Dubieuze pillen



Chantage in de familie 



Zijn bevindingen waren niet mals. Hij had een gemeenschappelijk geheim met één van de Rozenhofs. Daar moest hij mee leren leven. Wat Henry precies met deze pillen van plan was, daar wilde hij niet aan denken, maar hij was ervan overtuigd dat het niet door de beugel kon. Bob nam het formulier en stopte het in een envelop. Morgenvroeg nam hij als eerste contact op met zijn werkgever. Bob wilde zo snel mogelijk van dit project verlost worden en zijn beloning ontvangen. Met een onrustig gevoel ging hij de nacht in en droomde over een goede afloop.



Een duister persoon, in het zwart gekleed, sloop naar de ingang van kasteel Rozenhof. Aan zijn postuur te zien, moest het wel een man zijn. Het was vroeg in de ochtend en nog donker. Alleen het licht van de maan en sterren zorgde voor zijn schaduw. Schuchter keek hij om zich heen, bang om betrapt te worden. Hij had de ingang van de binnenplaats bereikt. Voorzichtig haalde hij iets uit zijn rugzak, een klein pakketje. Het was ongeveer tien bij tien centimeter, goed dichtgeplakt. Plotseling kreeg hij haast. De man liep snel de binnenplaats over, richting hoofdingang. Daar deponeerde hij het pakketje vlak voor de twee grote deuren. Hij draaide zich om, wierp een laatste blik op het kasteel en begon te rennen, zo snel als hij kon. Over de binnenplaats, door de poort, richting bos, waar hij tussen de bomen in het niets verdween.


Graaf Marcus had zich de gewoonte eigen gemaakt, elke ochtend een stukje te gaan joggen. Meestal in het gezelschap van zijn twee dochters. Zij waren een tijd geleden met deze goede raad gekomen en Marcus volgde die trouw op. Zijn kantoorspieren hadden beweging nodig, vonden ze. Nu Anne en Fleur niet thuis waren, verbleef Marcus op kasteel Rozenhof. De vele kamers waren altijd beschikbaar. Iedereen had zijn of haar eigen plek.

Zijn twee dochters waren momenteel op schoolkamp. Elk jaar werd dat door de universiteit georganiseerd. Bijna alle studenten gingen mee en hadden er altijd veel plezier.

Over een week zouden de meisjes weer thuiskomen. Dan ging Marcus terug naar zijn eigen woning in de stad. Samen met zijn twee dochters rooide hij het daar. Of liever gezegd: de meiden zorgden ervoor dat hun vader niks tekortkwam. Maar nu vond Marcus het prettig om op het kasteel te logeren.

Marcus was vroeg opgestaan en had zijn sportkleding aangetrokken. Zijn ochtendritueel kon van start gaan. Naast het bed deed hij zijn warming-up. Daarna rende hij de trap af richting voordeur. Hij voelde zich redelijk goed en zijn lichaam werd steeds fitter. Toen Marcus de deur opende en naar buiten wilde stappen, trapte hij bijna op een klein pakketje.

“Wat krijgen we nu,” zei hij hardop, wat niet echt zijn bedoeling was. Hij knielde en bekeek het doosje van dichtbij. Het was te klein voor een bom, dacht hij. Toch bleef hij op zijn hoede. Voorzichtig tilde hij het pakketje op en bracht het naar zijn oor. 

“Hmm, het tikt niet.” Hij schudde het doosje een paar keer heen en weer en probeerde te ontdekken wat erin zat.

Joost was vanuit de ontbijtkamer de gang ingelopen en zag de voordeur openstaan. Toen hij deze wilde sluiten, zag hij de graaf op zijn hurken zitten.

“Alles goed, meneer?” vroeg de butler beleefd.

Marcus stond op met het pakketje in zijn hand.

“Met mij is het prima,” antwoordde hij. “Maar ik vond dit op de stoep,” vervolgde hij en liet het pakketje aan Joost zien. “Ik weet niet wat het is, maar ik ben wel enorm nieuwsgierig. Ik had het bijna verpletterd.”

Joost kwam dichterbij en ook hij bekeek het pakje zorgvuldig.

“Vreemd,” zei hij en wreef over zijn kin. “Verwachtte u iets van een leverancier? Een proefmonster of iets dergelijks?”

“Nee, niks. En als we materiaal aanvragen, laten we het altijd naar kantoor sturen,” antwoordde de graaf. “Maar ik ben nu wel benieuwd naar de inhoud.”

“Wees alstublieft voorzichtig,” zei Joost geschrokken, toen hij zag dat Marcus het plakband begon te verwijderen, en hij deed een stap terug.

“Niet zo schrikkerig,” lachte Marcus, “het tikt niet, dus...”

Marcus opende het deksel en keek in het doosje.

“En?” vroeg de butler.

“Het is voor Henry,” antwoordde Marcus verbaasd.

“Hoe weet u dat, meneer?”

“Kijk...” Hij hield een kaartje omhoog en las de tekst die erop stond getypt: “Beste Henry, hierbij zend ik jou een monster van ons nieuwe product. Gelieve het geheim te houden tot nader bericht.”

“Geen afzender, meneer?”

Graaf Marcus draaide het kaartje om. “Nee. Ik zou niet weten wie zoiets op deze manier verstuurd. Ik zal het straks aan mijn broer vragen.”

“Zal ik het van u overnemen?” vroeg de butler beleefd. “Dan kunt u uw rondje lopen.”

“Goed gedacht, beste man.”

Marcus gaf het doosje aan Joost en liep in looppas de binnenplaats over. Door het geheimzinnige pakketje was hij wat verlaat. Toch wilde hij zijn dagelijkse kilometers lopen.

Terwijl hij over het landgoed van zijn familie liep, snoof hij de frisse lucht diep in zijn longen. Even dacht hij nergens aan. De nacht verliet zijn lichaam en hij transpireerde. De nieuwe dag blies als een frisse wind tegen zijn huid. Zijn haren werden klam van de dauwdruppels.

Een heerlijk gevoel nam bezit van zijn lichaam. Totaal ontspannen en wakker kwam hij terug op kasteel Rozenhof. Hij rende naar boven en nam een snelle douche.

“Goedemorgen,” zei hij vriendelijk, toen hij even later de ontbijtkamer betrad.

Graaf Pieter keek zijn oudste zoon verbaasd aan. “Was je verdwaald, jongen?”

“Nee, vader,” antwoordde hij beleefd. “Ik had vanmorgen wat oponthoud.”

“O, wat is er gebeurd? Ben je een mooie dame tegen het lijf gelopen?” vroeg Marika nieuwsgierig. Ze was het jongste zusje van Marcus. Ook zij was die nacht op kasteel Rozenhof blijven slapen. De avond daarvoor had ze een party gehad en het was te laat geworden om terug naar Amsterdam te rijden. De lange, blonde haren van de afgestudeerde juriste vielen speels langs haar gezicht. Ze had een ondeugende glans in haar ogen.

Geroezemoes klonk door de ontbijtkamer. Haar opmerking viel niet bij iedereen in goede aarde. Een aantal jaren geleden was de vrouw van Marcus bij een tragisch ongeluk om het leven gekomen. Carine heette ze en het was een charmante vrouw. Prettig in omgang, sportief en vooral een goed mens.

“Nee, zusje,” antwoordde Marcus. Hij kon de eerlijkheid en openhartigheid van Marika erg waarderen. Niet iedereen van de familie Rozenhof beheerste die discipline. “Ik werd opgehouden door een geheimzinnig pakketje.”

“Pakketje?” vroeg de oude graaf Pieter. “Wat voor een pakketje?”

Marcus keek naar de butler. “Joost, wil jij zo vriendelijk zijn het doosje van vanochtend te halen.”

“Natuurlijk, meneer.”

Joost verliet de kamer en kwam enkele minuten later terug, het doosje in beide handen voor zich uit dragend.

“Alstublieft, meneer,” zei hij beleefd.

“Dank je.” Marcus opende het pakketje en stalde de inhoud voor zich op tafel uit. “Kijk, dit stond hier voor de hoofdingang.”

Nieuwsgierige blikken keken naar het potje en het kaartje.

“Van wie is het afkomstig?” vroeg zijn vader.

Marcus haalde zijn schouders op. “Onbekend,” antwoordde hij.

“En wat moeten wij ermee?” was de volgende vraag van de oude graaf.

“Geen idee, het is voor Henry,” antwoordde Marcus. “Hij heeft waarschijnlijk contacten gelegd met een pillenmaker en gevraagd om een monster. Ik zal hem, zodra ik op kantoor ben, om uitleg vragen.”

“Doe dat,” antwoordde zijn vader, “want dit soort rare transacties wil ik niet binnen ons bedrijf hebben.” De oude graaf stond op en met een krant onder zijn arm verliet hij de ontbijtkamer.

“Ik moet er ook vandoor,” zei Marcus, nadat hij zijn ontbijt had genuttigd. “Ik ben al laat en heb om tien uur mijn eerste afspraak.”

De oudste zoon stond op, nam het geheimzinnige pakketje mee en kuste zijn moeder op haar wang. “Dag ma, tot vanavond.”

In de deuropening draaide hij zich om. “Dag, zus. Ben jij er straks nog?”

Marika schudde haar hoofd. “Ik moet ook zo weg.”

“Jammer, ik had graag nog even met je bijgekletst. Tot gauw dan maar.”

“Volgende keer blijf ik wat langer,” beloofde ze, “maar dit was een ongepland bezoek. Ik kom snel voor een weekend. Daar bel ik je later over, goed?”

Marcus knikte en verliet de het kasteel.

Toen ook Marika was vertrokken, bleef gravin Henriëtte alleen achter in de ontbijtkamer. Ze had besloten het die dag rustig aan te doen.

Ongemerkt was de butler de kamer binnengekomen. “Kan ik afruimen, mevrouw?” vroeg hij beleefd.

“O ja, natuurlijk, Joost. Ik zat maar wat te dromen.”

Ze stond op en begaf zich richting de salon. De deuren stonden open en Henriëtte zag haar echtgenoot zitten in zijn favoriete stoel.

“Dag, lieverd,” zei ze. “Ik ga naar mijn juwelierswinkel om even bij te praten met Joyce.”

Graaf Pieter legde zijn krant neer en keek zijn vrouw liefdevol aan. “Doe dat, meisje,” zei hij goedkeurend. “Veel plezier.”

En ook Henriëtte verliet kasteel Rozenhof, om de rest van de dag elders door te brengen.



Marcus Rozenhof stuurde zijn Jaguar behendig door de parkeerkelder onder het bedrijfspand van de familie. Op de speciaal voor hem gereserveerde parkeerplaats stopte hij en stapte uit.

Vanaf de bijrijderstoel pakte hij het pakketje, dat voor zijn broer 

Henry was bezorgd op de stoep van het kasteel. Met het pakje onder zijn linkerarm en zijn attachékoffer in zijn rechterhand, liep Marcus richting lift.

Er was verder niemand te bekennen in de parkeerkelder. Hij was waarschijnlijk de laatste vandaag. Dat kwam niet zo vaak voor, want als president-directeur vond hij dat hij het goede voorbeeld moest stellen: Daarom én omdat hij een workaholic was, zat hij meestal om half acht al achter zijn bureau. Op dat tijdstip kon hij lekker doorwerken, omdat er nog geen telefoontjes binnenkwamen. Een uur later hield het gerinkel niet meer op.

In de lift drukte Marcus op de knop die hem naar de hoogste verdieping bracht. De lift kwam op gang en enkele seconden later stopte die weer. De deuren gingen open en Marcus liep naar zijn kantoor.

“Goedemorgen, meneer,” zei zijn secretaresse vriendelijk. “Kan ik een kopje koffie voor u halen?”

Marcus Rozenhof keek haar lachend aan. “Als je dat voor me zou willen doen, graag. Ik ben wat verlaat vandaag en ik moet nog wat papieren doorlezen voor mijn afspraak van tien uur.”

Met zijn elleboog drukte hij de deurklink naar beneden. Met zijn schouder duwde hij de deur open en liep zijn kantoor binnen. Hij zette voorzichtig het doosje voor Henry op zijn bureau en plaatste zijn koffer op de grond.

Enkele minuten later kwam de secretaresse binnen met een dampende kop koffie. “Alstublieft, meneer,” zei ze giechelend.

“Is er iets?” wilde Marcus weten, terwijl hij in zijn riante stoel plaatsnam.

De jonge vrouw keek haar baas met pretoogjes aan. Ze werkte al vele jaren voor deze man en dat beviel haar prima. Hij was een goede baas en ze mocht hem graag. “Dit is de eerste keer dat u later binnen bent dan ik,” antwoordde ze.

Nu moest Marcus ook lachen. “Je hebt volkomen gelijk. Het moet een rare gewaarwording voor je zijn.”

Ze knikte bevestigend. “Kan ik verder nog iets voor u betekenen?”

Marcus dacht na. “Wil je mijn broer Henry bellen en een afspraak met hem maken voor vanmiddag?”

“Komt in orde,” zei ze nog steeds lachend. Daarna liep ze naar de deur en draaide zich om. “Zal ik de deur sluiten?” vroeg ze.

“Nee, laat maar open,” antwoordde Marcus Rozenhof. Hij pakte zijn koffer en haalde er de papieren uit die hij nog wilde doornemen. Geconcentreerd begon hij te lezen en af en toe nam hij een flinke slok van zijn koffie.

Een half uur later werd er op de deur geklopt en Marcus keek geërgerd op. Toen zag hij zijn secretaresse staan. “Wat is er?”

“Uw afspraak is gearriveerd, meneer.”

Marcus keek op zijn horloge en knikte goedkeurend. “Laat hem maar binnenkomen, dank je.”

De jonge vrouw begeleidde een man naar het kantoor van haar baas. Even later bracht ze een grote thermoskan met verse koffie en een extra kopje voor het bezoek. Daarna verliet ze de ruimte en sloot de deur achter zich.

Terug op haar plaats, belde ze direct naar Henry. De telefoon ging maar een keer over.

“Henry Rozenhof,” snauwde hij kort door de hoorn.

Nou, dacht de secretaresse, die is zeker met zijn verkeerde been uit bed gestapt. Ze bleef echter vriendelijk, hij was tenslotte ook een Rozenhof. “U spreekt met de secretaresse van Marcus Rozenhof,” begon ze snel, “op zijn verzoek wil ik een afspraak met u maken voor hedenmiddag. Schikt het u om drie uur?”

Aan de andere kant van de lijn hoorde ze het bladeren van een agenda.

“Ja, prima. Heeft hij gemeld waarover het gaat?” wilde Henry nog weten.

“Nee, sorry, meneer, dat heeft hij me niet verteld.”

“Nou goed, dan hoor ik dat straks wel.”

Zonder goedendag te zeggen, verbrak Henry de verbinding.

“Wat een lomperd,” fluisterde Marcus’ secretaresse zacht. Ze was blij dat ze voor Marcus werkte en niet voor zijn jongere broer.

Na een aantal uren gingen de deuren van het directiekantoor open.

“Ik dank u vriendelijk voor uw informatie, meneer Broekmans,” zei Marcus vriendelijk, terwijl hij de hand van de man schudde. “Ik hoop uw offerte spoedig te ontvangen.”

“Ons bedrijf, HighProducts, zal u niet teleurstellen,” antwoordde de man.

“Wil jij meneer Broekmans even uitlaten?” vroeg Marcus aan zijn secretaresse. “En kom je daarna even bij mij op kantoor?”

Ze knikte en ging het bezoek voor. De man volgde haar naar de lift en zodra die kwam, namen ze vriendelijk afscheid.

Terug bij haar bureau, pakte ze een notitieblok en liep het kantoor van haar baas in. “U wilde me spreken?” vroeg ze.

“Ja, ga zitten,” zei Marcus. “Ik wil dat je deze man natrekt. Zijn liquiditeit, zijn verleden, zijn huidige status, zijn relaties, etc.”

“Oké. U wilt het gebruikelijke onderzoek laten verrichten, wat u bij alle potentiële zakenpartners doet?”

“Inderdaad. Alleen deze firma, HighProducts, kan ik niet direct plaatsen. Er hangt iets mysterieus omheen. Probeer daar doorheen te komen. Desnoods met een infiltrant. Ik moet weten wat hierachter schuilgaat, voor ik met ze in zee ga.”

“Duidelijk.” De jonge vrouw stond op en wilde weglopen. “O ja,” zei ze en draaide zich weer naar haar baas toe, “ik heb uw broer op drie uur gezet. Is dat goed?”

Marcus knikte. “Dank je. Tot die tijd wil ik niet gestoord worden.”

De secretaresse liet haar baas alleen achter in zijn enorme kantoor.

Na de lunch stond de telefoon niet stil. Er werden afspraken genoteerd en vertegenwoordigers afgewimpeld. De tijd vloog voorbij en voordat ze het besefte, stond Henry voor haar neus. Vakkundig rondde ze haar telefoongesprek af en liep samen met hem naar het kantoor van Marcus. Ze klopte tweemaal kort.

“Binnen!”

De secretaresse opende de deur en liet Henry doorlopen.

“Hallo broer,” zei Marcus vriendelijk, “neem plaats.”

“Jij wilde me spreken?”

“Ja, er is iets vreemds afgeleverd voor jou.”

“O?” zei Henry verbaasd. “Wat dan?”

Marcus wees naar het doosje dat op zijn bureau stond. “Dat stond vanmorgen op de stoep van het kasteel.”

Henry keek nieuwsgierig naar het doosje. Hij liep ernaartoe. “Hoe weet je dat het voor mij is?” vroeg hij.

“Kijk er maar in, op het kaartje is een boodschap voor jou achtergelaten.”

De enigszins papperig uitziende Henry Rozenhof grabbelde in het pakketje. Toen hij het potje met pilletjes zag, kreeg hij een glimlach om zijn mond. “Ik had gevraagd om wat spulletjes op te sturen,” zei hij tevreden, “maar het had gewoon naar de zaak verzonden moeten worden.”

“Dat dachten vader en ik ook al. Wat is het voor een product?” wilde Marcus weten.

Henry dacht even na, voordat hij antwoord gaf. “Het is een nieuw ontwikkeld vitaminepreparaat met biologische grondstoffen,” zei hij uiteindelijk.

“Waar heb je dat gevonden?”

“Tijdens een feestje kwam ik een producent tegen en hij wilde dolgraag met ons familieconcern in zee gaan.”

“Is het een betrouwbare partij?”

Het leek wel een verhoor waar Henry aan werd onderworpen. Maar het was van het grootste belang dat een nieuw product eerlijk was, dat de producent betrouwbaar was en dat de nieuwe pilletjes of poedertjes geen negatieve bijwerkingen hadden. Zonder die zekerheden bracht het Rozenhof-concern geen nieuwe producten op de markt.

“Ik moet het nog laten testen in ons laboratorium,” antwoordde Henry snel. “Zodra ik de uitslag daarvan heb, zal ik je verder inlichten.”

Daarmee was de kous af voor dat moment. Henry nam het potje pillen mee en verzekerde zijn broer, dat dit product een topomzet zou gaan genereren.



Nog geen kwartier later stond Henry in het laboratorium. Hij wilde zo snel mogelijk een verslag hebben van deze nieuwe pillen. Met grote passen liep hij op één van de laboranten af. 

“Bob, heb je even tijd voor mij?”

Vanachter zijn halve brilletje keef de laborant omhoog. Zijn ogen lagen diep in zijn bolle hoofd en zijn haren stonden alle kanten op. “U wilt mij spreken?” vroeg hij verbaasd.

“Ja, heb je even? Dan kunnen we samen deze test doorspreken.”

“Kan dat niet hier?” vroeg Bob enigszins geërgerd. “Ik heb het enorm druk.”

“Nee, dat kan niet,” siste Henry. “Dit is een zeer geheim recept, dat ik alleen door jou wil laten bekijken Onder vier ogen!”

Nu pas begreep Bob dat het om een supergeheim iets moest gaan. Hij stond op en liep met zijn superieur mee.

In een kleine kamer gingen beide heren zitten. De deur werd gesloten en de ramen verduisterd.

“Wil jij wat extra geld verdienen?” vroeg Henry meteen op de man af.

Daar had Bob wel oren naar. Zijn salaris was al niet gering, maar extra geld was altijd welkom. “Jazeker wel, meneer,” antwoordde hij direct.

Een brede grijns vormde zich op het gezicht van Henry Rozenhof. Zijn ogen kregen een duivelachtige glinstering. “Maar het moet absoluut geheim blijven. Niemand mag weten waar wij mee bezig zijn. Is dat begrepen?”

“Ook de rest van de familie niet?” vroeg hij voor alle zekerheid.

“Niemand!”

“Oké,” antwoordde Bob, “laat dat mysterieuze product dan maar eens zien,” zei hij een beetje opgewonden.

“Als je je mond voorbijpraat, kun je je carrière verder wel vergeten,” fluisterde Henry dreigend. Pas toen hij ervan overtuigd was dat hij deze laborant kon vertrouwen, haalde hij het polje pillen uit zijn zak. “Dit is het.”

Na een korte aarzeling pakte Bob het potje op en draaide de dop eraf. Hij duwde zijn neus in de opening en snoof een paar keer diep. “Ik ruik passievrucht,” zei hij uiteindelijk.

“Klopt!” lachte Henry. “En op je rapportage verwacht ik dat je die analyse vermeldt. Ook wil ik dat de samenstelling lijkt op een vitaminepreparaat van biologisch geteelde producten. Ik wil dit product als een EKO-product lanceren. Denk je dat dat gaat lukken?”

De laborant keek bedenkelijk. “M-m-maar dat is fraude,” stamelde hij, “dat kan de volksgezondheid ernstige schade toebrengen.”

“Ja,ja,” zuchtte Henry, “maar kun je het?”

Na een korte stilte stond Bob op. “Wat zit er voor mij in?” wilde hij weten.

“Als de rapportage naar tevredenheid is, zal ik je rijkelijk belonen.”

“Wat is rijkelijk?” Nu zette de laborant druk op Henry, want hij was niet achterlijk. Soms hoorde hij van dit soort praktijken en de laborant was daarbij altijd de dupe. Dat wilde Bob niet. Hij wilde best risico lopen, maar dan wel met een duidelijke afspraak vooraf.

“Je ontvangt vijfentwintigduizend euro als je doet wat ik zeg.”

Dat had Bob niet verwacht. Eerder vijfduizend of zoiets, maar vijfentwintigduizend euro? Hij stond stomverbaasd voor zich uit te staren.

“Doe je het?” vroeg Henry ongeduldig.

“Eh... eh... natuurlijk, meneer,” zei Bob in een roes. “Natuurlijk! Wanneer wilt u het hebben? En waar?”

“Ik spreek je daar later over. Ga eerst maar eens onderzoeken wat er precies allemaal inzit. Daarna bespreken we het verdere verloop.”

“Goed.”

Henry stak zijn hand richting laborant en schudde deze ferm. “Ik kom snel bij je terug om horen hoe het onderzoek verloopt.” Daarna liep hij naar de deur en liet Bob alleen achter.

Het duurde even voor de laborant doorkreeg wat er zojuist gezegd was. Hij schudde zijn bolle wangen en pakte het potje pillen stevig vast. Onder geen voorwaarde mocht een van zijn collega-onderzoekers het potje in handen krijgen. Dan zou zijn afspraak met Henry gevaar lopen. Hij moest dit op een sluwe manier aanpakken. Hoe, dat wist hij nog niet, maar absolute geheimhouding was voor hem van levensbelang. Met trillende vingers liet hij het potje in zijn jasschort zakken. Voorlopig zat het daar veilig.



Aan de andere kant van de stad, in een tamelijk vervallen villa, zat David Rozenhof met zijn vrouw aan tafel.

“Het geld is op!” zei hij tegen Sharon. “Als ik niet snel wat verkoop, doet de belastingdienst dat voor me.” Met een wanhopige blik keek hij voor zich uit. Zijn slecht lopend bedrijfje in gokautomaten dreigde ten onder te gaan.

“Maar lieverd,” antwoordde zijn vrouw, “we kunnen van de familie toch weer gaan plukken? Bedenk maar een plan, dan komt het allemaal weer goed.” De veel jongere echtgenote van David vond het altijd spannend om de vete in de familie Rozenhof nieuw leven in te blazen. Geen mogelijkheid liet ze onbenut om de rijke tak geld af te troggelen.

“I-i-ik weet het niet,” stamelde David, “we hebben dat al zo vaak geprobeerd. Ze trappen er vast niet meer in en dan vallen we door de mand. Ze zijn gewoon te slim.”

“Kom, kom, niet bij de pakken neer gaan zitten. We bedenken wel

wat,” zei Sharon met een vastberaden klank in haar stem. “Ga jij nu maar naar de zaak, dan verzin ik wel een truc om aan dat geld te komen. We moeten gewoon slimmer zijn.”

David stond op en verliet zijn woning. Hij reed rustig naar het bedrijvencomplex waar hij zijn zaak dreef en parkeerde zijn auto voor de deur. Hij dacht over een nieuwe list om aan geld te komen. Zonder besef van zijn omgeving, stopte hij de sleutel in het slot en wilde naar binnen gaan. 

“Bent u de heer D. Rozenhof?” klonk een zware mannenstem.

David keek op en zag een gladgeschoren heer staan, met een lange jas en onder zijn linkerarm een dikke map. “Wie wil dat weten?” vroeg hij argwanend.

“Ik ben inspecteur Smit van de Belastingdienst, afdeling ondernemingen,” meldde de man. Daarna herhaalde hij zijn vraag: “Bent u de heer D. Rozenhof?”

De magere Rozenhof dacht na. Hij wilde helemaal niet met de inspecteur praten. Maar als hij dat nu niet deed, kwam hij misschien nog meer in de problemen. “Ja, ik ben de heer D. Rozenhof,” antwoordde hij uiteindelijk. “Wat kan ik voor u betekenen?”

“Ik wilde graag even met u praten, heeft u een ogenblik?”

David knikte en ging de man voor. Het was een rommeltje in zijn bedrijf. Her en der stonden gokautomaten door de hele ruimte. Onderdelen lagen verspreid op de vloer en het stonk er naar smeerolie. Achterin stond een bureau. Daar liepen beide heren heen.

“Gaat u zitten,” zei David overdreven vriendelijk en bood de inspecteur een stoel aan.

“Dank u,” zei de man beleefd en nam plaats.

“Koffie?”

Meneer Smit sloeg dat af en opende zijn map. “Ik heb begrepen dat u een forse belastingschuld heeft?”

Aan de andere kant van het bureau was David gaan zitten. Een onaangenaam gevoel bekroop hem. Dit had hij al verwacht, maar nu de inspecteur voor hem zat en de feiten opsomde, werd het de harde realiteit.

“Klopt,” antwoordde hij kort.

“Heeft u daar een reden voor?” wilde de belastingambtenaar weten.

David haalde zijn schouders op en staarde naar zijn handen. Zenuwachtig plukte hij aan zijn nagels en wist niks te zeggen.

“Ik geef u een laatste kans om de achterstallige bedragen voor aanstaande vrijdag over te maken. Voldoet u daar niet aan, dan gaan wij beslag leggen op uw goederen.”

Deze dringende woorden brachten David op een idee. “Ik heb meer tijd nodig,” zei hij snel. “Geef me een maand de tijd, dan kan ik de totale schuld in één keer aflossen.”

De inspecteur keek aarzelend naar de wanbetaler. Moest hij nog een extra kans krijgen? Een langere termijn om aan zijn verplichtingen te voldoen? Hij wilde het graag geloven en streek over zijn hart. “Oké,” zei hij toen, “maar als u dan niet betaald heeft, sluiten we deze tent, is dat duidelijk?”

Opgelucht haalde David adem. Hjer had hij niet op gehoopt. “Daar kunt u op rekenen,” zei hij enthousiast en schudde de hand van meneer Smit. “Ik laat u even uit.”

“Dat hoeft niet,” antwoordde Smit, “gaat u maar aan het werk, ik kom er zelf wel uit. Goedendag.” De inspecteur verdween tussen de gokautomaten en verliet het pand.

Nu was het zaak, zo snel mogelijk een plan te bedenken om aan dat geld te komen. David dacht na, maar had nog geen idee. Dat kwam later die dag wel, zodra hij thuis was bij zijn vrouw. Zij wist vaak de mooiste plannen te smeden. Al zijn hoop vestigde hij deze keer op Sharon. David pakte de telefoon en belde potentiële klanten op, want de verkoop moest ook gewoon doorgaan.



In de loop van de ochtend was Marika in Amsterdam gearriveerd. Het grachtenpand stond er verlaten bij.

Ze opende de deur van kantoor, dat zich op de benedenverdieping bevond en deed de verlichting aan. Ze gooide haar jas over een stoel en ging achter haar enorme bureau zitten.

Ze moest snel met haar werkzaamheden beginnen, om de opgelopen achterstand in te halen. Haar korte verblijf op kasteel Rozenhof was een onverwachte verrassing geweest. Haar moeder, gravin Henriëtte, had daarop aangedrongen. Midden in de nacht alleen naar huis rijden, vond ze maar niks. Bovendien had Marika iets te diep in het glaasje gekeken en het was niet verantwoord om achter het stuur van haar supersnelle Chevrolet Corvette te kruipen.

Met de telefoon doorgeschakeld naar de secretariaatsdienst, kon Marika ongestoord werken. Het was een prima oplossing voor bedrijven die geen personeel, speciaal voor het secretariaat, wilden aannemen. Er werkten vakkundige mensen en de telefoon werd opgenomen door een vriendelijke secretaresse. Ze noteerde alle binnengekomen berichten en gaf die op de afgesproken tijd door. Tot op de dag van vandaag verliep dat vlekkeloos en Marika was dan ook zeer tevreden.

Voor juridische bijstand klopte de familie Rozenhof regelmatig bij Marika aan. Dat was een ongeschreven wet. Alle Rozenhofs droegen zo hun steentje bij. Iedereen had zijn of haar eigen discipline en samen zorgden ze ervoor dat de Rozenhof Holding een gezond en groeiend bedrijf bleef. Soms speelden er duistere zaakjes, of werden ze belaagd door actiegroepen. Elke keer weer trok de familie aan het langste eind. Niet op zijn minst door de vakkundige werkwijze van de op elkaar ingespeelde lden van deze adellijke familie. Marika ploeterde door een stapel papieren heen en voor ze het in de gaten had, was het één uur. Ze besloot te gaan luchen en gaf dat door aan de secretariaatsdienst. “Ik ben over driekwartier terug,” meldde ze en sloot de deur van kaar kantoor achter zich. Het was druk in de binnenstad van Amsterdam. Vele toeristen liepen door de gezellige winkelstraten. Marika kende de weg en nam een korte binnendoor route, om al die drukte te ontwijken. Vandaag had ze geen zin in die hectische taferelen. Ze wilde rustig kunnen nadenken over de lopende zaken. 

Ze was een veel gevraagde juriste met een overvolle agenda. Soms moest ze haar hoofd leegmaken, dan ging ze terug naar haar familie op het rustige Brabantse landgoed waar kasteel Rozenhof lag. Op de rug van haar paard Pablo kon ze alle negatieve energie kwijt. Na een paard dagen op het kasteel, was ze als herboren. En kon ze er weer een hele poos tegenaan.

Marika liep zigzaggend door de smalle steegjes van de hoofdstad. Een van haar favoriete eetgelegenheden lag aan de Prinsengracht. Doordat ze binnendoor liep, door smalle straatjes, kwam ze naast de ingang van de bistro uit.

Ze hield van lekker eten en liet zich graag verrassen door de kok. Toen ze pas in Amsterdam woonde, ging ze alle kleine eetgelegenheden af. Sindsdien had ze de meest exotische bistro’s en petits restaurants op haar voorkeurslijst staan. Voor elke sfeer en gemoedstoestand had ze wel een eettent gevonden. 

Vandaag ging ze voor de Thai. Daar kon ze rustig in een hoekje van haar luch genieten. Niemand viel haar daar lastig en zo kon ze haar gedachten op een rij zetten.

“Goedemiddag,” zei ze vriendelijk tegen de man achter de bar. “Ik wilde graag een lunch.”

“Wil mevrouw een kaart?”

“Nee, dank u,” antwoordde Marika, “laat de kok maar iets lekkers bereiden. Ik wil graag een niet al te zware lunch,” zei ze vriendelijk lachend. “Wilt u dat voor me regelen?” De barkeeper knikte vriendelijk. “Wat wil mevrouw daarbij drinken?” 

“Een glas witte wijn graag, dank u.” Marika liep door tot achterin de zaak en nam plaats aan een klein tafeltje.

Nog geen minuut later stond de barman naast haar. “Uw wijn, mevrouw,” zei hij beleefd en zette het glas voor haar op tafel. Even later kwam hij terug met een servet en bestek. “De kok is geïnstrueerd en zal iets lekkers voor u klaarmaken. 

“Dank u vriendelijk,” zei Marika en nam een slok van haar wijn. Ze merkte dat haar gedachtegang niet zo vlotjes liep als ze wilde. Het was razend druk op kantoor en nieuwe zaken dienden zich steeds weer aan.

Marika nam een drastisch besluit. Vanaf vandaag nam ze voorlopig geen nieuwe zaken meer aan. Dan kon ze zich volledig concentreren op lopende zaken. Pas wanneer er een zaak was afgerond, zou ze zich beraden om een nieuwe zaak te aanvaarden. Haar hoofd zat vol met feiten en als ze nu geen gas terugnam, kon Marika weleens dingen door elkaar gaan gooien. Dat kon ze zich niet veroorloven.

Ze liet zich de wijn goed smaken en droomde wat voor zich uit, toen ze iemand op zich af zag komen.

“Uw lunch, mevrouw,” zei de man vriendelijk. “Ik heb speciaal voor u een kerriegerecht gemaakt. Ik hoop dat het u mag smaken.”

Marika keek naar het bord dat voor haar op tafel werd gezet. Kruidige dampen prikkelden haar reukorgaan. “Hmm,” zei ze, “dat ruikt heerlijk. Bent u de kok?” vroeg ze nieuwsgierig.

De kleine man knikte en maakte een kleine buiging. “Ik wens u een goede lunch,” zei hij en liep terug naar voren.

Het gerecht smaakte uitstekend en met een voldaan gevoel nam frederike de laatste hap. De pittige spijzen brandden op haar tong. Ze bluste het geheel af met de witte wijn. Ze depte haar mond met het servet, stond op en liep naar de bar. Daar rekende ze af bij de barman en gaf een compliment voor de heerlijke maaltijd.

De kok, die in de deuropening van de keuken stond, nam het compliment dankbaar aan.

Marika gaf een flinke fooi en verliet het restaurant. Met grote passen liep ze terug naar kantoor. Net binnen hoorde ze de fax ratelen. Nieuwsgierig liep ze richting het apparaat en zag ze dat het bericht van haar broer Marcus afkomstig was. Toen de fax klaar was, nam Marika het papier eruit en begon te lezen. 

Haar broer verzocht haar een potentiële leverancier na te trekken. Er bleek haast achter te zitten, omdat het om een grote order ging. 

“Verdorie,” zei ze, “net nu ik besloten had geen zaken meer aan te nemen, komt de familie.” Een diepe zucht kwam uit haar keel en ze pakte de telefoon.

“Met de secretaresse van Marcus Rozenhof,” zei een vriendelijke stem aan de andere kant van de lijn.

“Goedemiddag, je spreekt met Marika. Mag ik mijn broer even spreken?”

“Ja, natuurlijk, een ogenblikje graag.”

Even later hoorde ze de vertrouwde stem van haar oudste broer. “Dag, zusje,” zei hij vrolijk.

“Je schijnt me niet te kunnen missen, geloof ik,” grapte Marika.

“Nee, inderdaad...” Een korte stilte viel.

“Wat is er aan de hand?” wilde Marika weten.

“Niks ernstigs,” antwoordde haar broer, “ik wil alleen graag weten wat het bedrijf HighProducts voor een firma is en of het een betrouwbare partner is.”

“Maar waarom wil je dat zo snel weten?”

“Het gaat om een grote order. Ik wil dus niet met een fout bedrijf zaken doen.”

“Dat snap ik, maar geef me deze week de tijd. Research kost vele uren en die zijn momenteel erg schaars.”

“Prima, zusje, dan hoor ik vrijdag van je?”

“Wat dacht je ervan als ik komend weekend op het kasteel kom logeren? Dat vinden vader en moeder vast wel goed. En dan kunnen we dit verder bespreken. Wanneer komen je dochters weer thuis?”

“Maandag,” antwoordde Marcus, “tot die tijd verblijf ik op het kasteel.”

“Goed, dan zien we elkaar vrijdag. Ik zal kijken wat ik in de tussentijd te weten kan komen over dat bedrijf HighProducts.”

“Dag zus,” zei Marcus, “en alvast bedankt.”

“Het is al goed, ik spreek je later, dag!” Marika verbrak de verbinding en begon haar speurwerk in opdracht van haar broer. Voor dit soort zaken moest al het andere wijken. Dat was ook een van de regels binnen het Rozenhof-concern. Een beetje autoritair, maar wel duidelijk. En aangezien Marika een goede band had met haar oudste broer, deed ze dat graag. Ze belde snel wat klanten af, om zich volledig op deze zaak te kunnen storten.



De werkdag zat erop. Iedereen verliet het hoofdkantoor van de Rozenhof Holding en ging naar huis. Behalve Marcus, die moest nog wat zaakjes afwerken voordat hij vertrok.

Henry was al vertrokken. Hij had een bespreking in de stad, vertelde hij zijn vrouw Felicia. Het kon weleens laat worden en dat verbaasde haar niks. Regelmatig kwam Henry 's avonds laat pas thuis. Dan rook hij naar parfum en had hij gedronken. Soms kwam hij helemaal niet thuis. Daarom vertrouwde Felicia haar echtgenoot niet, maar ze had geen andere keuze dan zijn rare streken te accepteren.

Haar komaf was dubieus en zonder Henry was ze nergens. Ze wilde deel uitmaken van deze adellijke familie, ook al werd ze bedrogen door haar eigen echtgenoot. 

Haar komaf was dubieus en zonder Henry was ze nergens. Ze wilde deel uitmaken van deze adellijke familie, ook al werd ze bedrogen door haar eigen echtgenoot. Ze pronkte nou eenmaal graag met de adellijke veren van het geslacht Rozenhof.

Henry reed in zijn Porsche Carrera door de straten van de stad. Bij een groot appartementencomplex parkeerde hij zijn auto. Voordat hij uitstapte bekeek hij zichzelf in het spiegeltje.

“Je ziet er weer piekfijn uit,” zei hij lachend tegen zijn spiegelbeeld. Zijn zonnebankbruine hoofd straalde van zelfvertrouwen. Behendig haalde hij een kam door zijn haren en gaf zichzelf een knipoog.

“Kom, jongeman,” zei hij lachend, “we gaan een feestje vieren vanavond.”

Henry stapte uit, sloot zijn auto af en streek zijn op maat gemaakte Armani pak glad. Zijn doel was duidelijk, hij wist wat hij deed. Volledig bij zijn volle verstand belde hij aan.

“Ja, wie is daar?”

“Ik ben het, liefje,” antwoordde hij, “je diamanten knuffelbeertje.”

Een harde zoemtoon volgde en de deur ging open. Henry liep de hal in en drukte op de knop van de lift. De liftdeuren openden en hij stapte naar binnen. Daar drukte hij op het knopje voor de bovenste verdieping. Even later stapte hij uit om zijn weg te vervolgen naar het meest riante penthouse van dit appartementencomplex.

Henry betaalde de huur van deze woning en dat deed hij graag. Hij kreeg er immers heel veel voor terug. Een sleutel had hij niet nodig, want de deur stond al op een kier. Henry duwde hem verder open, ging naar binnen en sloot de deur achter zich. 

“Duifje, waar ben je?” riep hij opgewonden.

“Hier in de keuken,” riep een vrouwenstem terug.

Henry kende de weg als geen ander. En al snel stond hij oog in oog met de mooiste vrouw die hij ooit had gezien. “Dag, liefje,” fluisterde hij vertederd, “wat zie je er weer prachtig uit vandaag.”

Rowena keek hem aan met haar meest verleidelijke glimlach. Ze was zijn buitenechtelijke vriendin en daar was ze gedreven in. Ze wist precies hoe ze deze veertiger om haar vinger moest winden. De jonge vrouw hoefde maar te kikken en hij deed wat zij wilde. Vanuit die machtspositie zorgde ze ervoor dat ze in een droomwereld leefde. Geen Zorgen om geld, geen lastige bazen die haar afsnauwden. Nee, Rowena had het goed voor elkaar, haar bedje was gespreid. Het enige dat ze daarvoor moest doen, was af en toe deze adellijke Rozenhof bevredigen. En daar had ze helemaal geen moeite mee, want ze was dol op seks. Het spel eromheen wond haar enorm op. 

Haar bruine ogen lonkten verleidelijk in zijn richting. “Ik heb wat lekkers voor je klaargemaakt,” zei ze uitdagend.

“Wat dan?” vroeg Henry en hij moest even slikken.

Ze ging op in haar spel en speelde haar rol overtuigend. Het personage dat hij graag zag, was uitdagend en een beetje dellerig. Rowena kwam uit een arm milieu en kende het klappen van de zweep. Het straatleven was haar niet vreemd.

Voordat ze hem leerde kennen, zwierf ze over straat, op zoek naar geluk. Toen ze Henry Rozenhof tegen het lijf liep, veranderde haar leven drastisch. Hij was zo onder de indruk van haar verschijning, dat hij haar direct een aanbod deed. Makkelijke prooi, had ze nog gedacht en ze liet hem zijn gang met haar gaan. Eerst kreeg ze alleen maar rode rozen als blijk van waardering. Later werden dat dure sieraden. Op de dag dat hij haar meenam naar dit appartement, was ook zij ervan overtuigd dat deze man haar serieus nam. Niet direct om haar persoonlijkheid, maar om haar lichaam. Rowena zorgde goed voor zichzelf, want ze besefte wel, dat zodra ze ouder werd, haar lichaam minder aantrekkelijk zou worden. Daarom genoot ze nu elk moment van de luxe en weelde om zich heen.

“Ik heb aardbeien met slagroom koud staan,” zei ze zwoel. “En jij weet wat dat betekent?”

Henry slikte nogmaals en snakte naar adem. Hij trok zijn stropdas los en opende het bovenste knoopje van zijn blouse. Wat deed deze jonge vrouw toch met hem? Dit gevoel had hij nooit eerder, ook niet met zijn echtgenote, toen hij haar voor het eerst ontmoette.

Hij schudde zijn hoofd. “Nee, nee,” zei hij zacht, “ik moet je eerst wat vertellen.”

“O?” reageerde Rowena koeltjes. “Wat is er zo belangrijk dan?”

“Ik heb een pil gevonden die waarschijnlijk aan alle eisen voldoet!”

Rowena keek haar minnaar met vragende ogen aan.

“Ja, je weet toch nog wel dat ik je vertelde dat niet mijn oudste broer Marcus, maar ik aan het hoofd van de Rozenhof Holding zou moeten staan?”

Ze knikte, dat wist ze nog wel. Henry was helemaal over zijn toeren bij haar uit komen huilen, toen zijn vader had besloten om het bedrijf aan de oudste zoon toe te vertrouwen. Dat had Henry nog niet eens het ergste gevonden, maar hij was niet eens gepromoveerd en bleef zitten waar hij al jaren zat. Dat wakkerde zijn negatieve gevoelens jegens zijn broer en vader aan.

“Deze pil gaat mij groot maken!” riep hij hard.

Rowena voelde zich onprettig bij zijn woorden. Ze hoorde een enge, boze en gefrustreerde man die in alle staten was. “Wat ga je met die pil doen?” vroeg ze voorzichtig.

“Dat vertel ik je later wel. Eerst moet ik het onderzoeksrapport van het laboratorium afwachten. Pas dan kan ik verdere plannen maken. Maar geloof me, liefje, deze keer win ik.”

Rowena was op haar hoede. Nooit eerder had ze haar minnaar zo gezien. Zijn gedrag beangstigde haar zelfs een beetje. “Zullen we iets leuks gaan doen?” vroeg ze, om de aandacht van de mysterieuze pil af te wenden.

“Je had het over aardbeien?”

Ze knikte en liep naar de koelkast, pakte er een grote schaal uit en gaf die aan Henry. “Alsjeblieft,” zei ze uitdagend, “neem jij die mee, dan pak ik de slagroom.”

Henry ademde zwaar door zijn neus. Hij was opgewonden, dat was duidelijk zichtbaar. Niet alleen om wat er zo meteen zou gaan gebeuren, maar de extra dimensie kwam van zijn geheime plannetje. Henry stond op springen. “Zelfde plaats als vorige keer?” vroeg hij.

De mooie jonge Rowena knikte. “Als jij dat ook goedvindt?”

Gretig nam Henry een van de aardbeien in zijn mond en liep richting slaapkamer.

Rowena volgde hem met de slagroom. Ze hoopte dat haar liefdesspel hem zou uitputten, zodat hij weer rustig werd. Die wartaal over pillen en overwinning vond ze maar niks. Als hij nu concrete plannen aan haar vertelde kon ze er misschien in meegaan Maar nu tastte ze in het duister. Dat gaf haar een onaangenaam gevoel.

In de slaapkamer ging Henry op bed liggen. Rowena deed hetzelfde en het spel kon beginnen.



In het laboratorium van het hoofdkantoor van de Rozenhof Holding brandde licht. Bob was na zijn avondmaaltijd teruggegaan naar zijn werkplek. Hij wilde de pillen die Henry hem die dag had gegeven, gaan onderzoeken. Overdag kon hij niet ongestoord met de geheime opdracht bezig zijn. Zijn collega's konden vragen stellen die hij niet mocht beantwoorden. Daarom besloot hij het in de avonduren te doen.

Hij dacht aan de vijfentwintigduizend euro die hem beloofd was. Bob wilde zo snel mogelijk de analyse maken en een rapport afleveren bij Henry. Dan kon hij het geld ontvangen en deze hele geheimzinnig zaak snel weer vergeten.

Bob trok zijn witte werkjas aan en nam het potje in zijn hand. Hij merkte dat zijn handen trilden. Een vreemd gevoel bekroop hem. Wat zou hij ontdekken? Hij had geen idee. Voorzichtig draaide hij het potje open en haalde er een paar pillen uit. Vakkundig sneed hij ze in stukjes en verpulverde het tot poeder. Toen kon het testen beginnen.

De zoete geur van passievrucht drong zijn neus binnen. De laborant verdeelde het poeder in tien verschillende hoopjes. Hij hield een klein beetje over voor onder de microscoop. Bob stopte het poeder in tien losse testbuisjes en voegde er verschillende vloeistoffen aan toe. Zo kon hij de tien hoofdstoffen eruit filteren. Na een uur weken kon hij zien om welke stoffen het ging.

Het kleine beetje poeder dat hij had achtergehouden, legde hij op een glazen plaatje en stopte het onder de microscoop. Turend door de lens, stelde hij hem op scherp. Zijn hart bonkte tegen zijn ribben. Wat kreeg hij zo meteen te zien? Hij had nu scherp zicht op de materie op het glazen plaatje.

“Nee, dat kan niet,” zei hij zacht, “dat kan niet waar zijn...”

Bob ging staan en streek door zijn haren. Hij ijsbeerde door het laboratorium. Hij probeerde na te denken, maar zijn hoofd was leeg.

“Dit moest een vergissing zijn,” zei hij tegen zichzelf. Hij ging weer zitten en keek nogmaals door de microscoop. En weer stond hij op en schudde nu zijn hoofd. “Dit is waanzin,” fluisterde hij.

Bob dacht aan de woorden van Henry: “Niemand van de familie

mag van dit product weten, niemand!” Daarna dacht hij aan het beloofde geld. Hij had het al min of meer uitgegeven, toen hij had besloten dit onderzoek te verrichten. Nu dacht hij dat het beter was geweest, de pillen niet te onderzoeken, maar gewoon blind het gevraagde rapport te schrijven. Nu wist hij meer dan goed voor hem was.

Hij liep naar de buisjes waar hij de verschillende vloeistoffen aan had toegevoegd. Bob hoopte dat de uitslag van die testopstelling een andere richting uitwees. Dat hij zich had vergist, dat zijn conclusie van het product onder de microscoop een fout was geweest.

Bob begon te transpireren. Hij was nerveus. Langzaam kwam hij dichterbij. Adrenaline gierde door zijn aderen. Hij durfde niet te kijken, maar hij moest. Bob haalde een keer diep adem en richtte zich naar de buisjes en bestudeerde de kleuren.

“Godver...” vloekte hij. Zijn ogen zagen wat hij niet wilde zien. Zijn eerdere conclusie was de juiste. Nu was het zaak, het rapport te schrijven waar Henry om vroeg. Bob ging zitten en keek om zich heen. Als uit zou komen waar hij mee bezig was, kon hij zijn toekomst wel vergeten. Hij moest snel handelen, al het bewijsmateriaal moest worden vernietigd. De laborant stond weer op en pakte de buisjes en het glazen plaatje met poeder. Hij stopte ze in een doosje en sloot het af. Hij pakte zijn jas en het doosje en deed het licht uit. Hij sloot de deur van het laboratorium en verliet het pand.

Even later was hij thuis en maakte met trillende vingers zijn voordeur open. Met zijn jas nog aan, liep hij naar de keuken en zette het doosje op het aanrecht. Bob draaide de kraan open en wachtte tot het water heet werd. Daarna pakte hij de buisjes een voor een uit het doosje en spoelde de inhoud door de gootsteen. Korte tijd later waren de buisjes leeg en schoon, alsof er nooit iets had ingezeten.

De laborant pakte een analyseformulier en begon te schrijven. Zijn opdracht was om de pillen de eigenschappen van een vitaminepreparaat te geven, met de smaak van passievrucht. Bob kende de formules van de preparaten uit zijn hoofd. Behendig noteerde hij de technische gegevens en voegde wat extra EKO-termen toe. Hij zette zijn naam en handtekening eronder en gooide zijn pen neer. Zijn bevindingen waren niet mals. Hij had een gemeenschappelijk geheim met één van de Rozenhofs. Daar moest hij mee leren leven. Wat Henry precies met deze pillen van plan was, daar wilde hij niet aan denken. Maar hij was ervan overtuigd dat het niet door de beugel kon.

Bob nam het formulier en stopte het in een envelop. Morgenvroeg nam hij als eerste contact op met Henry. Bob wilde zo snel mogelijk van dit project verlost worden en zijn beloning ontvangen. Met een onrustig gevoel ging hij de nacht in en droomde over een goede afloop.



De dag brak aan en Marcus opende zijn ogen. Het geluid van de wekker deed pijn aan zijn hoofd. Toen hij de lamp aandeed, stak het licht in zijn ogen. Hij ging rechtop zitten en masseerde zijn slapen. Ze waren gevoelig en zijn hoofd bonkte alsof hij een kater had. Marcus viel terug in zijn bed en trok het dekbed over zich heen.

“Vandaag sla ik mijn rondje joggen maar een keer over,” zei hij zacht. Hij sloot zijn ogen en dutte weer in.

Er werd op de deur geklopt en gravin Henriëtte keek de kamer in. “Marcus, slaap je nog? Marcus?” Voorzichtig liep ze de kamer in, richting bed. Toen ze zag dat haar zoon nog in bed lag, werd ze bezorgd. “Marcus? herhaalde ze. “Voel je je niet goed?”

Een gekreun kwam onder het dekbed vandaan. “Ik heb een verschrikkelijke hoofdpijn,” antwoordde ik zacht.

“Dan blijf je nog maar even lekker liggen, ik zal Joost vragen een vitamiminerijk ontbijt voor je te maken. Gravin Henriëtte liet haar zoon met rust en begaf zich naar beneden.

In de ontbijtkamer zat haar echtgenoot, zoals elke ochtend de krant te lezen. Haar dochter Kim was zojuist vertrokken met haar man en zoon. “Marcus is niet lekker,” zei Henriëtte tegen haar man.

De oude graaf keek op uit zijn krant. “Is hij ziek?” vroeg hij.

“Ik weet niet precies wat het is, maar goed is het in elk geval niet. Ik heb hem een ontbijt beloofd en hoop dat hij zich daarna wat beter voelt.” Henriëtte Rozenhof verliet de ontbijtkamer en legde haar verzoek bij Joost neer.

Enige minuten later stond de butler voor de slaapkamerdeur van Marcus. Hij klopte twee keer en opende de deur. “Goedemorgen, meneer,” zei hij beleefd.

Marcus had zich omhoog gehesen en zat rechtop in bed met drie kussens in zijn rug. “Laat dat goede er maar vanaf,” zei hij zacht.

“Wanneer u dit ontbijt hebt genuttigd, zult u zich vast beter voelen,” antwoordde Joost zelfverzekerd.

“Ik hoop het,” zuchtte Marcus, “ik hoop het.”

De butler vertrok.

Voorzichtig at de jonge graaf het verse fruit dat hem was voorgeschoteld, samen met het grote glas warme melk. Hij voelde zich inderdaad iets beter. Toen hij alles netjes had opgegeten, stond hij op en nam een hete douche. Als een totaal ander mens

kwam hij daar onderuit en kleedde zich aan. Hij keek op zijn wekker en zag dat het bijna negen uur was. Hij haastte zich naar beneden en wilde het kasteel verlaten.

“Marcus?” hoorde hij zijn moeder roepen.

Hij draaide zich om en lachte haar toe. “Het gaat weer beter met me,” zei hij rustig. “Dat ontbijt en een warme douche deden wonderen.”

Nu moest ook zij lachen. “Gelukkig, jongen,” zei ze opgelucht.

Marcus liep naar zijn moeder toe en gaf haar een kus op haar wang. “Tot vanavond,” zei hij.

Ze knikte. “Vergeet je de cocktailparty van vanavond niet?” riep ze haar zoon na.

“Ik zal er zijn!” antwoordde hij en verliet het kasteel.

Op kantoor aangekomen, keek zijn secretaresse hem vreemd aan. “Gaan we er een gewoonte van maken?” vroeg ze.

“Waarvan?”

“Zijn dit de nieuwe directietijden?” Ze keek op haar horloge en herinnerde haar baas eraan dat hij gisteren ook al verlaat was.

“Ga er maar vanuit dat dit de laatste keer was,” antwoordde Marcus lachend. “Morgen ben ik er weer als de kippen bij, dat beloof ik je.” Elders in het enorme kantorencomplex zat Henry zenuwachtig met zijn vingers op zijn bureau te trommelen. Bob had hem gebeld en was onderweg naar zijn kantoor.

De telefoon ging. “Ja,” snauwde Henry door de hoorn. 

“Hier is Bob van het laboratorium voor u,” zei de secretaresse, “hij zegt dat hij geen afspraak met u heeft?”

“Laat hem maar doorlopen.”

Even later ging de deur van het kantoor open en stond Henry oog in oog met de laborant. “Ga zitten,” zei hij dwingend. “Heb je het rapport gereed?”

Bob knikte en overhandigde het formulier. Henry las het door en keek goedkeurend naar zijn werknemer. “Goed werk,” complimenteerde hij. Met een sleuteltje opende hij zijn bovenste bureaulade en hij haalde een bruine envelop tevoorschijn. “Alsjeblieft,” zei hij, terwijl hij de envelop naar Bob duwde. “Hier is je beloofde bonus.”

“Dank u wel, meneer,” antwoordde Bob beleefd. Hij pakte de envelop aan, stond op en stopte het direct in zijn binnenzak. “Kan ik nu gaan?”

“Dit is ons gezamenlijk geheim!” benadrukte Henry nogmaals en keek daarbij de laborant doordringend aan.

“Ons geheim,” herhaalde Bob en trok zijn hand terug. “Ik moet weer snel verder,” zei hij zenuwachtig. De man wilde weg van hier, deze Rozenhof vertrouwde hij niet. Nu hij zijn geld in zijn zak had, was dit project wat hem betrof afgesloten.

“Goed, als ik je nog eens nodig heb, laat ik het je wel weten.”

Die laatste woorden echoden als een duivelse lach door Bobs hoofd. Hij wilde niet nog eens zo’n onderzoek vervalsen. Maar hij had geen keus. Tot aan zijn nek toe was hij betrokken bij de duistere praktijken van zijn superieur.

Het enige wat hij kon doen, was hopen dat hij nooit eerder gevraagd zou worden voor dit soort zaken. Bob verliet de kantooromgeving en ging terug naar het laboratorium.

Henry belde zijn broer op, zodra de deur van zijn kantoor was gesloten.

“Marcus,” zei hij opgewonden, “ik heb goed nieuws, kan ik even langskomen?”

Marcus voelde zijn hoofdpijn weer opkomen, maar zei tegen zijn broer dat hij welkom was. Even later vloog de deur van zijn kantoor open. “Kom gerust binnen,” zei Marcus sarcastisch, toen zijn broer kwam binnenstormen. 

“Broer, luister,” begon hij enthousiast te vertellen. “Weet je nog dat ik die pillen zou laten onderzoeken?”

“Dat was gisteren,” antwoordde Marcus geïrriteerd.

“Juist,” zei Henry. “Ik heb er spoed achter gezeten, wat denk je?”

“Ik heb geen idee.” Marcus had nu geen zin in raadsels, zijn hoofd begon te bonken. Hij wilde naar huis, zijn bed in.

“We hebben een superpil ontdekt,” zei Henry opgewonden. “Hiermee gaan we de wereld veroveren!”

“Kun je iets korter van stof zijn?” vroeg Marcus. “Ik barst van de hoofdpijn en heb geen zin in je spelletjes.

“Dan moet je deze pillen proberen,” zei Henry resoluut. “Bij twee van deze pilletjes, voel je je weer als herboren,” beloofde hij.

Met ongeloof in zijn ogen keek Marcus zijn jongere broer aan. “Wat is het dan voor een product?”

“Deze pil, beste vriend, is het middel tegen pijn. Het zit boordevol met vitaminen en mineralen. En het mooiste van alles is, dat het biologisch verantwoord vervaardigd is. Een echte EKO-superpil. Gemaakt van de meest eerlijke producten. Hier...” Henry nam twee pilletjes uit het potje en gaf die aan zijn broer.

“Weet je het heel zeker?” vroeg Marcus nogmaals.

Toen Henry heftig knikte en meldde dat hij voor dit product door het vuur ging, was Marcus om. Hij nam de pilletjes aan en slikte ze een voor een door. Met een flinke slok lauwe koffie spoelde hij ze verder door. “Ik hoop dat je gelijk hebt.”

“Geloof me nu eens voor deze ene keer,” sputterde Henry tegen. “Ik durf te wedden dat jouw hoofdpijn binnen een half uur weg is. Je kunt straks de hele wereld weer aan. Ik bel je straks om te vragen hoe het met je gaat.” Met een grijns op zijn gezicht trok Henry de deur van zijn broers kantoor achter zich dicht. 

“Stap één is gezet,” zei hij zacht en ging terug naar zijn eigen kantoor.

Nog geen half uur later ging de telefoon bij Henry op zijn kamer. Hij nam op.

“Je had gelijk,” zei Marcus verheugd, “ik ben van mijn pijn verlost. Heb je nog meer van die pillen?”

“Ja hoor, genoeg.”

“Kun je die bij mij laten bezorgen? Dan hoef ik die hoofdpijn niet meer te tolereren. Het is een wondermiddel!” riep hij enthousiast.

Henry lachte in zijn vuistje. “Ik zal een lading van die pillen bestellen voor verdere proeven. Het potje dat ik hier heb, is voor jou. Mijn secretaresse zal het straks bij je afgeven.”

“Dankjewel, broer. Sorry, dat ik aan je twijfelde.”

Marcus verbrak de verbinding en ging verder met zijn werkzaamheden. Die ochtend had hij nog niet veel kunnen doen, door zijn verschrikkelijke hoofdpijn. Nu hij daarvan verlost was, voelde hij zich superfit.

De dag vloog voorbij en Marcus bleef maar doorgaan. Hij was niet te stoppen. Zijn lunch was hij zelfs vergeten. Tegen de tijd dat zijn secretaresse naar huis wilde, besefte hij dat zijn concentratie nog nooit zo goed was geweest als die middag. Hij had bergen werk verzet en voelde zich zeker twintig jaar jonger.

“Ik ga naar huis,” zei zijn secretaresse, die in de deuropening stond.

Ze wenste haar baas een prettige avond toe.

Marcus zag er relaxed uit, hij sprong op uit zijn stoel en pakte zijn jas. Het potje met pillen, dat de secretaresse van Dierderik had bezorgd, stopte hij in zijn zak. Vol energie stapte hij in de lift en in zijn auto scheurde hij naar kasteel Rozenhof.

Een stofwolk liet hij achter toen hij remde. Hij reed als een jonge gast, die net zijn rijbewijs had gehaald en voor het eerst vaders auto mocht leneen. Hij parkeerde zijn Jaguar in een van de stallen, die was verbouwd tot garagen en liep al fluitend naar binnen. Onderweg kwam hij zijn moeder tegen. Ze was aangenaam verrast door de vrolijkheid van haar oudste zoon. Dat had ze niet durven dromen toen ze hem die ochtend had gezien.

“Alles goed?” vrowg ze toch nog voor de zekerheid.

“Prima, ik voel me uitstekend. En moeder,” zei hij, “Ik heb er zin in vanavond!”

“Mooi,” antwoordde zijn moeder, “kom maar gauw aan tafel, dan zijn we op tijd klaar voor de cocktailparty.”

Marcus gaf zijn moeder een arm en gezamenlijk liepen ze naar de kamer waar het diner werd geserveerd. Het avondmaal was uitgebreid als altijd. De familie Rozenhof at wat ze kon en kleedde zich daarna om. Ze verlieten het kasteel om naar de binnenstad te gaan.

De Commissaris van de Koningin was de gastheer van dit feestje. Zijn vrouw, nieuwsgierig als altijd, probeerde de meest recente roddels boven tafel te halen. Dan had ze tijdens haar bridgeavond weer nieuwtjes. Ze genoot van haar adellijke bezoek en voelde zich thuis tussen de graven en gravinnen.

Halverwege de avond greep Marcus naar zijn hoofd. Een steek schoot achter zijn ogen door. Hij moest zich staande houden aan een pilaar en het duizelde hem. Gelukkig had niemand het gezien en kon hij ongemerkt naar het herentoilet vluchten. Hij ging op de pot zitten en nam zijn hoofd in zijn handen.

“Wat is dat toch?” vroeg hij zich hardop af. De pijn was heviger dan de eerste keer. Marcus voelde in de zak van zijn jasje. Voor de zekerheid had hij de pillen van Henry meegenomen. Voor het geval dat… Nu kwamen ze goed van pas. Marcus nam weer twee van de mysterieuze pillen. Bij het fonteintje dronk hij wat water en verliet de ruimte. Frisse lucht wilde hij hebben en hij stapte de tuin in. Na een fikse wandeling zakte zijn hoofdpijn en voelde hij zich weer kiplekker. Toen hij de feestzaal betrad, zag hij tot zijn grote genoegen, dat niemand hem had gemist. De avond verliep verder vlekkeloos en rond een uur of elf ging de familie saedelhorst op weg naar huis. Marcus reed met de limousine van de familie Rozenhof mee terug naar het kasteel. Samen met zijn ouders, zijn zus Kim en haar man Johan. Spoedig waren ze thuis. De chauffeur liet de familie uitstappen en parkeerde daarna de auto op zijn vaste plaats.

“Ik ga meteen naar bed,” zei Marcus, “het was een zware dag en ik wil morgenvroeg naar kantoor.”

Zijn ouders, zus en zwager namen nog een afzakkertje in de salon, waarna ook zij naar hun slaapvertrekken vertrokken.



De volgende ochtend had Marcus geen hoofdpijn. Ook de daaropvolgende dagen voelde hij zich prima. Dit alles dankzij de pillen die hij van Henry had gekregen. Marcus slikte ze nu regelmatig, omdat hij zich er goed bij voelde.

De laatste dag van de week was aangebroken en Marcus verheugde zich op het bezoek van zijn zus. Marika zou 's avonds na haar werk direct naar kasteel Rozenhof komen.

Ze kon niet beloven hoe laat ze er precies zou zijn. Een file kon haar planning danig in de war schoppen, daarom noemde ze geen tijd. De A2 stond bekend om zijn opstoppingen, maar als het enigszins kon, reed Marika binnendoor.

Marcus bereidde het gesprek met zijn zus voor.

Zijn secretaresse had al wat speurwerk verricht. Bij de Kamer van Koophandel had ze geïnformeerd om de inschrijving te controleren. Bij Graydon had ze gevraagd naar de financiële situatie van het bedrijf en het betalingsgedrag. Alles scheen in kannen en kruiken, had ze aan haar baas gemeld.

Marcus probeerde alles op een rijtje te zetten. Plotseling begonnen de letters op zijn papier te dansen. Hij wreef door zijn ogen en knipperde een paar keer. Het verdween, maar even later begon het weer. Duizelingen gingen door zijn hoofd en hij kreeg koude rillingen. Marcus dacht niet na en greep direct naar het potje met pillen. Nu nam hij er vier tegelijk en al snel voelde hij zich weer helemaal de oude. Aan het eind van de dag bleef het enorme gebouw van de Rozenhof Holding verlaten achter. Iedereen was vertrokken en het weekend was begonnen.

Vroeg in de avond, toen Pieter en Henriëtte Rozenhof samen met de familieleden die permanent verbleven op het kasteel, in de salon hadden plaatsgenomen, hoorden ze een kabaal op de gang.

“Dag Joost,” hoorden ze door de gangen roepen. Het was Marika, die de butler begroette.

“De familie zit in de salon,” zei Joost beleefd.

De jongste dochter van Pieter en Henriëtte liep snel door de lange gang en stopte voor de deuren van de salon. Ze klopte niet, maar viel spontaan naar binnen.

“Dag, familie van me,” zei ze lachend. “Ik ben blij dat ik weer eens een weekendje met jullie mag doorbrengen.” Ze liep op haar ouders af en kuste beide op de wang. Daarna ging ze de rest van de familie af. Haar oudste zus Kim, haar man Johan en zoon Chris. “Dag knul,” zullen we morgen een wedstrijdje rijden?”

De tiener knikte gewillig. “Ja, leuk. Ik ben benieuwd of je nog steeds van mij kunt winnen?” antwoordde hij uitdagend.

“Ik ook, we zullen zien.” 

“Dag, lieve zus,” zei Marcus blij, “ben je nog wat wijzer geworden?”

Marika kuste haar oudste broer op zijn wang en gaf hem een knuffel. “Ja, maar daar wil ik het nu niet over hebben. Morgenvroeg praten we daar verder over, goed?” Ze zei het op een vraagtoon, maar verwachtte geen tegenspraak. Marika vond het fijn op kasteel Rozenhof en wilde met haar familie bijkletsen. “Is er nog iets gebeurd, sinds afgelopen maandag?” vroeg ze lachend.

Haar moeder vertelde wat er zoal was gebeurd en Marika genoot van haar verhalen. De oude gravin was een buitengewoon boeiend mens, vond ze. Daarom was haar vader met haar getrouwd.

Met een glas cognac in haar hand en met haar rug voor de open haard, keek Marika de kamer rond.

“Komt de rest van de familie ook nog?” vroeg ze.

“Ik denk het niet,” antwoordde Kim.

“Ze hebben het allemaal veel te…”

“Klaartje zou zondag toch langskomen?” viel Chris zijn moeder in de rede.

“Dat is waar ook, die had vliegles en zou daarna een kopje thee komen drinken. Ze zal het enig vinden, als ze ziet dat jij hier bent,” zei Kim, terwijl ze naar haar jongste zus keek.

Marika had het prima naar haar zin. Ze miste haar familie weleens. Niet iedereen, maar met Chris en belle en de tweeling van Marcus kon ze het goed vinden. Haar broer Philip zag ze niet zo vaak, maar aan de telefoon hadden ze meestal de grootse lol.

Het haardvuur werd nog eens flink opgestookt en er werd volop gekletst.

“Ik ga naar bed,” zei Chris na een tijdje en hij gaapte uitgebreid. “Welterusten.”

De tiener werd een goede nactrust toegewenst en de rest vulde de glazen nog een keer. Pas na middernacht besloten ze te gaan slapen. Marika sprak met Marcus af om de volgende morgen om negen uur in de bibliotheek alles te bespreken.



Het was nog schemerig toen Marika uit haar bed stapte. Ze wilde een korte wandeling maken voor het ontbijt. Gekleed in joggingbroek en sweater rende ze de trap af naar beneden. Ze had heerlijk geslapen en wilde de dauwdruppels op haar gezicht voelen. De frisse buitenlucht van het Brabantse land was heel wat anders dan die van de Amsterdamse binnenstad. Marika opende de deur en liep over de binnenplaats het landgoed op. Heel rustig stapte ze over de velden en luisterde naar het gezang van de vogels.

Klokslag negen uur stond Marika in de bibliotheek. Ze had ontbeten en wilde Marcus verslag uitbrengen, maar haar broer was er nog niet. Ze liep terug naar de ontbijtkamer. “Is Marcus al gesignaleerd?” vroeg ze.

Gravin Henriëtte stond op en liep met een bezorgde blik naar haar dochter. “Kom,” zei ze. “Hij had begin van de week last van hevige hoofdpijn. Misschien is het teruggekomen.”

Zwijgend liep Marika achter haar moeder aan de trap op. Bij de kamer van Marcus stopten de vrouwen.

Voorzichtig opende Henriëtte de deur en gluurde naar binnen. “Marcus?”

Er kwam geen antwoord en de twee liepen naar binnen. Zijn bed was leeg en koud. Hij moest al een poos wakker zijn. Maar waar was hij dan in vredesnaam?

“Goedemorgen...” hijgde Marcus en kwam al joggend zijn kamer oplopen. “Waren jullie mij kwijt?”

“We maakten ons zorgen, omdat je nog niet aan het ontbijt was verschenen. En omdat je je laatst niet zo goed voelde...”

“Er is echt niks aan de hand,” antwoordde hij lachend. “Ik heb me lange tijd niet zo goed gevoeld als nu. Ik ben zelfs bijna het hele landgoed rondgelopen.”

“Was je onze afspraak dan vergeten?” vroeg Marika verbaasd. Het was niets voor Marcus om zijn afspraken niet na te komen. Daarom had hij de leiding over het familiebedrijf gekregen.

“Nee, helemaal niet, zus. Maar het lopen ging zo lekker, dat ik dacht dat een uurtje later niet zou uitmaken. Het is tenslotte weekend, nietwaar?”

Daar was niks tegenin te brengen.

“Met jullie goedvinden, duik ik snel onder de douche. Ik ben met een kwartier beneden.” Marcus liep naar de badkamer die aan zijn kamer lag, draaide de kraan open en begon zich te ontkleden. 

Henriëtte en dochter gingen gerustgesteld naar beneden.

In de ontbijtkamer zat Pieter nog steeds zijn zaterdagkrant door te nemen. Hij keek op toen de dames binnenkwamen. “En, hebben jullie hem gevonden?” Hij wist het antwoord al, want door de open deuren van de ontbijtkamer had hij zijn oudste zoon langs zien komen. Bezweet en goed gehumeurd had hij zijn vader gedag gezegd.

“Ja, hij was al naar buiten voordat iemand hem had gezien. Ik weet niet waar die jongen zijn energie vandaan haalt,” zei Henriëtte hoofdschuddend. “Hij is toch al vijfenveertig. Hij zou het wat rustiger aan moeten doen. Zeker met die hoofdpijn van hem de laaste tijd. Ik maak me toch weleens zorgen om hem.”

“Ach, moeder,” zei Marika, “nog een paar dagen en zijn dochters zijn weer thuis. Die letten goed op hun vader, dat weet je.” Met die wijze woorden verliet ze de ontbijtkamer en ging naar de bibliotheek. Ze nam plaats aan de grote leestafel en pakte haar werkmap erbij. Ze had veel ontdekt, maar nog niet de feiten die haar broer zocht.

Ze stalde haar papieren uit en las ze nogmaals door. Ze werd opgeschrikt door een kuchje. Ze keek op en zag haar broer in de deuropening staan. Twee kopjes koffie had hij in zijn handen.

“Ik dacht, daar heeft mijn zusje vast wel zin in.” Hij zette de kopjes op tafel en nam een stoel naast Marika. Nieuwsgierig keek hij naar alle velletjes papier die uitgestald lagen. “Heb je dit allemaal ontdekt?” vroeg hij verrast.

“Dit is nog niet alles,” verzekerde Marika hem. “Het is het begin van een lange weg. Ik heb het vermoeden dat dit bedrijf een dekmantel is.”

“O, hoe kom je daarbij?”

“Kijk,” vervolgde Marika, “het is vreemd dat de firma HighProducts telefonisch slecht bereikbaar is. Tenminste op de gewone vaste lijn. Ik ben via een mobielnummer bij Hans Broekmans terechtgekomen. Dat is toch de man die met jou heeft gesproken?”

Marcus knikte.

“Toen ik hem natrok, kon ik niks vinden. Zijn naam komt nergens in officiële stukken naar voren. Dus de rol van deze man is uiters verdacht.”

“En?” vroeg Marcus.

“Toen ik in de databank van de politie keek, vond ik hem. Die kerel is niet pluis, hij heeft een strafblad van hier tot ginder.”

“Waarvoor?”

“Hoofdzakelijk voor drugsgerelateerde vergrijpen,” antwoordde Marika. “Grote hoeveelheden wiet, geestverruimende middelen en de laatste aanklacht had iets met xtc te maken. Hij is voortvluchtig, daarom zal hij zo slecht bereikbaar zijn.”

“Indrukwekkende lijst! Maar die firma HighProducts, is daar verder niks van te vinden?”

“Nog niet, maar ik heb de hulp ingeroepen van een collega en die zit erbovenop. Met een beetje geluk krijgt hij meer boven tafel.”

“Nou,” pufte Marcus, “met dat bedrijf zal ik maar niet in zee gaan. Wat denk jij?”

“Dat lijkt me niet verstandig. Als je zijn producten gaat afnemen en doorverkoopen, dan ben je een dealer.”

“Wat nu?” vroeg Marcus. “hij heeft me beloofd een offerte te maken voor een gigantische klus. Hoe moet ik hem afschepen? Als hij uit de drugswereld komt, zal hij niet terugdeinzen voor geweld.”

“Laat hem maar met zijn offerte komen, misschien kunnen we hem pakken op zijn aanbod. Zodra hij één letter verkeerd op paier zet, is hij van mij. Dan maak ik hem met de grond gelijk.” Op een zelfverzekerde toon sprak Marika deze woorden.

“Nou zus, dat is duidelijke taal. Ik word bijna bang van je.”

“Wacht maar af tot we meer weten, ik hou je op de hoogte.”

Op dat moment kwam Chris binnen. “Hoe laat gaan we paardrijden?” vroeg hij. “Dan kan ik samen met Daniel de paarden zadelen en zo…”

Marika keek op haar horloge. “Geef me een half uur. Wij zijn hier zo klaar,” zei ze. “Daarna ga ik me boven verkleden en kom naar de stallen. Goed?”

De tiener was blij met deze korte termijn. Meestal moest hij een eeuwigheid wachten voordat er een iemand met hem meeging. Zijn oom Philip en tante Marika waren de enigen waar hij op kom rekenen. Alleen waren die niet zo vaak op het kasteel aanwezig. Meestal reed hij alleen een blokje om. Ver weg mocht hij van zijn moeder, want ze was bang dat hem iets zou overkomen. In het gezelschap van Daniel reed hij soms toch stiekem door het bos. Dat was hun geheim, want de paardenverzorger riskeerde daarmee zijn baan. Maar omdat hij Chris erg graag mocht, deed hij het af en toe toch.

Chris rende zo snel hij kon naar de stallen. Hij had zijn rijkleding direct aangetrokken toen hij uit bed was gestapt. “Hallo Daniel,” riep hij opgewekt, toen hij een paar minuten later in de stal rende. “Ik ga met tante Marika rijden, wil jij Pablo voor haar gereedmaken?” Dan doe ik mijn eigen paard wel.”

“Oké, baas,” lachte de paardenverzorger. Hij pakte het zadel van Marika en liep naar de box waar het wildste paard van de stal stond. “Hoho,” riep hij toen de hengst begon te steigeren.

Chris rende naar hem toe en giechelde om de capriolen die Daniel moest uithalen om Pablo te zadelen. Het was altijd een hele klus en het duurde langer dan bij ieder ander paard.

Ondertussen was Marika de stal binnengekomen en was achter haar neefje gaan staan. Ook zij had de grootste lol. 

“Zal ik het maar zelf doen?” bood ze lachend aan. Marika had medelijden met Daniel, hij was niet de enige die haar hengst niet in toom kon houden. Alleen zijzelf had echt de macht over de teugels. Alleen naar haar luisterde Pablo goed. Waarom wist niemand, het was gewoon een feit.

“Ja, graag,” antwoordde de paardenverzorger en hij vluchtte zowat de box uit. “Ga je gang!”

Marika ging naar haar paard toe en praatte op hem in. Hij werd meteen rustig en liet zich goed zadelen. 

Aan de teugels nam ze hem me naar buiten. Daar steeg ze op. “Kom Chris, we gaan.”

Maar de tiener was nog niet zover. Door het gevecht van Daniel met Pablo, had hij zijn eigen paard nog niet gezadeld. “Ogenblikje nog, ik ben bijna klaar,” riep hij vanuit de stal. En even later zat ook Chris bovenop zijn paard. “Waar gaan we heen?” vroeg hij.

“Dat zien we onderweg wel,” antwoordde Marika. Ze spoorde haar hengst aan en in een drafje vertrokken ze.

kasteel Rozenhof ademde een rustige sfeer uit. Graaf Pieter had een boek uitgezocht en zat in de bibliohteek bij het grote raam te lezen. Af en toe keek hij naar buiten, als hij iets hoorde. Hij zag zijn jongste dochter Marika samen met zijn kleinzoon Chris richting bos rijden. Hij knikte goedkeurend. Die tiener had weer een speelkameraadje voor dit weekend. Het leeftijdsverschil was groot, maar ze konden goed met elkaar overweg, dat daar geen probleem van werd gemaakt.

Gravin Henriëtte hield zich bezig met het menu voor de komende dagen. Samen met Joost en de rest van het keukenpersoneel besprak ze haar wensen.

Kokkin Enith was een struise vrouw van in de vijftig en ze kon toveren met haar pannen. Het maakte haar niet uit wat ze klaar moest maken. Met haar jarenlange ervaring en creatieve geest, lukte het haar altijd.

Gravin Kim was samen met haar echtgenoot naar de countryclub vertrokken. Nu Marika met hun zzon Chris weg was, konden zij ook gerust even weg. Johan had meerdere malen bij zijn vrouw aangedrongen, weer eens samen iets te gaan ondernemen. Maar elke keer kwam er weer iets tussen. Nu was het dan eindelijk zover. Ze wilden de hele dag wegblijven en aten wat op de club. Nieuwe relaties opdoen en oude relaties onderhouden, dat was de bedoeling van deze dag. 

Marcus Rozenhof had zich teruggetrokken op zijn kamer. Plotseling had een vreemd gevoel hem overmand. Of dat nu lag aan de informatie die hij zojuist van zijn zus had ontvangen, of aan iets anders, dat wist hij niet. Zijn hart ging als een razende tekeer en bonkte tegen zijn borstkas. Het zweet liep langs zijn gezicht en hij had het koud. Wat was er toch met hem aan de hand?

Dit weekend zou hij het rustig aan doen. Hij wilde fit zijn als zijn twee dochters maandag weer thuiskwamen. Vol met avontuurlijke verhalen zou de tweeling al zijn aandacht voor zich opeisen.

Marcus liet zich op bed vallen en sloot zijn ogen. Even later opende hij ze weer en de wereld tolde om hem heen. Vergde hij te veel van zijn lichaam de laatste tijd? Of was het een onderdrukte griep? Hij had geen zin om in zijn bed te moeten liggen. Hij was nooit ziek, dat kon hij zich niet veroorloven. Hij greep naar het potje pillen dat hij op zijn nachtkastje had gezet, nam een handvol en stopte ze in zijn mond. In de badkamer liet hij een glas water vollopen en spoelde de pillen weg, met een paar flinke slokken.

Even later ging zijn hart weer regelmatig kloppen en stopte hij met transpireren. Hij voelde zich weer goed.

Het weekend verliep rustig en na het gezamenlijk ontbijt op maandagochtend, ging iedereen weer zijn eigen weg.



Anne en Fleur kwamen al giechelend het kantoor van hun vader binnen. “Dag pa,” zeiden ze in koor, “heb je je een beetje vermaakt zonder ons?”

Het was rond het middaguur. Marcus keek zijn twee lieve dochters aan en zette een zielig gezicht op. “Ik heb jullie enorm gemist,” zei hij treurig.

De tweelingzusjes renden op hem af en gaven hem een dikke knuffel. “Wij jou ook wel, hoor.”

“Oké, hebben jullie honger?” vroeg Marcus.

Anne en Fleur knikten.

“Dan gaan we nu lunchen,” zei hij resoluut.

“Jippie! Gaan we naar die ene bistro op de hoek van de markt?”

“Ja, hoor, dat vind ik prima.” Marcus meldde zijn secretaresse dat hij de rest van de middag met zijn dochters zou doorbrengen.

De jonge vrouw wenste hem veel plezier. “Tot morgen dan maar?”

In de bistro was het spitsuur. Dat was het nadeel van zomaar een eettent binnenlopen. Wanneer ze naar één van de clubs gingen waar ze lid van waren, konden ze zo gaan zitten en werden ze op hun wenken bediend. Nu moesten ze maar afwachten of er een plaats vrij kwam. De drieëntwintigjarige tweeling tuurde om zich heen. 

“Daar,” riep Fleur, “daar is nog een plekje vrij.” Ze rende naar de tafel en gebaarde haar zus en vader hetzelfde te doen.

“Ik moet eerst even naar het toilet,” zei Marcus tegen Anne, “ga jij maar vast en bestel voor mij maar wat lekkers. Ik ben zo terug…”

Anne vergezelde haar zus en ze bestudeerden de menukaartjes die op tafel stonden.

“Ik lust wel een uiensoep,” zei Fleur.

“En ik een tomatensoep.” Anne fronste haar voorhoofd. “Wat zullen we voor vader bestellen?”

“Broodje gezond,” zeiden ze bijna tegelijk.

Het meisje van de bediening kwam hun bestelling opnemen en vertrok weer.

Na een minuut of twintig was Marcus nog niet teruggekomen. Zijn dochters begonnen zich ongerust te maken. Normaal gesproken deed hij niet zo lang over een bezoek aan het toilet.

Fleur stond op en liep richting het herentoilet. Net toen ze de deur wilde openen, stapte haar vader naar buiten.

“Hé, hallo,” zei Fleur verbaasd, “we dachten dat je verdwaald was.”

Marcus kneep zijn ogen tot spleetjes. “Sorry,” zei hij, “ik voelde een hevige hoofdpijn opkomen. Maar nu gaat het wel weer.”

Samen liepen ze terug naar het tafeltje waar Anne was blijven wachten. En er werd verder geen aandacht aan geschonken aan het lange toiletbezoek van Marcus.

Wat Marcus niet verteld had, was dat hij zes pilletjes had genomen in het herentoilet en dat het even duurde voordat ze werkten. En dat hij daarom zo lang wegbleef.

De gerechten warén geserveerd en ze konden direct aanvallen.

“We hebben voor jou een broodje gezond besteld,” zei Fleur met een ondeugende blik in haar ogen.

“Ja,” vervolgde haar zus, “we vonden dat je er maar pips uitzag, daarom wilden we je deze gezonde dosis vitaminen laten eten.”

Marcus lachte lauwtjes en nam een flinke hap. Hij had twee lieve dochters die zich om hem bekommerden. Waarom vertelde hij dan niet van de pillen? Zijn gedachten dwaalden af.

“Pa?,” zei Fleur, terwijl ze hem aanstootte. “Pa, luister je wel?”

Marcus schrok op, hij had geen woord gehoord. “Wat?” vroeg hij.

Twee paar bezorgde ogen keken hem aan.

“Is alles in orde?” vroeg Anne.

“Ja, ja, niks aan de hand, ik ben alleen wat moe en die vervelende hoofdpijn...”

“Heb je je al laten onderzoeken door de arts?” wilde Fleur weten.

“Dat is nergens voor nodig,” sputterde Marcus tegen, “het gaat telkens vanzelf weer over. Het is alleen erg vermoeiend soms.”

“Je moet het zelf weten, maar ik was allang naar de dokter gegaan.”

Met die wijze woorden lieten ze het onderwerp rusten.

Marcus probeerde zijn aandacht erbij te houden. Met vlagen ving hij de woorden van zijn dochters op. Genoeg om het gesprek globaal te kunnen volgen. Af en toe een glimlach en een knikje was voldoende om de tweeling te laten merken dat hij luisterde.

“Zullen we gaan?” vroeg Anne opeens en stond op.

Fleur en Marcus volgden haar voorbeeld. De rekening werd betaald en in de Jaguar reden ze naar huis. Onderweg kakelden de twee meiden onafgebroken. Toen ze thuiskwamen, pakten Fleur en Anne hun spulletjes van afgelopen week uit de auto en liepen achter hun vader aan de woning binnen.

“Home sweet home,” zuchtte Fleur en liep direct door naar boven. Anne volgde haar voorbeeld.

Marcus pakte de post en ging die in zijn werkkamer doornemen. Hij was een week weggeweest, net als zijn dochters. Een week post doornemen en opbergen, daar was hij de rest van de middag zoet mee. Vanaf de volgende dag zou hij weer hele dagen op het hoofdkantoor zijn. Dan zou het er niet meer van komen. Een voor een opende hij de enveloppen en las de inhoud. Hij maakte drie stapeltjes: archief, rekeningen en afval.

Ondertussen was Anne naar beneden gekomen en had een grote pot thee gezet. Ze kwam de werkkamer van haar vader binnen, zette een grote mok voor hem neer en ging tegenover hem in een stoel zitten. “Gaat het echt wel goed met je?” vroeg ze bezorgd. “Je ziet er afgemat uit.”

“Ik heb een zware week achter de rug,” antwoordde hij. “En er lopen wat onderzoeken op de zaak, waar ik verantwoordelijk voor ben.”

“O?” zei Anne nieuwsgierig. “Wat voor een onderzoeken?”

“Dat ga ik je niet allemaal uitleggen, maar ga er voor het gemak maar vanuit dat het ernstig is. Ik heb zelfs de hulp van Marika ingeroepen.”

Nu werd de nieuwsgierigheid van Anne alleen nog maar groter, “Kan ik haar daarbij helpen?” vroeg ze.

Marcus schudde zijn hoofd. “Nee, dat lijkt me niet verstandig.”

“Maar vader...”

“Niks te vader,” herhaalde hij. “Het is een raar bedrijf waar we het hier over hebben. Daar kun jij met je communicatieve vaardigheden niks aan toevoegen. En daarbij komt nog, dat het gevaarlijk kan zijn.”

“Goed,” zuchtte ze, “maar ik heb het aangeboden. Dus mocht je alsnog hulp nodig hebben, of Marika, dan ben ik beschikbaar.” Ze stond op en liet haar vader zijn post rustig doornemen zonder hem verder te storen.

Voordat ze die avond naar bed gingen, hadden ze nog gezellig zitten te babbelen onder het genot van een glaasje wijn. De volgende ochtend moesten de meiden weer naar de universiteit. Dan was het gedaan met het vakantiegevoel.

Vroeg in de ochtend zaten ze weer aan tafel. Vader zette de koffie en zijn dochters dekten de tafel. Met slaperige ogen nuttigden ze het ontbijt.

“Gaan we zo nog joggen?” vroeg Anne.

“Heb vandaag niet zoveel zin,” antwoordde Fleur.

Hun vader haalde zijn schouders op. “Zullen we het morgen weer oppikken?” stelde hij voor.

Zijn dochters knikten instemmend.

“Heb je eigenlijk afgelopen week nog gelopen?” wilde Anne weten. Nieuwsgierig wachtte ze op antwoord.

“Natuurlijk!” reageerde haar vader verontwaardigd. “Wat dachten jullie dan? Dachten jullie werkelijk dat ik dit goddelijke lichaam kon behouden door alleen maar binnen te zitten?”

Die spottende woorden hadden zijn dochters eerder uitgesproken. Toen ze hem hadden overgehaald om samen met hen elke ochtend te gaan joggen. Ze hadden overtuigend geklonken en ze hadden gelijk.

“Ik heb op kasteel Rozenhof elke dag gelopen. Een keer zelfs twee keer zover dan normaal!”

“Toe maar,” antwoordde Anne spottend, “dus nu hebben we moeite om onze vader bij te houden?”

“Wacht morgen maar af.”

Er werd gelachen aan de tafel en vader en dochters aten hun ontbijt met smaak op. Nadat de tweeling een lunchpakketje hadden gemaakt, verlieten ze gezamenlijk het pand.

“Ik zet jullie wel af,” bood vader aan.

“Dat hoeft niet, we fietsen liever. Tot vanavond.” De twee meisjes zwaaiden naar hun vader, stapten op hun fiets en reden de straat uit.

Marcus ging alleen in de auto naar kantoor. Onderweg kreeg hij weer zo'n aanval met hartkloppingen en enorme transpiratie. Hij parkeerde zijn Jaguar aan de kant van de weg en stapte uit. De frisse lucht deed hem goed. Hij haalde een paar keer diep adem en stapte weer in zijn auto.

In het dashboardkastje grabbelde hij naar het potje pillen. “Waar heb ik ze toch gelaten?” riep hij zenuwachtig. “Ah, hier zijn ze.” Hij nam een handvol en zakte terug in zijn stoel. Hij verloor het bewustzijn.

Een bezorgde voorbijganger alarmeerde de hulpdiensten. De ambulance was snel ter plaatse en nam Marcus mee naar het ziekenhuis. Enige tijd later werd hij naar de hartbewaking gebracht. Niemand wist precies wat er aan de hand was en hoe deze man heette.

Een sleepwagen bracht de Jaguar naar het politiebureau waar de auto werd onderzocht. Daar bleek dat de nog onbekende man graaf Marcus Rozenhof was. Meteen kwam het politieapparaat in actie en werd de familie geïnformeerd.

De ouders van Marcus, Pieter en Henriëtte Rozenhof, waren enorm geschrokken en haastten zich naar het ziekenhuis, zonder een idee te hebben wat er precies met hun oudste zoon aan de hand was. De politieman had gemeld dat hij onwel was geworden. Maar hoe ernstig het was, wist hij hen niet te vertellen. Henriëtte dacht direct aan de hoofdpijnen van haar oudste zoon. Ze begon het ergste te vermoeden, maar sprak dat vermoeden niet hardop uit.

In het ziekenhuis werden ze opgevangen door de behandelend arts. Hij bracht hen naar Marcus. Met tranen in haar ogen keek Henriëtte naar haar zoon. Hij was nog steeds niet bijgekomen. En lag daar op het bed met op zijn borst plakkertjes die zijn hartslag opnamen.

“Wat is er gebeurd?” vroeg Henriëtte.

“We weten het niet precies,” antwoordde de arts. “Hij heeft een vreemde stof in zijn bloed zitten, die bij ons onbekend is.”

Voordat de arts verder kon praten ging zijn pieper af. “Heeft u een ogenblikje?” vroeg hij en liep naar de telefoon bij de balie.

Stomverbaasd bleven Pieter en Henriëtte naar hun zoon staren. Door het raam van de kamer zagen ze hem liggen.

“De politie heeft een potje pillen is de auto gevonden,” zei de arts toen hij even later terugkwam. “Het komt hier meteen naartoe en dan kunnen we onderzoeken of die pillen iets met zijn toestand te maken hebben. Voor de zekerheid zullen we nu eerst zijn maag gaan leegpompen. Voor het geval hij er te veel van heeft genomen. Mag ik u een paar vragen stellen?”

Het oudere echtpaar knikte.

“Slikt uw zoon allang deze pillen?” vroeg hij.

“We wisten niet eens dat hij medicijnen had,” antwoordde Henriëtte verontwaardigd.

“Heeft u de laatste tijd iets gemerkt aan uw zoon? Heeft hij klachten of gedraagt hij zich anders?

Ariton stootte zijn vrouw aan. “Had hij de laatste tijd niet last van hevige hoofdpijn?” vroeg hij haar.

Henriëtte knikte. “Ja, dat is een tijdje geleden begonnen. Ik dacht dat het over was. Hij was in het weekend zo vrolijk en vol energie.”

“Dank u wel,” zei de dokter beleefd, “misschien hebben we daar iets aan. Het wachten is nu op de pillen. Dan weten we snel waar ze voor zijn en kunnen we hem verder gaan behandelen.”

Weer ging de pieper. De arts ve ontschuldigde zich nogmaals en kwam even later terug. “De pillen zijn gearriveerd,” zei hij. “Ik ga ze direct naar het laboratorium brengen en onderzoeken.”

Marcus werd meegenomen door twee verpleegkundigen en even later was zijn maag leeggepompt. Het werd toen duidelijk dat hij inderdaad veel pillen tegelijk had ingenomen. Terug op zijn kamer werd hij aan de hartbewaking gelegd en was het een kwestie van tijd dat hij bij zou komen.

Pieter en Henriëtte concentreerden zich op hun zoon. Marcus lag er bij als een zielig hoopje mens. Zo hadden ze hem nog nooit gezien.

Henriëtte ging aan zijn bed zitten en pakte zijn hand. Ze begon zacht tegen hem te praten. Pieter hield wat afstand en gaf zijn echtgenote alle ruimte om alleen met haar zoon te zijn.

“Vader, Vader?” klonk het door de ziekenhuisgang. “Waar is vader?”

Met tranen in hun ogen renden Fleur en Anne op hun opa af. “Wat is er gebeurd?” vroegen ze snikkend.

Pieter had daar geen antwoord op en haalde zijn schouders op. Hij knikte in de richting van zijn vrouw. En de meisjes keken die kant op. Ze schrokken van wat ze zagen.

“Mogen we bij hem?” vroegen ze.

“Ik denk het wel,” antwoordde hun opa, “als jullie maar rustig doen.”

De tweeling liep aarzelend de kamer op. Ze keken hun oma aan en zagen dat ook zij huilde. Woorden schoten tekort en met een waterige glimlach keek Henriëtte haar kleindochters aan.

“Wat gaat er nu gebeuren?” kreeg Fleur nog net over haar lippen.

Antwoord kreeg ze niet. Ze zag het grote verdriet van haar oma en zwijgend ging ze zitten.

Anne kreeg het te kwaad. Ze dacht aan haar moeder, die enkele jaren daarvoor was gestorven. Ze was bang, bang voor de toekomst.

Oma had het in de gaten en stond op om haar plaats aan het meisje af te staan. “Ga maar naast hem zitten en hou zijn hand stevig vast. Dan komt het allemaal goed.”

Ze deed wat haar oma zei en werd wat rustiger.

Henriëtte liep naar haar echtgenoot in de gang en viel hem in de armen. “Rustig maar, meisje,” suste hij. “Marcus komt hier wel weer bovenop.”

Een onzekere tijd van wachten brak aan.



Marika Rozenhof zat inmiddels bovenop de firma HighProducts. Haar vriend en collega Martijn Schoonhoven kwam langs om haar te assisteren. Hij kende Marika nog van de universiteit en na hun afstuderen hadden ze contact gehouden. 

Ze ontmoetten elkaar regelmatig in de vele kroegjes van de Amsterdamse binnenstad. Ze hadden geen relatie, maar een hechte vriendschap.

Marika was in kleermakerszit op de grond gaan zitten. Zo had ze een goed overzicht op de stapels papier. Over de hele vloer lagen ze verspreid. Veel onbruikbare informatie had ze aan de ene kant gelegd. De interessante informatie lag voor haar neus.Marika bladerde erdoorheen, toen de deur openging. Ze keek op en zag haar collega-jurist binnenkomen. 

“Je moet je deur afsluiten,” zei hij vriendelijk. “Voor hetzelfde geld komen er enge mannen binnen, die je wat aandoen.”

Marika trok een wenkbrauw omhoog. “Ik vind het ook leuk om jou weer te zien.” Ze stond op en gaf Martijn een vriendschappelijke kus.

“Heb je er zin in?” vroeg ze.

Martijn keek verbaasd naar alle papieren. “Hoort dat allemaal bij die ene zaak?”

Marika knikte.

“Dan snap ik waarom je mijn hulp hebt ingeroepen. Laten we snel beginnen.” Pieree trok zjn jas uit en hing die over een stoel.

Net toen Marika hem wilde inwerken, ging de telefoon.

“Marika Rozenhof.” Aandachtig luisterde ze naar wat haar werd verteld. Ze zweeg en een schok ging door haar heen. “Ik begrijp het,” zei ze. “Dank u voor de informatie.” Ze legde neer en schakelde het toestel door naar de secretariaatsservice. 

“Wie was dat?” vroeg Martijn, toen hij zag dat Marika aangeslagen tegen haar bureau leunde.

“Dat was mijn vader,” antwoordde ze.

“Wat is er gebeurd?”

“Mijn broer ligt in het ziekenhuis,” stamelde ze. “De artsen weten nog niet wat er met hem aan de hand is. Maar vader zei iets over pillen.”

“Pillen?” herhaalde Pieree. “Wat voor pillen?”

Marika schudde afwezig haar hoofd. “Geen idee.”

“Zullen we dan snel aan de slag gaan? Misschien ontdekken we iets dat daarmee te maken heeft.”

“Goed, ik kan em nu druk maken om mijn broer, maar daar heeft hij op dit moemnt niks aan. Je hebt gelijk, laten we in deze materie duiken.”

Beide juristen kropen over de vloer en zochten door de papieren.

Marika vertelde wat ze dusver te weten was gekomen. Martijn luisterde aandachtig. Hij wilde haar helpen, deze akelige duistere zaak op te lossen.

“Zal ik die Hans Broekmans eens aan de tand gaan voelen?” bood Martijn aan. 

“Die heb ik al gesproken en veel wijzer ben ik daar niet van geworden.”

“Maar ik kan me voordoen als koper, dan zal hij wel toehappen.”

Martijn dacht na. “We willen toch weten wat of wie hierachter zit?”

Marika knikte.

“Dan zullen we enig risico moeten nemen. Zodra we weten in welke richting we verder moeten zoeken, hebben we in elk geval iets. Nu zoeken we in de wilde weg naar het onbekende.”

“Je hebt gelijk, we moeten een aanknopingspunt hebben.”

“Waar is het telefoonnummer van de kerel?” vroeg Martijn. “Dan probeer ik meteen een afspraak met hem te maken.” Hij pakte zijn eigen mobiele telefoon en toetste de tien cijfers in, die Marika opnoemde.”

Hans Broekmans vermoedde niks, maar wilde over de telefoon niet veel informatie kwijt. Ze maakten een afspraak voor later op de middag.

“Ben je voorzichtig?” zei Marika, toen Martijn een aantal uren later haar kantoor verliet om naar de afgesproken plek te gaan.

“Dat beloof ik, maar mocht ik over drie uur niet terug zijn, dan mag je de politie bellen,” zei hij lachend.

“Dat zijn geen grapjes!” reageerde Marika boos. “Als je dat maar weet!”

Martijn vertrok.

Marika ruimde de paperassen op en borg ze op in haar aktetas. Alleen de belangrijke papieren nam ze mee naar boven, de rest bleef op kantoor. Ze sloot af en ging naar het woongedeelte. Nu moest ze wachten op Martijn. 

Ze ging naar de keuken en maakte een boterham klaar. Meer honger had ze niet. Met een bord en een glas melk ging ze in de kamer zitten. Bij het raam, want dan kon ze hem aan zien komen.

Anderhalf uur later zag ze hem. Ze rende naar beneden en liep hem tegemoet op straat. “En?” vroeg ze. 

“Laten we snel naar binnen gaan,” zei Martijn dwingend, dan vertel ik je alles, maar niet hier op straat.”

Nieuwsgierig ging Marika hem voor. In de woonkamer vroeg ze nog eens: “En, wat weet je nu? Heeft hij gepraat?” Ze stond op springen van nieuwsgierigheid. 

“Ga rustig zitten,” zei Martijn kalm.

Marika gehoorzaamde en keek hem vragen aan. “Vertel…”

Martijn ijsbeerde door de kamer. Hij wist niet waar hij moest beginnen.

“Luister,” begon hij uiteindelijk, “wat ik nu ga zeggen, zal je zwaar vallen.” Hij keek haar nu strak aan.

“Hoezo?”

“Volgens Hans Broekmans doet hij ook zaken met de familie Rozenhof.

“Wat?” riep Marika verbaasd.

“Dat waren zijn woorden. Hij vertelde dat op mijn verzoek om referenties. Hans Broekmans meldde dat zijn opdrachtgever daar enorm tevreden was over zijn producten. Ik kreeg zelfs twee namen van hem om navraag te doen.”

“Wie zijn het?” riep Marika gespannen.

“Ik weet niet of ik je deze namen moet noemen,” sprak Martijn aarzelend.

“Ik wil verdomme weten welke randdebielen het lef hebben om mijn familie in diskrediet te brengen. Rozenhofs zijn lastig, maar leveren eerlijke producten, dat is hun reputatie. Zodra individuen daarvan misbruik proberen te maken, liggen ze eruit!”

Martijn liet Marika uitrazen, voordat hij verderging. “Omdat je zo aandringt. Ik heb het nog niet gecontroleerd.”

“Geeft niet, dat doe ik zelf wel. Zeg me de namen, misschien ken ik de personen wel?”

“Jij kent ze, dat weet ik zeker. Het is je neef David.”

“Ja, en wie nog meer? Je had het over twee namen?”

“De andere is je broer Henry.”

Het werd even stil in de kamer.

Marika staarde Martijn verbijsterd aan. “Wat?” riep ze uiteindelijk toen ze enigszins van de schrik was bekomen. “Zei je ook dat Henry hierachter zit?”

Martijn knikte alleen maar.

“Dat geloof ik niet!” riep ze hoofschuddend. “Het zal wel weer een list zijn van de arme tak van de familie. Laatst zat David weer eens te vervelen. Ik zal hem eens bellen, die gast is niet te stoppen!” Marika greep de telefoon en toetste het nummer van David in.

“Graaf David Rozenhof,” hoorde ze zeggen.

“Ja, hier met Marika Rozenhof,” snauwde ze. “Waar ben je nu in hemelsnaam mee bezig?”

Het bleef stil aan de andere kant van de lijn.

“Hallo, ben je daar nog?”

“Marika, wat leuk dat je belt, wat is er?” vroeg David onnozel.

“Dat weet je maar al te goed,” zei ze kwaad. “En ik wil dat je ermee stopt. Is het niet voldoende dat Marcus in het ziekenhuis ligt? Als je niet snel toegeeft, dan stuur ik de politie op je af. Is dat begrepen?”

David snapte niks van de beschuldigingen aan zijn adres. Hij was gewend om de zondebok uit te hangen en gaf daarom toe. Misschien kon hij het nog ergens voor gebruiken.

“Oké, Marika, ik ben schuldig. Wat wil je dat ik nu doe?”

“Ik wil dat je mijn vader belt en je excuus aanbiedt,” brieste ze door de hoorn.

“Wat moet ik precies zeggen?” vroeg David.

“Dat je de pillen aan hebt gegeven onder valse voorwendselen en dat je er spijt van hebt.”

“Is dat alles?”

“Ja,” siste Marika.

“Afgesproken,” zei David, “ik zal morgenvroeg meteen bellen.”

Met die belofte was Marika een beetje opgelucht. Verbaasd was ze wel door de snelle bekentenis van David. Normaal gesproken moesten er meer dreigementen aan te pas komen om hem op zijn plaats te zetten. Ze vertrouwde het niet helemaal en zou morgen persoonlijk controleren of David zijn afspraak was nagekomen.

Het tweede telefoonnummer dat ze intoetste, was van Henry. Er nam niemand op en het antwoordapparaat wilde ze niet inspreken.

“Ik ga direct naar hem toe.”

“Doe dat nou niet. Je moet niet overhaast te werk gaan. Misschien zit er heel iets anders achter. Laten we eerst eens gaan informeren hoe betrouwbaar die Hans Broekmans is.”

“Niet dus, zo ver was ik al gekomen,” antwoordde Marika. “Mij gaat het nu om de firma HighProducts.”

“Het was trouwens een eng mannetje, die Hans Broekmans,” zei Martijn. “Wat dat betreft zou ik hem al niet vertrouwen om zijn uiterlijk. Ik weet dat dat fout is, maar lichaamstaal zegt erg veel Over iemand.”

“Heb je een vervolgafspraak gemaakt?”

“Nee, ik wilde eerst weten wat we met deze informatie aan moesten. Ik heb gezegd dat ik later nog contact met hem zou opnemen.”



Zoals bijna elke avond zat Henry te flikflooien met Rowena. Hij had haar volledig ingelicht over zijn plannetje en hoe het verder zou gaan.

Henry vertelde opgewonden dat zijn broer Marcus blind de pillen had aangenomen en gebruikt. Dat hij in het ziekenhuis was beland en dat zijn situatie stabiel was. Volgens de artsen had Marcus de verschijnselen van een overdosis drugs, maar niemand wilde geloven dat Marcus iets dergelijks gebruikte. Toch bewezen de pillen, die de politie in zijn auto had gevonden, het tegendeel. Een rel was ontstaan en de familieleden waren bij elkaar geroepen op kasteel Rozenhof. Ook Henry werd vriendelijk verzocht te verschijnen. Marika was de enige die ontbrak.

De oude graaf Pieter wilde een uitgebreid onderzoek starten. Hij wilde weten van wie die pillen afkomstig waren en hij verzocht deze hele situatie stil te houden voor de buitenwereld. Datzelfde had hij verzocht aan de politie en het ziekenhuispersoneel. Onder geen voorwaarde mocht uitlekken dat de hoogste baas van de Rozenhof Holding een 'junk' was, want zo zou het dan worden gebracht. Dat was de manier waarop de roddelpers schreef. Pieter wist dat uit ervaring. Vaak genoeg moest hij tegen ze vechten om een rectificatie te laten plaatsen, omdat ze weer eens over de schreef gingen en onwaarheden hadden gepubliceerd.

Henry had aangeboden de leiding van de firma voorlopig over te nemen, zolang zijn broer afwezig was. Dat was zijn uitgangspunt geweest om dit plan uit te werken. Hij wilde zich bewijzen en dat kon alleen door op de troon van de directeur te gaan zitten. Hij wilde laten zien dat ook hij de capaciteiten had om die hoge post te bezetten.

Maar zijn vader wilde daar niets van horen. “Ik neem het roer zelf over,” had hij geroepen. “Ik wil weten wat er gaande is en waar kan ik dan beter zitten dan op de hoogste functie in ons bedrijf?” Zijn hoofd liep daarbij rood aan en hij was duidelijk overmand door emoties. In de jaren dat hij het familiebedrijf runde, had hij veel meegemaakt, maar zoiets als dit nog nooit.

Henry was diep teleurgesteld, omdat hij niet het vertrouwen van zijn vader kreeg. Hij wilde zo graag op die stoel zitten, maar dat werd hem gewoon niet gegund. Nu zat hij op de bank met de mooie Rowena aan zijn zij. De jonge vrouw had geluisterd met een angstige blik. Ze kon niet geloven dat deze man tot zoiets in staat was. Rowena werd zelfs een beetje bang van Henry en kroop bij hem vandaan.

“Wat is er, liefje?” vroeg hij verbaasd.

“Hoe kun je zoiets doen?”

Henry leek verrast door haar vraag. “Hoe bedoel je?”

“Je familie, dat doe je toch niet binnen je eigen familie?”

Hij schudde zijn bolle hoofd. “Jij kunt je dat niet voorstellen. De vetes in mijn familie gaan al eeuwen terug in de tijd. Ik begrijp dat jij als gewone burger niet kunt snappen hoe het is om van adel te zijn. Elke dag weer moet ik knokken voor mijn voortbestaan. Als ik even niet oplet, zit weer iemand anders in mijn nek te hijgen. Dat is geen prettig gevoel. Kun je me nog volgen?”

Dat knokken begreep ze wel, ze was immers een kind van de straat, maar Rowena kon niet bevatten dat haar eigen familie zoiets zou doen. Ze wilde overschakelen naar een ander onderwerp. “Zullen we een borrel gaan drinken in de stad?”

“Leuk, dan ga ik daarna naar huis. Mijn vrouw gaat te veel vragen stellen over mijn late vergaderingen.”

Rowena was opgelucht dat hij niet de nacht met haar wilde doorbrengen. De angst die ze had gevoeld, had ze nooit eerder gekend. Ze moest oppassen voor deze kerel. Hij mocht dan wel van adel zijn en haar goed onderhouden, maar ze was liever arm en alleen dan doodsbang in een relatie.

Ze liepen naar de lift en stapten op de begane grond uit. De binnenstad was op loopafstand en al snel zaten ze in een klein kroegje.

Na twee glazen wijn rekende Henry af en begeleidde hij Rowena naar huis.

“Dag lieverd,” fluisterde hij, “mag ik morgen weer langskomen?”

“Morgen ben ik er niet,” zei ze snel.

“Overmorgen dan?”

“Bel me even van tevoren, dan spreken we iets af.”

Henry stapte in zijn Porsche en scheurde met piepende banden de straat uit.

Rowena haalde diep adem en ging naar boven. In haar penthouse keek ze eens goed rond. Ze voelde zich hier niet prettig en wilde met een vriendin praten. Rowena nam de telefoon en belde een vriendin.

Een uur later stond ze voor de deur van een vervallen villa aan de rand van de stad. De voordeur ging open en Rowena vloog haar vriendin in de armen.

“Wat is er met jou aan de hand?” vroeg die geschrokken.

“O, Sharon,” zuchtte ze, “ik maak er een puinhoop van.”

“Waarvan?”

“Van mijn hele leven,” antwoordde Rowena. “Is David weg?”

“Ja, hij moest vanavond terug naar de zaak. We zijn dus alleen,” verzekerde Sharon haar en trok haar mee naar binnen.

Ze hadden elkaar een hele poos niet gezien, dus wist ze niet wat er aan de hand was. Iets met een man, zoveel wist ze wel, maar het fijne wist ze er niet van.

“Ga zitten, meid,” zei Sharon tegen haar vriendin. “Borrel?”

Rowena knikte en snoot haar neus. “Het is niet té geloven,” zei ze. “Nu dacht ik dat ik een aardige, rijke kerel aan de haak had geslagen, blijkt het een enge familietiran te zijn.”

“Over wie heb je het?” vroeg Sharon nieuwsgierig en zette een groot glas rode port voor haar neer.

“Henry,” antwoordde ze. “De engerd. Ik ben zelfs bang voor hem geworden vanavond.”

Sharon wilde meer weten over deze man. Misschien konden ze er een slaatje uit slaan.

“De adellijke klootzak,” riep Rowena hard, “wie denkt hij wel dat hij is?” Ze keek op. “David heet met zijn achternaam toch Rozenhof?”

“Ja, hoezo?”

“Nou, die waar ik een relatie mee heb, is ook een Rozenhof. “Ze vertelde het hele verhaal in geuren en kleuren. Het luchtte op en ze was blij dat ze het kwijt was.

Er kwam een glimlach op het gezicht van Sharon.

“Wat zit jij stom te lachen?” zei Rowena verontwaardigd. “Het is helemaal niet grappig wat ik je net vertelde.”

“Dat weet ik wel, maar dit is een goed chantagemiddel.”

Rowena volgde haar vriendin nu niet meer.

“Jij vrijt met een onuitputtelijke geldbron, heb je dat niet door?”

Op dat moment kwam David binnen. “Hé Rowena, lange tijd niet gezien. Hoe gaat het? Zeker een rijke kerel aan de haak geslagen?”

Sharon maakte een sussend gebaar naar haar echtgenoot. “Mag ik het hem vertellen?” vroeg ze Rowena.

“Ja, waarom niet? Mijn leven is toch al een grote puinhoop.”

“Wat is er gebeurd?” David kwam bij de twee dames zitten en luisterde gretig naar wat zijn vrouw hem vertelde.

“Dat is ook toevallig!” riep hij, zodra Sharon was uitgesproken. “Ik had vanavond zijn zus Marika nog aan de telefoon.”

“Wat wilde die van jou?”

“Ze beschuldigde mij van zaken die ik niet gedaan heb. Ze was woedend. “ De ogen van David begonnen te glimmen. “Weet jij wat dit betekent?” vroeg hij aan zijn vrouw. “Dit betekent kassa!”

“Hoho,” kwam Rowena tussenbeide, “wat zijn jullie van plan?”

“Sharon en ik gaan jouw vriendje laten betalen. De familie geeft mij de schuld van de dingen die hij heeft gedaan. Ik vind het prima, zolang het ons maar wat oplevert.”

“Gaan jullie Henry chanteren?” fluisterde Rowena ongemakkelijk.

“Tien punten!” riepen Sharon en David tegelijk. “Jij blijft er verder buiten. Zolang je hem wilt zien, blijf je lekker in zijn luxe wereldje de madam uithangen. Ben je het zat of wordt het je te heet onder de voeten, dan kom je naar ons en deel je mee in de buit.”

“Daar moet ik even over nadenken,” antwoordde Rowena onzeker.

“Neem de tijd, wij gaan de voorbereidingen treffen. Ik heb Marika beloofd om de oude graaf te bellen en alles uit te leggen. Zodra ik dat gedaan heb, neem ik contact op met onze vriend Henry. Dan zal spoedig zijn geld als water bij ons binnenstormen.”

Rowena vertrok en liet het hele gesprek van zojuist tot zich doordringen. Ze zou er een nachtje over slapen, had ze gezegd.



De volgende ochtend was de oude graaf Pieter naar het hoofdkantoor gegaan. Hij was aan het bureau van zijn oudste zoon gaan zitten. Het voltallige kantoorpersoneel had hij ingelicht over de hele situatie, maar hij verzweeg de pillen en de woorden van de arts dat het om een overdosis ging.

Net toen iedereen weer op zijn plek zat, kwam er een telefoontje binnen.

“Firma Rozenhof, met de directeur spreekt u,” zei de oude graaf door de telefoon.

“Spreek ik met Pieter Rozenhof?”

“Wie is dit?” vroeg Pieter geïrriteerd. Niemand van buitenaf wist dat hij tijdelijk de plaats van zijn zoon had overgenomen. Hij was op zijn hoede.

“Hé, die Pieter, je spreekt met David.”

“Zit jij hierachter?” vroeg de oude graaf direct op de man af.

“Ik wil mijn excuus aanbieden,” zei David, “het is allemaal een beetje uit de hand gelopen. Het was niet de bedoeling dat Marcus in het ziekenhuis zou belanden.”

Pieter luisterde verbijsterd naar de man. Nu duidelijk was wie er achter dit drama zat, hoefde hij verder geen diepgaand onderzoek meer te starten. Hij was woedend en tevens opgelucht.

“Waarom vertel je me dit?”

“Mijn geweten speelde op,” antwoordde David. “Ik heb er spijt van en dat wilde ik je persoonlijk mededelen.”

“Goed,” zei de oude graaf, “voor deze keer vergeef ik je. Maar als je nog eens zoiets uitvreet, dan breek ik je tot vlak boven je enkels af. Is dat duidelijk?”

Die ferme woorden kwamen luid en duidelijk over. “Mag ik vragen hoe het met Marcus gaat?” vroeg David.

“Dat gaat je niks aan!” snauwde Pieter naar hem. “Ik hoop voor jou dat alles goed komt. Anders laat ik je alsnog oppakken en opsluiten. En neem van mij aan dat je straf niet mild zal zijn.” Dat waren zijn laatste woorden voordat hij de hoorn neerlegde.

Hij was nog niet op adem gekomen, of de telefoon ging weer.

“Ja, met wie?”

“Hallo vader,” zei Marika snel. “Is alles goed daar? Je klinkt nogal opgefokt?”

“Ja, meisje,” antwoordde Pieter. “Sorry, maar ik had zojuist David aan de telefoon. Weet je wat hij me vertelde?”

“Ja, dat weet ik! Ik was hem op het spoor gekomen en eiste van hem dat hij zijn excuus zou aanbieden, anders...”

“Dus hij belde in opdracht van jou?” vroeg Pieter.

Marika bevestigde dat en vertelde in het kort de geschiedenis. Niet alles meldde ze, want ze wilde haar vader niet belasten met informatie die nog niet nagetrokken was.

“Hoe gaat het met Marcus?” informeerde ze daarna voorzichtig.

“Het gaat al wat beter. Ze hebben zijn maag leeggepompt, maar hij is nog niet bij kennis geweest. Het onderzoek naar de samenstelling van de pillen loopt nog. De uitslag verwacht ik spoedig.”

“Ik kom vanavond naar jullie toe,” zei Marika, “dan praten we verder, goed?”

“Tot dan,” antwoordde haar vader en hing op.



Elders in het hoofdkantoor van de Rozenhof Holding zat Henry in een zware bespreking. “Ik weet niet waar je het over hebt?” snauwde hij door de telefoon.

“Dat weet je best,” riep David terug. “Jij speelt een vies spelletje met je bloedeigen broer,” zei hij. “Ik wil je geheimpje best bewaren, maar dat gaat je veel geld kosten.”

“Hoeveel wil je hebben?” vroeg hij met bevende stem. Hij wilde eigenlijk niet toegeven aan deze chantage, maar wat moest hij anders? Hij had zichzelf in een lastig pakket gebracht. Hij voelde zich in een hoek gedreven.

“Ik dacht aan een miljoen of twee.”

“Twee miljoen euro?” schreeuwde hij woedend.

“Of je betaalt of je gaat bloeden voor je eigen daden. Wat zal je vader hiervan zeggen? Kun je je daar iets bij voorstellen?”

Het zweet brak hem uit. Hij zat in een val. Hij kon niet weigeren, dat zou zijn ondergang betekenen. Zijn vader zou hem onterven en zijn leven zou geruïneerd worden.

“Akkoord,” antwoordde hij tenslotte.

“Brave jongen, ik bel je later voor een definitieve afspraak.”

Met de hoorn in zijn hand bleef hij een tijdje zitten. De verbinding was allang verbroken en hij besefte dat hij goed fout zat. Hij wilde weten wie er gepraat had, wie verantwoordelijk was voor dit verraad.

Henry legde de hoorn neer en verliet zijn kantoor. Hij ging naar het laboratorium, naar Bob. Hem verdacht hij als eerste. Alhoewel deze man niet het hele plan wist, moest hij het hem toch persoonlijk vragen.

Bob zag zijn baas al aankomen en liep automatisch naar de kamer waar ze hun eerste gesprek hadden gevoerd.

Henry sloot de deur achter zich en keek woedend naar de laborant. “Heb jij mij verraden?” riep hij kwaad.

“Nee, meneer,” stamelde Bob, “ik heb gedaan wat u vroeg en heb thuis het bewijs vernietigd. Ik heb er met niemand over gesproken, echt niet!”

Henry keek hem strak aan en geloofde hem. Deze man zweeg als het graf. Hij liet zich liever ontslaan dan dat hij dit geheim naar buiten zou brengen.

“Goed zo, ik hoop dat je zo wijs bent om dat zo te houden!” 

Henry liep weg en smeet de deur achter zich dicht.

Bob bleef angstig achter. Op deze manier wilde hij niet werken, maar hij had geen keus. Hij moest dit snel vergeten en doorgaan met zijn leven. Zijn werkzaamheden waren rijkelijk beloond, dus daarmee was het afgerond. Hij dwong zichzelf aan andere dingen te denken.

Even later zat Henry weer op zijn kantoor. Met zijn hoofd in zijn handen hing hij over zijn bureau. Hij wilde niet gestoord worden, had hij zijn secretaresse gezegd.

Toch ging zijn telefoon weer.

“Ik had toch gezegd dat ik met rust gelaten wilde worden!” snauwde hij.

Zijn secretaresse kende de nukken van haar baas, maar wennen deed ze er niet aan. “Het is uw zus, Marika Rozenhof,” zei ze snel. “Het is dringend!”

“Goed, verbindt haar maar door dan!”

“Dag broer,” begroette Marika hem, “alles goed?”

“Heb je nog niet gehoord van Marcus?” vroeg hij verbaasd.

“Jawel,” antwoordde ze, “en ik heb nog veel meer gehoord.”

“Wat dan?” wilde weten.

“Dat jij hier medeverantwoordelijk voor bent.”

Henry zweeg. Hoe kon zijn zus deze informatie nou hebben? Waar zat het lek? Hij moest ontkennen, anders zou het er voor hem niet goed uitzien. “Hoe kom je daar nu bij?” zei hij verontwaardigd.

“Ik ga vanavond naar vader en moeder,” zei ze. “Ik wil voordat ik naar het kasteel ga, even met je babbelen. Vind je dat goed?”

Henry kon niet weigeren en ze spraken een tijd af. Zijn hoofd stond strak en zijn schedel deed pijn. Hij wilde wegvluchten, maar moest deze nachtmerrie tot een goed eind zien te brengen.

De uren leken voorbij te kropen. Eindelijk was het dan zes uur en kon hij naar huis. Toen hij langs zijn secretaresse liep, hield zij hem aan.

“Dit is net voor u afgegeven door een koerier,” zei ze en gaf hem een envelop.

“Van wie is het?” vroeg hij.

“Geen idee,” antwoordde ze.

Henry nam de envelop aan en stopte hem in zijn binnenzak. Zonder zijn personeel te groeten verdween hij in de lift. Met zijn Porsche scheurde hij van het terrein af.

Hij ging niet naar huis, maar stopte bij het appartementencomplex waar Rowena woonde. Hij opende de deur met zijn sleutel, omdat ze had gezegd dat ze er niet zou zijn.

Toen hij boven kwam, bleek ze wel aanwezig te zijn.

“Moest jij niet weg vandaag?” vroeg Henry verbaasd.

Rowena schrok zich rot. Van alle mensen op de hele wereld was hij de laatste die ze nu wilde spreken. “Dag lieverd,” zei ze met een trilling in haar stem, “wat doe jij hier?”

Henry had niet in de gaten dat Rowena bang voor hem was. Hij zat met zijn eigen sores in zijn hoofd en plofte op de bank naast haar. “Ik wilde niet naar huis en ik dacht dat jij niet thuis was, dus...”

“Wil je alleen zijn?” vroeg ze.

“Ja, graag!”

Opgelucht pakte Rowena haar jas en vertrok uit het penthouse.

Henry nam de envelop die hij van zijn secretaresse had ontvangen en opende hem. “Wel heb ik ooit!” riep hij. “Hij laat er geen gras over groeien, zeg!”

Henry was nu buiten zinnen, want de brief was afkomstig van David. Hij eiste de twee miljoen op en wel de volgende ochtend. Hier had Henry nu geen zin in, hij wilde even zijn problemen vergeten. Henry ging languit op de bank liggen en schopte zijn schoenen uit. Hij sloot zijn ogen.



Marika stond precies op tijd op de afgesproken plaats. Martijn Schoonhoven vergezelde haar. Ze wachtten samen op Henry, die elk moment zou kunnen komen. 

“Weet je zeker dat je broer komt opdagen?” vroeg Martijn.

Ze knikte. “Hij zal wel moeten,” zei ze ijzig. “Als hij inderdaad schuldig is, zal hij iets willen regelen.”

De twee stonden wat te praten, toen Marika de auto van haar broer herkende. “Daar is hij!” riep ze en liep hem tegemoet.

Henry parkeerde zijn Porsche en stapte uit. “Hallo,” zei hij gemaakt vrolijk. “Wat is er allemaal aan de hand?”

“Dat weet jij drommels goed,” zei Marika nijdig. “Ga je mee naar binnen?”

“Wie is dat?” vroeg Henry en wees naar Martijn.

“Dat is mijn collega, hij heeft met Hans Broekmans gesproken,” zei ze kort.

Toen gingen er een heleboel bellen rinkelen bij. “Hans Broekmans?” vroeg hij verbaasd.

“Ja, die schijnt jou heel goed te kennen,” antwoordde Marika.

“Wat heeft hij over mij verteld?”

Het drietal ging een grand café binnen. Ze gingen aan een tafeltje zitten achterin de zaak.

Henry voelde zich niet op zijn gemak. Wat wilde zijn zus van hem?

Nadat er drankjes werden geserveerd, begon Marika te vertellen wat ze samen met Martijn had ontdekt.

“En jullie geloven die Hans Broekmans?” vroeg Henry wanhopig.

Martijn Schoonhoven knikte.

“Luister goed naar wat ik nu ga zeggen,” zei Marika streng. “Ik

weet dat je met jou manier van handelen niet veel vrienden maakt, maar dit had ik niet achter je gezocht.”

Henry liet zijn hoofd zakken en gaf toe. “Maar ik word gechanteerd,” stamelde hij. Hij haalde de brief uit zijn zak en gaf die aan zijn zus.

Zij las hem aandachtig en gaf hem daarna aan Martijn. “Ik heb begrepen dat het beter gaat met Marcus,” vervolgde Marika haar betoog. “Ik wil niet dat vader en moeder nog meer spanningen te verwerken krijgen. Is dat begrepen?”

“Hoezo?” vroeg Henry.

“Ik wil jou helpen op één voorwaarde.”

“En die is?”

“Jij gaat naar het politiebureau en doet aangifte van afpersing en chantage.”

“En hoe kom ik daar dan uit?” vroeg Henry geschrokken. Hij wilde zijn verhaal eigenlijk aan niemand kwijt en zeker niet aan de politie. Er waren al veel te veel mensen die ervan wisten.

“Als jij aangifte doet, zullen ze jou eerder geloven dan Hans Broekmans of David Rozenhof. Hans heeft een gigantisch strafblad en David staat in de boeken als wanbetaler en fraudeur. Wij moeten de kracht van onze familie gebruiken en ervoor zorgen dat er geen smet komt op het geslacht Rozenhof. Niet op onze kant van de familie.”

Martijn knikte goedkeurend. “Ik had het niet beter kunnen verwoorden,” zei hij.

“Wat denk je ervan?” vroeg Marika en keek haar broer aan.

Henry haalde zijn schouders op. “Ik zal niet anders kunnen,” antwoordde hij.

“Goed, dan gaan we nu naar het politiebureau en zet jij de eerste stap naar een goede afloop.”

Martijn rekende de drankjes af en ze vertrokken gezamenlijk in de richting van het bureau.

Marika stond erop om haar broer te assisteren. Ze had nog niet genoeg vertrouwen in Henry om hem alleen te laten gaan.

Het drietal stond al snel aan de balie van het politiebureau. Toen ze vertelden wat ze wilden, kwam de agent met de hoogste rang hen begroeten.

Samen met hem lieten ze zich opsluiten in een geluiddichte ruimte en Henry legde een verklaring af. Zijn woorden kwamen er moeizaam uit, maar met behulp van zijn zus en haar collega stond de aanklacht na een uur op papier.

Pas toen Marika en Martijn beiden het verhaal hadden doorgelezen, kon hij het document ondertekenen. De aanklacht was een feit en de politie zou het verder afhandelen. Opgelucht vertrokken ze richting kasteel Rozenhof.

David Rozenhof had 's middags meteen de belastinginspecteur gesproken en een afspraak met hem gemaakt. Hij had beloofd dat hij de volgende dag zijn totale achterstand zou betalen.

De heer Smit was verheugd, maar wilde het eerst zien, pas dan zou hij hem geloven. Al veel te vaak was deze ondernemer zijn afspraken niet nagekomen. Nu werd het tijd om de teugels aan te trekken.

's Avonds was het feest in de villa van David Rozenhof.

Sharon had een fles champagne opengetrokken en schonk drie glazen in. “Op onze eerste miljoenen,” riep ze opgetogen.

Haar echtgenoot grijnsde met heel zijn gezicht. Zijn magere gelaat rimpelde en zijn ogen glinsterden.

De derde persoon in de kamer had minder plezier. Rowena was uit haar huis gevlucht, toen Henry was komen binnenstormen. Ze was bang en durfde hem niet meer onder ogen te komen. Omdat haar vriendin haar had gezegd, dat ze altijd kon langskomen, had ze dat gedaan. Met het glas champagne in haar hand observeerde ze Sharon en haar man. Die dansten door de kamer en dronken het ene na het andere glas. Uiteindelijk vielen ze, na enkele uren, uitgeput op de bank.

“O, Rowena,” hijgde Sharon, “we hebben het nu voor elkaar. We zijn rijk!”

“Ja,” ging David verder, “allemaal dankzij dat vriendje van jou.”

“Jullie zijn slecht,” antwoordde Rowena. Ze stond op en wilde de villa verlaten. Ze opende de voordeur en schrok zich rot. Voor het huis stonden drie politiewagens. Snel sloot ze de deur en liep terug de kamer in. “De politie is hier!” schreeuwde ze hysterisch. “Ik ga de gevangenis in!”

“Rustig nou, het zal een misverstand zijn,” suste Sharon en ze probeerde haar vriendin tot kalmte te manen.

De bel klonk en David stond op om de agenten te vragen wat er aan de hand was. Hij opende de deur en wilde wat zeggen, maar daar kreeg hij de kans niet toe.

Vier mannen duwden hem de gang in tegen de muur. Zijn benen werden gespreid en zijn armen op zijn rug gedwongen. Hij werd in de boeien geslagen.

Vier andere agenten bestormden de woning.

In de woonkamer stonden Sharon en Rowena geschrbkken naast elkaar.

“Wat gebeurt hier?” riep Sharon hard. “Dit kunnen jullie niet maken. Wat is de aanklacht tegen mijn echtgenoot?”

Een van de agenten deed het woord. “U bent de vrouw van de ver- dachte?” vroeg hij streng.

Sharon knikte. “Wat gaan jullie met hem doen? Wat heeft hij gedaan?” schreeuwde ze.

“Uw man staat onder arrest. Hij wordt beschuldigd van afpersing en poging tot doodslag.”

“Nee,” riep ze, “dat kan niet, hij is onschuldig!”

Zonder pardon werd David afgevoerd en lieten de heren van de politie de twee vrouwen verward achter.

“Hoe kan dat nou?” vroeg Rowena haar vriendin. “Alles was toch geregeld?”

“Dus niet!” snauwde Sharon en richtte haar woedende blik op Rowena. “Heb jij gepraat met jouw meneer van adel?” vroeg ze cynisch.

“Nee, absoluut niet. Hij was zo boos vanavond, dat ik ben weggevlucht. Ik durf niet eens meer terug. Henry wilde alleen zijn. Hij zag eruit of hij spoken had gezien. Echt erg eng!”

“Oké, ik geloof je, maar wie heeft er dan gekletst? We moeten de poen nog krijgen, voordat de politie harde feiten heeft.”

“Hoe dan?” vroeg Rowena. De mooie, jonge vrouw wilde hier niks mee te maken hebben, maar ze zat er nu eenmaal tot over haar oren in. Ze kon niet meer terug. Ze moest mee in het complot, of ze wilde of niet. Zodra erachter zou komen dat ook zij haar aandeel had in deze zaak, stond ze op straat. Rowena had het geld nu net zo hard nodig als Sharon en David. 

“David zou morgen het geld ontvangen van Henry,” zei Sharon.

“Omdat hij nu is afgevoerd, moeten wij dat geld gaan halen.”

Rowena zweeg.

“Jou verdenkt hij niet, dus het lijkt me verstandig dat jij de koffer met geld gaat halen.”

“Maar hij kent me! Henry geeft dat geld nooit aan mij mee.”

“Dat doe je stiekem. Je jat de koffer, zodra hij even niet oplet.”

Het klonk als een strak plan, maar Rowena was bang. Ze wilde hem niet meer zien. Nu werd ze min of meer gedwongen om met hem te praten. Het zou een toevallige ontmoeting worden. David had op een publieke parkeerplaats afgesproken, dus daar was het heel goed mogelijk om een bekende tegen te komen. Rowena bleef die nacht bij haar vriendin slapen en stond met pijn in haar buik de volgende ochtend op. Een uitgebreide douche hielp haar daar niet vanaf.

Met lood in haar schoenen vertrok ze naar de afgesproken plaats.

Sharon volgde Rowena op veilige afstand met haar eigen auto. Zodra Rowena de koffer met geld van Henry had afgetroggeld, zou zij aan komen rijden, de deur voor haar opengooien en samen met het geld zouden ze danvluchten. Henry zou het nakijken hebben. Maar het liep anders. Op de afgesproken plek stond hij inderdaad te wachten met een koffer. Hij keek zoekend om zich heen. Hij had

Rowena niet aan zien komen en was duidelijk verrast.

“Wat doe jij hier nou?” vroeg hij verbaasd en keek schichtig om zich heen.

“Ik heb je gemist,” loog ze en kuste hem vol op zijn mond.

“Ik heb nu even geen tijd voor je,” zei Henry ongeduldig en duwde Rowena van zich af. “Ik heb een afspraak met iemand. Hij kan elk moment komen, dus als je het niet erg vind...” Hij gebaarde dat ze moest vertrekken.

Sharon volgde het tafereel van een afstand en het duurde haar allemaal te lang. Met een rotvaart reed ze op Henry in. Die schrok zo erg dat hij de koffer liet vallen.

“Grijp het geld!” schreeuwde ze naar Rowena. “Schiet op!”

Rowena greep de koffer beet en stapte snel bij haar vriendin in de auto. De twee scheurden naar de uitgang van het parkeerterrein,

Helaas voor de twee dames, stond de politie hen op te wachten. Gewone personenauto's met losse zwaailampen blokkeerden de uitgang.

“Verdomme,” gilde Sharon en gooide haar stuur om.

“Ik wil eruit,” schreeuwde Rowena, “ik ben bang, laat me eruit!” Ze was hysterisch geworden en sloeg op haar vriendin in.

“Trut, blijf nou rustig zitten. Zo kan ik toch niet rijden.” Sharon gaf haar een flinke duw. Daarbij ging het zijportier open en viel Rowena uit de rijdende auto. Het portier raakte daarbij haar hoofd, zodat ze bewusteloos bleef liggen.

Een aantal agenten rende naar de gewonde vrouw toe. Ze probeerden haar te reanimeren, maar het was te laat.

De politie wist Sharon in een fuik vast te rijden en overmeesterde haar. Ze bood enorme weerstand, maar tegen de vier agenten kon ze niet op. Over haar schouder zag ze Rowena liggen.

“Ze is overleden,” zei een van de agenten.

Maar dat deed Sharon niet veel. Ze was haar geld kwijt, dat vond ze veel erger. Een nieuwe vriendin kon ze overal vandaan halen. Twee miljoen euro lagen niet dagelijks voor het oprapen.

“De trut,” riep ze nog een keer en spuugde een agent recht in zijn gezicht, om haar frustratie te uiten.

Hardhandig werd ze afgevoerd en de koffer met geld werd geretourneerd aan Henry Rozenhof. Hij zat geknield naast het lichaam van Rowena. 

“Waarom?” fluisterde hij met tranen in zijn ogen. Met haar hand in die van hem nam hij voor de laatste keer afscheid van zijn dierbare minnares.

De lijkauto nam haar lichaam mee en Henry keek de auto met dubbele gevoelens na.

Een agent begeleidde hem naar zijn auto. “Komt u naar het bureau om dit gedeelte af te handelen?” vroeg hij.

Henry stapte in zijn Porsche en knikte afwezig. “Ik zal u volgen naar het bureau.”

Deze list was geslaagd. De politie had al vermoed dat de vrouw van David medeplichtig was. Daarom hadden ze Henry verzocht toch naar de afgesproken plek te gaan, om haar op heterdaad te betrappen.

De onaangename verrassing dat hij Rowena tegenkwam, viel hem zwaar. Op het politiebureau tekende hij de papieren en daarna mocht hij naar huis.

Marika had hem gevraagd naar kasteel Rozenhof te komen en enige uren later zat Henry naast zijn vader in de salon. Samen met Marika en Martijn spraken ze het volgende plan door. Henry vertelde wat de hoofdagent als vervolgactie had bedacht en dat zou de volgende dag gaan gebeuren.

Hans Broekmans was namelijk de volgende die verrast zou worden. Martijn Schoonhoven had een tweede afspraak met hem weten te maken en de volgende dag zou ook hij worden ingerekend.

Oude graaf Pieter luisterde met weerzin naar het verhaal dat zijn kinderen hem vertelden. Dat het geslacht Rozenhof in dit soort situaties kon komen, begreep hij niet.

Henry keek dankbaar naar zijn zus. “Ik ben blij dat je je hiermee hebt bemoeit.”

“Daar zijn we toch familie voor,” lachte ze.

De butler schonk de glazen nog eens vol en ze toostten op een goede afloop van die avond.

Henriëtte Rozenhof zat samen met Fleur en Anne aan het bed van Marcus. Hij was 's ochtends bij bewustzijn gekomen en voelde zich stukken beter. De conclusie die zijn behandelend arts had getrokken, was de enige juiste gebleken. Nadat zijn maag was leeggepompt, konden er geen nieuwe schadelijke stoffen uit de pillen meer in zijn bloedbaan komen. Als alles goed was, mocht hij, na een laatste test, nog dezelfde avond naar huis.

Henriëtte stond erop dat hij naar kasteel Rozenhof zou komen. Dan kon zij een oogje in het zeil houden. Fleur en Anne waren vanzelfsprekend ook van harte welkom.

De uitslag kwam en de test was positief uitgevallen. Dus mocht Marcus zijn spulletjes pakken en met zijn moeder en twee dochters het ziekenhuis verlaten.

Toen ze later op de avond op het kasteel aankwamen, was de voltallige familie aanwezig.

Graaf Pieter omhelsde zijn oudste zoon. “Fijn dat je weer in ons midden bent,” zei hij. Een traan liep daarbij over zijn wang.

Iedereen had hem begroet, alleen Henry nog niet. Hij stond wat onwennig naar zijn broer te staren. Pas toen Marcus hem wenkte, liep hij op hem af.

“Het spijt me, broer,” fluisterde hij, “ik wist niet goed wat ik deed.”

“Als je beloofd dat je in de toekomst dit soort geheimzinnige pillen beter laat controleren,” zei Marcus met een serieus gezicht.

“Dat beloof ik,” antwoordde Henry snel.

Daarmee was het ijs gebroken en kon de familie de draad weer oppakken.

Marcus zou nog een tijd last hebben van de effecten van de drogerende pillen, maar onherstelbare schade was er gelukkig niet ontstaan.



Martijn Schoonhoven verbleef op verzoek van Marika ook op kasteel Rozenhof. Hij was tenslotte degene die de laatste stap ging zetten om de familie te redden van de onderwereld. En dan bedoelde ze de criminele Hans Broekmans. Zijn bedrijf HighProducts lieten ze nog even met rust. Het was nu belangrijker om de verantwoordelijke persoon als eerste te pakken. Later, indien daar dan nog behoefte aan zou zijn, kon het bedrijf worden aangepakt. Waarschijnlijk was het een nepfirma met alle wettelijke papieren, maar zonder inhoud.

De nacht verliep rustig op kasteel Rozenhof.

Alleen Martijn was erg gespannen en draaide in zijn bed in het gastenverblijf. Hij wilde dolgraag zijn goede vriendin en collega helpen, maar hij had ook zijn bedenkingen over de man waar hij voor de volgende dag zijn tweede afspraak mee had gemaakt. Na veel woelen en vreemde gedachtespinsels was hij eindelijk toch in slaap gevallen.

De ochtend kwam snel en de hele familie zat aan de ontbijttafel.

“Is Martijn nog niet wakker?” vroeg Marika.

“Ik zal voor u gaan kijken,” antwoordde de butler.

Marika sprong op uit haar stoel. “Nee, Joost, laat mij maar!” Ze liep naar het gastenverblijf en klopte een paar keer op de deur. Ze hoorde geen reactie en opende de deur. Ze liep de kamer in en keek vertederd naar Martijn. Hij lag halfnaakt in een omgewoeld bed. Als ze niet beter zou weten, zou ze gedacht hebben dat hij de meest fantastische seks had gehad.

Martijn werd wakker van een geluid en keek met slaperige ogen de kamer rond. “Wie is daar?” vroeg hij met een slaapdronken stem.

“Ik ben het,” antwoordde Marika. “Kom je eruit?”

Zonder erbij na te denken, ging Martijn op de rand van zijn bed zitten. Hij wreef door zijn ogen en stond op.

Marika keek vol bewondering naar zijn lichaam. “Niet slecht,” zei ze.

Pas toen realiseerde Martijn zich dat hij in zijn nakie stond. De goedkeurende blik van Marika voelde hij over zijn hele lichaam gaan. Hij trok snel het laken van zijn bed en wikkelde dat om zich heen. Met rood aangelopen wangen verontschuldigde hij zich.

“Je hoeft je nergens voor te schamen, hoor,” probeerde Marika hem gerust te stellen.

Maar Martijn verdween in de badkamer zonder haar te antwoorden.

“We zijn met zijn allen in de ontbijtkamer!” riep Marika door de badkamerdeur. “We verwachten je daar.” Daarna liep ze terug om haar familie te vergezellen tijdens het ontbijt. Met een brede lach kwam ze de ontbijtkamer binnen.

“Wat is er zo leuk?” vroeg haar moeder nieuwsgierig.

“Niks, ik heb Martijn alleen maar gewekt en hij komt er zo aan.”

De moeder van Marika observeerde haar dochter en knikte goedkeurend. “Het is een leuke jongen,” zei ze. En als de oude gravin deze woorden sprak, had ze haar goedkeuring gegeven. Marika nam plaats aan de enorme tafel en at wat fruit. Even later kwam Martijn een beetje schuw de ontbijtkamer binnen. Hij durfde Marika niet recht aan te kijken en hij had het gevoel dat de gehele familie hem bekeek. Net of ze wisten wat er zojuist was voorgevallen.

“Ga zitten,” zei Marika vriendelijk en bood hem een stoel naast die van haar aan.

Graaf Pieter keek naar de gast aan tafel. Deze jongeman zou over enkele uren het lokaas zijn voor de laatste crimineel die momenteel de familie tiranniseerde.

“Je moet goed eten,” zei hij, “want je ziet er vermoeid uit.” 

Martijn keek hem aan. Zijn haren waren nog nat van de korte douche

en er druppelde wat water in zijn nek.

Hij voelde zich raar bij deze familie. Ze waren anders dan Marika, meer gereserveerd. En Henry begreep hij al helemaal niet, maar daar mocht hij het niet over hebben. Dat bleef tussen Marika en hem.

“Het duurde even voor ik in slaap kon komen,” zei hij.

Toen iedereen zijn buik vol had, verlieten ze de ontbijtkamer zodat de tafel kon worden afgeruimd.

“We moeten gaan,” zei Marika, toen ze zag hoe laat het was.

Samen met Henry stapte Martijn in de auto bij Marika. Ze hadden afgesproken op het politiebureau. Daar zou Martijn een auto ter beschikking krijgen en kon het spel beginnen.

Op het politiebureau ving de hoofdagent hen op. “Komt u met mij mee?” verzocht hij vriendelijk aan Martijn.

Hij zou een zendertje aangemeten krijgen, zodat de politie het gesprek met Hans Broekmans zou kunnen volgen. Op een veilige afstand zou politie in burger afwachten tot Martijn het teken zou geven, of tot de verantwoordelijken vonden dat ze voldoende bewijs hadden.

Martijn probeerde kalm te blijven, maar dat viel niet mee.

“Gaat het een beetje?” vroeg Marika belangstellend en gaf hem een aai over zijn bol. 

“Ik vind het doodeng,” antwoordde hij. “Ik hoop dat het allemaal goed afloopt.”

“Natuurlijk loopt het goed af, gekkie!”

Martijn Schoonhoven zocht de ogen van Marika. “Zeker weten?” Marika knikte. “Zeker weten!” Ze bukte voorover en gaf Martijn een kus vol op zijn mond.

Verbaasd staarde hij haar aan. Het was voor het eerst dat ze zoenden en gek genoeg smaakte dat naar meer.

“Blijf je hier op me wachten?” smeekte hij.

“Ja,” antwoordde Marika zacht.

Ze was waarschijnlijk zelf geschrokken van haar spontane kus, maar ook bij haar voelde het goed. 

“Bent u er klaar voor?” vroeg de hoofdagent.

“Ik ben zover,” zei Martijn moedig. Hij stond op en volgde de agent.

Marika keek de twee na en hoopte vurig dat alles snel voorbij zou zijn. Ze besloot met een van de agenten mee te rijden.

Op de afgesproken plek stond Hans Broekmans al te wachten. Hij was vroeg, want hij wilde deze nieuwe potentiële klant binnenhalen. Toen Martijn zijn auto naast de zijne parkeerde, liep Hans ongeduldig op hem af.

“Ik heb de proefmonsters bij me,” zei hij voorzichtig. “Heeft u de contracten die ik moet ondertekenen?”

Martijn kroop in zijn rol als koper en onderhandelde met de crimineel.

Toen de handelswaar uit de kofferbak kwam, kwam de politiemacht op gang. Met piepende banden scheurden auto's met zwaailichten op het dak op de twee mannen af.

“Wat krijgen we nou?” riep Hans Broekmans kwaad. “Ben jij een verrader?” Hij greep in zijn binnenzak en trok een pistool.

Precies op tijd schoot een van de agenten hem neer. Met een van pijn vertrokken gezicht keek Hans Broekmans vanaf de grond omhoog naar Martijn.

Die blik zou hem lang bijblijven. Zo vol haat en wraakgevoelens.

Hans Broekmans werd gearresteerd en afgevoerd naar het bureau.

Martijn stond te trillen op zijn benen. Toen hij even later de stem van Marika hoorde roepen, stroomden tranen van de spanning over zijn wangen. Hij rende haar tegemoet en sloot haar in zijn armen.

“Ik ben trots op je,” fluisterde ze in zijn oor, “enorm trots. Ik weet niet hoe ik je ooit hiervoor kan bedanken.”

De twee stapten in de auto die Martijn van de politie had meegekregen en reden terug naar het bureau om ook deze fase af te sluiten. Henry zat er al en had Hans Broekmans geïdentificeerd als zijnde schuldige afperser. Samen met de bandopname van het gesprek tussen Martijn en de verdachte plus de illegale handelswaar, was er voldoende bewijsmateriaal.

Luid vloekend was de crimineel naar binnengebracht en riep dat hij

onschuldig was, dat Rozenhof zelf de aanstichter was van deze rel. Maar niemand geloofde de man.

Hans Broekmans zou voor vele jaren achter de tralies verdwijnen. Omdat hij voortvluchtig was, stond hem bij de rechtbank nog een onaangename verrassing te wachten. Een aantal lopende zaken, die tegen hem waren aangespannen, werden aan het vonnies toegevoegd. Hij had nog een straf te gaan van tien jaar, dus zijn duistere praktijken kon hij voorlopig wel vergeten.

Alle papieren rompslomp werd afgehandeld en Marika reed samen met Martijn en haar broer terug naar kasteel Rozenhof. Gespannen hadden ze in het kasteel zitten wachten op de terugkomst van de drie. Toen ze eindelijk de binnenplaats kwamen oprijden viel er een last van hun schouders. Het was gelukkig allemaal goed afgelopen.

“Dit vraagt om een feest,” riep Marcus. Hij voelde zich stukken beter nu hij de pillen niet meer slikte.

Zijn hoofdpijn was verdwenen en hij zag er zichtbaar beter uit.

“En ik ga dat voor jou organiseren,” zei Henry vervolgens.

“Jij?” riep zowat de gehele familie in koor.

“Ja, ik!” antwoordde hij nogmaals. “Ik wil hiermee mijn blijk van waardering uitspreken voor mijn familie. In het bijzonder mijn broer Marcus en mijn jongste zus Marika.” De belofte was gedaan en Henry wist wat hem te doen stond. Diep in zijn hart voelde hij zich een loser, maar hij was opgelucht dat alles toch nog goed was afgelopen, ondanks dat hij zich zo in de nesten had gewerkt. 

Deze paar weken zouden hem zijn leven lang bij blijven. En nooit zou hij zijn eigen familie meer schade toebrengen. Dat beloofde hij nu, na deze spanennde ochtend.

Marika en Martijn wisten als enigen van de betrokkenheid van Henry in het geheel. En Marika was er niet van overtuigd dat haar broer niet nog eens in de fout zou gaan. Voorlopig zou hij wel oppassen, maar over een tijdje was hij het allemaal weer vergeten.

Een ding was in elk geval zeker. Er kwam een groot feest en het geslacht Rozenhof zou laten zien dat ze onverslaanbaar waren. Voor de buitenwereld hoefden ze zich niet te bewijzen om deze akelige kwestie te vergeten. Niemand wist immers van dit schandaal af en dat wilde vooral Henry zo houden.

Iedereen ging in de tussentijd zijn eigen gang. Marika en Martijn keerden terug naar Amsterdam, Henry probeerde het goed te maken met zijn vrouw en dochter en Marcus liet zich heerlijk vertroetelen door het personeel van kasteel Rozenhof en natuurlijk door zijn dochters. Na een poosje ging hij zelfs een blokje om lopen. Nog niet zo ver als zijn dochters, maar het begin was weer gemaakt.

Later hoorde Marika dat David en Sharon vervroegd waren vrijgekomen, wegens goed gedrag. De belastingdienst had de schuld omgezet in een lening en die moest in maximaal vijf jaar worden afgelost. Het was voor hen een harde leerschool geweest. Maar of ze ooit helemaal los zouden komen van hun wrok jegens de rijke tak van de familie Rozenhof, was een raadsel. De tijd zou het leren, maar niemand geloofde dat dat ooit zou gaan gebeuren.

Twee weken later werd de gouden salon opengesteld voor alle hoge gasten van de familie. Marcus stond die avond in het middelpunt van de belangstelling en Henry sprak hem en de gasten toe. Vele vrienden en relaties waren uitgenodigd.

Ook Martijn Schoonhoven was van de partij. De moeder van Marika had speciaal naar hem gevraagd en Marika had daar helemaal geen bezwaar tegen.

Het feest werd een groot succes. En de goede naam van de familie Rozenhof was gered.





Op het moment dat de eerste Kasteelromans van Favoriet in de winkels lagen, was een deel van de lezeressen nog niet eens geboren! Voor hen, maar natuurlijk ook voor de fans die nog altijd dol zijn op de romantiek van de adel, bewerkte en actualiseerde Uitgeverij Marken de beste Kasteelromans van vroeger, om ze uit te brengen in een aparte serie: BLAUW BLOED.



Haal BLAUW BLOED nummer 39 over VIER WEKEN bij uw tijdschriftenhandelaar, de kiosk, het warenhuis of uw supermarkt.


Vreemde verdwijning & Dubieuze pillen
Section0001.xhtml
Section0002.xhtml
Section0003.xhtml