Vreemde verdwijning
Familie in rep en roer
Als Stefan en Pascal Daelenbergh niet thuiskomen van een wandeling in het uitgestrekte natuurgebied rond het kasteel, wordt daar niet meteen iets achter gezocht. De twee zijn echte natuurliefhebbers en blijven wel vaker lang weg. Als het weer verslechtert, gaat een aantal mensen toch op pad om hen te zoeken. Wordt het tweetal gevonden?
“Is het nou echt nodig dat je uitgerekend vandaag de hei op gaat, Stefan?” Brigitte den Doorn keek haar vijftienjarige zoon bijzonder ontevreden aan. “Als we er niet eens meer in slagen het weekend met elkaar door te brengen, is het hek helemaal van de dam. Je vader zou vanavond vroeg thuiskomen en…”
“Ik ben echt wel op tijd terug voor het eten,” onderbrak Stefan haar een beetje ongeduldig. Hij zat voorovergebogen zijn stevige wandelschoenen dicht te rijgen. “Je doet alsof we naar de Noordpool gaan. Pascal weet ook dat je het niet prettig vindt als we niet op tijd thuis zijn.”
“Alsof hij zich iets aantrekt van wat ik vind!” Brigitte draaide zich om toe achter haar de deur openging.
“Goedemorgen!” Pascal, de jongste broer van Brigitte, kwam binnen. “Ik ben er klaar voor, Stefan! We moeten opschieten, want het duurt vast uren voordat we ze hebben opgenomen!” Pascal en Stefan waren allebei echte natuurliefhebbers en gingen regelmatig samen op pad. Het uitgestrekte natuurgebied dat rond kasteel Daelenbergh lag, leende zich bij uitstek voor lange wandeltochten. Het was afgesloten voor het publiek en alleen toegankelijk voor leden van de adellijke familie. Het reservaat werd beheerd door een opzichter die in dienst was van de oude graaf. Hij had de taak ervoor te zorgen dat de natuur zoveel mogelijk haar gang kon gaan in het uitgestrekte gebied, waar zo’n tachtig hectare hei geleidelijk overging in een groot bos dat al honderden jaren oud was. Vroeger had de familie er regelmatig gejaagd, maar die gewoonte was met de komst van gravin Carmen afgeschaft. Ze had altijd een hartgrondige hekel gehad aan mensen die dieren doodden voor hun plezier. Toen zij het na haar huwelijk met graaf Vincent Daelenbergh met haar man voor het zeggen had gekregen op het kasteel, hadden ze onmiddellijk een eind gemaakt aan de jachtpartijen. Dit tot groot verdriet van de adellijke vrienden van Vincent, want de landerijen rond Daelenbergh stonden bekend om hun voortreffelijke wildstand. Nu werd alleen nog op vreedzame wijze genoten van de beesten die zich ophielden in de bossen en op de hei. Stefan en Pascal hielden de stand van zaken nauwgezet bij en maakten uitvoerige rapporten over de vogels en andere dieren die in het natuurgebied te vinden waren.
De opzichter had Pascal enkele dagen geleden gebeld met de boodschap dat de otters, die enkele jaren terug verdwenen waren bij het riviertje dat het beboste deel van het reservaat doorkruiste, weer waren gesignaleerd.
Pascal had op hete kolen gezeten om poolshoogte te gaan nemen. Hij had zijn bureau het liefst direct verlaten toen hij het hoorde, maar dat was natuurlijk onmogelijk. Als hoofd financiën van het Daelenbergh-imperium had hij een belangrijke functie in het concern. Zijn twee broers en schoonbroer rekenden op zijn aanwezigheid gedurende de werkweek.
In overleg met Stefan had Pascal de tocht uitgesteld tot de zaterdagmorgen. Aan het begin van februari was het pas laat licht, waardoor ze niet zo vroeg op pad konden gaan als ze zelf graag wilden. Het was al na achten, maar de schaduwen van de nacht waren nog niet helemaal teruggedrongen. De laaghangende bewolking zorgde voor een sombere sfeer. Het was koud en vochtig, maar daar maakten de twee natuurvrienden geen punt van. Ze hadden allebei speciale kleding die hen heerlijk warm hield en stonden te popelen om te kunnen vertrekken.
“Ook goedemorgen,” zei Brigitte koeltjes. Ze vond het niet prettig dat haar broer in zijn enthousiasme zonder kloppen binnen was gekomen.
Op kasteel Daelenbergh hadden de vijf kinderen van de oude graaf en gravin allen hun eigen vertrekken. Brigitte woonde met haar man en zoon in de statige kamers die aan de voorkant van het kasteel lagen. De gezinnen aten apart, maar het was de gewoonte dat op zaterdagavond gezamenlijk werd gedineerd in de eetkamer van gravin Carmen en graaf Vincent. Die avond zouden ze daar een uitzondering op maken, want Reinhald, de oudste broer van Brigitte die aan het hoofd van het concern stond en Brigittes man Olivier hadden een gast uitgenodigd.
“Hallo, Brigitte.” Pascal keek haar met een scheve grijns aan. “Waarom ben jij zo vroeg uit de veren? Heb je soms zin om met ons mee te gaan?”
Ze reageerde alsof ze aan zijn verstand twijfelde. “Zie ik zo bleek? Ik heb echt wel iets anders te doen dan in die kou een hele dag over de hei te gaan zwerven. Ik zeg juist tegen Stefan dat jullie op tijd thuis moeten zijn. We hebben vanavond gasten.”
“Alweer?” Stefan keek verstoord op. “Net zei je nog…”
“Zorg er nou maar voor dat jullie voor het donker thuis zijn,” onderbrak zijn moeder hem wrevelig. Ze richtte haar blik op haar jongste broer. “Als het later wordt, is dit de laatste keer geweest dat ik Stefan mee laat gaan.”
“Wees maar niet bang, hoor.” Pascal knipoogde naar zijn neefje. “Als we nu gaan, hebben we genoeg tijd voor de opnamen. Als het donker wordt, kunnen we daar verder toch niets meer doen. Ben je klaar?”
Stefan knikte en wilde het dikke jack, dat hij naast zich op de grond had gegooid, aantrekken.
“Je gaat niet weg voordat je behoorlijk hebt ontbeten!” Brigitte wees bevelend naar het buffet, waar de rechauds met warme worstjes en gebakken eieren met spek al klaarstonden.
“Kan het nog?” Stefan wilde zijn oom niet laten wachten, maar hij moest toegeven dat hij wel trek had in iets warms voordat ze op pad gingen.
“Vooruit maar.” Pascal schoof de banden van de rugzak die hij droeg van zijn schouders en trok de drukknoopjes van zijn anorak open. “Ik heb zelf ook wel trek.”
“Heb je nog niet gegeten?” Brigitte schudde afkeurend het hoofd. “Hier, neem mijn bord maar. Ik zal even naar de keuken bellen voor verse koffie.”
“Nee!” Pascal hield haar verschrikt tegen toen ze wilde opstaan. “Ze mogen niet weten dat we de hei opgaan, Brigitte. Zo meteen komt Stien weer met zo’n overlevingspakket. Daar hebben we verleden keer uren mee rond gezeuld.”
“Nou! Als je zag wat ze er allemaal in had gestopt…” Stefan snoof afkeurend.
“Stien kan nooit maat houden,” knikte Brigitte. Ze kon het niet zo goed vinden met de kokkin van kasteel Daelenbergh. Stien trok zich niets van en luisterde alleen naar gravin Carmen. Dat kon Brigitte maar moeilijk verkroppen, want zij nam steeds vaker de taak van gastvrouw over van haar moeder.
Pascal was het lievelingetje van Stien en werd door haar vertroeteld. Hij vond het dan ook nodig het voor haar op te nemen zodra iemand iets vervelends over haar zei.
“Ze bedoelt het goed,” zei hij dan ook meteen. Hij tilde de zilveren deksel van de schaal met gebakken spek en snoof de verleidelijke geur diep op. “Ik had niet eens in de gaten dat ik honger heb.” Hij nam een flinke portie. “Er gaat niets boven een stevig ontbijt als je een lange tocht gaat maken,” zei hij tegen Stefan. “Daar heb je krachtvoer voor nodig.”
Die hoefde niet aangespoord te worden. Hoewel hij slank gebouwd was, hield hij net als zijn oom van lekker eten.
Pascal en Stefan waren ook op andere gebieden twee handen op een buik. Ze hadden niet alleen dezelfde hobby’s. Stefan wilde net als Pascal Economie gaan studeren en deelde diens voorliefde voor alles wat met cijfertjes te maken had. Hij had zich voorgenomen net als zijn vader en grootvader een zakenman te worden, maar volgens Pascal lag het voor de hand dat ze later samen voor de boekhouding van het concern zouden gaan zorgen.
Brigitte had inmiddels koffie ingeschonken uit de zilveren thermoskan. “Hij is niet meer helemaal warm, maar als je niet wilt dat ik Elke roep, zullen jullie het ermee moeten doen.” Ze greep het melkkannetje en schonk zorgzaam een flinke scheut ervan in de koffie van haar zoon. “En denk erom dat jullie geen gekke dingen doen,” zei ze terwijl ze de suiker erdoor roerde. “Rond deze tijd van het jaar is het gevaarlijk in de bossen.”
“Gevaarlijk?” Stefan lachte erom. “Wat is daar nou gevaarlijk aan? Je doet of we ieder moment een grizzlybeer tegen kunnen komen, mama.”
“Er zijn nog wel meer gevaarlijke dieren dan grizzly's,” antwoordde ze. “Ik hoorde Zandstra laatst zeggen dat de wilde zwijnen agressief zijn.”
“Dat is alweer voorbij,” antwoordde Pascal tussen twee happen door. “Dat heeft te maken met de Kersttijd.”
“Dat weten ze nog van vroeger,” knikte Stefan grijnzend. “Toen moesten ze zich verdedigen tegen de jagers, mama. Je kunt het die dieren niet kwalijk nemen dat er iets van is blijven hangen.”
“Ik vind het toch prettiger dat jullie goed uitkijken. Ik heb het niet zo op De Hagen. Papa zegt ook altijd dat het daar niet pluis is.”
De Hagen was het stuk bos waar de otters weer gesignaleerd waren. In de oude archieven van kasteel Daelenbergh waren stukken teruggevonden die betrekking hadden op een toren die daar in de Middeleeuwen gestaan moest hebben. Er was nooit een enkel spoor gevonden dat die bewering kon staven, maar het sprak natuurlijk wel tot de verbeelding. Volgens de overlevering waarde er een geest rond in de omgeving, maar daar geloofden Pascal en Stefan natuurlijk niet in.
Stefan lachte, want hij wist wel waar zijn moeder op doelde. “Pascal en ik zijn echt niet bang voor spoken, hoor! Als je daarin gelooft…”
“Ik heb het niet over spoken,” onderbrak ze hem kortaf. “Je weet nooit wat zich schuilhoudt in dat dichte kreupelhout en…” Ze keek op toen er werd aangeklopt en meteen daarna de deur openging.
Marijke kwam binnen met een thermoskan en een flink pakket. “Wat ben ik blij dat jullie er nog zijn!” riep ze opgelucht. “Stien heeft een lunch voor jullie ingepakt en hier zit warme soep in.” Ze zette de thermoskan op de ontbijttafel, maar het pak bleef ze in haar handen houden.
“Hoe weet ze dat wij op pad gaan?” vroeg Pascal een beetje uit het veld geslagen. Hij had nog zo zijn best gedaan om het stil te houden!
Marijke lachte. “Ja, dat moet je mij niet vragen, jongen. Ze…” Ze zweeg bij het zien van de afkeurende blik waarmee Brigitte haar bekeek. De meeste leden van de familie gingen op vriendschappelijke voet om met het personeel. Brigitte vond het maar niets en liet dat ook duidelijk merken. Marijke werd van haar à propos gebracht door Brigittes afkeurende blik. Ze legde het pak snel op een stoel en greep de koffiekan. “Zal ik voor verse koffie zorgen, mevrouw?”
“Graag, Marijke,” knikte Brigitte genadig. Het lukte haar misschien niet dat onhebbelijk familiair gedoe af te schaffen, maar ze zou er in ieder geval voor zorgen dat de personeelsleden zich er niet bij op hun gemak voelden!
Kort nadat Marijke de eetkamer verlaten had, ging de deur opnieuw open.
Nu kwam Olivier den Doorn, de man van Brigitte en vader van Stefan, binnen. Hij had last van een ochtendhumeur en was voor zijn eerste kop koffie niet aanspreekbaar. “Morge…” mompelde hij nors na de vrolijke groet van zijn zoon. Hij bleef staan bij het zien van de rugzak en dikke kleren die op de stoel bij de deur klaarlagen. “Wat ben jij van plan?”
“Pascal en ik gaan de otters bij De Hagen filmen, papa,” antwoordde hij. “Als het ons lukt ze op film te krijgen, kunnen we bewijzen dat ze terug zijn gekomen. Dat is belangrijk voor opa, want als er beschermde diersoorten voorkomen, kan de Provincie het bestemmingsplan niet veranderen.”
Graaf Vincent Daelenbergh lag al jaren in de clinch met het Provinciaal bestuur, dat een weg dwars door het natuurgebied wilde aanleggen. Tot nu toe was hij erin geslaagd de aanvallen uit ambtelijke hoek te weerstaan, maar het was maar de vraag hoelang hij de juridische strijd kon volhouden. Als Pascal en Stefan erin slaagden filmopnamen te maken van de otters, had hij weer een argument dat hij bij een volgende rechtszaak kon aanvoeren.
“Mm.” Olivier was niet zo geïnteresseerd in de natuur. Als doorgewinterd zakenman had hij meer belangstelling voor de beursberichten. “Waar is de krant?” vroeg hij dan ook toen hij op zijn vaste plaats aan het hoofd van de tafel ging zitten.
Brigitte overhandigde hem het ochtendblad. Ze had het al opengeslagen op de pagina waar het voor hem om draaide. Dat deed ze iedere dag zodra ze beneden kwam. Ze kende haar man inmiddels goed genoeg om te weten dat ze hem beter met rust kon laten.
Er kon zelfs geen bedankje af toen hij het blad van haar aannam. Zijn blik gleed meteen naar de notering van de fondsen die voor hem van belang waren. Terwijl Brigitte koffie voor hem inschonk, nam hij de laatste beursontwikkelingen door. Daarbij ging zijn hand als vanzelf naar de plaats waar hij verwachtte het kopje aan te treffen. Hij bracht het al lezend naar zijn mond en nam een eerste slok. Hij ging zo op in het nieuws, dat hij niet eens merkte dat Stefan en Pascal zich klaarmaakten voor vertrek.
“Volgens het weerbericht gaat het vandaag regenen,” zei Brigitte, die het helemaal niet eens was met wat er gebeurde. Ze had de rugzak van haar zoon geopend en stopte er het nogal groot uitgevallen lunchpakket in. “Moet ik iemand sturen om jullie te halen als het echt doorzet?”
“Nee, natuurlijk niet. Wij…”
Stefan kwam snel tussenbeide toen er iets dreigde fout te gaan. “Kijk uit, mama! Daar zit de videocamera in! Als je die kapotmaakt…”
“Ik maak niets kapot,” antwoordde ze boos. “Ik vind het werkelijk gekkenwerk dat jullie uitgerekend met dit weer naar De Hagen gaan. Zelfs een kip weet dat je binnen moet blijven als het regent, maar mijn zoon…”
“We moeten gaan, Brigitte,” onderbrak Pascal haar. “Als we nog langer wachten, hoeft het niet meer.”
“Waarom nemen jullie de Landrover niet? Als je daarmee tot aan de bosrand rijdt, hoef je in ieder geval niet dat hele eind over de hei.”
Stefan gaf geen antwoord en keek haar alleen maar aan.
Aan zijn blik kon ze precies zien wat hij dacht. Ze snoof en haalde haar schouders op. “Vooruit dan maar,” zei ze terwijl ze hem hielp de banden van rugzak over zijn schouders te leggen. “Maar kom later niet klagen als jullie snipverkouden worden.”
“Ik ben nooit verkouden. Dat komt juist omdat ik zo vaak buiten loop. Tot straks, mama. Je hoeft je echt geen zorgen te maken.” Stefan boog zich totaal onverwacht voorover en kuste haar wang.
Brigitte was het niet van haar zoon gewend en werd extra geroerd door het kinderlijke gebaar.
“Tot straks, papa!” Stefan grijnsde naar zijn vader.
“Ja, goed,” bromde Olivier zonder echt van zijn krant op te kijken. Heel even leek het of Stefan ook hem gedag wilde kussen, maar de jongen bedacht zich weer, want Pascal had de deur al geopend en liep met een vrolijke groet de gang op.
“Als je ons nooit meer ziet, schrijven doen we je niet!” Met een laatste grijns naar zijn zus liep hij met Stefan achter zich aan de gang in de richting van de grote hal.
Brigitte begreep niet waarom ze het zo moeilijk vond om het tweetal te zien vertrekken. Ze gingen wel vaker hele dagen de hort op. Dat ze uitgerekend nu zo'n misselijk gevoel in haar maag kreeg bij het idee, was eigenlijk helemaal niets voor haar. Ze dwong zichzelf de deur te sluiten en liep terug naar de ontbijttafel. Het volgende moment was ze alweer met haar gedachten bij heel iets anders en hoorde ze de grote toegangsdeur niet eens meer achter haar broer en zoon in het slot vallen.
Die hele zaterdagmorgen was Brigitte zo druk in de weer met haar bezigheden, dat ze nergens anders tijd voor had. Toen haar dochter Nicolette na de lunch haar salon instormde, keek ze verstoord op van het telefoongesprek dat ze voerde.
“Mama, mag ik de Landrover meenemen? Ik wil…” Nicolette zweeg toen ze het wrevelige handgebaar zag, waarmee haar moeder haar tot stilte maande. Ze liet zich met een zucht op de brede vensterbank vallen en keek naar buiten. De wolken boven Daelenbergh waren zo mogelijk nog donkerder geworden. De toppen van de eeuwenoude beuken in het park zwiepten heen en weer door de harde wind die was opgestoken. Nicolette zou die middag vlieglessen hebben gehad, maar die waren op het laatste nippertje afgezegd omdat het weer zo snel verslechterde. Ze baalde als een stekker, ze was dol op haar vlieglessen. Nu besloot ze echter van de nood een deugd te maken. Ze wilde van de gelegenheid gebruikmaken en een vriendin in het dorp bij Slot Daelenbergh bezoeken. Sinds ze in de stad was gaan studeren, waren de contacten met haar vroegere vriendinnen verwaterd. Nicolette had al een afspraak gemaakt, maar nu haar eigen auto in de garage stond, was ze op die van haar moeder aangewezen voor vervoer.
Terwijl Brigitte het telefoongesprek eindelijk afsloot, keek Nicolette naar buiten. De afgelopen dagen was het vrij goed weer geweest voor de tijd van het jaar, maar dat verslechterde nu werkelijk zienderogen. De zwanen langs de kant van de gracht hadden hun kop onder hun vleugels gestopt en maakten zich zo te zien klaar voor de storm die op til was. Een plotselinge windvlaag deed de hoge populieren aan de rand van het park diep doorbuigen.
Nicolette rilde en richtte haar blik op haar moeder, die de hoorn op de haak legde.
“Waar heb jij de Landrover voor nodig?” wilde Brigitte meteen van haar dochter weten. “Ik wil dat je thuisblijft, Nicolette. Mevrouw Van Ommeren wil kennismaken met de hele familie. Als je er zo meteen ook al niet bent…”
"Ik blijf echt niet lang weg, mama,” onderbrak Nicolette haar moeder. Nicolette was een levenslustige meid die van het leven genoot. Ze zag er beeldschoon uit met haar mooie gezichtje en fantastisch figuur, maar daar leek ze zich maar nauwelijks van bewust. Nicolette was een sportief type en altijd op zoek naar een nieuwe uitdaging. Ze had haar grootvader overgehaald haar vlieglessen te bekostigen, want daar hadden haar ouders niets van willen weten. “Waar is Stefan eigenlijk?”
“Wat denk je?” Brigitte liep met een ontevreden zucht naar het raam. “Volgens Zandstra zijn de otters terug bij De Hagen. Pascal en Stefan willen er video-opnamen van maken. Ze hebben beloofd op tijd terug te zijn, maar je weet hoe ze zijn. Als ze zich niet aan de afspraak houden, zwaait er wat!” Brigitte greep de telefoon. “Wat is ook weer het nummer van zijn gsm? Ik bel hem nog even om hem aan onze afspraak te herinneren.”
“Die moeite kun je je besparen,” antwoordde Nicolette luchtig. “Ze hebben nooit een telefoon mee als ze de hei opgaan. Stom, ik weet het, maar ze willen de stilte van de natuur niet storen. Mag ik de sleutels, mam?” Ze griste ze van het bureaublad. “Je bent een engel, mama! Tot zo!”
“Nicolette, wacht! Ik…” Brigitte zuchtte, want het had geen zin door te gaan. Haar dochter had de salon alweer verlaten. Ze liep nog heel even naar het raam en zag dat het begon te regenen, maar meteen werd ze afgeleid door een nieuw telefoontje.
De ontvangst van die avond was heel belangrijk voor het bedrijf. Ze moest ervoor zorgen dat het een succes werd en concentreerde zich volledig op de voorbereidingen ervan.
Brigitte werd pas weer herinnerd aan de afwezigheid van haar zoon toen ze naar de hal liep om haar gasten te ontvangen. Mevrouw Van Ommeren was een paar jaar geleden weduwe geworden en daarmee eigenares van een bedrijf waar de Daelenbergh Holding al jaren zaken mee deed. Iedereen had verwacht dat Hermine van Ommeren op den duur zou verkopen, of op zijn minst de leiding zou overlaten aan het management en de raad van commissarissen. Ze had iedereen echter volkomen versteld doen staan door zelf de functie van algemeen directeur van de onderneming met meer dan duizend werknemers op zich te nemen.
Reinhald en Olivier hadden hun hart vastgehouden toen een aantal contracten herzien moest worden, maar tot hun verbazing had de weduwe zelfs meer van bedrijfsvoering geweten dan haar overleden man. Ze was met bijzonder interessante voorstellen gekomen voor vergaande samenwerking. De besprekingen waren zo goed verlopen, dat Reinhald en Olivier ervan overtuigd waren dat de deal al zo goed als beklonken was. Voorafgaand aan de laatste ronde van de besprekingen hadden ze de weduwe en haar kinderen uitgenodigd voor een diner op Kasteel Daelenbergh.
Brigitte had van haar man te horen gekregen hoe belangrijk het was dat er die avond niets misging. Ze had zich dan ook voorgenomen alles uit de kast te halen en de zakenrelatie met alle egards te ontvangen.
Brigitte bereikte de deur op het moment dat de grote limousine de binnenplaats van het kasteel opreed. Hubert, de butler, stond in vol ornaat te wachten om de gasten welkom te heten. Met een vormelijke buiging opende hij de deur voor Brigitte en liet haar voorgaan naar het bordes.
De ouderwetse lantaarns langs de oprijlaan en op de binnenplaats van het kasteel gaven het geheel gewoonlijk nog meer allure, maar nu werd het effect door de striemende regen tenietgedaan.
Zodra de auto bij de trappen tot stilstand kwam, liep Hubert met een grote paraplu de trap af om ervoor te zorgen dat de gast zonder nat te worden de hal kon bereiken.
Brigitte keek vanuit de geopende deur toe en kwam glimlachend naar voren toen mevrouw Van Ommeren haar bereikte. “Welkom,” zei ze hartelijk. “Het spijt me ontzettend dat we u niet in wat betere weersomstandigheden kunnen ontvangen, mevrouw Van Ommeren.” Ze reikte de vrouw haar hand.
“Als Reinhald en Olivier ook nog het weer naar hun hand zouden kunnen zetten…” lachte de ander. “Ik vind het enig je eindelijk te ontmoeten, Brigitte!” Ze bleef de hand van de gastvrouw lang vasthouden en lachte stralend naar haar. “We hadden veel eerder kennis moeten maken. Ik mag toch Brigitte zeggen? Ik heet Hermine. Dat vind ik veel mooier dan dat formele mevrouw Van Ommeren. Wil jij me Hermine noemen?”
“Graag…” Brigitte deed haar uiterste best haar verbazing te verbergen. Waarom had Olivier nooit iets gezegd over hoe dat mens eruitzag? Ze woog minstens honderd kilo! Daarbij droeg ze ook nog eens zo’n bloemetjesjurk die als een tent om haar lichaam hing! Van iemand die aan het hoofd van een zo grote onderneming stond, mocht je toch zeker verwachten dat ze wat meer moeite deed om er representatief uit te zien? Brigitte wist trouwens zeker dat Olivier had gezegd dat ze met haar twee zoons zou komen. Zo te zien had ze niet eens het fatsoen gehad om te laten weten dat de plannen waren veranderd!
“Ik ben bang dat Olivier en Reinhald zijn opgehouden,” zei Brigitte nu met haar allerliefste stemmetje. “Ze hebben me laten weten dat ze op zijn laatst binnen een half uur hier zullen zijn. Dat geeft me de gelegenheid je het kasteel te laten zien. Of wil je liever direct…”
“Fantastisch! Ik hoopte al dat je dat zou voorstellen!” Hermine keek met een enthousiaste glimlach om zich heen. “Eerlijk gezegd heb ik hier een beetje op aangespeeld,” vervolgde ze. “Ik heb mijn juristen gevraagd Reinhald en Olivier nog even aan de praat te houden. Je weet hoe het gaat als de mannen het heft in handen nemen. Dan wordt er alleen nog maar over zaken gepraat. Daarom leek het me beter het zo te regelen dat wij voldoende tijd krijgen om elkaar te leren kennen, Brigitte. Toen Reinhald me uitnodigde, heb ik me voorgenomen alles goed te bekijken. Klopt het dat het kasteel al sinds de vijftiende eeuw in de familie is?”
Brigitte gaf direct bijzonderheden. Ze kende ieder hoekje van het kasteel en kon er dan ook heel boeiend over vertellen.
“Ik begrijp werkelijk niet dat jullie zulke kostbare schilderijen zomaar aan de muur hebben hangen,” zei Hermine toen Brigitte voor een klein schilderijtje van Jan Steen bleef staan. “Andere mensen bergen hun kunstschatten in de kluis van een bank op. Ik moet er niet aan denken dat hier ooit brand uitbreekt!” Ze keek om zich heen alsof het ieder moment kon gebeuren. “Wat er dan verloren gaat, is door geen enkele verzekeringsmaatschappij te vergoeden!”
“Heel veel mensen vinden het inderdaad riskant,” gaf Brigitte toe. “Maar wij hebben nooit anders geweten. Mijn ouders vinden dat mooie spullen zijn bedoeld om gezien te worden. Het is onzin en zonde om ze weg te stoppen in bankkluizen.”
“Dat kan wel zo zijn, maar er hoeft hier maar dát te gebeuren of…” Ze keek verschrikt om toen er een harde klap klonk. “Wat was dat?”
Brigitte was ook geschrokken, maar liet het niet merken. Als er iets was gebeurd wat zij moest weten, zou Hubert haar ongetwijfeld op de hoogte stellen. “In een oud gebouw hoor je wel vaker vreemde geluiden,” antwoordde ze glimlachend. “Wat zou je ervan vinden om alvast naar de salon des dames te gaan, Hermine? Reinhald en Olivier zullen zo wel komen.”
Ze wachtte niet op antwoord en liep in de richting van het vertrek dat meestal gebruikt werd voor de ontvangst van zakenrelaties.
Nadat Hermine de prachtige salon uitvoerig had bewonderd, nam ze plaats op de sierlijke bank. Brigitte hield haar hart vast. Ze was doosbenauwd dat de ranke pootjes haar gewicht niet konden dragen, maar het bleef gelukkig bij wat gekraak.
Hermine van Ommeren leek zich totaal geen zorgen te maken en gaf haar ogen goed de kost.
“Hoe oud zijn je ouders eigenlijk?” vroeg ze plotseling uit het niets.
“Mijn ouders?” Brigitte wis niet zo goed wat ze van die vraag moest vinden. “Mama is achtenzestig en mijn vader tweeënzeventig.”
“Zijn ze nog goed gezond? Ik heb van iemand gehoord dat je moeder een hartkwaal heeft?” Hermine keek haar nieuwsgierig aan.
Brigitte snapte niet waarom de vrouw over de leeftijd en de gezondheidstoestand van haar ouders begon, maar gaf, uit beleefdheid, toch maar antwoord. “Dat is sterk overdreven. Ze heeft een paar jaar geleden een attaque gehad, maar daar is ze gelukkig goed van hersteld.”
“Het klopt toch dat Reinhald de oudste is? Als ik me niet vergis, heeft hij twee dochters.”
“Reinhald?” Brigitte vond het helemaal niet prettig om met iemand die ze niet kende over persoonlijke zaken te praten, maar moest ook nu weer antwoord geven. “Inderdaad. Het is een tweeling. Michelle en Lisanne zijn bijna klaar met hun studie.”
“Ja, dat weet ik.” Hermine keek haar doordingend aan en veranderde plotseling van onderwerp. “Waarom heb je me de gouden salon niet laten zien? Ik heb van iemand gehoord dat dat een van de mooiste kamers van het kasteel moet zijn.”
“De gouden salon ligt helemaal aan de andere kant,” antwoordde Brigitte met een vaag handgebaar. “Dat deel gebruiken we alleen bij grote ontvangsten en feesten.”
“Ik vind het toch jammer dat ik hem niet gezien heb,” hield Hermine aan. “Misschien kunnen we even gaan kijken? Zo ver kan het toch niet zijn?” Ze was alweer overeind gekomen en liep voortvarend naar de deur. “Misschien kun je me ook even de kamers van Reinhald laten zien. Ik vind het belangrijk om te zien wat voor smaak een man heeft. Aan de inrichting kun je een heleboel afleiden over het karakter van de bewoner.”
“De vertrekken van mijn broer zijn ingericht door diens overleden vrouw,” antwoordde Brigitte nu stijfjes. “Na haar dood is er niets meer veranderd.”
“Dan is het de hoogste tijd dat daar eens iets aan gedaan wordt,” stelde Hermine tevreden vast. “Kijk maar niet zo angstig, hoor.” Ze lachte even hardop om de verbaasde blik van Brigitte. “Ik weet precies hoe ik een man in het gareel moet houden.” Ze ging op samenzweerderige toon verder: “Dat heb ik wel geleerd met mijn man. Tobias was zeker niet makkelijk, maar hij deed precies wat ik wilde. Bij hem vergeleken is Reinhald een mak lammetje.”
“Reinhald?” Brigitte schoot nu onwillekeurig even in de lach. “Ik ben bang dat je je dan toch op hem verkijkt. Reinhald kan misschien meegaand overkomen, maar hij weet heel goed wat hij wil.” Ze begon zich af te vragen wat die Hermine toch van plan was. Als ze soms dacht een kansje bij Reinhald te maken, zou ze van een koude kermis thuiskomen. Er waren al heel wat aantrekkelijker dames op hetzelfde idee gekomen. Ze hadden geen schijn van kans gehad. Reinhald kon zijn vrouw Monique niet vergeten en rouwde nog steeds om haar dood. Het idee dat hij met iemand als Hermine zou hertrouwen, was zo krankzinnig dat het op Brigittes lachspieren werkte.
“Dat heb ik al gemerkt,” antwoordde Hermine van Ommeren met een zijdelingse blik op haar gastvrouw. “Dat is op zich geen slechte eigenschap. Ik weet ook wat ik wil en ik zorg er altijd voor dat ik het krijg!” Ze hield nu abrupt haar pas in. “Luister, beste Brigitte, aangezien wij toch familie van elkaar worden, lijkt het me beter om maar meteen open kaart te spelen.” Ze wierp een snelle blik op haar horloge. “Reinhald wordt op dit moment op de hoogte gebracht van mijn laatste voorwaarden. Als hij daar niet mee akkoord gaat, wordt de hele zaak afgeblazen. Ik weet zeker dat hij een te goede zakenman is om deze unieke kans te laten schieten. Je kunt er dus met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van uitgaan dat ik je nieuwe schoonzus word.”
Voordat Brigitte goed en wel in de gaten had wat er gebeurde, trok Hermine haar in haar armen en drukte een klapzoen op haar wang.
“Je moet het mij maar niet kwalijk nemen dat ik meteen zeg waar het op staat, maar als ik hier naartoe verhuis, vind ik het wel prettiger om het kasteel voor mezelf te hebben. Als oudste zoon heeft Reinhald uiteraard de meeste rechten. Het is heel leuk en aardig dat hij het vruchtgebruik van zijn erfenis tot nu toe heeft gedeeld met zijn broers en zussen, maar dat heeft nu wel lang genoeg geduurd. Er kunnen nu eenmaal geen twee kapiteins op één schip varen. Als ik de volgende gravin van Daelenbergh word, vind ik het belangrijk om daar een eigen invulling aan te kunnen geven.”
Brigitte was zo perplex over wat ze hier ineens allemaal te horen kreeg, dat ze niet in staat was om antwoord te geven. Ze keek de vrouw enkel verbijsterd aan.
“Ik weet wel dat het voor jou even schrikken moet zijn, maar je krijgt echt wel de tijd om aan het idee te wennen, Brigitte. Ik houd altijd rekening met de gevoelens van andere mensen. Ik ben met opzet alleen gekomen, omdat ik niet wilde dat je dit als een invasie zou zien. Mijn zoons zullen uiteraard ook hier komen wonen en ik begrijp best dat het voor jou…” Hermine keek verstoord op toen de butler plotseling achter Brigitte verscheen. Er lagen twee rode blosjes op haar wangen en haar ogen glinsterden opgewonden.
“Neem me niet kwalijk, mevrouw. Ik ben bang…”
“Ziet u niet dat we in gesprek zijn?” onderbrak Hermine hem ongeduldig. “U stoort!”
Hubert trok zijn wenkbrauwen maar heel even op, waarna hij haar opmerking verder negeerde. Hij richtte zijn blik weer op Brigitte. “Ik ben bang dat ik…”
“Wel heb ik ooit! Hoor je niet wat ik zeg?” Vol verontwaardiging zette Hermine haar handen op haar meer dan omvangrijke heupen. Ze haalde even diep adem om flink van wal te kunnen steken, maar op dat moment verschenen Reinhald en Olivier plotseling aan het eind van de gang.
“Hier zitten jullie dus!” Reinhald kwam gejaagd op hen toe. “Ik was al bang dat je nog onderweg was, Hermine.”
Brigitte keek verbluft toe hoe hij op de vrouw toeliep en haar wang kuste.
“Waar is je auto? Olivier en ik gingen er al van uit dat je ergens gestrand was.”
“Ik heb mijn chauffeur weggestuurd,” antwoordde Hermine, terwijl ze haar arm meteen amicaal door de zijne stak. “Het is nergens voor nodig dat hij de hele avond blijft wachten. Ik weet zeker dat jij me straks met alle plezier naar huis brengt, Reinhald.” Ze keek vol aanbidding naar hem op.
Brigitte moest haar uiterste best doen om het niet uit te schateren. Tegelijk was ze zo kwaad over de onbeschaamde houding van dat mens, dat ze besloot er meteen werk van te gaan maken. “Ik heb van Hermine gehoord dat er mogelijk meer in de pen zit dan alleen een zakelijke samenwerking,” zei ze, terwijl het gezelschap de butler naar de salon des dames volgde. “Waarom hebben jullie me daar niets van verteld?”
“Het is niet nodig op de zaken vooruit te lopen, lieve Brigitte,” kwam de vrouw echter gejaagd tussenbeide. “Je hebt natuurlijk geen idee hoe moeilijk het is om op ons niveau onderhandelingen te voeren. Zodra we een resultaat bereiken, ben jij de eerste die het te horen krijgt, lieve Brigitte. Voorlopig is het beter dat buitenstaanders zich er niet mee bemoeien.”
“Buitenstaanders?” Brigitte was nu zo verontwaardigd dat ze er zowaar van begon te stotteren. “Maar… Denk je… Je schijnt niet te weten dat ik…”
Olivier zag de bui al hangen en probeerde snel tussenbeide te komen. “Hermine bedoelt…”
“Ik weet heel goed wat mevrouw Van Ommeren bedoelt! Ik ben er niet van gediend om…”
“We zijn allemaal een beetje prikkelbaar,” onderbrak Reinhald haar op sussende toon. “Het is nergens voor nodig om elk woord dat er gezegd wordt, op een gouden schaaltje te leggen, Brigitte.”
“Zo is het maar net! Het was echt niet mijn bedoeling om je te beledigen, hoor,” zei Hermine poeslief. “Het spijt me als ik me misschien een beetje ongelukkig heb uitgedrukt.” Ze glimlachte naar Reinhald, die goedkeurend knikte.
Ze hadden de deur van de salon des dames bereikt. Hij hield die met een hoffelijke buiging voor haar open.
“Wat is het toch heerlijk als een man weet hoe het hoort,” kirde Hermine en ze giechelde er zelfs even bij. “Je bent een echte gentleman, Reinhald.”
Hij wierp een waarschuwende blik op zijn zus, want aan de manier waarop ze hem aankeek, zag hij wel wat ze ervan dacht. Hij begreep niet waarom Brigitte zo moeilijk deed. Ze was heel wat gewend als het aankwam op het ontvangen van zakenrelaties.
Hermine liet zich met een smachtende zucht op het bankje neervallen waarop ze al eerder had gezeten. Hoewel het dit keer met nog meer gekraak protesteerde, klopte ze toch uitnodigend op de lege plaats naast haar. “Je komt toch zeker bij me zitten, Reinhald? Je moet me alles over je familie vertellen. Waar zijn je dochters? Ik dacht dat ze ook aanwezig zouden zijn?” Ze kon haar blik niet van hem losmaken.
Reinhald was dan ook een bijzonder knappe vent. Op zijn vijfenveertigste zou je niet zeggen dat hij al bijna van middelbare leeftijd was. Het enige wat een beetje zijn leeftijd verried, waren de grijze haartjes die begonnen door te schemeren bij zijn slapen. Die waren voor het eerst verschenen na het ongeluk waarbij zijn vrouw om het leven was gekomen. Reinhald sprak er niet over, maar zijn naaste familie wist dat hij nog altijd treurde om haar dood.
“Het leek me bij nader inzien toch beter om daar nog even mee te wachten. Als de contracten eenmaal getekend zijn, geven we een diner waarbij iedereen aan elkaar voorgesteld kan worden,” gaf Reinhald aan, terwijl hij een beetje ongemakkelijk plaatsnam naast de omvangrijke dame op het kleine bankje.
“Enig!” riep Hermine en ze greep gretig het glas van de zilveren schaal die Hubert haar voorhield. “Mijn idee! Ik heb ook tegen mijn jongens gezegd dat het verstandiger is om nog even te wachten. Ik weet wel dat ik gezegd heb dat ze met mij mee zouden komen, maar…” Ze legde in een vertrouwelijk gebaar haar hand op de arm van Reinhald. “Je weet hoe kinderen vaak kunnen zijn. Ze eisen alle aandacht op en soms kun je dat nu eenmaal niet zo goed gebruiken.”
Brigitte had zich ondertussen weer een beetje hersteld van de schrik. Het was natuurlijk nergens voor nodig om zich door dat dwaze mens op stang te laten jagen. De kans dat Reinhald met iemand als Hermine zou trouwen, was totaal afwezig. Eigenlijk was het zelf een beetje zielig dat die Hermine zich illusies maakte. Het was maar beter om net te doen alsof ze haar uitspraken van even tevoren weer was vergeten. “Hoe oud zijn je kinderen, Hermine?” vroeg ze dan ook zo vriendelijk mogelijk.
“Mijn oudste zoon is vijfendertig en de jongste tweeëndertig. Ze studeren allebei.”
Brigitte ving de waarschuwende blik van haar man gelukkig op tijd op. “Oh, ja?” vroeg ze alsof het de normaalste zaak van de wereld was om op die leeftijd nog te studeren. “Voor welke richting hebben ze gekozen?”
“Tobias junior doet architectuur en Walter heeft voor theologie gekozen. Het is natuurlijk heel interessant, maar zodra ze zijn afgestudeerd, verwacht ik toch dat ze voor het bedrijf aan de slag gaan.”
“Als theoloog?” kon Brigitte niet nalaten te zeggen.
Hermine keek haar koeltjes aan. “Ik weet wel dat veel mensen het vreemd vinden, maar persoonlijk ben ik van mening dat de wereld er een heel stuk beter zou uitzien als er in het zakenleven wat meer rekening werd gehouden met begrippen als fatsoen en moraal. Dat zijn allemaal dingen waar Walter heel wat over te vertellen heeft. Gelukkig hoor je tegenwoordig steeds vaker dat er morele codes worden opgesteld, waaraan men zich binnen bedrijven heeft te houden. Jammer genoeg ben ik nog niet in de positie om ze zelf ook in te voeren, maar ik ben zeker van plan ermee te beginnen zodra onze situatie het toelaat.” Ze keek Reinhald aan alsof ze applaus van hem verwachtte. “Ik hoorde van Brigitte dat jouw dochters ook nog studeren?” ging ze verder toen dat uitbleef. “Wat doen ze precies, Reinhald?”
“Michelle studeert communicatiewetenschappen en Lisanne doet een managementopleiding,” vertelde hij een tikje kortaf. Reinhald kreeg altijd iets terughoudends zodra hij over zijn gezin praatte.
Hermine leek dat totaal niet op te merken. “Als ze op hun vader lijken, is succes verzekerd,” zei ze dwepend. “Je hebt me nog niet verteld hoe het komt dat mijn mensen de laatste details niet met je hebben doorgenomen. Het was eigenlijk de bedoeling…” Ze keek verstoord op toen de deur openging en Nicolette binnenkwam.
Het meisje had meer mensen verwacht en was een beetje verbaasd dat er maar één gast was. “Goedenavond,” zei ze een beetje buiten adem. “Sorry dat ik een beetje laat ben, maar…”
“Hermine, mag ik mijn dochter Nicolette aan je voorstellen? Nicolette, dit is mevrouw Van Ommeren, een zakenrelatie van je vader en Reinhald.”
“Ik denk dat we er inmiddels ook wel van mogen uitgaan dat we vrienden zijn geworden,” gaf Hermine lachend aan, terwijl ze de hand van het meisje schudde. “Je lijkt sprekend op je vader, meisje. Dat is ook al zo’n knappe vent.” Het kwam er heel onschuldig uit, maar Brigitte wist plotseling zeker dat dat maar schijn was. Hermine liet geen enkele gelegenheid voorbijgaan om hatelijk uit de hoek te komen. Waarschijnlijk had ze zich echt in haar hoofd gehaald dat ze de nieuwe gravin van Daelenbergh zou worden. Ze ging er schijnbaar van uit dat de zus van haar aanbedene zich braaf zou neerleggen bij de veranderingen die dat met zich mee zou brengen.
Brigitte wist een zucht te onderdrukken. Het beloofde een lange, vervelende avond te worden.
“Heb jij nog iets van Stefan gehoord?” vroeg Nicolette haar moeder toen Olivier en Reinhald even later in druk gesprek met Hermine waren verwikkeld. “Hij zou toch op tijd thuiskomen om ook aanwezig te kunnen zijn?”
“Zijn ze er nog niet?” Door alle drukte van die Hermine was Brigitte haar zoon vergeten. Nu kwam ze verschrikt overeind en liep bezorgd naar het raam. “Het is al bijna donker!”
“Is er iets?” Olivier volgde haar met zijn ogen.
“Stefan en Pascal zijn nog niet thuis,” antwoordde ze. “We hadden afgesproken…”
“Pascal? Ik vroeg me al af waar hij bleef!” Hermine wist keer op keer alle aandacht op te eisen. “Je zei toch dat hij erbij zou zijn?”
“Hij zal zo wel komen,” antwoordde Reinhald. Hij glimlachte, maar Brigitte kon toch zien dat hij zich ergerde aan het bazige gedrag van de vrouw. “Misschien is het beter dat we alvast aan tafel gaan, Brigitte. Als ze door het slechte weer zijn overvallen, blijven ze misschien ergens schuilen totdat de bui is overgedreven.” Hij kwam overeind.
“Wil je zonder die lieve Pascal aan tafel?” riep Hermine verschrikt. “Dat meen je niet, Reinhald. Die arme jongen is toch al veel te mager. We moeten in ieder geval op je ouders wachten.”
Brigitte kon het nu echt niet laten zich ermee te bemoeien. “Mijn ouders laten de ontvangst van zakenrelaties tegenwoordig over aan ons,” zei ze. “Ze vinden het prettiger om in de beslotenheid van hun eigen vertrekken te dineren.”
“Ach, nee!” riep Hermine verschrikt uit. “Ik had me er zo op verheugd je moeder te ontmoeten, Reinhald! Ze kunnen toch zeker voor één keer wel een uitzondering maken? Ik weet zeker dat je vader het enig vindt om mij weer te zien!” Ze keek smekend naar hem op. “Toen Tobias zaken met hem deed, hebben we elkaar een paar keer ontmoet. Mijn overleden man zei altijd dat de graaf een echte heer is.” Ze draaide zich abrupt om en greep de arm van Nicolette, die maar nauwelijks had geluisterd naar wat er gezegd werd en verschrikt reageerde. “Ga jij je grootvader eens even vertellen dat mevrouw Hermine van Ommeren hem wil spreken, meisje! Ik weet zeker dat hij direct komt zodra hij mijn naam hoort. Vroeger heb ik hem heel regelmatig aan de telefoon gehad. Mijn man liet het nemen van belangrijke beslissingen namelijk altijd aan mij over. Hij wist gelukkig zelf ook wel dat hij niet veel aanleg had voor zakendoen. Vanachter de schermen heb ik altijd aan de touwtjes getrokken. Het lijkt me enig je vader eindelijk te kunnen vertellen hoe het er bij ons in werkelijkheid aan toeging, Reinhald.”
Nicolette was overeind gekomen en keek een beetje onzeker naar haar moeder.
“Ik zal even bellen,” besliste Olivier echter. Hij wist heel goed dat zijn schoonvader het helemaal niet prettig vond om gestoord te worden. “Hij zei vanmorgen dat hij zich niet zo lekker voelt. Als hij zich niet in staat voelt om ons gezelschap te houden, zullen we ons daarbij neer moeten leggen, Hermine.” Hij haalde zijn gsm uit de binnenzak van zijn colbert en koos een nummer.
Tijdens het gesprek dat volgde, probeerde Hermine ongegeneerd mee te luisteren. “Laat mij maar even,” riep ze toen ze merkte dat het anders verliep dan ze gehoopt had. “Ik weet zeker…”
“Ik ben bang dat hij al heeft opgehangen.” Olivier stopte het toestel meteen weg. “Mijn schoonvader laat je hartelijk groeten en hij hoopt je in de toekomst te kunnen ontmoeten.” Hij glimlachte om het beteuterde gezicht van de vrouw en richtte meteen daarna het woord tot zijn echtgenote. “Het lijkt me beter dat we nu aan tafel gaan, Brigitte. Ik moet toegeven dat ik nogal honger heb. Ik denk niet dat het veel zin heeft om nog langer op Pascal en Stefan te wachten. Als ze ergens mee bezig zijn, verliezen die twee alle besef van tijd.”
Brigitte wilde antwoord geven, maar kreeg daar gelegenheid voor. De deur van de zitkamer ging open. Hubert kwam binnen en werd op de voet gevolgd door iemand die Brigitte gewoonlijk liever zag gaan dan komen.
“Meneer Julius, mevrouw,” zei Hubert met een uitgestreken gezicht.
“Oom Julius!” Nicolette schoot met een blije lach overeind. Ze was dol op haar oom, die zo nu en dan kwam binnenvallen op het kasteel.
Julius Daelenbergh was de aan lager wal geraakte zoon van de oudste broer van de oude graaf. Ooit had hij aan het hoofd gestaan van een dochterbedrijf van het concern dat zich bezighield met het maken van ultra geheime communicatieapparatuur. De Daelenbergh Holding had het dochterbedrijf uiteindelijk moeten afstoten omdat er al jaren geen winst werd gemaakt. Julius had zich na hevig verzet moeten neerleggen bij de beslissing van de raad van commissarissen, maar was de klap nooit helemaal te boven gekomen. Toen daar ook nog eens het verdriet van een ongelukkige liefde bijkwam, was er geen houden meer aan geweest. Julius had overal de brui aan gegeven en gekozen voor het leven van een filosofisch ingestelde zwerver die bij de dag leefde.
Graaf Vincent Daelenbergh had hemel en aarde bewogen om hem weer op rechte pad te krijgen, want hij voelde zich schuldig over wat er met zijn neef was gebeurd. Het had allemaal geen zin gehad. Julius had niet naar hem willen luisteren en had alle schepen achter zich verbrand.
Hij was jarenlang onvindbaar geweest, maar op een gegeven moment had hij zich toch weer eens op het kasteel laten zien. Graaf Vincent had hem geld en nieuwe kansen geboden, maar daar had hij niets van willen weten. Hij had zich neergelegd bij zijn nieuwe bestaan en beweerde zelfs dat hij voor geen goud wilde ruilen met de rest van zijn familie. Hij nam het leven zoals het kwam.
Brigitte vond het meestal niets dat hij zomaar binnen kwam vallen, maar vanavond kwam het haar eigenlijk wel bijzonder goed uit. Daarom werd Julius een stuk vriendelijker ontvangen dan hij van haar gewend was. Ze glimlachte zelfs toen Nicolette uitgelaten haar armen om de neef van haar moeder heensloeg.
“Oom Julius! Wat heerlijk om je weer te zien! Waar heb je al die tijd gezeten?”
“Overal en nergens, meisje,” bromde hij gemoedelijk. Nicolette had zijn hart gestolen en wist precies hoe ze met hem om moest gaan. “Ik dacht, laat ik maar eens even kijken of ze hier nog wat onder de kurk hebben.”
“Voor jou altijd, oom Julius.”
“Nicolette, misschien is het verstandiger…” Olivier wilde zeggen dat Julius beter naar gravin Carmen en haar man kon gaan nu zij een gast hebben, maar dat kon hij natuurlijk niet maken na het telefoongesprek van zojuist.
“Kom ik soms weer ongelegen?” Julius was zo weer weg als hij het idee kreeg dat hij niet welkom was.
“Natuurlijk kom je gelegen, Julius,” zei Brigitte nu gejaagd. “Ik weet zeker dat je het enig vindt om mevrouw Van Ommeren te leren kennen.”
“Van Ommeren? Van Ommeren, zeg je? Ik heb vroeger iemand gekend die zo heette. Een arme drommel die vreselijk onder de plak zat bij zijn vrouw. Als ik me niet vergis…”
“Hermine, mag ik je voorstellen aan mijn neef Julius?” kwam Reinhald haastig tussenbeide. “Jammer genoeg zien we hem maar zelden op Kasteel Daelenbergh.”
“Aangenaam.” Hermine deed alsof ze de haar toegestoken hand niet zag. Julius zag er naar haar smaak te groezelig uit om aangeraakt te worden. Er kon alleen een vaag hoofdknikje af. “Hermine? Dat is een prachtige naam, mevrouw.” Julius maakte een overdreven buiging, waarna hij zijn lange haar naar achteren streek. Op zijn zevenenvijftigste was hij nog altijd een knappe man om te zien. Zelfs in de slecht zittende kleren en met een stoppeltjesbaard van een paar dagen had hij nog altijd iets aristocratisch over zich.
Hermine van Ommeren had er absoluut geen oog voor. “Dank u,” zei ze uit de hoogte, waarna ze weer direct haar blik op Reinhald richtte. “Waar hadden we het ook alweer over, Reinhald? Oh, ja! Je vader…”
Julius liet zich echter niet zo makkelijk het zwijgen opleggen. “Hoe gaat het met oom Vincent en tante Carmen? Ze zijn natuurlijk weer op reis. Als ik me niet vergis…” Hij zweeg even toen Hubert hem het blad met drankjes voorhield. “Aha! Precies wat ik nodig heb!” Julius dronk graag een glaasje, maar was zeker geen alcoholist. Het was zeker niet de drank die hem aan lager wal had gebracht. Hij hief zijn glas en keek glimlachend rond. “Op de familie,” zei hij. “Na alle avonturen die ik heb beleefd, is het heerlijk om thuis te komen!” Hij nam een flinke slok en slaakte een diepe zucht, waarna hij ging zitten.
“Heb je nog iets spannends meegemaakt, oom Julius?” vroeg Nicolette gretig. Net als haar grootmoeder Carmen was ze dol op de verhalen die Julius vertelde over zijn zwerversbestaan. “Zal ik oma roepen? Ik weet zeker…” Ze was al half overeind gekomen en keek verward naar haar moeder toen die haar hand greep en haar zo tegenhield.
Julius leek het niet te merken. “Wat ik mee heb gemaakt, valt met geen pen te beschrijven, meisje,” antwoordde hij gewichtig. “Als je net als ik aan de onderkant van de samenleving verkeert, zie je dingen die voor anderen verborgen blijven. De zelfkant brengt het slechtste, maar ook het beste in mensen naar boven. Toen ik verleden week in Minsk was, ben ik op een haar na aan de dood ontsnapt. Ik durf te beweren dat…”
Julius begon uit de doeken te doen wat hem allemaal was overkomen. Terwijl hij praatte, vulde Hubert zo nu en dan zijn glas bij. Gewoonlijk liet de butler de familie alleen, maar als Julius er was, wilde hij niets missen van wat die te vertellen had. Hij wist dat men in de keuken van hem verwachtte dat hij het daar woordelijk herhaalde.
Hermine vond het maar niets dat ze niet langer in het middelpunt van de belangstelling stond. Ze luisterde met tegenzin en liet zo nu en dan duidelijk merken dat ze niets geloofde van Julius’ sterke verhalen. Ze durfde niet te ver te gaan, want Reinhald nam het dan meteen op voor zijn neef. Toen Julius zelfs beweerde dat hij in Wit-Rusland had kennisgemaakt met de broer van de door de Bolsjewieken vermoorde tsaar, kon ze er toch niet meer tegen. “Dat is onmogelijk!” riep ze geërgerd. “De tsaar en zijn familie zijn in 1917 vermoord! Hij had helemaal geen broer en als hij die al wel had gehad, zou die man nu ver over de honderd zijn!”
“In die contreien worden mensen stokoud, mevrouw,” antwoordde Julius doodleuk. Hij liet zich nergens door uit het veld slaan. “Tijdens onze deliberaties zijn we er trouwens achtergekomen dat de Daelenbergh-dynastie verwant is aan het Russisch vorstenhuis. In de zeventiende eeuw is de tsarevitsj getrouwd met een zekere Anna Daelenbergh, maar jammer genoeg is hij overleden voordat hij de troon kon bestijgen. Anna moest vluchten, omdat de opvolger van haar man het op haar leven had voorzien. In Nederland is ze in het diepste geheim van een zoon bevallen, die dus de rechtmatige erfgenaam was van de Russische troon. Volgens mijn eerbiedwaardige gesprekspartner, wiens naam mij jammer genoeg verboden is te noemen, is het kind door de toenmalige graaf Daelenbergh erkend als zijn zoon en erfgenaam.” Hij keek zijn neef triomfantelijk aan. “Dat betekent dat je in feite een Romanov bent, Reinhald. Ik ben van plan het een en ander na te gaan trekken, maar ik ben er nu al van overtuigd dat je rechten kunt laten gelden op de Russische troon.”
“Wat?” Hermine van Ommeren wist nu helemaal niet meer hoe ze het had. Ze kon niet geloven dat deze kerel, die zomaar was komen binnenvallen, de waarheid sprak. Toch wist je het natuurlijk maar nooit. Stel eens dat het waar was? Die mogelijkheid deed haar duizelen.
Brigitte had al een paar keer een halfslachtige poging gedaan om tussenbeide te komen, maar nu was ze vastberaden. “Het spijt me, maar we moeten nu echt aan tafel, Julius,” zei ze terwijl ze overeind kwam. “Als we nog langer wachten, komt Stien in opstand.”
“Stien!” Julius slaakte een diepe zucht. “Ah! Stien! Hoe gaat het met mijn aanbedene?”
“Stien maakt het uitstekend,” antwoordde Brigitte kortaf. Ze kon er niet goed tegen dat iedereen zo dweepte met de kokkin. “Ze is nog net zo koppig als vroeger.” Ze draaide zich om naar Hubert. “Als je meneer Julius even laat zien waar hij zich kan opfrissen, gaan wij vast naar de eetkamer, Hubert. We wachten daar op je, Julius.”
Gewoonlijk at die in de keuken als hij op Daelenbergh was. Brigitte beweerde voortdurend dat hij dat zelf prettiger vond, maar dat was natuurlijk niet waar. Ze maakte dit keer alleen maar een uitzondering omdat ze Hermine wilde ergeren. Aan de norse blik die deze haar toewierp, zag ze wel dat ze in haar opzet geslaagd was.
“Wat een charmante man,” zei Hermine met een gemaakt lachje terwijl ze Reinhald naar de prachtig ingerichte eetkamer volgde. “Vertel eens, is het mogelijk dat er iets waar is van dat verhaal?” Ze lachte even om aan te geven dat ze niet iemand was die zich zomaar van alles liet wijsmaken. “Mij lijkt het nogal vergezocht, maar je weet het natuurlijk maar nooit. Ik heb me wel eens laten vertellen dat de meeste oude, adellijke families op een of andere manier verwant zijn aan elkaar. Dat komt omdat ze vroeger nooit buiten hun eigen stand trouwden.” Ze keek Reinhald met een veelbetekenend lachje aan. “Ik ben blij dat die ouderwetse regels overboord zijn gegooid.”
“Het kan best kloppen,” antwoordde Brigitte, die vlak achter hen liep. “Kun jij je tante Henriëtte nog herinneren, Reinhald? Die beweerde ook altijd dat we koninklijk bloed in onze aderen hebben.” Die opmerking kwam haar te staan op een verwijtende blik van haar man. Olivier kende haar goed genoeg om te weten wanneer ze iemand in de maling nam.
“Ons bloed is anders net zo rood als van gewone mensen, hoor,” zei Nicolette, die niet zoveel moest hebben van het idee dat de adel beter zou zijn. “Ik hoop maar dat Pascal en Stefan snel komen. Het is jammer als ze de verhalen van oom Julius moeten missen.”
“Zijn ze nog altijd niet terug, Hubert?” Nu Brigitte weer aan het tweetal werd herinnerd, maakte ze zich meteen weer zorgen. “Hoe laat is het?” vroeg ze aan Olivier, die haar hielp met de zware eetkamerstoel.
“Bij zevenen.” Hij fronste zijn voorhoofd en liep naar het raam. “Het regent dat het giet. Ik ga proberen of ik ze te pakken krijg op hun mobiel. Als dat niet lukt, ga ik Zandstra bellen om te vragen of hij iets heeft gehoord.”
“Ze nemen hun mobieltje nooit mee naar de hei, papa,” reageerde Nicolette meteen. Zij was stiekem ook best een beetje bezorgd om haar broertje.
“Bel Zandstra dan maar meteen, ik maak me zorgen,” gaf Brigitte aan.
Olivier verontschuldigde zich en liep naar de deur, waar hij bijna tegen Julius opbotste.
“Als ze terugkomen, zwaait er wat!” zei Brigitte toen die was gaan zitten. “Ik heb nog zo gezegd was ze op tijd thuis moesten zijn.”
“Over wie heb je het nou?” Julius had natuurlijk de stoel naast die van Hermine uitgekozen. Die wierp een gelaten blik op Reinhald en schoof een stukje zijn kant op.
“Over Stefan en Pascal. Ze zijn vanmorgen naar De Hagen gegaan en zijn nog altijd niet terug.”
“De Hagen? Met dit weer? Dat kan gevaarlijk zijn.” Julius greep direct het glas nadat Hubert het met wijn had gevuld. “Op hun behouden terugkeer dan maar. Dit is geen avond om te verdwalen.” Hij nam een flinke slok van zijn wijn. “Dat doet me denken aan die keer dat ik heb kennisgemaakt met de geest van De Hagen. Toen was het ook zulk noodweer. Ik…”
“Hou op, Julius!” Nu ze zich onongerust maakte, was Brigitte helemaal niet in de stemming om naar zijn sterke verhalen te luisteren. “We hebben een gast vanavond,” vervolgde ze iets minder heftig. “We mogen Hermine natuurlijk niet vervelen met onze familieanekdotes.” Ze glimlachte naar de vrouw.
Hermine greep meteen de kans om zelf het woord te nemen. Zelfs toen Olivier terugkwam en de eerste gang werd opgediend, liet ze zich niet van haar à propos brengen. Nu ze eenmaal het woord had, was ze niet van plan dat weer af te geven. Ze begon over de zakelijke successen van haar bedrijf, waarmee ze de ongeschreven wet overtrad om het aan tafel nooit over zaken of geld te hebben. Ze merkte niet eens dat er door haar toekomstige partners niet bepaald enthousiast op werd gereageerd.
“Nu Van Ommeren en de Daelenbergh Holding worden samengevoegd, kan niemand meer om ons heen!” zei ze op een gegeven moment. “Ik heb ook al een nieuw naam bedacht voor de onderneming. Wat zouden jullie denken van Ommerbergh?” Ze greep haar glas. “De samenvoeging van mijn expertise en jullie handelservaring levert een onderneming op die toonaangevend zal worden in Europa! Ik voorspel dat we het over tien jaar volledig voor het zeggen zullen hebben in onze branche! Ik breng een toost uit op Ommerbergh!”
Nicolette was wel een en ander gewend, maar nu kon ze zich toch niet meer goed houden. Het idee dat de naam Daelenbergh door zoiets bespottelijks als Ommerbergh werd vervangen, bezorgde haar de slappe lach. In het begin probeerde ze dat nog achter haar hand te verbergen, maar in de doodse stilte die er opeens viel, was haar gegrinnik goed hoorbaar. Julius had minder scrupules. Hij gooide zijn hoofd in zijn nek en schaterde het uit.
“Ik zou niet weten wat er zo grappig is!” reageerde Hermine geïrriteerd. “Misschien kun jij even uitleggen dat een fusie de meest logische volgende stap is, Reinhald? Ik meen toch te mogen aannemen dat jij als voorzitter van de directie van de Daelenbergh Holding begrijpt wat dit voorstelt. Ik ben tot nu toe een beetje terughoudend geweest in mijn opstelling, maar als je mijn juristen de kans had gegeven de laatste toevoegingen uiteen te zetten, had je kunnen weten…”
“Het spijt me, maar er kan geen sprake zijn van een fusie, Hermine,” onderbrak Reinhald haar na een afkeurende blik op Nicolette en Julius, die nog altijd zaten te lachen. "Dat heb ik vanaf het begin gezegd. De Daelenbergh Holding is en blijft zelfstandig, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat de samenwerking daarom minder voordelig zou zijn. Ik weet niet wat de toevoegingen inhouden waar je het over hebt, maar die zijn uiteraard bespreekbaar. Mijn broers en ik staan altijd open voor constructieve suggesties. Ik meen mij te herinneren dat we tijdens onze laatste bijeenkomst hebben afgesproken, geen verdere veranderingen meer toe te voegen aan het concept. Je hebt waarschijnlijk een goede reden om daarvan af te wijken, maar…”
“Die heb ik zeker!” riep Hermine hartstochtelijk. “Voor mij is het alles of niets!”
Olivier wilde iets zeggen, maar Reinhald legde hem met een handgebaar het zwijgen op. Hij keek de vrouw, die naast hem zat, afwachtend aan.
“Ik meen het!” Ze wierp een blik op Brigitte. “Ik kan net zo goed open kaart spelen. Op onze leeftijd heeft het geen zin meer om lang om de hete brij te draaien.” Ze greep haar glas. “Ik ben van mening dat jij en ik uitstekend bij elkaar passen, Reinhald. En dan heb ik het niet alleen over zakelijke overeenkomsten. Je bent een man die recht op zijn doel afgaat en zo ga ik ook te werk. Daarom lijkt het me een goed idee om niet alleen onze bedrijven aan elkaar te koppelen, maar ook op ander terrein een fusie aan te gaan. Als we trouwen, heeft dat voor ons allebei voordelen.”
Reinhald was zo verbijsterd, dat hij niet direct in staat was te antwoorden. Hij was zeker niet de enige die met stomheid geslagen was. Olivier, Nicolette en Julius wisten niet wat ze hoorden. Alleen Brigitte was voorbereid geweest op wat er ging komen. Ze had haast medelijden met Hermine van Ommeren, die vol adoratie naar Reinhald zat te kijken.
“Waarom zeg je niets?” vroeg ze toen de stilte wel heel lang ging duren. “Ik begrijp dat ik je er misschien mee overval, maar als je er goed over nadenkt…”
Julius schoof abrupt zijn stoel achteruit en hief zijn glas. “Op het bruidspaar!”
“Hou je mond!” Reinhald keek hem zo boos aan, dat Julius met een beduusd lachje ging zitten. Vervolgens richtte Reinhald zijn blik op Hermine. “Het spijt me, maar dat is absoluut onmogelijk, mevrouw Van Ommeren,” zei hij stijfjes. “Ik ben volstrekt niet van plan ooit nog te hertrouwen.”
“Dat… dat begrijp ik wel, maar als je denkt aan wat het in ons geval voor voordelen met zich meebrengt…” Hermine had een heel andere reactie verwacht. Ze was zo uit het veld geslagen door de resolute afwijzing, dat ze even niet goed meer wist wat te zeggen.
“Een huwelijk wordt gesloten om de liefde tussen twee mensen te bekrachtigen,” zei Reinhald kortaf. “Dat heeft niets te maken met zakelijke voordelen. Het spijt me, maar ik zou het op prijs stellen als we dit pijnlijke onderwerp verder kunnen laten rusten.”
“Natuurlijk. Natuurlijk.” Hermine van Ommeren had een vuurrode kleur gekregen. Ze glimlachte krampachtig, maar Brigitte zag wel dat ze ziedend was over de afwijzing.
Na enkele tellen van doodse stilte kwam ze er toch weer op terug: “Nu je zo reageert, is het misschien toch verstandig dat we de voorwaarden van onze samenwerking nog eens onder de loep leggen,” zei ze met trillende stem. “Ik ben bang dat ik toch iets te toegeeflijk ben geweest. Zo zie je maar dat het verstandig is te wachten totdat alle kaarten op tafel liggen, voordat je definitieve beslissingen neemt.”
“Mag ik weten wat je daarmee bedoelt?” De toon van Reinhald was niet al te vriendelijk. Hij had het aanzoek als een regelrechte belediging gezien. Dat iemand ook maar één moment kon denken dat hij alleen zou trouwen om zakelijke belangen veilig te stellen, vond hij te idioot voor woorden.
“Precies wat ik zeg!” snauwde Hermine. “Ik dacht dat jij realistisch genoeg was om te begrijpen waar de belangen van je bedrijf liggen. Nu je hebt laten zien dat je je daar niets aan gelegen laat liggen, komt de overeenkomst op losse schroeven te staan. Ik ga niet in zee met een man die zo weinig oog heeft voor de continuïteit en de belangen van zijn onderneming.”
Olivier vond het tijd worden om in te grijpen. “Wacht even, Hermine,” zei hij met een zenuwachtig lachje. “Het is nergens voor nodig om zo ver te gaan. Ik begrijp best dat je aan een huwelijk hebt gedacht als garantie, maar ik kan je verzekeren…”
“Doe geen moeite, Olivier,” onderbrak Reinhald hem op barse toon. “Als mevrouw Van Ommeren geen vertrouwen heeft in ons als zakenpartners, vind ik het verstandiger om de hele zaak af te blazen.” Hij schoof abrupt zijn stoel achteruit. “Het spijt me, maar ik moet u verzoeken afscheid te nemen.”
“Wat?” Hermine wist niet wat ze hoorde. “Ben je helemaal gek geworden? Ik laat me niet aan de deur zetten! We hebben afspraken gemaakt! Het is nog tot daar aan toe dat je me hebt laten geloven dat het iets tussen ons kon worden, maar…” Ze draaide zich om naar de deur toen Hubert binnenkwam.
“Wil je een taxi voor mevrouw Van Ommeren laten komen?” vroeg Reinhald, waarna hij haar met hooghartig opgetrokken wenkbrauwen aankeek. “Goedenavond, mevrouw.”
“Wat?” Ze stond ook op en volgde hem toen hij naar buiten liep. “Dit zet ik je betaald, Daelenbergh! Denk maar niet dat ik dit over mijn kant laat gaan! Er zijn wel meer ondernemingen met wie ik het op een akkoordje kan gooien! Als ik klaar ben met jou, kun je het verder wel vergeten! Ik zorg ervoor dat geen hond nog zaken met je wilt doen! Je bent niks anders dan een omhooggevallen blaaskaak die denkt dat ie beter is dan anderen omdat ie toevallig van adel is! Met al je poeha ben je mooi niet in staat het in je eentje te rooien! Van Ommeren is vanaf de grond door mij opgebouwd! Daar zou jij nooit toe in staat zijn geweest! Je hebt alles in de schoot geworpen gekregen en dan nog lukt het niet om op eigen kracht…”
Ze had niet gemerkt dat ergens een deur was opengegaan. Graaf Vincent was op het tumult afgekomen en stond vol ongeloof te luisteren naar het getier van de vrouw.
“Zo is het genoeg,” zei hij toen ze even zweeg om adem te halen. "Hubert, breng mevrouw naar de personeelsingang. Daar kan ze wachten totdat ze wordt opgehaald.”
“Wat?” Hermine hapte van verontwaardiging naar adem. Ze draaide zich naar graaf Vincent om en keek hem met uitpuilende ogen aan. “Weet u eigenlijk wel wie ik ben? Ik ben de eigenaar van Van Ommeren en ik eis…”
“Mevrouw, u gedraagt zich als de eigenaar van een bazaar in prullaria,” antwoordde de oude graaf onaangedaan. “Daarom denk ik dat het voor iedereen beter is dat u zo snel mogelijk vertrekt. Hubert…”
De butler wist precies hoe hij dit soort dingen aan moest pakken. Het kostte moeite, maar even later had hij de luidkeels protesterende vrouw toch meegetroond naar een ruimte waar ze verder niemand tot last was.
Graaf Vincent keek boos naar zijn schoonzoon. “Olivier, wat heeft dit te betekenen? Waar is Reinhald? Ik wil wel eens weten waarom…” Vincent vergat wat hij wilde zeggen toen hij zijn neef in de gaten kreeg. “Julius! Waarom heeft niemand me verteld dat Julius er is?” vroeg hij en hij omhelsde zijn neef innig. “Hoe maak je het, jongen?” Ik ben blij dat jij je weer eens laat zien. Waarom ben je niet meteen naar tante Carmen en mij gekomen? Je weet dat je altijd welkom bent!”
“Ik wilde je niet storen,” antwoordde Julius. “Brigitte heeft me gevraagd voor het diner en…”
“Brigitte?” Daar keek de graaf van op. “Ik ben blij dat je daaraan hebt gedacht.” Hij glimlachte even goedkeurend naar zijn dochter. “Ik zie dat jullie nog aan het diner zitten, maar na de maaltijd sta ik erop dat de koffie in onze salon wordt gebruikt. Jullie zijn allemaal welkom.” Hij keek Brigitte weer aan. “Heb je er al aan gedacht zijn kamer klaar te laten maken?” Hij wachtte niet op antwoord en liep alweer naar de deur. “Hubert! Hubert, je moet ervoor zorgen dat de kamer van Julius wordt klaargemaakt!”
“Ik ben zo vrij geweest daar alvast voor te zorgen, meneer.”
“Uitstekend! Uitstekend!” Hij wilde weglopen, maar bedacht zich weer. “Is dat ordinaire mens inmiddels afgevoerd?” Hij richtte zijn blik op Brigitte. “Je moet toch echt wat zorgvuldiger worden in de keuze van je gasten. Het is heel onaangenaam om met dergelijke individuen geconfronteerd te worden. Hoogst onaangenaam.” Met die woorden liep hij weg.
“Welja!” Brigitte slaakte een machteloze zucht. “Alsof het allemaal mijn schuld is! Hoorde je wat hij zei?”
Olivier had het te druk met andere dingen om daar antwoord op te geven. Hij had zijn mobieltje tevoorschijn gehaald en het nummer van zijn broer gekozen. “Ze is weg,” zei hij toen er werd opgenomen. “Papa heeft haar aan de deur laten zetten. Nee, ik… Ja, dat begrijp ik wel, maar… Als de samenwerking niet doorgaat, moeten we direct een alternatief zoeken, Reinhald. Begrijp je wel wat dit betekent?” Al pratende liep hij in de richting van de deur. “Nee, daar is geen tijd voor. We moeten direct in actie komen als we nog iets willen redden. Ik weet zeker dat ze ons na dit debacle het vuur aan de schenen gaat leggen. Als we niet uitkijken, kan dit desastreuze gevolgen hebben voor…”
“Olivier! We zijn nog aan tafel!” Brigitte was niet van plan hem zomaar te laten vertrekken.
Hij legde zijn hand over spreekgedeelte van het toestel. “Dit kan niet wachten, Brigitte. We moeten de schade, die nu al is aangericht, zien te beperken!” Hij haalde zijn hand weg en zette het gesprek met Reinhald voort. “Ik stel voor dat we onmiddellijk contact opnemen met De Jong & Zonen. Ik heb toevallig gehoord…”
Brigitte slaakte een diepe zucht toen de deur achter haar man in het slot viel.
“Ik zie dat hier niet veel veranderd is,” stelde Julius glimlachend vast. “De vier musketiers zitten nog allemaal in het zadel. Waar zijn Roelof en Pascal trouwens?”
“Roelof is in het buitenland met Sylvia en hun dochter,” antwoordde Brigitte een tikje kortaf. “En Pascal…” Ze wierp een blik op haar horloge. “Vind je niet dat ze nu wel heel erg lang wegblijven?” Ze keek haar dochter zorgelijk aan.
“Je weet hoe ze zijn,” antwoordde Nicolette schouderophalend. "Als die twee eenmaal ergens mee bezig zijn…”
“Je vader heeft toch met Zandstra gebeld?” Brigitte kwam overeind. “Waarom heeft hij ons niet verteld wat die ervan vindt?”
“Zandstra heeft vandaag vrij, mama,” antwoordde Nicolette nu. Het was haar ineens ingevallen, daar had ze eerder op de avond helemaal niet bij stilgestaan. “Het is zaterdag. Waarschijnlijk heeft papa hem niet eens kunnen bereiken.”
Brigitte liep naar het raam en keek handenwringend naar buiten. Niet dat daar veel viel te zien. Het enige wat ze zag, was haar eigen spiegelbeeld en de eetkamer erachter. Plotseling voelde ze een warme arm om haar heen.
“Maak je nou maar niet druk, mam,” zei Nicolette. “Pascal en Stefan lopen echt niet in zeven sloten tegelijk. Waarom stuur je Gaston er niet heen als je het niet vertrouwt?”
Gaston was de chauffeur van de oude graaf, maar als die hem niet nodig had, deed hij andere klusjes op het kasteel.
“Gaston werkt vandaag niet,” antwoordde Brigitte. “Ik kan toch moeilijk van hem verlangen dat hij in zijn vrije tijd op zoek gaat naar…”
“Dan gaan we toch zelf?” onderbrak Nicolette haar overmoedig. “Ik weet zeker dat oom Julius ons wel wil helpen met zoeken.” Ze draaide zich om naar de man die als enige aan tafel was overgebleven. Julius at onverstoorbaar verder en liet het zich goed smaken. “Je gaat toch zeker mee als we bij De Hagen gaan kijken, oom Julius?”
“Bij De Hagen?” Hij rilde overdreven. “Voor geen goud! Daar krijg je me met geen tien paarden heen, meisje. Ik ben niet levensmoe!”
“Levensmoe? Wat bedoel je daarmee?”
“Precies wat ik zeg.” Julius lepelde het kwarteleitje helemaal leeg voordat hij doorging. “Het is daar niet pluis.”
“Doe niet zo gek, oom Julius.” Nicolette keek hem boos aan. “Je maakt mama bang.”
“Maar nog lang niet zo bang als ik ben geweest toen ik er de laatste keer was.”
“Uitstekend!” snauwde Brigitte, die er nu echt genoeg van had. “We kunnen het best zonder jou af. Nicolette, we gaan nu meteen!” Ze draaide zich om toen de deur zonder kloppen werd opgerukt.
Stien verscheen in de deuropening. Aan de blik waarmee ze Brigitte bekeek, was te zien dat die nog meer problemen had dan ze tot nu toe had gedacht. “Mag ik weten hoelang we nog moeten wachten met de volgende gang?” vroeg ze afgemeten. “De meisjes zijn om negen uur vrij en zelf heb ik vanavond ook een afspraak.” Ze keek demonstratief op haar horloge.
“We hoeven niet meer te eten,” antwoordde Nicolette in plaats van haar moeder. “We gaan Stefan en Pascal zoeken.”
Stien keek haar verwonderd aan. “Wat zeg je? Waar zijn die dan?”
“Als we dat wisten, hoefden we niet te zoeken,” snauwde Brigitte, die een beetje week om de neus was geworden. “Ik ga snel iets anders aantrekken, Nicolette.” Ze wachtte niet op antwoord en liep naar buiten.
“Bedoel je…” Stien keek het meisje uit het veld geslagen aan. “Zijn ze nog niet terug van de hei?”
Julius kon er niet langer tegen dat hij gewoon genegeerd werd. Hij kwam overeind en liep op hen toe. “Stien! Sinds wanneer word ik niet meer behoorlijk begroet? Klopt het soms toch dat je een nieuwe vrijer hebt?”
“Hallo, Julius.” Er gleed een vluchtige glimlach om haar mond, maar meteen daarna richtte ze haar blik opnieuw op Nicolette. “Vertel op, Nicolette. Als ze de hele dag op de hei hebben gezeten…”
“Ze zijn bij De Hagen,” onderbrak Julius haar. “Dat is nog veel erger.”
“De Hagen? Wat hebben ze daar te zoeken rond deze tijd van het jaar?” Stien zou het nooit toegeven, maar diep in haar hart was ze ontzettend bijgelovig. De verhalen over het spook dat daar rondwaarde, joegen haar doodsangsten aan.
“Volgens Zandstra zijn de otters terug, die wilden ze gaan filmen,” antwoordde Nicolette haastig. “Ik moet me snel even omkleden,” vervolgde ze. “Mama en ik gaan erheen om ze te zoeken.”
“Niet zonder mij! Ik waarschuw Gaston alvast! Heb je Hubert gevraagd mee te gaan?” Ze kreeg geen antwoord, maar dat was ook niet nodig. Stien was er niet de vrouw naar om iets belangrijks als dit aan iemand anders over te laten. Ze besloot meteen zelf de nodige hulptroepen te mobiliseren. Het idee dat haar oogappel Pascal iets was overkomen, kon ze niet verdragen. Dat Stefan en hij niet op tijd terug waren gekomen, kon alleen maar betekenen dat ze in moeilijkheden waren geraakt. Stien was doodsbang voor het mysterieuze bos dat in het midden van het natuurgebied lag, maar daar mocht ze nu niet aan toegeven. Pascal had haar hulp nodig.
Julius volgde haar naar de keuken van Kasteel Daelenbergh en luisterde terwijl ze gejaagd instructies gaf aan de rest van het huispersoneel.
“Marijke, jij blijft hier om voor mevrouw Carmen en meneer Vincent te zorgen. Het is belangrijk dat ze niets merken van wat er gebeurt. Als de gravin hoort wat er gaande is, krijgt ze zo meteen weer een hartaanval. Elke, jij ruimt de boel op. Als je klaar bent, kun je de overgebleven gerechten mee naar huis nemen.”
Elke kwam uit een groot gezin en had een vader die vaak ziek was. Stien wist dat ze het thuis niet al te breed hadden en gaf wel vaker gerechten mee, die niet waren gegeten. De gravin wist ervan, maar voor Brigitte hield ze het stil. Het was nergens voor nodig om slapende honden wakker te maken.
Ze greep de telefoon en belde met de chauffeur van de graaf, die in het rentmeesterhuisje aan het begin van de oprijlaan woonde. Stien had een verhouding met Gaston, maar ze dacht dat niemand dat wist. In werkelijkheid was iedereen op het kasteel ervan op de hoogte.
“Gaston, je spreekt met Stien van de keuken,” zei ze vormelijk toen er werd opgenomen. “Ik ben blij dat je thuis bent. We hebben je hulp nodig. Pascal en Stefan zijn de hei op gegaan en ze zijn nog altijd niet thuisgekomen. Het is al bij negenen en ik vertrouw de zaak niet. We moeten gaan zoeken. Julius kan ons daarbij helpen. Hij kent het hele gebied op zijn duimpje. Hij heeft al aangeboden de zoektocht te leiden…” Ze had niet eens in de gaten dat Julius wilde protesteren. “Nee, we hebben geen tijd te verliezen. Ik verwacht je binnen vijf minuten in de keuken!” Stien gooide de hoorn op de haak en greep het dikke vest dat ze altijd aantrok als ze naar de kruidentuin moest. Naast de achterdeur stonden hoge kaplaarzen waarin dikke sokken zaten. Ze schopte haar schoenen uit en trok die aan.
“Wat is hier aan de hand?” vroeg Hubert, die met een groot dienblad binnenkwam. “Mevrouw Carmen en meneer Vincent willen koffie, Stien. Je zou toch zetten? Heb je nog…”
“Elke zorgt voor de koffie,” onderbrak ze hem kortaf. “Jij gaat met ons mee. Pascal en Stefan zijn niet teruggekomen van de hei. We moeten direct weg, want er is al kostbare tijd verloren gegaan. Als ik eerder had geweten dat ze nog niet terug waren… Ik begrijp niet waarom mij nooit iets wordt verteld! Je moeder had veel eerder alarm moeten slaan!” vervolgde ze met een wrevelige blik op Nicolette, die nu ook in de keuken verscheen. “Er kan wel van alles gebeurd zijn…”
“We dachten…”
“Heb je die oude jas nog voor me bewaard, Stien?” Julius had het sjofele colbertje dat hij droeg uitgetrokken. “Ik wil niet dat mijn nieuwe tweedjasje nat wordt.”
Nicolette wilde zeggen dat het er anders helemaal niet zo nieuw uitzag, maar wist zich te bedwingen.
“Ja, die hangt hier naast de deur…”
Stien draaide zich hoopvol om naar de achterdeur toen die openging, maar meteen daarop betrok haar gezicht weer. “Oh, ben jij het maar.”
“Ook goedenavond.” Gaston knipperde met zijn ogen tegen het felle licht. Hij had zich dik aangekleed en droeg een regenpak en een zuidwester over zijn kleding. Het water dat eraf drupte, vormde een plasje op de keukenvloer. “Ik heb die sterke zaklampen meegenomen die ik pasgeleden van mijn maat hen overgenomen. Zo zie je maar dat ze toch goed van pas komen.” Gaston had een vriend die bij de politie werkte. De zaklampen die zij gebruikten, waren veel beter dan de dingen die in de handel verkrijgbaar waren. Stien had natuurlijk commentaar gehad toen hij er een stuk of tien had gekocht voor het kasteel. “Hebben ze nog gezegd waar ze precies naartoe gingen?”
“Brigitte zegt dat Zandstra de otters gezien heeft bij De Hagen,” antwoordde Julius. “Ik ben bang dat we toch het bos in moeten.” Aan zijn gezicht te zien had hij daar niet veel zin in. Hij draaide zich om toen de deur openging.
Brigitte kwam binnen. Ze leek totaal niet meer op de elegante gastvrouw van even tevoren. Nu droeg ze een spijkerbroek en een dikke trui, met daarover een oude bodywarmer van haar man. Ze liep op kousenvoeten en droeg de rijlaarzen in haar hand, die ze altijd gebruikte als ze uitreed met haar paard. “Is iedereen klaar?” vroeg ze gejaagd. “We moeten direct gaan!”
“Ik heb voor extra sterke zaklampen gezorgd, mevrouw,” zei Gaston. “Ik denk dat we die goed kunnen gebruiken.” Hij kreeg niet eens antwoord.
Brigitte trok het waterdichte jack aan dat ze had meegenomen en ging zitten om haar laarzen aan te trekken. Ze stampte ongeduldig met haar voet op de grond om de laars makkelijker aan te krijgen. “Heb je aan je telefoon gedacht, Nicolette? Ik heb de mijne ook meegenomen. Als ze gewond zijn, moeten we direct hulp kunnen inschakelen.”
Nicolette gaf geen antwoord, maar liet wel even haar toestel zien voordat ze die weer wegstopte. Ze was een beetje bleek, want ze begon zich hu toch ook zorgen te maken over haar broer. “Als oom Pascal erbij is, kan er toch niets gebeuren,” zei ze. “Hij weet heus wel wat hij doet, mama.”
“Pascal?” Brigitte snoof misprijzend. Voor haar was haar jongste broer nog altijd een onbezonnen kind zonder enig besef van gevaar. Ze had het nooit goed mogen vinden dat Stefan met dit weer met hem op pad ging! Ze had kunnen weten dat er iets zou gebeuren! “We gaan!” Ze trok met driftige gebaren de dunne kalfsleren handschoenen aan.
“Ik dacht dat Hubert en Stien mee zouden gaan, mevrouw,” zei Gaston toen ze de keukendeur openrukte. “Het is beter om met genoeg mensen op pad te gaan.”
Brigitte stond te popelen om in actie te komen, maar wist wel dat hij gelijk had. Ze had even met haar man overlegd, maar die vond het overdreven om nu al te gaan zoeken. Volgens hem lag het voor de hand dat het tweetal ergens was gaan schuilen voor het slechte weer en vanzelf boven water zou komen. Daar kwam ook nog eens bij dat Reinhald en hij het veel te druk hadden met het nemen van noodmaatregelen nu de samenwerking met Hermine van Ommeren was afgeketst.
Brigitte had ongeduldig geroepen dat hij het allemaal weer eens aan haar overliet, maar had niet verder aangedrongen. Ze wist ook wel dat ze toch niet veel aan hem zou hebben. Olivier was geen buitenmens. In al die jaren dat hij op Daelenbergh woonde, kon ze zich niet herinneren dat hij ook maar één keer op de hei was geweest.
“Zijn jullie eindelijk zover?” vroeg ze ongeduldig toen Hubert en Stien dik ingepakt in de keuken verschenen. “Kunnen we nou eindelijk gaan?”
Stien reageerde niet eens op haar ongeduldig toontje. “Waar zijn die lampen? We nemen er ieder twee voor het geval er een uitvalt.” De kokkin nam als vanzelfsprekend de leiding. “Gaston, jij, Julius en ik nemen de bestelauto. Brigitte, Nicolette en Hubert gebruiken de Landrover.” Ze opende de achterdeur. Nadat ze diep had ademgehaald, liep ze met gebogen hoofd door de striemende regen naar de bestelwagen die voornamelijk werd gebruikt om de keuken te bevoorraden. “Opschieten, mensen! We hebben geen tijd te verliezen!”
Brigitte merkte dit keer niet eens dat de kokkin het voortouw had genomen. Ze was zo ongerust, dat ze alleen aan de gevaren kon denken die Stefan en Pascal misschien waren tegengekomen.
In het oude bos liet men de natuur zoveel mogelijk haar eigen gang gaan. Dat betekende dat dode takken niet uit bomen verwijderd werden. Tijdens een storm kwamen die dan vaak naar beneden. Het gebeurde zelfs dat hele bomen daarbij ontworteld werden. Het was best mogelijk dat Stefan en Pascal onder zo'n tak of zelfs een hele boom terecht waren gekomen. Aan de gevolgen van zoiets wilde ze niet eens denken!
Terwijl ze met haar handen om het stuurwiel van de Landrover geklemd over het hobbelig pad reed, haalde ze zich de meest gekke dingen in haar hoofd. De bestelauto reed achter haar, maar bleef al snel achter op het modderig pad.
“Stop!” riep Nicolette, die naast haar moeder zat. “Ze komen niet verder met al die modder, mama! Ze moeten met ons meerijden!” Nog voordat de terreinwagen goed en wel stilstond, had ze het portier al opengegooid.
Stien, Julius en Gaston begrepen direct wat de bedoeling was en kwamen op een drafje aangehold.
“Daar links,” hijgde Stien toen ze instapte. “Ik geloof dat ik iets zag bewegen!” Ze scheen met haar lamp door het raampje van het portier. De lichtbundel was verrassend sterk, maar in de striemende regen was het extra moeilijk om iets te zien. Stien gebruikte haar tweede lamp ook, maar veel hielp het niet. Even later moest ze toegeven dat ze zich waarschijnlijk toch vergist had.
“We moeten op het pad blijven,” vond Gaston, die het regenwater van zijn gezicht streek. “Ik weet zeker dat Pascal het altijd gebruikt als hij naar De Hagen gaat.” Hij moest hard praten om zich verstaanbaar te maken boven het lawaai van de dieselmotor.
“Als ze bij De Hagen zijn geweest, zijn ze er misschien aan de andere kant uitgekomen,” antwoordde Julius. “Heb je al bij Wanders gebeld?”
Theo Wanders was een oude kunstenaar die aan het uiterste randje van het natuurgebied woonde. Zandstra verdacht hem wel eens van stroperij, maar tot nu toe had hij dat nooit kunnen bewijzen.
“Ik bel naar Elke om het nummer te vragen!” Nicolette had haar gsm al in de aanslag. Ze kreeg antwoord op haar vraag, maar toen ze het nummer van Wanders had ingetoetst, werd er niet opgenomen. “Hij is niet thuis,” zei ze teleurgesteld.
“Dat verbaast me niets.” Julius lachte schor. “Op zaterdag zit hij altijd te drinken in de Nachtwacht. Daar had ik ook naartoe moeten gaan!”
Brigitte slaakte een angstkreet toen de achterkant van de auto plotseling naar rechts schoof. Er waren verder geen obstakels die voor gevaar konden zorgen, maar het was toch griezelig om de macht over het stuur te verliezen. Ze kreeg de auto onder controle, maar even later gebeurde het weer. Ze trapte op het gas, maar dat zorgde er alleen maar voor dat de wielen nog minder grip kregen in de dikke modder.
“Voorzichtig!” riep Stien meteen. “Als we vast komen te zitten, kunnen die arme jongens het helemaal vergeten! Neem jij het stuur, Gaston. Jij hebt verstand van zulke dingen.”
Die opmerking irriteerde Brigitte zo, dat ze alle voorzichtigheid uit het oog verloor. Ze zette de Landrover in zijn achteruit en drukte het gaspedaal naar beneden. Iedereen reageerde verschrikt toen de auto met een schok in beweging kwam. De wagen helde gevaarlijk naar links, maar op een of andere manier lukte het Brigitte toch hem weer op het pad te krijgen.
“Als je zo roekeloos blijft rijden, stap ik uit!” riep Stien. “Zorg er alsjeblieft voor dat we op de weg blijven!”
Brigitte vond het beter daar niet op te reageren. Het begon steeds harder te regenen, waardoor ze al haar aandacht nodig had bij het besturen van de terreinwagen. Naarmate ze het bos naderden, werd het pad steeds slechter begaanbaar. De schijnwerpers die boven de voorruit waren gemonteerd, zorgden maar net voor voldoende verlichting. Op een honderdtal meters van het begin van het bos bevond zich een diepe kuil in de weg.
“Stoppen, mama!” riep Nicolette. “Als we daarin vast komen te zitten…” Ze ging niet verder, want Brigitte had de auto al tot stilstand gebracht. Nicolette gooide direct het portier open.
“Wacht!” Stien volgde gauw haar voorbeeld. “We moeten bij elkaar blijven. Met dit weer is het gevaarlijk in het bos. Als we elkaar uit het oog verliezen, kan er van alles gebeuren. Ik wil…” Ze hapte naar adem toen de striemende regen op haar neerkwam. “Mijn hemel wat een hondenweer! Vooruit, opschieten!” riep ze toen ook de anderen de auto verlaten hadden. “We hebben geen tijd te verliezen!”
De zoektocht leidde tot niets. Het groepje bereikte De Hagen, toen Nicolette bijna getroffen werd door een dode tak die met veel geraas naar beneden kwam, maakte Hubert er een eind aan.
“Het is hier levensgevaarlijk!” schreeuwde hij. “We moeten terug naar de auto!”
Brigitte wilde niet opgeven, maar de anderen stonden niet toe dat ze alleen achterbleef.
“We moeten er professionele hulp bij halen, mama!” Nicolette had een arm om haar heengeslagen en trok haar mee. Nu ze het gebied langs het riviertje hadden doorzocht, was het voor haar duidelijk dat Pascal en Stefan zich in ieder geval niet in dit deel van het bos bevonden. “We rijden langs Wanders! Misschien heeft Julius gelijk! Het kan best dat ze de weg zijn kwijtgeraakt en…”
“Dat kan niet!” Brigitte wilde nog altijd niet opgeven. Ze rukte zich los en baande zich een weg door de dichte struiken naar het gedeelte van het snelstromende riviertje dat ze nog niet hadden doorzocht. De straal van haar zaklamp wierp een grillig patroon tussen het dorre hout. Brigitte was zo wanhopig dat ze niet meer lette op wat ze deed. Ze verloor haar evenwicht toen ze de steile over bereikte en viel achterover. Ze probeerde zich nog vast te houden aan de verdorde struiken die bij de waterrand groeiden, maar het was tevergeefs. Met een angstige kreet gleed ze omlaag en viel in het ijskoude water. Ze ging meteen helemaal kopje onder. De kou die haar beving, maakte het onmogelijk om zich te verweren tegen wat er gebeurde. Haar dikke kleding zoog zich meteen vol water en trok haar onder het wateroppervlak. Het riviertje was onder normale omstandigheden nog geen meter diep, maar door de hevige regenval was het aangezwollen tot een woeste stroom.
Brigitte besefte maar nauwelijks wat er met haar gebeurde. Verlamd van kou lag ze in het water. Ze voelde niet eens dat ze van achter werd vastgegrepen en omhoog werd getrokken. Ze hapte proestend naar adem en verslikte zich in het water dat ze binnen had gekregen. Ze wilde overeind komen, maar was daar niet toe in staat. Het leek alsof ze iedere controle over haar eigen lichaam was verloren. Toen Julius, die direct achter haar aan in het water gesprongen was, haar naar de kant sleepte, was ze niet in staat om mee te werken. Van heel uit de verte hoorde ze stemmen die haar naam riepen, maar wat er gezegd werd, drong maar nauwelijks tot haar door.
“Mama!” Nicolette boog zich huilend over haar heen, maar werd direct achteruitgetrokken door Stien.
“Ze moet hier weg!” riep die. “Nu meteen! Gaston, jij draagt haar! Hubert, help Julius uit het water!” Ze gaf hem een por toen hij niet snel genoeg in beweging kwam. “Vooruit! Schiet op! We hebben geen moment te verliezen!” Stien was een geboren leider en wist precies hoe ze ervoor moest zorgen dat iedereen deed wat er gezegd werd. Nadat Gaston zijn doorweekte werkgeefster over zijn schouder had gelegd, liep ze direct voor hem uit. “Nicolette, houd het licht op het pad! Als hij struikelt…”
Nicolette was zo geschrokken, dat ze totaal uit haar doen was. Ze huilde, maar deed toch wat Stien haar opdroeg. Na een pas of tien bleef Gaston even staan om zijn loodzware vracht wat beter over zijn schouder te leggen.
“Goed zo,” hijgde Stien toen hij weer in beweging kwam. “Zo ga je goed. Kijk uit voor die tak. Als we bij de auto zijn… Pas op!” Ze schoot naar voren om hem te ondersteunen toen hij bijna viel. Hij hervond zijn evenwicht en liep verder.
Stien had het zo druk, dat ze niet eens merkte dat achter hen Julius het ook moeilijk had. Zijn natte kleren maakten het haast onmogelijk een stap te verzetten. Hubert had zijn arm om hem heen geslagen en ondersteunde hem zo goed en zo kwaad als het kon. Na wat eindeloos leek te duren bereikten ze uiteindelijk toch de rand van het bos.
“Daar is de Landrover!” riep Nicolette toen ze het licht van haar lamp over de auto liet glijden. “Er staat iemand bij! Stefan, ben jij dat? Mama is in het water gevallen! Je moet…”
De donkere schaduw die voor de motorkap van de terreinwagen stond, draaide zich naar haar om, maar op die afstand kon ze niet zien wie van de twee vermisten het was. Gaston vloekte binnensmonds toen hij over iets struikelde, waardoor Nicolette even werd afgeleid. Toen ze de lichtbundel van haar lamp een tweede keer in de richting van de Landrover liet glijden, was daar niemand meer te zien.
“Stefan! Pascal!” Het irriteerde haar dat er niet werd gereageerd op haar geroep. “Mama is in het water gevallen! Je moet…” Ze rukte het portier open zodra ze de terreinwagen bereikte. Ze scheen naar binnen, maar daar was niemand te bekennen. “Stefan?” Ze wist zeker dat ze iemand bij de auto had gezien! Waar was hij zo snel gebleven?
Tijd om zich dat af te vragen, kreeg ze niet. Gaston bereikte de auto en legde Brigitte voorzichtig op de achterbank.
“Goed zo! Nee, laat dat maar aan ons over!” Stien trok hem weg bij het achterportier. “Jij neemt het stuur. Nicolette, geef me die deken!” In de laadbak van de landrover lag altijd een plaid. “We gaan naast haar zitten om haar warm te houden!” Terwijl ze de deken zorgzaam om Brigitte heensloeg, bereikten Julius en Hubert nu ook de terreinwagen waarvan Gaston de motor al had gestart. Nadat de twee mannen op de voorbank waren geklommen wilde hij wegrijden.
“Wacht!” riep Nicolette verschrikt. “We kunnen niet weg. Waar is Stefan? Ik weet zeker dat ik hem bij de auto zag staan!”
“Nicolette…”
“Ik weet het zeker, Stien!” Nicolette huilde van frustratie. “Toen we aankwamen, stond hij bij de motorkap. Als we zonder hem weggaan…”
“Rijden, Gaston!” riep Stien ongeduldig. Ze had haar armen om Brigitte heengeslagen en wreef over haar rug en armen.
“Nee!”
“Je moeder heeft meteen hulp nodig,” snauwde Stien. “Houd op met dat kinderachtig gehuil en help me liever haar warm te houden! Als ze niet gauw thuiskomt, houdt ze er minstens een longontsteking aan over!”
Nicolette begreep niets van wat er gebeurde. Ze waren de hei op gegaan om Stefan en Pascal te zoeken, maar nu deed Stien alsof dat er helemaal niet toe deed! Terwijl de auto in beweging kwam, scheen ze met de twee zaklampen naar buiten, maar zag verder niets.
Terwijl de Landrover bonkend en schuddend door de kuilen reed, greep ze de handen van haar moeder en begon die warm te wrijven. “Wees maar niet bang, mama,” zei ze snikkend. “Alles komt goed.”
De rit terug naar het kasteel leek uren te duren. Door de hevige regenval was het pad zelfs voor de terreinwagen nauwelijks nog begaanbaar. Gaston moest alle zeilen bijzetten om niet vast te raken in de modder. Hubert gaf aanwijzingen terwijl hij Julius in het oog hield. Die zat zo hevig te klappertanden, dat het zelfs achterin te horen was.
Nicolette maakte zich ondertussen ontzettend ongerust over haar moeder. Ze voelde de spiertrekkingen die door haar lichaam gingen toen de bloedsomloop weer op gang kwam. Brigitte kreunde haast onophoudelijk.
“Er moet een dokter naar het kasteel komen,” zei Stien, die er ook niet gerust op was. “Bel je vader en zorg ervoor dat hij het regelt. Zeg erbij dat de graaf en gravin er niets van mogen merken,” voegde ze er snel aan toe toen Nicolette haar gsm uit haar jaszak haalde.
Even later slaakte het meisje een gefrustreerde kreet. “Hij doet het niet! Er is zeker water in gekomen. Ik…” Ze deed nog een paar pogingen, maar kreeg het mobieltje niet aan de praat. “Het spijt me, mama,” snikte ze. “Ik…”
“Stil, Nicolette,” zei Stien terwijl ze zich vooroverboog om de knie van het meisje te beroeren. “Je maakt je moeder van streek als je zo huilt. Je moet flink zijn.”
“Ja.” Ze haalde beverig adem, waarna ze opnieuw haar armen om haar moeder heensloeg. “Het spijt me, mama. Je moet nog even flink zijn. We zijn bijna thuis.”
Brigitte was niet in staat antwoord te geven. Naarmate ze dichter bij huis kwamen, begon haar lichaam steeds heftiger te schokken. Al snel zat ze net zo te klappertanden als haar neef. Julius zag er nog wel de humor van in, maar was niet in staat er een grap over te maken. Daarvoor had hij het veel te koud.
Toen ze eindelijk de oprijlaan bereikten, was er nog geen uur verstreken na hun vertrek, maar voor het groepje leek het alsof ze de hele avond op de hei hadden doorgebracht.
Gaston bracht de Landrover tot stilstand bij de dienstingang aan de achterkant van het kasteel. Hij sprong eruit en liep om de auto heen om Stien te helpen. Met vereende krachten werd Brigitte uit de auto gehaald en naar binnen gebracht. In de keuken was het heerlijk warm.
“Ze moet in een warm bad,” riep Marijke, die verschrikt stond te kijken naar wat er gebeurde. “Breng haar naar boven, Gaston.”
“Nee, dat kan gevaarlijk zijn!” Hubert had een arm om Julius heengeslagen en hielp hem over de drempel. “Ze moeten direct uit die natte kleren en in een warm bed. Bel jij de dokter, Marijke. Gaston, draag mevrouw Brigitte naar boven.” Hij liep direct door naar de deur. “Nicolette, vertel je vader wat er gebeurd is. Ik stel voor de politie erbij te halen. We moeten er rekening mee houden dat…” Hij zweeg toen Julius begon te kermen en richtte al zijn aandacht op hem.
Nicolette wist niet wat ze het eerste moest doen. Na een korte aarzeling koos ze er toch voor om haar vader te gaan vertellen wat er gebeurd was. Ze rende naar de werkkamer van haar oom en ging zonder kloppen naar binnen. “Papa, je moet komen!” Bij het zien van haar vader kwamen de waterlanders weer terug. “Ze is in het water gevallen! Julius heeft haar eruit gehaald, maar ze heeft het heel erg koud! Als hij er niet was geweest…”
Olivier schoot overeind en kwam met grote passen op haar toe. “Wat is er gebeurd? Is het je moeder? Is zij…?” Hij zag genoeg aan het gezicht van zijn dochter. “Waar is ze?”
“Gaston brengt haar naar boven,” snikte Nicolette. “Het was afschuwelijk, papa! Als Julius er niet was geweest, was ze misschien wel verdronken. Hij heeft haar uit het water gehaald.”
Olivier gaf geen antwoord en liep met grote passen naar buiten. Reinhald en Nicolette volgden op de voet.
“Marijke zou de dokter bellen,” ging Nicolette beverig verder. “Stien zegt dat ze er ziek van kan worden. Hoe moet het nu met Stefan? Ik weet zeker dat ik hem bij de auto zag staan!”
“Zijn ze nog steeds niet terug?” Reinhald hield het meisje tegen toen ze haar vader naar boven wilde volgen. “Je moet me precies vertellen wat er gebeurd is, Nicolette.”
Ze wilde zich losrukken, maar hij liet haar niet gaan. “Nee, eerst moet ik weten wat er aan de hand is.” Hij legde een arm om haar schouders. “Kom, we gaan terug naar mijn kamer. Je vader zorgt voor mama. Over haar hoef jij je geen zorgen meer te maken.”
In de werkkamer opende hij de kast waarin de drankvoorraad werd bewaard. Het kwam wel eens voor dat Reinhald daar relaties ontving. Die moest hij natuurlijk iets aan kunnen bieden. Hij schonk een bodempje van zijn beste cognac in een glas en gaf dat aan Nicolette.
“Ik wil niet,” zei ze huilerig. “Ik lust het niet, Reinhald.”
“Dat doet er niet toe. Je moet het toch opdrinken. Zo meteen voel je je vast een stuk beter.”
Nicolette sloeg de inhoud van het glas in een keer achterover, waarna ze naar adem hapte. Het leek of er een stroompje kokend lood daar haar slokdarm naar beneden liep! Ze zette het glas met een klap neer.
Reinhald ging tegenover haar zitten. “Vertel op!” zei hij kortaf. “Je zei dat je hem gezien hebt. Hoe kan het dan…”
“Ik weet het niet!” riep ze uit. “Ik snap het ook niet, Reinhald! Toen we uit het bos kwamen, moest ik voorop lopen om te zorgen dat Gaston nergens over kon struikelen. Mama had de auto bij een grote kuil neergezet, want die was te diep om erdoor te rijden. Toen ik met de zaklamp naar de auto scheen, zag ik iemand bij de motorkap staan.”
“En je weet zeker dat het Stefan was? Waar was Pascal dan?”
“Dat weet ik niet! Ik kon zijn gezicht niet zien, maar…” Ze zuchtte treurig. “Ik denk dat het net zo goed Pascal geweest kan zijn. We waren nog te ver weg om het goed te kunnen zien, maar ik weet zeker dat ik me niet vergist heb, Reinhald. Er stond iemand bij de auto.”
“Stefan, of Pascal, zou toch zeker bij de auto zijn gebleven? Er is hier iets vreemds aan de hand.” Reinhald pakte zijn telefoon. “Ik vraag Zandstra wat hij ervan vindt. We moeten hier werk van maken.”
Nicolette wilde het gesprek niet afwachten en kwam overeind. “Ik ga naar mama,” zei ze gejaagd. “Als je iets weet, moet je het direct komen vertellen, Reinhald.”
“Zeg je vader dat ik ermee bezig ben,” antwoordde hij terwijl hij het nummer van Zandstra koos. “Als er iets is wat hij moet weten, hoort hij het als eerste.”
Nicolette gaf geen antwoord meer. Ze trok de deur achter zich dicht en rende op een drafje naar de hal, waar zich de monumentale trap naar de eerste etage bevond.
Voor de deur van Brigittes slaapkamer kwam Nicolette haar vader tegen.
“Je kunt niet naar binnen,” zei hij. “De dokter is bij haar.”
“Denk je dat ze er ziek van wordt?” Ze sloeg haar armen om haar vader heen. “Ik ben zo geschrokken toen het gebeurde! Toen ze in het water viel, is Julius haar direct achternagegaan. Als hij er niet was geweest, was ze zeker verdronken, papa!”
“Rustig nou maar,” zei Olivier schor. Hij was zelf ook nogal uit zijn doen door het voorval. “Als Stefan en Pascal thuiskomen, zwaait er wat. Dit is allemaal hun schuld. Als ze ervoor gezorgd hadden dat ze op tijd thuis waren, was er niets aan de hand geweest.”
“Zij kunnen er niets aan doen, papa. Ze zijn natuurlijk verdwaald. Reinhald belt met Zandstra. Hij wil de politie waarschuwen. Denk jij ook dat ze gevaar lopen?” Ze keek angstig naar hem omhoog.
“De politie?” Olivier liet haar los en ging op het sierlijke bankje dat tegen de muur van de gang stond zitten. “Waar is dat goed voor?” Hij haalde zijn gsm tevoorschijn en drukte de voorkeurstoets in waarmee hij zijn schoonbroer kon bereiken. “Met Olivier,” vervolgde hij toen werd opgenomen. “Nicolette zegt dat je politie wilt inschakelen. Is dat niet wat overdreven? Het is best mogelijk dat ze ergens schuilen voor het slechte weer. Als we er meteen een zaak van maken…” Hij zweeg en luisterde gespannen naar het antwoord van Reinhald. Daarbij ging hij steeds ernstiger kijken. “Ja, dat weet ik. Bij die mogelijkheid heb ik nog niet stilgestaan. Nee, dat begrijp ik. Het is inderdaad verstandig daar rekening mee te houden. Als ik de dokter gesproken heb, kom ik meteen beneden.” Hij verbrak de verbinding.
“Waar moet je rekening mee houden?” wilde Nicolette weten. Ze zag wel aan zijn gezicht dat het ernst was. “Waarom geef je geen antwoord?”
“Het is nergens voor nodig op de zaken vooruit te lopen,” antwoordde hij ontwijkend. Hij kwam overeind toen de dokter de gang opkwam. “Hoe is het met haar, dokter? Denkt u dat ze er iets aan overhoudt?”
“Dat moeten we nog even afwachten,” antwoordde de arts. “Hopelijk blijft het bij een flinke verkoudheid. Ik heb haar iets gegeven om te slapen. Het is belangrijk dat ze de komende vierentwintig uur in bed blijft. Ik heb Stien al instructies gegeven voor de behandeling van de gravin. Ik denk dat uw vrouw wel met de schrik vrij zal komen, meneer Den Doorn.” Hij ging direct verder. “Waar is mijn tweede patiënt? Volgens Stien is er nog iemand te water geraakt.”
“Nicolette, breng jij de dokter naar de kamer van Julius,” droeg Olivier zijn dochter op. “Ik wil even bij je moeder gaan kijken.” Nadat hij met een snelle handdruk afscheid van de
huisarts had genomen, klopte hij op de slaapkamerdeur.
“Ja?” Stien opende die en keek om het randje.
Olivier had iedereen verwacht behalve haar. “Wat doe jij hier?”
“Voor Brigitte zorgen,” antwoordde ze wrevelig. “Wat anders?” Ze ging direct door. “Ik heb nog wat krachtige bouillon in de keuken. Die komt nu heel goed van pas. Als jij even bij haar blijft, haal ik een kommetje soep voor haar. Ze heeft vanavond natuurlijk geen hap door haar keel gekregen met dat ordinaire mens in huis.”
Olivier vond het niet prettig dat ze commentaar gaf op iets wat haar niet aanging, maar nam niet de tijd erop in te gaan. Hij liep gejaagd naar het bed.
“Zorg dat ze in bed blijft,” zei Stien nog toen ze de deur bereikte. “Als ik straks zie dat ze eruit is geweest, kun je het verder alleen opknappen.”
Olivier was het niet gewend dat er op zo’n manier tegen hem werd gesproken. Hij had wel van zijn vrouw gehoord dat die Stien een moeilijk type was, maar iets als dit had hij toch niet verwacht. “Zeg, luister eens…”
Het had geen zin om door te gaan, want Stien had de deur al achter zich dichtgetrokken.
Olivier draaide zich om en keek neer op Brigitte, die ineengedoken in het hemelbed lag. Nu hij de dokter had gesproken, maakte hij zich niet meer zoveel zorgen over zijn vrouw. “Als die Stien altijd zo brutaal is, moet je toch eens met je moeder gaan praten, Brigitte. Het heeft geen pas…” Hij zweeg, want toen hij iets beter keek, wist hij toch niet meer zo zeker dat alles in orde was met zijn vrouw. Brigitte had twee dikke dekbedden over zich heen getrokken, maar lag nog altijd te rillen. “Brigitte!” Olivier ging verschrikt op de rand van het bed zitten. “Wat is er? Waarom doe je zo gek?”
“Koud…” prevelde ze moeizaam. “Ik heb het koud.”
“Waarom ga je niet in een warm bad liggen?” Olivier kwam alweer overeind. “Ik zal het klaarmaken. Er gaat niets boven een warm bad om op temperatuur te komen.”
“Nee…” Ze trok de rand van het dekbed tot onder haar neus. “Dat mag niet van de dokter. Hij zegt… hij zegt dat het slecht is.”
“Slecht? Ik zou niet weten wat er slecht is aan het nemen van een bad!” Olivier kon er niet tegen zijn vrouw zo te zien. “Zal ik anders even naar hem toegaan? Hij is op het ogenblik bij Julius.”
“Nee, ik wil… wil niet. Je moet blijven.” Brigitte hield hem tegen door haar hand naar hem uit te strekken. Olivier nam die in de zijne en schrok. Haar vingers waren ijskoud!
“Dan kom ik bij je liggen!” Hij schopte zijn schoenen uit en kroop met kleren en al naast haar onder het dekbed. Hij sloeg zijn armen om zijn vrouw heen en trok haar zo dicht mogelijk tegen zich aan. “Stil maar,” zei hij toen ze zacht begon te huilen. “Je bent alleen maar geschrokken, schat. Het komt allemaal goed.”
“En Stefan dan? Als ze verdwaald zijn in dat hondenweer… Als hij ook in het water is gevallen… Misschien is hij wel… wel ver…verdronken…”
“Pascal is bij hem,” antwoordde hij. “Denk je nou echt dat hij onze Stefan zomaar laat verdrinken? Hij is gek met hem. Dat weet je best.” Hoewel Olivier zich ook hoe langer hoe meer zorgen om zijn zoon begon te maken, probeerde hij Brigitte gerust te stellen terwijl zijn handen over haar lichaam wreven.
Toen de deur even later zonder kloppen openging, was hij er al aardig in geslaagd om haar op temperatuur te krijgen. Stien kwam met een dienblad op het bed toegelopen. Ze bleef even staan toen ze de anders zo keurige man met verwarde haren in bed zag liggen, maar zei er niets van. “Er gaat niets boven hete bouillon als je het koud hebt,” zei ze vriendelijk. “Je moet het zo snel mogelijk opdrinken, Brigitte.” Ze zette het blad op het tafeltje naast het bed en greep de mok met bouillon. “Kom eens overeind? Ik help je met drinken.”
“Geef maar aan mij,” zei Olivier gebiedend. “En ik vind het niet prettig dat je mijn vrouw bij haar voornaam noemt, Stien. Dat is nergens voor nodig.”
Ze keek hem aan alsof ze hem een draai om zijn oren wilde geven, maar in plaats daarvan zette ze de mok met een klap terug op het blad. “Ondankbaarheid is 's wereld loon,” snauwde ze terwijl ze op hoge poten naar de deur liep. “Dat krijg je met je goeie gedrag!”
Brigitte begon weer te huilen toen de deur met een klap in het slot viel. “Zie je nou wat je gedaan hebt? Hoe kun je zo onaardig tegen haar zijn, Olivier?”
“Maar ik dacht… Je zei toch… Nou begrijp ik er niets meer van!”
“Stien heeft mijn leven gered! Als zij er niet was geweest… Ze heeft als een moeder voor me gezorgd! Was het nou echt nodig om haar te beledigen?”
Olivier vond het beter er niet op door te gaan. “Kom, drink je bouillon,” zei hij. “Dat helpt altijd. In het leger kregen we ook altijd hete bouillon als we op oefening waren geweest.” Hij greep de beker en hield die zorgzaam vast terwijl Brigitte voorzichtig kleine slokje nam.
In het begin had ze niet veel zin in het brouwsel van Stien, maar ze merkte vrijwel meteen dat het haar toch goeddeed. Toen ze bijna de helft had opgedronken, duwde ze zijn hand weg. “Genoeg. Ik wil niet meer.” Ze trok het dekbed weer over zich heen.
Nadat Olivier de bouillon had weggezet, sloeg hij zijn armen weer om haar heen. Zo bleven ze heel stil liggen.
Niet veel later hoorde hij aan haar regelmatige ademhaling dat ze in slaap was gevallen. Hij wachtte nog even, maar tenslotte liet hij zich heel voorzichtig uit bed glijden. Met zijn schoenen in zijn handen liep hij naar de deur aan de andere kant van het vertrek. Daar draaide hij zich nog even om. Hij stelde tevreden vast dat Brigitte niet had gemerkt dat hij het bed had verlaten. Heel zacht trok hij de deur achter zich in het slot en trok zijn schoenen aan. Vervolgens liep hij gejaagd de lange gang door naar de trap. Er was werk aan de winkel!
Reinhald was aan de telefoon toen hij de werkkamer betrad.
“Ja, dat weet ik wel, maar…” Hij gebaarde zijn schoonbroer te gaan zitten. “Nee, daar gaat het niet om, maar…” Hij zuchtte ongeduldig. “U begrijpt het niet, commissaris. Mijn broer en mijn neef blijven nooit zo lang weg als ze de hei opgaan en zeker niet met dit slechte weer. Er moet iets anders gebeurd zijn. We moeten overal rekening mee houden. Als ze ontvoerd zijn…”
Olivier kreeg het meteen een beetje benauwd. Bij die mogelijkheid had Reinhald net al stilgestaan, zelf was hij te bezorgd geweest om Brigitte, om het goed tot zich door te laten dringen. Stel je eens voor dat Reinhald gelijk had! Sinds ze kinderen hadden, waren Brigitte en hij altijd doodsbang geweest voor een ontvoering. De familie Daelenbergh was steenrijk en vormde daarmee een potentieel doelwit voor criminelen. Daar was de familie zich terdege van bewust. Er waren strenge veiligheidsvoorschriften waaraan iedereen zich te houden had. De kinderen van de graaf en gravin waren ermee opgegroeid en accepteerden het zonder morren, maar de nieuwe generatie had er mee moeite mee. Vooral Michelle en Lisanne, de tweeling van Reinhald, weigerden mee te doen aan ‘dat overdreven gedoe’ zoals zij het noemden. Reinhald moest de grootste moeite doen om ze in het gareel te houden. Nicolette kon het goed vinden met haar nichtjes en had zich bij hen aangesloten, maar gelukkig lag het niet in Stefans aard om zich zo rebels op te stellen. Was het echt mogelijk dat hij ontvoerd was? Olivier werd gek bij de gedachte alleen!
Hij kwam overeind en begon zenuwachtig heen en weer te lopen.
“Denk je echt dat ze ontvoerd zijn?” vroeg hij toen Reinhald de hoorn op de haak legde. “Ik moet er niet aan denken! Als Brigitte het hoort….”
“Het is nergens voor nodig haar ongerust te maken,” onderbrak Reinhald hem. “We hebben geen aanwijzing in die richting, maar ik vind het toch verstandig om rekening te houden met alle mogelijkheden. Bij een ontvoering moet de politie zo snel mogelijk aan het werk.” Hij keek hem bezorgd aan. “Ga even zitten. Ik wil je niet overstuur maken, maar we verliezen kostbare tijd als we niet direct van het ergste uitgaan.”
Olivier was niet in staat antwoord te geven en knikte alleen maar.
“Ik heb de commissaris van de districtspolitie gesproken. Eigenlijk wordt een aangifte pas opgenomen als iemand meer dan vierentwintig uur vermist is. Gelukkig heb ik Danckers over kunnen halen om een uitzondering te maken. Hij begrijpt ook wel dat ze aan de andere kant van de wereld kunnen zitten als we vierentwintig uur wachten.” Hij kwam achter het bureau vandaan. “Hij komt direct hierheen met een paar van zijn mensen. Hij zou ook een helikopter sturen die het gebied kan observeren.”
“Het is nacht, Reinhald! En het regent pijpenstelen! Brigitte en Nicolette hebben ook niets gevonden! Denk je nou echt dat iemand…”
“Laat dat maar over aan de deskundigen,” zei Reinhald gepikeerd. “Ik stel voor dat we zelf ook wat mensen mobiliseren. Als we groen licht krijgen van de politie, moet het hele terrein doorzocht worden.” Hij drukte op de knop waarmee hij Hubert kon laten weten dat hij hem nodig had.
De butler droeg nog altijd de kleding waarmee hij de hei was opgegaan. Reinhald legde hem in het kort uit wat de bedoeling was. Hubert had ook nog niet stilgestaan bij de mogelijkheid van een ontvoering en reageerde net zo geschokt als Olivier. Alleen liet hij dat minder goed merken.
“Een goed idee, meneer,” knikte hij toen Reinhald was uitgesproken. “Gaston is op het ogenblik weg om de bestelwagen te halen, maar zodra hij terug is, zal ik hem vragen een en ander te regelen. Ik weet zeker dat we op hulp uit het dorp kunnen rekenen. Als Gaston naar de Nachtwacht en een paar andere cafés gaat om te vertellen wat er gebeurd is…”
“We schieten er niets mee op dat een paar beschonken kerels naar Pascal en Stefan gaat zoeken,” onderbrak Olivier hem ongeduldig. “We hebben mensen nodig waar we van op aan kunnen!”
“In het dorp gaat iedereen op zaterdagavond naar het café,” antwoordde Reinhald. “Dat is de plaatselijke traditie. Waar wil je anders op een zo korte termijn de nodige mensen vandaan halen? We zullen het ermee moeten doen.” Hij richtte het woord weer tot Hubert. “We kunnen het proberen, maar alleen als de politie er het groene licht voor geeft. Ik wil eerst weten wat zij ervan vinden.”
“Uitstekend, meneer.” Hubert maakte een vormelijke buiging. “Verder nog iets van uw dienst?”
“Zorg voor koffie en… Weet je toevallig of papa en mama al naar bed zijn?” Met een beetje geluk waren Stefan en Pascal al lang en breed terug voordat de graaf en gravin lucht kregen van wat er speelde. Dat zou voor iedereen beter zijn. Reinhald geloofde niet echt in een ontvoering. Het was waarschijnlijker dat Pascal en Stefan langer bij De Hagen waren gebleven dan ze van plan waren geweest. In het donker waren ze natuurlijk de weg kwijtgeraakt. Het kon even duren, maar uiteindelijk zouden ze echt wel thuiskomen. Het inschakelen van de politie was alleen een voorzorgsmaatregel. Je kon niet voorzichtig genoeg zijn. Als er iets aan de hand was, moesten de autoriteiten zo snel mogelijk op de hoogte zijn en actie ondernemen. Als het loos alarm was, zou hij een flinke donatie doen aan het politiefonds. Daarmee zouden ze zeker tevreden zijn. Desnoods…
“Papa, er staat een politiebus op de binnenplaats!” Nicolette kwam met een wit weggetrokken gezicht naar binnen gestormd. “Waar is dat voor?”
“Ik heb de politie erbij gehaald, Nicolette,” antwoordde Reinhald. “Ze zijn hier om ons te helpen met zoeken.”
“Kan dat dan? Ik dacht dat je vierentwintig uur moet wachten voordat…”
“Laat jij die mensen even binnen, Hubert?” onderbrak Reinhald haar. “En zorg voor koffie. Ik ben bang dat we een lange nacht tegemoet gaan.”
“Gaan ze de hei op? Dat heeft toch geen zin met dit weer! Dan zou je al met honderden mensen moeten gaan zoeken.” Nicolette keek verward van de een naar de ander. “Is het iets anders? Denken jullie dat… dat…” Ze ging niet verder, maar het was wel duidelijk waar ze aan dacht.
“Natuurlijk niet,” antwoordde Olivier net iets te snel. “Als iemand ze heeft meegenomen, is dat echt niet voor lang. Onze Stefan brengen ze zo weer terug. Daar is toch geen land mee te bezeilen.” Het was bedoeld om haar gerust te stellen, maar Nicolette werd nog banger.
“Maar jullie denken dus dat er meer aan de hand is! Anders zou de politie nooit…”
“Laten we nou alsjeblieft niet op de zaken vooruitlopen,” viel haar vader haar in de rede. “Daar maak je iedereen overstuur mee. Ga maar liever even kijken hoe het met mama gaat. Toen ik wegging, was ze in slaap gevallen, maar je kunt nooit weten.”
Nicolette wilde nog iets zeggen, maar in plaats daarvan knikte ze en liep naar buiten.
In de hal bleef ze staan toen een groepje van een man of vijf binnenkwam. Ze volgden Hubert en hadden geen oog voor het meisje dat met wit weggetrokken gezicht aan de voet van de trap stond. Het team was in burger, maar Nicolette wist toch dat het agenten waren. Waarom hadden Reinhald en haar vader zo snel de politie erbij gehaald? Was het echt uit voorzorg, of was er iets wat ze haar niet wilden vertellen?
Nicolette liep met gebogen hoofd naar boven. De slaapkamer van haar moeder bevond zich aan de voorkant van het kasteel. Vanuit het vertrek had je een schitterend uitzicht over het park en een deel van de oprijlaan. Nicolette ging zachtjes naar binnen. Er brandde een schemerlamp op het nachtkastje naast het bed. Bij het licht zag ze dat haar moeder nog altijd sliep. Er was gelukkig ook weer wat kleur op haar wangen verschenen. Hoe zou ze reageren als ze hoorde dat de politie erbij was gehaald?
Nicolette ging op de rand van het bed zitten, maar toen ze in de verte het geluid van een naderende sirene hoorde, stond ze op en liep naar het raam. Aan het begin van de oprijlaan zag ze een blauw zwaailicht en de koplampen van een aantal auto's. Ze huiverde en trok gauw de zware gordijnen dicht. Ze hoopte maar dat het middel dat de dokter haar moeder had gegeven, zwaar genoeg zou zijn. Als ze wakker werd en merkte wat er gaande was, zou ze daar vast niet tegen kunnen.
“Nicolette?” Ze keek op toen de deur openging. Gravin Carmen bleef aarzelend op de drempel staan. Ze droeg een kamerjas over haar nachtpon en dikke pantoffels aan haar voeten. “Wat doe jij hier? Waar is je moeder? Weet jij wat er gaande is? Er komen allerlei auto's en ik hoorde een sirene.”
“Daar hoef jij je geen zorgen over te maken, lieverd,” antwoordde Nicolette haastig. “Waar is opa?”
“Die slaapt al. Hij had last van migraine en heeft een pilletje ingenomen.” Carmen bleef staan toen Nicolette gejaagd op haar toekwam en haar mee naar buiten wilde nemen. “Nee, ik wil even met Brigitte praten. Ik heb haar gebeld, maar ze neemt niet op. Weet jij waar je moeder is? Ik weet zeker dat er iets speelt wat ze voor mij verborgen wilt houden.”
“Mama slaapt, Carmen,” antwoordde Nicolette. “We mogen haar niet wakker maken. Daarom is het beter dat we…”
“Zo vroeg? Anders gaat ze toch ook niet voor twaalven naar bed?” Carmen liet zich niet tegenhouden en liep naar het bed van haar dochter. “Brigitte! Ik wil weten…” Ze zweeg abrupt toen ze zag dat die inderdaad lag te slapen. “Wat is er met haar? Waarom zit haar haar zo in de war?” vroeg ze met een verschrikte blik op haar kleindochter. “Ze is toch niet ziek?”
“Nee, ze…” Nicolette kon haar tranen niet langer bedwingen. “Het komt door Stefan en Pascal, Carmen! Ze… ze zijn niet teruggekomen van De Hagen!”
“Wat zeg je? Maar ze zijn vanmorgen in alle vroegte vertrokken!”
“Mama en ik zijn gaan zoeken. Ze is in het water gevallen, maar oom Julius heeft haar gelukkig eruit gehaald. Toen we teruggingen naar de auto, dacht ik dat ik Stefan zag, maar dat was…” Ze sloeg verschrikt hand voor haar mond toen Brigitte even kreunde. “We mogen mama niet wakker maken,” zei ze een stuk zachter. “De dokter heeft haar iets gegeven om te slapen en…”
Gravin Carmen had genoeg gehoord. Ze liep naar het bed en keek bezorgd neer op haar kind. Ze legde een hand op het voorhoofd van Brigitte, maar dat voelde gelukkig niet warm aan.
“Stil maar, meisje,” fluisterde ze zacht. “Slaap jij maar. Je kunt alles aan mij overlaten.” Ze boog zich over Brigitte heen en kuste haar voorhoofd. Vervolgens greep ze de hand van haarkleindochter. “Kom mee. We gaan naar mijn kamers. Je moet me alles vertellen.”
“Dat willen papa en Reinhald niet,” antwoordde Nicolette huilerig. “Als ze merken dat ik het gezegd heb…”
“Dat doet er niet toe! Zijn ze nou helemaal gek geworden? Ik ben geen klein kind dat je overal buiten kunt laten. Je grootvader en ik hebben het hier nog altijd voor het zeggen, Nicolette!” De gravin liep met driftige passen in de richting van de toren, waar zich haar kamers bevonden. Nicolette trok ze met zich mee. “Reinhald denkt zeker dat we niet eens meer in staat zijn om…”
“Ze waren bang dat je weer een hartaanval zou krijgen, oma,” snikte Nicolette. “Je mag niet boos op ons zijn. Dat is niet eerlijk.”
“En Brigitte? Hadden ze me soms ook niet willen vertellen dat ze in het water is gevallen? Hoe vaak heb ik niet gezegd dat het gevaarlijk is bij De Hagen! Het ziet er onschuldig uit, maar er is al eens eerder iemand verdronken! Ik wil…” Ze zweeg toen ze de verschrikte reactie van Nicolette zag. “Laat ook maar,” ging ze op andere toon verder. “Daar hoeven we het nu niet over te hebben.”
Ze hadden haar kamers bereikt en gingen naar binnen. Carmen liep direct door naar de kleedkamer. Terwijl ze zich aankleedde, liet ze de deur op een kier staan.
“Reinhald heeft dus politie ingeschakeld. Heeft hij nog iets gezegd. Denkt hij dat ze ontvoerd zijn?” Carmen ging meteen van het ergste uit.
“Ik weet het niet.” Nicolette probeerde uit alle macht haar emoties onder controle te houden, maar dat lukte niet. Waarom nam ze geen voorbeeld aan haar grootmoeder? Die was de rust zelve!
Toen ze haar kleedkamer verliet, zag ze er net zo onberispelijk uit als altijd. Ze gaf haar kleindochter een glas water en streek even over haar wang. “Je moet een paar keer diep ademhalen, meisje,” zei ze. “Voor we naar beneden gaan, moet je kalmeren. Denk eraan dat je een Daelenbergh bent. Wij huilen niet in gezelschap van vreemden.”
Ze wachtte geduldig totdat Nicolette haar tranen had gedroogd.
“Ben je zover?” Toen het meisje dapper knikte, liep ze met een kaarsrechte rug naar de deur. Gravin Carmen was klaar voor de strijd!
“Ik wil dat er onmiddellijk een grootscheepse zoekactie op touw wordt gezet, meneer Danckers,” zei gravin Carmen even later. Ze was met Nicolette naar de werkkamer van haar zoon gegaan en had als vanzelfsprekend de leiding van het gesprek op zich genomen. “Als we zeker weten dat mijn zoon en kleinzoon niet over de hei dwalen, kunnen we ervan uitgaan dat er iets anders met hen is gebeurd. Als ik me niet vergis, heeft Stien al iets geregeld met onze buren.” Ze keek de kokkin afwachtend aan.
Vlak nadat Carmen het vertrek had betreden, was Stien binnengekomen met koffie. De gravin had haar gevraagd te blijven.
“Gaston heeft een man of zestig opgetrommeld,” gaf de kokkin aan. “Dat was een half uur geleden. Waarschijnlijk zijn het er intussen nog meer geworden.”
De familie Daelenbergh was geliefd in het dorp. Ze speelden een belangrijke rol in het verenigingsleven en maakten altijd gebruik van de diensten van de plaatselijke middenstand als dat mogelijk was.
“Ik vind het gekkenwerk,” zei een van de mensen die de commissaris had meegenomen. “Met dit weer loop je eerder kans dat er nog meer mensen zoekraken. Laat staan dat er iemand gevonden wordt. Ik vind dat we moeten wachten tot het licht wordt.”
“Als de politie haar plicht niet kan doen, zijn we uitgesproken.” Carmen wilde geen onnodige tijd verliezen aan zinloze discussies. “Stien, haal mijn regenpak. We gaan direct op weg.”
“Dat kan niet,” kwam Danckers tussenbeide. “Als honderd mensen vannacht over dat terrein gaan banjeren, kunnen we het sporenonderzoek verder wel vergeten.” Hij keek Reinhald aan. “Als dit een ontvoering is, hebben we alle aanwijzingen die mogelijk te vinden zijn, hard nodig.”
“U vindt dus dat er niet naar hen gezocht mag worden?” De gravin keek hem afwijzend aan. “Hebt u zelf kinderen, meneer Danckers?”
“Daar gaat het niet om,” antwoordde de man ongeduldig. “De politiehelikopter is al in de lucht. Er zijn infraroodcamera's aan boord, maar het heeft geen enkele zin mijn mensen verder te laten zoeken, als er zo meteen honderd vrijwilligers losgelaten worden in dat gebied.” Hij zuchtte. “Wees nou verstandig, mensen. We zullen moeten afwachten. Ik kan proberen een tweede helikopter in te schakelen, maar meer kunnen we op dit moment niet doen.”
Gravin Carmen had haar mond tot een smalle streep getrokken. Wat er gebeurde, beviel haar helemaal niet, maar ze begreep wel dat ze weinig keuze had. “Goed,” zei ze ijzig. “Maar ik ga ervan uit dat u alles doet wat mogelijk is.”
Danckers knikte alleen maar.
“Stien, laat Gaston weten dat er voorlopig niet gezocht kan worden. Nicolette, vraag jij Hubert eens waar die sterke lampen zijn gebleven?” Als er een feest werd gegeven op het kasteel werden er altijd halogeenlampen gebruikt die het park rond het kasteel in een zee van licht lieten baden. Dat licht was dan tot in de verre omtrek te zien.
“Ik wil dat ze op de torens gezet worden. Als Pascal en Stefan in het donker de weg zijn kwijtgeraakt, hebben ze in ieder geval iets om zich op te oriënteren.”
Nicolette was dolblij dat ze eindelijk iets kon doen. Ze liep direct naar de keuken, waar Marijke voor het raam naar buiten stond te turen.
“Weet jij waar Hubert is? Oma wil dat we de lampen op de torens zetten.”
“Waar is dat goed voor?” vroeg Marijke huilerig. “Dat ze niet terug zijn gekomen, kan maar één ding betekenen! Ze zijn natuurlijk verongelukt! Ze moeten gaan zoeken! Ik weet zeker…”
“De politie heeft het verboden,” onderbrak Nicolette haar. “Zeg nou maar waar ik Hubert kan vinden.”
“Hubert?” De vrouw keek haar met betraande ogen aan. “Die is naar het dorp met Gaston.”
“Weet jij misschien waar die grote lampen zijn die Gaston laatst gebruikt heeft om het park te verlichten?” Nicolette wilde het niet opgeven. Er bestond inderdaad een goede kans dat het felle licht Pascal en Stefan kon helpen bij het vinden van hun weg naar huis. Nicolette had er alles voor over om hen daarbij te helpen.
“Die heeft hij in het hok bij het koetshuis gezet. Waarom…” Ze zweeg verschrikt toen Nicolette op goed geluk een jas van de kapstok haalde. “Wat ga je doen? Je gaat toch zeker niet naar buiten nu? Het is al erg genoeg dat je moeder zo doodziek op bed ligt. Als jij nou ook nog eens door die regen gaat lopen…”
“We hebben de lampen nodig, Marijke,” onderbrak ze haar ongeduldig. “Zo snel ben ik trouwens niet ziek. Pascal en Stefan hebben licht nodig, dat ze naar huis kan brengen.”
“Geloof je nou werkelijk dat ze daar iets aan hebben? Ik vind…”
Nicolette luisterde niet langer naar Marijkes gejammer. In de bijkeuken trok ze de kaplaarzen aan die ze niet lang tevoren bij de deur had achtergelaten en liep naar buiten. Het regende iets minder hard, maar er stond nog altijd een gure wind. De lantaarns, die het pad aan de achterkant van het kasteel verlichtten, verspreidden een spookachtig licht.
Nicolette moest ineens denken aan de geest van De Hagen. Was het die geest geweest die ze eerder op de avond bij de auto had zien staan? Ze dook nog dieper weg in haar jas. Nee, daar wilde ze niet aan denken. Ze had geen tijd voor kinderachtige spookverhalen. Nu moest ze ervoor zorgen dat de lampen in het raam van de hoogste torenkamer werden gezet!
Nicolette ging op weg naar de binnenplaats, waar zich de ingang naar het koetshuis bevond. Om niet helemaal om te hoeven lopen, wilde ze gebruik maken van de doorgang die naast de dienstingang lag. Ze duwde tegen de deur, maar tot haar verbazing was er geen beweging in te krijgen. Hoe was dat mogelijk?
In de doorgang bevonden zich de brandkranen die op last van de brandweer altijd bereikbaar moesten zijn. Daarom had de graaf het personeel opdracht gegeven de doorgang te allen tijde toegankelijk te houden. Het slot was van de deur gehaald en de grote grendel die er aan de buitenkant op zat, was in geen jaren gebruikt.
Nicolette slaakte een zachte kreet toen ze de deur wat beter bekeek. Wie had in hemelsnaam die grendel dichtgeschoven? Ze probeerde hem naar achteren te trekken, maar er was geen beweging in te krijgen.
Nicolette veegde de regen van haar gezicht en dacht na. Een eind verderop lag de werkplaats. Als ze daar een hamer vandaan haalde, moest het lukken om de deur open te krijgen.
Ze had geluk. De hamer die ze vond, was groot genoeg om het karwei te klaren. Ze ging vol goede moed terug. De hamer was zo zwaar dat ze hem maar met moeite omhoog kon tillen, maar ze wist niet van opgeven. Ze hief hem boven haar hoofd en probeerde hem op de greep van de grendel terecht te laten komen. Dat mislukte. De hamer kwam in plaats daarvan terecht op het eeuwenoude eikenhout. Nicolette mompelde een verwensing en wilde het nog eens proberen. Ze hief de hamer opnieuw, maar liet hem verschrikt zakken toen ze schorre kreten hoorde van de andere kant van het hout. Ze kromp ineen van angst en wilde het op een lopen zetten, maar bedacht zich weer. De stemmen waren niet goed te horen door het dikke hout, maar klonken toch bekend. “Wie is daar?” schreeuwde ze zo hard ze kon.
“Nicolette! Maak de deur open!” Van de andere kant klonk gebonk.
“Pascal! Ben jij dat?” Ze begon zenuwachtig te lachen. “Pascal! Waar is Stefan?”
“Hier bij mij! Maak die deur nou open! We sterven van de kou!”
Ze wist genoeg! Nicolette hief de hamer voor de derde keer. Het duurde even voordat ze erin slaagde de greep te treffen, maar toen ze eenmaal doorhad hoe het moest, was het zo gebeurd. Ze gooide de hamer naast zich op de grond en duwde de deur open. In het donker kon ze de schim aan de andere kant maar nauwelijks ontwaren. Heel even week ze verschrikt achteruit, want iets deed haar aan de schaduw denken die ze eerder op de hei had gezien.
“Wat ben ik blij dat ik jou zie!”
De vertrouwde klank van de stem van Pascal deed haar alle angst vergeten. Ze lachte toen hij haar in zijn armen trok en stevig omhelsde.
“Waarom zitten jullie hier in het donker?” vroeg ze beverig toen hij haar losliet. Haar hand ging als vanzelf naar de schakelaar naast de deur, maar er gebeurde niets toen ze die indrukte.
“Nicolette?” Er kwam iemand naderbij gestrompeld. “Waarom ben je niet eerder gekomen? We hebben uren om hulp geschreeuwd!” “We dachten dat jullie verdwaald waren!” Ze sloeg haar armen om Stefan heen en lachte en huilde tegelijk. Ze had nooit gedacht dat ze nog eens zo blij zou zijn om haar broertje te zien! Ze streek uitgelaten door zijn stekeltjeshaar en trok hem mee. “Kom, we moeten direct naar binnen! Iedereen denkt dat jullie verdwaald zijn. Reinhald heeft er zelfs politie bij gehaald en…” Ze bleef verschrikt staan toen Stefan een kreet van pijn slaakte. “Wat is er? Ben je gewond?”
“Hij heeft zijn enkel verstuikt bij De Hagen,” zei Pascal. “Daarom waren we zo laat. Toen we ons hier een beetje stonden te fatsoeneren, heeft een of andere gek de deur dichtgemaakt. Als ik die in mijn handen krijg…”
“Toen ging ook nog het licht kapot,” voegde Stefan er klaaglijk aan toe. “Het is echt geen pretje om uren in het donker te zitten, hoor.”
“Zeker niet met iemand die niks anders doet dan zich beklagen,” zei Pascal plagend.
“Dan had je maar geen spookverhalen moeten vertellen! Denk je nou echt dat het leuk is om zoiets te horen als je in het donker zit en…”
“Ik ga het vertellen,” riep Nicolette ongeduldig. Ze wilde voor hen uitrennen, maar dat liet Pascal niet toe.
“Hé, wacht even! Je moet me helpen hem naar binnen te brengen. Ik heb nou wel lang genoeg bemoederd. Waar is Brigitte? Ze zal wel in alle staten zijn. Als ze maar niet denkt dat het onze schuld is. Ik wil wel eens weten wie ons heeft ingesloten. Volgens mij…”
Nicolette ondersteunde haar broer even, maar het volgende moment liet ze hem alweer los. “Ik stuur Marijke om je te helpen!” riep ze. Ze was zo uitgelaten, dat ze gewoon niet kon wachten om het goede nieuws te gaan vertellen. “Ze komt er zo aan!” Ze rende naar de deur van de keuken en rukte die open.
Marijke draaide zich verschrikt naar haar om.
“Ze zijn er!” riep Nicolette. “Ze hebben de hele tijd in de doorgang gezeten! Stefan heeft zijn enkel verstuikt! Je moet meteen Pascal gaan helpen, Marijke!” Ze duwde de vrouw in de richting van de deur. “Schiet op, want ze hebben het vreselijk koud! Ik moet het aan papa vertellen!” Ze rende direct door. Naar haar smaak duurde het veel te lang voordat ze de werkkamer van Reinhald bereikte. Ze was buiten adem en rukte hijgend de deur open.
“Ze zijn hier! Ik heb ze gevonden! Ze zijn er al een hele tijd en…” Ze snakte hijgend naar adem. “Pascal zegt… Ze hebben de hele tijd geschreeuwd, maar…”
“Kindje toch!” Gravin Carmen was overeind gekomen en ging naast haar staan. “Rustig nou. Waar heb je het over? Bedoel je…”
“Pascal en Stefan,” knikte ze. “Ik heb ze gevonden, oma!” Ze sloeg uitgelaten haar armen om haar grootmoeder heen. “Ze zaten opgesloten in de doorgang!”
“De doorgang?” Olivier was nu ook naast haar gaan staan. “Weet je dat zeker? Waar zijn ze?” Hij was al bijna op de gang, maar Stien was hem toch voor geweest. Ze had genoeg gehad aan een half woord en was direct op weg gegaan naar de keuken.
“Stefan heeft zijn enkel verstuikt!” riep Nicolette hen na. “Marijke helpt Philip. Ik ben het meteen komen vertellen.” Ze omhelsde Carmen en lachte opgelucht. “En jullie dachten nog wel dat ze ontvoerd waren! Papa had toch gelijk! Wat zou iemand nou met Stefan moeten?”
“Ik wil ze zien,” zei Carmen.
Ze volgden Reinhald en de politiemensen, die allemaal richting keuken liepen. Toen ze daar aankwamen, zaten Stefan en Pascal al bij de grote kachel die in de winter dag en nacht brandde. In de drukte van de begroeting ging het er zo rommelig aan toe, dat niemand te verstaan was.
Stien kreeg er al snel genoeg van. “Stilte!” riep ze uit. “Hou je mond, allemaal! Een mens verstaat zichzelf niet meer met al die herrie!” Ze vond het heel normaal dat er naar haar geluisterd werd. Toen het stil werd, draaide ze zich om naar het tweetal en keek streng van de een naar de ander. “Nou wil ik wel eens weten wat er gebeurd is!”
“Ik had alleen maar een beetje mijn enkel verstuikt,” antwoordde Stefan verontwaardigd. “We konden er echt niets aan doen dat we later waren. Als dat nare mens de deur niet had dichtgetrokken…”
“Over wie heb je het nou?” onderbrak Reinhald hem.
“Over… over die dragonder! Pascal zegt dat jullie haar kennen. Als dat waar is…”
“Pascal?” Reinhald richtte zijn blik op zijn jongste broer.
“Ik heb haar niet gezien, want ik was mijn schoenen schoon aan het maken. Hoewel ik het eigenlijk niet kan geloven, moet ik uit de beschrijving van Stefan opmaken, dat het mevrouw Van Ommeren was. Het is natuurlijk te gek voor woorden, want waarom zou Hermine zoiets doen?”
“Ik vrees dat ze wraak op ons wilde nemen, Pascal,” zuchtte Reinhald ongemakkelijk. “Ik wilde niet met haar eh… Nou ja, wij hebben een meningsverschil gekregen en dat liep nogal uit
de hand. Ze begon zo te tieren, dat vader haar aan de deur heeft gezet…”
“Ze wilde weten wie ik was,” vertelde Stefan verder. “En toen ik het zei, lachte ze vals en trok zomaar de deur dicht! Ik weet niet wat die heks hier te zoeken had, maar als ik jou was, zou ik haar eens goed de waarheid zeggen, papa. Als we niet al dat eten bij hadden gehad, waren we misschien wel verhongerd!”
Stien begon onbedaarlijk te lachen. “Zo zie je maar dat het altijd verstandig is om genoeg eten mee te nemen! Dat zal je leren er stiekem vandoor te willen gaan! De volgende keer krijgen jullie een dubbele portie mee! Je weet maar nooit waar het goed voor is.”
Stefan en Pascal gaven geen antwoord en keken elkaar alleen maar aan. Met een schaapachtige lach haalde de jongen zijn schouders op. Hem zouden ze niet meer horen als Stien eten meegaf!