Anoniem slachtoffer
Liefde voor Mientje?
Ria Maes
“Professor, nog altijd geen nieuws over eventuele familieleden?” vroeg Anne.
Felix Landau schudde ontkennend het hoofd. “De politie tast ook nog altijd in het duister omtrent zijn identiteit,” zei hij op gedempte toon. “We kunnen alleen maar hopen dat hij ons zelf zo snel mogelijk kan vertellen wie hij is en waar hij vandaan komt.”
Anne keek naar de jongeman, die muisstil in bed lag en hen al een paar dagen voor een raadsel liet staan. Ze konden inderdaad alleen maar hopen dat hij snel uit zijn coma zou ontwaken.
“Dit heb ik nou altijd al een vieze buurt gevonden,” zei Tünnes, terwijl hij de ambulance door de smalste straatjes van de stad manoeuvreerde. “Je vraagt je toch af wat mensen hier komen zoeken. Ik mijd deze buurt zoveel ik kan.”
Anne antwoordde niet, maar ze was zelf ook niet tuk op deze buurt, die voornamelijk uit verouderde kantoorgebouwen, leegstaande panden en smalle, duistere steegjes bestond. Wie hier niet moest zijn, kwam hier ook niet. ’s Avonds, als alle kantoren gesloten waren, leek het er eerder een uitgestorven spookbuurt.
Ze waren hiernaartoe geroepen door een man die een kwartier geleden zijn kantoor had verlaten. Terwijl hij naar zijn auto liep, had hij een jongeman roerloos op straat zien liggen. De man had meteen de hulpdiensten gewaarschuwd en Anne en haar team waren op pad gestuurd.
“Volgende straat rechts en dan komen we zo op het steegje uit,” zei Klinkmüller die, zoals zo vaak, fungeerde als de levende GPS van zijn collega Tünnes.
De chauffeur deed wat hem werd opgedragen en luttele ogenblikken later reed de ambulance inderdaad het steegje in, waar ook al een politieduo was aangekomen.
Anne sprong snel de ambulance uit. Ze liep meteen in de richting van de twee agenten, die in een hoekje van de steeg gebogen zaten over een bewegingsloos lichaam.
“Hij leeft nog,” zei één van de agenten zodra hij haar zag komen aanlopen. Anne herkende hem als Gerard Schüller, een man waar ze al wel vaker mee samen had gewerkt.
“Maar, hij bloedt hevig,” voegde zijn jongere, vrouwelijke collega toe.
Anne liet zich op de knieën vallen en zag, in het schijnsel van de zaklamp die één van de twee agenten vasthield, inderdaad een grote plas bloed onder het hoofd van de bewusteloze jongeman liggen. Zijn houding verraadde weinig goeds. Het linkerbeen lag in een dermate onnatuurlijke positie dat het vrijwel zeker gebroken was. Ze haalde haar stethoscoop tevoorschijn en controleerde meteen de meest belangrijke vitale functies.
“Hij leeft inderdaad nog, maar het is de hoogste tijd om hem naar het ziekenhuis te brengen,” constateerde ze algauw.
Zijn pols was erg zwak, het bloedverlies was dermate ernstig dat het op korte termijn fataal zou kunnen zijn.
“Roep onmiddellijk professor Landau op!” riep ze naar Tünnes. “Hier is haast bij.”
Amper vijf minuten later lag de man op een brancard en werd hij in de ziekenwagen geschoven terwijl hij nog eens een half uur later al op de operatietafel van professor Landau lag. Iedereen besefte dat de tijd drong. De jongen had een schedelbreuk opgelopen, waardoor er een bloeding was ontstaan en de druk op de hersenen met de minuut toenam. Als de druk niet snel kon worden weggenomen, dan zou hij dit hachelijke avontuur zeker niet overleven. Felix Landau was dan ook super geconcentreerd en gaf zijn team korte, maar duidelijk aanwijzingen. Hier waren snelheid gecombineerd met uiterste precisie van levensbelang.
Anne haalde diep adem en draaide de autoradio wat hoger. Ze had er een zware dag opzitten. Door de interventie in de stad, helemaal op het einde van haar dienst, was het later geworden dan vooraf gepland. Ze was bovendien nog wat langer dan noodzakelijk op de dienst blijven hangen om te weten hoe de operatie van haar patiënt verlopen was.
“Naar wens,” had Felix Landau haar gezegd toen hij de operatiekamer verliet. “Ik heb het lek in het hersenvlies kunnen dichten, dus de bloeding is gestopt. Het is nu hopen dat infecties uitblijven en afwachten of er blijvende schade zal zijn.”
Anne wist maar al te goed dat de professor nu niets zinnigs kon zeggen over de toekomst van de jongen die ze bewusteloos naar de kliniek hadden gebracht. De operatie was in ieder geval gelukkig al goed afgelopen, dat was een eerste belangrijke stap.
Nu wilde ze alleen maar zo snel mogelijk naar huis. Het was heel rustig onderweg en daardoor voelde Anne de vermoeidheid nu pas echt bikkelhard toeslaan. Wat verlangde ze naar een warm bad en haar heerlijk zachte bed. Als daar de armen van Maxim nog bijkwamen om zich in te koesteren, dan kon ze alleen maar zachtjes glimlachen bij het vooruitzicht. Nog een paar minuutjes en ze was er. Tot die tijd zong de trauma-arts luidkeels mee met een oude hit van ABBA.
Net zoals ze had verwacht, was het doktershuis al in volledige rust toen ze even later voorzichtig langs de achterdeur naar binnen stapte. In de keuken stond wel een schaaltje met versgebakken cake van Mientje met een briefje erbij.
‘Welkom thuis, misschien heb je nog zin in iets lekkers voor je gaat slapen.’
Anne nam glimlachend een stukje van de heerlijke cake met grote stukken appel en liep toen op kousenvoeten naar boven. In de badkamer verruilde ze haar spijkerbroek en sweater voor haar zachte pyjama en daarna liep ze voorzichtig de slaapkamer binnen. Het bad moest wachten tot de volgende dag. De snelle douche in de kliniek had haar wel opgefrist voor de nacht. Ze maakte geen licht en vond feilloos de weg naar haar bed. Hoe vaak zou ze die weg immers al in het donker gelopen hebben, in de hoop niemand wakker te maken?
“Anne, je kunt gerust het licht aandoen, ik ben wakker,” hoorde ze Max nu echter zacht zeggen en zonder te wachten op haar reactie knipte hij zijn eigen nachtlampje aan.
“Jeetje, je laat me schrikken, zeg. Hoe het komt het dat je nog wakker bent?” vroeg ze verbaasd.
“Hoe komt het dat jij zo laat bent? Toch niks ernstigs gebeurd?” vroeg hij op zijn beurt ongerust.
“Nou, het ligt er maar aan wat je ernstig noemt,” zuchtte Anne en ze vertelde over de onbekende jongeman in de steeg, die nu op de intensive care lag bij te komen van een schedeloperatie.
“Waarschijnlijk gaat er morgen wel iemand naar hem op zoek,” dacht Max.
“Ja, dat denk ik ook. Ik hoop het in ieder geval, want we hebben geen enkel papier gevonden waarmee we hem kunnen identificeren. Vreemd en ik ben heel benieuwd hoe dit af gaat lopen. Hoe was jouw dag, lief?”
“Oh, best boeiend eigenlijk. Ik ben met Isabel op stap geweest. Kleren kopen met je dochter, kan er voor een vader nog iets boeiender zijn?” Hij trok een gepijnigd gezicht.
Anne moest hardop lachen om zijn sarcastische vraag. Ze was dol op zijn gevoel voor humor.
“Ik heb je nog iets heel belangrijks te vertellen,” ging Max toen gejaagd verder en hij ging prompt rechtop zitten in bed. “Ik wilde wakker blijven tot je er was, omdat je van dit nieuws echt steil achterover gaat vallen.”
“Wat? Het is toch geen slecht nieuws?”
“Nee, nee, tenminste, ik kan het niet bepaald slecht nieuws noemen. Het gaat over Mientje.”
“Mientje? Wat is er met haar?” Anne voelde hoe het bloed uit haar gezicht wegtrok. Wat kon er zo belangrijk zijn met betrekking tot Mientje dat Max er helemaal nerveus van werd.
“Het is echt geen slecht nieuws, schat,” stelde hij haar snel gerust. “Maar je zult er wel van opkijken. Volgens mij is Mientje namelijk verliefd!”
“Mientje! Verliefd!” Anne riep harder dan ze van plan was geweest en sloeg nu verschrikt een hand voor de mond terwijl ze spontaan begon te giechelen.
“Ssst, straks hoort ze je,” waarschuwde Max haar en hij keek geschrokken naar de slaapkamerdeur, alsof hij vreesde dat Mientje daar elk moment haar opwachting kon maken.
“Hoe kom je erbij te denken dat Mientje verliefd is?” ging Anne nieuwsgierig op fluistertoon verder.
“Nou, ze heeft vandaag een hele oude vriend teruggezien in de stad. Ze liep hem toevallig tegen het lijf, zei ze en ze is helemaal vol van hem. Je had haar moeten zien, Anne! Ze leek opeens tien jaar jonger en ik betrapte haar er daarnet op dat ze in haar slaapkamer liep te neuriën.”
“Echt waar?” vroeg Anne ongelovig. Mientje was eerder een nogal nuchter type, die was niet zo snel onder de indruk van iets of iemand.
“Echt, ik meen het, Anne. Mientje zal het natuurlijk ontkennen, maar die man betekent veel voor haar, zoveel is duidelijk,” verklaarde Max stellig.
“En? Hoe heet hij? Misschien ken ik hem wel.”
“Dat betwijfel ik, want ze hebben elkaar meer dan veertig jaar niet meer gezien. Kennelijk is hij destijds met zijn ouders naar het buitenland vertrokken en nu, na de dood van zijn echtgenote, pas teruggekomen. Zijn naam heeft ze me niet gezegd.”
“Hij is dus weduwnaar,” concludeerde Anne.
“Daar kan best nog iets moois uit voortkomen.”
“Max!”
“Waarom niet, Anne? Mientje is toch ook een vrouw. Zou je niet blij voor haar zijn?”
“Natuurlijk wel,” zei Anne snel, maar ze hoorde zelf dat haar stem een beetje vreemd klonk en ze lag die nacht langer wakker dan ze had verwacht. Haar vermoeidheid leek weg te zijn gesmolten nu ze het verhaal over Mientje en haar oude vriend had gehoord. Hoe moest ze reageren op een verliefdheid van haar huishoudster? Wat kon dat betekenen voor haar toekomst? Natuurlijk wenste ze Mientje alle geluk van de wereld toe, maar wat moest ze doen als Mientje besliste om haar baan op te geven en voor de liefde te kiezen. Bah, Max. Hij had haar overstuur gemaakt en wie weet was het allemaal wel voor niks.
Met die gedachte in het achterhoofd viel ze uiteindelijk toch in slaap om ’s morgens nog moe en een beetje humeurig wakker te worden.
Ze nam een lauwe douche en koos voor een vrolijke outfit, maar zelfs dat mocht niet baten. Ze voelde zich nog steeds vreemd onrustig terwijl ze de trap afliep naar de keuken. Ze had verwacht om, zoals elke dag, Mientje daar aan te treffen, maar er was helemaal niemand. Max was al weg, dat wist ze. Hij had vandaag een bespreking over zijn nakende vertrek naar Canada, maar waar was Mientje?
Ze opende de deur naar de woonkamer en toen hoorde ze haar, aan de telefoon. “Dan zie ik je morgen,” was het laatste wat Anne nog opving.
“Ah, daar ben je dan eindelijk,” bracht Heinrich Landau zuchtend uit, zodra hij zijn zoon Felix zijn kamer binnen zag lopen.
“Sorry, pa, ik ben de hele morgen druk bezig geweest met opereren,” zei Felix Landau, terwijl hij een stoel bijtrok en naast het bed van zijn vader ging zitten. Deze was twee dagen eerder thuis lelijk gevallen en had daarbij een heup gebroken. Gelukkig was hij nog in staat geweest om bij de telefoon te komen en had zo Irene, zijn schoondochter, kunnen alarmeren.
Ondertussen was de man geopereerd en was de schade weer hersteld, maar zijn revalidatie zou nog behoorlijk wat tijd in beslag nemen en dat zinde de oude heer Landau niet. Hij voelde zich nutteloos nu hij hier alleen maar in bed kon liggen en zich zelfs met een po moest behelpen omdat een gewoon toiletbezoek voorlopig nog niet binnen zijn mogelijkheden lag.
“Waarvoor had je me zo dringend nodig, pa?” vroeg Felix Landau.
“Ik vroeg me af of jij wel weet dat het hier soms vijf volle minuten duurt voor een zuster reageert op het belletje,” vroeg zijn vader. “Ik wilde weten of ze mijn telefoonlijn al hadden kunnen nakijken.”
“Je telefoonlijn?”
“Ja, de telefoon hier deed het niet, maar dat is nu verholpen, al heeft het wel een paar uur geduurd voor er dus eindelijk naar gekeken kon worden.”
“Pa, jij zou moeten weten dat er andere dingen zijn in een ziekenhuis die meer prioriteit hebben dan een telefoonlijn die het even niet doet.”
“En jij zou moeten weten dat de leefwereld van de patiënten hier heel klein wordt en dat een telefoon en daarmee contact met de buitenwereld dan juist heel belangrijk kan zijn.”
“Oké, wie wilde je dan zo dringend bellen?”
“Niemand.”
Felix Landau zuchtte terwijl zijn vader de armen over elkaar sloeg. Zo onredelijk als de laatste twee dagen had Felix zijn vader nog nooit meegemaakt.
“Je moet geduld met hem hebben, schat,” had Irene vanmorgen nog gezegd toen hij erover begon. “Je vader is gefrustreerd. Passief in bed liggen, daar wordt hij nerveus van.”
“Niemand ligt hier graag passief in een bed, Irene, maar mijn vader is goed op weg om een behoorlijk lastige patiënt te worden. Als hij niet nerveus wordt van zichzelf, dan wij wel.”
Hij meende wat hij tegen zijn vrouw had gezegd. Hij merkte immers ook wel dat de verpleegsters over zijn vader stonden te roddelen. Terwijl ze altijd heel veel respect hadden getoond voor de vader van de baas van de Landau-kliniek, zag hij hen nu de wenkbrauwen optrekken als ze zijn kamer uitkwamen of als er weer eens driftig op het belletje werd gedrukt voor wat uiteindelijk steeds weer een futiliteit bleek te zijn.
“Jij vindt dat ik overdrijf,” zei zijn vader nu.
“Waarom zou ik dat denken?”
“Omdat ik het zie aan je ogen,” zei Heinrich Landau. “Jullie vinden allemaal dat ik overdrijf, maar dat is niet zo. Eigenlijk probeer ik de Landau-kliniek gewoon te helpen. Ik heb nu gewoon tijd om alles hier in de gaten te houden en van binnenuit zie je meer dan van buitenaf.”
“Je weet dat ik je mening op prijs stel en dat ik altijd rekening houd met je op- en aanmerkingen,” reageerde Felix omzichtig. “Maar we mogen niet overdrijven, pa. We hebben een geweldig team van medewerkers en we moeten hen niet te veel achter de veren zitten.”
“Doe ik dat dan?”
Felix negeerde die vraag opzettelijk. Hij had echt geen zin in een potje bekvechten met zijn vader. “Vertel eens, hoe voel je je verder vandaag?”
“Oh, geweldig. Het is verrukkelijk om te moeten constateren dat je een hulpeloos, oud mannetje bent geworden,” reageerde de man cynisch.
“Wie zegt dat?”
“Hoe zie jij me dan?” Heinrich Landau keek zijn zoon indringend aan. “Ik ben zelfs niet mobiel genoeg om naar het toilet te gaan!”
“Pa, dat komt wel weer goed. Je moet nu geduld hebben. Je heup is gebroken en je moet herstellen en revalideren.”
“Juist, ik struikel over het tapijt, dat al twintig jaar op dezelfde plaats ligt in mijn eigen woonkamer! Hoe onhandig kun je worden op mijn leeftijd?”
Felix Landau haalde diep adem. Dat het moeilijke weken en misschien zelfs maanden zouden worden, daar was hij ondertussen jammer genoeg al achter gekomen. Zijn vader was geen gemakkelijk patiënt, maar als hij eerlijk was, dan vroeg hij zich af of hij dat zelf wel zou zijn in vergelijkbare omstandigheden. Hij had er ook een broertje aan dood om afhankelijk te zijn van anderen en hoe kordaat hij ook kon zijn tegen zijn patiënten als dat nodig was, hij wist dat hij zelf ook snel in zelfbeklag zou vervallen als hij in een ziekenhuisbed zou belanden.
“We doen er alles aan om je zo snel mogelijk weer op de been te krijgen,” verzekerde hij zijn vader dan ook. “En wat dat tapijt betreft: daar had iedereen over kunnen vallen.”
De blik in de ogen van zijn vader verzachtte even. “Ga nu maar weer aan het werk,” zei hij. “Er zijn vast mensen die je hulp meer nodig hebben dan ik.”
“Maar niemand die zo belangrijk is als mijn vader,” flapte Felix er toch uit en hij raakte even de schouder van zijn vader aan. Hij zag dat Heinrich schrok en hij schrok zelf ook wel van zijn gebaar. Hij mocht dan een goede band hebben gehad met zijn vader, fysiek hadden ze altijd een zekere afstand bewaard. Hoewel ze allebei gevoelsmensen waren, hielden ze niet zo van sentimenteel gedoe zoals ze het knuffelen of kussen tijdens familiefeestjes wel eens noemden. Zijn vader hier hulpeloos in bed zien liggen en merken hoe gefrustreerd en ellendig hij zich voelde, deed Felix echter pijn. Het deed hem meer dan hij eigenlijk toe wilde geven. Hij wilde de man naar wie hij altijd zo had opgekeken, laten weten dat hij op zijn zoon kon rekenen.
“Zo, zo,” floot Anne tussen de tanden. “Je hebt wel veel moeite gedaan voor dit afspraakje, Mientje.”
De huishoudster liep prompt rood aan en Anne ving een waarschuwende blik op van Max. Hij had er bij haar op aangedrongen om vooral geen insinuaties te maken over het afspraakje van Mientje, waarvan hij vermoedde dat het wel eens een bijzonder, romantisch afspraakje kon worden.
“Ach wat, ik heb dit mantelpakje al maanden in mijn kast hangen,” draaide Mientje om Annes opmerking heen. “Het is er echter nog nooit eerder van gekomen om het aan te trekken.”
“Nou, het staat je in elk geval beeldig. Blauw is altijd al je kleur geweest. Wil je dat ik nog wat bijpassende oogschaduw voor je op doe?”
Mientje keek prompt in de spiegel. “Waarom? Is dat nodig dan?”
Opnieuw kwam er een waarschuwende blik van Max.
“Nee, nee, helemaal niet. Je ziet er heel mooi uit, maar ik dacht gewoon dat wat extra oogschaduw je ogen nog beter zouden doen uitkomen.”
“Zou je denken?” twijfelde Mientje, maar toen keek ze nog een keer in de spiegel en schudde resoluut het hoofd. “Nee, laat maar zitten. Toch bedankt, Anne. Ik moet gaan. Tot vanavond. Er staat een salade voor jullie in de koelkast. Het enige wat je moet doen, is de aardappeltjes bakken.”
“Dat zal allemaal wel lukken. Geniet jij nou maar van je afspraak,” zei Anne en ze liep met Mientje mee tot bij de voordeur om haar daar uit te zwaaien.
“Foei, dokter Maas, het was niet netjes van u om uw huishoudster met zoveel jaren trouwe dienst op die manier in verlegenheid te brengen,” sprak Max gespeeld vermanend zodra Anne de woonkamer weer binnen kwam.
“Sorry, het was sterker dan mezelf,” lachte ze. “Zal ik voor ons dan eens wat aardappeltjes bakken? Dan kunnen we straks gezellig samen tv kijken of misschien een stapje in de wereld zetten.”
Hij keek haar wat uitdagend aan.
“Wat nou?”
“Eigenlijk heb ik nog niet zo’n zin in eten,” zei hij, terwijl hij met zijn ogen haar hele lichaam volgde.
“Oh, waar heb je dan wel zin in?” hield Anne zich dom.
“Nou, dan laat ik je met alle liefde zien. Kom maar eens hier!” Hij trok haar onverwacht heftig in de armen en kuste haar vol op de mond.
“Je wil me dus kussen,” plaagde ze. “Nog meer verzoeken?”
“Oh, veel meer.”
“Zoals?”
“Zoals een beetje strelen misschien?” Hij liet zijn hand onder haar bloes glijden en streelde over haar warme, zachte rug. “Kun je je hier een beetje in vinden, mooie vrouw?”
“Nou, het wordt alsmaar interessanter,” zei ze en nu was zij het die zijn hoofd naar haar toe draaide en hem begon te kussen. Het was best wel eens fijn om het huis voor zich alleen te hebben. Als de kat van huis is…
“Hij is dus nog altijd niet bij bewustzijn geweest?” vroeg Anne nog een keer voor alle zekerheid aan de hoofdzuster van de intensive care, die bezig was met het aanbrengen van een nieuw infuus.
“Nee, nog geen teken van alertheid,” schudde de zuster het hoofd. “We kunnen alleen maar hopen dat dat er snel komt.”
“Absoluut,” knikte Anne.
Ze keek naar de jongeman, die nog altijd roerloos in het ziekenhuisbed lag. Sinds ze hem de vorige dag daar had zien liggen, leek er niets aan hem veranderd, niet aan zijn houding en niet aan de pijnlijke uitdrukking op zijn gezicht.
Zodra de verpleegster de kamer had verlaten, liep Anne op het bed toe. Ze keek neer op de jongeman en voelde even het verlangen om zijn hand aan te raken en hem te zeggen dat het allemaal wel goed zou komen. Wie weet was de jongeman zich wel bewust van zijn omgeving en voelde hij zich nu heel eenzaam en bang. Anderzijds: ze moest professioneel blijven en ze mocht zich niet door haar emoties laten leiden. Het viel haar nu wel op dat de jongen jonger leek dan ze hem eerst had ingeschat. Achttien, negentien, ouder leek hij haar niet.
“Anne,” hoorde ze plotseling professor Landau achter zich.
Ze prees zich gelukkig dat ze niet precies op dat moment de hand van de patiënt had gegrepen in een poging hem gerust te stellen. “Professor, nog altijd geen nieuws over eventuele familieleden?” vroeg Anne.
Felix Landau schudde ontkennend het hoofd. “De politie tast ook nog altijd in het duister omtrent zijn identiteit,” zei hij op gedempte toon. “We kunnen alleen maar hopen dat hij ons zelf zo snel mogelijk kan vertellen wie hij is en waar hij vandaan komt.”
Anne keek naar de jongeman, die muisstil in bed lag en hen al een paar dagen voor een raadsel liet staan. Ze konden inderdaad alleen maar hopen dat hij snel uit zijn coma zou ontwaken.
Toch vreemd,” ging Anne op hardere toon weer verder toen ze samen op de gang stonden. “Een jongeman verdwijnt en niemand schijnt zich daar vragen bij te stellen of naar hem op zoek te gaan.”
“Misschien woonde hij alleen,” opperde Felix Landau. “Dan duurt het meestal wat langer voor mensen alarm gaan slaan.”
“Misschien,” knikte Anne, maar ze had hier al vanaf het begin een vreemd gevoel bij. Wat deed zo’n, overigens goedgeklede, jongeman op een doordeweekse avond in zo’n luguber steegje en door wie was hij zo toegetakeld? Het was voor de politie immers ook onmogelijk om aan een ongeluk te denken. Niemand viel zomaar met zijn hoofd tegen een muur. Toch zeker niet met zo’n kracht dat je er een schedelbreuk aan overhield, om van zijn andere verwondingen zoals bloeduitstortingen over het hele lichaam en een gebroken onderbeen nog maar te zwijgen.
“Het is een raadsel,” zei Felix Landau nu ook terwijl hij op de status van de onbekende jongeman keek. “Zolang niemand op komt dagen of hij niet bij bewustzijn komt, zullen we niets te weten komen en zal het raadsel niet worden opgelost.”
“Het is ook wel bijzonder vreemd dat hij niets van papieren op zak had, hé.”
“Tja, waarschijnlijk gestolen. Volgens mij is die jongen meegenomen naar het steegje en daar overvallen. Een ongeluk is uitgesloten, niet?”
“Waarschijnlijk,” knikte Anne. Ze wilde eigenlijk nog niets helemaal uitsluiten, want haar beroep had haar ondertussen wel geleerd dat de dingen altijd anders konden zijn dan ze op het eerste gezicht leken. “Hoe gaat het overigens met je vader?” vroeg ze nu terwijl ze samen met haar chef in de richting van de lift liep.
“Oh, fysiek heeft hij natuurlijk zijn beperkingen, maar geestelijk is hij nog behoorlijk alert,” grijnsde Felix Landau. “Ik zou zelfs durven zeggen dat hij een beetje té alert is. Hij maakt het ons personeel niet bepaald gemakkelijk.”
“Ach, die zijn wel wat gewend,” suste Anne.
“Ja, maar onderschat mijn vader niet. Hij is gefrustreerd door het feit dat hij werkloos in bed moet liggen. Je weet dat hij normaal gesproken nog een hele bezige bij is en nu ligt hij daar. Tot daar kan ik hem nog wel begrijpen, maar hij zou echt een beetje moeten inbinden.”
Anne lachte hardop terwijl ze als eerste in de lift stapte. “Ik kan me best voorstellen hoe het zou zijn als één van ons daar zou liggen,” zei ze. “Ik geloof echt niet dat wij zo’n gemakkelijk patiënten zouden zijn.”
Felix lachte met haar mee. “Nee, die bedenking had ik me over mezelf ook al gemaakt,” moest de professor eerlijk toegeven. “En? Hoe gaat het met jou en met Max en Mientje?”
“Met alle drie goed, bedankt,” knikte Anne. “Al is het nooit echt een fijne periode als Max op het punt van vertrek staat.”
“Waar gaat de reis dit keer naartoe?”
De liftdeuren schoven weer open en ze stapten uit op de verdieping waar ze allebei hun kantoor hadden.
“Canada,” zuchtte Anne. “Tot nu toe voor een kleine maand, maar ik weet ondertussen dat daar best nog een paar weken bij kunnen komen.”
“Ga je hem niet bezoeken?”
“Als mijn baas zo vriendelijk zou zijn om me een paar dagen vakantie te gunnen, dan zit die kans er wel in,” zei ze op uitdagende toon. Ze kenden elkaar heel goed en ze wist precies tot hoever ze bij hem kon gaan.
“Ik denk dat hij daar wel toe te bewegen zal zijn,” reageerde Felix op zijn beurt ad rem. “Zolang je het maar een beetje op tijd aangeeft, zodat we de kans krijgen om voor vervanging te zorgen.”
“Ik ben dus toch niet zo onmisbaar als ik altijd had gedacht te zijn,” zei ze met een gespeeld pruilmondje.
“Oh, jawel, maar ik wil niet versleten worden als een even grote stijfkop als mijn vader,” gaf Felix lachend aan.
“Oei, gelukkig heeft hij dat niet gehoord!”
“Nee, gelukkig niet. Nou, Anne, we spreken elkaar nog en de groeten aan Mientje en Max.”
“Doe ik. Daag.”
Ze gingen elk een andere kant op en Anne glimlachte onbewust. Het was hard werken in de Landau-kliniek, maar wel in een vriendschappelijke, bijna familiale sfeer. Haar band met het gezin Landau was al vanaf het begin heel goed geweest en werd alleen maar inniger met de jaren. Als het nodig was, gingen zij en de chef van de Landau-kliniek heel professioneel met elkaar om, maar buiten het werk om waren ze ook vrienden. Ze moest Felix en zijn gezin trouwens gauw weer eens bij haar thuis uitnodigen, daar genoot Mientje ook altijd heel erg van. Hoewel, nu had haar huishoudster schijnbaar andere dingen aan haar hoofd, want vandaag ging ze alweer op stap, naar het theater dit keer.
“Nog twee dagen dus,” zei Anne, terwijl ze zich in de armen van Max nestelde. “Waarom moest ik ook verliefd worden op een man die voor zijn plezier de hele wereld afreist?”
“Oh, oh, voor mijn plezier? Je hebt het hier wel over mijn werk, hoor.”
“Ja, je werk dat je met heel veel tegenzin doet, ik weet het, ik heb echt met je te doen, arme man,” zei ze spottend.
“Net zoals jij met heel veel tegenzin bij nacht en ontij over de snelwegen scheurt om zwaar toegetakelde verkeersslachtoffers te helpen,” spotte Max meteen terug.
“Touché,” lachte Anne en ze kuste ondertussen zijn wang. “We zijn wel allebei bezeten van ons werk, hè.”
“En dat is nu precies één van de dingen die ons aan elkaar bindt,” wist Max. “We zijn allebei heel erg met ons werk begaan, inderdaad, maar we zijn vooral heel erg gepassioneerd bezig en daar heb ik altijd van gehouden. Ik heb niks met mensen die alleen hun uurtjes kloppen en dan als een zak aardappelen op de bank ploffen. Voor hen zal het wel zijn charmes hebben, maar niet voor mij, sorry.”
“Nee, ik moet er ook niet aan denken dat jij hier hele dagen op mij zou zitten wachten of dat ik als huismoeder de uren aftelde tot je weer thuis zou komen.”
Hij tilde haar gezicht op en keek haar streng aan. “Tel je nu de uren niet dan?”
“Je weet wel beter,” reageerde ze met een verliefde blik in haar ogen.
Een innige kus volgde en precies op dat moment hoorden ze de voordeur opengaan.
“Hé, jullie zijn nog op!” Geschrokken kwam Mientje binnen.
Anne keek haar huishoudster verwonderd aan. Ze zag er anders uit, jonger, speelser ook. “En? Hoe was het toneel?”
“Prachtig,” zei Mientje en haar hele gezicht begon te stralen. “We hebben echt genoten en eerst zijn we verrukkelijk gaan eten bij het water. Het was een heerlijke avond!”
“Ik ben blij voor je,” zei Anne, maar ze hoorde hoe in haar stem doorklonk dat ze eigenlijk zomaar iets zei. Ze wilde natuurlijk blij zijn voor Mientje, maar ze was ook bang. Hoe moest het met haar verder als Mientje een heel andere weg zou inslaan? Ze was oud genoeg om voor zichzelf te zorgen natuurlijk en ze had nu Max, maar ze moest er niet aan denken dat Mientje het doktershuis daadwerkelijk zou verlaten. Nooit meer die zorgelijke stem als ze weer eens later thuiskwam dan afgesproken, nooit meer de geur van verse cake als ze de keuken binnenkwam. Ze moest een brok uit haar keel wegslikken als ze daar alleen maar aan dacht.
“Wil je nog een wijntje om wat na te praten, Mientje?” vroeg Max, terwijl hij al opstond om een extra glas uit de kast te halen.
“Nee, nee, bedankt,” zei Mientje snel en ze schudde het hoofd. “Ik ga maar eens naar bed, want ik wil morgen heel vroeg mijn bed uit zodat ik morgenavond op tijd alles klaarheb om naar de bioscoop te gaan.”
“De bioscoop?” vroeg Anne verwonderd.
“Ja, is dat een probleem?” Mientje keek haar geschrokken aan. “Als het voor jou slecht uitkomt, dan zeg ik de afspraak natuurlijk af, Anne.”
“Nee, nee, natuurlijk niet, ben je gek. Geen probleem. Geniet ervan.”
“Bedankt, nou, welterusten.”
“Welterusten,” zeiden Anne en Max bijna in koor en toen verliet Mientje de woonkamer.
“Hoef ik je nog te uit leggen wat er met haar aan de hand is?” vroeg Max.
Anne kon het nu inderdaad niet langer ontkennen: Mientje was overduidelijk verliefd.
Anne zat met een zuur gezicht op bed terwijl Max allerlei spullen in zijn koffer legde.
“Inpakken is elke keer weer een vreselijk opgave,” zuchtte hij erbij.
“Dan stel ik voor dat je het niet meer doet en een andere baan zoekt,” zei Anne.
Max stopte abrupt met pakken en keek zijn vriendin geschrokken aan. “Anne, meen je dat nou?”
“Nee, nee, sorry, let maar niet op mij,” schudde de arts het hoofd. “Ik zeg zomaar wat. Natuurlijk wil ik niet dat je een andere baan zoekt, dat zou vreselijk voor je zijn. Ik kan het echter niet helpen dat ik altijd zo triest word als jij vertrekt.”
“Ik weet het, schat,” zei Max en hij kwam naast haar op het bed zitten. “Ik heb alleen het gevoel dat je dit keer sentimenteler bent dan anders.”
“Zou kunnen,” zuchtte ze. “Anders heb ik Mientje altijd nog.”
“Ze is er nu toch ook.”
“Fysiek wel ja, maar haar gedachten zijn de laatste dagen duidelijk heel ergens anders. Ze doet hier zo snel mogelijk haar werk en brengt dan de avonden door bij die Victor.”
“Je zou hen een keer samen kunnen uitnodigen voor een etentje,” opperde Max. “Zo leer je die Victor in elk geval wat beter kennen. Geef toe, Anne, er zijn veel meer avonden dat Mientje op jou moet zitten wachten dan omgekeerd.”
“Ik weet het, ik ben een egoïstisch mens.”
“Dat heb ik nooit gezegd en je kunt maar beter zo snel mogelijk wat vakantie opnemen zodat je me in Canada kunt komen bezoeken.”
“Over een paar weken kom ik,” beloofde ze. “Ik heb het er al even met Felix over gehad en hij voorzag geen problemen.”
Max stond op en ging hij verder met pakken. “Het zal heerlijk zijn om er samen een paar dagen tussenuit te zijn,” zei hij. “Weet je, als je op tijd kunt zeggen wanneer je komt, dan zorg ik dat ik een paar dagen vrij ben daar.”
“Zou dat lukken denk je?”
“Vast wel.”
“Klinkt goed.” Ze liet zich op haar buik languit op bed vallen en keek door het raam naar de grote boom die voor haar slaapkamerraam heen en weer wiegde. “Het is zo gek hoe je sommige dingen en mensen in je leven na verloop van tijd als vanzelfsprekend gaat beschouwen,” sprak ze toen bijna filosofisch. “Kijk nou naar die boom. Ik heb nooit anders geweten dan dat hij daar stond en ik neem slecht zelden de tijd om er even naar te kijken.”
“Dat is zo,” knikte Max. “Vanwaar opeens die interesse voor de boom voor je raam, schat?”
Anne haalde diep adem. “Ach, ik moest weer aan Mientje denken,” zei ze. “Ik ga je raad opvolgen en een afspraak met haar en haar vriend maken, maar ik blijf het moeilijk hebben met de gedachte dat Mientje misschien een heel nieuw leven gaat beginnen.”
“Je voelt nu een beetje wat een ouder voelt als een kind het huis uitgaat,” begreep Max. “Zo voelde ik me ook na de scheiding. Ik moest Isabel opeens vaker missen dan anders en dat deed pijn, maar je ziet: ik heb het ook overleefd en Isabel is er ook niet slechter van geworden. Ik besteed nu meer aandacht aan haar wanneer ik in het land ben dan ik vroeger deed toen ik nog thuis woonde.”
“Ik weet dat Mientje en ik altijd beste vrienden zullen blijven,” zei ze en haar stem klonk verdacht trillend. “Ik vraag me eigenlijk af of ik dit huis niet beter kan verkopen als Mientje weggaat. Wat me hier bindt, zijn heel veel mooie herinneringen, maar ik kan beter helemaal opnieuw beginnen, dan.”
“Meen je dat nou? Zorg er maar voor dat Mientje je zo niet hoort praten, want ze is in staat haar vriend meteen de bons te geven.” Max pauzeerde even en keek naar Anne, die nog altijd naar de boom staarde. “Of, is het je daarom te doen, misschien?”
“Wat?” Anne zat nu met een ruk rechtop. “Nee, zeg, natuurlijk niet! Ik gun Mientje alle geluk van de wereld!”
“Weet ik toch, schat,” zei Max sussend en hij ritste zijn koffer dicht, ten teken dat het de hoogste tijd was om te vertrekken. Eerst was het zo gepland dat Anne hem naar de luchthaven zou brengen, maar haar werkschema had daar anders over beslist Nu zou Max een taxi naar het vliegveld nemen. Hij zat daar niet echt mee, want hoewel hij uit vrije wil vertrok naar een hoogstwaarschijnlijk weer spannende opdracht waar hij zou van genieten, viel het afscheid hem ook elke keer zwaar. Als Anne meeging naar de luchthaven, werd het allemaal net nog iets zwaarder.
“Zal ik de taxi bellen?” vroeg ze nu.
“Dat zou heel lief van je zijn. Ondertussen kijk ik nog eens na of ik alle nodige documenten bij me heb en bel ik het kantoor nog even om er zeker van te zijn dat er geen lastminute veranderingen zijn of zo.”
Anne liep naar beneden om te bellen en Max haalde zijn mobieltje uit zijn zak. Hoewel ze nu nog samen waren, was er al een zekere afstand tussen hen omdat ze allebei wisten dat een te grote intimiteit op dit moment het afscheid alleen maar moeilijker zou maken.
Anne bleef beneden tot de taxi arriveerde en nadat Max zijn koffer in de wagen had gelegd, nestelde ze zich nog een laatste keer in zijn armen.
“Je doet wel dat je voorzichtig daar, hè,” zei ze streng.
“Ik wel, zorg jij maar dat je voorzichtig doet,” zei Max op zijn beurt en hij kuste haar zacht op de mond. “Ik kijk heel erg uit naar je komst en ik bel je zodra ik daar ben aangekomen, goed?”
“Oké,” zei ze en toen lieten ze elkaar los, stapte Max in de taxi en reed de auto de straat uit.
Anne bleef nog een tijdje staan alsof ze hoopte dat Max nog terug zou komen, maar dat gebeurde natuurlijk niet. Uiteindelijk liep ze langzaam weer het doktershuis binnen en begon ze zich klaar te maken voor haar nachtdienst. Ze probeerde het gevoel van eenzaamheid en weemoed dat haar overviel te negeren, want ze wilde echt niet huilen. Straks kon ze Max opzoeken en het weerzien zou hartelijk en warm zijn. Daar moest ze zich aan optrekken en nu moest ze zich concentreren op haar werk en op de mensen die haar daar nodig hadden.
Het was rustig op de eerstehulpafdeling van de Landau-kliniek. Anne was nu al zo’n vier uur aan het werk en meer dan een jongen met een gebroken pols behandelen en een meisje met een aanval van hyperventilatie geruststellen, had ze nog niet gedaan. Zo ging het vaak door de weeks en Anne vond die weeknachten dan ook altijd het langst duren. Natuurlijk wenste ze niemand een ongeval of enig onheil toe, maar wat actie maakte de nacht gewoon veel korter. Ze zou naar bed kunnen gaan in het kamertje dat trauma-artsen hier ter beschikking hadden, maar dan zou ze toch maar wakker liggen op de ongemakkelijke matras. Zeker vannacht zou ze de slaap niet kunnen vatten. Als Max op een vliegtuig zat, was ze altijd nerveus en voelde ze zich onrustig.
“Vertrouwen hebben in de technologie, meisje,” zei Max altijd.
Dat was niet gemakkelijk als je grote liefde hoog boven de grond zweefde, op weg naar een land duizenden kilometers bij jou vandaan.
Ze haalde diep adem, wilde naar een tijdschrift grijpen, maar bedacht toen dat ze net zo goed nog even bij de jongeman langs kon gaan die ze deze week in de steeg hadden aangetroffen. Patiënt 125 hadden ze hem genoemd, naar de kamer waarin hij voorlopig onderdak had gevonden.
Ze stak een pieper in haar zak en liep door de verduisterde, stille gangen naar de lift. Hoe vaak had ze zich al niet verbaasd over het verschil tussen het de kliniek overdag en ’s nachts. De bedrijvigheid die hier overdag heerste, stond in bijzonder schril contrast met de stilte van de nacht. In elke gang zat een zuster achter de balie, maar meer leven was er niet te bespeuren.
Ook op de intensive care was het stil, al was het verschil tussen dag en nacht hier misschien nog het minst merkbaar. Vele patiënten sliepen hier zowel de nacht als de dag door en het personeel was altijd paraat.
“Dokter Maas,” begroette de zuster haar die de nachtdienst voor haar rekening nam. “Kan ik iets voor u doen?”
“Ik kwam nog even kijken bij patiënt 125,” zei Anne. “Is hij al wakker ondertussen?”
“Ik vrees van niet,” zuchtte de zuster het hoofd. “Al had mijn collega daarstraks wel de indruk dat hij iets minder diep sliep. Hij scheen al even met het hoofd bewogen te hebben.”
“Dat zou dan geweldig nieuws zijn,” zei Anne, al wist ze natuurlijk ook wel dat een simpele beweging nog geen bewijs van genezing betekende.
Ze knikte nog eens naar de verpleegster en liep toen verder naar het kleine kamertje met nummer 125. Ergens had ze alsnog gehoopt om de jongeman alert aan te treffen, maar hij had de ogen nog altijd gesloten en Anne zag op het eerste gezicht geen enkele verandering in zijn toestand. Ze liep wat dichter op het bed af en greep nu toch zijn hand. Wat kon het haar ook schelen! Er was niemand in de buurt en de jongen lag hier al zolang alleen. Een menselijke hand voelen, zou hem misschien goeddoen.
Voorzichtig greep ze de witte hand die op het laken lag. De hand voelde warm. Anne keek nauwgezet naar het gezicht van de jongeman, omdat ze de minste reactie wilde kunnen zien. In het gezicht veranderde echter niks, zijn hand daarentegen voelde ze wel degelijk bewegen. Eerst heel subtiel, niet meer dan een kleine trilling van een vinger, maar na een tijdje voelde ze hoe de vingers zich echt om de hare klemden!
Anne bleef heel even geschrokken staan, maar toen boog ze zich over de jongeman, tikte hem voorzichtig op de wang en vroeg: “Kun je me horen? Als je me kunt horen, knijp dan in mijn hand.”
Eerst gebeurde er niks, maar na luttele ogenblikken, voelde Anne hem wel degelijk in haar hand knijpen.
“Geweldig, je komt terug,” zei ze. “Geweldig!”
Veel tijd om daarbij stil te staan, kreeg ze echter niet, want precies op dat moment kwam er een oproep van haar afdeling. Een verkeersongeval.
“Niet veel meer dan blikschade volgens de politie, maar er is toch een man die verzorging zou nodig hebben,” vertelde de receptioniste, die de noodoproep binnen had gekregen.
Anne haastte zich naar de spoedafdeling, maar niet voor ze de nachtverpleegster nog snel op de hoogte had gebracht van de reactie van patiënt 125. De zuster beloofde hem nauwgezet in de gaten te houden en elke verandering in zijn toestand meteen aan haar te melden.
“Dit eten is helemaal niet warm!” foeterde Heinrich Landau. “Hoe kan een patiënt hier met smaak van eten?”
“Sorry, de keuken is een eind weg,” zei de zuster die het eten naar de kamer van vader Landau had gebracht. “We proberen alles zo snel mogelijk rond te brengen, maar soms lukt dat niet.”
“Oh, daar zijn we dan mooi klaar mee, dan moeten wij maar half lauw eten opeten en daarmee nog op krachten zien te komen ook.”
“Sorry, meneer Landau, we doen echt ons best.”
“Nou, dat betwijfel ik,” sneerde Heinrich. “En weet je wat? Neem die hele troep maar weer mee. Ik bel mijn schoondochter wel, die kan me vast iets warms brengen, hoewel ze nog van een eind verder moet komen.”
De zuster nam het dienblad weg en liep er terug mee de gang op. “Als hij de vader van professor Landau niet was, dan had ik die oude knorpot allang iets aangedaan,” zei ze tegen een collega die net voorbij kwam met het eten voor een andere kamer.
“Het is niet omdat hij de vader van Felix Landau is dat hij zomaar overal mee wegkomt,” was diens mening.
“Och ja, laat hem maar. Hij wordt het vanzelf wel beu om overal op te zitten vitten.”
De verpleegsters zetten hun ronde verder en ondertussen belde Heinrich Landau inderdaad naar zijn schoondochter.
“Eten?” vroeg Irene verbaasd. “Krijg je dan geen eten in de kliniek?”
“Ik krijg hier iets wat voor eten zou moeten doorgaan,” klonk het nors. “Het is meer koud dan warm. Echt, Irene, als ik niet snel iets degelijks te eten krijg, dan ga ik van mijn stokje.”
“Gut, gut,” reageerde Irene vol medeleven, maar inwendig moest ze lachen om het zielige gedrag van haar schoonvader.
Toch stond ze amper een half uur later al aan het bed van Heinrich met een pannetje maaltijdsoep. Die had ze toch nog over gehad van de vorige avond. Ze had de soep heel heet laten worden en was toen naar de kliniek gesneld. Ze wist dat Felix haar voor gek zou verslijten als hij dit wist, maar dat moest dan maar. Ze kon haar schoonvader onmogelijk aan zijn lot overlaten en ze moest weten wat er hier aan de hand was.
“Het is een schande, Irene,” zei Heinrich Landau tussen twee grote lepels soep door. “Zeg nu zelf, jij komt van buiten en die soep is nog warm. Het ziekenhuiseten komt gewoon uit de keuken en het is amper lauw. Denken ze soms dat je het verschil tussen warm en koud niet proeft omdat je toch ziek bent?”
“Pa, ik moet dan ook maar één patiënt bevoorraden, zij een hele gang,” nam Irene het voor de verpleegsters op.
“Oh, maar ik wijs niet met een beschuldigende vinger naar de verpleegsters,” zei haar schoonvader terwijl hij een groot stuk van het stokbrood afbrak dat ze nog had meegebracht en dat hij nu met smaak in zijn soep doopte. “Volgens mij is er gewoon sprake van slechte bevoorrading. Toen ik me hier nog vroeger nog weleens bemoeide met verschillende zaken, waren er nooit klachten over het eten. Toen werd alles hier ook echt vers in de eigen keuken bereid. Nu zie ik sla en tomaten al gesneden in plastic geleverd worden en zelfs de aardappelen zijn al in plakjes gesneden als ze de keuken hier bereiken.”
“Zo gaat dat nu eenmaal in een grootkeuken, vader,” probeerde Irene hem rustig uit te leggen.
“Juist, een grootkeuken,” schudde Heinrich Landau afkeurend. “Daar moeten we dus vanaf en met een paar mensen extra in de keuken kan dat geen probleem zijn. Het is trouwens niet alleen het eten dat hier te wensen overlaat. Ik heb een behoorlijke lijst gemaakt van kleine en grote ongenoegens.”
Hij wees op het papier dat op zijn nachtkastje lag en waar Irene in het groot kon lezen: wachttijden na de bel. Onder die zin had haar schoonvader in minuten en seconden genoteerd hoelang hij op welke dag had moeten wachten nadat hij voor hulp had gebeld.
“Pa, je gaat het Felix toch niet te moeilijk maken,” schrok ze. “Je zegt toch altijd zelf dat hij goed werk doet.”
“Absoluut, maar goed werk kan altijd nog beter worden, Irene. Ik help mijn zoon juist door hem op een paar minpunten te wijzen. Ik begrijp dat hij de hele dag met andere dingen bezig is dan het dagelijkse beleid. Hij moet dat aan anderen uitbesteden, maar dan ben je niet altijd zeker dat het allemaal naar wens verloopt. Nu is zijn vader er die als recensent kan optreden.”
Irene moest er bijna om lachen. Haar schoonvader meende dit wel heel ernstig.
“Misschien is er gewoon sprake van een algemeen personeelstekort,” zei hij.
“Ik geloof niet dat er mogelijkheden zijn om de staf nog veel uit te breiden,” zei Irene, die heel goed op de hoogte was van het reilen en zeilen in de kliniek. “Personeel kost veel geld, dat hoef ik u niet te vertellen.”
“Als de patiënten wegblijven, kost dat nog veel meer geld,” bleef Heinrich Landau volhouden. “Geloof me: slechte reclame doet snel de ronde, Irene. We leven in een tijd waarin patiënten de mogelijkheid hebben om zelf te kiezen in welk ziekenhuis ze zich laten behandelen en dan moeten ze een reden hebben om voor jou ziekenhuis te kiezen. Een privékliniek als de onze moet zich meten met de concurrentie en dat kan je alleen als je de beste service biedt.”
Irene haalde een paar keer diep adem en vroeg zich af of ze er wel goed aan gedaan had om haar schoonvader meteen te hulp te schieten. Hoe zou Felix hierop reageren?
“Pa, misschien moet je maar niet aan Felix vertellen dat ik je eten heb gebracht,” zei ze dan ook voorzichtig.
“Het hem niet vertellen? Waarom niet?”
“Hij zal zich gekrenkt voelen.”
Heinrich Landau keek zijn schoondochter recht in de ogen. “Irene, als je je man een dienst wilt bewijzen, dan moeten we het hem juist wel vertellen,” zei hij. “Hij kan hier alleen maar lessen uit trekken en de dienstverlening naar de patiënten toe verbeteren.”
Irene haalde nog eens diep adem. Hier zouden nog grote problemen uit voortkomen, dat voelde ze nu al aan.
“Hij heeft dus nog geen woord gesproken?”
“Nee, geen woord,” bevestigde Felix Landau. “Dé vraag is nu of hij niet kan of niet wil praten.”
“Bedoel je dat hij opzettelijk niets wil zeggen?”
“Dat zou inderdaad kunnen. Zoals je weet, is het heel moeilijk vast te stellen wat de precieze impact is van een zwaar hersentrauma. Voor mij begint het er meer en meer op te lijken dat hij met opzet zwijgt.”
“We weten dus nog altijd niet wie hij is en waar hij vandaan komt.”
“Nee, de politie tast ook nog altijd in het duister wat zijn identiteit betreft. Er is nog altijd niemand naar hem komen informeren.”
“Dat vind ik echt erg,” zei Anne. “Hij is nog zo jong, Felix. Ik schat hem amper achttien, negentien jaar, wat jij?”
“Zo schat ik hem ook, ja, hooguit twintig.”
“Dan moet iemand je toch missen! Je ouders, je vrienden, broers of zussen.”
“Misschien wonen die allemaal aan de andere kant van het land of zo,” probeerde Felix naar een reden te zoeken.
“Zou kunnen. Ik ga nu naar hem toe. Misschien krijg ik hem aan het praten.”
“Ik wens je veel succes, maar ik moet toegeven: je hebt hier al grotere wonderen laten gebeuren.” Felix Landau lachte.
Anne keek geschokt naar hem op. “Lach je me uit?” vroeg ze.
“Zou ik dat durven? Ik meen wat ik zeg, Anne en dat weet je best. Je bent veel meer dan een trauma-arts. Je hebt de gave om het vertrouwen van mensen te winnen.”
“Oké, oké, ik doe mijn best.”
Ze liep lachend weg en ook Felix Landau draaide zich glimlachend om. Hij keek op zijn horloge en zag dat hij nog net een kwartier tijd had voor hij zich in de OK moest melden. Misschien kon hij ondertussen nog even bij zijn vader langsgaan of misschien was het beter om nog een klein wandelingetje door de tuin te maken. Dat zou hem vast meer ontspannen. Hij was op weg naar de ziekenhuistuin toen hij tot zijn verbazing zijn vrouw Irene voor hem uit zag lopen. Hij versnelde zijn pas om haar in te halen.
“Hé, wat een verrassing, was je naar mij op zoek?” vroeg hij zodra hij haar had ingehaald.
“Nee, nee, niet echt,” zei ze stunteliger dan hij van haar gewend was. “Ik kom van je vader, hij had me gebeld.”
“Mijn vader? Wat had hij nu weer te klagen?”
“Het eten,” zei Irene schoorvoetend. “Volgens je vader is het eten meestal koud en geef toe, Felix, dat is niet smakelijk. Ik heb hem dus maar een beetje soep gebracht.”
“Je hebt hem soep gebracht?”
“Ja, sorry, ik had medelijden met hem.”
“Waar hij handig gebruik van heeft gemaakt.”
“Het was niet zo erg, we hadden nog soep over van gisterenavond.”
“Daar gaat het niet om, Irene en dat weet je. Mijn vader stelt zich hier onredelijk op. Hij denkt dat hij zich alles kan permitteren, gewoon omdat hij mijn vader is. Dat betekent nog niet dat hij me hier de les kan komen lezen en dat hij mijn personeel zomaar de kast op mag jagen.”
“Weet ik, schat, ik heb het hem ook gezegd. Maar, je mag niet te kwaad op hem zijn. Hij bedoelt het goed en hij ligt zich daar te vervelen. Heb je geen werkje voor hem? Iets van administratie of zo? Als hij maar wat bezig kan zijn.”
Felix sloeg de armen over elkaar, zijn gezicht stond nors. “Denk je dat ik iedereen die zich hier verveelt een werkje kan geven?”
“Nee, natuurlijk niet.”
“Het valt me van je tegen, Irene. Dat mijn vader onredelijk doet, dat kan ik nog toeschrijven aan zijn leeftijd en aan het feit dat hij zich nu nutteloos voelt, maar dat jij met hem meedoet, dat valt me echt zwaar tegen.”
“Schat, ik doe helemaal niet met hem mee. Ik probeer gewoon de gemoederen wat te sussen. Als ik niet met soep was gekomen, had hij misschien de hele afdeling op stelten gezet.”
“Dan had hij dat maar moeten doen,” bleef Felix Landau nukkig. “Jij had je daar geen zorgen om moeten maken.”
“Sorry, ik bedoelde het alleen maar goed.”
“Dan hoop ik dat je dat in het vervolg niet meer zal doen.”
Hij wachtte niet op haar antwoord, draaide zich om en liep terug in de richting waarvan hij gekomen was. Hij dacht niet meer aan zijn geplande wandelingetje door de tuin, maar liep meteen in de richting van de operatiezaal.
Irene ging ondertussen teleurgesteld naar huis. Ze wist dat hier problemen van zouden komen, maar welke keuze had ze? Ze had of haar schoonvader in de steek moeten laten of haar man moeten teleurstellen. Och ja, ze kon maar beter naar huis gaan en hopen dat vader en ook zoon Landau straks weer wat tot rust zouden komen.
“Hallo, ik ben dokter Maas, trauma-arts. Ik heb je de eerste hulp verleend.”
De donkere ogen van de jongeman namen Anne onderzoekend op. Zijn gezicht vertrok geen spiertje.
“Ik ben blij dat je weer bij bewustzijn bent,” ging Anne verder. “Voel je je een beetje goed? Niet te veel pijn?”
Ze wachtte even, maar er kwam ook nu totaal geen reactie. Die kwam er ook niet toen ze patiënt 125, die nu tenminste weer wakker was, vroeg of er niemand was die ze moesten waarschuwen of die zich ongerust zou maken omdat hij al zo lang niets van zich had laten horen.
“Volgens mij kan hij gewoon niet reageren,” bracht ze later verslag uit bij Felix Landau. “Hij begrijpt misschien niet eens wat we tegen hem zeggen.”
“Dat geloof ik niet,” zei Felix en hij schudde resoluut het hoofd. “Volgens de verplegende zuster heeft hij al wel gereageerd op een paar andere vragen. Niet met woorden, maar wel door bijvoorbeeld te knipperen met zijn ogen.”
“Is dat zo? Dat zou dan betekenen dat hij opzettelijk sommige vragen negeert.”
“Daar lijkt het op,” knikte haar chef. “In elk geval: de politie doet op dit moment nog een poging om hem aan de praat te krijgen. Ze willen natuurlijk weten hoe hij in die steeg terecht is gekomen en wat er precies is gebeurd.”
“Misschien is hij wel bang,” opperde Anne.
“Zou kunnen. We houden hem in elk geval van dichtbij in de gaten. Iets wat we met mijn vader denk ik ook zouden moeten doen.”
“Je vader?”
Felix Landau zuchtte en schoof zijn stoel een beetje verder achteruit. “Hij stelt zich aan als een verwend kind.”
“Je vader?”
“Ja, mijn vader. Hij heeft overal op- of aanmerkingen op en het ergste is dat Irene hem nog gelijk geeft ook. Ze is hem vandaag zelfs eten komen brengen.”
“Dat zal ze dan wel met de beste bedoelingen gedaan hebben,” nam Anne het op voor haar vriendin.
“Daar twijfel ik niet aan, maar als mijn vader hier nog een paar weken moet liggen, dan zullen we hem toch duidelijk moeten maken dat hij zich als een normale patiënt dient te gedragen.”
“Dat zal hem vanzelf wel duidelijk worden,” meende Anne.
Ze zat er echter nog aan te denken toen ze later die dag thuiskwam. Het was vast niet gemakkelijk om ouder te worden en daardoor voor een stukje buiten de maatschappij kwam te staan. Je zag iedereen werken en druk doen en jij kon niet meer aan die drukte deelnemen. Het was alsof je leven voor een stuk al voorbij was terwijl je nog springlevend was.
Zou Mientje het ook zo voelen? Waarom vond zij het dan zo moeilijk om te aanvaarden dat Mientje nu weer helemaal opleefde? Ze zou het juist geweldig moeten vinden voor haar huishoudster, maar als ze eerlijk was, voelde ze echt wel jaloezie. Daarbij kwam de eenzaamheid. Het was nu de tweede avond op rij dat ze thuiskwam in een leeg huis. Haar eten stond klaar in de magnetron en Mientje had alvast een flesje rode wijn voor haar ontkurkt. De tafel was netjes gedekt met zelfs een bloemetje erbij, maar dat nam nog altijd niet weg dat het huis leeg was en dat er niemand was om even haar verhalen van de dag aan te vertellen of naar wie ze kon luisteren. Nu Max er ook nog eens niet was, kwam de eenzaamheid dubbel hard aan. Ze kreeg bijna medelijden met zichzelf en in plaats van netjes aan tafel te eten, pakte ze haar bord en ging ermee voor de televisie zitten. Wat ze vroeger het toppunt van eenzaamheid noemde, deed ze nu zelf! Haar eten naar binnen werken zonder er veel van te proeven. Ze dronk twee glazen wijn en voelde zich net wat wegdoezelen toen de telefoon rinkelde.
“Max,” zei ze blij zodra ze zijn stem herkende, maar hij merkte zelfs van op die grote afstand dat er iets met haar aan de hand was.
“Och, let er maar niet op,” zei Anne, omdat ze hem niet ongerust wilde maken. “Ik ben een beetje moe en je kent me: dan word ik wat kribbig.”
“Oké, in dat geval moet je beloven dat je niet te laat naar bed gaat.”
“Ik beloof het, papa,” lachte Anne, maar de lach kwam niet van binnenuit en nadat ze de hoorn had neergelegd en de stilte van het doktershuis haar weer overviel, kon ze de tranen niet meer binnenhouden.
“Wilhelmine Redlich, ik ben zo blij dat wij elkaar na al die jaren weer hebben teruggevonden!” zei Victor en hij greep spontaan Mientjes hand terwijl ze samen terug naar zijn auto wandelden.
“Ik ook,” zei Mientje. “Het zijn zulke zalige avonden geweest, Victor. Neem nu die opera van daarnet. Ik vind het altijd zo prachtig om naar te kijken, maar tot jij kwam was er niemand die met plezier met me meeging. Anne zou meegaan als ik haar daarnaar vroeg, maar ik weet dat ze alleen maar zou verlangen naar het einde van het stuk en dan beleef ik er zelf ook niet zoveel plezier aan.”
“Die Anne mag van geluk spreken dat ze al die jaren iemand gehad heeft zoals jij die voor haar zorgde en zichzelf helemaal voor haar wegcijferde,” zei Victor. “Ik hoop dat ze dat waardeert.”
“Oh, dat doet ze zeer zeker,” nam Mientje het meteen voor Anne op. “Wij zijn als moeder en dochter voor elkaar.”
“Het blijft natuurlijk wel een werksituatie,” zei Victor. “Wordt het niet eens tijd dat jij aan jezelf gaat denken. Een huisje op de Lüneburgerheide, is dat niets voor jou? Je zei toch dat je zo gek was op de natuur daar en dat je er heerlijk kon ontspannen.”
“Dat is ook zo, maar als je mij continu alleen in een huisje daar zet, dan kwijn ik weg. Nee, laat mij maar appeltaarten bakken, wasjes draaien en bedden opmaken, daar blijf ik jong bij.”
Victor bleef staan en keerde zich naar Mientje toe. In het maanlicht zag ze zijn ogen stralen. Hij was een paar jaar ouder dan zij, maar zag er nog opvallend jeugdig uit en vooral zijn ogen gaven hem die jonge aanblik.
“Ik heb nooit gezegd dat je alleen in zo’n huisje moest gaan wonen, lieve Mientje. Hier voor je staat bijvoorbeeld al een kandidaat om met je mee te gaan.”
“Victor,” reageerde Mientje en ze lachte verlegen. Ze was blij dat het donker was zodat hij haar rode wangen niet kon zien. Kom, zeg, ze was toch geen bakvis meer.
Hij greep nu haar beide handen en bracht zijn gezicht wat dichter naar het hare. “Jij bent altijd in mijn gedachten en in mijn hart gebleven, Mientje,” zei hij. “Hoe vaak heb ik niet gedacht aan dat lieve meisje dat zo graag bij me was.”
‘En dat jij zomaar in de steek hebt gelaten,’ wilde Mientje zeggen, maar ze zweeg. Ze wilde dit mooie moment niet verknallen, want ja, Victor was ook al die tijd in haar hart en in haar gedachten gebleven. Het feit dat hij zich destijds halsoverkop met een ander had verloofd, omdat die zwanger van hem bleek te zijn en dat hij haar in de steek had gelaten om naar het buitenland te vertrekken en daar als getrouwde man een nieuw leven te beginnen, had haar heel veel pijn gedaan. Ach, dat lag nu al zo lang achter hen. Het was niet zo dat hij haar in die tijd grote beloftes had gedaan. Ze hadden een prille relatie gehad, meer niet.
“Als ik mijn leven over kon doen, dan zou ik je nooit meer laten gaan,” hoorde ze hem nu zeggen.
Hoewel die uitspraak klonk alsof zij degene was die was vertrokken, besloot ze ook hier niet op te reageren. Dit moment was te mooi om het te verstoren. Ze sloot haar ogen en voelde hoe hij zijn gezicht steeds dichter bij het hare bracht. Net toen ze elkaar bijna gingen kussen, deed het geluid van een voorbijrazende auto haar opschrikken. Haar ogen floepten open en ze stond weer met beide voeten in de werkelijkheid. Niet te hard van stapel lopen, had ze zichzelf voorgenomen, daar had ze de leeftijd niet meer voor.
“Ik denk dat je me nu maar beter naar huis kunt brengen, Victor,” klonk het dan ook zacht, maar wel gemeend.
“Sorry, ben ik te ver gegaan? Je bent toch niet kwaad, Mientje. Ik liet me meeslepen, het spijt me.”
“Nee, nee, geen probleem. Ik ben ook heel blij dat we elkaar hebben teruggevonden, Victor, maar we zijn geen achttien meer. Als we samen iets willen opbouwen, dan wil ik dat rustig aan doen. Begrijp je dat?”
“Natuurlijk begrijp ik dat,” zei hij en toen liepen ze weer verder.
Mientje merkte wel dat Victor op weg naar het doktershuis stiller was dan anders en ze begreep dat ze hem misschien toch gekwetst had met haar afwijzing. Dat mannelijke eergevoel verdween niet met het toenemen van de leeftijd, maar ze kwam niet op haar beslissing terug. Het was waar: ze waren geen pubers meer. Ze wisten wat er in het leven te koop was en ze wisten dat opflakkerende verliefdheden vaak tenietgedaan werden door te snel te hard van stapel te lopen. Herinneringen waren soms zo sterk dat je ze verwarde met nieuwe gevoelens. Daarom wilde ze het rustig aan doen en omdat ze dit keer zeker wilde zijn dat Victor het goed met haar meende.
Toen hij haar echter bij het doktershuis had afgezet en haar had beloofd dat hij de volgende dag zou bellen voor een nieuwe afspraak, wist Mientje dat er een andere, belangrijkere reden was voor haar terughoudendheid en die reden lag hier. Na al die jaren trouwe dienst, waaruit een dierbare vriendschap was gegroeid, kon ze Anne niet zomaar achterlaten. Oké, Anne had nu Max, maar hoe vaak was die er? Anne was oud genoeg om voor zichzelf te zorgen, maar kon ze dat ook echt? Hoe vaak had ze al haar eigen kleren gewassen of eten voor zichzelf gemaakt? Zelfs als zij op vakantie ging, stond alles in de koelkast klaar en zorgde ze ervoor dat alles gewassen en gestreken was en netjes in de kasten lag. Anne was een kei in haar vak en een geweldige vrouw, maar huishoudelijke taken waren niet aan haar besteed. Als Mientje er ooit aan dacht om weg te gaan, dan zou dat zeker niet gebeuren voor ze Anne volledig had ingewijd in het huishouden en voor ze er honderd procent van overtuigd was dat die zichzelf kon redden.
Terwijl Mientje de stille keuken binnenliep, keek ze in het rond. Dit was haar thuis, al zoveel jaren lang. Ja, ze genoot van haar korte tripjes naar de heide om er eens volledig tussenuit te zijn. De uitstapjes met Victor waren geweldig en de gevoelens die hij in haar losmaakte, maakten haar gelukkig, maar hier was ze thuis en ze was niet zomaar bereid om dit thuis onmiddellijk op te geven.
“Het is volgens mij wel dik aan tussen jou en die Victor,” zei Anne toen ze ’s morgens met Mientje aan het ontbijt zat.
Het gebeurde niet vaak dat de twee vrouwen samen aten. Vandaag had Anne echter speciaal haar wekker vroeg genoeg gezet om er zeker van te zijn dat ze Mientje bij het ontbijt zou treffen. Ze was gisteravond heel vroeg naar bed gegaan, dus dat scheelde.
“Nou ja, dik aan,” zei Mientje wat aarzelend. “We zijn goede vrienden, dat wel.”
“Kom, kom, je gaat niet elke avond weg met iemand die alleen maar een goede vriend is, Mientje.”
Opnieuw begon de huishoudster te blozen. “Anne, alsjeblieft,” lachte ze, terwijl ze snel opstond om zogezegd nog iets uit de koelkast te halen. “Het is echt niet wat je denkt. Kom op, ik ben geen jonge meid meer.”
“En wat wil dat zeggen? Kunnen oudere mensen niet verliefd worden dan?”
“Anne!”
“Echt, Mientje. Ik wil die vriend van jou graag leren kennen. Kun je hem niet uitnodigen hier thuis, voor een hapje en een drankje?”
“Ik weet niet,” aarzelde Mientje.
“Waarom niet? Mag ik hem niet zien? Kom op, dat is niet fair, Mientje.”
Anne bleef zeuren tot Mientje ermee instemde om Victor diezelfde avond nog uit te nodigen.
“Dat is dan afgesproken,” zei Anne toen ze even later opstond om naar het werk te vertrekken. “Ik vond het trouwens heel gezellig om samen te ontbijten, Mientje. Dat moeten we wat vaker doen! Ik zal voortaan wat vroeger opstaan.”
“Niet als je laat gaat slapen,” kwam het moederlijke in Mientje weer naar boven. “We kunnen net zo goed in de loop van de dag een kopje koffie samen drinken.”
“Oké, dan doen we dat.”
Anne voelde zich niet echt opgelucht toen ze naar de kliniek vertrok. Waarom begon ze nu pas in te zien dat ze Mientje af en toe schandelijk verwaarloosde? Waarom was ze niet vaker spontaan opgestaan om koffie met haar te drinken? Mientje zei dat ze dat helemaal niet erg vond, maar ze wist wel beter. Nu ze af en toe alleen in het doktershuis was, voelde ze pas hoe leeg zo’n huis aan kon voelen. Arme Mientje, ze moest zich vaak eenzaam hebben gevoeld.
Die gedachte probeerde Anne echter van zich af te zetten zodra ze haar auto op de vaste parkeerplaats bij de kliniek zette. Ze moest zich nu op haar werk concentreren!
“Goedemorgen,” begroette Margit haar vriendelijk zodra ze de warme hal binnenstapte.
“Morgen, Margit,” zei Anne vriendelijk terug. “Koud, hè.”
“Ja, behoorlijk, de winter slaat bikkelhard toe, hopelijk krijgen we niet te veel sneeuw vandaag.”
“Nee, hopelijk niet,” zei Anne. “Dat zorgt alleen maar voor heel veel ellende op de weg.”
“Absoluut. Als kind vond ik die witte vlokjes geweldig, nu ben ik er alleen maar bang voor.”
“Een mens verandert met het ouder worden,” knikte Anne terwijl ze de balie voorbij liep. “Nou, Margit, ik wens je een fijne dag, zonder al te veel witte vlokjes.”
Margit keek de trauma-arts een beetje weifelend na. Anne was vriendelijk en glimlachte, maar de receptioniste kende haar ondertussen lang genoeg om aan te voelen dat er haar iets dwarszat. Ach ja, daar hadden we allemaal wel eens last van natuurlijk. Veel tijd om zich daar zorgen over te maken, had de receptioniste niet, want er kwam alweer een telefoontje binnen.
Anne zelf liep ondertussen richting haar afdeling om er snel haar dokterskleren aan te trekken en vervolgens haar collega op te zoeken zodat ze met hem een en ander door kon praten voor ze de dienst van hem overnam. Eigenlijk was dit deel van haar werk een stuk routine geworden na al die jaren. Gelukkig werd het werk zelf dat nooit. Elke dag was het weer nieuw, nooit wist ze wat er haar vandaag te wachten zou staan. Dat was precies een van de dingen die haar in haar werk zo boeiden.
Zo wist ze op dat moment bijvoorbeeld nog niet dat ze een half uur later bezoek zou krijgen van agent Schüller.
“Wat kan ik voor u doen?” vroeg Anne toen de man, die haar dus niet volledig onbekend was, tegenover haar ging zitten. Anne voelde altijd iets van wrevel bij de man, alsof hij het niet echt goed kon vinden met dokters. Ze wist wel waar het aan lag. De politie wilde snelle oplossingen, terwijl zij als artsen vaak hun patiënten moesten afschermen voor ondervragingen en confrontaties omdat ze daar medisch nog niet aan toe waren. Sommige agenten begrepen dat, anderen, zoals agent Schüller, hadden het daar duidelijk moeilijker mee. Ook nu keek hij haar priemend aan en kon er geen glimlachje af.
“Ik wil het met u hebben over de patiënt die jullie duidelijk tot een nummer hebben omgedoopt,” begon hij.
Anne wist onmiddellijk over wie hij het had. “Tja, we houden niet van nummers,” ging ze in de verdediging. “In gevallen als deze kan het natuurlijk niet anders. We hebben geen naam, geen leeftijd, niets. We moesten een manier vinden om zijn dossier te benoemen.”
“Hij heeft dus nog altijd niets gezegd wat ons naar zijn identiteit zou kunnen leiden,” begreep de agent.
“Hij heeft gewoon nog helemaal niks gezegd,” schudde Anne het hoofd.
“Vreemd.”
“Dat is het zeker. Medisch gezien vinden we geen enkele reden waarom hij niet zou kunnen praten, maar natuurlijk weet je het nooit bij een hersenletsel,” ging Anne verder. “Het kan dat zijn spraakcentrum verstoord is geraakt of dat hij niet helder genoeg kan denken om te praten. Dat laatste is wel vrij onwaarschijnlijk eigenlijk, want dan nog zou hij klanken kunnen uitstoten, maar ook dat doet hij niet.”
“Mag ik daaruit concluderen dat hij opzettelijk niet wil praten?” vroeg de agent en hij zat klaar om een aantekening in zijn boekje te maken.
Anne wist dat ze nu heel omzichtig te werk moest gaan. Ze wist dat alles wat ze nu zei, genoteerd zou worden en dus zei ze: “U mag daaruit concluderen dat wij het ook niet weten. We veronderstellen dat de patiënt in staat is om te praten, maar heel zeker zijn we daar niet van.”
“En wat nu?” vroeg de agent. “Die jongeman kan betrokken zijn bij onopgehelderde misdrijven, dokter. Hoe weten we zeker dat dat niet zo is?”
Anne haalde de schouders op. “Tja, ik vrees dat ik daar ook geen antwoord op heb,” zei ze. “Ik denk dat we niet anders kunnen doen dan afwachten. Misschien heeft die jongen gewoon tijd nodig om het een en ander voor zichzelf te verwerken en zal hij wel praten als hij daar klaar voor is.”
“En hoelang zal dat nog duren?”
Anne zuchtte hoorbaar. Ze had de pest aan dit soort gesprekken. Wat wilde de agent dat ze nu antwoordde? Had ze hem net niet al een paar keer duidelijk gemaakt dat ze ook niet wisten wat er met de jongen aan de hand was en waarom hij niet sprak? Moest ze nu een datum geven waarop de man volgens haar zou beginnen met te praten?
“Ik vrees dat ik u niet kan helpen,” zei ze dan ook, hopende dat de man haar dan eindelijk met rust zou laten. Ze had echt wel andere dingen te doen dan nietszeggende gesprekken te voeren die uiteindelijk nergens toe zouden leiden.
Gelukkig sloeg de agent inderdaad zijn notitieboekje dicht. “Oké,” zei hij. “Er zit dus niets anders op dan afwachten.”
“Ik vrees het,” knikte Anne.
De agent verliet eindelijk haar kantoor. Geen moment te vroeg, want voor Anne begonnen daarna een paar drukke uren die ze afsloot met het hechten van een handwond bij een jonge vrouw die thuis een beetje te heftig met het keukenmes had gewerkt.
“Al dat bloed,” zuchtte de vrouw toen ze bij Anne op de behandeltafel zat. De handdoek, die ze thuis in allerijl om de wond had gedraaid, was helemaal rood gekleurd.
“Komt wel goed,” zei Anne terwijl ze de wond deskundig ontsmette, verdoofde en vervolgens hechtte. Precies op het moment dat ze een verband om de vinger wond, zat Annes dienst er op voor de dag.
“Als ik het goed begrijp, word ik dus op huisbezoek gevraagd,” zei Victor over de telefoon tegen Mientje.
“Ja, zo kun je het zien,” reageerde Mientje lachend.
“Nou, daar heb ik dus altijd een hekel aan gehad.”
“Waaraan?”
“Aan de keuringen die je als ‘vriend van’ moet doorstaan. Vroeger was het ook zo. Als je een paar weken of maanden met een liefje omging, dan wilden de ouders je zien en werd je gekeurd en meestal toch niet geschikt bevonden om met hun dierbare dochter om te gaan. Daarna volgde dan de moeilijke tijd van stiekeme afspraakjes en hartverscheurende taferelen als de ouders daar alsnog achterkwamen.”
Mientje moest hardop lachen om zijn gekke uitspraak. “Anne is mijn moeder niet,” zei ze. “En ze zal je heus niet keuren. Ze wil je gewoon leren kennen, dat is alles.”
“Ze wil de concurrentie monsteren zul je bedoelen.”
“Concurrentie?” vroeg Mientje verbaasd. Wat bedoelde hij daar nu mee?
“Welja, ze voelt ook wel aan dat het goed zit tussen ons en dat ze jou misschien heel snel aan mij zou kunnen verliezen.”
“Praat nou geen onzin, Victor. Anne weet goed genoeg dat ze me nooit zal verliezen. Het is niet omdat jij en ik heel goed met elkaar opschieten dat ik Anne zomaar de rug ga toekeren. Waarom zou ik dat doen?”
“Ik zeg niet dat dat zal gebeuren. Ik zeg alleen dat je bazin daar blijkbaar bang voor is. Ik begrijp haar wel. Als ik hoor wat jij allemaal doet in dat huis, is het onmogelijk voor haar om nog iemand als jij te vinden, Mientje.”
“Victor, als je Anne straks leert kennen, dan zul je een heel ander beeld van haar krijgen dan je nu duidelijk hebt,” zei Mientje en ze hoorde zelf dat ze een beetje humeurig begon te klinken. “Anne is een hele spontane, levenslustige vrouw en wij zijn veel meer dan bazin en werkneemster en zelfs veel meer dan vrienden. Anne en ik, wij zijn elkaars familie. We hebben dan misschien wel geen bloedband, we gaan wel even close met elkaar om als een moeder met haar dochter. Ik vind het niet meer dan normaal dat jij en Anne elkaar leren kennen, maar als je er geen zin in hebt, dan moet je me dat gewoon zeggen.”
Victor voelde de stemming van Mientje en reageerde snel. “Welnee, natuurlijk wil ik die Anne van je wel leren kennen. Ik ben alleen een beetje bang dat ze op je in zal praten. Ik wil onze relatie niet van de mening van anderen laten afhangen, Mientje. Ik voel me goed bij jou en ik denk dat jij je ook goed voelt bij mij, dat is het enige wat telt.”
Mientje klonk nog altijd humeurig. “Victor, ik ben geen kind meer, ik neem mijn eigen beslissingen, oké. Trouwens, jij en ik, wij zijn nog altijd alleen maar vrienden. Ik wil niets overhaasten, daar heb ik de leeftijd niet meer voor.”
“Oké, sorry,” bond hij snel in.
“Geeft niet,” klonk het van Mientjes kant nu weer wat aardiger, lachend zelfs. “Volgens mij moet jij nodig verlost raken van het trauma dat je in je jeugd hebt opgelopen bij de familiebezoekjes aan je ex-liefjes.”
Ze lachten nu samen en Victor zou om zeven uur naar het doktershuis komen om er kennis te maken met Anne. Mientje zette zich alvast aan de schoonmaak. Ze was altijd een pietje-precies, maar nu ze wist dat Victor op bezoek zou komen, werd dat alleen maar erger. Alles moest glimmen en blinken en dan wilde ze straks ook nog iets lekkers op tafel toveren.
“We kunnen ook iets bestellen bij de Chinees of Italiaans eten afhalen,” had Anne voorgesteld.
Daar wilde keukenprinses Mientje natuurlijk niets van weten.
Nee, als Victor op bezoek kwam, dan wilde ze zelf koken.
“Zo, je zult wel blij zijn dat je weg bent van de intensieve care,” zei Anne. “Hoe goed ze daar ook voor je zorgen, iedereen is altijd weer blij als hij er mag vertrekken.” Ze keek naar de jongeman die nog altijd roerloos in bed lag.
Hij keek naar haar, maar toonde geen enkele reactie.
“Of ben jij een uitzondering op de regel misschien?” probeerde ze hem zover te krijgen dat hij tenminste toch met ja, met nee of misschien met een lachje of een grijns zou antwoorden. Er kwam echter niks, geen enkele reactie.
Anne zuchtte. Ze zat hier al vijf minuten en had al allerlei dingen geprobeerd om de patiënt aan de praat te krijgen, maar niks leek te lukken. Haar enige wapen was nu nog de directe aanpak, de schoktherapie, al paste ze die meestal liever niet toe.
“Oké, ik denk dat we er nu wel achter zijn dat je weigert om met ons of wie dan ook te praten,” zei ze en haar stem klonk een stuk minder vriendelijk dan daarnet. Even meende ze een reactie te zien in de blik van de jongen. Hij leek te schrikken, even terug te deinzen, maar hij bleef nog altijd zwijgen. Ook toen ze zei: “De politie trekt conclusies die misschien totaal verkeerd zijn. Als jij hen niets wil vertellen en niemand komt naar jou informeren, dan is het vrij normaal dat ze in de gegeven omstandigheden aan een misdaadverhaal denken, toch?”
Opnieuw zag ze schrik in de ogen van de jongeman.
“Je klapt niet zomaar met je hoofd tegen een muur aan,” zei Anne. “Daar moeten haast zeker derden bij in het spel zijn geweest.”
Voor het eerst sinds Anne de jongen bezocht, bewoog hij zich. Hij keek haar niet langer aan en draaide zijn gezicht naar het raam toe. Anne had blijkbaar een gevoelige snaar geraakt. Ze moest nu verder gaan.
“Misschien ben je bang,” zei ze. “Word je bedreigd? In dat geval moet je zeker met iemand praten en je kunt me vertrouwen. Ik ben hier om je te helpen.”
Even keerde de jongen zijn gezicht weer naar haar toe, maar toen sloot hij plotseling zijn ogen.
“Kom op, vertel het me,” drong Anne nog een paar keer aan, maar het was vergeefse moeite. De jongen lag weer roerloos in bed, met de ogen gesloten deze keer en hoe Anne ook aandrong, hij sloot zich volledig voor haar af.
“Goed, dan ga ik maar,” zei ze. “Je mag me echter altijd roepen als je vindt dat je toch iets te vertellen hebt en onthoud goed: het is voor je eigen bestwil dat je hier niet alleen mee blijft zitten. Je hebt hulp nodig en die hulp kun je alleen krijgen als je begint te praten.”
Ook nu bleef de verhoopte reactie uit en uiteindelijk kon Anne alleen maar ontgoocheld opstappen.
“Nu ja, het is eigenlijk ook onze zorg niet,” zei Felix Landau even later.
Anne was na het ‘gesprek’ met de onbekende patiënt meteen naar haar chef gelopen, maar die bleek weinig interesse te hebben in wat ze hem kwam vertellen. Hij reageerde humeurig en duidelijk niet helemaal met zijn hoofd bij de zaak.
“Is toch zo?” bromde hij toen hij Anne de wenkbrauwen op zag trekken. “De politie moet haar werk doen.”
Anne keek haar chef onderzoekend aan. “Alles goed, Felix?” vroeg ze.
“Alles prima, waarom zou dat niet zo zijn?” Zijn ogen priemden zich kwaad in de hare.
“Je gedraagt je niet alsof alles oké is,” zei Anne eerlijk.
Felix Landau bleef nog even nors kijken, maar leunde toen achterover in zijn bureaustoel, liet het potlood vallen waar hij mee zat te schrijven en vouwde zuchtend de handen in de nek. “Ik begrijp niet wat er opeens met mijn vader aan de hand is, Anne,” zei hij. “Je mag het gek vinden, maar ik ben bang dat hij begint te dementeren.”
“Kom nou, Heinrich Landau is nog net zo pienter als op de dag dat ik hem leerde kennen,” zei Anne. “Ik ben gisteren heel even bij hem geweest en hij leek me heel goed bij het verstand, hoor.”
“Is dat niet typisch voor beginnende dementie?” vroeg Felix Landau zonder eigenlijk een antwoord op die vraag te verwachten. “In het begin kunnen de patiënten probleemloos iedereen om de tuin leiden. Ik zeg het je, Anne. Zo onredelijk als hij nu reageert, zo ken ik hem niet.”
“Oh, maar dat heeft volgens mij helemaal niets met dementie te maken,” zei Anne. “Integendeel. Je vader zoekt een manier om zich geestelijk bezig te houden nu hij fysiek niets kan. Hij was nog heel actief en nu roerloos in bed moeten blijven liggen, dat is de hel voor hem.”
“Geestelijk bezighouden noem jij dat,” grijnsde de professor. “Ik noem het eerder een vorm van terreur. Vrijwel elke zuster op zijn afdeling is hier bij mij al haar beklag komen doen, Anne. Als hij zo verder gaat, dan lokt hij in zijn eentje een staking uit.”
Anne kon het niet helpen dat ze nu in de lach schoot en Felix lachte zelfs met haar mee.
“Dat zou nog eens een krantenkop zijn,” hikte Anne. “Vader van Landau-chef lokt staking uit in kliniek zoon!”
“Hij is er echt van overtuigd dat ik niet goed bezig ben.”
“Welnee, ben je gek,” werd Anne nu weer heel serieus. “Je vader wil je gewoon helpen. Hij denkt dat hij zich nu in de ideale positie bevindt om je personeel en de dagelijkse gang van zaken eens van dichtbij te bekijken. Hij probeert je gewoon een dienst te bewijzen.”
“Oh, ik ben hem zo dankbaar,” sprak Felix overdreven dramatisch.
“Ik weet dat hij het verkeerd aanpakt, maar als iedereen er rustig onder kan blijven, dan waait die hele storm zo weer over,” wist Anne. “Gun hem gewoon het inspecteurtje spelen, Felix.”
“Dat wil ik heel graag, Anne, maar soms gaat hij echt te ver. Ik kan het toch niet zover laten komen dat al het personeel op die afdeling opstapt.”
“Als ze dat doen, dan zijn ze maar weinig gewend,” vond Anne. “Misschien moeten ze dan eens een poosje bij ons op spoed komen meedraaien. Daar gebeuren andere dingen dan oude mensen die aan je kop zeuren, hoor. Bedreigd worden met een mes, boomlange mannen die dreigen je een klap voor je kop te geven als je hen pijn durft te doen en meer van die leuke dingen. Geloof me, dan zijn mensen als je vader een echte verademing.”
“Och ja, misschien heb je wel gelijk. Ik moet me er ook niet zo druk over maken. Pa is gewoon gefrustreerd, dat heeft Irene me ook al vaak proberen duidelijk te maken.”
“Dat denk ik ook, ja.” Anne keek op haar horloge. “Ik kan maar beter gaan, want Mientje komt haar nieuwe vriend aan me voorstellen.”
“Je meent het!”
“Ja, echt. Dus geen tijd te verliezen, Felix!”
“Nou, ik zou zeggen: veel plezier vanavond en vergeet ons niet uit te nodigen op de huwelijksreceptie.”
“Heel grappig, maar als het zover komt, zal ik zeker aan jullie denken,” zei Anne en toen sloot ze de deur van het kantoor achter zich om op de gang even stil te blijven staan bij de mogelijkheid dat Mientje en Victor inderdaad zouden gaan trouwen. Ze schudde echter snel het hoofd om die absurde gedachte. Zover zou het vast nooit komen.
Anne trok haar zwarte jurkje nog eens recht en bracht een klein beetje lipstick aan, net als een wolkje parfum. Ze wilde er wel goed uitzien vanavond, maar ze mocht ook niet overdrijven. Victor moest zich goed voelen en niet geïntimideerd.
Terwijl ze de overloop opstapte, kwam de geur van de heerlijke rosbief haar tegemoet. Anne glimlachte. Mientje deed altijd haar best, maar het was wel duidelijk dat ze zich nu helemaal had uitgesloofd. Ze had het beste tafellaken en het bijhorende serviesgoed tevoorschijn gehaald en de kristallen glazen had ze nog eens extra opgepoetst, zodat ze je tegemoet blonken.
“Je vindt het toch niet erg?” had ze aan Anne gevraagd.
“Mientje, wat is dat nou voor een gekke vraag?” had zij gereageerd. “Natuurlijk vind ik het niet erg. Je weet toch al langer dat alles wat hier in huis is net zo goed van jou als van mij is.”
Daarna was ze snel naar de badkamer gevlucht, om haar emoties te verbergen. Mientje mocht vooral niet denken dat ze het moeilijk had met haar relatie. Ze wilde dat haar huishoudster gelukkig was, want dat verdiende ze.
Gelukkig was Mientje, zoveel was zeker. Ze had haar de voorbije dagen vaker neuriënd door het huis zien lopen dan dat in de voorbije jaren het geval was geweest en Mientje was grappiger en speelser dan anders.
“Verliefdheid is niet alleen iets voor jongeren of voor mensen van onze leeftijd,” had Max gezegd en daar was Anne zich natuurlijk ook van bewust.
Max… ze dacht aan hem terwijl ze de trap afliep. Ze moest snel haar reis naar Canada gaan plannen. Vandaag had hij haar nog gevraagd wanneer ze hem kwam opzoeken. Ze keek er naar uit, maar aan de andere kant ook niet. Dit was niet het geschikte moment. Ze was bang om Mientje alleen achter te laten. Ze had nu Victor natuurlijk, maar dat maakte haar juist ongerust. Ze moest er niet aan denken dat ze straks weer thuiskwam en Mientje haar dan vertelde dat ze weg zou gaan. Dat ze bij die Victor in zou trekken. Nee, ze moest eerst nog zien of die Victor Mientje wel waard was.
“Anne, ben je daar?” riep Mientje op dat moment naar boven. “Ik heb juist de auto van Victor zien stoppen.”
“Ik kom eraan, Mientje,” zei Anne zo rustig mogelijk, maar de zenuwen gierden haar in werkelijkheid door de keel. Zelden was ze zo nerveus geweest als nu. Ze had het gevoel dat dit een heel belangrijk moment voor haar kon zijn. Mientje was helemaal weg van Victor en ze stond dus op het kantelmoment tussen kiezen voor haar levenswerk hier en tussen Victor. Max zou het belachelijk en overdreven vinden als ze het hem vertelde. Hij zou haar lachend een dramaqueen noemen, maar zij voelde het nu eenmaal zo.
Ze had nog maar net de laatste trede naar beneden genomen of Mientje zwaaide de voordeur al open om haar Victor binnen te laten. Hij kuste haar op beide wangen en keek toen glimlachend naar Anne, die naast Mientje was gaan staan.
Die eerste blik was genoeg. Anne voelde meteen dat het nooit zou klikken tussen haar en die man. Hij had nog geen woord gesproken en ze hadden elkaar nog niet eens de hand gedrukt en toch voelde ze het. Die spottende blik in zijn ogen, die houding van: ah, jij bent dus die befaamde Anne. Ze voelde het allemaal feilloos aan en ze wist dat dit niet goed zou komen.
Toch toonde ze zich joviaal. Ze stak haar hand uit naar Victor, maar die trok haar meteen naar zich toe en kuste ook haar op beide wangen. Anne kon een rilling nog net onderdrukken. Ze hield er nu eenmaal niet van als mensen, die ze niet kende, haar zomaar kusten. Zelfs al was het een oudere heer, zelfs al was hij de vriend van Mientje en zelfs al was het maar op de wangen.
‘Doe niet zo gek,’ zou Max haar aanporren en dus rechtte ze haar rug en zei ze: “Zullen we naar de zithoek gaan. Ik geloof dat Mientje daar al wat lekkers voor ons heeft klaarstaan.”
Ze hoorde zelf hoe afgemeten ze sprak. Totaal niet natuurlijk, totaal niet de Anne die ze anders was. Mientje moest dat ook gevoeld hebben, want ze keek haar even onderzoekend aan. Anne forceerde een glimlach en toen liepen ze inderdaad naar de zithoek waar ze champagne en toast met een stukje heerlijk gemarineerde heilbot aten.
“Dat heb je heerlijk gedaan, Wilhelmine,” zei Victor toen hij zijn derde toastje nam. “Weet je, Anne, ik heb nooit geloofd in de perfecte vrouw, maar dat kwam omdat ik vergeten was hoe geweldig Mientje wel niet is.”
“Tja, met de jaren vervagen herinneringen. Ik heb Mientje ook nooit iets over jou horen vertellen eigenlijk,” merkte Anne liefjes op.
“Misschien ben jij dat wel vergeten,” reageerde Victor snel en ietwat bitsig.
“Het verleden is hier ook niet belangrijk,” kwam Mientje snel tussen. “We zijn vandaag weer goede vrienden en dat is wat telt.”
“En of,” lachte Victor breed en hij hief het glas. “Ik zou zeggen: op een nieuw begin voor ons, Mientje! En Anne: bedankt voor de gastvrijheid.”
“Mijn huis is ook Mientjes huis,” zei Anne veelbetekenend. “Mientje en ik, wij zijn veel meer dan werkgever en werknemer, hè, Mientje.”
“Absoluut,” knikte haar huishoudster. “Anne is de dochter die ik zelf nooit gehad heb.”
“Mooi, mooi,” zei Victor gehaast. “Maar, dit blijft je werk natuurlijk wel, hè, Mientje en je bent niet meer een van de jongste. Ik snap niet hoe je dit nog alle dagen zo vol kan houden. Een kast van een huis onderhouden en elke dag vers eten maken, wassen, strijken, noem maar op. Weinigen zouden het je nadoen, je moet toch regelmatig aan jezelf denken, hoor.”
“Oh, dat doe ik,” zei Mientje snel. “Ik trek er regelmatig een paar dagen op uit naar de heide zoals ik je al heb verteld en Anne en ik gaan wel eens op stap voor een kop koffie of gewoon een leuke wandeling.”
“Doen we zeker,” zei Anne. “Wij zijn heel blij met elkaar, altijd geweest.”
Mientje begon een beetje nerveus te worden onder al dit over en weer gepraat met haar als inzet. Ze stond op en bood de laatste toastjes nog aan aan Anne en Victor waarna ze snel naar de keuken liep. “Even de soep opwarmen,” zei ze over haar schouder.
Zo bleef Anne alleen met Victor achter.
De eerste minuut zeiden ze niets, maar toen nam Victor het woord. “Je zult er zelf vast ook al wel aan gedacht hebben dat Mientje dit niet kan blijven doen, Anne,” zei hij.
“Daar hebben we nog nooit over gesproken,” zei Anne een beetje ontwijkend.
“Nee, zo is Wilhelmine wel,” zei Victor en het stoorde Anne dat de man sprak alsof hij Mientje al veel langer en veel beter kende dan zij. “Ze zal er nooit zelf over beginnen, omdat ze bang is dat ze je zou kwetsen.”
“Mientje is inderdaad een schat,” knikte Anne.
“Zolang je dat maar beseft!”
“Meer dan jij schijnt te denken, Victor en wees gerust: Mientje zorgt voor mij, maar ik ook voor haar. Wij laten elkaar niets overkomen.” De blik die ze de oudere man daarbij toezond, liet niets aan duidelijkheid te wensen over.
Victor leek er even beduusd van en precies toen werd hun gesprek onderbroken.
“Aan tafel!” riep Mientje terwijl ze met de dampende soepterrine de kamer binnenstapte.
“Ah, daar ben je,” zei Victor en hij leek opeens weer een heel andere man.
Daarnet voelde Anne zijn bitsigheid, zijn norsheid, nu was hij een en al charme en strooide hij weer kwistig met complimentjes.
“Dit is zonder overdrijven de beste soep die ik ooit heb gegeten,” zei hij toen hij nog maar een half lepeltje van de hete champignonsoep had genomen. Hij sloot de ogen en proefde genietend. “Mientje, je bent een prinses op alle vlakken. Nu kan ik ook nog de term keukenprinses aan je indrukwekkende palmares toevoegen.”
Anne zag hoe haar huishoudster begon te blozen.
“We hadden het er net nog over wat voor een schat je bent,” ging Victor verder.
“Oké, zo kan ie wel weer,” lachte Mientje. “Eet nou maar van je soep, want koud is die lang zo lekker niet meer.”
Victor lachte en kneep haar even in de hand terwijl Anne zich op haar soep concentreerde. Ze moest Victor natuurlijk een eerlijke kans geven, maar dat was niet gemakkelijk.
“Ik hoorde van Mientje dat je lang in het buitenland hebt gewoond, Victor,” deed ze toch haar best om een open gesprek met hem aan te gaan.
“Ja, inderdaad, in Engeland. Ik heb er altijd in het groen gewerkt. Een heerlijk land om hovenier te zijn.”
“Kan ik me voorstellen,” knikte Anne. “Hoe ben je daar dan terecht gekomen?”
“Mijn vrouw,” zei Victor en hij sloeg even de ogen neer. “Mijn vrouw was Engelse. Ik heb haar ontmoet toen ze hier was om een cursus te volgen en uiteindelijk ben ik haar gevolgd. Twee jaar geleden is ze gestorven. Ik wilde wel terugkomen, maar ik vond de moed niet. Nu ben ik dus terug om hier een stekje voor mezelf te zoeken.”
Hij was duidelijk geëmotioneerd en Mientje legde liefdevol een hand op de zijne.
Anne voelde zich opeens schuldig. Victor had nog verdriet om zijn overleden vrouw, hij had een moeilijke periode achter de rug. Kon ze hem dan niet het nieuwe geluk met Mientje gunnen?
Natuurlijk wel en toch… Toch was er iets aan Victor wat haar niet lekker zat.
Dat voelde ze ook weer toen Mientje de soepborden afruimde.
“Zal ik je helpen, Mientje?” vroeg hij om daar dan aan toe te voegen: “Of ben je het gewend om alles hier alleen te doen?”
Mientje concentreerde zich alleen op het eerste deel van zijn vraag, Anne op het laatste. Ze verbeeldde het zich echt niet dat hij haar bij die vraag verwijtend aankeek.
“Ik heb inderdaad weinig tijd om Mientje te helpen,” ging ze dan ook meteen in de verdediging.
“Ik wil niet dat jullie me helpen. Het is heel lief van je aangeboden, Victor, maar als de mensen genieten van mijn eten, dan is dat voor mij meer dan genoeg, echt waar.”
“Zoals ik al zei: een zeldzame schat,” zei Victor en Anne voelde zich helemaal buitengesloten toen hij naar Mientje knipoogde en zij hem verlegen aankeek.
De rest van het diner voelde Anne zich opgelaten en lette ze heel goed op de onderhuidse opmerkingen die Victor maakte. Mientje leek er niets van te merken, zij was zich er des te meer van bewust.
Het was dan ook met een gevoel van opluchting dat ze Victor al om tien uur hoorde zeggen: “Ik moet ervandoor, Mientje. Ik had je gezegd dat ik het niet laat kon maken. Mijn dochter komt morgen aan. Ze wil je graag leren kennen, dat weet je. Het zal alleen nog een paar dagen duren.”
“Natuurlijk,” zei Mientje. “Geniet jij nu maar van je dochter.”
“Anne, het was me een waar genoegen,” richtte Victor zich nu tot haar. “We zien elkaar ongetwijfeld snel terug.”
“Fijne avond nog, Victor,” zei Anne afgemeten en daarna liep ze naar de salon om daar nog verder te genieten van haar glas rode wijn. Terwijl ze daar zat, begon ze zich echter schuldig te voelen. Victor had waarschijnlijk gelijk. Ze vond het misschien te vanzelfsprekend dat Mientje alles alleen deed. Haar huishoudster was niet meer zo jong en kon wel wat hulp gebruiken zo af en toe. In plaats van haar glas wijn op te drinken, stond ze dus op van de bank en liep ze naar de keuken waar ze alvast begon met het vullen van de vaatwasmachine en het ontvetten van de braadpan.
“Wat moet dit voorstellen?” vroeg Mientje toen ze een paar minuten later de keuken binnenstapte.
“Ik help je,” zei Anne. “Toch niet meer dan normaal, ik heb ook meegegeten.”
“Wat is dat nou? Dit is mijn taak. Jij hebt je werk er voor vandaag al opzitten.”
“Jij ook, Mientje. Dit was een avondje ontspanning, dus delen we de taken.”
Mientje sloeg de armen over elkaar. “Anne Maas, je laat je toch niks aanpraten, hè. Victor maakte immers maar een grapje. Hij weet ook wel dat ik het hier heel erg naar mijn zin heb, dat wij heel goed met elkaar kunnen opschieten.”
“Hij had wel een punt toen hij zei dat je hier heel veel alleen moet doen, Mientje.”
“Natuurlijk, dat is mijn taak. Daar ben ik hiervoor in dienst genomen.”
“Daarom mag ik je nog wel een handje helpen op momenten dat het me lukt,” hield Anne vol en terwijl zij schrobde op de pan, goot Mientje de afgekoelde champignonsoep in een kleiner pannetje zodat ze dat morgenmiddag nog konden opwarmen met een broodje erbij.
“Vertel eens, hoe is Victor je verder bevallen? Aardige man, hè?”
“Ja, best,” zei Anne.
“Ja, best, je mag hem dus niet,” concludeerde Mientje.
“Dat heb ik toch niet gezegd.”
“Nee, maar dat hoeft ook niet. Ik ken je goed en lang genoeg om te weten wanneer je iemand aardig vindt en wanneer niet, Anne. De manier waarop je tegen Victor praatte, zei genoeg. Je hebt de hele avond geprobeerd om hem op fouten te betrappen.”
“Pardon? Hij heeft de hele avond geprobeerd om mij te laten voelen dat het bijna gedaan was met het uitbuiten van mijn huishoudster.”
“Kom op, Anne.”
“Ik meen het, Mientje. Victor is er stellig van overtuigd dat ik misbruik maak van jouw goedheid. Of misschien is het dat niet. Misschien probeert hij jou ervan te overtuigen dat ik misbruik van je maak, zodat je snel voor een nieuw leven gaat kiezen.”
Mientje begon hard te lachen.
“Ik vind het niet grappig,” zei Anne. Ze gooide de vaatdoek op het aanrecht en verliet de keuken. Terwijl ze de trap oprende, was ze er vast van overtuigd dat Mientje achter haar aan zou komen. Dat deed ze altijd als ze ergens problemen mee had. Dan was Mientje er met een kopje thee of gewoon met een luisterend oor. Ze zouden dit ook wel uitpraten, dacht Anne, maar Mientje kwam niet. Anne was allang in slaap toen de huishoudster haar eigen kamer opzocht.
“Ze verwacht dat ik me ga verontschuldigen,” zei Anne tegen Max, die haar net gebeld had tussen twee afspraken in het ziekenhuis door.
“Dat zou je ook maar beter kunnen doen,” vond haar vriend.
“Ik? Ik me verontschuldigen?”
“Ja, jij, inderdaad. Je bent niet fair geweest tegen de vriend van Mientje. Je hebt die man geen eerlijke kans gegeven.”
“Hoe weet jij dat? Je kent die man niet eens!”
“Nee, maar ik ken jou, Anne. Je bent als de dood dat je Mientje aan hem gaat verliezen.”
“Wat is dat nou voor onzin?”
“Dat vraag ik me ook af. Je weet toch dat je Mientje nooit helemaal kan verliezen. Ze zal er altijd voor je zijn, zelfs al kiest ze er op een dag voor om het doktershuis te verlaten.”
Anne voelde een steek recht in haar hart. Max hield er dus ook rekening mee dat Mientje weg kon gaan. De gedachte alleen al maakte haar week. “Max, ik moet gaan,” verzon ze. “Ik word opgeroepen. Hoor ik je vandaag nog?”
“Sorry, schat, dat zal morgen pas zijn. We vertrekken nu richting noorden en daar zal het heel moeilijk zijn om contact met je te houden. Morgenavond komen we terug, ik probeer je dan te bellen, oké?”
“Oké.” Ze probeerde de teleurstelling uit haar stem te weren.
Nadat ze had opgehangen, was er helemaal geen oproep om snel gehoor aan te geven en dus besloot ze patiënt nummer 125 nog eens een bezoekje te brengen, wie weet kon ze nu iets van hem te weten komen.
Ze liep met vastberaden tred naar zijn kamer, maar toen ze eenmaal de hoek van de gang was omgeslagen, bleef ze geschrokken staan. Ze zag net twee mannen de kamer uit komen.
“Je weet wat we hebben afgesproken,” zei de grootste van de twee richting kamer. “Je kunt je maar beter aan de afspraken houden, want zoals je al aan den lijve hebt ondervonden: een ongeluk is snel gebeurd.”
Anne bleef staan. Ze bewoog ook niet toen de twee kerels haar voorbij liepen. Ze hadden geen oog voor haar, waren veel te druk in de weer met het ratelen in een vreemde taal die ze niet kende, maar die volgens haar ergens uit het Oostblok moest komen. Vooral de grote man deed haar rillen. Hij had afgeschoren haren, een brede bast en armen waarmee hij gemakkelijk een man ter plekke dood kon knijpen. Terwijl hij op haar hoogte was, zag Anne duidelijk de littekens in zijn gezicht en de grote tatoeage op zijn rechterbovenarm.
Ze keek de mannen nog na tot ze de lift waren ingestapt en repte zich toen naar de kamer van haar patiënt.
“Oké, nu denk ik dat het echt de hoogste tijd is dat je me vertelt wat hier allemaal aan de hand is,” zei ze zodra ze de kamer was binnengestapt. “Ik neem nu geen genoegen meer met zwijgende blikken. Jij zit in de problemen en je kunt daar alleen uitkomen als je met iemand begint te praten. Geloof me, de kerels die hier net op je kamer zijn geweest, dat zijn geen doetjes, dat zie ik zo. Als je problemen met hen hebt, dan los je dat niet alleen op.”
Anne zag hoe de jongeman begon te beven. Hij beefde over zijn hele lichaam, zo heftig dat het bed ervan schokte.
“Waarom ben je zo bang voor hen?” vroeg ze. “Zijn dat de kerels die je in die steeg te grazen hebben genomen? Waarom was dat? Wat was er gebeurd? Dit keer ga ik niet weg voor ik het hele verhaal gehoord heb!” Ze pakte een stoel en schoof die naast het bed. Ze ging zitten met de benen over elkaar geslagen en de armen gekruist, klaar voor een lange wachttijd als dat nodig zou zijn.
“Pa, ik heb een vraag voor jou,” zei Irene Landau.
“Nou? Wat dan? Ga je weer zeuren dat ik je lieve echtgenoot met rust moet laten?”
“Daar ben ik niet voor gekomen,” schudde Irene ontkennend het hoofd. “Ik wilde je vragen om me te helpen met het invullen van deze lijsten.”
“Lijsten?”
“Ja. Ik weet dat Felix er niet aan wil beginnen, maar ik vind ook dat het personeel af en toe eens doorgelicht moet worden.”
De ogen van haar schoonvader lichtten op en hoewel hij zich moeilijk kon bewegen, zat hij meteen rechtop in het ziekenhuisbed. “Vertel, want kan ik voor je doen?”
Irene probeerde haar vreugde om de reactie van haar schoonvader niet te laten zien. Ze wist dat ze hem op deze manier kon paaien. Het enige waar hij naar lag te smachten, was om iets om handen te hebben en een gevoel van verantwoordelijkheid te krijgen.
“Kijk, pa, Felix heeft het veel te druk om op regelmatige basis zijn personeel eens door te lichten. Misschien kun jij die taak van hem overnemen, in ieder geval voor jouw afdeling hier.”
“En wat zal Felix daarvan vinden?” vroeg de oude meneer Landau zich af.
Irene trok het samenzweerderige gezicht dat ze die ochtend nog tot haar eigen jolijt voor de spiegel had staan oefenen. “Hij hoeft het natuurlijk niet te weten. Ik kan hem heel subtiel inlichten over jouw bevindingen. Kijk, ik heb hier lijstjes gemaakt voor het eten, de verzorging, de snelheid waarmee op de bel gereageerd wordt en zo.”
Heinrich Landau nam het papiertje van zijn schoondochter over, maar gooide het even later op bed terwijl hij de ogen tot spleetjes kneep. “Irene, je probeert me toch niet in de maling te nemen?” vroeg hij.
“In de maling nemen? Waarom zou ik?” vroeg Irene zogenaamd stomverbaasd.
“Nou, ik vind het nogal vreemd dat je opeens mijn hulp komt inroepen.”
“Ik geef toe: ik heb al wat klachten gehoord over de manier waarop je het personeel het vuur aan de schenen legt,” zei Irene eerlijk. “Maar opeens dacht ik: we kunnen gewoon iedereen gelukkig maken. Jij hebt iets om handen, het personeel hoeft niets te merken van de doorlichting en Felix krijgt er een uitgebreid verslag voor terug. Zo wint iedereen, toch?”
“Als je het zo bekijkt,” knikte Heinrich.
Irene haalde weer opgelucht adem. Haar plan leek dan toch te slagen.
“Oké, ik zal zien wat ik kan doen,” zei haar schoonvader nog een beetje gewichtig, maar Irene wist dat ze hem voor zich had gewonnen.
“Bedankt,” zei ze ietwat samenzweerderig en even later liep ze glimlachend over de gang in de richting van het kantoor van haar man. Natuurlijk vertelde ze hem niets over haar plan en over haar afspraak met haar vader. Ze zei zelfs niets tegen haar vriendin Anne Maas, die ze toevallig in de gang tegen het lijf liep. Anne leek ook niet in de stemming om geheimpjes van haar vriendin te horen. Ze was vriendelijk, maar duidelijk gehaast en wat afwezig.
“Alles goed?” vroeg Irene bezorgd.
“Alles prima,” knikte Anne. “We spreken snel nog een keer af, oké. Ik moet nu rennen.”
Irene keek haar na terwijl Anne zich naar haar eigen afdeling repte waar ze de politie belde. Amper een kwartier later stapten twee agenten haar kantoor binnen, nog eens een kwartier later gevolgd door het echtpaar Schmidt, de ouders van patiënt 125 die amper zeventien was, Peter Schmidt bleek te heten en een paar weken geleden van huis was weggelopen.
“We zijn zo bang geweest,” huilde zijn moeder. “Kunnen we hem zien?”
“Niet zo snel,” zei agent Schüller, die er nu ook weer bij was. “Eerst moeten we een en ander helder zien te krijgen. Hoe komt het bijvoorbeeld dat er geen aangifte van verdwijning is gedaan als u zo ongerust was over uw zeventienjarige zoon?”
De vrouw begon nerveus me haar handen te spelen. “Omdat we wisten waar hij was,” klonk het toen aarzelend.
Anne keek verbaasd op. “U wist waar hij was?” vroeg ze in plaats van de agent.
“Wij vermoedden dat,” verbeterde haar man, die eigenlijk de stiefvader van Peter bleek te zijn.
“Nee, nee, we wisten zeker dat hij bij mijn ex-man was ingetrokken,” sprak zijn vrouw hem toen weer tegen.
“Oké, oké, laat me een ding duidelijk stellen,” zei de agent. “We willen hier wel de waarheid horen. Een verhaal waar we wat mee kunnen, anders kan van de grote gezinshereniging voorlopig geen sprake zijn.”
“Probeert u ons nu een beetje te bedreigen?” vroeg de stiefvader, die rood aanliep.
“Meneer, wij proberen er gewoon achter te komen wat hier aan de hand is,” nam Anne het weer over. “Wij hebben een zwaargewonde jongeman van de straat opgeraapt. Hij weigerde te praten en dagenlang bleven we in het ongewisse over zijn identiteit. Het zal dus wel duidelijk zijn dat we niet zomaar alles klakkeloos kunnen aannemen van wat u ons vertelt. We zijn voorzichtig in het belang van de patiënt.”
“Natuurlijk, natuurlijk,” zei de moeder van Peter en de agent keek Anne goedkeurend aan.
“Oké, laten we dan bij het begin beginnen,” ging hij verder. “Waarom loopt een jongen van zeventien weg van huis?”
De moeder haalde haar schouders op, keek naar haar man die uit het raam zat te staren en zei niets.
“Er moet een reden zijn,” hield de agent vol.
“Hij is altijd al moeilijk geweest,” zei de stiefvader toen nors.
De vrouw zweeg, maar Anne zag hoe ze nerveus op haar lip beet. “Tieners kunnen inderdaad moeilijk zijn,” probeerde ze zich begrijpend op te stellen, in de hoop zo wat meer aan de weet te komen.
“Bij Peter was het meer dan wat tienerstreken uithalen!” viel de stiefvader uit. “Hij vond het altijd nodig om mij voor schut te zetten. Ik heb hem vaak genoeg gezegd dat hij daar niet zomaar mee weg zou blijven komen. Ik heb vaak genoeg gezegd dat we die jongen strenger moesten aanpakken.”
“Streng aanpakken betekent nog niet dat je hem moest slaan,” kon de moeder nu niet langer haar mond houden.
“U heeft uw stiefzoon dus klappen gegeven,” begreep de agent en hij begon naarstig te schrijven terwijl zijn collega het gesprek nu even overnam.
“Is dat vaak gebeurd? Dat slaan, bedoel ik.”
“Zo vaak als het nodig was,” klonk het nors.
Anne kreeg meteen een hekel aan de man met de grote snor. “Vaak harder dan nodig was,” zei zijn vrouw.
Dat leverde haar meteen een woeste blik van haar echtgenoot op. “Als jij me vroeger wat vaker mijn zin met hem had laten gaan, was het nooit zover hoeven komen,” brieste hij. “Die jongen had behoefte aan leiding en discipline. Zijn vader kon hem die niet geven en jij was er te slap voor. Wat hebben jullie nu gekweekt? Een meelopertje dat voor zijn vriendjes uit stelen gaat en ons zo in de problemen brengt.”
“Heeft uw stiefzoon dingen gestolen?” vroeg de eerste agent, die meteen opkeek van zijn notitieboekje.
“Eerst kleinigheden,” probeerde de moeder het allemaal een beetje te bagatelliseren. “Hij stal wel eens snoep voor vrienden die van thuis geen geld meekregen of hij ontfutselde wat geld aan klasgenootjes die meer dan genoeg hadden.”
“Ach mens, hou er toch mee op!” riep haar man nu. “Hou ermee op van hem te verdedigen en doe je ogen open. Peter is een dief, een afperser en een drugsdealer!”
“Nee! Dat is hij niet. Hij heeft nooit aan de drugs gezeten, dat weet ik zeker.”
“Daarom kan hij ze nog wel verkopen,” meende de agent. “Vanwaar komen die beschuldigingen, meneer?”
“Van de feiten,” zei de man vastberaden. “Kijk, zijn vader is altijd al een klaploper geweest. Hij heeft zijn vrouw en zoon in de steek gelaten toen Peter pas geboren is. Vier jaar later heb ik mijn vrouw leren kennen en ik heb echt geprobeerd om een goede vader te zijn voor dat joch, maar de enige die telde, was zijn ouwe.”
“Hij idealiseerde zijn vader,” knikte de vrouw.
“Wat wel vaker gebeurt bij kinderen die een ouder missen,” nam Anne het voor haar patiënt op. Ze kende Peter amper en toch kon ze zich niet voorstellen dat de jongen een slechte inborst had.
“Zo is dat,” zei de vrouw die haar dankbaar aankeek. “Peter is geen slechte jongen. Hij is gemakkelijk te beïnvloeden, dat wel. Nadat hij bij ons is weggelopen, is hij naar zijn vader gegaan. Ze zijn samen in een kraakpand gaan wonen.”
“Hij vond het duidelijk gezelliger slapen in een koud huis zonder verlichting dan in zijn eigen mooie slaapkamer,” snoof de stiefvader. “Maar goed, ik was blij dat we eindelijk rust hadden. Al die nozems die altijd aan onze deur stonden, ik kan ze missen als de pest.”
“Ik vond het vreselijk dat mijn zoon in zo’n koud, vochtig huis woonde tussen druggebruikers en dronkaards, maar ik wist dat ik hem moest laten doen. Ik moest hem aan den lijve laten ondervinden wat het was om op eigen benen te staan. Het is bijna zijn dood geworden en dat vind ik zo erg.”
De vrouw begon hard te snikken, haar man deed geen enkele poging om haar te troosten. Hij bleef alleen maar uit het raam staan kijken, zijn vuisten gebald alsof hij klaar was voor een aanval.
“Ik denk dat we nu het beste even bij Peter kunnen gaan kijken,” zei Anne terwijl ze al opstond van haar stoel. “Alleen hij kan ons vertellen wat er allemaal gebeurd is en alleen zo komen we verder.”
“Lijkt me inderdaad een goed idee,” zei de agent, die alsmaar aardiger voor haar werd.
“Ja, mij ook,” kwam de stiefvader nu weer in beweging. “Ik zal hem eens precies gaan zeggen wat ik van dit hele gedoe vind en ik zal hem duidelijk maken dat het de laatste keer is dat hij zijn moeder zo in angst heeft laten zitten, anders krijgt hij met mij te doen.” Hij stak zijn vuist op.
Anne ging zonder aarzelen voor hem staan. “Het lijkt me beter dat u niet meegaat, meneer,” zei ze, zich niets aantrekkend van de agenten die nog achter haar stonden. “Wat we nu kunnen missen is ruzie. Peter is zo bang voor iemand dat hij ons de waarheid nog altijd niet heeft durven vertellen. Alleen met veel geduld en begrip kunnen we hem aan het praten krijgen.”
“Oh, maar wees gerust, ik heb zo mijn eigen manier om hem aan het praten te krijgen,” snauwde de man en hij kwam nu heel dicht bij Anne staan.
De agent was meteen bij hem. “Meneer, de dokter heeft gelijk. U blijft hier, mijn collega zal u gezelschap houden. Dit is niet het moment om familieruzies uit te vechten of oude frustraties naar boven te laten komen.”
“Ik word het er dus maar weer eens buiten gehouden,” brieste de man. “Ik heb die jongen mogen opvoeden, voor hem mogen werken, maar als het belangrijk wordt, dan moet ik een stap opzijzetten.”
“Ik wens hier niet over in discussie te gaan,” zei de agent. “U heeft de keuze om rustig hier te blijven wachten of anders even mee naar ons bureau te gaan.”
De man keek de agent een paar tellen dreigend aan, leek hem een klap te willen verkopen, maar bedacht zich toen toch. Hij liet zich op de stoel vallen vanwaar zijn vrouw net was opgestaan en zei: “Oké, lossen jullie het dan maar op, mij best. Ik heb het toch helemaal gehad met dat joch.”
Anne stond erbij te kijken terwijl moeder Gerda haar zoon Peter omhelsde. Hij leek totaal onaangedaan, maar Anne zag toch hoe zijn ogen vochtig werden. Hij probeerde zich zo snel mogelijk uit de omhelzing los te maken en zichzelf weer een houding te geven.
“Jongen, toch,” zei Gerda. “Ik ben zo bang geweest.”
Peter antwoordde niet. Hij richtte zijn blik weer naar buiten en probeerde iedereen in de kamer compleet te negeren.
“Ik wilde je de kans geven om op eigen benen te staan,” ging Gerda verder. “Maar ik wist dat het mis zou gaan bij je vader. Ik wist dat je daar niet op je plaats zat. Ik hoopte alleen dat je dat snel in zou zien en weer naar huis zou komen. Ik was ervan overtuigd dat het zo zou gebeuren. Een paar keer ben ik tot bij het kraakpand gekomen, in de hoop je daar te zien, maar ik durfde nooit naar binnen te gaan. Rudolf zou ook razend geweest zijn als ik dat had gedaan. Je weet hoe hij is.”
Nu keek Peter wel opzij. “Ik weet hoe hij is,” antwoordde hij zacht, maar met een stem die duidelijk een mengeling van haat en angst uitstraalde.
“Misschien is het beter als we jullie even alleen laten,” zei Anne, terwijl ze zacht de schouder van Gerda aanraakte. “Probeer open en eerlijk met elkaar te praten, het zal jullie allebei goeddoen.”
Ze keek naar de agent die nog in de kamer stond. Hij had geen woord gesproken tot nog toe, maar leek nu niet bereid om een stap opzij te zetten.
“Ik vind dit geen goed idee, dokter,” zei hij terwijl hij Anne even opzij nam.
“Ik wel,” hield Anne fluisterend vol.
“We moeten hier wel aan de weet komen wat er is gebeurd,” schudde de agent het hoofd.
“Precies en dat kan alleen als we moeder en zoon eerlijk met elkaar laten praten,” meende Anne. “Aan haar zal hij dingen vertellen die wij van hem anders nooit te weten zouden komen.”
“Denk je?” De agent twijfelde.
“Geloof me,” zei Anne.
De agent keek haar even aan, haalde toen de schouders op en zei: “Goed dan. We staan hier net buiten de kamer.”
De moeder van Peter knikte dankbaar en samen met agent Schüller verliet Anne de ziekenhuiskamer.
Ze hoorden dus niet hoe de moeder van Peter plots begon te snikken. “Ik weet maar al te goed waarom je thuis bent weggegaan, jongen,” snufte ze. “Rudolf kan heel hard voor je zijn, maar hij bedoelt het altijd goed.”
Het hoofd van haar zoon schoot omhoog. Hij keek haar recht in de ogen met een vurige blik. “Oh ja, leg dat dan eindelijk eens uit, want dat deel van het verhaal heb ik nooit zo goed begrepen.”
“Rudolf is thuis met de harde hand opgevoed, jongen. Hij kent geen andere opvoeding en is ervan overtuigd dat die van hem de beste is.”
“Mooie overtuiging!”
“Ik weet dat het voor jou niet gemakkelijk was.”
“Als je dat dan zo goed weet, waarom ben je dan nooit in opstand gekomen? Waarom heb je die man van jou dan altijd gesteund?”
Gerda kromp in elkaar bij die harde woorden van haar zoon, maar nadat ze even had nagedacht, rechtte ze haar rug en keek Peter recht in de ogen. Als een andere vrouw zei ze opeens met klem: “Ik had weg kunnen gaan, ja. Ik had met jou kunnen vertrekken en dan? Waar waren we dan terecht gekomen? Je vader had ons in de steek gelaten, ik kon niet voor je zorgen zonder enige hulp van buitenaf. Ik heb altijd hard gewerkt, maar ik heb heel veel van mijn zuurverdiende geld moeten afgeven om je vaders schulden te betalen. Dat heb ik je allemaal willen besparen door bij Rudolf te blijven, Peter. Hij is dan misschien geen ideale opvoeder, hij zorgde er wel voor dat we een dak boven ons hoofd hadden.”
“En daar moeten we hem eeuwig dankbaar voor blijven of wat? Heeft hij in ruil niet al die jaren gebruik kunnen maken van je diensten als huishoudster, kok en stoeipoes, ma?”
“Peter, let op je woorden!”
Peter begon hoog te lachen. “Ik ben allang geen onschuldig kind meer, ma. Ik weet wat er in de wereld te koop is en ik weet dat Rudolf ook voor jou nooit de ideale man is geweest. Alles moest gaan hoe en wanneer hij dat wilde. Jij maakte het eten klaar dat hij wilde eten op het uur dat hij dat besliste en je lag voor hem klaar in bed wanneer hij daar zin in had.”
“Peter!”
Haar zoon was echter niet meer te stuiten. “Ik kon dat allemaal niet langer aan, ma. Ik was het beu om voor die man te moeten knikken en buigen alleen maar omdat hij financieel voor ons zorgde. Er is meer in het leven dan dat. Oké, mijn vader is een klaploper die op materieel vlak nooit voor ons gezorgd heeft, maar de tijd dat ik bij hem was, heeft hij me wel liefde gegeven.”
“Oh ja? En waar is hij dan nu? Waar is die vader van jou die je zoveel heeft gegeven? Waarom komt hij je niet eens bezoeken? Waarom was hij te beroerd om mij in te lichten over het feit dat je bij hem vertrokken was en dat hij al dagen niets meer van je had gehoord?”
Peter keek weer even naar buiten, beet op zijn lip en aarzelde, maar toen zei hij met trillende stem: “Mijn vader is dood. Ik weet niet waar zijn lijk is, maar ik weet wel dat hij dood is. Zijn drugsvriendjes hebben hem aan zijn einde geholpen. Ze hebben hem een overdosis toegediend terwijl ze mij in bedwang hielden. Ik heb niks kunnen doen om hem te helpen, niks. Weet je waarom ze dat gedaan hebben? Voor het geld natuurlijk. Voor dat dierbare geld waarvoor mensen kennelijk bereid zijn om alles te doen in het leven.” Hij keek haar verwijtend aan.
Haar mond was opengevallen van schrik, haar handen beefden. “Dood,” prevelde ze. “Is Richard dood?”
“Ja, ma, dood! Daarom heeft hij je niet gewaarschuwd en daarom ben ik gaan lopen. Ze wilden mij als getuige van de moord uit de weg ruimen en ze dachten dat hen dat gelukt was toen ze me tegen die muur aansloegen en bewusteloos achterlieten in die steeg. Ze waren er vast van overtuigd dat niemand me daar zou vinden voor het te laat was. Om alles nog wat te bemoeilijken, hebben ze al mijn identiteitspapieren ook afgepakt.”
“Oh, jongen, ik had geen idee…”
“Nee, natuurlijk had je geen idee. Het enige wat jou interesseert, is de mening van die man van je die denkt dat hij alle wijsheid in pacht heeft.”
“Rudolf kan hier niks aan doen.”
“Nee, en als hij dat wel had gekund, zou hij geen hand hebben uitgestoken.”
Gerda liep op haar zoon toe en sloeg haar armen om hem heen. “Ik hou van je, jongen,” zei ze. “Dat weet je.”
“Dokter Maas, mocht je ooit van werk willen veranderen, in ons team is altijd wel ruimte voor een intelligente vrouw met een flinke dosis mensenkennis.” De agent met wie ze het in het begin absoluut niet had kunnen vinden, schudde Anne nu kameraadschappelijk de hand. “Onze hardere aanpak zou hier vast niet gewerkt hebben. Dankzij dat openhartige gesprek tussen moeder en zoon kennen we nu het hele verhaal en konden we de twee mannen oppakken die al zo lang op ons lijstje stonden. We hadden nooit harde bewijzen tegen hen en moesten hen telkens laten gaan voor alle drugs- en zedendelicten waar we hen schuldig aan achtten. Nu Peter als getuige naar voren komt, zullen er hopelijk nog meer mensen zijn voorbeeld volgen en zo niet, hebben we toch al genoeg bewijzen tegen hen om hen een hele tijd achter de tralies te zetten.”
“Ik ben blij dat ik heb kunnen helpen,” zei Anne. “Is er nu al een spoor van Peters vader trouwens?”
“We hebben gisteren zijn lijk uit het kanaal gehaald,” knikte de agent. “Hij was kilometers ver afgedreven en toen kennelijk ergens achter een paar struiken blijven hangen.”
“Het is goed voor Peter dat hij nu tenminste zekerheid heeft over het lot van zijn vader.”
“Het is goed voor Peter dat hij eerlijk is gaan praten,” voegde de agent aan haar woorden toe. “Hij zal gestraft moeten worden voor diefstal en dealen, maar er zijn verzachtende omstandigheden en dat zal hem helpen als zijn strafmaat straks wordt bepaald.”
“Hij is geen slechte jongen,” zei Anne.
“Dat denk ik ook niet, maar hij heeft natuurlijk wel dingen gedaan waarvoor we hem natuurlijk niet zomaar kunnen laten gaan.”
“Uiteraard.” Anne keek op haar klok. Haar dienst zat er bijna op en dat was niets te vroeg. Het was druk geweest vandaag en ze was moe. “Als je me nu wilt excuseren,” zei ze dan ook tegen agent Schüller. “Het is tijd voor mijn dienstoverdracht.”
De agent keek haar even aarzelend aan, maar raapte toen alle moed bijeen om haar te vragen: “Heb je misschien zin in een etentje met mij vanavond?”
De vraag verraste Anne. Ze keek even aarzelend, maar kwam toen snel tot zichzelf. “Bedankt voor het aanbod, maar liever niet.”
“Gewoon iets drinken dan?”
“Ook liever niet. Ik ben moe. Ik ga straks thuis iets eten en dan op de bank liggen. Het enige wat ik nog doe vanavond, is bellen met mijn vriend die voor het werk in Canada zit.”
“Zo.” Er trok een duidelijke schaduw van ontgoocheling over het gezicht van de agent. “Dan wens ik je nog een fijne, rustige avond,” zei hij, draaide zich om en liep weg met de fiere houding die zo eigen aan hem was.
Anne wist dat ze hem teleurgesteld had, maar het was haar gewoonte niet om mensen aan het lijntje te houden en het was al helemaal haar gewoonte niet om te flirten met andere mannen. Ze voelde al langer dat agent Schüller wel een oogje op haar had en ze was blij dat ze hem nu eindelijk had kunnen duidelijk maken dat hij op dat vlak geen hoop mocht koesteren.
Voor ze aan haar dienstoverdracht toe kwam, moest Anne nog een patiënt verzorgen met betrekkelijk zware brandwonden die hij op het werk had opgelopen. Zoals altijd ging ze zo op in haar werk dat de vermoeidheid helemaal uit haar lichaam leek weg te trekken, maar toch was ze blij dat ze na die interventie eindelijk huiswaarts mocht vertrekken.
Al snel begreep ze echter dat ze daar nog niet meteen aan ontspanning toe zou komen. Ze vond er Mientje immers mokkend op de bank. Een beeld dat totaal niet strookte met de anders altijd zo ijverige Mientje.
“Is er iets?” vroeg Anne dan ook nadat ze een hele lauwe begroeting had gekregen.
“Misschien kan ik dat beter aan jou vragen,” viel Mientje tot haar schrik meteen uit.
“Pardon?”
“Welja, ik vroeg Victor daarstraks of hij me vanavond thuis kwam ophalen voor een avondje uit, maar hij wil hier liever niet meer komen.”
“Hoezo niet?”
“Kom op, Anne, hou je niet van de domme! Je bent gisteren niet bepaald aardig tegen hem geweest.”
“Niet bepaald aardig?” antwoordde Anne geschrokken. “Sorry hoor, Mientje. Hij was wel degene die het nodig vond om mij regelmatig te schofferen.”
“Victor is alleen maar bezorgd om mij. Hij vindt dat ik te hard werk.”
“En dat geloof je zelf?”
“Dat ik te hard werk?”
“Nee, dat hij alleen maar bezorgd is om jou.”
“Waarom zou ik dat niet geloven?”
Anne ging zitten en legde een hand op Mientjes arm. “Luister, Mientje, het laatste wat ik wil is ruziemaken met jou. Ik geef toe dat ik het heel moeilijk zou vinden, mocht je ooit besluiten om hier weg te gaan, maar dat betekent niet dat ik zo kinderachtig zou zijn om je tegen te houden.”
Mientje kreeg het zichtbaar moeilijk. “Dat heb ik ook altijd gedacht,” zei ze. “Ik heb ook altijd gedacht dat jij het goed met me meende, Anne.”
“Sorry, Max, het is echt niet het moment om hier weg te gaan,” zei Anne tegen haar vriend. Het was nu al meer dan een week geleden dat ze die fikse woordenwisseling met Mientje had gehad over Victor en nog lag de stemming thuis diep onder het nulpunt.
“Ik heb wel eens vaker een meningsverschil gehad met Mientje,” vertrouwde ze haar vriend toe. “Maar dit keer is het wel behoorlijk menens. Mientje ziet alles alleen nog maar door de ogen van die Victor. Ze blijft bij hoog en bij laag beweren dat er niets meer is tussen hen dan gewone vriendschap, maar als dat al zo is, dan weet ik toch zeker dat hij op meer uit is dan dat. Ik vertrouw die kerel niet, Max, dat heb ik je al vaker gezegd.”
“Waar zou hij dan op uit zijn?” vroeg Max zich af.
“Geen idee, maar ik weet zeker dat hij dingen achterhoudt voor haar. Neem nu zijn dochter. Die is hier al meer dan een week en Mientje heeft haar nog altijd niet ontmoet, hoewel hij blijft zeggen dat hij hen zo graag aan elkaar voor wil stellen. Altijd is er wel iets: of zijn dochter voelt zich niet lekker, of ze heeft op het laatste nippertje een andere afspraak, altijd moet Mientje wijken.”
“Misschien is Victor wel bang om hen aan elkaar voor te stellen,” dacht Max. “Misschien reageert zijn dochter precies zo op Mientje als jij op hem.”
“Oh, je vindt dus dat ik onredelijk ben?”
“Dat heb ik niet gezegd, maar ik zeg je wel dat je het Mientje niet gemakkelijk maakt.”
“Dat is ook niet mijn bedoeling,” gaf Anne toe. “Ik wil er zeker van zijn dat Mientje niet optrekt met een man die haar niet waard is. Is dat zo verkeerd van mij?”
“Dat is niet verkeerd van jou, schat, maar je mag je niet bemoeien met het leven van Mientje. Stel je eens voor dat ze tegen jou zou zeggen dat ik niet deug. Hoe zou jij reageren?”
“Ik zou haar zeggen dat ze zich vergist.”
“Precies.”
“Maar, Max…”
“Anne, neem het nou van me aan: je doet er beter aan Mientje zelf te laten ondervinden hoe Victor in elkaar zit. Misschien heb je gelijk, maar dan nog zal je pleidooi niet werken.”
“Och ja, waarschijnlijk heb je gelijk,” zuchtte Anne.
“Fijn dat je het inziet. Ik moet nu op gaan hangen, ik heb het hier druk.”
“Oké, schat, sorry dat ik je moest ontgoochelen, maar ik kan hier nu echt niet weg.”
“Je ziet maar,” zei Max.
Terwijl Anne de hoorn neerlegde, had ze het idee dat ze nu twee mensen waar ze van hield ontgoocheld had. Mientje omdat ze niet zo weg was van Victor als die had gehoopt en Max omdat ze hem niet zou komen opzoeken.
Zuchtend liet ze haar hoofd op de rand van de bank zakken en zo viel ze uiteindelijk in slaap. Ze werd pas weer wakker toen Mientje voorzichtig aan haar schouder schudde.
“Anne, Anne, wakker worden, het is middernacht geweest. Hoelang lig je hier al? Straks vat je nog kou of krijg je een stijve nek.”
“Uh.” Anne had even tijd nodig om bij te komen, maar toen ze eenmaal weer wakker was en Mientje eens goed bekeek, zag ze dat er een zorgelijke blik in diens ogen lag. De opgewektheid van de voorbije weken sinds Victor terug in haar leven was gekomen, was er niet meer. Was dat haar fout?
“Mientje, ik wil me bij je verontschuldigen,” begon ze dan ook. “Het is nooit mijn bedoeling geweest om jou je geluk niet te gunnen. Ik zou het vreselijk vinden als jij hier wegging, maar ik wil in de eerste plaats dat je doet wat je gelukkig maakt en als Victor je gelukkig maakt, dan moet je voor hem kiezen.”
“Anne, heb ik je niet vanaf het begin gezegd dat Victor en ik geen relatie hebben?” vroeg Mientje. “Hij zou het wel gewild hebben, maar voor mij is het nooit verder gegaan dan vriendschap. Er was altijd iets wat me ervan weerhield om verder te gaan dan dat. Er was een stemmetje dat me voor hem waarschuwde. Hij was immers al een keer halsoverkop van me weggelopen. Dat stemmetje, dat zei de dingen die jij ook al de hele tijd tegen me zei en daarom had ik het er zo moeilijk mee. Victor is niet zuiver op de graat, dat is hij nooit geweest.”
“Waarom zeg je dat nu?”
“Omdat de vriendschap over is, Anne. Ik ben met zijn dochter gaan praten. Ik voelde dat hij haar en mij opzettelijk bij elkaar weghield. Ik dacht dat hij bang was voor de reactie van zijn dochter en ik wilde haar vertellen dat ik haar vader alleen als een goede vriend beschouwde. Ik wilde niet dat ze dacht dat ik van plan was om de plaats van haar moeder in te nemen. Wel, ik heb dus zelf een afspraak met haar gemaakt en wat bleek? De vrouw van Victor is helemaal niet dood! Hij heeft haar na al die jaren huwelijk gewoon in de steek gelaten en het is niet de eerste keer dat hij dat doet…”
“Wat zeg je nou?”
“Hij is al vaker weggegaan, naar andere vrouwen.”
“Heb je hem geconfronteerd met wat je weet?”
“Absoluut en zijn reactie was nog ontstellender dan mijn ontdekkingen. Hij leek er niet koud of warm van te worden toen ik hem vertelde wat ik te weten was gekomen. Hij vroeg zich hardop af wat dat toch was met vrouwen dat ze altijd probeerden om mannen te veranderen. Mannen zijn jagers zei hij, of ze nu twintig zijn of zestig. Af en toe wordt de behoefte naar de jacht zo groot dat ze eraan toe moeten geven.”
“Wat een engerd.”
“Precies, een echte engerd, eentje die mij als een jachttrofee bekeek.”
“Hij was dus helemaal niet van plan om hier een huis te zoeken en zich hier te settelen?”
“Dat weet ik niet. Ik weet alleen dat zijn dochter hierheen is gekomen om hem tot inkeer te brengen. Iets wat ze vroeger ook al een paar keer heeft moeten doen.”
“Wat is hij van plan?”
“Hij vertrekt morgen weer naar Engeland en dat is maar goed ook, opgeruimd staat netjes. Ik wil hem niet meer horen of zien. Victor is voltooid verleden tijd voor mij!”
“Oh, Mientje, het spijt me zo voor jou. Je hebt zulke mooie avonden beleefd.”
“Dat is absoluut zo, maar ik kijk liever alleen tv dan nog een avond door te brengen met een man die me allerlei leugens op de mouw speldt. Weet je wat ik trouwens gemist heb?”
“Nee.”
De huishoudster rechtte haar rug en had weer diezelfde, zachte blik in haar ogen die Anne altijd van haar gekend had. “Ik heb het gemist om jou in de watten te leggen. Ik heb je verwaarloosd.”
“Ben je gek? Dat heb je helemaal niet gedaan!”
“Toch wel en ik duld geen tegenspraak.”
“Oeps, ik was even vergeten dat je ook best heel scherp uit de hoek kan komen.”
“Als je dat maar weet. Zo ga ik je over een paar minuten opdragen om de beker warme melk op te drinken die ik voor je klaar ga maken en naar bed te gaan. Als ik me niet vergis, heb je morgen weer een drukke werkdag voor de boeg. Trouwens, heb je al met Max afgesproken wanneer je hem gaat bezoeken?”
“Max bezoeken? Hoe weet je dat ik dat van plan was?”
“Dat weet ik gewoon,” zei Mientje mysterieus.
“Nee, ik heb hem gezegd dat ik niet kom, omdat ik er wilde zijn voor jou.”
“Nergens voor nodig!” zei Mientje nadrukkelijk. “Ik heb alles weer helemaal onder controle. Ik heb me even laten gaan, maar de oude Mientje is terug!”
“Weet je zeker dat je het niet erg vindt als ik binnenkort een weekje naar Canada vertrek?”
“Ik weet zeker dat ik het heel jammer zou vinden als je dat niet deed.”
Anne lachte breed. “Mientje, je bent een schat!” zei ze en een half uur later lag ze onder haar eigen donzen dekbed en viel ze voor het eerst in weken weer met een zorgeloos gevoel in een diepe slaap.
“Nou, Anne, dan wensen wij je een hele mooie reis naar Canada en doe Max vooral heel veel groeten van ons,” zei Felix Landau. Hij had net zijn vrouw Irene in haar jas geholpen en ze stonden klaar om weer naar hun eigen huis te vertrekken nadat ze een gezellige avond bij Anne en Mientje hadden doorgebracht.
Mientje had haar eigen kookkunsten overtroffen met een heerlijk visgerecht met champagnesaus en het hele gezelschap had genoten van een gezellige, warme winteravond.
“Ik zal hem die groeten zeker overmaken en nogmaals bedankt omdat ik die week vrijaf van je kon krijgen, Felix,” zei Anne.
“Als jij geen week vrijaf verdient, dan weet ik niet wie wel,” gaf haar chef lachend aan.
“Zeker niet de zusters die door je vader onder de loep zijn genomen!” lachte zijn vrouw nu ook.
“Ik blijf het een hilarisch verhaal vinden hoe je die arme Heinrich om de tuin hebt geleid,” lachte Anne met hen mee. “Hij heeft er dus nog altijd geen idee van dat die lijsten, die je hem gegeven hebt, alleen maar dienden om hem wat bezig te houden?”
“Nee, hij heeft er niet het minste idee van,” schudde Irene het hoofd. “Hij is zo trots als een pauw, omdat hij een paar belangrijke pijnpunten heeft weten bloot te leggen.”
“Nou, nou, zo onbruikbaar zijn zijn opmerkingen niet,” nam Felix het toen onverwacht voor zijn vader op. “Eerst was ik razend op hem, omdat hij zo tekeerging op zijn afdeling, maar nu ik al zijn opmerkingen op papier heb zien staan, moet ik toegeven dat hij vaak spijkers met koppen slaat. Alles wat hij aanhaalt, daar heb ik al minstens een paar keer klachten van andere patiënten over gekregen. We moeten daar dus eens ernstig naar kijken. Het eten lijkt bij ons de laatste tijd bijvoorbeeld echt wel te wensen over te laten en ik speel met het idee om het voorstel van mijn vader te volgen en inderdaad opnieuw een eigen kok in dienst te nemen. Dat zal ons iets duurder uitkomen, maar het zal onze reputatie ten goede komen. Het is niet omdat mensen ziek zijn dat ze niet lekker mogen eten!”
Irene keek haar man verbaasd aan. “Hoor ik dat nou goed? Ben je het eens met je vader?”
“Ik ben het heel vaak eens met mijn vader,” zei Felix. “Ik zal hem dat alleen niet zo vaak eerlijk vertellen.”
“Nee, die trots heb je ook duidelijk van hem geërfd,” merkte Irene lachend op.
Felix trok zijn vrouw dicht naar zich toe. “Ik ben vooral trots op het feit dat ik erin geslaagd ben om zo’n geweldige vrouw voor mij te winnen,” zei hij. “Je hebt dat geweldig aangepakt met papa. Als jij niet met dat idee van die lijsten was gekomen, was hij nu vast nog altijd bezig met het uitfoeteren van het personeel en dan was ik ondertussen al woedend op hem geweest. Nu is er tenminste iets constructiefs gebeurd met zijn ziekenhuisverblijf.”
“Heel goed,” knikte Anne. “Moet hij trouwens nog lang blijven?”
“Ik denk dat we hem volgende week kunnen ontslaan,” zei Felix. “Natuurlijk kan hij zich dan nog niet alleen thuis redden, maar dan trekt hij voor een tijdje bij ons in. Dat heeft twee voordelen: hij is niet alleen en Irene kan nu eens aan den lijve ondervinden hoe het is om door Heinrich Landau in de gaten te worden gehouden. Ik hoop voor haar dat hij haar kookkunsten waardeert en dat ze snel genoeg op zijn oproepen reageert, want anders zou ze wel eens moeilijke tijden tegemoet kunnen gaan! Mijn vader is behoorlijk kritisch!”
Irene Landau maakte zich los uit de armen van haar man. “Wat?!” riep ze. “Is het je daarom te doen? Schandelijk, Felix Landau, echt schandelijk!”
“Boontje komt om zijn loontje,” probeerde Felix Landau ernstig te blijven, maar terwijl zijn vrouw hem speels op de arm tikte, barstte hij opnieuw in lachen uit.
Lachend zwaaiden Mientje en Anne het echtpaar Landau even later uit en innig gearmd keken ze de auto na.
Over TWEE WEKEN, in DOKTER ANNE MAAS nr. 912, brengt Annes werk haar weer in ongewone en dramatische situaties. Natuurlijk staat haar taak als trauma-arts voorop, maar ze neemt er geen genoegen mee om alleen eerste hulp te verlenen. Als ze haar patiënten ook op andere gebieden kan helpen, zal ze dat zeker doen.
Ook voor DOKTER ANNE MAAS nr. 912 hebben we weer twee complete romans voor u geselecteerd, die u beslist weer van de eerste tot de laatste bladzijde zullen boeien. Haal de nieuwe uitgave van deze populaire Favoriet-reeks over TWEE WEKEN bij uw tijdschriftenhandelaar, de kiosk, het warenhuis of uw supermarkt.