrikking.
Kringleider Jol had hen niet misleid toen hij de macabere toestand van de stad schilderde. Maar waar was de man zelf? Hij had de leiding van hun expeditie aan een melkmuil overgelaten, dacht Onno vol bitterheid, altijd hadden de hoge heren iets gewichtigers te doen dat hun aandacht, zo niet hun aanwezigheid dringend opeiste; zodra het uur van de waarheid aanbrak waren zij verdwenen.
Ze liepen langs een trambaan, onmiskenbaar teken van menselijke bewoning, doken een nauwe steeg in waar een rij huizen onder hun muts van puin en kapotte dakpannen nog overeind stond. De schemer stroomde al door de straat, vermengd met de blauwige duisternis van de nacht. Ze voelden het donker achter zich groeien. Hun schaarleider kon de straatnaambordjes moeilijk lezen, vele daarvan waren beschadigd of verdwenen, de anonieme straten kronkelden als wormen door het gehavende stadsdeel. Ten einde raad klopte de schaarleider op een zwak verlichte ruit en bereikte, na herhaalde pogingen, dat er een deurtje in het onderhuis openging, waaruit een arm naar buiten werd gestoken die zwaaiende bewegingen maakte, kennelijk met de bedoeling hem de richting aan te duiden die zij moesten volgen om hun bestemming te bereiken.
Onverwachts opende zich een bredere straat waaruit een broeierig rumoer opklonk. De doodsheid van de stad werd doorbroken door stemgeluid dat uit een kroeg opsteeg vermengd met flarden muziek. Uit de rokerige locatie kwamen Duitse soldaten naar buiten, omstrengeld door hun liefjes voor één nacht. Vlagen warmte sloegen de Stormers door de koude winternacht tegemoet en deed ze ontwaken uit hun apathie, hun gezichten werden rozig verlicht door het flikkerende schijnsel van een lichtreclame dat schuin door de straat viel, ze keken elkaar aan, voor het eerst zagen ze elkaars gezicht weer in het licht van een bioscoop. Een fenomeen uit een ander tijdperk. Onno voelde zich opeens teruggeworpen in zijn puberjaren, toen hij iedere cent van zijn zakgeld spaarde om naar de film te kunnen gaan, naar Tuschinski of naar de Cineac, waar je het wereldnieuws kon zien, de schitterende Duitse legers die optrokken naar Rusland, de tanks, de vliegtuigen met de swastika op hun staart. In een bioscoop zitten betekende vergetelheid, weggeblazen worden uit je daagse sleur en je vol laten lopen met visioenen van strijd en van liefde.
Hij staarde naar de verlichte letters: hier, in de Dodenstad draaide nota bene een film: Die Wirtin aus dem schwarzen Rössl... Geen heldenepos, maar een oubollige Duitse rolprent, niettemin een film. De Stormers verdrongen zich voor de uitstalkast om de foto’s te bekijken, opeens waren hun bravourestemmen terug met de hun geëigende symptomen van de baard in de keel: ‘Kom op lui, laten we naar de Wirtin gaan... In geen eeuwen heb ik een lekkere meid gezien!’, ‘Je mag toch een laatste wens doen voordat je naar het schavot gaat? Ik wil de Wirtin!’
Dagenlang, wekenlang zou het duren dat die Wirtin in hun hoofden bleef rondspoken. Degenen die zo fortuinlijk waren twee of drie uur geen dienst in de dag- of nachtploeg te hebben gingen naar De Zeven Molens om die Wirtin te zien. Anderen, die dit geluk nog niet hadden gesmaakt, droomden ervan hoe zij op de versleten bioscoopstoeltjes zouden zitten en het oude pluche aan hun billen zouden voelen, op die stoeltjes die de zoetheid, de smerigheid en de heimelijkheid bezaten waarmee geen enkele stoel ter wereld kon wedijveren, en hoe ze daar in het donker naar hun gulp zouden tasten om zich af te trekken, geheel en al in de ban van de ongrijpbare verschijning van de Wirtin, opgetrokken uit illusie en lichtschijnsel.
Kleine witte handen had ze – dat was het eerste wat hem aan haar opviel. Witte handjes waaraan de nagels glansden als schelpen. Schone nagels, iets verbazingwekkends in deze smerige stad, net zoals die witte handjes verbazingwekkend waren en de kuiltjes in haar ronde wangen, het was alsof je zomaar midden in het puin een bloem zag bloeien, een volstrekt gave bloem.
Zij zat achter de kassa van De Zeven Molens. Steeds opnieuw was hij een kaartje gaan kopen ook al had hij de film zes keer gezien, maar hij had zijn smoes altijd klaar met de bewering dat hij dat kaartje voor een vriend moest kopen die niet in de gelegenheid was dat zelf te doen.
Een lekker ding, vonden zijn vrienden haar, maar nog wel een kind, een onnozel grietje. Zijzelf waren meer geïnteresseerd in de Duitse meiden met grote borsten die in de gaarkeukens werkten. Persoonlijk hield hij niet van grote borsten, hij herinnerde zich hoe hij eens met zo’n dikkerd had gedanst en toen moeite had gehad zich die warme dikke kussens van het lijf te houden. Enkele Arbeitseinsatzjongens die al door de wol geverfd waren, waagden zich van tijd tot tijd in een bordeel dat zijn deuren nog niet had gesloten. Wel werden hun bezoeken sporadischer omdat ze gaandeweg te uitgeput raakten om nog erotische escapades uit te halen. Maar toen ze nog maar kort in Arnhem waren gestationeerd hadden ze veel aardigheid in de hoeren, wel moesten ze genoegen nemen met de derde of vierde keus omdat de Duitse militairen hen tot achter in de rij drongen. Niettemin kwamen ze met sterke verhalen terug alsof zij een nacht in een spelonk uit de Duizend-en-één-Nacht hadden doorgebracht hoewel ze amper een kwartier binnen waren geweest, berekende Onno; die hoeren hadden wel iets beters te doen dan melkmuilen af te werken die niet veel voorstelden, noch in bed noch waar het hun portemonnee betrof. Toch waren er zo’n drie of vier jongens die zich als habitués gedroegen.
‘Ga je mee, Lodewijk?’ vroegen ze met zo’n eigenaardig trekje om hun mond, zo’n spottend glimmertje in hun oog. ‘Kom op, jongen, je bent toch geen homo?’
‘Ik heb geen trek in een afgelikte boterham,’ gaf hij ten antwoord op die afgemeten toon waarop hij patent had. Inwendig woedend, maar uiterlijk beheerst zag hij hoe ze schokschouderend vertrokken. Ze hadden nog altijd ontzag voor hem, dat voelde hij. Hij mocht dan geen schaarleider zijn, maar toch een bijna-schaarleider, en als Dolle Dinsdag geen roet in het eten had gegooid dan had hij zijn opleiding afgemaakt en was hij nu op weg vaandrig te worden. Daarenboven droeg hij nog steeds zijn Landstormuniform – althans wat daarvan over was want de laarzen waren gejat, maar sedert kort droeg hij beenkappen van de marechaussee en die gaven toch ook iets ontegenzeggelijk imponerends aan zijn verschijning. Kleren wisselden voortdurend van eigenaar, kleren waren er bij de vleet, die werden bijeengescharreld in verwoeste huizen; in verlaten villa’s, waaruit de bewoners hals over kop vertrokken waren, had je de beste kans om iets fraais of bruikbaars te vinden, zo liep een van de nsb’ers te pronken met de fantasiebroek van een zekere Jonkheer van Nispen tot Levenaar aan zijn achterste.
Uit angst dat het hem ontstolen zou worden bewaakte hij zijn Landstormjasje als een Cerberus, ’s nachts in het stro ging hij erbovenop liggen slapen hoewel de knopen hem pijnlijk in rug en billen priemden. Veelal was zijn slaap echter na het zware werk aan de loopgraven zo diep en droomloos dat hij er niets van voelde en hij evenmin de kanonnen hun dodenmars hoorde roffelen, mogelijk ook omdat dat gedreun iets vertrouwds en verdovends had gekregen. Daarentegen werd hij klaarwakker wanneer de oorlog zweeg en er een stilte neerdaalde die veel weg had van de rochelende ademhaling van een zwaar zieke die opeens is opgehouden – je hebt het niet direct bemerkt en je luistert in dat onverhoedse gat van geluidloosheid of die rochel zal worden hervat. Maar nee, niets, einde...
Wat kon dat betekenen? Waren de Duitsers soms in het holst van de nacht vertrokken en waren zij, de Stormers, de loopgraafslaven, moederziel alleen achtergebleven in hun modderige verdedigingswerken die zo week waren als pudding? Dan lag hij in het stro boven op zijn pijnigende uniformknopen te luisteren of er geen blaffend antwoord kwam uit een of andere vuurmond, of er geen granaat door de lucht gierde en ergens een explosie klonk, en zo, luisterend naar het niets in de lege nacht, viel hij in een soort halfslaap en zag hij de kleine witte handen met die soepele vingers die de geldstukken een voor een oppakten en hem zijn kaartje toeschoven. Hallo, zou hij zeggen, hoe heet je? Ik vind dat je mooie handen hebt... Waarom ben je hier? Weet je wel hoe ze Arnhem noemen? De Dodenstad. Voor mij is het iets anders, ik moet hier zijn. Wij werken aan een onneembare verdedigingslinie rond de stad. Wist je dat wel? Zit je hier de hele avond achter dat loket? Wanneer ben je vrij? Zullen we iets gaan drinken in de kroeg? Of ga je liever met me dansen?
Niet dat hij een goede danseur was, hij had het nooit aangedurfd zijn partner dicht tegen zich aan te drukken, ook was hij wat stijfjes. Maar de witte meisjeshand zou zich op zijn schouder vleien, vol goed vertrouwen, en de andere zou hij in de palm van de zijne houden, misschien zouden de kuiltjes in haar wangen verschijnen, misschien zou ze een ogenblik met haar hoofd tegen zijn borst leunen... Was ze eigenlijk klein van stuk of juist lang? Hij had haar nooit buiten het loket gezien, nu ja, wat gaf het, als ze lang was zouden ze wang aan wang dansen.
meine ehre
De dagen draaiden als een mallemolen in de rondte. Door het duister van de nacht en dan weer door het schemerlicht dat voor dag moest doorgaan, en vervolgens weer door het duister van de nacht. Een deuntje zeurde door zijn hoofd: das Karussell dreht immer, immer rund umher, hij kon het niet kwijtraken: immer, immer rund umher... In die eentonige rondgang zat hij gevangen: één week loopgraven spitten bij nacht, de volgende week spitten bij dag als het tenminste niet al te roerig was aan het front. In de nacht scheerden zoeklichten langs de hemel en zetten het slapende landschap enkele ogenblikken in een bleek zilverig licht dat het een onwerkelijke aanblik gaf alvorens het weer in duister te dompelen. Ook hier draaide eenzelfde carrousel. Geschutsprojectielen vlogen over hun hoofden en sloegen ergens in, daar raakte je aan gewoon; achter een stukgeschoten trein stegen met regelmatige tussenpozen rode ballen de lucht in met bijbehorende muziek: bang, pabang pabang, pah pah pah! Een ander verrassend vuurwerk zette de laaghangende wolken in gloed toen het getroffen gebouw van Vroom & Dreesmann afbrandde en de vlammen loeiend omhoogsprongen; zelfs van aanzienlijke afstand konden ze het donderend neerstorten van vloeren en balken horen. In nachtelijke uren vormde de brand een nuttige lichtbron waarbij ze zich goed konden oriënteren.
Iedere avond zodra de schemering inviel glibberden zij naar hun stellingen om te gaan spitten. In het donker was het een komen en gaan van groepjes mannen, er klonk geglij, gevloek, het vallen van lichamen en geschuifel over de planken die over de loopgraven waren gelegd, de regen maakte de modder spekglad.
Een loopgraaf spit je niet op dezelfde manier als een willekeurige kuil. De breedtemaat van je loopgraaf moet gelijk zijn aan de lengtemaat van je schop, luidt het voorschrift, een wet waarvan je niet mag afwijken. Je tachtig centimeter lange schop kun je gebruiken als meetinstrument. De diepte van je loopgraaf moet tweemaal je schoplengte zijn, dus één meter zestig, zodat je over de rand heen de vijand kunt bespieden en je geweer richten, anderzijds weg kunt duiken zodra er vijandig vuur wordt geopend. De wanden van je loopgraaf dienen te worden verstevigd met plaggen die je van de bovenkant af moet steken.
Spitten bij nacht is een beroerd karwei, overdag heb je tenminste wat afleiding. Bij helder weer zie je Lancasters voorbijrazen en snelle Lightnings als valken op hun prooi neerschieten en kun je duidelijk waarnemen hoe de bommen zich van de machines losmaken en als zilverwitte parels naar beneden vallen. Vervolgens hoor je de klappen in de verte resoneren en zie je hoe paddestoelen van rook en stof uit het landschap omhooggroeien. De Duitsers van hun kant lanceren hun spiksplinternieuwe v2’s die knetterend als motorfietsen of vliegende soldeerlampen door de lucht bulderen. Een van die monsters stort neer midden in de stad, tot honderd meter in het rond zit de pulver tegen de muren en van de omliggende huizen is niets meer over. Het zijn effectieve wapens, zoveel wordt duidelijk. Tegen het eind van de week barst een hoopgevend Duits offensief los, het vuur wordt steeds fantastischer, in golven denderen de logge gevaarten over hun hoofden en ten oosten van Arnhem stijgen v2’s op als een bedenksel van Jules Verne, met lange witte staarten van condens – alles richting vijandelijke kampen.
Vol bewondering tuurt Onno naar dat vernuftige nieuwe wapentuig, zijn hart klopt in zijn keel: dit zijn de verkondigers van de overwinning, dit zal de geallieerden een lesje leren! De overwinning is nabij, de zegepraal! Zijn ogen worden vochtig bij dat antieke maar glorieuze woord: zegepraal, vernieuwde kracht stroomt door zijn lichaam, hij voelt hoe zijn spieren hard zijn geworden, zich hebben aangepast aan de zware arbeid. Dit is wat hij altijd heeft gewenst: zichzelf harden zonder zich te sparen om daardoor op een hogere trap van perfectie te komen, weg van het beschermde burgerleven dat een slappeling van hem had gemaakt. Met lichaam en ziel heeft hij zich in dienst gesteld van de ideeën van de Führer, van diens grootse visie op de wereld en nu behoort hij tot het legioen dat zal triomferen over die arrogante Engelsen en zwijnen van bolsjewieken. Als een koorts verhit zijn opwinding het bloed in zijn aderen, want hij staat er middenin, midden in de veldslag die als een keerpunt in de geschiedenis te boek zal staan.
Kerstmis kwam naderbij. Kerstmis hier aan het front was een onwezenlijk begrip uit een voorbij bestaan. Onno had het altijd een ellendig verplicht feest gevonden. Zelfs als jong kind had hij er een hekel aan gehad omdat zijn moeder het habijt van heiligheid leek aan te trekken en zich een air van liefdevolle vergevensgezindheid aanmat. Weken tevoren stak zij al kaarsen aan, iedere dag één meer ter ere van de adventviering en vertelde daarbij verhalen over de geboorte van het Christuskind. Ze wilde haar gezin bij elkaar rapen, ze verlangde saamhorigheid en goede wil, ze hoopte de gezinsleden weer samen te breien tot het ideale gezinnetje door middel van stichtelijke verhalen en kerstkrans. Er moesten kerstliederen worden gezongen die zij geestdriftig begeleidde op de piano. Onno reageerde steevast gereserveerd en onttrok zich zoveel mogelijk aan de rituelen, hij voelde geen behoefte de brave oudste zoon te spelen.
Hier aan het front echter werd tot zijn verheugenis niet Kerstmis maar het feest van de Midwinterzonnewende gevierd en de levensboom verlicht. Niettemin gooide de oorlog roet in het eten want in de middag werden ze opgeroepen om de spoorweg bij De Steeg te repareren die door de Engelsen was gebombardeerd. Gedurende de dagen rond de Zonnewende bleef het donker, de regen miezerde in een grijze wereld en ook binnenshuis bleef alles grijs omdat de elektriciteit was uitgevallen. In de ochtend stonden ze op bij een walmende kaars en ’s avonds rolden ze zich in hun paardendekens bij eenzelfde druilerig licht. Grijze boterhammen aten ze met grijze margarine en grijze worst, alles grijs. Tot op een dag sneeuw naar beneden kwam vallen die met dikke vlokken de grijze wereld in korte tijd kleedde in een oogverblindend wit.
Hoewel hij verondersteld wordt te slapen voordat zijn nachtploeg weer moet aantreden, blijkt slapen ondoenlijk, zijn geest is te onrustig. Hij verlangt slechts één ding: naar buiten stappen om die koude sneeuw op zich te laten neervallen, weg van dat stinkende schoollokaal waarin ze onderdak hebben en waar hij in het klamme stro heeft liggen woelen tussen de luizen die zich wellustig en ongestraft vermenigvuldigen. Met het gesnurk van zijn kameraden nog in de oren stapt hij een onvoorzien stille wereld binnen. Geen geluid van explosies, geen mitrailleurgeratel, zelfs niet het gesputter van de v2’s doorbreekt de stilte, enkel het gegrom van een legertruck die zich door de sneeuw ploegt treft zijn oor. Koning winter heeft elk gerucht verstikt, alleen ver geblaf van een hond handhaaft zich nog maar lijkt vrij in de ruimte te zweven, losgeraakt van zijn oorsprong. Aan de voet van de Grote Kerk liggen zonderlinge besuikerde vormen van ruïnes als de fata morgana van een oosterse stad, geestverschijningen van berijpte bomen staan met hun takken omhooggestrekt, verstard in hun dans tegen de loodblauwe lucht. Alles wat niet wit is tekent zich zwart af in de vorm van houtskooltekeningen op wit papier, alleen het bos in de verte heeft zich in een lila waas gehuld. De oorlog slaapt, de sneeuw heeft de oorlog gesmoord in zijn stille donzige deken.
Diep inademend blijft hij staan en spert zijn mond open, voelt hoe er in die vochtige keelholte koude vlokken naar binnen vallen, op zijn tong en op zijn huig, ze glijden door zijn keelgat, verkoelend, vertroostend; zelfs zijn irritante kuch wordt erdoor gekalmeerd. Hij moet een opwelling onderdrukken zijn kleren los te rukken om naakt in de sneeuw te gaan rollen en met gulzige happen dat koude spul te verslinden om zijn dorst te lessen. Maar stel dat iemand hem zou betrappen, dat hij voor gek verklaard en als halvegare uit zijn arbeidseenheid zou worden gestoten...
Met zijn voetstappen knerpend in de droge sneeuw loopt hij verder, steeds verder naar de buitenwijken van de stad. Om nu loopgraven te spitten zou waanzin zijn, je zou er maar wintertenen van oplopen. Hoe ’t ook zij, hier is hij onvindbaar, miljarden dikke vlokken hebben hun gordijn achter hem dichtgetrokken. Met iets plagerigs wervelen kleine tornado’s in het rond alsof ze hem uitdagen, ze hopen sneeuwheuvels op waar hij doorheen moet waden, hier aan de periferie van de stad is er van de wegen allang geen spoor meer te vinden. Hij stuit op verspreid liggende villa’s, weggedoken in hun witte kraag van heggen en coniferen, hij bespeurt niet het minste teken van menselijk leven, geen afdruk van een voetstap in het sneeuwdek. Een aantal huizen moet zijn getroffen door granaten of brisantbommen, delen van daken zijn ingestort, kapotte ramen staren met hun lege ogen naar de verblindende wereld, traag zwaait een deur in de luchtstroom alsof iemand hem naar binnen wenkt. De bewoners moeten zijn gevlucht of geëvacueerd. Oorlog. Maar hier is de oorlog teruggebracht tot een verpletterende stilte. Hij dwaalt tuinen binnen, loopt rond muren doorzeefd met kogelgaten, wordt verrast door de aanblik van bizarre ijsformaties die op gestolde watervallen lijken of op ijspilaren die omhoog zijn gegroeid en als bevroren bewakers de wacht houden, en dat alles van een roerloze surrealistische schoonheid. Een oud kindersprookje komt hem in gedachten, het sprookje van Andersen over de IJskoningin die kleine Kai betoverde en hem in haar slede wegvoerde naar haar rijk van eeuwige winter. Hij was nooit bijzonder ontvankelijk geweest voor sprookjes maar om dit verhaal had hij in het geheim tranen vergoten.
Hij voelt hoe het zweet in straaltjes langs zijn rug loopt. Heb ik me te veel ingespannen? Misschien moet ik iets eten. Met zijn vingers woelt hij in zijn jaszak waar nog een restant van de chocola moet zitten die op het Zonnewendefeest onder hen is uitgedeeld. Hij kauwt erop, niet veel smaak. Zou het zijn bevroren? Het vriest op z’n minst tien, twaalf graden. De vrieswind blaast door zijn besneeuwde haar en het is of die hem iets toefluistert: ik adem je tot een pop van ijs... Zijn blik blijft maar steeds aan die zielloze huizen gehecht, zijn voeten worden gevoelloos. Dit hier is Rusland, Stalingrad, dezelfde sneeuw, dezelfde dood. Duizenden mijlen is hij door tijd en ruimte gesprongen.
Hij schrikt op uit iets dat een flard van een droom lijkt, slaat met zijn armen rond zijn lijf zoals voerlui doen die verkleumd op de bok van hun wagen hebben gezeten, stampt met zijn voeten om het bloed weer te doen stromen. Nee, dit hier is Holland, het oude gezapige Holland, hoewel het één ogenblik het kleed van winter en dood heeft aangetrokken. Of heeft het onmetelijke Rusland zich uitgerekt en is het hier naartoe gegroeid om zijn lijkwade over Polen, Duitsland en nu ook over Holland uit te spreiden? Hallucineert hij? Is dit een zinsbegoocheling?
Allemaal dwaasheid, de Führer zou geen nederlaag dulden. Nederlaag, een woord dat hij veracht. Het gaat immers goed met de v1’s en v2’s! Wir siegen doch...
Misschien kan hij beter ergens binnengaan, weg uit die bijtende wind. Strompelend door de opgewaaide sneeuw zoekt hij zijn weg terug naar de villa waarvan hij de deur heeft zien openstaan. Behoedzaam, alsof hij iemand kan wekken uit een diepe slaap, schuifelt hij door de gang, niet ondenkbaar dat er zich een deserteur of een afgeschoten piloot in het huis schuilhoudt. Van iedere kamer duwt hij de deur een handbreedte open zonder meteen zelf binnen te gaan om zich ervan te vergewissen dat zich daar niemand verbergt. De stilte handhaaft zich, een stilte overigens die hem niet geruststelt, die niets vredigs heeft, eerder iets sinisters. Glasscherven bedekken de vensterbanken, uiteengereten tapijten en kapotte meubels liggen opgestapeld in een hoek, overdekt met een laag kalk die van het plafond moet zijn gevallen, of is het poedersneeuw die door de gaten van het vensterglas naar binnen is gestoven? Nee, het moet kalk zijn, het ontbeert de fonkeling van sneeuw. Wat doet dit kapotte huisraad hier? Is het huis geplunderd en hebben onverlaten de boel kort en klein geslagen? In de keuken hangt met goedmoedige trouw een dikke boiler boven het aanrecht en hier vallen hem dezelfde bizarre ijsformaties op zoals hij buiten heeft gezien, het komt hem voor of het huis heeft gebloed met wit ijzig bloed, of een kristallen waterval heeft uitgespogen: trossen stalactieten hangen over de gootsteenrand tot op de vloer die in een ijsvloer is veranderd waarop je zou kunnen schaatsen. Hij heeft dorst, draait onwillekeurig aan de kraan, maar daar komt geen drup water uit, de leiding moet zijn gesprongen, alles in dit huis is bevroren, versteend.
Voortgedreven door zijn nieuwsgierigheid rond te dolen in deze door zijn bewoners verlaten villa klautert hij de trap op naar de eerste verdieping, in de gang ligt een gele speelgoedbeer met opengereten buik waaruit de vulling als ingewanden naar buiten puilt. In de slaapkamers liggen dooreengesmeten kleren, ondergoed en schoenen uit openstaande kasten en laden verspreid over de vloer. Wonderlijk intiem, onbeschaamd bijna om daar zo tussen te scharrelen en het een en ander op te rapen – zal hij die schoenen of een paar sokken van de heer des huizes meenemen? Nee, hij wil zich niet conformeren aan de plunderaars. Hij raapt een zwart jarretelgordeltje op en laat het aan zijn vingers bengelen, ruikt eraan; er vormt zich een beeld in zijn hoofd van de jonge vrouw die dit gedragen moet hebben, hoe het spande over het zachte witte vlees van haar buik, hoe de jarretels zich rekten over haar ronde dijen, even gaat er een rilling door hem heen, dan gooit hij het gordeltje terug tussen de rommel. Restanten van menselijk leven... had hij zich daar ooit een voorstelling van gemaakt? In de badkamer staat een badkuip gevuld met een blok solide ijs en daarin zitten twee rubber badeendjes vastgevroren die naar hem kijken met pathetische zwarte oogjes. Is het kind snel uit het bad gegrist toen de sirenes begonnen te loeien? Waarheen is het verdwenen? Hij doet een paar stappen en ziet opeens in het voorbijgaan in de spiegel boven de wastafel een onbekend persoon, een bebaard figuur – een insluiper die hem achterna is gekomen? Met een ruk draait hij zich om, naar alle kanten om zich heen kijkend. Er is niemand. Die tronie moet van hemzelf zijn. Via het spiegelglas ziet een andere persoon hem aan en toch onmiskenbaar zijn zelfde eigen ‘ik’, door elkaar heen geprojecteerd alsof het beeld van die donkere vreemdeling over zijn oorspronkelijke ik is heen geschoven. Natte haren die tot in zijn ogen hangen, een neus die gegroeid lijkt en vanuit een vermagerd gezicht spits naar voren steekt, wangen overdekt met baardhaar. Hij ziet zijn sombere ogen: ligt die donkerte ook over zijn geest? Zijn gezicht is vermoeid en vervuild, niet direct het visitekaartje van een jonge strijder in Hitlers legioen. Is dit een drogbeeld en vertekent dit smoezelige glas zijn gespiegelde beeld? Of heeft de spiegel iets bewaard van de wanhoop en angst van de laatste mens die in dit glas heeft gekeken voordat hij wegvluchtte naar veiligheid of dood en is hij een medespeler in dit onzalige spel? Is hij als een bal voortgerold tot aan dit ogenblik van confrontatie? Het beeld dat hij van zichzelf heeft gehad maakt slagzij, niets resteert van de gesoigneerde bleke jongeman, de intellectueel met de verzorgde handen. Wat hij in de spiegel ziet biedt de aanblik van een landloper, toch is ook die beeltenis maar schijn, want binnen in hem zit de strijder verborgen, de soldaat. Hij kijkt rond in de badkamer of er niet ergens een stuk zeep te vinden is, rommelt in het toiletkastje zonder iets bruikbaars te vinden. Uiteindelijk delft hij het laatste restje chocola uit zijn zak en begint op het spiegelglas de letters te tekenen van zijn lijfspreuk: meine ehre... voor het overige resteert geen chocola meer, maar Meine Ehre staat er dan toch, hij voelt zich gerehabiliteerd, die sombere landloper in de spiegel heeft zijn waardigheid terug.
verliefdheid
Na haar werk aan de kassa waren zij de stad ingegaan. Hij voelde weerzin tegen de rokerige volte van de kroeg, hij wilde haar voor zichzelf hebben, weg van de opdringerige lijven van Duitse soldaten of zijn eigen ploeggenoten. Wat was dit: een onverhoedse verliefdheid? Alleen seksuele aantrekkingskracht, of iets anders: een honger naar warmte, de nabijheid van een warm lichaam? Haar kinderlijke benen in fil d’écossekousen onder het korte plooirokje vertederden hem, verrukten hem, evenals haar gave huid zonder een spoor van make-up, een huid die niet was aangetast door het puin en stof van de oorlog. Dat ze zo gaaf was, zo onverbruikt, ontroerde hem nog het meest.
Ze doolden door de geschonden stad, zochten hun weg langs de gaten in opgebroken straten, hij loodste haar, hij was haar gids. Ze liepen onderlangs de kapotte gevels waarachter zich leegte bevond, overal stonden fragiele doorschoten silhouetten in het maanlicht, alleen de kerk, hoewel beschadigd, bezat nog massa. Hij had gehoopt dat ze daar binnen konden gaan, maar de eikenhouten deuren waren vanwege instortingsgevaar vergrendeld. Vond zij het luguber om bij nacht door die verwoeste stad te dwalen? Als dat zo was liet zij het niet merken. Zij duldde zijn arm om haar schouders en leek dat zelfs prettig te vinden, dicht tegen hem aanleunend voor bescherming. Door die zwarte stad, waarin de meeste bomen gebroken of gehavend waren maar waaraan de beginnende lente toch een respons probeerde te ontlokken in de vorm van knoppen aan hun kale takken, zweefde een zoele groeizame lucht die hun bloed sneller deed kloppen. Lente. Ook zij waren kinderen van de lente: negentien en zeventien jaar oud. Een ogenblik scheen de toekomst hem een verlichte glorieuze ruimte toe en in zijn overmoed boog hij zich naar haar over om met zijn lippen haar wang te beroeren. Hij liet zijn hand naar haar kleine soepele borst dwalen en zag de kuiltjes in haar lachwangen toen ze naar hem glimlachte. Eindelijk vond hij wat hij zocht: een bank in een tuintje, overgoten door maanlicht.
Hij voert haar daar binnen, drukt zijn onwennige lippen tegen haar mond die meegeeft; onweerstaanbaar welt er iets in hem op zoals vroeger tijdens zijn driftbuien, maar zoveel zoeter en pijnlijker. Met zijn lippen tegen haar oor fluistert hij: wil je me, wil je me? Op zijn heftigheid voelt hij een lichte verbazing, een aarzelend weerstreven, maar toch zijn daar nog steeds de lachkuiltjes in haar wangen, hij bijt in haar oorlel, in haar hals. Zij uit een schril kreetje dat zijn opwinding aanwakkert. Hij gaat op de bank zitten en klemt haar tussen zijn knieën, voelt haar lichaam, haar zachte buik, de jarretels waarvan hij gedroomd heeft. Hij schuift haar broekje naar beneden en daar tussen de dijen en de jarretels ontmoeten zijn vingers haar geheime bezit, haar poesje, zoals zijn kornuiten die hete veelbelovende plek noemen. Nog niet eerder heeft hij een vrouw op die manier betast, hij is nog maagd. Hij voelt zijn geslacht, zijn kleine geslacht, maar nu zo klein niet meer, hard worden; onmogelijk het te ontkennen of te beteugelen. Hij richt zich op om zijn gulp open te maken, maar heeft niet meer de tijd die handeling te volbrengen. Hij drukt zich tegen haar aan en zoals hij daar staat, geheel gekleed, overvalt hem de vloedgolf van zijn ontkoppelde seksualiteit. Die eist zijn recht op en zijn geest, zijn lichaam worden meegestroomd. Kreunend overstijgt hij de golf van wellust, hij graaft zijn vingers in haar kleine borsten, maar zij trappelt met haar benen, kermt, wringt zich los. Hij zakt neer op de bank in de kou van alleenzijn. Hij voelt hoe tranen over zijn gezicht stromen, het lijkt of hij smelt, of zijn substantie smelt, oplost – na jaren van droogte, van rigiditeit.
Op een afstand staat zij niet-begrijpend, met argwaan naar hem te kijken, naar die vreemde jongen, naar zijn onbegrijpelijke huilbui. Misschien schaamt hij zich omdat hij te vroeg klaarkwam, omdat hij gefaald heeft. Zij heeft steeds wel in de gaten gehad dat hij een eigenaardige kwibus was, maar deze reactie heeft zij niet voorzien, het maakt haar schichtig. Ze heeft haar kleren alweer in orde gebracht, zoekt nog naar iets dat uit haar jaszak moet zijn gevallen. En dan, onverhoeds vlug loopt zij naar het tuinhekje dat klagelijk piept, en is weg.
Hij kan niet ophouden met huilen. Languit ligt hij op de bank, op zijn buik, het hoofd in zijn armen. Hij wil dat wicht niet meer zien. Het heeft niets met haar persoonlijk te maken of het moet zijn dat haar warmte, haar geur hem zo van streek hebben gemaakt, maar het lijkt of zijn hele leven van een ijzige helling afglijdt en dit het laatste station is, een laatste groet ten afscheid van een voorbij bestaan.
vera
Elke herinnering aan schaatsers, kinderen met sleetjes of baanvegers met hun bezems van takkenbossen leek in het bleke licht te zijn vervluchtigd alsof ze nooit hadden bestaan. Onberoerd lag de dunne sneeuw over de ijsvloer. Rondom stonden de geblinddoekte huizen op wacht en zelfs de naakte takken van bomen bewogen niet. Verbaasd hield Vera haar stap in alsof zij onwillekeurig toch het oude kleurige beeld van zwierende schaatsers voor ogen had gehad. Daar stond zij op de wallenkant in haar eentje met haar schaatsen in haar hand. Ten overstaan van de duizenden onzichtbare bewoners van de stad die in hun dekens gerold of met hun handen uitgestrekt naar een laatste vonkje vuur achter de muren bivakkeerden, blind en doof voor de verleiding van de winter, die nu niet langer een verleiding inhield maar een bedreiging voor hun kwetsbare levens.
Ze ging op de besneeuwde oever zitten om haar schaatsen onder te binden. Toch kwam het haar bijna ongepast voor om met haar ijzers groeven te snijden in dit ongerepte sneeuwlaken, hier op dit ronde vijveroog dat gebed lag in de bebouwde kom en dat in de zomer altijd de hemel weerspiegelde maar dat nu blind neerlag onder zijn vlies van ijs. Ongepast, alsof de stad het niet zou gedogen dat de stilte zou worden geschonden, het ademloos wachten onder het zwaard van Damocles dat boven haar in de lucht hing. Daarbeneden in de stenen kronkels van straten en lanen gingen de gefluisterde geruchten van mond tot mond, opzwellend soms tot berichten vol doem en onheil: de Duitsers zullen de stad bombarderen voordat de geallieerden komen, ze zullen geen steen op de ander laten uit wraak, ze zullen de uitvalswegen afsluiten zodat wij als ratten in de val zitten...
Nee, die gedachten moest ze uitbannen, nu wil ze dit partikeltje tijd voor zichzelf opeisen ongeacht wat later gaat komen. Dit is háár tijd, haar stukje tijd dat zij heeft losgebikt uit de beklemming van het oorlogsgebeuren, uit haar eigen leven dat gekneveld wordt door alle mogelijke zorgen en zorgjes. Plotseling ziet ze de gestalte van Onno voor zich, hoe hij de deur achter zich dichtsloeg en wegliep in de schemer van de zomeravond – hij wel, hij liet alles achter en koos voor zichzelf.
Zij had die keuze nooit gemaakt en werd nu overvallen door een gevoel van beklemming alsof zij in een fuik was gezwommen. Het wachten, het aanhoudende wachten. De trage tred van de tijd door dit gestolde bestaan... En waarop was dat wachten dan wel? Op een einde, een vernietiging? Of een vrede en de schroomvallige terugkeer van hun vroegere huiselijke leven dat met horten en stoten zou starten als een oude motor? Was zij maar van huis weggegaan zoals Onno had gedaan, om een leven vol actie te gaan leiden, bijvoorbeeld in het verzet om hun familie-eer te redden en tegenwicht te bieden aan haar broers ellendige verraad.
Toch had zij het niet over haar hart kunnen verkrijgen om Johanna en Tristan alleen achter te laten in het lege huis, evenmin haar vader voor wie zij een soort reddingslijn vertegenwoordigde omdat ze hem knollen of suikerbieten bracht. Haar gevoel voor verantwoordelijkheid had haar steeds dwarsgezeten bij haar verlangens naar vrijheid. Nog hoorde zij Onno’s pesterige commentaar waarmee hij haar in het verleden zo vaak op de kast placht te jagen: Jij bent zo braaf, maar daar verdien jij ook de hemel mee... woorden die haar bloed deden koken. Ja, zij had een keuze moeten maken zoals hij, maar dan aan de andere kant van de scheidslijn die hun wereld had gespleten. Nu restte haar alleen het wachten.
Driftig slaat ze haar benen uit om de vijver op te schaatsen. Het ijs voelt hobbelig aan, hier en daar zit er sneeuw aan vastgevroren, haar enkels zwabberen onder haar. Vroeger reed je op een geveegde baan, kon je vaart maken. Maar ze zal zich niet laten ontmoedigen, ze duwt haar ijzers door de sneeuw, jaagt zichzelf voort, zich concentrerend op iedere mogelijke spleet, ieder dichtgesneeuwd wak waarvoor haar moeder zo bevreesd is. Haar bloed begint heftiger te stromen, de uitdaging aangaan, daar gaat het om.
Geen levend schepsel te bekennen, zelfs geen verkleumde eend. De vogels moeten op de wieken zijn gegaan sedert het ijs alles heeft dichtgedekt en er geen goedertieren oud dametje met een zak brood op een bankje zit. Onder de boog van een brug door – een welkomstboog – schaatst zij het verboden park binnen waarvan de hekken zijn gesloten om illegale houtkap te voorkomen. Het park van haar kinderjaren waarvan zij iedere laan, ieder watertje kent, maar dat daar nu ligt in zijn witte metamorfose als een onontdekt land waar geen sterveling ooit een voetstap heeft gezet. Hijgend staat ze een ogenblik stil, de stilte wordt zo intens dat hij tastbaar lijkt, ze kijkt achterom alsof ze iemand verwacht, iemand die haar onhoorbaar is gevolgd. Uitsluitend blauwige schaduwen van bomen liggen roerloos over de ijsvlakte, de veervormige sporen van haar eigen ijzers zijn haar gevolgd tot waar ze met haar voeten samenvallen, dit is haar handtekening in de sneeuw: Vera was here... ze heeft haar stempel gedrukt, hoe vluchtig die ook zal blijken.
Tussen haar lippen vandaan wolkt haar adem omhoog. Alsof zij een minuscule geiser is en dat is ze ook, ze is heet vanbinnen, heet. Ze krabbelt naar de wallenkant en gaat languit in de sneeuw liggen, in dat smetteloze pak sneeuw, wellustig haast, omhoogstarend naar haar adem die omhoogzweeft naar de zwarte boomtakken. Ze draait zich op haar buik in de sneeuw, drukt haar lippen op de tintelend koude ijskristalletjes, ze zou de sneeuw, de aarde daaronder, de geduldige donkere aarde willen omhelzen: jij draagt geen schuld, jij ligt hier maar en wacht... Onder haar trui voelt ze haar tepels hard worden door de kou, een heftig, een tintelend gevoel verspreidt zich door haar buik.
Haar bloed verweert zich tegen de ijzige wereld rondom, onder haar warme wangen smelt de sneeuw, al haar levenskracht lijkt zich samen te ballen tot een uitdaging, tot dit ene ogenblik van triomf. Ik lééf nog, denkt ze. Ik lééf, zegt ze luidop tegen de wachtende aarde, de lege lucht: ik lééf.
johanna
Johanna dwaalt door het steenkoude huis, ze klimt de trappen op en daalt weer omlaag als een muis in een kooi die ronddraait in zijn tredmolentje, zinloos, zinloos. Ze blaast op haar vingers die wit zien van de kou. Wat een dwaasheid zo’n groot huis te hebben, ze doet de deur van Tristans kamertje open, deinst terug voor de chaos aan kleren en dekens die over de grond slieren met daartussen speelgoed, soldaatjes die vroeger aan Onno hebben behoord.
De leegte grijnst haar aan. Tristan is bij een buurjongetje gaan spelen – kinderen blíjven spelen alsof er niets aan de hand is, ze passen hun wereldje aan. Aan het hitsige moorddadige ritme van de grote wereld, ze maken er een eigen creatie van, compleet met oorlog en bommen, moord en doodslag. God weet spelen ze nu wel executietje.
Ze is alleen in huis, ze wacht. Haar leven is voornamelijk samengesteld uit wachten, het is één grote wachtkamer en ergens zit daarin de angst verscholen, geniepig klein, een adder die zich schuilhoudt of een mug die zoemt aan je oor, maar wanneer ze alleen is, wakker liggend in het dubbele bed, het huwelijksbed waarin haar kinderen zijn geboren, groeit de angst tot een hand die haar keel dichtknijpt. Nee, je kunt beter niet in bed liggen, het is beter te lopen, lópen. Even speelt ze met de gedachte om de speelgoedsoldaatjes die van Onno zijn geweest uit Tristans kamer weg te nemen en in de kachel te verbranden. Maar zou dat enig verschil maken? De speelgoedsoldaatjes van toen zijn gegroeid en lopen nu levensgroot door de straten – voor Tristan een alledaags verschijnsel, een realiteit waartegen een moeder machteloos is.
Ze weet nog hoe ze zich er toentertijd tegen had verzet dat Onno soldaatjes, een speelgoedpistool of ander oorlogstuig zou krijgen – hoe naïef was zij geweest, alsof je die oerdrift in elk mannetje in spe kon uitbannen. Had Arnold gelijk gehad toen hij haar verweet dat zij Onno had willen kneden in de vorm die zij zich wenste? Je zult hem nog platdrukken door je bezorgdheid en je bezitsdrift, had hij haar toegevoegd tijdens een van hun twistgesprekken. Hun kind, hun zoon Onno, had ook tussen hen beiden een wig gedreven. Ze herinnert zich hoe zij zwijgend in hun gescheiden bedden hadden gelegen met open ogen starend in het donker, zich het hoofd brekend over het raadselachtige fenomeen hoe een kind van je eigen bloed, gevoed door je eigen gedachtewereld en morele maatstaven, zo ver kon afdrijven. Hoe vaak had zij zich niet afgevraagd hoe het mogelijk was dat een jong kind van tien, twaalf jaar zich zo hartstochtelijk kon vereenzelvigen met het Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog en met de vernederde en hongerende bevolking. Waar kwam zijn fascinatie vandaan? Had hij zich vereenzelvigd met de verliezer omdat hij op verschillende niveaus zelf een verliezer was of zich zo voelde vanwege zijn astma en veelvuldig ziekzijn die hem, dat wist ze wel zeker, een minderwaardigheidscomplex hadden bezorgd? Toch werd ze gedurende die doorwaakte nachten waarin alle mogelijke gedachten en bizarre ideeën haar brein bestookten, somtijds beslopen door het denkbeeld dat haar zoon in een vroeger leven een jonge Duitse soldaat kon zijn geweest die op het slagveld was gesneuveld en die zich nu in zijn nieuwe incarnatie nog altijd verbonden voelde met zijn voormalige vaderland. Waar anders kwam zijn bitterheid vandaan omtrent de onrechtvaardige behandeling na de oorlog en het vernederende Verdrag van Versailles? Ze peinsde over de raadselachtige draden die de geest van mensen door de generaties heen, over landsgrenzen heen, met elkaar konden verbinden. Wat weten we helemaal, wij, die met ons denken en voelen zijn ingesteld op het hier en nu? Misschien ligt er als een oud fossiel een herinnering begraven in Onno’s geest, misschien hoort hij in de klank van de Duitse taal iets dat een snaar in zijn binnenste tot trillen brengt.
Zij duwt de deurkruk van zijn kamer naar beneden en daar ligt het voor haar: het levenloze decor van zijn jongensjaren. In het midden zijn schooljongensbureau van zwart gebeitst vurenhout waaraan hij voor zijn eindexamen heeft zitten blokken, met enkele zielloze meubels daaromheen. Zijn bed als van een asceet. Zo plat, niet beslapen, nooit meer beslapen. Misschien is hij dood... In een verraderlijk ogenblik denkt ze dat het lichter te dragen zou zijn wanneer hij dood was. Dan zou zij een eerlijk verdriet hebben, één die mensen kunnen begrijpen: ziekte, dood, een kind met een been eraf, dat soort onheil. Het verdriet dat je daarvan hebt, dat je kunt koesteren zelfs, tegen je hart drukken en waarmee je huilend in slaap valt is iets legitiems, een sociaal gebeuren waarin je familieleden, vrienden en zelfs je buren kunnen delen. Wat ik heb is iets heimelijks en beschamends, iets waarmee ik zit opgesloten, ik praat er met niemand over en niemand praat met mij. Zelfs tegenover Arnold ben ik gaan zwijgen. Want die heeft zijn eigen verdriet, zijn eigen schaamte. Maar Arnold is een binnenvetter. Hij stopt zijn pijn weg, probeert die weg te vagen uit zijn herinnering, uit zijn hart. Hij heeft zijn zoon afgeschreven en zal blijven leven met een diep litteken. Aan dat litteken wil hij niet dat je raakt – het moet hard worden, gevoelloos. Ik ben anders. Een vrouw is anders. Waarom heb ik altijd de neiging mijn wonden open te krabben? Nee, ik kan mijn verdriet niet tonen omdat het onvatbaar en beschamend is. Ik moet leven met leugens en een opgewekt gezicht, ik moet moedig zijn om Vera en Tristan niet te belasten met mijn ellende.
Ze doet de deur van de kleerkast open waarin nog enkele jasjes en overhemden zijn blijven hangen – hij heeft maar weinig meegenomen, misschien loopt hij nu altijd in uniform – de lege vormen aan hun klerenhangers lijken op gehangenen, ze tast ertussen zoals ze vroeger deed om te kijken of er geen knopen ontbraken of op andere manier iets aan mankeerde. Zij haalt een colbertjasje tevoorschijn dat hij heeft achtergelaten, strijkt over de stof, houdt het omhoog tegen haar gezicht. Het wollen tweed is warmer dan de stilstaande lucht, het is toeschietelijker, de wol retourneert haar eigen warmte, ze voelt de koestering tegen haar huid, houdt het jasje in haar armen alsof het haar leegte, haar kilte kan verwarmen. Als ze maar zou kunnen rouwen, het rouwproces rond kon maken zodat ze haar kind weer zou kunnen oproepen in de gedaante van de kleine zoon die haar zo veelbelovend had toegeschenen. Of moet ze altijd blijven dolen langs het slingerpad van zijn jeugd, zich afvragend wanneer de verandering is ingetreden, wanneer de vreemdeling haar huis is binnengeslopen om de plaats in te nemen van haar zoon...
Versteend tot op het bot loopt ze naar de garderobekast in de vestibule om haar oude bontmantel tevoorschijn te halen, die, sinds Arnold hem voor het eerst rond haar schouders hing, kaal en mottig is geworden. Ze wikkelt zich erin en zet zich op de sofa in de salon waar het laatste vonkje steenkool smeult in de potkachel. Bewegingloos, rechtop als een uil in de winter zit ze te wachten tot de dode vacht haar ledematen zal verwarmen. Maar het bont is koud en zwaar en het is of die zwaarte de laatste vonk warmte uit haar lichaam drijft. Ze drukt haar handen op haar buik waar een onduidelijke pijn knaagt. Die kent ze, die pijn, die brengt haar steevast in herinnering dat Onno haar op die plek getrapt heeft toen ze hem wilde tegenhouden op de dag dat hij vertrok.
Zij heeft erover gezwegen, heeft haar lippen verzegeld, want het is iets dat zij zou willen toedekken met zwarte aarde zoals je doet met een dode, iets of iemand die voorbij is... Maar die verraderlijke pijn steekt van tijd tot tijd de kop op om haar te herinneren en blokkeert daarmee de weg naar vergetelheid. Zij moet leven met die demon in haar inwendige die haar influistert: weet je nog hoe het was? Hoe zijn ogen zwart werden van haat en zijn voet omhoogkwam, zo onverhoeds dat je je handen niet beschermend voor je buik kon brengen?
Waarom verlang je dan nog altijd naar hem? Meen je nog steeds dat je met hem zou kunnen praten en je met hem zou kunnen verzoenen? Dat je de kloof zou kunnen overbruggen die tussen jullie gaapt? Wees eerlijk, je hebt nooit met hem kunnen praten, in zijn woorden of zelfs zijn zwijgen lag een hoon die je onzeker maakte. Ieder woord dat van je lippen kwam kon hem irriteren, hij bespeurde je gretigheid om hem weer in te lijven in de familie, in jouw liefde. Je gepraat en je emoties vond hij niet alleen zinloos, maar ook hinderlijk alsof je woorden aan zijn huid kleefden als kleffe zoenen waar hij een afschuw van had. Waarom dan toch... die hoop?
Misschien ontdekt hij de leugen achter de holle frasen van de nazi’s, misschien doolt hij rond midden in de verschrikking van de oorlog en worden zijn ogen geopend.
De minuten schakelen zich aaneen tot een eeuwigheid. Komt Vera nog niet thuis? Alleen op het ijs in de bittere kou. Hoort ze een sleutel in het slot? Hoe langer het wachten duurt hoe meer de verbeelding zijn spel met haar gaat spelen. De wind tegen de voordeur, het heen en weer slaan van het bellenkoord, hoor ik een zwak getingel? Is dat een voetstap op de traptreden?
‘Ik wil niet dat je zo binnensluipt,’ had Arnold tegen zijn zoon gezegd. ‘Ben je een spion? Wil je ons betrappen? Afluisteren? Geef de sleutel hier! Jij beschouwt dit niet langer als je ouderlijk huis, dus je hebt geen recht op de sleutel.’
Arnolds grauwe gezicht had diepe plooien vertoond. Johanna zag hoe zijn kaken werkten in een poging tot zelfbeheersing, het leek of hij zichzelf tuchtigde met de woorden die hij sprak. Onno stond daar met een hautain lachje, hij had in zijn broekzak getast en zijn vader de huissleutel aangereikt.
In de vestibule kijkt Johanna op de antieke stoeltjesklok waarvan Arnold iedere avond de koperen gewichten omhoogtrok aan hun ratelende kettingen, een gewichtige bezigheid, voorbehouden aan de heer des huizes. Tegenwoordig is dat haar taak. Onverstoorbaar slaat de slinger de maat van het wachten. Het begint te schemeren. Haar vingers reiken naar de schakels van de ketting alsof ze de klok wil dwingen de tijd te bespoedigen.
de rijn slaat over de zomerdijk
Hij groef. Ditmaal aan het onderdeel van een pakstelling, een ronde kuil waarin munitie kon worden opgeslagen en waar straalsgewijs een aantal loopgraven op aan moesten sluiten. De pakstelling was vrijwel klaar en hij had tot taak een loopgraaf aan de linkerkant te spitten terwijl zijn kameraden bezig waren een golfplaten dak op de pakstelling aan te brengen om te voorkomen dat de munitie nat zou worden. Hoestend dreef hij zijn schop de grond in, de pijn in zijn rug steeg omhoog naar zijn nek, water stond in zijn lekke schoenen, maar aan dat ongemak was hij gewend. Met gierend gefluit vloog een granaat over zijn hoofd en sloeg ergens in. De Engelsen waren dichtbij. Achter de dijk aan de overzijde van de rivier hadden ze hun kamp opgeslagen in een populierenbos, wanneer het helder was kon je ze zien bewegen.
Hij staart over de velden, naar de buikige wolken die daarboven hangen, sneeuw op komst, natte sneeuw dit keer, je kunt het ruiken in de lucht. Een zwarte kraai wiekt langs het uitspansel. Zonderling hoe alles zijn gang gaat, hoe die vogels blijven vliegen, de wind waaien, wolken voorbijdrijven. Wind verkoelt zijn verwarde hoofd vol met schuttersputjes, pakstellingen, bunkers, luizen en kou die niet meer uit je botten weggaat, die zich daar ingevreten heeft. Die hele kop zit daarmee vol alsof er niets anders meer bestaat en dan opeens is er die ene vogel die daar vliegt, een schepsel dat zich handhaaft, en ook de wind handhaaft zich, die stoort zich niet aan het gezelschapsspel van oorlogvoerders. Raar gevoel geeft hem dat, alsof zijn inspanningen er niet toe doen, nergens toe doen.
Het gat dat hij graaft wordt niet noemenswaard dieper, heeft hooguit het formaat van een graf voor een klein persoon, zelf zou hij er niet in passen. Absurd dat dit gat maar steeds geen loopgraaf wil worden. Het begint al te schemeren, de lucht wordt grijs, vervolgens donker, van een blauwige kleur die aangeeft dat de nacht op komst is. Nog tien minuten spitten tot de duisternis invalt. Maar zijn lijf wordt recalcitrant, zijn kletsnatte voeten zijn afgestorven, handen één vlammende pijn – maar ik moet, ik heb de eed gezworen: Meine Ehre heisst Treue...
Onder zijn schop voelt hij iets taais, iets dat weerstreeft, hij bukt zich om dat te onderzoeken en stuit op een boomwortel die door het gat van zijn loopgraaf kronkelt. Hij rukt eraan zonder het obstakel los te krijgen. Een onverhoedse golf van woede stijgt hem naar het hoofd, hij hakt erop los maar die wortel geeft geen krimp. Hij beukt, het lijkt of al zijn kracht zich samenbalt om dat onding klein te krijgen. En opeens is er geen weerstand meer en stuikt hij voorover in het zwart van zijn modderkuil. Onhandig blijft hij op zijn knieën zitten, tastend naar zijn schop, het ellendige ding is gebroken, splinters priemen in zijn handpalm.
Het zwart van de nacht breidt zich uit, wikkelt hem in, de lange witte vinger van een zoeklicht scheert langs het donkere hemelgewelf, wentelt voorbij, wentelt voorbij. En in de baan van dat bleekblauwe licht verschijnt iets en dooft weer uit, verschijnt iedere keer opnieuw: een lichtgevende gedaante. Ja, dat ziet hij nu. Is zij dat, zijn moeder? Leeft ze nog? – Hoe kom je in godsnaam hier? Waar heb je je al die tijd schuilgehouden?
Zij zit rechtop in een ijzeren hospitaalbed dat op een strook groen gras staat midden in de sneeuw, zij stapt uit het ledikant en beweegt zich op blote voeten over de bevroren grond. Verbazend jong ziet zij eruit, in dezelfde halflange soepele jurk – of is het haar nachtpon? – die ze droeg toen hij een kind was en waarvan hij het zo prettig vond om zijn lippen tegen de zachte mousseline te drukken. Ze kijkt strak voor zich uit alsof ze ergens naar op weg is, op die blote voeten door de sneeuw. Je moet hier niet lopen, hier zijn alleen modder en sneeuw, het is donker, je kunt niet zien waar de loopgraven zijn. Ga weg hier! Ga hier weg, verdomme...
Maar ze blijft lopen. Zoeklichten scheren over het veld en vangen haar als een glinsterend mugje in hun lichtbundel. Hij hoort de glasheldere ping van een kogel. Geen mugje meer te zien.
Door de sneeuw kruipt hij naar de plek waar ze zojuist nog overeind stond. Ligt daar iets? Is zij dat, die nietige gestalte? Een lichaam, volstrekt ontkleed. Heeft de luchtdruk haar de kleren van het lijf gerukt? Hij buigt zich dieper en ziet tot zijn afgrijzen slechts één been aan haar romp, van het andere geen spoor, net zo min als van enig bloed. Hij strekt een hand naar haar uit, zijn koude vingers ontmoeten een andersoortige kou – kan zij zo snel zijn veranderd in een pop van ijs? Maar ijs is glad en wat hij voelt is stroef, evenmin warm en soepel als levende huid. Wijdopen staren haar ogen omhoog naar de nachthemel, de bleke weerschijn van de sneeuw spiegelt zich in haar pupillen, onbeweeglijk zijn de wimpers omhooggeslagen.
‘Johanna,’ fluistert hij, ‘Johanna, word wakker...’ Op zijn knieën liggend brengt hij zijn hoofd dicht bij dat van haar in de hoop iets van adem, van warmte te bespeuren.
Geen warmte, geen adem, geen enkele reactie, niet het minste spiertje in haar oogleden, haar mondhoeken, dat trilt.
In een radeloze impuls een levensteken te ontlokken grijpt hij haar bij de bovenarmen om haar door elkaar te schudden, wakker te schudden, maar met een schreeuw laat hij los: wat uit zijn handen met een bonkend geluid op de bevroren grond terugvalt is geen mens, niet Johanna, maar een levenloos ding, hij staart in ogen van glas. Een paspop, een blote pop met één been.
Zo buiten zinnen is hij van ontsteltenis en woede dat hij uit alle macht trapt naar dat weerzinwekkende ding, naar die pop, hij gaat er bovenop staan stampen. Weg met dat walgelijke ding dat hem één ogenblik heeft begoocheld door Johanna’s gestalte aan te nemen, hij hoort het krakend geweld waarmee het onder zijn voeten wordt verbrijzeld.
Er wordt aan zijn armen getrokken, zijn lichaam raakt los uit de zwaarte van zijn droom, gaat de hoogte in alsof het uit een wak in het ijs op de kant wordt gehesen; schurend komt zijn adem door zijn luchtpijp, zijn benen maken nog altijd trappende bewegingen. Iemand houdt ze vast, door het gegons in zijn oren klinkt stemgeluid door: ‘Jezus, Lodewijk! Wat heb je? Ben je gewond? We zoeken ons een ongeluk naar je...’
Donkere schimmen troepen om hem heen. Onder zich kan hij het zwarte gat onderscheiden waaruit hij zojuist omhoog is gehesen, vaag ontwaart hij op de bodem een brei van smerige sneeuw en modder. Hij pijnigt zijn hersens. Vanwaar dit gat? Lag hij daarin begraven? En wat beduidt die stilte om hem heen, in de lucht? De hemel is zwart, geen zoeklichten scheren langs de nachthemel. Is het allemaal over en uit?
De schimmen beginnen hem te duwen, aan hem te sjorren. ‘Ben je ziek? Wat mankeert je?’
‘Opschieten! Het is tijd. Ze zijn allemaal al weg.’
Weg, waarheen? wil hij vragen, maar zijn keel, zijn lippen weigeren dienst.
‘Straks verzuipen we nog!’
‘Verzuipen?’
Dit keer valt het woord uit zijn mond, merkwaardig luid, als een explosie.
‘Hij komt weer tot zijn positieven,’ hoort hij iemand zeggen.
‘Lodewijk, luister!’
Ze blijven staan met hem tussen zich in en bewaren het stilzwijgen. En dan hoort hij het: onder de stolp van stilte klinkt een onheilspellend bulderen dat over de hele breedte van het land komt opzetten, het gedruis van een alles overspoelende oceaan. Maar hier is geen oceaan, zijn hersens kunnen het niet bevatten: ‘Wat is dat voor geluid?’
‘De waterkering is doorgebroken, de Rijn slaat over de zomerdijk...’
‘De uiterwaarden zijn al ondergelopen, nog even en het water stroomt de loopgraven binnen!’
In het donker schuifelen ze verder, bij iedere stap hoor je het smakkend geluid waarmee de modder zich aan hun voetzolen vastzuigt.
De Rijn slaat over de zomerdijk... die rampzalige woorden blijven in hem nadreunen. De oorlog zwijgt, de Rijn heeft het laatste woord. Of is dit donderend bruisen een onderdeel van zijn droom? Zit dit bruisen binnen in zijn hoofd? Binnen in zijn bloedstroom? De Rijn slaat over de zomerdijk, een misselijkmakend refrein... de loopgraven stromen vol. Al hun werk voor niks. Automatisch verzet hij zijn voeten, iemand houdt hem bij de arm alsof hij een ouwe zak is, hij mompelt: ik kan zelf wel, maar zo krachteloos is zijn verweer dat de hand zijn greep alleen maar versterkt. Hij voelt zijn spieren als uitgerekte touwvezels door armen en benen lopen, het is onmogelijk zijn vingers te strekken, zijn handen staan krom, klauwen die gedoemd zijn voor eeuwig het handvat van zijn schop te omklemmen. Gespit heeft hij, gespit als een grondwerker, een boerenpummel, dagen achtereen, hooguit opgemonterd door een enkel ogenblik van voldoening, van hoop, en vervolgens weer dat stompzinnige gespit, twaalf uur per etmaal, in de dagploeg, in de nachtploeg, en alles voor niets. In het kolkende water zullen ze ten onder gaan, zijn loopgraven, die hij uit de grond gespit en versterkt heeft. Welke stommeling heeft bedacht dat de verdedigingslinie zo dicht langs de rivier moest lopen? Voortsjokkend in zijn grondwerkersbroek met de bemodderde beenkappen van de verdwenen marechaussee rond zijn kuiten, vullen zijn ogen zich met tranen, schieten flitsen van opstandige gedachten door zijn hoofd: het is allemaal gekkenwerk, ik ga ervan naar de bliksem, ik moet ermee ophouden! Ze kunnen allemaal mijn reet likken, die lui met spierbundels in plaats van hersens!
Uitgeteld lag hij in het stro. Rook de stank omdat het in weken niet was ververst, zijn voeten gevoelloos als de voeten van een dode, maar daar bekommerde hij zich niet om, die voeten waren zo ver weg, helemaal aan de periferie van zijn lichaam, hij kon ze niet bereiken, ze moesten zichzelf maar zien te redden, hij had al moeite genoeg adem te halen, zijn borstkas zwoegde als een oude blaasbalg. Hij vroeg zich af of je op je negentiende dood kon gaan, niet door een kogel of een granaatinslag maar simpelweg door uitputting en kou. Zo’n verwonderlijk vooruitzicht was dat niet, zijn koortsende kinderziekten hadden daarvan de prelude gevormd. Vroeg doodgaan, dat had iets moois, iets verzoenends. Gestorven voor zijn ideaal, zijn leven gegeven voor het Duizendjarig Rijk. Hij zou eeuwig jong blijven, een jeugdige martelaar, en dan hoefde hij niet de ellendige weg naar de ouderdom af te leggen. Nee, de dood verontrustte hem niet, hij raakte er niet van in paniek, hij trok zich eenvoudig in zichzelf terug en wachtte.
nederlaag
Er is geen regen, geen duisternis, geen kou. Banen licht en daardoorheen bewegen gestalten in het wit. Misschien is ook dit een visioen, iets dergelijks als wat zijn ijldroom hem heeft voorgegoocheld en waarin hij aan zijn enkels aan het plafond was opgehangen te midden van tritsen bevroren vogels. Hij sluit zijn ogen en wacht of die witheid, die witte gestalten willen verdwijnen, maar die weten van geen wijken. Dit moet het ‘nu’ zijn, en dat is immens, het vouwt zich om hem heen om hem te beletten daaruit te ontsnappen. Dit is wat het is: de werkelijkheid. Hij ademt in, hij ademt uit in die witte werkelijkheid, die overigens niet smetteloos wit is, eerder vuilwit, verbruikt wit waarin zich een zweem van gelige belegenheid mengt. Onder grijzige lakens ziet hij bultige lichamen en in verband verpakte ledematen die daaruit tevoorschijn steken, vormloze uitsteeksels die benen of armen moeten voorstellen en aan katrollen in de ruimte hangen. Er zijn ledematen die op onverklaarbare manier opeens ophouden, benen die zonder knie of voet in de lucht bengelen. Hij kan zich maar beter niet met die irrationele wereld inlaten. Hij drukt zijn hoofd in het kussen, er is echter geen muur waarbij hij zijn toevlucht kan zoeken, aan weerszijden van zijn bed doemt die rare verontrustende wereld op, hij wordt er door omsloten. Toch werkt dat geschuifel, gemompel en gekreun rondom hem als een slaaplied en valt hij in een lichte sluimer – daar kan hij zomaar in wegzinken zonder er moeite voor te doen. Want hij bevindt zich op vertrouwd terrein, ervaren als hij is in het wegzinken in de wellust van ziekzijn, ergens is hij nog de kleine jongen met roodvonk in bed, hij zou er haast om kunnen glimlachen zo gemakkelijk valt het hem zich in zichzelf terug te trekken. Toch laat de werkelijkheid hem niet met rust en treedt binnen zijn gezichtsveld in de persoon van een zuster die met haar droge vingers zijn pols voelt om, turend op een metalen instrumentje, de verrichtingen van zijn hart te controleren.
‘Zo knul,’ zegt ze, ‘je komt er weer aardig bovenop. Ik zou maar eens mijn bed uitkomen en mijn spieren laten werken. Als je zorgt dat je goed eet kun je over een paar dagen naar huis.’
Waar heeft dat mens het over? Wat bedoelt ze met naar huis? Een ander thuis dan de school met het stinkende van luizen vergeven stro heeft hij niet. Even later komt ze terug met een emaillen kom met koud water waarin hij zijn gezicht en handen moet wassen. Blijkbaar is het de bedoeling dat hij zo snel mogelijk zijn plaats in de tredmolen van de dag weer inneemt. Lusteloos doopt hij zijn vingers in het water onderwijl starend naar het voortdurend geloop onder het zwakke lichtschijnsel dat in de ruimte hangt. Opeens wordt hem duidelijk wat de verklaring voor dat spaarzame licht moet zijn: de elektriciteit werkt kennelijk op een noodaggregaat. De letters schrijven zichzelf in zijn hoofd: noodaggregaat, een stukje werkelijkheid wikkelt zich los uit de mist en komt tot zijn beschikking. Vermoedelijk is dit een noodhospitaal, waarschijnlijk buiten Arnhem, weg van het front. Hij vraagt zich af hoe hij hier terecht is gekomen, wat hij hier doet, voorzover hij kan nagaan is hij niet gewond, in zijn herinnering liggen slechts door elkaar gevallen beelden, voor het merendeel roodgekleurd en warrig. Hij zakt weer achteruit met het emaillen kommetje nog op zijn knieën. In zijn hoofd duikt een glimp op van een bekende gestalte: Godefroy, elegant in zijn uniform, het haar in een onberispelijke scheiding. Waar zou Godefroy nu zijn? En Wim Bremer? Waar zijn de Jeugdstormers? Aan de rand van zijn bewustzijn ziet hij ze aan komen marcheren in een defilé van verre figuurtjes, maar hij duwt ze terug, hij is nog niet klaar voor een confrontatie zoals hij hier ligt zonder pantser, kwetsbaar als een weekdier.
Hij doet zijn ogen weer dicht, de wereld kantelt onder hem, vaag hoort hij geroezemoes dat toe- en afneemt volgens een geheel eigen ritme, al zijn gevoelens en gewaarwordingen lijken door elkaar te schuiven. Plotseling schrikt hij op door een rauwe kreet gevolgd door een snerpend gillen – iets uit het dierenrijk of een horrorfilm. Hij schiet overeind, het water uit het kommetje golft over zijn benen, zijn ogen vliegen door de ruimte. Is er een granaat ingeslagen? Iemand dodelijk getroffen? Witbeklede ruggen buigen zich rond het ledikant van de man met het halve been aan de andere kant van het gangpad. De ruggen krommen zich en strekken zich weer omhoog, een hand werpt bloederig verband in de afvalbak naast het bed. Het been wordt verzorgd, begrijpt hij, het verband ververst. Geleidelijk klinkt het gegil meer gesmoord en verandert in het dunne gejammer van een kind of een kat, het raspt over zijn zenuwen. Hij wendt zijn blik af om die weerzinwekkende stomp niet te hoeven zien – zo’n ding aan je lichaam te moeten hebben, zo’n vleesklomp die daar gewoon zal blijven zitten tot het eind van je leven, dan kun je beter dood zijn. Maar het is oorlog. In een oorlog wordt er niet gevraagd naar je voorkeur: liever dood of je arm eraf, liever een arm eraf of een been, liever blind dan verminkt? Lievere koekjes worden niet gebakken in de oorlog. Hijzelf is tenminste nog heel, hij is een geluksvogel, alhoewel die overweging geen realiteit voor hem wordt, geen emotie teweegbrengt.
‘Er is bezoek voor je,’ zegt de zuster, en hij ziet door het gat van de deur aan het einde van de ziekenzaal een man in een lange overjas in zijn richting komen. Eenmaal bij zijn bed beland zet de man zijn gleufhoed af en gaat naast hem zitten met iets vertrouwelijks. Argwanend laat hij zijn blik op het gezicht van zijn bezoeker rusten die zich nu een welwillende glimlach aanmeet. Het gezicht komt hem vagelijk bekend voor, maar de persoon noch de naam die erbij hoort wil hem te binnenschieten.
‘Het doet me plezier dat je bijna beter bent,’ zegt de man in de lange overjas, ‘dan kun je binnenkort naar huis.’
Die vent heeft het ook al over ‘naar huis’, wat heeft dat te beduiden? In een flits van herkenning ziet hij opeens wie hij voor zich heeft: kringleider Jol, zonder uniform getransformeerd tot een burgerman in overjas, zichtbaar geslonken, non-descript. Hij voelt zich onzeker worden, zelfs verontrust door Jols metamorfose, onwennig rust zijn hand in die van zijn bezoeker.
‘Ik kom afscheid van je nemen, Lodewijk,’ zegt de kringleider, ‘morgen vertrek ik naar Duitsland. Wij kunnen hier niet langer blijven. De burgemeester van Arnhem en de burgemeesters van de omliggende gemeenten zijn allemaal vertrokken.’
‘Waarom?’ brengt Onno uit.
Hij maakt zijn hand los uit die van Jol, hij betrapt een trekje van gekweldheid op diens gezicht, een zorgelijk optrekken van de wenkbrauwen.
‘Het wordt hier te gevaarlijk. Er wordt een groot beslissend offensief van de geallieerden verwacht.’
‘Maar wij zijn toch nodig om de stellingen te verdedigen en te herstellen,’ stamelt Onno vol onbegrip, ‘en wij hebben toch de v2, een wapen waar de geallieerden geen antwoord op hebben?’
‘Mogelijk kunnen de Duitsers nog standhouden, daar durf ik mijn hoofd niet om te verwedden, maar alle burgers die hier nog zitten worden geëvacueerd. En jullie ook, jullie zijn geen militairen en bovendien minderjarig. Er zijn orders gekomen dat jullie binnen drie dagen vertrokken moeten zijn.’
‘Waarheen dan?’ Het koude zweet breekt hem uit.
‘Naar het westen, naar huis, beste jongen...’
Dus ze worden weggestuurd, in de steek gelaten en klaarblijkelijk wensen de Duitsers hen ook niet langer in hun buurt alsof ze hun maar voor de voeten zouden lopen, juist nu de beslissende slag moet worden gestreden.
Met iets meewarigs in zijn blik kijkt Jol hem aan. ‘Kop op, Lodewijk. Wees blij dat je dit avontuur heelhuids hebt overleefd. Je bent jong, je hele toekomst ligt nog voor je.’
Ineens wordt de titanenstrijd waarvoor hij zich met al zijn wilskracht en idealisme heeft ingezet betiteld als ‘avontuur’, het voelt aan of hij binnenstebuiten wordt gedraaid. Wat hebben die leuzen dan nog te betekenen die de nationaalsocialisten in zijn ziel hebben geprent? Die Fahne ist mehr als der Tod... Wenn alle untreu werden so bleiben wir doch treu...
‘Ik kan niet naar huis. Dat is onmogelijk!’
‘Dat is iets wat je zelf moet beslissen. Maar hier is jullie aanwezigheid niet langer gewenst. Jullie moeten weg uit het frontgebied.’
‘Kan ik niet met u mee naar Duitsland?’ Hij zou zijn tong wel willen afbijten want hij weet het antwoord al.
Nu herkent hij Jol weer, zijn kringleider met het gezag en de geringschattende stembuiging van de leraar tegen zijn onnozele pupil.
‘Daar kan ik niet aan beginnen, Lodewijk. Er zijn er wel meer die dat zouden willen.’
Er volgt nog een kort woord van afscheid, een handdruk en de lange overjas verdwijnt door de deur van de ziekenzaal.
Is dit bliksembezoek werkelijkheid geweest? Zal hij zijn kringleider ooit terugzien? Is met die paar woorden zijn toewijding, zijn werk van maanden afgedaan als een vluchtig intermezzo? Ga naar het westen, ga naar huis. Kan dit het einde betekenen, wordt hij op die manier afgedankt? De boosaardige hersenschim die altijd ergens op de achtergrond van zijn gedachten aanwezig is geweest kondigt zich nu aan: de nederlaag. Hij wordt heet en vervolgens weer koud, zijn gedachten kronkelen als wormen door zijn hoofd zonder dat hij duidelijkheid krijgt. Het is hem onmogelijk zijn avondsoep en boterham door zijn keel te krijgen, die maken hem misselijk evenals de stank van lysol en zweet, de lucht van bloed en jodium die de gemutileerden uitwasemen. Het ene ogenblik zou hij willen dat zijn koorts opnieuw zou opvlammen om in een hete gloed dat verdoemelijke woord nederlaag uit zijn hoofd weg te branden, het volgende ogenblik wil hij uit bed springen, zijn kleren bijeenzoeken en naar zijn kameraden gaan om ze te bezweren de strijd voort te zetten. Wat is er waar van het verhaal van Jol? Laffe lieden leiden het kamp, lieden die zich laten meeslepen door paniekverhalen. Wij moeten ons verzetten tegen dat lamlendige gedoe.
Maar het begint al te schemeren en hij heeft geen idee hoe ver het lopen is naar Arnhem en de school waarin hij is ingekwartierd. Dus denkt hij morgen, morgen misschien...
Na een onrustige slaap wordt hij midden in de nacht wakker, het is eb in zijn hoofd. Hij ligt naar de zoldering te staren en het lijkt of er op één plek in zijn brein een hel schijnsel valt, de harde witte kern van een zoeklicht en daar op die plek is het onbarmhartig helder en in dat brandpunt vormt zich één gedachte: alles is verloren.
Dat hele verhaal van zijn keuze, zijn daden die alles hadden kunnen rechtvaardigen bestaat niet meer, het verhaal van de glorieuze overwinning en het stichten van het Duizendjarig Rijk is opgelost in een mist. En indien deze droom van een nieuwe wereld als een kaartenhuis in elkaar is gevallen, wie is hij dan nog? Wanneer er niets meer bestaat tussen dit ogenblik en de toekomst wat nog enige betekenis heeft, wanneer die leidraad die hij volgde opeens is afgeknapt, hoe moet hij dan verder?
De handen tegen zijn slapen geklemd schudt hij zijn hoofd met heftige bewegingen heen en weer. Kon hij maar ordening scheppen binnen de kronkelgangen van zijn gedachten en gevoelens. Zo vertwijfeld denken doet pijn alsof er botsingen plaatsvinden tussen zijn hersencellen binnen zijn schedel. Maar zijn hersenen werken door als een machine die men heeft vergeten af te zetten.
Ik ben ingehaald door de geschiedenis, denkt hij, de geschiedenis rolt over mij heen en schrijft zijn eigen slotakkoord. Nederlaag dus. En ik? Ik ben een mislukkeling, een stuk onbenul, ik heb op het verkeerde paard gewed, ja, dat zullen ze van me zeggen: hij heeft op het verkeerde paard gewed, zo van: hij is ook maar een slachtoffer. Goed, ik heb verloren, maar ze zullen mij niet in een hoekje zien kruipen en huilerig berouw tonen. Niemand is verantwoordelijk voor mijn lot behalve ikzelf. Ik hang me nog liever op. Dan zou ik van alles af zijn en zouden ze mij niet met de vinger kunnen nawijzen, dan zou ik niet met die zogenaamde schuld hoeven rondlopen en met de schande die ze me zullen aanwrijven, dat etiket dat ze mij zullen opplakken: landverrader.
Mijn toekomst? Wil ik wel een toekomst? Zal ik alsnog de benen nemen naar Duitsland, Polen, ergens waar niemand mij kent? Ergens gaan werken, bij de opbouw helpen, landarbeider worden zodra ik weer op krachten ben gekomen. Ik kan beter verdwijnen zonder rekening en verantwoording te hoeven afleggen aan mensen die er toch niets van snappen, die geen antennes hebben om het geniale concept van Hitler voor een Groot Germaans Rijk te kunnen bevatten.
De volgende dag is hij terug bij zijn commando. Even heeft het er de schijn van of alles bij het oude is gebleven, de jongens gaan gewoon aan het werk om zware rollen prikkeldraad naar een voorpost langs de spoorweg te transporteren, hijzelf wordt ingeschakeld voor lichte arbeid zoals soep uitdelen en borden wassen, hij schudt de nachtmerrie van de nederlaag van zich af. Maar er zijn troepen geland bij Bocholt, zo luiden de berichten, en die rukken op in de Graafschap, de geallieerden hebben Enschede bezet en Arnhem komt in de vuurlinie te liggen.
De onweerlegbare waarheid slaat over hem heen in de vorm van eskaders vijandige vliegtuigen die langs de hemel daveren en de velden schoonvegen en – alsof dit nog niet afdoende was – gevolgd worden door uit vele vuurmonden schietende en vlammenwerpende tanks die elke stelling tot de laatste schuilhoek aan toe met de grond gelijk maken. Vol onbegrip, maar ondanks zichzelf met ontzag ziet Onno deze verwoestende verrichtingen aan. Hier hebben de Duitsers geen antwoord op. Enkele stuntelige v2’s die meestentijds voortijdig neerstorten vliegen de vijand pruttelend tegemoet. Bij het zien van die laatste stuiptrekkingen van wat eens een onoverwinlijke armee was voelt Onno zich onpasselijk worden.
’s Avonds wordt er appèl gehouden en de Stormers meegedeeld dat zij onverwijld dienen te vertrekken. Degenen die dat wensen kunnen nog een marsverpleging krijgen, want vervoer is er niet, zij zullen moeten lopen. ’s Nachts om drie uur in het stikdonker vertrekken ze. Onno, zijn hoofd nog duizelig van zijn recente longontsteking, trekt met zijn makkers mee. Lijdzaam voegt hij zich in hun rij, dankbaar om op die manier te worden meegevoerd tussen hun warme lichamen, lopend in het ritme van hun marstempo. De lucht is zacht, het is lente. Zijn hoofd is leeg. Ze lopen met een omweg over een kerkhof naar de Apeldoornseweg richting Zwolle, achter hen laat de nacht zijn zwarte voorhang vallen.
onno
Duizenden vlaggen wapperen in de lucht die naar jasmijn en seringen geurt, duizenden vlaggen, zelfgemaakte exemplaren, glorieuze dundoeken met oranje wimpels getooid, kindervlaggetjes in de knuisten van dreumesen, alle ontplooien zich in de wind na jaren tussen de mottenballen te hebben gelegen. Kleine meisjes dragen oranje linten in het haar en hondenstaarten versierd met oranje strikken kwispelen uitbundig.
Die lui zijn gewoon dolgedraaid, denkt Onno kijkend naar het gehos en gedans rond een draaiorgel waarvan de eigenaar zich de armen uit het lid zwengelt. Hij is terug op de historische plek waar hij vijf jaar geleden getuige is geweest van de intocht van zijn zegevierende helden, een herinnering die nu als een verbleekte film door zijn hoofd speelt, terwijl hij kijkt naar al dat onzinnige gefeest waarboven ballonnen de lucht in gaan en traag wegzweven hoog over het Paleis en de Nieuwe Kerk.
Hij loopt daar, luchtledigheid hangt om hem heen, hij kent niemand en niemand kent hem, hij is hier anoniem, geen sterveling ziet hem zijn verleden aan – of hij dat prettig of juist onaangenaam vindt weet hij niet.
Zo loopt hij over de kinderhoofdjes van het Damplein tot plotseling door de feestgangers aanvankelijk niet opgemerkt of per abuis verward met het knallen van vuurwerk – zijn oor getroffen wordt door geknetter van mitrailleurvuur. Er tuimelen mensen op de kasseien zoals vroeger zijn speelgoedsoldaatjes, neergemaaid door een trefzekere kogel. Er treedt stolling op in de menigte, een ogenblik van verbijstering, van niet begrijpen, tot die hele samengeklonterde bijenzwerm zich in paniek gonzend naar alle kanten verspreidt, een wolk die dunner wordt in het heldere meilicht. De smalle zijstraten en stegen, de Warmoesstraat, de Pijlstraat, kunnen de massa niet zo snel verwerken, de vluchtenden dringen elkaar achteruit, elkaar vertrappend en vallend over fietsen en kinderwagens, anderen zoeken dekking achter het draaiorgel of stoepranden. Een jammerklacht stijgt op die geen einde wil nemen. Onno hoort de mitrailleursalvo’s, waarschijnlijk hebben de schutters zich verschanst in het girokantoor aan de overkant, en ondertussen blijven de ballonnen van de feestroes onverstoorbaar boven de huizen zweven.
Hij ziet mensen vallen, een man kruipt op handen en voeten langs hem heen, of die gewond is kan hij niet zien. Hij ziet ze liggen in hun sleetse kleren, uit hun donkere huizen en schuilhoeken gelokt door de vlaggen, de meeslepende deun van het draaiorgel en de lentezon die het hele tafereel in stralend licht zet, en plotseling is er in dat stralende licht een zwart gat gebrand, het gat van de dood. Dit hele gebeuren bezit de beklemmende bizarheid van een nachtmerrie, een nachtmerrie evenwel die aanhoudt, die niet wil eindigen in het moment van ontwaken. Ik hoor daar niet bij, denkt hij, bij die mensen die in hun dwaze vreugde zijn overvallen. Ik hoor bij die anderen die de kogels afvuren.
Hij staat daar. Als ze me kapotschieten, dan is alles opgelost... Zijn leven en dit ogenblik dat zich toespitst en op hem toe komt vliegen vormen één punt, het punt van Archimedes. Hij hoort de kogels ketsen op de keien, toch bereiken ze hem niet, misschien is hij al een geest.
Ergens op de andere oever van zijn leven staat de poppenkast, hier, op deze zelfde Dam, bewoond door Jan Klaassen en Katrijn. Zijn vader staat daar onder zijn vilten gleufhoed, de wangen wat opgepoft en roze van plezier, en zijn moeder, klein, met een pothoedje op haar hoofd, vleit zich als een poes tegen dat rotsvaste mannenlijf. Hij ziet zichzelf in een marineblauw jekkertje met oplettende ogen onder een petje, en zijn zus in een identiek jekkertje, een rond hoedje op de blonde haren: een gezin op zondag bij de poppenkast. Op de andere oever van zijn leven. Niet meer terug te halen. Voorbij. Traag beweegt hij zich door de leegte, langs degenen die door het mitrailleurvuur zijn getroffen en die nu als krabben die verscheidene poten missen over de grond scharrelen. En in de stegen die op de Dam uitmonden ziet hij de teruggedeinsde menigte opeengepakt met de bleke vlekken van gezichten naar hem toegewend. Naar hem, de vijand. Eén kogel en hij zou slachtoffer worden. Gewoon een Amsterdamse jongen, op bevrijdingsdag door vijandelijk vuur gedood.
De nalatenschap
vera
In het propere zijkamertje lag hij op het logeerbed. Een logé inderdaad die niet lang zou blijven, de datum van zijn vertrek was al vastgesteld. Ik was gekomen om afscheid te nemen. Onwennig ging ik op een stoel naast zijn bed zitten, zoekend in dat gezicht op het kussen naar de gelaatstrekken die mij vertrouwd waren geweest. Ik voelde mezelf trillen vanwege de confrontatie met zijn dode lichaam, die vorm, dat vlees zonder adem, die gelig geworden schedel waar het spaarzame haar met zorg overheen was gedrapeerd. Hij lag er niet bij alsof hij vredig sliep – het bekende cliché dat veel gebruikt wordt – nee, definitief levenloos lag hij daar, met iets afstandelijks alsof hij geen concessies wilde doen en zijn dood volstrekt voor zichzelf wenste te houden. Dat deed mij terugdenken aan het kind van vroeger dat bij ziekte woordloos in zijn bed kon liggen, stoïcijns. Zo had hij ook de dood aanvaard: stoïcijns. Toen zijn vriendin hem na zijn darmoperatie aanspoorde toch vooral de door zijn fysiotherapeut voorgeschreven oefeningen te doen om zo spoedig mogelijk zijn krachten te herwinnen, had hij geantwoord: ‘Ik voel me niet gemotiveerd.’
En nu lag hij hier, niet gemotiveerd om verder te leven.
Broer – een groot woord, maar zelfs de dood scheen dat niet te vullen met betekenis. Toch waren wij opgegroeid in hetzelfde huis, hadden wij samen gespeeld, geruzied en dezelfde lucht ingeademd, dezelfde weg naar school genomen, elkaar geholpen strafwerk uit te schrijven wanneer één van ons gespijbeld had of verzuimd zijn huiswerk te maken. Ik kon nog de gewaarwording terugroepen van zijn arm om mijn nek – of was het de mijne geweest die om die van hem had gelegen? Wanneer hij voor straf naar zijn kamer werd gestuurd, was ik daar dikwijls binnengeslopen om hem te troosten of iets lekkers te brengen dat ik gebietst had. Maar omstreeks zijn elfde, twaalfde jaar ketsten mijn troostende woorden van hem af alsof hij een steen was. Altijd lag hij op zijn rug, languit en dun als een jeugdige fakir, en ik dacht toen dat het de astma moest zijn die hem in zijn greep hield als een kwaaie betovering.
Hoe vaak heb ik niet aan Kai moeten denken, de kleine jongen uit het sprookje van Andersen, die door de Sneeuwkoningin werd meegenomen naar haar ijspaleis en wiens hart veranderde in een ijsklomp, terwijl een ijzige splinter zich in zijn oog boorde waardoor hij niemand herkende. Zelfs mij niet, dacht ik, zijn speelkameraad.
Nu heerste stilte in dat hoofd, doodse stilte. Zijn neus was spits en zijn huid wasgeel geworden, het bloed had zich teruggetrokken als het getij van het strand. Zijn gezicht stond effen, emotieloos, alsof nooit enig gevoel het had beroerd, de stilte van de dood moest hem vertrouwd zijn geweest.
Ik zat op mijn stoel en keek rond in het kamertje dat, zoals ik vaststelde, tegelijkertijd dienstdeed als Onno’s studeervertrek. Er stond een mij onbekend bureau volgeladen met boeken en paperassen. Altijd was hij maar weer aan het schrijven geweest, had zijn vriendin, een voormalige kapster, mij toevertrouwd, eraan toevoegend met aan eerbied grenzende verbazing: ‘Hij was een zoeker.’ Zelfs zei ze: ‘Misschien een zoeker naar God.’ Mogelijk een wensdroom van haar, want zij was gelovig katholiek. Toch trof het me dat die oude vriendin, die slechts enkele jaren met hem had samengeleefd, hem vanuit een bepaalde gezichtshoek zo goed typeerde – zelf had ik het niet onder woorden kunnen brengen, maar onverwachts doemde hij voor me op: jong, wars van alles wat zijn ouderlijk huis hem bood, met die drift in zich, een duistere opstandigheid, op zoek naar een leven dat hem beter zou passen. Weer zag ik hem weglopen in de schemer van de avond nadat hij de deur achter zich had dichtgeslagen, een atoom dat was losgeraakt, van mij, van onze wereld.
Ik staarde naar de papieren op zijn schrijftafel: woorden nog vers van zijn vingers, gedachten nog onlangs geboren in dat nu afgestorven brein. – Misschien lag er wel een brief gericht aan mij met die vertrouwde aanhef: Dear sister, die mij altijd deed glimlachen vanwege de plechtstatigheid van zijn stijl.
Ik sloot mijn ogen in een poging binnen te dringen in zijn hoofd en te reconstrueren wat zich daar mogelijk had afgespeeld, in die grijze hersenmassa waarin nog herinneringen, kwellingen of dromen aanwezig moesten zijn geweest voordat het licht uitging. Maar er openbaarde zich niets, hij bleef een enigma. Ook werd ik niet overspoeld door de warmte van verdriet. Ik voelde me alleen, zijn zuster, de enige die was overgebleven van de familie. Tegelijkertijd kwam het me voor alsof ik lang geleden, decennia geleden al afscheid van hem had genomen. Alsof dit zijn tweede dood was.
Toch hing er een onuitgesproken treurnis over ons beiden. Vanwege de gemiste kansen, vanwege een leven dat in zijn jeugd al geknakt werd, en het spijtige besef dat wij elkaar in ons volwassen leven niet meer bereikt hadden, dat het gebleven was bij een briefwisseling van Dear sister aan Beste broer.
Ik hoorde de machine onder het bed die zijn lichaam gekoeld moest houden discreet zoemen. Zo zat ik naast hem, twee oude kinderen, waarvan er één zonder afscheid te nemen op reis was gegaan.
Ik weet niet hoe lang ik in die ongemakkelijke stoel heb gezeten, half slapend met mijn armen, slap als van een marionet naar beneden bungelend. Ik had een benauwde droom over Onno als kleine jongen die in de golven van de zee speelde, hij sprong op zijn witte benen over de lage vloedgolfjes. Het water rees steeds hoger en steeds werd hij kleiner, leek in elkaar te krimpen, zijn contouren vervaagden, hij smolt eenvoudig weg en verdween in het zoute zeewater terwijl ik naar hem bleef staren tot er niets was overgebleven dan alleen zijn twee ogen die op de golven dobberden.
Ik begon in de sterfkamer heen en weer te lopen. Het huis was uitgestorven. Zijn vriendin was bij haar zuster gaan logeren omdat ze doodsbenauwd was voor een dode in haar flat, en van ochtendverkeer was er op dit uur nog geen sprake. Ik knipte de bureaulamp aan en zag dat het halftwee was. Onveranderd lag hij op het bed. Ik had toch niet verwacht dat hij zijn ogen zou hebben geopend om mij aan te kijken? Het gaf me een onbehaaglijk gevoel om me in zijn aanwezigheid te bevinden en tegelijkertijd in de aanwezigheid van niemand, van de leegte die hij had achtergelaten. Onrust dreef me naar zijn bureau dat nu binnen de nimbus van de leeslamp werd gevangen. Ik zag het koperen stempelleeuwtje dat aan onze vader had toebehoord op het schrijfblad zitten – kennelijk had Onno toch iets persoonlijks van hem willen hebben – en het kwam me voor of het leeuwtje draden spon tussen onze vader en ons beiden als kinderen, het leeuwtje had alles overleefd en zou ongetwijfeld ook mij overleven. Ik pakte het postzegeldoosje op waarin postzegels zaten voor brieven die nooit meer zouden worden verstuurd. Al die voorwerpen nam ik in mijn handen alsof ik mezelf kon terugprojecteren in het verleden, ik bladerde in cahiers volgeschreven met zijn ‘muggenschrift’ zoals ik dat altijd noemde en waarvoor ik steevast een vergrootglas nodig had gehad om het te ontcijferen.
Wat me ertoe bracht om onder zijn bureau te kijken weet ik niet, maar daaronder, tegen de achtermuur gedrongen als een schuw dier ontwaarde ik een donkere vorm, ik ging op mijn knieën liggen en strekte mijn hand ernaar uit – ik voelde me indiscreet en ook belachelijk zoals ik daar onder zijn bureau geknield lag – niettemin trok ik het donkere ding naar me toe en ontdekte dat het een versleten rundleren valies was beplakt met verbleekte etiketten van landen en hotels waar onze ouders vele decennia geleden naartoe waren gereisd. Lugano kon ik nog ontcijferen, en Rome. Ik trok het valies in de lichtkring en wist na enig wrikken – mijn indiscretie ging zo ver dat ik er een schaar bij gebruikte – de beide sloten open te krijgen.
Toen ik de deksel had opengeslagen en de inhoud zichtbaar werd, leek het me of onhoorbare stemmen mij vanuit die ouwe koffer tegemoet schreeuwden, terwijl het verontrustende rood en zwart van nazistische propagandabladen bloot kwam. Bijna had ik van schrik en weerzin de deksel weer dichtgedaan, maar iets weerhield me daarvan. Als vanzelf woelden mijn vingers rond tussen weekbladen als Signal, Waffen SS en Der Adler waarvan sommige prijkten met de vliegende Duitse adelaar die de swastika in zijn poten meevoerde door de lucht terwijl weer andere bladen beelden van breedgekaakte blauwogigen en gehelmde strijders lieten zien die zich door apocalyptische taferelen bewogen. Een gevoel van gêne overviel me alsof Onno over mijn schouder meekeek terwijl hier iets werd blootgelegd dat verborgen had moeten blijven. Toch zette die gemummificeerde oorlog die ik bijna was vergeten onverhoeds zijn klauwen in mijn herinnering, de oorlog en mijn jeugd die opgelost hadden geleken in de tijd, zwenkten plotseling terug. Springlevend.
Ik bladerde in een rood bundeltje Blut und Ehre, Lieder der Hitlerjugend, met een op het schutblad geschreven opdracht: Die Fahne ist mehr als der Tod. Dat gaf me een huivering, die waanzinnige doodsverachting, die opgefokte doodsdrift... Alles voor de Eer en het Vaderland. Was dit ook Onno’s droom geweest, de nostalgische droom van een puber? Een held te zijn, groter dan de dood? Was het daarom dat hij nooit afstand had kunnen doen van deze leugenachtige pathetische rommel? Hadden die woorden, die vette melodie van de Eer en de Dood, de nachtegalenzang waarmee overal ter wereld soldaten door hun leiders zijn bespeeld ook hem in hun ban gebracht? Maar die generaals overleefden de oorlog toch wel, die zorgden wel dat ze buiten schot bleven. Ging Hitler ooit naar Stalingrad om er getuige van te zijn hoe zijn soldaten streden en stierven? Misschien waren lijden en dood abstracte begrippen voor hem terwijl het voor die manschappen een heilige plicht heette voor het vaderland te sneuvelen...
Ik sla de Duitse weekbladen open die stroef zijn van ouderdom en stof, maar die nog altijd luidkeels hun strijdkreten en valse leuzen op me afvuren. Opeens steekt mijn oude woede tegen Onno de kop op. – Ik ga deze rommel verbranden, in jouw plaats ga ik het verbranden als een lijk op een brandstapel. Ik steek de open haard aan en jaag alles door de schoorsteen, dit narcoticum, deze drug waarmee miljoenen zijn beneveld. Waarom in godsnaam heb je dit bewaard? Was je er zo aan verknocht? Was het zozeer een onderdeel van je denken en leven? Ik wil niet dat iemand dit vindt, dat iemand ervan weet... omdat je er geen afstand van hebt willen nemen.
Afschuwelijk dat ik zo boos ben terwijl hij daar ligt zonder zich te kunnen verdedigen. Terwijl juist zijn dood een verzoening teweeg had kunnen brengen en die hele episode uit onze jeugd had kunnen uitvlakken.
Ik lees: Deze oorlog wordt met de heftigheid van een godsdienstoorlog gevoerd, hier staan geen mogendheden tegenover elkaar, maar wereldbeschouwing tegenover wereldbeschouwing. Een godsdienstoorlog, ja, ze wisten hun moorddadige veroveringszucht en de vernietiging van miljoenen joden wel met fraaie bewoordingen te omkleden. Werd Onno verblind door de heroïeke glans van die woorden, door de melodie van die ophitsende strofen: die Fahne ist mehr als der Tod...?
Ik ben zo zenuwachtig dat ik een sigaret moet opsteken, ik rommel in mijn tas zonder een blik op hem te slaan, zozeer voel ik me verscheurd tussen de weerloze gestalte op het bed en zijn zoveel jeugdiger evenbeeld die indertijd een smet op mijn leven heeft geworpen. In een sterfkamer kun je voor je fatsoen niet roken en dus trek ik de deur achter me dicht om in de keuken koffie te gaan zetten en in afzondering mijn sigaret op te steken. Weerkaatst in het glas van het keukenvenster zie ik mijn eigen beeltenis staan, schimmig oplichtend uit het zwart van de nacht. Ik kijk ernaar in het besef dat ik alleen ben, dat er niemand is om mijn herinneringen mee te delen.
Toch zuigt de koffer mij opnieuw naar zich toe, en ik heb haast want straks breekt de dageraad aan. Dus begin ik op mijn knieën gezeten opnieuw te spitten in die prehistorische tijd toen wij beiden nog halfvolwassen waren en ik de draad van zijn leven ben kwijtgeraakt. Tussen de papieren vandaan diep ik een dikke envelop op, een gewichtig uitziende kantoorenvelop van het Oost Instituut waarop in zijn zo karakteristieke handschrift Aan mijn ouders staat geschreven. Is dit een brief die nooit werd verzonden? Behelst die een laatste uiteenzetting of een rechtvaardiging van zijn handelen voor het geval hij, Onno, zou zijn verdwenen in het tumult van de strijd?
Ook nu moet ik me moeite geven om zijn cryptisch schrift met de dunne voorover hellende letters te ontcijferen. Ik zal mijn leesbril moeten opzetten. Daar neem ik de tijd voor om moed te verzamelen om de confrontatie aan te gaan met zijn woorden en argumenten waarmee hij mijn ouders zal hebben bestookt en die de bitterheid van die jaren weer zal terugroepen.
Het wordt tijd de kaarten open te gooien: ik ben een nationaalsocialist in hart en nieren. Dit hebben jullie al geruime tijd geweten, op z’n minst vermoed, maar misschien zullen jullie je afvragen hoe ik tot mijn huidige opvatting ben gekomen.
Ik ben mij voor het eerst bewust geworden van Duitslands vernederende positie zo’n tien, twaalf jaar geleden toen er aan onze deur twee invalide mannen kwamen die schilderijtjes verkochten waarvan de opbrengst ten goede zou komen aan de gewonde Duitse soldaten uit de Eerste Wereldoorlog. Duitsland, zo begreep ik toen, had de oorlog verloren en zijn invaliden en de halfverhongerde kinderen werden aan hun lot overgelaten. Dit maakte diepe indruk op me.
Van dat ogenblik af is mijn politieke belangstelling ontwaakt. Als kleine jongen leefde ik intens mee met de verkiezingen, ik nam alle leuzen in me op, las alle pamfletten die ik maar te pakken kon krijgen. Ik herinner me nog goed hoe ik als kind vroeg in de ochtend naar beneden ging om de krant uit de bus te halen en die languit liggend op de tafel begon te lezen.
Maar nu ben ik pas wezenlijk ontwaakt en is mijn besluit genomen. Ik zie de wereld als een ruimte waarin ook het werk van een eenling (Adolf Hitler) van vérstrekkende betekenis kan zijn. De resultaten van zijn grootse werk moeten ieder mens kunnen bereiken zonder dat die gefrustreerd worden door kortzichtige lieden die zich verschansen in hun vastgeroeste maatschappij.
Een sneer aan het adres van onze ouders. Het is of ik zijn stem weer hoor die praat op die smalende betweterige en gelijktijdig gepassioneerde toon die mij zo kwaad kon maken. Ik moet mijn weerzin overwinnen om verder te kunnen lezen.
Jullie hoopten mij dociel te kunnen maken, mij om te vormen in jullie ideaalbeeld van een zoon. Soms kreeg ik het bizarre gevoel dat jullie mij van mijn kracht wilden beroven. Dat is het ergste wat je iemand aan kunt doen, want met die kracht ben je geboren, je kunt er niet buiten, en wanneer mensen je die kracht willen ontnemen dan is dat zoiets als het uittrekken van de angel van een bij, wanneer je die kwijt bent is het afgelopen.
Maar ik wil niet in onderworpenheid leven en niet in angst. Alle regels en beperkingen gooi ik van me af, ik ga worden die ik wil worden. Ik ga schoon beginnen zonder herinneringen. Als ik ooit terugkom zal dat zijn nadat de Dag van de Overwinning is aangebroken en dan zal ik door Amsterdam lopen alsof het een vreemde stad is, en misschien vind ik jullie dan nog ergens als vergrijsde muizen weggekropen achter dichte deuren tegen de wind van de Nieuwe Tijd.
Overmand door verwarring laat ik de brief zakken. Wonderlijk hoe via die woorden van een halve eeuw geleden, uit het braakland van zijn jeugd, zijn contouren weer opdoemen. Ik zou de brief willen verscheuren, toch ontwaakt er iets anders in me. Begrip? Of meer nog mededogen met een puber die verstrikt was geraakt in een verwarrende tijd, die zich kritiekloos had laten meevoeren door de leuzen over een grootse nieuwe wereldbeschouwing.
Vergeelde bonkaarten, zijn ausweis, zijn persoonsbewijs, alles geeft die oude koffer prijs, ook zijn lidmaatschapskaart en de deelnemerslijst van de Nationale Jeugdstorm waarop zijn naam staat. Op zijn legitimatiebewijs ontcijfer ik: nr a35/115048 – voor de Duitsers waren de mensen nummers, nummers die ze onderbrachten in tabellen, die ze naar het slagveld transporteerden of vervoerden in veewagens naar de vernietigingskampen; miljoenen nummers konden worden afgestreept.
Ineens houd ik een slap zwart krullerig ding in mijn handen, iets als een dood poedeltje, ik vouw het terug in zijn oorspronkelijke vorm en zie dat het een kapoets is, de muts die hij droeg wanneer hij in uniform rondliep, het zwarte astrakan tussen mijn vingers voelt alsof hij de muts zojuist heeft afgezet...
Zijn hele leven lang moet hij deze koffer met zich hebben meegesjouwd, van het ene adres naar het andere, van het huis waarin hij zijn huwelijksjaren doorbracht naar dat van zijn weduwnaarschap, van het huis van een nieuwe liefde naar weer het volgende. En altijd die koffer mee, heimelijk verborgen op een zolder, in een kelder of garage.
Ten slotte vind ik tussen de schuldige restanten van zijn verleden een klein voorwerp van stof. Ik trek het tevoorschijn om het te kunnen bekijken in het licht van de bureaulamp: een cirkelvormig blauw lapje waarop een vliegende witte meeuw is geborduurd. De stormmeeuw, begrijp ik, het insigne van de Jeugdstorm, de draadjes waarmee het aan zijn uniform moet zijn vastgehecht hangen er nog bij. Vermoedelijk was de vogel hem te dierbaar om te vernietigen. Hij had hem tot de koffer veroordeeld en nu komt de witte vogel aan het licht als een archeologische vondst. Hij ziet er nog fris uit, heeft niet te lijden gehad van schimmel of mot. Met zijn argeloze ronde oogjes lijkt hij te ontkennen ooit iets met oorlog van doen te hebben gehad. Misschien, zo komt de gedachte bij me op, zullen ze er bij het Instituut voor Oorlogsdocumentatie in geïnteresseerd zijn, hebben ze daar geen stormmeeuw in hun collectie. Ik leg hem apart, die krijgt een Sonderbehandlung...Vreemd zoals dat walgelijke woord opeens in me opwelt alsof er een besmettelijk virus uit die koffer ontsnapt.
Waarom had hij dit alles bewaard? Wilde hij dat dit ooit gevonden zou worden? Zocht hij naar de nooit opgekomen getuige en wenste hij een oordeel? Had hij ooit het plan opgevat zijn enige dochter op de hoogte te brengen van wat hij als jongeman had gedacht en gedaan en had hij aan haar iets willen overdragen van zijn strijd, zijn verloren gegane idealen, of misschien ook van zijn verblinding, zijn mislukking? Wilde hij uiteindelijk gekend worden?
Mijn dank aan het niod voor hun hulp bij mijn research in verband met dit boek.
Inez van Dullemen