Jachtseizoen



Strooptocht in de Landau-kliniek



Hedy Fontein



“Pas op, er kan een kogeltje in het vlees zitten,” waarschuwde Mientje. “Het hoort er nu eenmaal bij in het wildseizoen.” 

Dat ook mensen ten prooi vielen aan de jacht, kon de trouwe huishoudster op dat moment niet vermoeden. En al helemaal niet dat een beeldschone jachtgodin haar pijlen op Wolfgang Kolberg richtte.

Als Anne hem wil waarschuwen, staan zijn haren overeind. Waar bemoeit ze zich mee? En dan dwingt een mysterieuze studente Maxim ook nog eens tot een moeilijke beslissing. Volgt hij zijn geweten, dan is de uitkomst desastreus. Een diep geschokte Mientje gaat ten slotte de strijd aan met wilde bospaddenstoelen. 



“Dokter Maas.” Wolfgang Kolberg zag dat zijn collega naar hem toe liep over de gang en hield zijn pas in. Anne Maas leek niet op een traumatoloog in het mantelpakje dat ze aan had, maar ze had dan ook net haar dienst overgedragen aan Wolfgang die ook traumatoloog was. In informele situaties noemden ze elkaar gewoon bij de voornaam, echter niet hier bij de ingang van de Spoedeisende Hulp in de Landau-kliniek.

Anne moest naar een receptie. Ze had haast, ze had de belangrijkste zaken al met Wolfgang doorgenomen, maar ze wilde nog één ding tegen hem zeggen.

“Mijnheer Buchmann, die patiënt van dat skateongeluk op de High Care,” wees ze achter zich de gang in. “Ik maak me toch een beetje zorgen. Hij heeft oedeemvorming in de hersenen en hij krijgt de maximale dosis medicijn per infuus. Ik heb net nog even gebeld, maar zijn toestand verbetert niet.”

“Ik houd het in de gaten,” beloofde Wolfgang.

“Dokter Landau is namelijk in de OK,” vervolgde Anne.

“Desnoods haal ik hem eruit.”

“Dat wilde ik inderdaad voorstellen.” Terwijl Anne dat zei, hoorde ze een zacht geluid achter zich. Iemand floot tussen zijn tanden, net hard genoeg voor haar om het te horen. Ze werd zich bewust dat ze er mooi uitzag en keek om. 

Een man met een witte jas over een groen OK-uniform liep haar met lange passen voorbij. Anne herkende de rug van Jörg Siebert. Het was publiek geheim dat de algemeen chirurg een liefhebber van de vrouwtjes was.

Grappenmaker, dacht ze bij zichzelf. Jörg bedoelde het niet serieus, daar kende Anne hem lang genoeg voor, deze chirurg met wie ze talloze keren aan de operatietafel had gestaan, vechtend voor een leven. Avontuurtjes met Anne zaten er niet in, dat wist Jörg ook wel, bovendien was ze allang bezet.

Maxim Fräser, professor in de archeologie, had stormenderhand haar hart veroverd. Anne moest vanavond met hem naar de universiteit. Een collega-professor van Maxim kreeg de Trudl Almhof-penning uitgereikt. 

Hoogleraar antropologie Horst Götenberg kreeg deze prestigieuze onderscheiding voor zijn bijzondere verdiensten voor de wetenschap, waaronder vele publicaties in wetenschappelijke tijdschriften. Götenberg stond in hoog aanzien in universitaire kringen, maar dat was voor hem geen reden om naast zijn schoenen te gaan lopen. Integendeel. Pas nog had hij op uitnodiging van Maxim bij Anne thuis aan de eettafel gezeten. Maxim wilde dat Horst nu eens kennismaakte met de kookkunsten van Annes huishoudster Wilhelmine Redlich. Maxim was de grootste fan van Mientjes culinaire kwaliteiten en mocht er graag over opscheppen bij de andere hoogleraren op de universiteit.

De huishoudster was zeer vereerd en snel gecharmeerd van hoogleraar Götenberg, vooral omdat hij zo gewoon was gebleven ondanks de groeiende waardering die hij genoot in universitaire kringen. Geen spoortje van zelfingenomenheid. Al na het aperitief mocht hij haar geen mevrouw Redlich meer noemen. Het was ‘Mientje’ voor intimi, liet ze hem weten.

Maxim had geen woord te veel gezegd over haar culinaire talenten. Haar hazenbout in rode wijnsaus kon gemakkelijk wedijveren met wildschotels van befaamde toprestaurants. Inclusief de eventuele hagelkogeltjes die in het vlees waren achtergebleven en waar Mientje voor waarschuwde. Het hoorde er nu eenmaal bij, het was wildseizoen.

Hagelkogeltjes of niet, Götenberg genoot en hield niet op Mientje te prijzen.

Vanavond, met het ontvangen van de prestigieuze Trudl Almhof-penning, viel hij dus zelf in de prijzen. 

Anne was diep onder de indruk toen Maxim vorige week met de uitnodiging voor de ceremonie kwam opdagen. Horst was relatief jong, begin veertig nog maar en dan toch al zo’n onderscheiding. Zijn voorgangers waren zonder uitzondering tien of meer jaren ouder, toen hen een dergelijke eer te beurt viel. Maxim was van dezelfde leeftijd als Horst. Anne had hem gevraagd of hij niet jaloers was. 

Je had nu eenmaal altijd uitblinkers, had hij geantwoord en nee, hij was niet jaloers.

Anne wilde hem graag geloven. 

Nu stond ze nog bij de ingang van de Spoedeisende Hulp en rondde het gesprek met Wolfgang af over de man op de High Care met vocht in de hersenen. 

“Je bent in elk geval op de hoogte.”

“Jawel, geen zorgen.”

“Rustige wacht.” Anne stak een hand op en vervolgde haar weg naar de personeelsuitgang.

“Prettige avond,” zei Wolfgang tegen de weglopende Anne. Hij constateerde glimlachend dat ze er patent uitzag en stapte de Spoedeisende Hulp binnen.

Anne verdween tussen het publiek op de gangen. Op de parkeerplaats wachtte Maxim haar op in de auto met een draaiende motor. Ze moesten opschieten. De ceremonie begon al over tien minuten en hij moest de hele stad nog door. 

Kwart over zes stapten ze de universiteit binnen. Even voor zeven waren alle toespraken voorbij en ontving Horst Götenberg zijn erepenning. Applaus barstte los. Anne keek eens naar het volk in de goed gevulde aula. Professoren met of zonder partner, studenten en aanverwant publiek, enkele journalisten, niemand ontbrak eraan zo op het eerste oog. Toch miste Anne iemand. Ze stootte Maxim aan.

“Heeft Horst geen vrouw?”

“Nee,” fluisterde hij terug. “Hoezo?”

“Nou ja, hij is erg succesvol en ook bepaald geen lelijkerd.”

“Bespeur ik hier interesse?”

“Ha, ha, nee, maar je zou toch denken dat zo’n man niet verlegen hoeft te zitten om aandacht van de dames?”

“Och arm,” grinnikte Maxim zachtjes. “Ik heb nu al medelijden met die dames. Hoeveel tijd denk je dat hij voor hen heeft?”

“Niet veel,” begreep Anne. Van iemand met zo’n bliksemcarrière als Horst, kon je inderdaad niet verwachten dat hij nog ruimte had voor zaken als de liefde.

Het applaus verstomde. Na nog een kort dankwoord van Götenberg begaf men zich naar de foyer voor drankjes, hapjes en een praatje. Onder het publiek waren veel jonge mensen, had Anne gezien. Studenten waarschijnlijk. Een blonde vrouw viel op, omdat ze lang en knap was, maar vooral omdat ze zo ernstig keek. Ze had een diepe frons boven haar neus. Ze had niemand bij zich, dwaalde een beetje doelloos rond tussen het enthousiast kwebbelende publiek. Zocht ze iemand? 

Annes aandacht werd afgeleid. Mensen schoten Maxim aan voor een praatje. Toen ze weer om zich heen keek, was de blonde vrouw verdwenen.

Even voor achten verlieten Anne en Maxim de receptie. Ze gingen een hapje eten in de stad om de avond in een feestelijke sfeer af te sluiten. Zonder Horst. Maxim had hem uitgenodigd, maar hij had bedankt, hij was bezet.

Maxim had niet anders verwacht. Het gaf niet. Alleen met zijn Anne vermaakte hij zich ook opperbest.

“Madame.” Hij hield galant het portier van zijn auto voor haar open.

Terwijl Anne instapte, hoorde ze overal auto’s starten en wegrijden. Meer mensen verlieten de receptie. Anne keek naar een naderende wagen. Een dure BMW, het leek die van Götenberg wel. Hij had precies zo’n wagen.

“Daar gaat Horst,” zei Anne. “Hé, heeft hij nou toch een vrouw bij zich?”

“Een vrouw?” Maxim was net naast haar gaan zitten. Hij had het te druk met zijn veiligheidsgordel om naar de auto te kijken. “Lijkt me stug.”

“Ik zal me wel vergist hebben.” Anne meende in een flits de sombere blondine naast Horst te hebben zien zitten. Ze keek de auto na die voorbij de slagboom de straat in draaide en in het donker verdween. Het kon inderdaad net zo goed de BMW van iemand anders zijn. 



“Proost!” Maxim hief zijn glas dat voor driekwart was gevuld met flonkerende, robijnrode wijn. Hij was met Anne een knus restaurantje in gedoken in het centrum van de stad. Het krijtbord voor de deur deed beloftevolle menusuggesties. De wijnkaart sloot er naadloos op aan. Binnen was het warm en gezellig.

Maxim keek zijn lief diep in de ogen. 

“Op je schoonheid.”

“Dank je,” glimlachte ze, vaststellend dat hij lekker kon overdrijven als hij in een romantische bui was. Het was niet erg. Anne genoot er juist van. Ze dacht even niet aan haar werk en evenmin aan de skateboarder met dreigend hersenletsel, waar ze Wolfgang Kolberg voor gewaarschuwd had, vlak voor haar vertrek uit de Landau-kliniek. Felix Landau had hoogstwaarschijnlijk allang ingegrepen. De eigenaar van de Landau-kliniek was professor in de neurologie en hersenchirurg.

Anne dacht ook niet aan Wolfgang, die op dat moment over een weiland draafde in de buurt van een dorp enkele kilometers buiten de stad. Naast Wolfgang draafden ambulanceverplegers Tünnes en Klinkmüller. De eerste was ook chauffeur. Hij had zijn ambulance voor de zekerheid langs de weg geparkeerd. Hij kende het terrein niet en wilde niet het risico lopen vast komen te zitten met een gewonde aan boord. 

Het drietal draafde naar de politiewagen die wel het terrein op was gereden. In de lichtbundels van de koplampen tekende zich het silhouet af van een knielende man. Een agent, hij knielde bij een man die op de grond lag. Het was niet zeker of hij nog leefde. Dat was wat de telefonist van de meldkamer had doorgegeven bij het oproepen van de ambulance en wat ook Wolfgang te horen had gekregen.

“Goedenavond.” De traumatoloog putte zich niet uit in beleefdheden, daar was de situatie te urgent voor. De gewonde lag voor dood in het gras, op zijn rug, mond open. De agenten hadden een reddingsdeken over hem heen gelegd. De man droeg geen jas, alleen een schipperstrui, hoewel het best koud was om deze tijd van het jaar.

“We waren begonnen met hartmassage,” zei de agent die naast hem hurkte. “Maar we zijn er mee gestopt omdat er bloed uit zijn mond liep.” Hij strekte zijn benen en maakte snel plaats voor Wolfgang.

Deze zette zijn paraatkoffer op de grond, voelde de halsslagader en met zijn andere hand de pols. 

“Geen circulatie,” constateerde hij, een lampje uit de borstzak van zijn uniform tevoorschijn halend. Hij scheen er mee in de mond van de man. De blauwachtige kleur rond de lippen duidde op ernstig zuurstofgebrek. 

“We gaan dat bloed wegzuigen.”

Haast was geboden. De man was in feite overleden nu hij geen hartslag en bloedcirculatie had. Maar misschien was het nog niet te laat.

Klinkmüller voerde een snelle actie uit met een afzuigapparaat. 

“Tong in de keel,” zag Wolfgang na een tweede inspectie. Hij opende zijn paraatkoffer. Met een soort lange kromme schaar, een Magilltang, trok hij de tong naar boven. “Zuurstof geven.”

Tünnes zat al klaar met een beademingsset. De verpleger had de gewonde aangesloten op een monitor en plaatste nu een zuurstofmasker op zijn neus en mond.

Wolfgang keek naar de vlakke hartlijn op de monitor, een veeg teken.

“Ik maak de borst vrij.” 

Hij trok een flinke schaar uit zijn paraatkoffer en knipte snel de trui open. Terwijl hij dat deed, drong een stem van een vrouw tot hem door. 

“Ik ken hem wel,” hoorde Wolfgang haar zeggen. “Hij is een beetje een zonderling, een houtbewerker. Hij woont in dat huis daar, verderop aan de rand van het bos. Hij jaagt altijd op stropers. Die heb je hier veel. Je hoort ze schieten als het donker is, vooral nu, in het jachtseizoen. Ze zijn de boswachters te vlug af.”

De vrouw sprak tegen een agent die haar ondervraagde. Het leek erop dat zij de gewonde had aangetroffen en de politie had gebeld. 

Een snelle blik vertelde Wolfgang dat ze lang en slank was en donker haar had. Ze had een grote zaklantaren in haar hand. Ze droeg een groene jagersjas en rijlaarzen en ze had een wit-bruin gevlekte field spaniël bij zich, een soort jachthond. Alleen een jachtgeweer ontbrak nog aan het plaatje. 

“Is dat een jachthond?” vroeg de agent, op de spaniël duidend.

“Welnee,” antwoordde de vrouw op vermoeid verveelde toon. “Gewoon een hobbyhond.”

Wolfgang liet zich slechts een miniseconde door de vrouwenstem afleiden. Hij concentreerde zich alweer op de man in het gras. De trui was in tweeën en ook het hemd er onder, de borst was vrij.

“Defibrillator,” verzocht de traumatoloog zijn assistenten.

Klinkmüller had het ding in gereedheid gebracht, wetend wat er komen ging.

Wolfgang plaatste twee elektroden op het lichaam, één linksonder het hart, één rechtsboven.

“Los!” riep hij ten teken dat Tünnes het zuurstofmasker moest loslaten omdat hij een schok ging toedienen. 

Het hart kwam op gang, maar de monitor gaf een zeer onregelmatig hartritme aan.

“Fladderthorax…” Wolfgang trok een stethoscoop tevoorschijn. “Eens kijken waar dat bloed vandaan komt.” Er was namelijk niets te zien aan de gewonde, hoewel alles erop wees dat hij snel en veel bloed verloor. Het moest een inwendige bloeding zijn, gezien het bloed dat in zijn keel was opgeborreld toen de agenten hem probeerden te reanimeren. 

De traumatoloog beluisterde de borst met zijn stethoscoop.

“Nee maar, wat is dat voor herrie,” schrok hij. “We gaan een log-roll doen. Ik wil de achterkant horen.”

Tünnes pakte de gewonde bij de rechterschouder en heup, Klinkmüller bij enkels en de heup. Wolfgang hield het hoofd met beide handen vast en telde.

“Drie, twee, één…”

De ruggengraat in een rechte lijn houdend, rolden de drie mannen de gewonde op zijn linkerzij.

De collega van de agent die de vrouw aan het ondervragen was, lichtte hen bij met een sterke lamp. 

“Sodemieters,” bracht hij uit.

Nu pas werd duidelijk dat de gewonde in een plas bloed lag. Zijn eigen bloed. Een gat in zijn trui gaf aan waar een kogel zijn rug was binnengedrongen. Dit gaf een lugubere wending aan de zaak. De man was brutaalweg neergeschoten.

De andere agent stopte onmiddellijk met vragen stellen aan de vrouw. Hij wierp één blik op het kogelgat en stapte resoluut naar de politiewagen. Even later hoorde men hem via de mobilofoon versterking vragen van een rechercheteam.

Wolfgang wachtte dat niet af. De gewonde had acuut bloedplasma nodig.

“Infusen aanleggen.” Hij pakte een infuusnaald uit zijn paraatkoffer.

Klinkmüller deed hetzelfde. In rap tempo brachten ze de naalden in. 

Tünnes rende zijn benen uit zijn lijf om de brancard uit de ambulance te halen. Tien minuten later lag de gewonde in de ambulance, hoofd en nek met spalken gefixeerd. Infusen in beide armen voorzagen hem van bloedplasma en een zuurstofmasker van zuurstof, voor zover dat lukte met een kapotgeschoten long. Er was geen tijd te verliezen. De forensische rechercheurs die in aantocht waren, moesten hun onderzoek doen zonder lichaam van de gewonde. Met zwaailicht en gillende sirene raasde de ambulance over de provinciale weg, terug naar de stad, naar de Landau-kliniek waar hij vandaan gekomen was.



“Dat was heerlijk.”

“Vooral dat toetje.” Anne liep hand in hand met Maxim door het centrum van de stad. Ze hadden het restaurantje verlaten en waren onderweg naar de parkeergarage waar ze de auto hadden achtergelaten. Ze naderden een groot plein.

Anne dacht weer aan Horst Götenberg. Maxim had hem aangeboden mee uit eten te gaan, maar hij had bedankt. Hij had geen tijd.

“Zou hij het nou helemaal niet vieren dat hij die Almhof-penning heeft ontvangen?”

“Hij is er workaholic genoeg voor,” antwoordde Maxim.

“Wel saai, hoor,” vond Anne.

“Tja…” zuchtte haar geliefde. “Het is het één of het ander. Misschien dat ik daarom nog niet zo’n penning heb gekregen.”

“Als het zo moet, hoeft het ook niet voor mij.” 

“Je bent de vrouw van mijn hart.” Hij gaf haar een kus. 

De wijzerplaat op de kerktoren aan de overkant van het plein wees zeven minuten over half tien aan. 

In de Landau-kliniek stapte op dat moment Wolfgang Kolberg de wachtruimte van de operatiekamers binnen. Samen met thoraxchirurg Manfred Keller had hij de gewonde man uit het weiland geopereerd. De kogel had veel schade aangericht in zijn borst. Hij had het rechterschouderblad doorboord, een achterliggende rib deels versplinterd, het borstvlies en het vlies van de rechterlong doorboord, longblaasjes verwoest en een klaplong veroorzaakt, die uiterst moeilijk te herstellen was. De kogel was langs het hart geschampt en het was een geluk bij een ongeluk, dat de aorta niet was geraakt, want dat had de houtbewerker niet overleefd. De kogel moest van een grote afstand zijn afgevuurd, anders was hij niet in de long achtergebleven, maar had hij het lichaam aan de voorkant verlaten en nog meer schade aangericht. De ontmoeting met het schouderblad had de kogel vertraagd. 

Wolfgang als anesthesist, Manfred Keller als chirurg en een operatieteam waren bijna twee uur lang in touw geweest om de schade te herstellen en de vele botsplinters te verwijderen. Zijn toestand was nog fragiel, maar hij leek het te gaan redden. Omdat de ademhaling buitengewoon pijnlijk was, werd hij voorlopig onder narcose gehouden, tot pijnmedicatie die functie konden overnemen. 

Aan Wolfgang de taak om eventuele familieleden van dit alles op de hoogte te brengen. De traumatoloog keek de wachtruimte rond of zich iemand voor hem had gemeld. Zijn blik bleef hangen op de vrouw die hij eerder deze avond in het weiland had gezien. Ze droeg nog altijd haar rijlaarzen, een rijbroek en een sportieve coltrui. Haar jagersjas lag naast haar op de bank. Haar hond had ze ergens achtergelaten. Dieren waren niet toegestaan in de kliniek. 

Bij het zien van de man in OK-tenue die naar haar keek, rees ze overeind. Ze liepen naar elkaar toe.

“Goedenavond, Wolfgang Kolberg,” zei de traumatoloog, haar een hand gevend.

“Ciska Hahn,” noemde ze haar naam. “Ik had gehoord dat mijnheer Herforth hierheen was gebracht, dus ik ben hier ook maar naartoe gekomen. Hij heeft verder niemand.”

“Heel attent van u. De operatie is goed gegaan. Hij gaat straks naar de Intensive Care, maar voorlopig blijft hij onder narcose.”

“Gaat hij het wel redden, denkt u?”

“Hij heeft een goede kans. We waren er bijtijds bij. Hij moet alleen geen infectie krijgen, of iets aan zijn andere long, maar dat verwacht ik niet.”

“Dus voorlopig is hij niet aanspreekbaar.”

“Nee, helaas.”

“Hmmm…” Ciska keek de traumatoloog in OK-tenue en met een neusmondkap om zijn hals, peinzend aan.

Ze had mooie, bruine ogen, stelde Wolfgang vast. Ze had ook mooie, bruine haren. Een mooie vrouw met een goed figuur. Een paar uur eerder had hij geen tijd gehad om dat allemaal te bekijken in dat donkere weiland. 

“Had u hem gevonden?” vroeg hij.

Ze knikte. “Ik ging even lopen met de hond. Ik woon daar vlakbij. Ik had wel een schot gehoord, maar ik dacht dat het weer stropers waren.”

“Bent u niet bang dat u geraakt wordt?”

“Nee hoor, ze zien heus wel dat ik geen konijn ben of een hert. Ze kijken wel uit om op mensen te schieten, want dan hangen ze. Het mag toch al niet wat ze doen. Ik ben alleen wel eens bang voor de hond. Daarom houd ik hem ’s avonds aan de riem.”

Wolfgang geloofde haar. Ze woonde immers in de buurt en had kennelijk ervaring hiermee.

In zijn ooghoek zag hij twee mannen de wachtruimte binnenstappen. Leren jacks, donkere kleding, ernstige gezichten. Ze liepen naar hem toe.

“Goedenavond,” zei de oudste van de twee. “We zijn op zoek naar de heer Herforth. Hij zou hier op de afdeling zijn.”

“Dat klopt.” 

“Aha.” De man stak een hand in zijn binnenzak en liet Wolfgang een identiteitsbewijs zien. “Dolf Dittrich, recherche.” Hij duidde op zijn maat. “Olivier Hekster, mijn assistent. We zouden mijnheer Herforth graag een paar vragen willen stellen.”

“Dat zal helaas niet gaan. Hij heeft ernstige thoraxschade, we houden hem voorlopig in slaap.”

“Misschien dat u ons kunt helpen?”

“Eh, tja…” Wolfgang wilde het gesprekje met Ciska afronden, maar ze was al onderweg naar de bank waar ze haar jas had achtergelaten. Mooie tred, lange benen en op die rijlaarzen was ze extra elegant. 

Dittrich eiste zijn aandacht op. “Het was u bekend dat het om een misdrijf ging?”

Wolfgang begreep waar hij heen wilde met zijn vraag. 

“We hebben voor de operatie foto’s van de schotwond gemaakt.”

“Mooi. En de kogel?”

“Die hebben we apart gehouden. Niet schoongemaakt.”

Bewijsmateriaal. Het was het gebruikelijke protocol bij dit soort zaken. De traumatoloog had er ervaring mee. Hij wees naar de deur. 

“Als u even meeloopt?”

Met de rechercheurs in zijn kielzog verliet hij de wachtruimte. Een aantal klapdeuren verder bereikten ze een gang met kamers. Wolfgang liet de heren een kamer binnengaan en verdween om even later terug te keren met een USB-stick en een bloederig cilindertje in een plastic zakje met sluitstrip. 

“Alstublieft,” zei de traumatoloog, de USB-stick en het zakje aan Dittrich overhandigend. “De foto’s en de kogelpunt.”

Het politielaboratorium kon zich er verder mee bezighouden. Wolfgang groette de rechercheurs en begaf zich naar de kleedruimte bij de operatiekamers. Onderweg passeerde hij de gang naar de Intensive Care. Het was er rustig om deze tijd van de avond. Des te meer viel de dame op die door de klapdeuren naar buiten stapte. Donker haar, rijlaarzen, jagersjas over haar arm. Voor de derde keer deze avond kruiste Ciska Hahn zijn pad. Wat was het toch met deze vrouw? 

“Ah…” Wolfgang hield zijn pas in, maar hij wist niet waarom. Hij had natuurlijk ook gewoon door kunnen lopen. 

“Hij is er nog niet,” zei Ciska, hem tegemoet komend. 

“Mijnheer Herforth,” begreep Wolfgang. “Het kan inderdaad even duren voordat hij is geïnstalleerd, omdat hij aan de beademing moet blijven. Met hem praten zit er helaas voorlopig niet in.”

“Tja, dan ga ik maar…” Weer die peinzende blik.

Wolfgang keek vragend terug.

“Prettige avond,” zei ze. “Of nou ja. Zo leuk lijkt het me niet hier. Of wel?”

“Leuk?” De arts werd even in verwarring gebracht. Dat soort vragen werden hem nooit gesteld. Zeker niet hier op deze afdeling waar de naasten van binnengebrachte patiënten doorgaans wanhopig en verdrietig waren en getroost moesten worden. Het woord leuk was niet van toepassing op zijn werk. Het was zijn roeping.

“Valt wel mee, hoor.”

“En bent u nou nog lang bezig vanavond?”

“Jazeker.”

Ze keek hem aan, glimlachje rond de lippen. 

Wat wilde ze van hem? Wolfgang liet een snelle blik langs haar figuur glijden, hij was ook maar een man. Zijn plichtsbesef riep hem echter meteen weer tot de orde.

“Nou, dan ga ik maar eens verder. Prettige avond.” Hij groette haar met een knikje en vervolgde zijn weg.



Mirthe Frühling stak schuin de straat over, opgetrokken schouders, haar tas stijf tegen zich aan geklemd. Ze zette flink de pas erin. Ze rende nog net niet, ze beheerste zich. Ze was bij Reinhard geweest, maar hij was er niet. Ze had aangebeld, geroepen, hem opgebeld met haar mobiel. Hij deed niet open en zijn huis was donker. Het was raar. Ze hadden toch afgesproken? Hoe kon hij haar voor een dichte deur laten staan? Ze begreep er niets van, kreeg het akelige gevoel dat hij daarbinnen was met een ander. 

Ze voelde zich buitengesloten, gedumpt. Ze was uiteindelijk maar weer naar huis gereden. Ze kon geen parkeerplaats voor haar deur vinden, had haar auto in een zijstraat gezet en moest een stuk lopen. En nu hoorde ze ook al voetstappen achter zich.

Conrad? Wat een misère! Alles zat tegen deze avond. Als het inderdaad Conrad was, mocht hij niet weten dat ze wist dat hij het was en dat ze bang voor hem was. Ze mocht niet omkijken en ook niet in paniek raken. Ze moest zich tot het uiterste beheersen om niet te gaan rennen. Het zou zijn agressie alleen maar aanwakkeren, het beest in hem naar boven halen. Ze wist er alles van.

Ze naderde haar deur en trok haar sleutelbos die ze al de hele tijd in haar hand geklemd hield, uit haar jaszak. Ze wilde snel de deur openmaken, maar liet van de zenuwen de sleutels vallen. Ook dat nog! Nu sloeg toch de paniek toe. Ze griste de sleutelbos van de straat, duwde met trillende handen de sleutel in het slot en draaide hem twee keer rond. Struikelend viel ze haar huis binnen, gooide de deur dicht en leunde er tegenaan, hijgend van het haasten. Ze spitste haar oren. Kwamen de voetstappen dichterbij en stopten ze voor haar deur? Nee. Stilte. Ze had het zich verbeeld. 

Ze slaakte een diepe zucht en maakte zich los van de deur. 

Dit kon zo niet doorgaan! Haar angst voor Conrad, walgelijke Conrad, beheerste haar leven. Kwam ze ooit nog van hem af? Hij had wraak gezworen toen ze hem had verlaten. Hij zou haar kapotmaken en doorgaans hield hij zich aan zijn woord. Tot nu toe had hij zich koest gehouden, maar nu er een nieuwe man in haar leven was, kon dat elk moment veranderen. Vroeg of laat zou Conrad erachter komen. Misschien was dat al zo, al leek het erop dat die nieuwe liefde alweer voorbij was, nu Reinhard haar voor zijn deur had laten staan. Was hij hun afspraak vergeten? Was het zijn manier om te zeggen dat hij geen zin meer had in haar? Had een ander hem ingepalmd?

Mirthe liep de keuken in. Ze had een droge mond gekregen van de zenuwen. Onder de kraan hangend leste ze haar dorst.

Het was maar een gewone etage waar ze nu woonde. Ze had wat veren moeten laten toen ze wegging bij Conrad. Hun mooie huis en alles wat ze hadden opgebouwd in de jaren van hun huwelijk. Ze had het allemaal achtergelaten en was met een paar koffers weggevlucht. Spuugzat was ze hem, met zijn eeuwige gesar. Het was kennelijk zijn manier om haar te vertellen hoeveel hij van haar hield. Welnu, daar bedankte ze toch maar voor! Mirthe schaamde zich achteraf dat ze ooit met hem in zee was gegaan. Hoe had ze zo stom kunnen zijn?

Ondanks alles had ze haar geloof in de liefde niet opgegeven. Het werd beloond toen ze Reinhard ontmoette. Het was liefde op het eerste gezicht en ze kon hem niet meer uit haar hoofd zetten. De tweede ontmoeting eindigde in zijn bed, het was onvermijdelijk en bij de volgende ontmoetingen gebeurde hetzelfde. 

In Reinhards armen vergat Mirthe alles. Het debacle met Conrad leek mijlenver weg, alsof het in een ander leven had plaatsgevonden. Ze kreeg geen genoeg van Reinhard en de dagen dat ze hem niet zag, konden niet snel genoeg voorbijgaan. Helaas, vanavond werd ze ruw wakker geschud uit haar droom. Eigenlijk had ze de vorige avond al kunnen weten dat er iets loos was, toen ze hem belde en hij niet opnam. Reinhard had geen voicemail en al helemaal geen mobiele telefoon. Hij haatte die dingen. Mirthe kon dus geen boodschap achterlaten.

Ze hadden afgesproken voor deze avond, dus was ze toch maar naar hem toe gegaan. De moed zonk haar in de schoenen toen ze zag dat alles donker was in zijn huis. Toen hij ook niet opendeed en nog steeds de telefoon niet opnam, wist ze genoeg. De wereld was weer koud en kil, zoals in de tijd met Conrad. 



Dat het koud en kil was deze avond had ook Anne Maas gemerkt toen ze een half uur geleden uit haar auto stapte op de artsenparkeerplaats van de Landau-kliniek. Ze had een vrije dag gehad. Nu was zij aan de beurt om een aantal late diensten te draaien. Ze had een witte jas aangetrokken en was de Spoedeisende Hulp binnen gestapt. Het was er rustig op dat moment. Slechts een paar lichte gevallen, waar geen traumatoloog aan te pas hoefde te komen. 

Wolfgang Kolberg was op de Intensive Care, hoorde Anne van een verpleegkundige bij de balie van de Spoedeisende Hulp. Ze zocht hem op om te vragen of er nog bijzonderheden waren. Ze vond hem bij een unit van een patiënt. Hij stond te praten met een dame.

Anne zag de vrouw op haar rug. Lang, slank, donker haar. Ze had kennelijk iets grappigs gezegd, want Wolfgang had een grijns van oor tot oor op zijn gezicht. Toen hij Anne zag naderen, verdween de grijns subiet. Hij rondde snel het gesprek met de dame af.

De vrouw draaide zich om en liep langs Anne naar de uitgang. Nu zag ze haar ook van de voorkant. Knap gezicht met mooie, bruine ogen.

“Tot straks,” had ze tegen Wolfgang gezegd.

Wat had dat te betekenen? Anne keek haar collega vragend aan.

“Hallo Anne,” reageerde hij op haar blik.

Ze was verbaasd. Hij hoorde haar niet bij haar voornaam te noemen hier op de Intensive Care. Hij vergat het protocol. Was hij in de war?

“Goedenavond,” antwoordde ze formeel. “Ik hoorde dat je hier was. Ik kwam even vragen of er nog bijzonderheden zijn?” Ze wierp een blik in de unit waar haar collega voor had staan praten met die vrouw. De patiënt die daar lag, kende ze nog niet. Die moest in haar afwezigheid zijn binnengebracht.

“Mijnheer Herforth,” zei Wolfgang. “Hij lag eergisteren in een weiland met een schotwond in de rechterlong. Een geweerkogel. Hij had flink letsel. Voorlopig houden we hem in slaap, dokter Keller en ik.”

“Een jachtongeluk?” vroeg Anne.

“Dat is niet bekend. De politie is ermee bezig. Waarschijnlijk is hij door een stroper gepakt.” Wolfgang maakte een armgebaar naar de klapdeuren waardoor Ciska Hahn net de afdeling had verlaten. “Volgens die mevrouw jaagt hij veel op stropers.

“Zijn vrouw?”

Wolfgang schudde het hoofd. “Ze woont bij hem in de buurt. Hij is nogal een zonderling, hij heeft verder niemand.”

“Aha.” Anne dacht er aan dat ze die vrouw tot straks had horen zeggen tegen Wolfgang. Kennelijk kwam ze niet alleen voor die zonderlinge mijnheer Herforth op bezoek hier.

“Geen schade aan het hart en de aorta?” ging ze verder over de patiënt.

“Nee, maar het scheelde niet veel. De kogel is er vlak langs gegaan. Hij heeft geluk gehad.” 

Wolfgang besprak nog een paar andere ernstige gevallen met Anne, wenste haar een rustige wacht en verdween. 

Hij had een opmerkelijk veerkrachtige tred na een lange werkdag en Anne had wel een idee waarom. Die knappe dame wachtte natuurlijk op hem. Het zou Anne benieuwen. Gloorde er romantiek aan de horizon? Zoveel plaats voor de liefde was er niet in Wolfgangs leven, getrouwd als hij was met zijn werk. Anne was niet minder serieus dan haar collega, maar zij had Maxim. Ze gunde Wolfgang wel een verzetje. 



“Gezellig is het hier.” Wolfgang stapte een rustiek ingerichte woonkamer binnen. Veel donker hout, een grote, houten eettafel met leren stoelen er omheen. Buffetkast met mooi aardewerk achter de ruitjes. Hoge boekenkasten, royale leren zithoek, plaids van echt bont, sfeervolle verlichting, jachttaferelen aan de muur, hertengeweien. 

Wolfgang aaide de spaniël die kwispelend aan hem snuffelde, volgde zijn gastvrouw naar de bank en ging zitten, zijn blik op het jachtgeweer aan de muur boven de openhaard. 

“De politie vroeg er ook al naar,” zei Ciska, zijn blik volgend.

“Zijn ze hier geweest?”

“Natuurlijk, wat dacht je? Ik heb die man gevonden en dan ben je automatisch verdachte nummer één.” Ze grinnikte. “Dat geweer is in geen eeuwen gebruikt. Toen die rechercheur het stof zag zitten, dacht hij ook meteen laat maar.” Ze liep naar de buffetkast. “Wijntje?”

“Nou, graag!” Wolfgang had een lange dag achter de rug.

Ciska pakte twee grote, rode wijnglazen uit de kast. “Druk gehad vandaag?” vroeg ze, de glazen op de salontafel zettend en hem een inkijkje in haar decolleté gunnend in de openstaande kraag van haar witte blouse. 

“Best wel.” Hij verplaatste snel zijn blik naar iets anders.

Ze pakte een fles uit het wijnrek naast de openhaard en een kurkentrekker en zonk neer op de bank. Terwijl ze aan het folie om de flessenhals frunnikte, keek Wolfgang de kamer rond.

“Ik ben gescheiden,” zei Ciska, zonder haar ogen van de fles af te wenden. 

Wolfgang zocht inderdaad naar aanwijzingen van een partner of echtgenoot. Hij wilde het haar niet vragen, dat vond hij te suggestief, maar ze raadde zijn gedachten en gaf het antwoord. Was hij zó doorzichtig? Iets zei hem dat hij waakzaam moest zijn bij deze vrouw.

Ze woonde inderdaad niet ver van de plek waar de zonderlinge man twee dagen geleden was neergeschoten. Haar rustieke villa ademde grandeur van voorbije tijden. Het verval zoals de scheeflopende vloer in de hal door verzakking en de scheuren in de marmeren vloer, gaf het huis een bepaalde charme. Net als de slecht sluitende deur van de woonkamer, die een tikje uit het lood in de sponning hing, de uitgesleten plek in de tegelvloer voor de openhaard, de afbrokkelende stenen schouw…

Wolfgang was het niet gewend om te drinken. De eerste twee slokken van de zware, rode rioja die Ciska hem had ingeschonken, voelde hij meteen al zitten. Zijn barrières vielen weg. Zijn waakzaamheid verdween als sneeuw voor de zon en maakte plaats voor nieuwsgierigheid naar deze mooie vrouw. Ze was boeiend, mysterieus en een tikje blasé, het kenmerk van de gefortuneerden. Ze was ook door de wol geverfd, calculerend en gevaarlijk, vermoedde Wolfgang, maar het feit dat ze zich bekommerde om haar zonderlinge overbuurman met zijn eenvoudige huisje aan de rand van het weiland, pleitte voor haar zachte kanten.

Daar hield de traumatoloog zich in elk geval aan vast, want hij zat hier niet zomaar. Tegen zijn gewoonte in was hij na zijn dienst niet meteen haar huis gegaan om een gezonde maaltijd voor zichzelf te bereiden. Deze Ciska intrigeerde hem. Niet vaak toonden bezoekers van patiënten persoonlijke interesse in hem tijdens het werk, zoals Ciska had gedaan. Romantische betrekkingen aangaan met patiënten was niet toegestaan, maar Ciska was geen patiënt. Ze was redelijk ontwikkeld en zat niet verlegen om gespreksonderwerpen die Wolfgang interesseerden. Bovendien was ze bijzonder aantrekkelijk. Hij zag eigenlijk geen reden om niet op haar uitnodiging in te gaan, toen ze voorstelde om hun gesprekje dat op de Intensive Care was begonnen bij het bed van mijnheer Herforth, bij haar thuis voort te zetten. Met nog aardig wat slokjes rioja in zijn oversized wijnglas was het niet zeker waar deze avond zou eindigen. 

“Is het lang geleden, de scheiding?” vroeg hij.

“Paar maanden.” Ciska legde houtjes in de haard en wat stukken krant. Ze stond voorover gebogen met haar rug naar hem toe, zodat hij uitgebreid haar mooie achterste kon bewonderen. 

“In goed overleg?” vroeg hij. “Of…”

“Ons huwelijk stelde al een tijdje weinig meer voor. We zijn uit elkaar gegroeid. Het was op. De scheiding was een formaliteit.”

Ze streek een lange lucifer aan, zette de vlam in het krantenpapier en ging naast Wolfgang op de bank zitten. “Maar ik heb het liever niet meer over mijn ex, als je het niet erg vindt. Vertel eens wat over jezelf. Hoe is het nou om aldoor bij nacht en ontij te moeten uitrukken met die ambulance?”

“Het is mijn werk, hè?” 

“Maar het gaat vast ook wel eens mis. Hoe is dat?”

“Het is natuurlijk altijd een domper als we een patiënt verliezen, maar het hoort er allemaal bij.”

“Beetje eenzaam is het wel, jouw beroep, nietwaar?”

“We werken altijd in teamverband, maar het legt soms een zware verantwoordelijkheid op je schouders. Dat wel…”

Ze schonk hem een diepe blik uit haar bruine ogen. Ze was geen dommerdje. Wolfgang zou zich inderdaad alleen kunnen voelen op momenten dat het redden van een leven afhing van zijn beslissingen. Niet dat hij daar zelf ooit bij stilstond. Ciska wel. Ze had overduidelijk over hem nagedacht. Het gaf hem een warm gevoel van binnen.

Ze leunde opzij naast hem op de bank, een welgevormd been in haar strakke rijbroek gebogen onder zich, een arm op de rugleuning. De haard knetterde. Wolfgang keek naar de dansende vlammetjes en was zich bewust van haar hand op zijn schouder. 



“Mijnheer Herforth…” Verpleegster Renate Roland herhaalde de naam die de vrouw voor haar, aan de balie van de Intensive Care, had genoemd. Herforth was de man met een schotwond die hier was opgenomen. Hij zou geen familie of vrienden hebben. Wie was deze dame dan? “Bent u familie?”

Ze schudde het hoofd. “Een vriendin.”

“Aha.” Renate keek peinzend in de richting van de units. “Mijnheer Herforth wordt nog beademd. Hij is onder narcose. U kunt niet met hem praten.”

“Narcose?”

“Ja, helaas.”

De vrouw slikte haar schrik weg en zei: “Toch wil ik hem zien.”

“Meneer staat ook onder politieobservatie,” zei Renate verontschuldigend. “Hij is het slachtoffer van een misdrijf. Dus als u hem wilt bezoeken, moet u uw gegevens achterlaten.”

“En wat gebeurt er dan met mijn gegevens?”

“Die houden we hier voor als de politie ernaar vraagt.”

Ze zuchtte, maar gaf toch toe. “Oké…”

“Bent u verkouden, hebt u een luchtweginfectie of een opkomende griep? Ik moet het u vragen omdat mijnheer Herforth geen besmettingsgevaar mag lopen.”

“Niet dat ik weet.”

“Moment.” De verpleegster ging een kamer achter de balie binnen en kwam enkele tellen later tevoorschijn met een formulier. “Hebt u identificatie bij u?”

De vrouw knikte. “Mijn rijbewijs.”

“Mag ik daar even een kopie van maken?”

“Lieve hemel.” De vrouw tastte in haar tas.

“Het zijn nu eenmaal de regels.” Renate pakte het rijbewijs aan en verdween er weer mee naar de kamer. Toen ze terugkeerde bij de balie, had de vrouw het formulier al ingevuld. De verpleegster deed het papier samen met de kopie van het rijbewijs in een map. Vervolgens stapte ze de balie uit en ging de bezoekster voor naar de patiënt. 

Tenger vrouwtje, blonde krulletjes, dromerige blauwe ogen. Mijnheer Herforth had dus toch een vriendin, in elk geval iemand die zich om hem bekommerde, behalve die dame in die jagersjas op rijlaarzen. Ciska Hahn. Dat was zijn buurvrouw, wist de verpleging inmiddels en ook dat de bezoekjes die ze Herforth bracht, eigenlijk voor iemand anders bedoeld waren. Dat deze jachtgodin haar pijlen op Wolfgang Kolberg gericht had, kon nu eenmaal niet lang onopgemerkt blijven in de Landau-kliniek. Er werd over gefluisterd, behalve wanneer de arts in kwestie zich vertoonde, want dan vielen alle praatjes subiet stil.

Wolfgang zelf was er nog beduusd van. Zo vaak overkwam het hem niet dat iemand hem vlinders in de buik bezorgde. Ciska had ook voor vuurwerk gezorgd in haar bed, waar hij onvermijdelijk in was beland, in de juiste stemming gebracht door de rode rioja. Hoe het verder moest, wat ze met hem van plan was en hij met haar, hing nog allemaal in de lucht. Voorlopig verkeerde hij in een heerlijke verliefdheidsroes op de momenten dat hij niet door zijn werk werd opgeëist.

Aan het eind van zijn werkdag wachtte Ciska hem op, meestal in de unit van Herforth op de Intensive Care.

Daar stapte nu Renate Roland binnen, met in haar kielzog de blonde dame die zich voor hem had gemeld.

“Schrikt u niet,” waarschuwde ze.

De man was amper herkenbaar. Toegedekt tot aan zijn kin, over zijn neus en mond een zuurstofmasker. De dikke slang uit het masker leidde naar het beademingsapparaat dat hem in leven hield. Andere slangen en draden die onder de dekens vandaan kwamen, waren van infusen en bewakingsapparatuur. Naast het bed stond een cilindervormige drainagecontainer waar wondvocht uit zijn rechterlong in werd verzameld. Al met al geen prettig gezicht.

De vrouw schrok toch, ondanks Renates waarschuwing. Ze sloeg een hand voor haar mond en zocht steun bij een bewakingsmonitor. 

“Gaat het?” De verpleegster schoot toe om haar op te vangen.

Het hoefde niet, want ze haalde een paar keer diep adem en herstelde van de eerste schrik.

“Komt het nog goed met hem?” bracht ze uit.

“Jawel hoor,” antwoordde Renate. “Maar het herstel kan even duren. Mijnheer had flinke schade aan borst en long.”

“Wie doet nou zoiets?”

“Tja…” Daar kon de verpleegster geen antwoord op geven en de politie evenmin. De boswachterij deed haar best om stropers in de kraag te vatten, maar die lieten zich moeilijk betrappen, gewiekst als ze waren. Vooral in het late najaar, nu het steeds vroeger donker werd, was het moeilijk de stropers te ontdekken.

Renate moest terug. Ze kon haar balie niet te lang onbewaakt achterlaten. 

“Maakt u het niet te lang?” vroeg ze en verdween.

Mirthe Frühling zag twee klapstoelen tegen de muur staan. Ze klapte een van de stoelen uit en ging bij het bed zitten. Alleen door zijn wenkbrauwen en de vorm van zijn gesloten ogen wist ze dat de man in het bed Reinhard was. Als die ook bedekt waren geweest, had ze niet met zekerheid kunnen zeggen wie hij was. Het had even geduurd voor Mirthe had ontdekt dat hij in de Landau-kliniek lag. Dat was dus de reden waarom hij die avond niet opendeed, zijn huis donker was en hij ook de telefoon niet opnam. Eerst dacht ze dat hij een andere vrouw had, maar een berichtje in de krant waar toevallig haar oog op viel, had haar op zijn spoor gebracht. Een man was in ernstige toestand in een weiland aangetroffen, meldde het krantenberichtje. Hij had een schotwond in zijn rug. Vermoedelijk van een verdwaalde kogel uit het jachtgeweer van een stroper. Maar het kon ook opzet zijn. De man joeg vaker op stropers in de omgeving waar hij gevonden was en waar hij vlakbij ook woonde. De politie deed onderzoek.

Mirthe dacht meteen aan Reinhard. Ze kende zijn gewoonte om achter stropers aan te zitten. Het had haar enige moeite gekost om uit te zoeken of het inderdaad om Reinhard ging en in welk ziekenhuis hij was opgenomen. De krant die het berichtje had geplaatst gaf geen namen door aan Jan en alleman. De politie wilde Mirthe niet bellen erover, bang om dan direct de recherche over de vloer te krijgen met Conrad in de buurt.

Ze was er inmiddels zeker van dat hij haar in de gaten hield. De voetstappen die ze had gehoord, de avond toen ze tevergeefs was teruggekeerd van Reinhard, waren wel degelijk van hem geweest. Toen ze water had gedronken en de gang weer in liep, hoorde ze iemand kuchen voor haar voordeur. Typisch Conrads kuch! Ze herkende hem uit duizenden. Hij was haar dus toch gevolgd!

Als hij er lucht van kreeg dat de politie interesse in haar had, zou hij er bovenop zitten. Hij zou de heren rechercheurs wel even helpen met verdachtmakingen aan haar adres en ook uitvissen waarom die bij haar over de vloer kwamen. Haar relatie met Reinhard ging hem niets aan. Hoe meer hij over haar wist, hoe lastiger hij het haar kon maken. Mirthe achtte hem er zelfs toe in staat dit ziekenhuis binnen te dringen en Reinhard iets aan te doen.

Ze was dan ook niet met haar auto hierheen gekomen, maar met een bus en het laatste deel met een taxi. Die walgelijke Conrad. Moest ze dan de rest van haar leven over haar schouder kijken voor hem? Kwam ze ooit nog van hem af?



“En mijnheer Herforth?” Anne stond in de spreekkamer van Wolfgang. Ze nam zijn dienst over. Ze hoefde niet direct naar de Spoedeisende Hulp, dus had ze even tijd om te vragen of er nog bijzonderheden waren. Anne wist dat er praatjes de ronde deden over Wolfgang en die vrouw, die jachtgodin, zoals ze inmiddels door iedereen genoemd werd. Zelf stond Anne er niet zo bij stil, maar nu ze het over Herforth had, moest ze er automatisch aan denken.

“Eh… ja… mijnheer Herforth,” antwoordde Wolfgang, zijn gezicht in de plooi houdend. Ook hij moest aan Ciska denken nu Anne over Herforth begon en niet alleen daardoor. Hij dacht eigenlijk de hele dag aan haar, als hij even niet werd opgeëist door zijn werk.

“Ik heb het met dokter Keller besproken,” vervolgde hij. “We denken dat mijnheer Herforth nu wel zover hersteld is, dat hij zelfstandig kan ademen. Morgen maken we hem wakker en dan stoppen we met de beademing.”

“Mooi,” zei Anne, bedenkend dat Wolfgang, hier in deze kamer, gerust Manfred had kunnen zeggen in plaats van dokter Keller. Kennelijk was hij alweer een beetje in de war. Het gaf niet. Hij was klaar met zijn dienst en verliefdheid was geen zonde. Anne was klaar met vragen stellen.

“Prettige avond.” Ze liep naar de deur. 

“Rustige wacht,” hoorde ze Wolfgang nog zeggen terwijl ze de kamer verliet.

Of hij het zelf rustig zou houden, was de vraag. Hij had afgesproken met Ciska en het beloofde weer een romantische avond te worden.

Zo niet voor Anne. Ze had een lange, late dienst voor de boeg. Dat wilde wel eens saai zijn op doordeweekse avonden, waarop soms weinig meer gebeurde dan een uit de hand gelopen echtelijke ruzie.

Het bleef inderdaad lang rustig op de Spoedeisende Hulp. Rond half elf maakte Anne een praatje met een verpleger in de balie. Ze wilde net eens uitgebreid geeuwen, toen haar werkmobiel belde.

“Aha, werk aan de winkel.” Ze trok de telefoon uit de borstzak van haar witte jas. “Anne Maas…”

Ze wisselde slechts enkele woorden met de persoon aan de andere kant van de lijn, hing op, verliet de afdeling en haastte zich naar de ambulances.

Een stadsbus had een vrouw aangereden. Haar toestand was ernstig. Ze was buiten bewustzijn. Ook een paar passagiers hadden verwondingen opgelopen. Doordat de chauffeur opeens op zijn remmen moest gaan staan, waren ze door de bus geslingerd.

Anne verwisselde haar witte jas voor een uniform. Even later zat ze in de ambulance die met gillende sirene door de donkere straten zoefde. Meer sirenes weerklonken door de stad. Een tweede ambulance, een brandweerwagen, politiebusjes en politiewagens spoedden zich naar de plek van het ongeluk. Weldra wemelde het van de wagens met zwaailichten en mannen en vrouwen in pakken met lichtgevende banen rond de bus. 

De taken waren snel verdeeld. Het sprak vanzelf dat Anne als traumatoloog de zwaarst gewonde voor haar rekening nam en dat was de door de bus aangereden vrouw.

Twee politiemensen hadden zich over haar ontfermd, een man en een vrouw.

Anne knielde bij de gewonde. Ze voelde de halsslagader en tegelijkertijd de pols. De pols was zwak en onregelmatig.

“Is ze bij bewustzijn geweest?”

“Nee,” antwoordde de vrouwelijke agent, die snel plaats voor haar had gemaakt. Ze had ook een reddingsdeken over de vrouw gelegd. Deze had schaafwonden op haar gezicht en een hoofdwond. Anne zag bebloede blonde haren. Dat kwam straks, eerst de ademhaling.

Anne werd bijgestaan door ambulanceverplegers Holger en Hartmann. Tünnes en Klinkmüller waren vrij.

“Hoofd vasthouden,” droeg ze Holger op.

Ze opende voorzichtig de mond van de gewonde en keek of iets de ademweg blokkeerde. Dat was niet zo. 

“Zuurstof geven,” verzocht ze Hartmann.

De huid van de vrouw zag bleek en voelde klam, had Anne intussen geconstateerd. Het duidde op shocktoestand door het bloedverlies.

“Nek stabiliseren en die hoofdwond verbinden,” zei ze tegen Holger en richtte zich tot de gewonde. “Mevrouw!” probeerde ze haar wakker te maken. “Mevrouw, maak uw ogen eens open!” Geen reactie. Anne diende een pijnprikkel toe, kneep hard in een vingernagel. Het mocht niet baten. De arts trok één voor één de oogleden op en bescheen de pupil met een lampje.

“Vergrote pupillen. Ze reageert niet. We gaan haar beademen.” Anne deed wat spierverslappende gel in de keelholte en plaatste vervolgens een mayotube in de luchtpijp.

Haar bewusteloosheid baarde Anne zorgen. Een hersenscan was dringend noodzakelijk. De gewonde moest zo snel mogelijk op de brancard en in de ambulance. Anne trok de reddingsdeken weg en duwde hem in de uitgestoken hand van een agent. Vervolgens ritste ze de winterjas open, knipte bovenkleding stuk, beluisterde hart en longen en voelde of de buik hard was. Ze constateerde inwendig bloedverlies.

“Infusen aanleggen en dan meteen op de plank,” gaf ze orders aan de ambulanceverplegers.

Met plank bedoelde ze de wervelplank. Anne hield rekening met letsel aan de wervelkolom. De vrouw had een flinke klap van de bus gekregen. Ze was een paar meter over het wegdek gestuiterd. Dat was te zien en dat was ook wat de aangeslagen buschauffeur telkens herhaalde tegen de politieman die hem vragen stelde. De chauffeur was ook in shock, maar dan geestelijk. Een hulpverlener had hem een flesje water in de hand geduwd, waar hij gretig uit dronk. De adrenaline schoot door hem heen, hij kon geen tel stilstaan.

Verplegers van andere ambulances boden intussen hulp aan de gewonde buspassagiers. Politiemensen waren druk bezig rondom de bus. Ze beschenen het asfalt met felle lampen en trokken krijtstrepen, ook rondom de plek waar de gewonde lag. Een politieman stond op het dak van een busje achter een camera op een statief en maakte opnamen. Alles om vast te stellen wie er schuld had aan het ongeluk. De vrouw die uit het niets zonder op of om te kijken de weg was overgestoken, zoals de buschauffeur ook telkens herhaalde. Of hijzelf omdat hij misschien te hard gereden had. Het zou allemaal moeten blijken uit onderzoek.

Anne en de ambulanceverplegers legden intussen in rap tempo infusen aan. Agenten boden helpende handen en hielden infuuszakken omhoog.

De vrouw werd op de wervelplank vastgemaakt en op de brancard getild. Nog altijd zei ze geen boe of bah. Het kon duiden op hersenletsel. Onderweg naar de Landau-kliniek liet ze Felix Landau alvast opgeroepen.

De neurochirurg woonde op het terrein van de Landau-kliniek en kon snel ter plekke zijn. Hij was al in de scanruimte toen de brancard naar binnen werd gereden, omringd door toegeschoten verpleegkundigen.

De gewonde werd in een scanapparaat overgeheveld. Verpleegkundigen bewaakten haar vitale functies. Medische termen gingen over en weer.

Anne voegde zich bij Felix. Samen bekeken ze de scanbeelden. Felix constateerde een zware hersenschudding, ernstig maar niet levensbedreigend, net zo min als de inwendige bloeding links in de buikholte, die Anne op straat al had geconstateerd. Nu werd duidelijk waar het bloedverlies vandaan kwam.

“Een gescheurde milt. Ik waarschuw Jörg alvast.” Ze verliet de scanruimte en haastte zich naar de OK-afdeling waar ze zich met chirurg Jörg Siebert klaarmaakte voor de operatie. 

Anne hoefde Felix niet te vertellen dat een bloedende milt levensgevaarlijk was. Er moest direct worden ingegrepen. Hij begreep wel waarom ze zo’n haast had. Hij verliet ook de scanruimte en gaf de verpleegkundigen opdracht de patiënt direct gereed te maken voor de operatie.

Een spannende anderhalf uur later verlieten Jörg en Anne de OK. Ze konden tevreden zijn, ze hadden de patiënt in stabiele toestand gekregen en overgedragen aan de verpleegkundigen van de uitslaapkamer. Ze werd niet langer beademd. De anesthesist had haar na de operatie uit de narcose gewekt. Ze ademde zelfstandig en was heel even bij kennis geweest. 

Een goed teken, maar er was ook minder goed nieuws. Anne was diverse inwendige kneuzingen en rupturen tegengekomen tijdens de operatie. De vrouw was stabiel, maar nog niet buiten levensgevaar.

Bij het verlaten van de OK had Anne geen familie of bekenden in de wachtruimte gezien. Niemand aan wie ze verslag uit kon brengen. Blijkbaar had de politie niemand kunnen bereiken of was het te moeilijk om diep in de nacht naar de Landau-kliniek te komen.

Na het busongeval bleef het rustig op de Spoedeisende Hulp. Op wat kleinigheden na had Anne weinig te doen. Tegen het eind van haar dienst ging ze nog maar even kijken bij het busslachtoffer. Ze lag op de High Care afdeling en werd nauwlettend in de gaten gehouden. Een verpleegkundige was net bezig de bewakingsapparatuur te controleren, toen Anne de unit binnenstapte.

“Goedemorgen, hoe gaat het hier?”

“Dag dokter Maas.” De verpleegster noteerde de bloeddruk van de patiënt en keek even op van de status die ze aan het invullen was. “Mevrouw is stabiel.”

“Mooi.” Anne liep naar het bed en liet een keurende blik over de vrouw glijden. Ze was in een diepe slaap. Ze was nog jong, rond de 25 schatte de arts haar. Haar blik bleef rusten op het gezicht. Opeens verstrakte ze. De verpleegster zag het ook. 

“Nee maar,” bracht Anne uit. Ze had dit gezicht eerder gezien. Ze zag het nu pas. Ze wist wie dit was.

“Dat is…” Ze keek fronsend naar de verpleegster. “Wat is haar naam ook alweer?” 

Iemand had haar naam genoemd, maar Anne had het te druk gehad met het redden van haar leven om het te onthouden.

“Breidel,” antwoordde de verpleegster. Ze sloeg de status dicht en wierp een blik op het voorblad. “Sophie Breidel.” Ze keek Anne vragend aan. 

“Ik eh… ik ken haar ergens van,” zei deze. “Ik heb haar eerder gezien.” 

Inderdaad had Anne niet zo lang geleden ditzelfde gezicht gezien in de foyer van de universiteit. Deze vrouw was ook bij de uitreiking van de erepenning aan hoogleraar Götenberg. De blondine was haar opgevallen omdat ze zo ernstig keek tussen al dat vrolijk kwebbelende publiek. Omdat ze depressief was? Had ze zich daarom voor die bus gegooid? 

Anne herinnerde zich ook dat ze haar naast Götenberg in zijn auto had zien zitten, maar daar was ze niet helemaal zeker van.

“Ze is student?” vroeg ze aan de verpleegster.

Deze glimlachte verontschuldigend. “Dat kan ik u helaas niet zeggen. Haar dossier ligt bij de zusterpost. Ik heb hier alleen de status met de medische gegevens.”

“Och ja,” zei Anne. “Ik dacht dat het misschien al bekend was hier.” Ze groette de verpleegster en verliet de unit.



“Breidel,” zei Anne tegen Maxim. Ze was thuisgekomen van haar nachtdienst. Ze ging zo dadelijk een paar uurtjes slapen, maar eerst zat ze nog even gezellig aan het ontbijt met Maxim en Mientje in de eetkeuken. De huishoudster deed niets liever dan haar oogappels verwennen. Anne had een lange nachtdienst achter de rug, dus had Mientje gezorgd voor verse koffie, thee, broodjes uit de oven, gekookte eitjes en zelfgemaakte jam.

“Breidel?” De naam deed geen belletjes rinkelen bij Maxim. Hij keek Anne vragend aan.

“Sophie Breidel,” lichtte ze toe. “Ze is waarschijnlijk student. Ik zag haar tenminste op de receptie van Horst. Lang, blond, knap.”

“Zou kunnen…” Maxim gaf regelmatig gastcolleges aan de universiteit. Zijn colleges waren populair en werden druk bezocht, maar dat betekende niet dat hij alle studenten bij naam kende. Velen kende hij alleen maar van gezicht.

“Maar die naam zegt mij niets. Waarom?”

“Ze is gisteravond aangereden door een stadsbus. We moesten er heen met de ambulance.”

Maxim wilde een slok koffie nemen, maar liet zijn mok voor zijn mond in de lucht zweven. “Goh…” schrok hij. “Ernstig?”

“Nogal ja, ze ligt op de High Care.”

“Zo, zo, vervelend…” Maxim nam nu toch een slok koffie en probeerde zich een knappe blondine voor de geest te halen. “Als ze bij de receptie van Horst was, zal ze wel antropologie studeren.”

“Waarschijnlijk wel.” Götenberg was hoogleraar antropologie, wist ook Anne. Het was een deelgebied van de archeologie, maar dan nog hoefde Maxim die blondine niet te kennen. “Ach, het was maar een vraag, omdat ik eigenlijk niet zo goed snap hoe zo’n jonge meid zomaar voor een rijdende bus de weg oversteekt.”

“Misschien reed die bus wel te hard of door rood?”

“Volgens de chauffeur keek ze niet uit, liep ze zomaar de weg op.”

“Had ze gedronken?” De vraag kwam van Mientje.

Anne schudde het hoofd. “En er waren ook geen sporen van drugs in haar bloed. Nou ja, hopelijk kan ze binnenkort zelf vertellen wat er is gebeurd.” 

Ze liet het onderwerp verder rusten. Het was toch al niet haar gewoonte om het over patiënten te hebben aan haar keukentafel. Dossiers waren vertrouwelijk. Anne maakte een uitzondering omdat ze deze vrouw kende van de universiteit waar Maxim ook colleges gaf, anders was ze er niet over begonnen. Ze dronk haar thee op en geeuwde. Ze barstte opeens van de slaap.

“Ik ga maar eens naar boven.”

Anne lag net op één oor, toen in de Landau-kliniek Wolfgang Kolberg samen met Manfred Keller, hoofdverpleegster Hedwig Obermann en verpleegster Sabine Büttner de unit op de Intensive Care binnenstapte van Reinhard Herforth. 

Vanochtend ging Wolfgang Herforth uit zijn narcose halen en de beademing stopzetten. Een dergelijke opdracht was de traumatoloog die van oorsprong anesthesist was, wel toevertrouwd. 

Deze ochtend was hij in een uitstekende stemming na, alweer, een fijne avond met Ciska. Zelfs Manfred Keller, die de praatjes over Wolfgang nauwelijks volgde, viel het op dat de traumatoloog iets van zijn gebruikelijke ernst had laten varen. Niet dat hij er lang bij stilstond. De vraag of hun patiënt weer zelfstandig wilde ademhalen was belangrijker op dit moment.

Ook Hedwig Obermann stond op scherp, want als het niet lukte, moesten er snel maatregelen worden genomen. Wellicht moest de patiënt opnieuw worden geopereerd en gereed gemaakt worden voor de OK. Of er moesten snel thoraxfoto’s worden gemaakt en extra verpleegkundigen worden opgetrommeld om het bed naar de röntgenafdeling te rijden.

Bezoek was niet toegestaan bij dit spannende moment. Het was bovendien nog vroeg in de ochtend. Herforths vaste bezoekster, mevrouw Hahn, dook meestal pas op aan het eind van de dag, of aan het eind van Wolfgangs dienst. Niemand twijfelde er meer aan dat haar bezoekjes eigenlijk voor de traumatoloog bedoeld waren. 

En dan was er nog een blonde dame bij Herforth geweest. Een keer slechts. Daarna had ze zich niet meer in de Landau-kliniek laten zien. 

“Zo, eens kijken.” Wolfgang dacht even niet aan de warme armen van Ciska, maar bekeek de lijnen en cijfers op de bewakingsmonitoren van Herforth voor hartslag, bloeddruk en zuurstofopname. De traumatoloog controleerde ook de algehele conditie van de patiënt, gelaatskleur, kleur van de lippen en nagels en bekeek tenslotte de laatste notities in de status, die hij daarna overhandigde aan Keller. 

De thoraxchirurg wierp er ook een blik in en knikte tevreden. 

Wolfgang liep naar het infuus dat Herforth van narcosemiddel voorzag en zette het stop.

“Het kan wel even duren, hoor na zo’n lange narcose,” waarschuwde hij, een zuurstofmasker met beademingsballon voor handmatige beademing op het kastje naast het bed gereedleggend, zodat hij meteen kon ingrijpen als het misging. 

Na een minuut of tien schakelde hij het beademingsapparaat uit en verwijderde de buis uit de luchtpijp, geassisteerd door verpleegster Sabine.

“We gaan proberen of hij wakker wil worden,” zei Wolfgang en verhief zijn stem: “Meneer Herforth… meneer Herforth…”

Terwijl de traumatoloog zijn best deed om haar geliefde te wekken, stond Mirthe Frühling in haar keuken. Ze trok het gordijn voor het raam een stukje opzij. 

Met ingehouden adem gluurde ze de straat in. Haar blik zwenkte van links naar rechts, bleef even hangen op een auto en het trappenhuis van het gebouw aan de overkant… Ze zuchtte. 

Ze liet het gordijn weer los en veegde een traan van haar gezicht. Het was nog vroeg in de morgen. Het was niet te zeggen of Conrad zich al ergens rond haar huis ophield. 

Mirthe had er iets voor over gehad om nu bij Reinhard te zijn. De vorige dag had ze gebeld naar de Landau-kliniek. Een hoofdverpleegster had gezegd dat hij vandaag uit de narcose zou worden gewekt. Ze had er heen willen gaan, maar ze durfde het gewoon niet, vanwege Conrad. Ze wilde hem niet op het spoor brengen. Reinhard was nog erg zwak. Als Conrad het wilde, kon hij hem in een onbewaakt moment iets afschuwelijks aandoen. Mirthe twijfelde daar niet aan, ze was zelf in de Landau-kliniek geweest. Er liepen heus wel beveiligingsmensen rond, maar die konden niet aan iemands gezicht zien of hij kwaad in de zin had.

Reinhard werd dan wel scherp in de gaten gehouden omdat men aannam dat hij het slachtoffer van een misdrijf was, maar de verpleegsters waren geen partij voor een goed gebekt iemand als Conrad. Ze twijfelde er niet aan dat het hem zou lukken, de Intensive Care binnen te dringen zonder zich te identificeren. Desnoods maakte hij de verpleging wijs dat hij voor iemand anders kwam.

Mirthe moest er niet aan denken wat er dan kon gebeuren. Conrad was tot alles in staat. Hij had toch niets meer te verliezen sinds zij bij hem weg was. Hij kon het niet verkroppen dat ze gelukkig werd met een ander. 

Een tijdje had hij zich koest gehouden en hoopte Mirthe dat hij zijn interesse in haar had verloren. Ze waande zich vrij, ontmoette Reinhard, werd verliefd. Prompt dook Conrad weer op. Hij beschikte kennelijk over een zesde zintuig wat haar liefdesleven aanging. Het was een obsessie en obsessies maakten mensen gevaarlijk. 

Bij de gedachte daaraan, rolden de tranen over Mirthes wangen. Ze had er slapeloze nachten van. Een van die nachten was het bij haar opgekomen dat Conrad haar al langer had gevolgd. Dat hij wist van haar relatie met Reinhard. En dat hij het misschien wel was geweest, die Reinhard had neergeschoten.

Ze dacht erover om het te melden als de politie contact met haar zocht vanwege haar bezoek aan Reinhard in de Landau-kliniek. De politie moest nu wel op de hoogte zijn van dat bezoek. Niet voor niets had ze een hele lijst met gegevens moeten invullen voor ze bij hem mocht.

Ondenkbaar was het trouwens niet dat Conrad hem had neergeschoten. Als iemand een motief had om Reinhard iets aan te doen, was het Conrad wel. Stel nou eens dat hij werd opgepakt, dan zou ze van hem af zijn! Mirthe kon zich niets heerlijkers voorstellen. Maar voor hetzelfde geld pakte het anders uit en kon Conrad bewijzen dat hij helemaal niet in de buurt van dat weiland was geweest die avond. Dan was hij binnen no time weer op vrije voeten. Dan brak pas echt de hel los voor haar, want hij hoefde niet te raden waar de verdachtmaking vandaan was gekomen. Het zou olie op het vuur zijn.

Ze pakte een zakdoek, snoot haar neus en liep weer naar het keukenraam. Alles in haar schreeuwde om Reinhard, maar omwille van zijn veiligheid, mocht ze niet naar hem toe… 



Veel kalmer was het op dat moment in een unit op de High Care in de Landau-kliniek. De vrouw die de vorige avond onder een bus was gelopen, was diep in slaap. Haar toestand was stabiel, maar ze was erg zwak en moest veel rusten. Er was nog niemand naar haar komen vragen. Wel was nu bij de verpleging bekend dat ze studeerde aan de universiteit, wat bleek omdat in haar tas een studentenpas was aangetroffen. Waarom ze zo onvoorzichtig was geweest met oversteken, zoals de buschauffeur beweerde, was nog een raadsel. Ze was geen psychiatrisch patiënt. Ook was ze niet onder behandeling van een therapeut en slikte ze geen medicijnen, dat was allemaal nagetrokken. Het was lastig zoeken naar getuigen van het ongeluk. De bus reed door een villawijk waar nauwelijks volk op de been was toen het gebeurde. Haar kant van het verhaal kon alleen de studente zelf vertellen. Als ze zich tenminste nog iets kon herinneren, want met een zware hersenschudding was dat niet zeker.

“Zei ze iets?” Edith Wolter keek naar Diana Thonhäuser, haar collega, en vervolgens naar de jonge vrouw in het bed op de High Care. Ze was er ernstig aan toe. Ze sliep vrijwel constant, maar de verpleegsters probeerden haar toch een beetje te wassen, zo goed en zo kwaad als het ging. 

“Ik dacht ook dat ik iets hoorde,” zei Diana.

De verpleegsters staakten even hun werk om erachter te komen wat de patiënt wilde zeggen. Deden ze haar pijn? Had ze dorst? 

Haar mond bewoog weer. Een zacht gemurmel verliet haar lippen. 

“Lijsten?” meende Edith te verstaan. “Heeft ze het over lijsten?”

“Ik hoorde ook zoiets.” Diana wendde zich tot de patiënt. “Mevrouw Breidel, zei u iets?”

“… Thomas… waarschuwen…” lispelde ze.

“Thomas?” vroeg Diana. “Welke Thomas?”

De patiënt opende haar ogen. Ze kwam van ver. 

“Welke Thomas?” herhaalde Diana. 

“Mijn hoofd,” klaagde Sophie. “Pijn…”

De verpleegsters wisselden een blik. Er was nog geen samenhangend gesprek te voeren met deze patiënt, dat was duidelijk. 

“U krijgt straks iets tegen de pijn,” beloofde Edith. “Als u bent opgefrist.”

De verpleegsters maakten de wasbeurt af. Ze overwogen nog even of ze melding moesten maken in de status van wat Sophie had gezegd, maar besloten het niet te doen. Over het algemeen hadden uitingen van verwarde patiënten met hersenletsel weinig betekenis, wisten ze uit ervaring. Ze ruimden de spullen op en verlieten de unit. Buiten splitsten zich hun wegen. Diana ging met de trolley met vuile spullen naar het washok. Edith ging naar de zusterpost om een pijnstiller te halen. 

Toen ze met een pilletje en wat water in een tuimelbekertje terugkeerde in de unit van Sophie, trof ze daar Hedwig Obermann aan het bed in gezelschap van Anne Maas. De laatste was na een rustdag teruggekeerd naar de dagdienst. Hoofdzuster Obermann had haar opgeroepen met de vraag of ze even tijd voor haar had. Ze vond dat Sophie voldoende stabiel was om naar de Intensive Care te verhuizen, maar had daar de toestemming van Anne voor nodig. De traumatoloog had zich bij haar gemeld zodra haar andere werk het toestond.

“Goedemorgen,” groette Edith Anne en de hoofdzuster, die haar streng aankeek. Met Obermann viel niet te spotten. De struise vrouw van middelbare leeftijd voerde een streng bewind over de verpleegafdelingen. Niemand wilde het met haar aan de stok krijgen.

“Mevrouw klaagde over hoofdpijn,” verklaarde Edith haar komst naar de unit. “Ik heb even een pijnstiller voor haar gehaald.”

Onder het toeziend oog van Hedwig en Anne, hielp ze de patiënt met het innemen van de pijnstiller. Sophie maakte een nauwelijks aanwezige indruk. Ze mompelde een dankwoord.

“Tot uw dienst, hoor.” Edith wilde vertrekken, maar er schoot haar iets te binnen.

“O ja, ik denk toch dat ik het even moet melden.” Ze duidde op Sophie. “Mevrouw zei daarnet iets bij het wassen. Ze had het over lijsten en dat er iemand gewaarschuwd moest worden. Ene Thomas.” De verpleegster keek Hedwig vragend aan.

“O.” De hoofdzuster trok één wenkbrauw op. “Dank u, zuster Wolter.”

Het betekende dat ze Ediths opmerking niet van belang vond en dat ze nu onmiddellijk verder wilde met datgene waarvoor ze naar de unit was gekomen.

Oké, dacht Edith. Ze had in elk geval haar plicht gedaan en vertrok.

Intussen was het Anne niet ontgaan wat de verpleegster had gezegd. Voor Hedwig had het minder betekenis omdat zij de patiënt niet kende en zichzelf geen vragen stelde over haar ongeluk. Anne wel. Ze keek naar de studente met het verband om haar hoofd. De avond van de receptie had ze kunnen zweren dat zij het was, die naast Horst in die BMW zat, maar het had ook de BMW van iemand anders kunnen zijn. Over wat voor lijsten had ze het? Had het te maken met haar ongeluk?

“Mevrouw is nu twee dagen stabiel,” onderbrak Hedwig Annes gedachten. “Ik wilde u toestemming vragen om haar naar de Intensive Care te verhuizen.”

De arts begreep wel waarom ze aandrong. Er was slechts een beperkt aantal units op de High Care, waar patiënten met een levensbedreigende stoornis na een operatie continu in de gaten werden gehouden. De hoofdzuster hield, als het even kon, een paar units vrij voor het geval een ramp gebeurde in de omgeving. Want dan moest de Landau-kliniek de zwaarste gevallen kunnen opvangen. 

Anne pakte de status van de bewakingsmonitor waar de verpleging hem had neergelegd en bladerde er doorheen. Vervolgens keek ze nog eens goed naar Sophie en zei tegen Hedwig: 

“U hebt mijn toestemming.”

De studente mocht verhuizen. Anne zou later op de dag nog wel even bij haar gaan kijken in haar nieuwe verblijf op de Intensive Care.

Voorlopig had ze haar handen vol, want ze werd opgeroepen voor een inzet. Ze moest mee met de ambulance. Een ongeluk op een bouwplaats met aantal zwaargewonden, hield haar tot ver in de namiddag bezig. Toen ze eindelijk weer even tijd had voor haar andere patiënten, was het tegen half zes. 

Anne liep de verpleegafdeling binnen, waar haar een verrassing wachtte. Bij de balie stond een knappe brunette in een nauwsluitende broek met hoge laarzen. De dame waar haar collega Wolfgang het nogal van te pakken had. Wat deed ze hier om deze tijd? Wachten op Wolfgang? Dat zou gekkenwerk zijn. Zijn dienst begon om zes uur, als hij Anne straks afloste en duurde dan tot diep in de nacht, dus voorlopig had hij geen tijd voor haar.

De vrouw lette niet zo op Anne. Ze was in gesprek met een verpleegster. 

De arts passeerde de balie en hoorde haar de naam Herforth noemen, de man die ze trouw had bezocht, terwijl iedereen dacht dat ze eigenlijk voor Wolfgang kwam. 

Herforth was bijgebracht uit de narcose, wist Anne. Hij lag ook niet meer op de Intensive Care nu hij niet langer beademd werd. Hij was naar de verpleegafdeling verhuisd. Het verbaasde Anne dat deze vrouw zich blijkbaar nog steeds met hem bemoeide. Kwam ze dan toch voor hem naar de Landau-kliniek? 

Het antwoord op haar vraag liet niet lang op zich wachten. Anne ging langs een paar patiënten. Toen ze de kamer passeerde waar Herforth naartoe was verhuisd, zat inderdaad Ciska Hahn aan zijn bed. Wat moest ze toch van hem?

Herforth zelf legde weinig animo aan de dag voor zijn bezoekster. Hij zei geen woord, lag er slapend bij, de ogen gesloten.

Een rare toestand, vond Anne. Ze had nu echter geen tijd om zich met Herforth te bemoeien. Ze wist ook niet alles van de zaak, alleen dat de politie er nog niet in geslaagd was de stroper aan te houden, die hem had neergeschoten. Ze vertrouwde het niet helemaal. Dat die vrouw hier nu toch weer bij Herforth was, wierp een ander licht op haar relatie met Wolfgang. Was het alweer uit, of speelde ze een spelletje met hem? At ze van twee walletjes? Dat zou Anne heel vervelend vinden, want dat verdiende haar collega niet. Misschien moest ze hem maar eens vragen wat zijn vriendin hier nog steeds deed aan het bed van Herforth. Dan was hij in elk geval op de hoogte.



Mirthe stapte de Landau-kliniek binnen. Ze keek toch nog even over haar schouder of ze werd gevolgd, al wist ze dat het niet zo was.

De dingen waren gegaan zoals ze verwacht had. De politie had er inderdaad notitie van genomen dat ze in de Landau-kliniek bij Reinhard op bezoek was geweest. Er was een rechercheur bij haar langs geweest om vragen te stellen over haar relatie met hem. De politieman was nogal een spitter, echt een rechercheur. Hij vroeg maar door. Mirthes echtscheiding kwam ter sprake en ook Conrad, zijn jaloezie, het feit dat hij haar nog steeds niet met rust liet en had aangekondigd haar kapot te willen maken. Uiteindelijk kwam de rechercheur zelf op het idee dat Conrad haar relatie met Reinhard wel eens ontdekt zou kunnen hebben en dat hij hem had neergeschoten uit jaloezie. 

Mirthe sprak hem niet tegen.

De rechercheur had beloofd Conrads gangen na te gaan en hem in elk geval op te roepen voor verhoor. Dat was gisteren. Vandaag had Mirthe de gok genomen. Ze was in haar auto gestapt en naar de Landau-kliniek gereden. Via een omweg voor het geval Conrad haar toch volgde, want dan had ze rechtsomkeert gemaakt. Maar hij was er niet. Was hij opgepakt voor verhoor? Had hij geen sluitend alibi voor de avond dat Reinhard was neergeschoten? Was hij nu in hechtenis genomen?

Mirthe wilde de politie er niet naar vragen, niet nu al. Ze wilde niet al te gretig overkomen. Later misschien, nu ging ze naar Reinhard. Hij was drie dagen geleden bijgebracht uit de narcose. Een verpleegster had haar eergisteren opgebeld en gezegd dat hij naar haar had gevraagd. Of ze naar hem toe wilde komen. Mirthe had het beloofd, maar niet aangedurfd vanwege Conrad. Nu wel. Nu de politie zich met hem bezighield kon hij zich geen misstappen permitteren. Ze ging ervanuit dat hij zich nu wel koest zou houden en haar met rust zou laten. Eindelijk!

Ze haastte zich naar de verpleegafdeling. Met bonzend hart stapte ze de kamer binnen waar Reinhard naartoe was verhuisd. 

Hij zag er minder naargeestig uit dan toen hij aan de beademing lag, maar hij was nog altijd vermagerd, zwak, bleek. Niet de Reinhard op wie ze verliefd was geworden, de stoere, eigenzinnige houtbewerker met zijn gespierde lijf en onweerstaanbare grijns, maar dat zou allemaal terugkomen nu hij aan de beterende hand was, daar twijfelde ze niet aan.

“Dag, daar ben ik.” Ze boog naar hem toe, drukte een kus op zijn lippen.

Zijn lippen bleven koel, hij kuste niet terug. Vraagtekens in zijn ogen.

Ze hoefde niet lang na te denken waarom dat was. Ze kwam immers pas twee dagen nadat hij haar had laten bellen eindelijk eens opdagen.

“Ik had eerder willen komen,” verontschuldigde ze zich. “Meteen toen ik was gebeld, maar…” 

Ze haperde. Ze stond op het punt om over Conrad te beginnen, maar bedacht zich. Moest ze Reinhard wel vertellen over haar walgelijke ex? Helemaal nu de politie hem verdacht dat hij Reinhard had neergeschoten? Dat het zijn schuld was dat hij hier nu lag met een kapotte rechterlong. 

Ze schaamde zich opeens dood, voor Conrad en voor zichzelf. Wat moest Reinhard van haar denken met zo’n ex? Hij wist wel dat ze onlangs gescheiden was, maar veel had ze hem niet verteld over Conrad. Hij was wel de laatste over wie ze het hebben wilde nu ze verliefd was, echt verliefd. 

“Ik… ik had het druk,” bedacht ze snel als excuus voor haar wegblijven.

Oei, dit was helemaal fout. Reinhards blik werd nog koeler dan daarnet. Mirthe werd radeloos. Die vervloekte Conrad verpestte alles! Zolang zijn schaduw over haar leven hing, zou ze ongelukkig blijven. Vreemde gedachten kwamen bij haar

op. Waar dat geweer was, waarmee hij Reinhard had beschoten. In zijn villa waar hij nog woonde en waaruit zij was weggevlucht? Ze moest het vinden en hem een koekje van eigen deeg geven. Hem niet langer ontwijken, maar terugslaan. Dat zou hem leren! Hij zou zich twee keer bedenken om haar nog langer het leven zuur te maken. Nog terwijl ze dat bedacht, zag ze in hoe hopeloos dat plan was. Dat ze zich daarmee alleen nog maar verder van haar geliefde verwijderde. Ze keek naar Reinhard, die koel voor zich uit staarde.

“Het spijt me. Alsjeblieft, begrijp me niet verkeerd,” deed ze een poging het uit te leggen. “Ik had echt eerder willen komen, maar het kon gewoon niet…” 

Toen Anne Maas later die dag de kamer passeerde omdat ze bij een patiënt moest zijn, was Mirthe allang weer vertrokken. 

De arts wierp een blik naar binnen en zag een knappe brunette aan Herforths bed zitten. Dezelfde die daar een dag eerder had gezeten.

Anne had het terloops aan Wolfgang gemeld, toen ze ’s avonds haar dienst aan hem overdroeg. Hij had Ciska meteen verdedigd. Er stak geen kwaad achter, had hij gezegd. Ze bezocht Herforth omdat zich verder niemand om hem bekommerde. Ze had een groot hart volgens Wolfgang. Logisch, hij was verliefd.

Anne gunde hem van harte een beetje romantiek in zijn serieuze leven, maar toch maakte ze zich zorgen. Ze vond die Ciska helemaal geen blijk geven van een groot hart. Ze had een hard gezicht. Bij Wolfgang keek ze hoogstwaarschijnlijk stukken vriendelijker, maar aan het bed van Herforth hoefde ze kennelijk haar best niet te doen en was ze zichzelf. 

Anne wilde niet vooringenomen zijn, maar het lukte niet erg bij deze Ciska. Niet dat ze veel tijd aan Wolfgangs affaire besteedde, want dat stond haar drukke werk niet toe.

En dan was er ook nog de studente met haar raadselachtige ongeluk, die zich zorgen maakte over lijsten. Er moest iemand gewaarschuwd worden, had ze gepreveld. Ene Thomas. Wat voor lijsten en wie was Thomas? 

Anne kon er niets mee en Maxim evenmin. Ze had hem gevraagd wat voor lijsten er te pas kwamen aan een antropologiestudie, maar hij kon er geen antwoord op geven. Anne had erbij gezegd dat hij het niet al te serieus moest nemen. Het kon ook gewoon wartaal zijn. Toch had hij beloofd eraan te denken als hij weer een gastcollege gaf op de universiteit en dat was vandaag. Misschien dat hij toch iets te weten kwam.

Hij was al thuis, toen Anne ’s avonds van haar werk kwam. Hij lag op de bank met een stripboek, zijn grote hobby. Mientje was druk met het eten. Anne liep de keuken in, zei haar gedag en ging naar de woonkamer.

Maxim had haar horen thuiskomen en was overeind gekomen, zijn opengeslagen stripboek met de rug naar boven naast hem op de bank.

Anne gaf hem een kus. “Leuke dag gehad?”

“Ja, je krijgt de groeten van Horst. Ik heb hem gesproken over die vrouw bij jullie op de Intensive Care, maar hij kent ook niet alle studenten die zijn colleges volgen bij naam. Hij vond het natuurlijk erg dat ze onder die bus is gelopen en hij wenst haar het allerbeste. Of ik dat aan je wilde doorgeven, plus zijn hartelijke groeten.”

“Dank je. En die lijsten? Heb je het daar nog over gehad?”

Maxim schudde het hoofd. “Hij had haast, maar ik heb wel een idee wat ze bedoeld kan hebben. Waarschijnlijk had ze het over vragenlijsten die gebruikt worden bij wetenschappelijk onderzoek.”

“Zou ze zelf al onderzoek doen?”

“Lijkt me niet als ze nog niet is afgestudeerd. Hooguit assisteert ze iemand.”

“Horst?”

“Dan had hij wel geweten wie ze is.” Maxim haalde verontschuldigend de schouders op. “Ik heb verder geen idee, Anne.”

“Nou ja, in elk geval bedankt.” Anne hield erover op. Mientje kwam de kamer binnen met een dampende schaal tussen twee ovenwanten. Ze had zich weer eens flink uitgesloofd.



Mirthe Frühling dwaalde somber door haar appartement. Ze had het verbruid bij Reinhard. Hij wist toch al niet meer wat hij aan haar had omdat ze hem zo lang had laten wachten. Toen ze ook nog eens met het smoesje kwam dat ze het te druk had, omdat ze hem de waarheid niet durfde te vertellen over haar walgelijke ex, klapte hij nog verder dicht. Minutenlang had ze zitten aarzelen aan zijn bed, of ze toch moest vertellen dat ze werd opgejaagd door Conrad, maar hoe langer ze daarmee wachtte hoe onmogelijker het werd. Reinhard volhardde in een kil zwijgen. Ze kon hem geen ongelijk geven. Ze hield het niet meer uit en vertrok, verdrietig en radeloos. 

In een vlaag van razernij was ze naar Conrads huis gereden, haar voormalige echtelijke woning, een poenige villa die voor een gouden kooi was gebleken. Ooit had ze zich laten verblinden door het klatergoud waarmee hij zich omringde. Alsof dat het belangrijkste was in het leven. Maar dat was niet het ergste. Toen ze kennismaakte met zijn sadistische trekjes, besefte ze pas wat voor een vreselijke vergissing ze had begaan door met hem te trouwen. Van een scheiding wilde hij niets weten, hij werkte er niet aan mee. Als ze bij hem wegging zou hij haar kapot maken.

Uiteindelijk ging ze er toch vandoor op een avond in haar auto met wat inderhaast bijeen gegraaide spullen. Ze dook onder in een blijf-van-mijn-lijfhuis en kreeg hulp bij haar scheiding. Ze begon een nieuw leven, vond woonruimte en waande zich bevrijd van Conrad. In het begin leek het er inderdaad op dat hij haar met rust liet, tot ze op een dag merkte dat ze werd gevolgd. Door hem!

Nu haar relatie met Reinhard ook kapot dreigde te gaan door hem, werd het haar teveel. Na haar teleurstellende bezoek aan de Landau-kliniek reed ze in een vlaag van razernij naar zijn villa. Ze was vastbesloten het geweer te vinden waarmee hij Reinhard had neergeschoten, het bewijs van zijn schuld dat hem voor jaren achter slot en grendel zou doen belanden. Dan was ze eindelijk van hem verlost en kon ze met haar nieuwe leven beginnen. 

Dat geweer had hij goed verstopt voor de politie, daar twijfelde Mirthe niet aan, maar ze wist nog blindelings de weg in de villa. Ze had het waarschijnlijk zo gevonden, ze kende alle verborgen plekjes. Ze had geluk, zijn auto stond niet voor de deur. Hij was naar zijn werk of, wat ze hoopte, hij werd vastgehouden door de politie omdat hij geen alibi had voor die avond toen Reinhard werd neergeschoten. 

Mirthe had nog een sleutel van de voordeur. Ze had hem al die tijd bewaard voor het geval ze hem nog eens nodig zou hebben en dat was nu. Nerveus stak ze hem in het slot. Er wachtte haar echter een teleurstelling. De sleutel bleef steken, hij paste niet meer, Conrad had het slot vervangen. Mirthe had het kunnen weten, hij hield niet van halve maatregelen. Wanhopig keerde ze terug naar haar auto. Alleen de politie kon haar nog van hem bevrijden, maar of dat zou lukken?

Nu dwaalde ze door haar eigen huis, haar gedachten bij Reinhard. Ze wilde hem niet opzadelen met haar problemen en al helemaal niet nu hij zo zwak en ziek was. Maar als ze wegbleef bij hem, zou hij nooit de waarheid te weten komen. Dat ze van hem hield, maar door Conrad werd gedwarsboomd en dat die levensgevaarlijk was. Kon ze niet beter toch naar hem toe gaan en alles vertellen? Erger dan het nu was kon het toch niet meer worden.

Mirthe staakte haar gepieker en vertrok naar de Landau-kliniek. Tegen half zeven stapte ze uit haar auto op de parkeerplaats voor bezoekers. Vijf minuten later liep ze voor de tweede keer deze dag kamer vijf op de verpleegafdeling binnen, de kamer waar Reinhard was opgenomen. 

Een dame was juist onderweg naar de deur. Knap, bruin haar, strakke broek, rijlaarzen. Ze kwam uit de richting van Reinhards bed en keek met priemende ogen naar Mirthe. Deze keek vluchtig terug. Het viel haar op dat de vrouw een hard gezicht had. Ze liep verder naar Reinhards bed, maar voelde de blik van de vrouw in haar rug. Ze draaide zich om. De vrouw stond nog bij de deur, inderdaad met haar ogen op haar gericht. Wie was ze? Waarom keek ze zo? Was zij ook bij Reinhard geweest? Was er nog een andere vrouw in zijn leven? Wat had dit te betekenen? 

Ze keek naar Reinhard die zijn ogen stijf dicht hield. 

Toen ze weer naar de deur keek, was de vrouw verdwenen.

“Ahem,” kuchte ze. “Reinhard?”

Hij herkende haar stem en opende zijn ogen, maar zijn blik was koud.

“Ik moet je iets belangrijks vertellen,” zei ze, terwijl ze op de stoel naast het bed ging zitten. “Zou je alsjeblieft nog één keer naar me willen luisteren, ook als je niet meer van me houdt?”

Mirthe had niet lang nodig om Reinhard de waarheid te vertellen, over zichzelf, over Conrad. Hij hoorde haar aan, zwijgend. Vergiste ze zich, of zag ze pijn in zijn ogen. Een andere pijn dan die van de traag helende wond in zijn borst.

Ook Mirthe voelde pijn toen ze had gezegd wat ze zeggen moest en hem vaarwel zei. Ze zag hem waarschijnlijk nooit meer, maar in elk geval wist hij nu dat ze van hem hield. Dat ze hem niet twee dagen had laten wachten omdat ze het druk had, maar omdat ze haar gewelddadige ex niet op zijn spoor had willen brengen.

Verdrietig verliet ze de afdeling, haar blik op de grond gericht, zonder op of om te kijken. Ze stapte in haar auto. Verblind door tranen zag ze nauwelijks de weg en al helemaal niet dat ze gevolgd werd. Pas toen ze bijna bij haar huis was, viel haar de auto op die al een tijdje achter haar reed. Die van Conrad? Ze kon het niet zo goed zien in het donker.

Ze kende het klappen van de zweep zo langzamerhand. Ze wist een beproefd middel om te ontdekken of ze inderdaad werd gevolgd. Ze reed haar straat voorbij, ging rechtsaf, rechtsaf en nog eens rechtsaf. De bestuurder die haar volgde moest nu wel snappen dat ze hem door had. Inderdaad staakte de persoon na twee keer rechtsaf te zijn gegaan, de achtervolging, trapte geïrriteerd het gaspedaal in en verdween in de avond.

Mirthe was alweer rechtsaf geslagen en zag de wagen in een flits in haar achteruitkijkspiegel rechtdoor gaan. Was dat Conrad? Was hij haar gevolgd vanaf de Landau-kliniek? De angst sloeg haar om het hart. Wat deed hij bij de Landau-kliniek? Wist hij toch dat Reinhard daar was opgenomen? Maar waarom reed hij dan tot hier achter haar aan? Hij wist toch waar ze woonde?

Mirthe had er geen antwoord op. Ze was het irritante gedoe ook spuugzat. Ze reed naar haar huis, ging naar binnen en keerde terug naar haar verdriet om Reinhard.



Anne Maas draafde voor Tünnes en Klinkmüller uit de zaal van het theater binnen. “Hier!” riep een zware mannenstem vanaf het toneel. Een man in een musketierskostuum wenkte haar en wees naar de plek waar een bont groepje verklede mensen samendromde.

Anne sprintte langs rijen rode pluchen stoelen naar een zijtrapje dat uitkwam op de bühne en beklom het met twee treden tegelijk. 

Het groepje mensen week uiteen. In hun midden op de grond, lag een man, ook in een musketierskostuum. Boven hem het decor met het plateau waar hij vanaf was gevallen bij het zwaardgevecht dat hij aan het repeteren was met een andere acteur. Het plateau was vier meter hoog. De musketier was verkeerd terecht gekomen. Hij bewoog niet meer en ademde niet meer.

Tünnes had zijn gaspedaal niet gespaard tijdens de rit van de Landau-kliniek naar het theater, die in totaal acht minuten had geduurd, wat een prestatie van formaat was in de drukke stad.

Anne zette haar paraatkoffer naast de gewonde. Ze moest snel uitvinden waarom hij niet meer ademde.

“Hoofd vasthouden,” droeg ze Klinkmüller op. Ze voelde de halsslagader en de pols en opende voorzichtig de mond. 

“Aha.” Ze zag onmiddellijk wat de ademhaling in de weg zat, trok pijlsnel een paar latex handschoenen aan en viste een bovengebit uit het keelgat. 

Er barstte prompt een geroezemoes los bij de toekijkers. Kennelijk was niemand op de hoogte van de valse tanden van de knappe musicalster. Het speet Anne dat ze zijn geheim had verklapt, maar ze kon er niets aan doen. 

“Zuurstof geven,” droeg ze Tünnes op, het gebit in een plastic zakje verpakkend.

De verpleger bedekte snel de ingevallen mond met een zuurstofmasker. Hij had de man met een knijper op de middelvinger aangesloten op een monitor. De hartlijn kwam prompt tot leven nu de man weer adem kreeg. Een hele opluchting, maar Anne was nog niet klaar met haar onderzoek. Waarom was hij buiten bewustzijn?

“Meneer!” maakte ze hem wakker. “Hallo! Meneer!”

Het hielp. Hij opende zijn ogen.

Anne zag iets alarmerends. De ene pupil was groter dan de andere, wat kon duiden op hersenletsel. Ze trok een ooglampje tevoorschijn en bescheen de ogen.

“De linker pupil reageert traag,” liet ze de verplegers weten. “Mijnheer moet toch even gescand worden. We gaan de nek, schouders en bekken fixeren en dan op de plank.”

De regisseur van het gezelschap hoorde Anne met groeiende ongerustheid aan.

“Wanneer denkt u dat Eugen weer kan spelen?” onderbrak hij de stroom van medische termen die Anne en de verplegers uitwisselden, terwijl ze de musketier gereed maakten voor vervoer naar de Landau-kliniek.

“Het hangt ervanaf wat de scanbeelden laten zien,” antwoordde de traumatoloog. “Als er sprake is van hersenletsel zal hij een tijdje rust moeten houden. En ook als hij dingen gebroken heeft, wat ik nu niet ga onderzoeken, want die scan heeft de hoogste prioriteit.”

“En volgende week is de première al!”

“Het spijt me, het is niet anders. Laten we hopen dat het meevalt.”

De musketier lag in spalken verpakt op de wervelplank op de brancard. Anne sloot haar paraatkoffer. Helpende handen schoten toe om de brancard van het toneel af in de zaal te tillen. De regisseur liep vooruit om deuren open te houden. De groep spelers keek aangeslagen de brancard na, die door een zijdeur naar de ambulance verdween.

Met loeiende sirene baande Tünnes zich een weg door het drukke verkeer. Anne hield achterin de ambulance de acteur scherp in de gaten. Door zijn hersenletsel kon hij zomaar een epilepsieaanval krijgen of moeten braken en dan moest ze direct ingrijpen.

Na een rit van zeven minuten, arriveerde de ambulance bij de Landau-kliniek. Anne droeg haar patiënt over aan Felix Landau en radioloog Mathias Braun. Voordat ze ook haar dienst overdroeg aan Wolfgang Kolberg, moest ze nog even langs een paar patiënten. Ze had het Hedwig Obermann beloofd.

Sophie Breidel lag nog op de Intensive Care. Ze was erg gespannen, had de verpleging gemeld. Ze sliep onrustig en leek zich ergens heel druk om te maken, maar praten erover wilde ze niet. Haar moeder, die zich eindelijk had laten zien, wist ook niet wat haar dochter bezielde. Herma Breidel woonde niet hier in de stad en had een druk leven, had ze Diana Thonhäuser verteld aan het bed van haar dochter. En ook dat Sophie haar vader nooit had gekend.

Herma kwam uit een eenvoudig milieu. Ze had hard moeten werken om op te klimmen en ook om haar kind te laten studeren. Hun relatie was verwaterd sinds ze was verhuisd, omdat ze daar een goede baan kon krijgen. Sophie had het doorzettingsvermogen van haar moeder geërfd. Ze had ijverig doorgestudeerd en was bezig met haar scriptie voor haar masterstitel. Ze was zelfverzekerd, had altijd vastomlijnde doelen, daarom begreep haar moeder het niet dat ze zomaar onder een bus was gelopen.

Anne, die dit verhaal nog niet kende en alleen maar moest beoordelen of Sophie naar de verpleegafdeling mocht verhuizen, zette koers naar haar unit op de Intensive Care. Naderbij gekomen hoorde ze gepraat in de unit. Had ze bezoek? Anne hield haar pas in en keek naar binnen. 

Een man stond aan Sophie’s bed. Hij deed helemaal niet aardig tegen haar patiënt. Anne kon niet precies verstaan wat hij zei, maar het klonk allesbehalve vriendelijk.

Het verbaasde de arts nog het meest omdat ze de man kende. Niemand minder dan Horst Götenberg stond daar in de unit! De wellevende en charmante hoogleraar die niet zo lang geleden aan haar eettafel had gezeten en Mientjes wildschotel de hemel in had geprezen. Waarom deed hij nu zo lelijk tegen Sophie?

“Ahem…” maakte Anne haar aanwezigheid kenbaar.

Horst draaide zich geschrokken om. Toen hij zag wie daar stond, keek hij subiet een stuk vriendelijker.

“Nee maar, Anne.” Zijn vertrouwde charme keerde terug en hij stak haar joviaal een hand toe.

“Goedenavond…” Ze keek verwonderd van Horst naar Sophie en terug. “Problemen?”

“Nee… nee… Ik hoorde van Maxim wat mevrouw Breidel is overkomen. Buitengewoon sneu. Ik kwam haar even een hart onder de riem steken.”

“Aha!” Anne herinnerde zich dat Maxim hem inderdaad had gesproken en dat Horst hem had gevraagd aan haar door te geven, dat hij Sophie het allerbeste wenste. Ze vond het maar raar. Wat hij daarnet tegen Sophie zei, klonk helemaal niet als het allerbeste, al had ze het niet verstaan.

Horst kreeg opeens haast. 

“Ik moet helaas alweer afscheid nemen. Drukke agenda, enfin, je weet het.” Hij deed een stap naar het bed. “Veel beterschap, hoor,” zei hij Sophie een schouderklopje gevend. “En dat ik je maar weer snel mag terugzien bij de colleges.” Hij stak een hand op naar Anne. “Tot ziens en de groeten aan Maxim.” Met snelle stappen verliet hij de unit.

Anne keek hem na en vervolgens naar Sophie. Ze was totaal van streek.

“Och arm.” De arts liep naar het bed. “Wat is er? Kan ik iets voor je doen?”

“Nee…” antwoordde de studente met een klein stemmetje.

“Echt niet?”

Sophie gaf geen antwoord. Ze keek Anne verwijtend aan door haar tranen heen.

Vanwaar dat verwijt, vroeg deze zich af. Had het iets met Horst te maken? Of kwam het omdat Sophie had gezien dat zij en Horst elkaar kenden?

Ze wachtte af of de studente toch nog iets wilde zeggen, maar dat gebeurde niet. Ze staarde doodongelukkig voor zich uit.

Veel tijd voor raadsels had Anne niet. Ze moest ook nog langs een patiënt die vandaag naar de verpleegafdeling was verhuisd. Ze staakte haar poging om door te dringen tot Sophie. Het had geen zin, het was duidelijk dat de patiënt haar niet vertrouwde. Misschien dat iemand anders makkelijker toegang tot haar kreeg.

Anne verliet de unit, waarschuwde een verpleegster en vertrok naar de verpleegafdeling.



Het was bepaald niet Annes dag vandaag. Toen ze even later kamer vijf op de verpleegafdeling binnenstapte, wachtte haar wederom een vervelende situatie. De patiënt bij wie ze moest zijn, lag op dezelfde kamer als Reinhard Herforth. Hij had bezoek, zag Anne. Ciska Hahn zat weer aan zijn bed. Anne had al eerder vraagtekens gehad bij de bezoekjes van het liefje van Wolfgang aan Herforth. Het was uit medemenselijkheid, had haar collega gezegd, iets anders moest ze er niet achter zoeken.

Dat probeerde Anne nu ook. Ze liep langs zijn bed naar het bed van haar patiënt, toen een stem haar aansprak.

“Dokter?”

Ze keek om naar Herforth.

“Mag ik u iets vragen?” vroeg hij op Ciska duidend. “Zou u mevrouw Hahn willen verzoeken om nu weg te gaan en niet meer terug te komen? Ik ben niet van haar bezoek gediend, maar naar mij wil ze niet luisteren. Ik heb al een paar keer om een zuster gebeld, maar die hebben het zeker druk.”

Dat kon wel kloppen, wist Anne. Het was bijna bezoekuur en dan was er altijd minder personeel op de werkvloer. Normaal gesproken was zij hier ook niet op dit tijdstip, vlak na zessen.

“Eh…” Ze moest even denken. Zo vaak werd haar niet verzocht het bezoek van een patiënt te vragen op te hoepelen.

“Zou u mevrouw Hahn willen vragen om mij met rust te laten?” drong Reinhard aan, omdat Anne aarzelde.

De arts keek afwachtend naar Ciska. Ze was niet doof en de boodschap was duidelijk.

Wolfgangs liefje, ook wel jachtgodin genoemd in de wandelgangen, moest snappen dat ze Reinhards verzoek niet langer kon negeren.

“Mevrouw?” zei Anne.

Dat was gelukkig genoeg. Ciska perste haar lippen opeen, rees overeind en beende zonder iets te zeggen de kamer uit.

Beledigd, dacht de arts. Het deed haar persoonlijk niet veel, maar ze dacht aan Wolfgang die nog altijd idolaat van haar was. Kende hij wel het ware gezicht van zijn jachtgodin? Het speet Anne dat hij niet bij dit tafereel aanwezig was geweest, dan had hij het met eigen ogen kunnen zien. Die Ciska drong zich doodeenvoudig op aan Herforth. Het was dus niet uit medelijden dat ze aan zijn bed zat. Het leek er meer op ze jacht op hem maakte achter Wolfgangs rug om.

Anne zou Wolfgang zo dadelijk zien. Herforth was zijn patiënt, dus moest ze hem wel op de hoogte brengen hiervan, of hij het nu leuk vond of niet.

Toen Anne tien minuten later de Spoedeisende Hulp binnenstapte, was Wolfgang daar ook net gearriveerd. Hij stond bij de balie. Niet in zijn beste humeur, zag Anne aan zijn gezicht. Ze wist niet waarom en liep naar hem toe.

“Goedenavond, Wolfgang.”

“Goedenavond.” Hij keek Anne boos aan. “Goed dat ik je zie. Ik sprak mevrouw Hahn daarnet. Ik heb begrepen dat meneer Herforth van jou geen bezoek meer mag ontvangen?”

Lieve hemel, dacht Anne. Die Ciska had er geen gras over laten groeien! Ze was regelrecht uit kamer vijf naar Wolfgang gestapt, de intrigante! Ze had deze kliniek kennelijk als jachtterrein uitverkozen en nu ging ze ook nog wiggen drijven tussen de artsen. Dit mens was ronduit gevaarlijk!

“Neem me niet kwalijk, maar ik denk toch dat mevrouw je niet volledig op de hoogte heeft gebracht,” verdedigde ze zich. “Het was op het verzoek van mijnheer Herforth zelf, dat ze is weggegaan. Hij is niet gediend van haar aandacht.”

“Hoe dan ook,” zei Wolfgang. “Jouw bemoeienis met mijn patiënt was overbodig, hoe goed het ook bedoeld mag zijn. Ik neem het je niet kwalijk, we werken allemaal wel eens te hard, maar de volgende keer handel ik het liever zelf af.”

Anne was sprakeloos. Wat mankeerde haar collega opeens, dat hij zo neerbuigend tegen haar deed? Die tante had hem in zijn macht, dat was duidelijk. Het moest niet gekker worden…

Anne had geen zin om er verder over te bekvechten, hier bij de balie, waar het baliepersoneel hen kon horen, maar het laatste woord hierover was nog niet gesproken.

Ze wenste Wolfgang koeltjes goedenavond en vertrok naar huis.

Anne was wel eens in een beter humeur thuisgekomen, merkten Mientje en Maxim.

Het was echter niet Wolfgang en zijn jachtgodin die haar bezig hadden gehouden in haar auto, onderweg naar huis, maar Horst Götenberg en vooral zijn vreemde gedrag tegen Sophie Breidel.

Anne begreep er niets van, zo kende ze Horst niet. Sophie vertrouwde haar opeens niet meer. Ze hoopte maar dat ze openhartiger was geweest tegen de verpleegster die ze naar haar toe had gestuurd. 

Anne wilde er thuis de stemming niet mee verpesten, maar uiteindelijk begon ze er toch over, omdat Maxim zo aandrong. Hij had wel door dat haar iets dwarszat.

“Je raadt nooit wie er op de Intensive Care was vandaag.”

“Geen idee.” Hij keek haar nieuwsgierig aan.

“Horst,” zei Anne. “Bij Sophie Breidel.”

“Goh, wat aardig dat hij daar toch even tijd voor heeft gemaakt.”

“Het was anders niet bepaald aardig zoals hij tegen haar deed. Ik hoorde niet precies wat hij zei, maar het klonk erg onvriendelijk. Toen hij in de gaten kreeg dat ik achter hem stond, werd hij opeens poeslief.”

“Weet je zeker dat je je niet vergist?”

Anne schudde het hoofd. “Ze was helemaal van streek.”

“Daar zal hij dan wel een goede reden voor hebben gehad,” mengde Mientje zich in het gesprek. Ze kon nauwelijks geloven dat die charmante hoogleraar kwaad in de zin had.

“Misschien,” zei Anne. “Maar ik kon het hem niet vragen, want hij had opeens ontzettende haast. En die studente zelf wilde er niets over zeggen.”

“Tja…” peinsde Maxim. “Dan wordt het wel heel erg moeilijk, als niemand iets wil zeggen.”

“Ik denk dat het is omdat ze zag dat Horst en ik elkaar kennen,” verklaarde Anne. “Ze vertrouwt me niet meer en dat is heel vervelend, want zo kan ik haar niet helpen. Als niemand weet waar ze zich zo druk over maakt…”

“Die lijsten toch?” zei Maxim. 

“Inderdaad en ook dat er iemand gewaarschuwd moet worden. Thomas of zoiets.”

“Thomassen,” verbeterde Maxim haar. “Ze bedoelt zeker Gerlach Thomassen, de rector magnificus van de universiteit.”

“Dat is ook zo…” Anne kende hem wel. Ze had hem vaker de hand geschud bij bijeenkomsten in de aula, zoals onlangs bij de uitreiking van de erepenning aan Götenberg. “Maar waarom zou hij gewaarschuwd moeten worden?”

“Goeie vraag.” Maxim dacht na.

Mientje ging intussen steeds bedenkelijker kijken. Ze vond het maar niks dat die aardige Horst, die dankbare afnemer van haar wildschotel, in een kwaad daglicht kwam te staan door een studente. Nu moest de rector magnificus ook al gewaarschuwd worden!



Mirthe stapte met bonzend hart de Landau-kliniek binnen. Een verpleegster had haar gebeld met de mededeling dat Reinhard naar haar had gevraagd. Of ze bij hem langs wilde komen. Het was belangrijk.

Ze was meteen gekomen. Deze keer liet ze hem geen twee dagen wachten vanwege Conrad. Ze nam het risico dat hij haar zou volgen naar de Landau-kliniek voor lief. Ze zou wel merken wat ervan kwam. Ze zou in elk geval de verpleging voor hem waarschuwen voor het geval hij iets in zijn hoofd mocht halen. Of hij vastzat, of wegens gebrek aan bewijs het politiebureau na verhoor weer had mogen verlaten, Mirthe wist het niet. Nu had ze geen tijd om erover te piekeren. Reinhard had naar haar gevraagd! Hij had toch weer contact gezocht, terwijl ze dacht dat hij niets meer met haar te maken wilde hebben, nadat ze hem de waarheid had verteld over haar verleden met Conrad. Betekende het dat hij het haar toch niet kwalijk nam? Dat hun relatie toch nog een kans had? 

Ze stapte kamer vijf op de verpleegafdeling binnen. 

Reinhard zat half rechtop in zijn bed. Het ging een stuk beter met hem. Hij had meer kleur op zijn wangen. Hij leek weer op de man op wie ze verliefd was geworden en dan vooral door zijn glimlach waarmee hij haar verwelkomde.

“Hallo, daar ben ik,” glimlachte ze terug. “Je had naar me gevraagd?”

“Fijn dat je zo snel gekomen bent. Kom even zitten, ik moet je iets vertellen.”

“Iets vertellen?” Ze zonk neer op de stoel naast het bed. 

Hij pakte haar hand en hield hem vast. “Ik heb veel nagedacht, over mezelf, over jou, over ons. Ik moet zeggen dat ik wel een beetje schrok toen je me vertelde over je ex, maar ik waardeer het dat je de moed had om eerlijk tegen me te zijn. Nu is het mijn beurt om jou de waarheid over mezelf te vertellen. Want je wist nog niet alles. Ik hield ook iets achter.” Hij haalde diep adem. “Toen ik jou ontmoette, was ik niet alleen. Ik had een relatie, maar niet een om trots op te zijn.”

“Waarom niet?” Mirthe hing aan zijn lippen.

“Omdat ze een inhalig monster is. Een gewetenloze egoïst. Ik wist het eigenlijk al toen ik met haar begon, maar ze drong zo aan en ik was alleen. Gedesillusioneerd na een paar stukgelopen relaties. Ik dacht dat de vrouw van mijn dromen toch niet bestond. Ik had al gauw in de gaten waar Ciska op uit was.”

“Heet ze zo?”

“Ciska Hahn,” knikte Reinhard. “Ze woont niet ver bij mij vandaan in een kast van een villa. Best een mooi huis, hoor, op het eerste gezicht. Maar als je goed kijkt zie je overal het achterstallige onderhoud. Ciska heeft het geld er niet meer voor, haar man heeft alles er doorheen gejaagd.”

“Dus ze is getrouwd?”

“Jawel, maar haar man is vaak weg. Alcoholist. Verslavingskliniek in, verslavingskliniek uit.”

“Wat een narigheid.”

“Zeg dat wel.” Reinhard bracht Mirthes hand naar zijn lippen en gaf er een kusje op. “Ciska is wanhopig op jacht naar iemand met geld.”

“Dus ze legt het aan met iedereen?”

“Zoiets, ja. En nu claimt ze dat zij mijn leven heeft gered. Omdat zij mij heeft gevonden en alarm heeft geslagen, toen ik was neergeschoten.” 

Hij keek Mirthe verontschuldigend aan. “Toen jij niets liet horen dacht ik dat je niks meer met me wilde. Zo’n kreupele vent die misschien nooit meer de oude wordt…”

“Hoe kom je daar nu bij?” reageerde ze verontwaardigd.

“Ssst,” suste hij haar. “Ik dacht het gewoon. Ik wist niet dat die rare ex van jou je nog steeds lastigviel. Ciska was er wel, zelfs toen ik nog aan de beademing lag en onder narcose was.”

“Omdat ik niet wist wat er was gebeurd,” verdedigde Mirthe zich. “Opeens was je weg. Je deed niet meer open, nam de telefoon niet op en je hebt geen mobiel.”

“Nee, ik haat die dingen…”

“Pas een paar dagen later kwam ik erachter wat er was gebeurd en dat je hier lag. Toen ben ik meteen gekomen.”

“Maar later niet meer, toen ik je liet bellen door de verpleging.”

“Omdat ik ontdekte dat Conrad me volgde.”

“Ik dacht dat je me niet meer wilde. Ciska was er wel, ik liet het maar toe. Ze is tenslotte geen lelijke vrouw.”

Er ging Mirthe een licht op. “Wacht eens even. Toch niet die met dat bruine haar en die rijlaarzen?”

“Jawel, dat is Ciska.”

“Vandaar dat ze zo kwaad naar me keek, de laatste keer dat ik hier was.”

“Dat kan wel kloppen. Toen ik verliefd op jou werd, heb ik haar laten vallen. Wat ik met haar had, stelde toch al niet zoveel voor. Ze had wel door dat ik een ander had, maar ze wist niet wie het was. Ik heb haar niets verteld over jou. Ze had geen idee, tot ze je hier zag.” Reinhard probeerde diep adem te halen. Het lange praten viel hem nog zwaar met zijn herstellende long.

“Ik heb veel nagedacht over jou en die nare ex van je,” vervolgde hij. “Ik vond het geen reden om niet van je te houden. We maken allemaal wel eens een fout, ik ook en Ciska was er één van. Ze was hier gisteren weer, maar ik ben klaar met haar emotionele chantage. Ze heeft mijn leven gered en daar ben ik haar dankbaar voor, maar daar houdt het bij op. Ik heb haar gezegd dat ze me verder met rust moet laten. Dat wilde ze niet. Toevallig kwam er een arts de kamer in, die heb ik erbij gehaald en toen is ze toch maar opgestapt.” 

Reinhard keek Mirthe diep in de ogen. “Zo, nu heb ik ook alles opgebiecht. Wil je nog met me verder?”

Zijn vraag klonk haar als muziek in de oren. 

Op dat moment stapte nog een bezoeker de verpleegafdeling binnen. Lange man, begin veertig, blond, cargobroek, losjes vallend jasje. 

“Professor Fräser.” Hedwig Obermann stond in de balie van de zusterpost. Ze was op de hoogte van zijn komst. Maxim had haar gebeld op advies van Anne. Hij wilde Hedwig spreken over een studente en misschien ook die studente zelf. Die was vandaag naar de verpleegafdeling verhuisd, omdat haar toestand iets verbeterd was. Geestelijk ging het minder goed met haar. Ze was erg gespannen en gesloten als een oester.

Hedwig gaf Maxim een hand. Ze kende de geliefde van Anne. Ze vond hem een leuke man, maar waarom keek hij nu zo ernstig? 

Maxim keek inderdaad ernstig. Hij had er een goede reden voor, na wat Anne hem de vorige avond had verteld over Sophie Breidel en vooral over Horst, waar hij zeer op gesteld was. Hij had er zelfs wakker van gelegen. Nu had hij nog hoop dat het niet waar was wat hij vermoedde. 

“Deze kant op.” Hedwig ging met hem de koffiekamer binnen en sloot zorgvuldig de deur achter zich.



Mirthe glipte haar woning binnen en sloeg met een klap de deur achter zich dicht. Ze had reden om blij te zijn nu het weer goed was tussen Reinhard en haar, maar ze was het niet. Met haar hart kloppend in haar keel leunde ze tegen de deur, haar oren gespitst. Het was midden op de dag.

Iemand was haar gevolgd, waarschijnlijk al vanaf de Landau-kliniek, maar ze kreeg het halverwege haar huis pas in de gaten. Was het Conrad? Ze wist het niet zeker. Het was niet zijn auto die ze in haar spiegel had gezien, tenzij hij hem had ingeruild voor een andere. Het was ook niet meteen duidelijk of hij het was, achter het stuur, maar misschien had hij zich vermomd. Van Conrad kon je alles verwachten. Mirthe keek nergens meer van op.

Ze maakte zich zorgen, niet zozeer over zichzelf, maar over Reinhard. Want hoe moest dat als bij binnenkort naar huis mocht? De aanslag op zijn leven had hem danig verzwakt. Hij moest nog wekenlang rustig aandoen, niet ziek worden, want de kans op infectie was groot. Een longontsteking kon hem fataal worden. Mirthe wilde hem zolang bij haar in huis nemen, want hij had verzorging nodig, maar was zijn veiligheid wel gewaarborgd nu die walgelijke Conrad voortdurend op de loer lag?

Mirthe begreep wel waarom hij haar volgde vanaf de Landau-kliniek. In het ziekenhuis zelf kon hij Reinhard niets aandoen, daar zou de verpleging wel een stokje voor steken. Bovendien moest hij zich identificeren en zijn gegevens achterlaten voor hij bij Reinhard mocht en dat deed hij liever niet als hij rottigheid wilde uithalen. Hij wachtte zijn kans af tot Reinhard het ziekenhuis had verlaten. Dat moest de reden zijn waarom hij haar volgde vanaf de Landau-kliniek, meende Mirthe. Om te zien of ze Reinhard al bij zich had, anders begreep ze het niet. Met een andere auto en een vermomming probeerde hij zich onherkenbaar te maken, maar ze had hem door! Het was een lelijke streep door de rekening. Mirthe had nog zo gehoopt dat de politie hem in hechtenis zou nemen. Waarom was dat niet gebeurd? Moest hij nog worden opgeroepen voor verhoor? Misschien moest ze die rechercheur maar eens bellen. Ze maakte zich los van de deur en liep naar de woonkamer. 

In een ander deel van de stad stapte Maxim het universiteitsgebouw binnen. Zogenaamd moest hij iets uitzoeken in de bibliotheek. In feite hoopte hij Horst tegen het lijf te lopen. Zijn ongerustheid over de sympathieke hoogleraar was niet afgenomen door het gesprek met Hedwig en al helemaal niet nadat hij Sophie zelf ook even had gesproken. 

Sophie kende Maxim. Als gasthoogleraar aan haar universiteit genoot hij meer vertrouwen van haar dan de artsen en verpleegkundigen van de Landau-kliniek. Omdat hij thuis was in de wereld van de wetenschap en aan een half woord genoeg had om te begrijpen wat haar dwars zat. En ook waar ze bang voor was. Om voor gek te worden uitgemaakt en ernstig te worden gedwarsboomd op haar weg naar haar masterstitel. 

Maxim had inderdaad aan een half woord van Sophie genoeg om te vermoeden dat er iets heel erg mis was. Somber gestemd liep hij naar het informatiebord in de hal waarop stond aangegeven wie in welke zaal deze dag college gaf en hoe laat. Vervolgens zette hij koers naar de bibliotheek.

Drie kwartier en twee koppen koffie later stond hij bij de ingang van Collegezaal 2. Binnen klonk een kort applaus. De deuren zwaaiden open en de zaal stroomde leeg. Groepjes jonge mannen en vrouwen, gewapend met laptoptassen. Gepraat, gelach. 

Uiteindelijk stapte ook Horst Götenberg naar buiten. Bij het zien van Maxim verscheen er een grijns op zijn gezicht.

“Hé, hallo.” Hij stak zijn collega-professor joviaal een hand toe. “Weer te gast vandaag?”

“Hallo Horst.” Maxim probeerde ook te grijnzen, maar het lukte niet. “Nee, ik moest even in de bibliotheek zijn. Alles goed?”

“Kan niet beter.” Horst liep de gang in met Maxim aan zijn zijde.

“Ik hoorde van Anne dat je gisteren bij Sophie Breidel op bezoek was,” gooide de laatste een balletje op.

“Klopt ja. Arme meid.”

“Veelbelovend ook,” zei Maxim.

“In vele opzichten,” beaamde Horst met een dubbelzinnige grijns.

Maxim had steeds minder behoefte om te lachen. 

“Kwam ze nou bij jou vandaan die avond van haar ongeluk?” vroeg hij hem recht op de man af.

“Eh…” Horst had die vraag niet verwacht, hoewel hij daarnet weinig subtiel was mijn zijn dubbelzinnige grijns. Zijn grijns verflauwde subiet. 

“Hoezo denk je dat?”

“Het was toch bij jou in de buurt?”

“Och… daar heb ik eerlijk gezegd niet bij stilgestaan, maar je hebt helemaal gelijk. Het was bij mij in de buurt, maar ik was er niet. Druk, druk, druk.”

“Nou ja.” Maxim ging er verder niet op in. Ze naderden een zijgang naar rechts. “Ik moet die kant op.”

“Oké, tot ziens.” De grijns was terug. Horst gaf hem een klop op de schouder. “Groet Anne van me en die toffe huishoudster van haar.”

“Zal ik doen.” Maxim liep de gang in. Boven zijn neus een diepe frons. In de binnenzak van zijn jasje de USB-stick en de mobiele telefoon van Sophie, die hij in de Landau-kliniek van haar uit haar tas had moeten pakken.



“Pas op! De bloeddruk daalt weer. Denk aan dat infuus!” Anne Maas draafde naast een brancard die zojuist door Tünnes de Landau-kliniek was binnengerold. 

Aan de andere kant van de brancard draafde Klinkmüller, net als Anne een zak infusievloeistof in de hoogte houdend. 

De vrouw op de brancard had het niet best. Ze was bij het ramenlappen van drie hoog naar beneden getuimeld. Vlak voor ze het trottoir raakte schampte ze een aanhangwagen van de plantsoenendienst die schuin onder haar raam geparkeerd stond. Haar zijkant lag open, ze verloor gigantisch veel bloed. 

“Zes liter plasma naar de OK,” gaf Anne orders aan toeschietende verpleegkundigen. Ze duwde één van hen een ampul bloed in handen, die ze van de gewonde had afgenomen. “Dit is voor de kruisproef.” 

De verpleegster vloog een gang in naar het lab. De brancard ging regelrecht naar de operatiekamers waar algemeen chirurg Jörg Siebert al gereed stond met twee coassistenten in zijn OK-team, voor het geval hij handen tekort kwam.

Ursula Bender meldde zich voor de narcose. De anesthesist zag dat Anne de gewonde in de ambulance al gereed had gemaakt voor de beademing. De traumatoloog had haar een zwaar verdovingsmiddel toegediend en een mayotube ingebracht. Alle beetjes hielpen. Hoe eerder ze op de operatietafel lag, hoe beter.

Het was een drukte van belang rond de brancard. Rappe handen verwisselden lege infuuszakken voor volle. Verwijderden kleding van de gewonde en snelverbanden die Anne en de verplegers hadden aangebracht en reinigden de huid rondom de wonden met jodium. 

Intussen stapte bij de Spoedeisende Hulp Wolfgang Kolberg binnen. Hij kwam Anne aflossen. Het praatje deed sinds gisteren de ronde dat beide traumatologen op gespannen voet stonden met elkaar en dat het iets te maken had met de vriendin van Wolfgang. Dat soort zaken bleef nooit lang geheim op de werkvloer. Wolfgangs vriendin die ook elke dag op de verpleegafdeling bij het bed van een patiënt zat, had zich deze dag nog niet laten zien. Het verhaal ging dat Anne haar had weggestuurd. Omdat ze Wolfgang geen pleziertje gunde? Omdat ze vond dat die vrouw zich teveel met die patiënt ophield? Niemand wist het fijne van de zaak. 

Een ding stond vast: het gebeurde niet vaak dat Anne overhoop lag met iemand, dus er moest wel iets heel uitzonderlijks aan de hand zijn.

Dat was ook zo. Anne wist nu zeker dat die Ciska niet te vertrouwen was, nu ze haar gezag had moeten aanwenden om haar zover te krijgen, dat ze meneer Herforth met rust liet. Wat ze van hem moest, was Anne niet duidelijk. Ze mocht dan een groot hart hebben volgens Wolfgang, maar die patiënt was er niet van gediend. Anne vertrouwde die vrouw voor geen cent. Ze was hondsbrutaal. Ze maakte er geen geheim van dat ze op de mannenjacht was. In een ziekenhuis nog wel! Bovendien speelde ze een spelletje met Wolfgang. Ze manipuleerde iedereen, ze was gevaarlijk.

Anne maakte zich oprecht zorgen, had hij het dan niet door? Ze had geen zin om erover te bakkeleien bij de balie van de Spoedeisende Hulp waar iedereen kon meegenieten. Toch moest Wolfgang weten hoe de vork precies in de steel zat op kamer vijf. Dat Herforth haar hulp in had geroepen omdat Ciska niet van plan was hem met rust te laten. Wolfgang had hetzelfde gedaan in zo’n situatie.

Toen Anne de zwaargewonde vrouw aan Jörg Siebert en zijn team had toevertrouwd, ging ze op zoek naar haar collega traumatoloog. Ze moest hem sowieso bijpraten over nieuwe patiënten.

Ze trof Wolfgang op de Intensive Care, waar de acteur nog vertoefde, die Anne de vorige dag eerste hulp had gegeven in dat theater. Zijn ongelijke pupilstand werd veroorzaakt door een bloedprop tussen de hersenvliezen. Felix Landau had de bloedprop verwijderd. Zwaardvechten was er voorlopig niet bij voor Eugèn. Hij mocht wel bezoek ontvangen. Er zaten een paar kleurrijke figuren aan zijn bed. Anne herkende enkele acteurs uit het theater waar ze eerste hulp had verleend. Ze liep door naar Wolfgang die ze uit een andere unit zag komen.

“Dokter Kolberg?”

Hij keek om. “Dokter Maas.”

“Goedenavond.” Anne praatte hem bij over enkele urgente patiënten. Toen ze wilde terugkomen op het incident met Ciska de vorige dag, kapte hij haar prompt af met de mededeling dat hij het druk had.

Ze had er opeens schoon genoeg van. Als hij zich dan toch tegen beter weten in wilde laten beduvelen, moest hij het zelf maar weten. Ze wenste hem koeltjes goedenavond en vertrok naar huis.

In een ander huis rondde op dat moment Mirthe Frühling het gesprek af met de rechercheur die ze aan de telefoon had. Ze had hem gebeld omdat ze eerder op de dag uit de Landau-kliniek naar huis gevolgd was. Ze wilde nu wel eens weten hoe het met Conrad zat.

Het antwoord dat ze rechercheur haar had gegeven, was bepaald teleurstellend. Conrad was niet in hechtenis genomen. Hij was wel opgeroepen voor verhoor, maar de politie moest hem weer laten gaan wegens gebrek aan bewijs. Ook had hij een alibi voor de avond dat Reinhard werd neergeschoten. Hij kon een bonnetje laten zien van het tankstation waar hij die avond had getankt, rond het tijdstip waarop het gebeurde. Het tankstation was middenin het centrum van de stad, zo’n vijfentwintig kilometer verwijderd van het weiland waar Reinhard was gevonden. Conrad kon onmogelijk op twee plaatsen tegelijk zijn geweest.

Mirthe had haar twijfels over het benzinebonnetje. Hij kon het net zo goed later bij de kassa op de grond of in een prullenbak in dat tankstation hebben gevonden. De rechercheur wilde er echter niet verder op ingaan. Hij had het druk. 

Mirthe besefte tot haar teleurstelling dat ze dus nog steeds niet van Conrad was verlost. Ze zag de dag dat Reinhard uit de Landau-kliniek werd ontslagen, met angst en beven tegemoet. 

Intussen was Anne Maas in haar auto onderweg naar huis. De situatie met Wolfgang zat haar niet lekker, maar ze troostte zich met de gedachte dat het niet lang kon duren voor hij Ciska’s ware aard ontdekte. Weinig subtiel als ze was met haar mannenjacht, zou ze snel genoeg door de mand vallen.

Eenmaal thuis liet ze het onderwerp varen. Ze wist dat Maxim met Hedwig over Sophie had gesproken in de Landau-kliniek en ook dat hij de studente zelf had bezocht. Anne was benieuwd of hij iets wijzer was geworden, maar veel wilde hij er niet over loslaten. Hij was zelfs een beetje somber, al deed hij zijn best om dat niet te laten merken. Hij zei dat hij bezig was met de kwestie, dat hij er nog weinig over kon zeggen, maar mooi was het niet. Had hij iets akeligs ontdekt? Over Sophie, over Horst of over allebei? Anne werd nu toch wel een beetje ongerust.



“Kom hier, mooie vrouw.” Ciska was uit bed gestapt, maar Wolfgang trok haar terug. Hij kon geen genoeg krijgen van haar prachtige lichaam.

De traumatoloog was diep in de nacht thuisgekomen van zijn late dienst. Hij had Ciska in zijn bed aangetroffen. Ze had een sleutel van zijn huis, dat was wel zo makkelijk. Niets heerlijkers dan een mooie vrouw in je bed vinden na een lange dienst, vond Wolfgang. Hij had haar gemist de afgelopen avond in de Landau-kliniek, waar ze meestal op bezoek ging bij Herforth. Ciska hield natuurlijk de eer aan zichzelf sinds Anne haar de kamer had uitgezet.

De spanningen met zijn collega zaten Wolfgang best dwars. Het beviel Anne blijkbaar niet dat Ciska steeds bij Herforth op bezoek was. Wolfgang begreep niet zo goed waar ze zich zorgen om maakte. Alsof hij ook maar iets te duchten had van Herforth. Snapte Anne dan niet dat Herforth geen partij was voor een wereldse vrouw als Ciska? Zo’n simpele houtbewerker, hij had niet eens een mobiele telefoon. Het was uit medeleven dat Ciska aan zijn bed zat, omdat hij niemand had. En zo’n ramp was het niet dat ze zich niet meer welkom voelde bij hem. Hij stond toch op het punt om van het toneel te verdwijnen. Hij was al aardig opgeknapt en binnenkort werd hij ontslagen.

Wolfgang vond het heus wel sympathiek dat Anne zich druk maakte om hem, maar ze moest niet te ver gaan met haar bemoeienis. Veel woorden wilde hij er ook niet meer aan vuil maken. Het zou wel overwaaien als Anne merkte dat hij zich er toch niets van aantrok. Hij was veel te blij dat er weer eens een vrouw in zijn leven was en nog zo’n mooie ook!

Doorgaans was het Jörg Siebert die na een lange werkdag fluitend en met een gladiatorengrijns onder de douche vandaan stapte in de kleedruimte van de OK, omdat er thuis iets moois op hem wachtte. Jörg wist wel raad met de vrouwtjes. Nu was Wolfgang een keertje aan de beurt.

“Kom hier…” Hij trok Ciska terug in bed en pakte haar stevig beet. Hij kon nog lang genoeg slapen vandaag. Hij moest pas vanavond om zes uur weer in de Landau-kliniek te zijn. Nu was het tijd voor de liefde.

“Kom hier, dan zal ik je eens flink verwennen.”

Zo onstuimig als het toeging in het bed van de traumatoloog, zo sereen was de stilte in het bos nabij het weiland waar hij niet zo lang geleden een neergeschoten man eerste hulp had gegeven.

Een vroege boswachter deed zijn ronde, gewapend met een sterke zaklamp. Aan zijn riem hing ook wapenstok en een pistool in een holster. Geen overbodige luxe. Het wemelde hier van de stropers en die konden behoorlijk agressief zijn als ze in hun illegale bezigheden werden belemmerd. 

De boswachter liep tussen bomen en struiken, de grond voor zijn voeten met de zaklamp beschijnend. Af en toe stopte hij om iets beter te bekijken. Sporen van een dier dat in een klem had gezeten, een strik, een verdwaalde kogelpunt. Opeens trof zijn blik iets dat onder een struik uitstak. Iets langwerpigs, glimmend zwart metaal, de loop van een geweer. 

De boswachter zakte door zijn knieën, bescheen de struik die dun in het blad zat vanwege het najaar en zag door de takken heen de rest van het geweer. Een jachtgeweer. Kennelijk had iemand het hier verstopt. Een oude stroperstruc om niet met een illegaal wapen te worden betrapt.

De boswachter deed handschoenen aan en trok het geweer bij het puntje van de loop onder de struik vandaan, zodat eventuele vingerafdrukken intact bleven. Hij was enthousiast over zijn vondst. Dit kon wel eens het bewijsstuk zijn, waar de politie nu al dagenlang naar zocht. Het jachtgeweer waarmee een schot was afgevuurd op een man, verderop in het weiland. De man was berucht bij stropers omdat hij hun klemmen en strikken saboteerde. Iemand had wraak op hem willen nemen. Iets wat je van stropers kon verwachten. Ze waren moeilijk te pakken en waanden zich heer en meester in deze contreien. Wie hen in de weg liep werd bedreigd. Ook boswachters.

Nu was er weinig gevaar te duchten. Het was vroeg in de morgen en zo dadelijk werd het licht. De stropers hadden hun activiteiten gestaakt. De boswachter legde het geweer in zijn auto en ging verder met zijn inspectieronde.



“Zo, eindelijk thuis.” Mirthe sloot de deur achter Reinhard. De voordeur van zijn huisje aan de rand van het bos. Hij was ontslagen uit de Landau-kliniek. Mirthe had hem bij haar in huis willen nemen, maar dat vond ze te riskant vanwege Conrad. Reinhard was nog erg kwetsbaar. Hij moest zichzelf in acht nemen, had thoraxchirurg Manfred Keller hem op het hart gedrukt. Geen inspanningen en hij moest zich vooral wapenen tegen luchtweginfecties, want in dit stadium van zijn herstel kon dat levensgevaarlijk zijn.

Als Conrad hem iets aan wilde doen, was het nu het ideale moment. Mirthe twijfelde er niet aan dat haar misselijke ex dat zelf ook had bedacht en in een hinderlaag lag, wachtend op het moment dat Reinhard de Landau-kliniek zou verlaten, om dan toe te slaan.

Mirthe wachtte dat moment niet af. Nog minder ging ze Conrad op het spoor van Reinhard brengen, al moest hij weten waar hij woonde. Hij had hem immers neergeschoten, daar was Mirthe nog altijd van overtuigd.

De afgelopen dagen had ze gestudeerd op een plan dat Conrad op een dwaalspoor moest brengen. Eigenlijk was het heel eenvoudig. De avond voordat Reinhard zou worden ontslagen, was ze niet bij hem op bezoek gegaan. In plaats daarvan had ze haar auto in haar straat laten staan, was met het openbaar vervoer naar een verhuurbedrijf in de stad gegaan en had daar een andere auto gehuurd. Met die huurauto had ze flink wat boodschappen ingeslagen en was naar Reinhards huis gereden. Met de sleutel die hij haar had gegeven, was ze naar binnen gegaan, had opgeruimd, de koelkast en de vriezer gevuld en had daar ook de nacht doorgebracht.

Ze dacht gniffelend aan Conrad die al die tijd voor haar huis stond te wachten in zijn auto, tot zij een keertje naar buiten wilde komen en in haar auto wilde stappen om naar de Landau-kliniek te rijden. Dan zou hij haar weer volgen, hopend op het moment dat Reinhard naast haar zou zitten. Hij wist immers niet precies wanneer hij zou worden ontslagen uit het ziekenhuis en daar maakte Mirthe slim gebruik van.

Terwijl Conrad haar auto en haar huis in de gaten hield, had zij de volgende ochtend met haar huurauto Reinhard opgehaald. Voorlopig bleef ze bij hem logeren en kon Conrad wachten tot hij een ons woog.

Ze installeerde Reinhard op de bank in de woonkamer. Hij moest nog medicijnen slikken. De Landau-kliniek had hem een klein voorraadje meegegeven, maar binnenkort zou Mirthe langs de apotheek moeten. Dat was van later zorg. Voorlopig waren zij en Reinhard veilig.

In de Landau-kliniek was de lege plek die Reinhard had achtergelaten alweer opgevuld met een nieuwe patiënt, zoals dat ging in een druk ziekenhuis.

Op een andere kamer in een ander bed werd Sophie Breidel nog verpleegd. Een aantal dagen was voorbijgegaan sinds het bezoek van Maxim aan de raadselachtige studente. Wat ze hem had toevertrouwd en waarom hij een USB-stick en haar telefoon uit haar tas had meegenomen, wisten alleen zij en Maxim. Beiden hulden zich in stilzwijgen over de kwestie. Stilte voor de storm!

Anne voelde dat er iets aan zat te komen. Maxim was niet voor niets zo gespannen en in zichzelf gekeerd. Het moest iets met de universiteit te maken hebben. Met Horst? Anne was diens rare gedrag aan Sophie’s bed nog niet vergeten. Het had vraagtekens opgeroepen bij de sympathieke uitstraling van de hoogleraar. Was het slechts een laagje vernis? En wat ging daar dan achter schuil?

Het antwoord op Annes vragen liet niet meer lang op zich wachten en was tamelijk schokkend. De traumatoloog was ’s ochtends vroeg aan het werk gegaan. Veel tijd om het nieuws te volgen had ze niet. Soms pikte ze wat op, zoals die middag, toen ze een kamer op de verpleegafdeling binnenstapte, waar een herstellende patiënt net een kijkje in een ochtendkrant nam.

In een flits zag Anne de chocoladeletters op de voorpagina. 

‘Wetenschapsfraude op Universiteit’, kopte de krant.

Er onder een foto van een bekende hoogleraar die onlangs nog de prestigieuze Trudl Almhof-penning mocht ontvangen. 

“Goeie god!” Anne bleef van schrik stokstijf staan. In de seconde die volgde, werd haar in één klap alles duidelijk. Wie er achter deze onthulling moest zitten. Götenbergs agressieve houding tegen Sophie op de Intensive Care, Maxims stuursheid de afgelopen dagen… Dit was ontluisterend. Dit ging over een bevriende collega, een bejubelde hoogleraar, een gewaardeerde gast, die al bij het aperitief Mientje mocht zeggen tegen Mientje. Horst had de boel beduveld en Sophie had het ontdekt. Had hij ook te maken met haar ongeluk?

Anne kon er niet lang bij stil blijven staan. Haar werk eiste haar op.

Het nieuws over de fraude ontging ook andere medewerkers van de Landau-kliniek niet. Het zorgde voor de nodige gespreksstof. Het verhaal ging dat een studente de fraude op het spoor was gekomen. Ze had ontdekt dat Götenberg voor zijn vele publicaties in wetenschappelijke tijdschriften links en rechts delen uit andere publicaties op het internet had gestolen. De studente had diverse bewijzen daarvan opgeslagen op een USB-stick. Ook de conclusies uit diverse onderzoeken waarover de professor had gepubliceerd, bleek hij uit zijn duim te hebben gezogen. De studente had bij hem thuis stapels niet ingevulde vragenlijsten ontdekt. Ze had er opnamen van gemaakt met haar mobiele telefoon.

Hedwig Obermann had met Maxim gesproken over Sophie en hem toestemming gegeven haar een bezoek te brengen. Het had de nodige voeten in de aarde gehad voordat Sophie professor Fräser in vertrouwen durfde te nemen over haar belastende bevindingen. Hij had met zijn hand op zijn hart moeten beloven dat haar masterstitel niet in gevaar zou komen door haar onthullingen. 

Dat het hem zwaar viel om zijn gewaardeerde collega aan de schandpaal te laten nagelen door de rector magnificus, leed geen twijfel. Maxim had echter geen keus. Het belang van de wetenschap ging boven zijn privébelangen. De wetenschap moest verschoond blijven van fraudeurs, anders was een universitaire titel immers niets meer waard.



“Hij leek zo’n leuke man.” Anne zat in de woonkamer met Maxim en Mientje. Ze hadden gegeten en praatten nog wat na over de schokkende ontmaskering van Götenberg. Ze waren er alle drie nog aangeslagen van. 

“Het was eerlijk gezegd het laatste wat ik van hem had verwacht,” was Maxim het met haar eens.

Mientje schudde teleurgesteld het hoofd. Ze was een fan kwijt van haar wildschotels.

“Wel dapper van Sophie,” vond Anne, die laat in de middag bij de studente was geweest. Ze trof haar moeder aan haar bed. Ook zij was onthutst door de onthullingen van haar dochter. Hun contact was verwaterd de laatste jaren, maar door haar ongeluk waren de banden weer hersteld. Sophie had haar hart uitgestort bij haar moeder, die op haar beurt het één en ander aan Anne liet doorschemeren.

Sophie zag een vaderfiguur in Horst, haar eigen vader had ze nooit gekend. Sophie was niet alleen een briljante studente, ze had ook andere kwaliteiten, zoals Horst dubbelzinnig grijnzend aan Maxim had laten weten. Ze kregen een relatie. Sophie keek huizenhoog tegen de professor op, die ook haar mentor was. Tot ze per ongeluk in een publicatie van een andere professor iets van Horst tegenkwam. De publicatie was al een jaar oud, die van Horst slechts enkele weken. Het was wel duidelijk wie wie had gekopieerd.

Sophie ging op onderzoek, trof meer gevallen van plagiaat. Ze overwoog de rector magnificus in te lichten. Geen wonder dat ze zo stuurs had gekeken die avond in de aula toen Horst de erepenning kreeg uitgereikt. Het was Anne opgevallen en ook dat die blonde dame later op de avond naast Horst zat in zijn auto. Ze had het dus toch goed gezien.

De avond van haar ongeluk was Sophie ook bij Horst geweest. Ze hadden seks, maar ze moest weg omdat hij ook weg moest. Terwijl hij onder de douche stond had ze een achterdeur ontgrendeld. Toen ze zogenaamd was vertrokken ging ze via de achterkant van het huis weer naar binnen op zoek naar meer bewijsmateriaal van zijn fraude. Toen vond ze de ongebruikte vragenlijsten van zijn zogenaamde onderzoeken en maakte opnamen. Ontredderd vluchtte ze uit zijn villa om naar haar studentenkamer te gaan. Ze zag door haar tranen niet de bus die twee straten verderop van links naderde omdat het eenrichtingsverkeer was. De rest was Anne bekend.



 

Door de ophef over de zaak, waren de spanningen tussen haar en Wolfgang op de achtergrond geraakt. Ook omdat Herforth verleden tijd was nu hij uit de Landau-kliniek was ontslagen.

Niet voor Mirthe. De afgelopen dagen was ze niet van Reinhards zijde geweken. Deze avond durfde ze het eindelijk aan om haar huurauto terug te brengen. Het moest wel, want de kosten liepen aardig op. Haar eigen auto stond nog bij haar appartement. Ze had een bus genomen om hem op te halen. Ze nam aan dat Conrad na dagenlang tevergeefs wachten op haar, de moed nu wel had opgegeven. 

Nu ze toch bij haar huis was, kon ze ook wel even de post ophalen. Inderdaad lag er van alles op de deurmat. Met het stapeltje post in haar hand ging ze de keuken binnen. Ze stond bij het aanrecht de brieven en folders te sorteren, tot ze opeens de schrik van haar leven kreeg. Voetstappen in de gang! Ze staarde verschrikt naar de deur. Een man stapte de keuken binnen. Conrad met een sadistische trek op zijn gezicht. Hij stormde op haar af en greep haar beet.

Mirthe droeg een rok, ze had zich mooi gemaakt voor Reinhard, maar nu stak Conrad een hand onder haar rok. 

Ze werd razend. Ze droeg ook hakjes en dat kwam goed uit. Ze hief haar rechterbeen en plantte zo hard als ze kon, een puntige hak in Conrads voet.

“Daar, walgelijk misbaksel dat je bent!” 

Ze stampte en stampte, krijsend als een feeks. Haar opgekropte walging vond een uitweg. Ze kon hem wel vermoorden.

Hij liet haar los, greep naar zijn voet. Ze gaf hem een harde douw. Hij zocht steun bij het aanrecht maar greep mis en sloeg achterover tegen de grond.

Ook Mirthes tas was gevallen, de inhoud lag verspreid over de vloer. Ze griste haar mobiel van de grond en toetste het alarmnummer in. 

Conrad hoorde haar om hulp schreeuwen, haar adres noemen en ook zijn naam. Hij krabbelde overeind en ging er vandoor. 

Strompelend vanwege zijn geplette tenen, haastte hij zich over het trottoir. Hij merkte nauwelijks de auto op, die voor Mirthes huis langs de stoeprand stond en nu begon te rijden. De bestuurder gaf flink gas. Pas toen de auto vlak achter hem was, kreeg Conrad het door. Hij draaide zich bruusk om, keek in twee felle koplampen.

De bestuurder die het op hem gemunt had, schrok kennelijk ergens van en gaf een ruk aan het stuur. Piepende remmen. Conrad was opzij gesprongen, helaas de verkeerde kant op. De bumper raakte hem hard. Hij vloog over de motorkap, landde een paar meter verderop op het asfalt en bleef daar roerloos liggen.

Weldra weerklonk een kakofonie van sirenes door de straten.

Politiewagens, een brandweerwagen, een ambulance. 



Wolfgang Kolberg draafde met ambulanceverplegers Holger en Hartmann naar de man op de straat. De traumatoloog lette niet op de auto die de man had aangereden en met twee wielen op de stoep stond, de koplampen nog aan. Het was van minder belang. De man lag voor dood op het asfalt. 

Wolfgang knielde naast hem, zette zijn paraatkoffer neer en voelde in de hals.

“Hoofd vasthouden,” droeg hij Holger op. Voorzichtig opende hij de mond en keek naar binnen. “Ademweg vrij, zuurstof geven,” beval hij Hartmann. 

Zelf bescheen hij de pupillen van de gewonde. “Ongelijke pupilstand, neurologisch trauma.” De man voelde klam en koud aan, zijn hartslag was snel en oppervlakkig. “Shocktoestand,” constateerde Wolfgang. Hij trok een verpakte infuusnaald uit zijn paraatkoffer. 

Terwijl hij dat deed, drong het stemgeluid van een vrouw tot hem door. De stem kwam hem bekend voor maar tegelijkertijd ook weer niet. Een snelle blik vertelde hem dat er inderdaad een vrouw stond bij de auto die de man had aangereden. Ze was lang, slank en had donker haar. Ze droeg een groene jas en rijlaarzen. 

Wolfgang kreeg een déjà vu ervaring van een eerdere gebeurtenis, ergens in een weiland, waar een man was neergeschoten. Herforth!

Wolfgang verstrakte. Ciska! Wat deed ze hier? Waarom klonk haar stem zo raar? Zo koud en cynisch? Zo kende hij haar niet. Had zij die man aangereden? Werd ze daarom in een politiewagen geduwd? 

Veel tijd had de traumatoloog niet om er bij stil te staan. Het rechterbeen van de gewonde was op drie plaatsen gebroken en alleen al daardoor verkeerde hij in levensgevaar.



Mirthe lag in Reinhards armen. Ze was bij hem ingetrokken, voorgoed. Voor het eerst in haar leven was ze gelukkig, echt gelukkig. Ze hoefde niet meer over haar schouder te kijken of Conrad haar volgde. Voorlopig lag hij in de Landau-kliniek en als hij eruit kwam moest hij nog maandenlang revalideren. Tegen die tijd was Reinhard allang weer op krachten en was Conrad geen partij voor hem. 

Het had Mirthe wel verbaasd dat het Ciska was geweest, die haar ex had uitgeschakeld na zijn verkrachtingspoging die avond. Er was maar één uitleg mogelijk: ze had de verkeerde voor zich.

Inderdaad bleek achteraf dat het niet Ciska’s bedoeling was geweest om Conrad het ziekenhuis in te krijgen, maar Reinhard. Het was Ciska die Mirthe telkens was gevolgd vanaf de Landau-kliniek naar haar huis. Ze wilde weten waar ze woonde toen ze doorkreeg dat zij de nieuwe liefde was van Reinhard, de vrouw voor wie hij haar had laten vallen. Ciska wilde wraak. Ze kon wel nagaan bij wie Reinhard zou uitzieken als hij uit de Landau-kliniek was ontslagen. Van Wolfgang had ze gehoord wanneer dat was. Vanaf dat moment had ze in hinderlaag gezeten in haar auto bij Mirthes huis, niet wetend dat ze niet de enige was. Dat ook Conrad op haar loerde. 

De avond dat Mirthe even in haar huis was om de post op te halen, had Ciska hem bij haar naar buiten zien komen. Het was donker. Ze zag hem van achteren, maar omdat hij moeilijk liep, meende ze Reinhard voor zich te hebben, die nog aan het herstellen was. Ze had hem alleen maar lichtjes willen raken met haar auto en dan snel willen doorrijden. Toen hij zich omdraaide, zag ze dat ze de verkeerde achterna reed. Ze remde af en week uit naar links, maar de man week ook uit naar links. 

Ciska was er gloeiend bij.

Achteraf was het maar goed dat ze niet ook de aanslag op Reinhard op haar geweten had. De politie had de eigenaar van het jachtgeweer opgepakt, dat door de ijverige boswachter in de struiken was gevonden. Dat was inderdaad een stroper. Zijn geweer had de kogel afgevuurd die Reinhard had getroffen. Hij had hem schrik willen aanjagen omdat hij zich teveel met zijn stroperij bemoeide, maar het was verschrikkelijk uit de hand gelopen. De stroper was gearresteerd. Veel zou hij niet meer stropen.

Ciska had dus inderdaad Reinhards leven gered door alarm te slaan toen ze hem aantrof in het weiland. Ze had er een goede reden voor: zijn geld. Reinhard was een makkelijke prooi voor haar, voordat Mirthe op de proppen kwam. Ciska was eens in zijn familiegeschiedenis gedoken om te zien wat er te halen viel. Reinhard was misschien een simpele houtbewerker in zijn eenvoudige huisje zonder mobiele telefoon, maar hij bleek wel een hoogbejaarde, gefortuneerde oom te hebben en Reinhard was de enige erfgenaam. Niet dat het hem erg interesseerde. Hij hield inderdaad niet van het wereldse, zoals Wolfgang tegen Anne had gezegd. Toen hij Ciska had laten vallen voor Mirthe, kon ze het niet verkroppen dat het goudhaantje haar neus voorbij ging. Ze wilde hem betaald zetten, maar reed in haar blinde woede de verkeerde aan.

Nu hing Ciska een veroordeling boven het hoofd voor poging tot doodslag. Ook moest ze Conrad een flinke boete betalen, maar waarvan was de vraag. Het familiekapitaal was opgezopen door haar alcoholische echtgenoot. Hun villa verkopen bood ook geen soelaas met zoveel achterstallig onderhoud. Wellicht kon Ciska als ze haar straf had uitgezeten, het aanleggen met Conrad. De twee waren in ieder geval aan elkaar gewaagd!

Wolfgang had intussen begrepen waarom Anne zich zo’n zorgen maakte over Ciska, de jachtgodin. Ze hing aan elkaar van de leugens. Inderdaad speelde ze een spelletje met de goed bedoelende traumatoloog. Ze hield Wolfgang als reserve voor het geval haar plannetjes met Reinhard niet lukten. Ze moest ergens geld vandaan halen.

Wolfgang had Anne zijn excuses aangeboden. Ze had ze geaccepteerd en het aan Jörg Siebert overgelaten om haar collega te troosten, de algemeen chirurg die als geen ander in de Landau-kliniek ervaring had met kortstondige affaires. De volgende dag ging altijd de zon weer op, was zijn credo.

Nu zat Anne op de bank bij Maxim. Ze was net thuisgekomen van haar werk en hij had nieuws.

“Ik moet je wat vertellen over Horst.”

“Over Horst?” Anne fronste de wenkbrauwen. Wat nu weer, dacht ze.

“Hij moet zijn erepenning inleveren.”

Anne was niet verbaasd. “Weet je nog toen hij hem net had gekregen? Nu snap ik waarom hij niet met ons mee wilde om het te vieren. Er viel niets te vieren. Hij had hem ten onrechte ontvangen en dat wist hij donders goed.”

“Tja, zo’n onderscheiding op zo’n jonge leeftijd,” verzuchtte Maxim. “Het kon ook bijna niet waar zijn. Begrijp me niet verkeerd, ik gunde het hem van harte, maar hij heeft die penning te makkelijk willen verdienen.”

“Misschien dat jij daarom nog niet zo’n ding hebt gekregen.”

Een glimlach brak door op Maxims gezicht.

“Je bent de vrouw van mijn hart, Anne Maas.”

Hij wilde haar een kus geven, maar Mientje kwam de kamer binnen met een dampende schaal tussen twee ovenwanten.

“Hmmm…” zei Maxim, de geuren opsnuivend. “Wildragout?”

“Nee hoor,” antwoordde Mientje. “Bospaddenstoelen. Een pastei van bospaddenstoelen en als ze wild waren, zijn ze nu wel getemd!”





Over TWEE WEKEN, in DOKTER ANNE MAAS nr. 913, brengt Annes werk haar weer in ongewone en dramatische situaties. Natuurlijk staat haar taak als trauma-arts voorop, maar ze neemt er geen genoegen mee om alleen eerste hulp te verlenen. Als ze haar patiënten ook op andere gebieden kan helpen, zal ze dat zeker doen.



Ook voor DOKTER ANNE MAAS nr. 913 hebben we weer twee complete romans voor u geselecteerd, die u beslist weer van de eerste tot de laatste bladzijde zullen boeien. Haal de nieuwe uitgave van deze populaire Favoriet-reeks over TWEE WEKEN bij uw tijdschriftenhandelaar, de kiosk, het warenhuis of uw supermarkt.


Thuis gevangen & Jachtseizoen
Section0001.xhtml
Section0002.xhtml
Section0003.xhtml