Gevaar op de weg
Ongelijke behandeling
Robert Page
Even had Anne gedacht dat haar ongeluk een boze droom was geweest. Op de parkeerplaats had ze echter haar gedeukte achterbumper gezien. Dit weekend zou ze haar auto laten maken.
Ze wachtte tot het rustig werd op de gang waar Karls kamer was. Karl, de man die gewoon was doorgereden nadat hij haar had aangereden! Ze sloop erheen en liep er zo nonchalant mogelijk langs. De deur stond open. Anne gluurde naar binnen. Karls stem klonk rustig en vriendelijk; hij bedankte Edith voor het brengen van zijn thee.
Anne beet op haar onderlip en liep snel door.
Het word steeds drukker op de weg, dacht Anne Maas op deze nevelige dinsdagochtend toen ze op weg was naar de Landau-kliniek. Zeker tijdens de ochtendspits waren de wegen overbevolkt. Een lange rij traag rijdende wagens reed over de tweebaansweg naar zijn bestemming. Pas nadat Anne de afslag had genomen die haar naar het gedeelte bracht waar de kliniek lag, werd het wat rustiger op de weg. Toen ze opnieuw afsloeg en in een rustige wijk belandde, moest ze zowaar in haar eentje voor het verkeerslicht wachten. Dat duurde echter niet lang. In haar achteruitkijkspiegel zag ze een aantal auto’s naderen die zich achter haar zouden voegen. Intussen luisterde ze naar de radio en gluurde nog maar eens in haar spiegel. Ze zag een zwarte Mercedes over de weg scheuren. Hij haalde de auto’s in die voor hem reden. De Mercedes reed zo snel dat Anne zich afvroeg of hij op tijd kon stoppen. Misschien hoopte de bestuurder dat het licht tijdig op groen zou springen. Of het kon hem gewoon niet schelen. De Mercedes vloog als een duistere schim langs de andere auto’s. Pas op dat moment scheen de bestuurder te beseffen dat hij alsnog moest stoppen, want het licht stond nog op rood. Naast Anne was het licht op groen gesprongen, de Mercedes kon zich onmogelijk tussen de optrekkende auto’s op de andere baan wringen. In een reflex keek Anne om. Ze zag het duistere gevaarte razendsnel op haar afkomen.
Het gebeurde heel snel: de koplampen die haar auto naderden, het piepende geluid van de remmen. Ze wist dat hij haar niet meer kon ontwijken, dat zijn remweg te kort was, dus bereidde ze zich voor op de klap. Te laat.
Het geluid van metaal op metaal. Anne voelde de klap goed. Ze schoot vooruit. Het was alsof iemand haar met een zwaar voorwerp een klap in haar rug gaf. Daarna de slag in haar nek. Ze schoot voorover en voelde de veiligheidsgordel tegen haar ribben. Ze had haar handen al op het stuur gehouden. Blijkbaar was de klap niet hard genoeg om de airbag in te schakelen. Ze slaakte een kreetje en veerde terug in haar stoel.
De pijnscheut in haar nek liet haar duizelen. Ze boog weer voorover. Het was stil buiten, angstaanjagend stil. Tenminste, zo leek het. In een flits zag ze dat het licht nog altijd op rood stond. Zo lang al? Alsof dat rode oog, schuin boven haar, niet alleen haar, maar ook de snelheidsmaniak wilde stoppen, en iedereen die erachter wachtte.
Ineens sprong het op groen, alsof het knipoogde.
Het zachte brommen van de wachtende auto’s achter haar drong ineens tot haar door. En ook de driftige bewegingen van de wielen van de Mercedes. Met grote ogen keek Anne in haar spiegel hoe de Mercedes opzij draaide, zich tussen haar auto en die van zijn achterligger uit wurmde, bijdraaide en binnen drie seconden zijn weg vervolgde. In een wolk van uitlaatgassen ging hij ervandoor. Anne keek met grote ogen de donkere achterkant na, totdat de auto om de bocht verdween.
Ze zat in haar stoel gedrukt. Een paar keer zuchtte ze. Het was alsof de wereld om haar heen stilstond. Ook de auto’s naast haar. Maar achter haar begonnen er een paar luid te claxonneren. Ze staarde door de voorruit omhoog. Natuurlijk, het licht was groen. Ze moest doorrijden. Alsof er niets aan de hand was. Alsof die zwarte snelheidsduivel haar niet had geraakt.
Het zachte ochtendlicht kwam haar vreemd voor. De bomen langs de kant van de weg leken op die uit een droom. Ze werd zich weer bewust van haar veiligheidsgordel. En de pijn in haar nek.
Ze schrok omdat iemand op haar raampje klopte. Ze keek opzij, dacht even na en opende toen haar raampje moest. Koele lucht drong haar auto binnen. Een oude man met grijs haar en een verweerd gezicht vroeg hoe het met haar ging. Zijn zachte stem drong nauwelijks tot haar door. Wel het ongeduldige brommen en getoeter van de wachtende auto’s.
Nogmaals vroeg de man hoe het met haar ging.
Het enige wat ze kon doen, was knikken. De man liep terug naar zijn auto. Inmiddels deed het getoeter pijn aan haar oren. Ze sloot het raampje.
Het verkeerslicht stond inmiddels weer op rood. Ze moest weer wachten. Dat was maar goed ook, want het leek of ze geen gevoel meer in haar armen en benen had. Toen ze weer door mocht rijden, kon ze toch gelukkig het gaspedaal intrappen. Haar handen trilden aan het stuur. Zonder erbij na te denken vervolgde ze haar weg. Ze had moeite haar hoofd te bewegen. Haar auto reed nog, alsof het ongeluk een boze droom was en geen werkelijkheid. Die Mercedes was er ook razendsnel vandoor gegaan, dus dan zou de schade wel meevallen. Hoe ernstig had hij haar eigenlijk geraakt? Twee minuten later zette ze haar auto aan de kant.
Het was zo gek, ze was eraan gewend om de gevolgen van ongelukken te zien. Regelmatig haalde ze met de ambulance verkeersslachtoffers op. Ze had honderden autowrakken gezien, motoren die in tweeën waren gebroken, scooters waarvan alleen een hoop schroot was achtergebleven. Ze was erbij geweest en had toegekeken hoe slachtoffers uit de wrakken werden gezaagd; een enkele keer had ze haar blik afgewend.
Nu was zij zelf het slachtoffer van een verkeersongeval. Het was geen zwaar ongeluk. In deze rustige straat had ze net de schade opgenomen. De achterbumper was beschadigd en er zat een flinke deuk boven haar linkerachterlicht, maar dat was te herstellen. Haar rug deed geen pijn meer, ze voelde alleen nog een vage druk in haar nek.
Ze liet zich in haar stoel vallen, terwijl haar auto onverstoorbaar bromde, alsof er niets was voorgevallen. Ze sloot haar ogen en probeerde rustig na te denken.
Ze had het gevoel dat haar hele dag kapot was door dat stomme ongeluk. Nu ze erover nadacht, vond ze het onbeschoft dat die vent was doorgereden. Als het een man was. Ze had geen glimp van hem of haar opgevangen. Wie reed er nou door na een ongeval te hebben veroorzaakt! Onbeschoft? Het was ronduit misdadig! Waarom had die persoon zo’n haast om door te rijden?
Was er alcohol in het spel? Drugs? Op dit tijdstip?
Uit ervaring wist ze dat het niet onmogelijk was.
Haar handen begonnen weer te trillen. Ze ademde diep in. Haar blik viel op de digitale klok op het dashboard. Had ze al zoveel tijd verloren?
Ze moest snel door naar haar werk. In de Landau-kliniek wachtten ze op haar. Maar eerst moest ze de politie bellen!
“Goeiemorgen, Anne. Je bent laat vandaag,” begroette receptioniste Margit Boller haar. “Stond er weer eens een file?”
Anne keek haar wezenloos aan en liep door. Ze merkte niet dat Margit haar bezorgd nastaarde. Voor de lift liep ze bijna tegen Felix aan. Ook hij begroette haar vriendelijk. Toen ze echter niet antwoordde, bleef hij haar aankijken.
“Anne, wat is er met jou aan de hand? Ben je ziek? Je ziet zo bleek.”
Ze schudde haar hoofd en toen de liftdeuren zich voor haar openden, wilde ze in de lift stappen, maar Felix hield haar tegen.
“Wat is er, Anne?” drong hij aan. Zijn stem klonk zowel streng als vaderlijk.
Opnieuw schudde ze haar hoofd en ze keek toe hoe de liftdeuren zich sloten.
“Het is niets,” zei ze zacht.
“Het is niets?” herhaalde hij. “Dat zie ik aan je. Je ziet asgrauw!”
Ze slikte.
“Is er net iets gebeurd?” drong hij aan.
Ze draaide zich half om en staarde naar buiten. Daar was het inmiddels net zo mistig als in haar hoofd. Alsof die nevel steeds dichter naar haar toe sloop. Opnieuw slikte ze en toen ze Felix’ strenge blik op zich gericht voelde, vertelde ze hakkelend wat er onderweg was gebeurd. Voordat ze was uitgesproken, onderbrak hij haar.
“Dat is toch niet normaal!” barstte hij los. “Voor het stoplicht aangereden. Het moet toch niet gekker worden! En die gek is er ook nog eens vandoor!” Hij liep rood aan. “Waarom heb je mij niet meteen gebeld? En de politie, heb je hen al gebeld?”
Ze knikte.
“Ben je al bij hen langs geweest? Ze willen natuurlijk een getuigenverklaring, zodat ze die crimineel kunnen oppakken.”
“Nee, dat doe ik wel tijdens mijn pauze.”
“Waarom? Dat had je meteen moeten doen. Dat is belangrijk, ook voor je verzekering.”
“Het valt wel mee, het is vooral de schrik. Ik breng mijn wagen wel naar de garage.”
“Anne, je bent aangereden!” Hij klonk nu vooral verbaasd. “Besef je dat wel? Ik vind dat je er wel erg makkelijk over denkt. In dit geval gaat jouw belang boven dat van je werk. Hoe is het met je? Je zei dat je last had van je rug en je nek. Wil je je laten onderzoeken?”
“Nee, nee, het valt echt wel mee,” probeerde ze hem te overtuigen, maar ze hoorde zelf dat haar stem zacht en onzeker klonk.
“Misschien ben je er slechter aan toe dan je denkt, Anne.”
“Nee, het gaat echt wel. Goed, ik ben geschrokken, maar verder heb ik nauwelijks last.”
“Nauwelijks, dus wel een beetje.”
“Een beetje, ja. Maar het valt heel erg mee. Ik voelde het aankomen.”
“Je bent zelf traumatologe, je weet als geen ander hoe schijn kan bedriegen.”
Daar had hij een punt, besefte Anne, terwijl ze een vage hoofdpijn voelde opkomen. Misschien was die er al en werd ze zich er nu pas van bewust. Felix had natuurlijk gelijk: ze wist zelf dat het even kon duren voordat mensen doorhadden wat hen was overkomen. De schok had tijd nodig om goed tot iemand door te dringen. Dat had ze tijdens haar werk genoeg meegemaakt. Als zij en haar collega’s met de ambulance op de plaats van het ongeluk arriveerden, hoorden ze soms dat de slachtoffers niet mee wilden, omdat ze dat niet nodig vonden. Ze dachten dat ze hooguit uiterlijke verwondingen hadden opgelopen en dat ze alleen waren geschrokken. Dus waarom zouden ze meegaan naar het ziekenhuis? Anne wist uit ervaring dat het kwam, omdat de waarneming van de slachtoffers was verstoord. Later zouden ze pas goed beseffen wat er werkelijk was gebeurd en dan kwam pas de grote klap. Maar zij was arts, dat zou haar toch niet gebeuren?
“Daarom weet ik ook dat er verder niets aan de hand is. Nogmaals, ik ga gewoon aan het werk.”
“Gewoon,” mompelde Felix.
“Vaak volgt de impact van zo’n ongeluk later, dat weet je,” ging hij door.
“Ik weet het, maar ik ben helder genoeg om in te zien dat ik beter kan blijven werken. Als ik thuiszit, schiet ik er niets mee op.”
Hij plantte zijn handen in zijn zij en nam haar onderzoekend op.
“Ik ken jou al langer dan vandaag, Anne. Je bent een doorzetter. Maar soms moet je ook een stapje terug kunnen doen. Dat geldt niet alleen voor jou, maar voor ons allemaal.”
Een beginnende glimlach speelde om zijn mond. “Maar ons probleem is dat wij graag mensen helpen. Dus offeren we ons op en denken we af en toe te weinig om onszelf. Zeker in situaties waarin wij dat zeker moeten doen.” Zijn gezicht verstrakte. “Daarom is het zo belangrijk dat wij goed voor onszelf zorgen, Anne. Alleen als we zelf goed in ons vel steken, kunnen we iets voor onze patiënten betekenen. Je begrijpt natuurlijk wel wat ik bedoel.”
“Dat begrijp ik heel goed. Ik steek verder goed in mijn vel. Ik ben vanochtend alleen geschrokken. Dat is alles.”
“Weet je dat zeker?” Hij boog zich naar haar toe. “Soms heeft zo’n incident meer gevolgen dan je wilt toegeven. Daar weet jij alles van.”
“Als dat zo zou zijn, ben ik de eerste die dat toegeeft. Maar het valt mee. Ik ben vooral kwaad op degene die me dit heeft aangedaan. Dat die man of vrouw is doorgereden, dat maakt me razend.”
Hij knikte, dacht even na en gaf haar ten slotte een schouderklopje. “Je weet het, als je ergens meezit, trek dan meteen aan de bel. En als je straks nog last van je nek hebt, stuur ik je persoonlijk naar de röntgenafdeling.”
Demonstratief wreef ze over haar nek. “Ik voel er niets meer van.”
Een half uur later werd Anne naar de ingang geroepen. De politie stond voor de deur. Ze haastte zich erheen. Waar gewoonlijk de slachtoffers werden verzorgd die met de ambulance werden gebracht, stonden twee agenten met Sabine te praten. Haar collega Ricky Kaiser had zich over het slachtoffer dat ze hadden meegebracht ontfermd. Anne liep naar hen toe. Eén van de agenten sprak Anne toe. Hij vertelde dat deze man was opgepakt, omdat hij vanochtend twee verkeersongelukken had veroorzaakt. Hij was er vervolgens met hoge snelheid vandoor gegaan. Het eerste slachtoffer was gewoon verder gereden, waarschijnlijk naar haar werk. Het tweede slachtoffer had lichte verwondingen, die ter plaatse waren behandeld. De snelheidsduivel was na het veroorzaken van het laatste incident verderop uit de bocht gevlogen en in de vangrail beland. Hij was versuft blijven zitten toen de politie ter plaatse kwam. De agenten wilden hem meenemen naar het bureau, maar onderweg bleek dat hij ernstiger gewond was dan ze dachten. Hij was steeds zwijgzamer geworden en had ineens een hevige bloedneus gekregen.
Daarvan was inmiddels niets meer te zien. De man zag er niet verkreukeld uit, alleen vermoeid en aangeslagen.
Terwijl de agent verder vertelde, kroop er langzaam een rilling over Annes rug. Dit kon geen toeval zijn. Vanuit haar ooghoeken staarde ze naar de man die voor haar zat. Hij werd alsmaar witter en hij keek naar haar, alsof ze zijn reddende engel was.
Ze kon het niet geloven.
Was dit de vent die haar vanochtend had geramd en er vervolgens met hoge snelheid vandoor was gegaan?
In goeden doen was het ongetwijfeld een nette man; nette kleding, verzorgd uiterlijk. Rond de veertig, golvend, zwart haar, een beetje grijzend bij de slapen. Hij had een sympathieke uitstraling, die niet hoorde bij het beeld dat ze van de wegpiraat had.
Ze slikte.
“Mevrouw? Dokter?” hoorde ze de stem van de agent.
Verstoord keek ze op. Ze merkte dat ze stond te trillen op haar benen. De man keek haar bijna smekend aan. Hij wilde geholpen worden!
Met hese stem vroeg ze aan de agent of het slachtoffer, en tevens de dader, in een zwarte Mercedes reed.
Verbaasd staarde de agent haar aan. Hij knikte. “Maar hoe…”
De rest hoorde ze niet eens.
Twee bruine, gekwelde ogen staarden haar verwachtingsvol aan. De man werd zo bleek, dat ze zeker wist dat hij ieder moment kon instorten. Maar toch bleef Anne staan waar ze stond, als een standbeeld.
Het moet nu maar gebeuren, dacht Maiwald Green.
Dit was het juiste moment om zijn plan ten uitvoer te brengen.
Kijk hen lopen, al die gelukkige mensen op het plein. Ze liepen langs hem alsof hij niet bestond. Het echtpaar dat hem passeerde, raakte hem zelfs met hun boodschappentas. Ze hadden het niet eens door.
Zo diep was hij inmiddels gezonken. Maiwald was lucht voor de meeste mensen.
Of eigenlijk voor iedereen, dacht hij bitter.
Niemand had hem nog nodig. Als hij de hele dag in bed bleef liggen, zou het niemand iets kunnen schelen. Al zou hij daar blijven liggen totdat er niets meer van hem over was. Ja, zijn buurvrouw, die nogal nieuwsgierig was, zou het na een aantal weken misschien merken. Maar verder?
Hij miste Lore ontzettend. Zijn boosheid was afgelopen weken omgeslagen in verdriet en daarna in frustratie. En de laatste dagen in machteloosheid.
Hij was niet meer nodig. Nog even en dan zou zijn huurachterstand te hoog zijn opgelopen en zou hij uit zijn flat worden gezet. En dan? Zwerven over straat?
Een half jaar geleden leek zijn leven nog goed. Het was niet heel bijzonder en nogal voorspelbaar, maar hij had twee zekerheden: zijn vriendin Lore en zijn werk op het stadhuis. Hij en Lore spraken zelfs over het kopen van een huis. Toen werd hij echter overbodig op zijn werk. Een reorganisatie om de kosten te besparen. Op lores kantoor verscheen er een nieuwe chef en ineens moest ze regelmatig overwerken.
Sinds die tijd brokkelde Maiwalds veilige wereld steeds verder af. Totdat hij op een dag alleen stond. Zonder vriendin. Zonder werk. Met een hoofd vol spinrag.
Zijn tegenslag had langzaam verzet in hem losgemaakt. Al die uren, die dagen waarin hij nutteloos op bed lag, of vanaf zijn balkon naar de bedrijvige wereld onder hem staarde, had hem doen beseffen dat hij moest opstaan. Wakker worden. Maiwald zou iets doen wat vroeger onmogelijk leek: hij zou protesteren.
Een nieuwsbericht op de radio bracht hem op het idee.
Op deze frisse voorjaarsdag zou hij het ten uitvoer brengen. Het was eigenlijk best simpel.
Hij keek om zich heen. Al dat opgewonden geroezemoes, die grijnzende gezichten, op weg naar die dure winkels…
Vreemd genoeg had hij vannacht goed geslapen. Heel goed zelfs. Ook nu voelde hij niets, zelfs nauwelijks opwinding. Alsof zijn gevoel hem na Lores vertrek had verlaten.
Rustig haalde hij de brandstof uit zijn tas. Het was maar een kleine fles. Hij schroefde de dop eraf en riep naar omstanders dat ze uit zijn buurt moesten blijven. Een enkeling keek boos naar hem. Hij hoorde hen denken: wat wil die gek?
Hij besprenkelde zijn jas met het goedje, dat op zijn broek lekte. Daarna schroefde hij de dop weer op de fles, die bijna leeg was. Een paar mensen bleven staan en keken angstig naar hem. Opnieuw riep hij dat iedereen uit zijn buurt moest blijven; ze konden gevaar lopen. Een paar angstige ogen staarden naar hem, heel even maar.
Maiwald haalde de aansteker uit zijn zak. Zou hij…?
Hij draaide demonstratief rond en stak zijn jas in brand. Een steekvlam van een halve meter schroeide zijn gezicht. Hij schreeuwde. Gretig vraten de vlammen zich een weg door zijn jas. Mensen bleven staan en gilden. Maiwald voelde een schroeiende pijn aan zijn armen, aan zijn borst. Zijn ogen traanden van de hitte. Zijn neus schroeide.
Hij draaide rond, hij krijste, hij viel. Door een vlam heen zag hij de opgewonden kring die hij binnen een paar tellen om hem heen verzamelde.
De pijn begon nu pas goed tot hem door te dringen. Die vlammende hitte die zijn kleren aan zijn huid liet branden, zijn gezicht dat aanvoelde alsof het werd geroosterd, en ook die pijnscheut op zijn bovenbeen. Al die tijd krijste hij door.
Ineens was daar een ijskoude plens water die vanuit het niets op hem werd gegooid. En daarna nog één.
“Gaat het, Anne?” vroeg Tünnes toen ze bij de kliniek wegreden. Hij schakelde de sirene in en trapte op het gaspedaal.
“Ja, ja,” riep ze, enigszins kortaf. Klinkmüller draaide zich om en keek haar bezorgd aan.
Waarom vroeg iedereen of het goed met haar ging? Ze waardeerde het medeleven van haar collega’s, maar ze had er inmiddels schoon genoeg van. In de kantine hadden Renate en Helmut ook al gevraagd of het goed met haar ging. Op de gang had hoofdzuster Hedwig Obermann haar nagestaard met een blik vol onbegrip. Het nieuws over haar aanrijding was als een lopend vuurtje door de kliniek gegaan, helemaal nadat bekend was dat de dader inmiddels als slachtoffer op de afdeling lag. Met een nonchalant gebaar had ze de man na binnenkomst doorverwezen naar de röntgenafdeling, waar foto’s waren gemaakt van zijn knie, hoofd en nek. Zijn hoofd had een flinke klap gekregen van de botsing tegen de vangrail. Anne had gehoord dat hij een lichte hersenschudding had en mogelijk licht letsel aan een halswervel. Op het eerste gezicht leken zijn verwondingen niet zo erg. Ze begreep dan ook goed dat de politie hem gewoon naar het bureau had willen meenemen, totdat de man onderweg buiten bewustzijn dreigde te raken en vervolgens een bloedneus kreeg. Ze had gehoord dat zijn knie flink was beschadigd, dus hij zou hier niet na een dag worden ontslagen.
En dat zat haar dwars. Waarschijnlijk was het haar aan te zien. Die gedachte wilde niet uit haar hoofd verdwijnen.
Ze zou de komende dagen te maken krijgen met de gek die haar had geramd en daarna was doorgereden. Hij zag er misschien niet uit als een crimineel, maar hij was het wel. Hij had nog een slachtoffer gemaakt en daarna had hij zijn verdiende loon gekregen. Volgens de politie was hij er nog genadig van afgekomen.
Anne wilde niets met hem te maken hebben. Ze beschouwde zijn roekeloze rijgedrag min of meer als een aanslag op haar. Het was weliswaar niet persoonlijk bedoeld, maar hij had het wel gedaan! Ook met haar had het heel anders kunnen aflopen.
Moest zij deze man bijstaan? Deze kerel die geen respect had voor haar leven?
Hij had ondertussen gehoord dat de vrouw die hij had aangereden hier werkte. Ze wist niet of hij haar al had herkend.
Dat bracht haar in een netelige situatie. Het maakte haar boos en zwijgzaam. Na haar middagpauze was ze tot de conclusie gekomen dat Felix een beetje gelijk had. Het ongeluk deed haar meer dan ze vanochtend kon vermoeden. Na die eerste schrik dacht ze dat ze het als een lastige vlieg van zich af kon schudden. Helaas bleek dat niet waar. Dat ergerde haar. Ze zou beter moeten weten! Waarom kon zij, als traumatologe, zo’n botsing niet beter verwerken?
Tussen de middag had ze een bliksembezoek aan het politiebureau gebracht, waar ze kort met een agent had gesproken en formulieren had getekend, met een stempel van de politie die haar onschuld bewees. Het waren papieren voor haar verzekering. Waarschijnlijk zou ze ook later tegen de snelheidsduivel moeten getuigen, want de politie was natuurlijk nog niet klaar met hem. Maar eerst moest hij herstellen. En zij had met hem te maken en dat zat haar niet lekker. Tot nu toe had ze hem vermeden, maar kon ze dat blijven doen? Was ze in staat haar afkeer voor hem te verbergen?
Daarom zweeg ze toen ze met haar collega’s onderweg was naar het plein in de stad waar een man zichzelf in brand had gestoken.
Tünnes claxonneerde ongeduldig en hij liet de sirene loeien.
“Dat winkelpubliek, ik word er gek van!” riep hij, terwijl hij net deed of hij gas gaf. Dat deed de laatste twijfelaars op het plein van gedachten veranderen en snel maakten ze plaats voor de ziekenwagen. Uiteindelijk kwamen ze op hun bestemming aan, midden op het plein.
Twee agenten en een oudere man hadden zich over het slachtoffer gebogen.
Anne stapte als eerste uit en ze snelde naar de man die op de grond lag. Ze schatte hem tegen de dertig jaar. Hij was niet zo groot en tenger gebouwd, met warrig kort, bruin haar en een baard van een paar dagen. Er hing een brandlucht om hem heen, en de sterke geur van brandstof, die een scherpere geur dan benzine had. De man was nog nat van het water dat een bloemist over hem heen had gegooid. Even was het vuur aangewakkerd, daarna hadden twee kordate omstanders de man een paar keer omgerold, waarna het vuur snel was gedoofd. Hij had nu een vochtige deken om zich heen.
Het slachtoffer zag er miserabel uit. Hij leed zichtbaar; hij rilde en klappertandde en uit zijn doffe ogen sprak ellende.
“Voor het eerst is hij rustig,” zei de agent. “Hij bleef maar krijsen en kreunen.”
De oudere man die naast Anne zat stelde zich voor als een gepensioneerde huisarts. “Ik hoop dat het meevalt,” zei hij tegen haar. “Het scheelt dat er snel is ingegrepen. Maar ik kan natuurlijk niet door zijn kleren heen kijken.”
Hij wierp een snelle blik op het slachtoffer en vervolgde: “Iemand wilde zijn kleren uittrekken, maar dat kon ik voorkomen. Ik riep dat het gevaarlijk was; misschien zouden ze dan zijn huid kapot trekken.”
“Dat was verstandig,” zei ze en ook zij keek naar de man.
“Ik was aan het winkelen met mijn vrouw toen ik hem hoorde gillen,” zei de huisarts en hij schudde zijn hoofd. “Hoe komt iemand tot zo’n trieste daad?”
“Hij moet nu met ons mee,” besliste Anne, nadat ze voorzichtig de pols van de man had gecontroleerd. Ze zag iets in zijn blik dat ze niet goed kon thuisbrengen. Was het angst?
Ondertussen ving ze flarden op van het gesprek dat de andere agent met een getuige voerde. Die vrouw vertelde dat deze man zich bewust in brand had gestoken, nadat hij omstanders had gewaarschuwd uit zijn buurt te blijven. Het had er dus alle schijn van dat het om een zelfmoordactie ging. Maar kon hij verwachten dat er in de drukte op het plein niemand zou ingrijpen?
“Moet hij worden beademd?” vroeg de huisarts.
“Nee, dat is niet nodig,” had Anne al gezien.
“Ik kon ook nog voorkomen dat een omstander hem water aanbood,” zei de gepensioneerde man.
“Gelukkig maar,” zei Anne.
Het slachtoffer klappertandde hevig.
Hoe dan ook moest hij snel worden behandeld, voordat hij echt onderkoeld raakte. Tünnes en Klinkmüller stonden al klaar met de brancard. Anne wist uit de man te krijgen waar hij de meeste pijn voelde. Hij hoefde niet zittend te worden vervoerd; zijn rug was op miraculeuze wijze blijkbaar niet verbrand.
Voorzichtig werd hij op de brancard gelegd. Zijn gezicht was rood van het vuur en zat vol zwarte plekken van de rook. Anne zag nu zeker angst in zijn grote ogen.
In de ambulance begon hij weer klaaglijk te kreunen.
Kinderarts Peter Starnberg keek nog maar eens nadrukkelijk op zijn horloge. Hij stond midden op de gang, met uitzicht op de trap. Nog altijd geen spoor van Reina’s ouders.
Hoe was het mogelijk dat ze te laat waren? Er stond nogal wat op het spel! Hun dochter werd over een half uur geopereerd aan haar gebroken heup. Peter zou met haar ouders de operatie doornemen.
Hij vond het al vreemd dat hij zelf had moeten vragen of ze vanmiddag wilden komen. Ze hadden elkaar aangekeken alsof hij een vreemd voorstel had gedaan. Was dat zoveel moeite? Tijd vrijmaken voor hun twaalfjarige dochter, die gistermiddag toen ze naar huis liep door een scooter was geschept?
Peter had meteen een merkwaardig gevoel toen hij haar ouders voor het eerst ontmoette. Het bevreemdde hem al dat ze na Reina’s ongeluk zo lang op zich lieten wachten, terwijl ze meteen waren ingelicht en niet ver uit de buurt werkten.
Ze reageerden alsof het ongeluk van Reina vooral lastig was. Lastig voor hen.
Peter wist uit ervaring dat ouders een ongeluk van hun kind op hun eigen manier verwerkten. De één werd razend, een ander verdrietig, er waren mensen die onnatuurlijk stil bleven en in zichzelf gekeerd raakten en bij anderen duurde het een tijdje voordat het slechte nieuws goed tot hen doordrong.
Bij Reina’s ouders was dat allemaal niet het geval. Het waren enigszins stijve, maar welopgevoede en intelligente mensen, die goed wisten wat er was gebeurd en er zelfs een paar slimme vragen over stelden. Ze begrepen precies wat hij vertelde en toen hij het al over haar herstelperiode had stonden ze voortdurend te knikken.
Maar toch was er iets mis. Op één of andere manier leek het langs hen heen te gaan. Alsof ze puur uit beleefdheid naar hem luisterden. Maar het was wel hun eigen dochter die in het ziekbed lag!
Peter was inmiddels ervaren genoeg om te merken dat er meer speelde. Ze noemden vaak de naam Ingeborg. Over Reina had hij nog maar weinig gehoord, over Ingeborg des te meer. Ze was Reina’s oudere zus en ze kon geweldig tennissen. Volgens haar ouders was ze het grootste talent sinds jaren.
Het was Ingeborg voor en na. Hun oogappel, dat wist Peter al na een paar minuten. Ze praatten vol lof over haar, terwijl Reina nu lag te wachten op haar operatie en ze de steun van haar ouders nodig had.
Waar bleven ze? Peter liep naar de trap. Hij zag beneden genoeg mensen lopen. Meneer en mevrouw Schlüss waren daar niet bij.
Hij zuchtte.
Hoe moest hij dit het meisje vertellen? Zeggen dat ze waarschijnlijk door overmacht te laat waren? Dat kon zijn, maar waarom hadden ze dan niets van zich laten horen? Het was een kleine moeite om dat door te geven, als dat het geval was. Peter had niets gehoord, dus na wat hij gisteren had meegemaakt, weet hij hun afwezigheid aan laksheid. Of nog erger: desinteresse.
“Je verveelt je toch niet?” klonk ineens de stem van Hedwig Obermann achter hem.
Peter draaide zich om en schudde zijn hoofd. Hij legde uit wat er aan de hand was.
“O, komen ze gewoon niet opdagen? Dat kan betekenen dat ze zoveel vertrouwen in jou hebben dat ze het niet nodig vinden om te komen. Maar ik vrees dat het gebrek aan ouderliefde is,” verzuchtte ze. Ook Hedwig keek omlaag om te zien of er mensen hun kant op liepen. Dat was het geval, maar het was een oud echtpaar. Even hoopte Peter dat het Reina’s opa en oma zouden zijn. Alles beter dan niemand die haar moed kon inspreken en haar zou geruststellen. Het bejaarde echtpaar had echter een andere bestemming.
Peter wierp een sombere blik op de grote klok halverwege de gang. “Over tien minuten brengen we haar naar de operatiekamer,” zei hij. “Ik vrees dat ik de operatie niet met haar ouders ga bespreken.”
Hedwig maakte een snuivend geluid. Haar gezicht sprak boekdelen. Ze wenste hem succes en liep door.
Peter ijsbeerde nog een paar keer over de gang. Hij merkte dat zijn hartslag versnelde. Wat kon hij toch slecht tegen zo’n desinteresse van ouders! Dat vond hij onbegrijpelijk.
Opnieuw keek hij op zijn horloge. En hij liep vastberaden naar Reina’s kamer. Op de drempel bleef hij even staan. Het meisje staarde naar het plafond. Zoals ze daar lag, was ze echt nog een kind. Toen ze werd binnengebracht, leek ze op een jonge vrouw, met haar moderne kleding, stoere laarzen en lange, blonde haar. Nu zag ze bleek en het ontging Peter niet dat ze had gehuild.
Verwachtingsvol keek ze op.
Het was Peters taak om haar te vertellen dat ze haar vader en moeder voor de operatie niet meer zou zien. Hij bij haar aan het bed zitten. Veel tijd had hij niet, dus het moest direct.
Op zulke momenten, als ouders hem in de steek lieten, was kinderarts soms geen prettig beroep.
“Waarom heb je me dat niet eerder verteld?”
Mientjes stem klonk luid, maar vooral boos. Anne staarde naar haar halfvolle bord.
“Ik wist dat er iets was gebeurd. Ik zag het aan je,” ging Mientje verder. Ze klonk nog altijd fel. “Toen je binnenkwam, wist ik dat er iets bijzonders was gebeurd. Ik dacht dat het om een geval in de kliniek ging, want jullie maken natuurlijk van alles mee.”
Anne dacht aan Maiwald Green, die in de Landau inmiddels als de verbrande man bekendstond. Maar hoe ernstig die zaak ook was, dat was niet de reden van Annes bleke gezicht toen ze een half uur geleden thuiskwam.
“Zoals ik al zei, het was niet ernstig. En de dader is inmiddels gepakt.”
Mientjes ogen werden groot.
Anne vertelde over de merkwaardige situatie dat ze nu te maken had met de opname van de man die haar had aangereden, al had ze nog geen woord met hem gewisseld. Ze had het zo gespeeld dat steeds een ander hem verzorgde en controleerde.
“Wat?” Mientjes uitroep klonk als een schreeuw. “Heb je hem… je hebt hem vast de waarheid verteld. Of iets in zijn infuus gedaan.”
Ondanks alles grijnsde Anne. “Ik ben traumatologe, geen engel der wrake!”
“Ik zou het wel weten,” zei Mientje vastberaden, terwijl ze vliegensvlug afruimde en snel heen en weer liep van de tafel naar de keuken.
Anne hoorde Mientje zacht in zichzelf praten. Toen haar huishoudster de vaatwasser had aangezet, posteerde ze zich weer voor haar in de kamer. “Vertel eens, heb je er echt niets aan overgehouden?”
Hoe vaak had Anne dat vandaag al gehoord?
“Nee, echt niet. Felix stond er vanmiddag op dat ik naar mijn nek liet kijken.”
“En terecht. Vanmiddag pas? Dat had je vanochtend moeten laten doen!”
“Ik had er geen last meer van. Maar om iedereen gerust te stellen, heb ik vanmiddag dus een foto van mijn nek laten maken.”
“En?”
Anne haalde haar schouders op. Ze dacht terug aan dat vreemde moment in die donkere kamer. Ze was zelf even patiënt geweest. En dat voelde merkwaardig. “Niets te zien, gelukkig.” Ze grinnikte. “Ja, gezonde wervels.”
“Je voelt dus geen pijn meer.”
“Vrijwel niet en wat ik af en toe nog een beetje voel, dat is normaal.”
Mientje klakte met haar tong. “Onbegrijpelijk dat je het me niet eerder hebt verteld. Waarom doe je hier zo laconiek over, Anne? Je had me toch kunnen bellen?”
“Ik wilde je niet onnodig ongerust maken.”
Mientje schudde haar hoofd en even staarde ze door het grote raam naar buiten. Ze richtte zich weer tot Anne. “Heb je het Max al verteld?”
“Nee, nog niet, om dezelfde reden. Bovendien zit hij net in Macedonië. Ik wil niet dat een incident dat goed is afgelopen hem van zijn werk houdt.”
“Als ik het niet dacht!” Mientje klonk verontwaardigd. “Je zorgt zo goed voor je patiënten! Maar zorg je ook zo goed voor jezelf?”
“Jazeker.” Klonk het net zo overtuigend als de bedoeling was?
“Misschien komt het juist omdat je in een privékliniek werkt, waardoor je jezelf tekortdoet omdat al je energie al naar anderen is gegaan,” probeerde Mientje de laconieke houding van Anne te verklaren.
Anne dacht even na. “Echt, ik waardeer je bezorgdheid en medeleven, zoals ik dat ook van mijn collega’s waardeerde. Maar ik voel me goed. Zeker, ik ben vanochtend geschrokken. Wat moet ik er nog meer over zeggen? De dader is gepakt en aansprakelijk voor de schade aan mijn auto, die gelukkig nog prima rijdt. Ik mankeer verder niets, zoals in de kliniek is gebleken. Het was een vervelend incident en geen prettig begin van de dag.” Ze haalde diep adem. “Dat is alles wat ik er nog over kan zeggen.”
Mientje wilde haar mond weer openen, maar ze kneep haar lippen op elkaar en liep naar de keuken. Anne plofte op de bank. Ze hoorde haar huishoudster in de keuken niet zingen, zoals ze meestal deed. Alleen het geluid van de afwasmachine, drong door in de kamer, en het zachte brommen van de afzuigkap. Terwijl de schemering zich langzaam door de woonkamer verspreidde, dacht Anne na over de afgelopen dag. Nu ze in haar eentje in de kamer zat, drong de herinnering aan die zwarte Mercedes die op haar afschoot zich steeds weer op.
Max klonk ontspannen aan de telefoon. Hij zei dat hij op haar telefoontje had gewacht.
“Waarom?” vroeg ze met geknepen stem. Wist hij iets?
“Ik had het gevoel dat je vanavond zou bellen.”
Hij klonk zo opgewekt dat Anne bijna spijt had dat ze hem had gebeld. Blijkbaar liepen de zaken gesmeerd op zijn werk. Gisteren had hij haar gemaild dat hij en zijn collega’s hun kamp hadden opgezet. Morgen zouden ze beginnen met hun archeologische werk.
Ze ging niet op zijn opmerking in, maar vroeg hem naar bijzonderheden over de streek en het weer. Toen ze was uitgerateld, bleef Max zwijgen.
“Ben je er nog?” vroeg ze.
“Anne, wat is er? Ik hoorde meteen aan je stem dat je ergens meezit.”
Dit keer zweeg zij. Moest ze het hem vertellen?
Natuurlijk was ze dat meteen van plan geweest. Ze baalde ervan dat hij er nu niet was. Ze had hem nodig om haar verhaal kwijt te kunnen. Zijn troostende arm om haar heen.
Ze slikte en toen Max opnieuw aandrong, vertelde ze hem alles. Ze herhaalde nadrukkelijk dat haar verder niets mankeerde, dat ze was onderzocht en dat het ongeval wat haar betreft daarmee was afgedaan.
Hij reageerde zoals ze had verwacht: boos. Maar ook bezorgd. “Je had me meteen moeten bellen!” riep hij. Hij klonk alsof hij naast haar stond.
Net zoals ze bij Mientje had gedaan, wierp ze tegen dat ze hem niet ongerust wilde maken. Maar net als bij haar huishoudster had ze het alsnog verteld. Ze kon niet anders.
Max kon zich niet voorstellen dat ze het de hele dag voor zich had gehouden.
“Dat heb ik ook niet, ik heb het in de kliniek natuurlijk gezegd.”
“Dat is toch anders. Dat is je werk. Als mij zoiets zou overkomen, zou ik het je meteen laten weten.”
“Ik heb dat overwogen, maar ik wilde je niet nodeloos ongerust maken. Nogmaals, ik mankeer niets. Felix stond erop dat ik een foto van mijn nek liet maken.”
“Dat zal hij niet zomaar hebben gezegd.”
“Eigenlijk wel, want ik voelde vrijwel niets meer. Ik heb erin toegestemd om zijn bezorgdheid weg te nemen.”
Ze begreep wat hem ook dwarszat: haar collega’s wisten eerder over het ongeval dan hij.
“Als ik jou was, zou ik het maar rustig aan doen,” raadde Max haar aan. “Dat ik er uitgerekend nu niet ben!”
Daar was ze het mee eens.
“Je zei toch dat die vent die jou heeft aangereden in de kliniek ligt? Hoe ga je daar mee om?” drong hij aan.
Die vraag had haar de hele dag beziggehouden. Met haar collega’s had ze daar nog niet over gesproken. Op slinkse wijze had ze tot nu toe verder contact met Karl, zoals de wegpiraat heette, vermeden. Ze wist ook nog niets van zijn motief om zich op de weg te misdragen. Vreemd genoeg had ze zich dat eerder wel afgevraagd, maar nu hij binnen haar bereik was, wilde ze juist afstand nemen. Want ze wist niet of ze hem nog als een gewone patiënt kon behandelen. Dat zei ze ook tegen haar vriend.
“Vind je het gek? Moet jij die dwaas behandelen?” Hij klonk nu ronduit kwaad.
“Officieel wel. Het is mijn werk. Ik ben geen rechter, maar traumatologe. Misschien heeft hij wel een trauma, dat zou best kunnen.”
“Dat is dan zijn probleem,” zei Max kortaf.
“En dat van mij, en wellicht Helmut, want hij is onze patiënt.”
“Zie je hem zo? Of onbewust toch als de man die op jou inreed?”
Anne slikte. Misschien had dit dilemma haar het meest dwarsgezeten. Ze kon Karl niet blijven ontwijken. Vandaag was het misschien opgevallen en hadden haar collega’s er begrip voor gehad dat ze zich nog niet met hem had bemoeid. Maar morgen?
Het was een lastige situatie. Als ze er moeite mee had om hem te behandelen, zou ze de schijn wekken dat ze het ongeluk niet had verwerkt. En dat had ze juist met klem tegengesproken. Maar als ze toegaf aan haar wens om hem door een ander te laten behandelen zouden haar collega’s hetzelfde denken. Zeker, ze zouden er begrip voor kunnen opbrengen. Maar waarom had ze vandaag dan tegengesproken dat ze last had van de gevolgen van haar aanrijding?
Ze zou moeten terugkomen op haar houding dat ze het incident had verwerkt. Dat was geen prettig vooruitzicht. Het voelde voor haar als een nederlaag, alsof haar professionaliteit werd aangetast.
“Ik kan me er nog niet toebrengen om die man onder ogen te komen,” verzuchtte ze.
Max had daar alle begrip voor. Maar hij zei ook dat het voor haar moeilijk was. “Je hebt met hem te maken. Als ik jou was, zou ik een ander naar hem laten kijken.”
“Dat heb ik vandaag gedaan.”
“Doe dat de komende dagen weer.”
“Dat gaat opvallen.”
“Hoelang blijft hij nog?” vroeg Max.
“Zeker nog een paar dagen. Waarschijnlijk langer, afhankelijk van zijn herstel.”
“Dan zou ik dat morgenochtend meteen met Felix bespreken. Hij begrijpt dat wel,” had Max alle vertrouwen in de directeur van de kliniek.
Ineens voelde ze zich lichter worden. “Volgens mij is dat de beste oplossing. Even afstand nemen.”
“Iedereen zal dat begrijpen. En degenen die er geen begrip voor hebben, zullen dat krijgen als ze zelf worden aangereden,” zei Max grimmig.
Ze hoorde hem brommen. “Misschien is het maar beter dat ik hier ben,” zei hij met dreigende stem. “Ik weet niet of ik me als bezoeker zou kunnen inhouden.”
Anne dacht vrijwel gelijktijdig hetzelfde.
“Ik ben achteraf blij dat ik je heb gebeld,” zei ze. “Weet je wat? Ik ga morgenochtend naar Felix en vertel hem hoe ik erover denk.”
“Dat zou ik zeker doen.”
De opluchting die ze na haar gesprek met Max had gevoeld, verdween snel. Ze staarde naar de televisie zonder iets te zien. Ze ging vroeger naar bed dan gewoonlijk. Maar iedere keer als ze haar ogen sloot, zag ze die zwarte Mercedes uit het niets weer opdoemen, met zijn koplampen als zilveren boze ogen.
“Ha, daar bent u!”
Peter Starnberg hoorde zelf hoe schamper hij klonk. Hij kon er niets aan doen, het was precies zoals hij over meneer en mevrouw Schlüss dacht.
Opnieuw had hij in Reina’s kamer op hen gewacht en weer waren ze te laat. Maar ze waren in ieder geval gekomen. Ze schudden hem snel de hand en begroetten hun dochter.
Reina was nog half in slaap na haar operatie.
“Ik ben blij dat het goed is gegaan,” zei mevrouw Schlüss, terwijl ze naar Reina keek.
“Op zich is de operatie goed verlopen, al kostte het meer tijd dan we dachten, omdat we meerdere schroeven moesten aanbrengen,” zei Peter op koele toon.
“Hadden jullie dat vooraf niet kunnen zeggen?” vroeg Reina’s vader kortaf, terwijl zijn hand die van zijn dochter vastpakte.
“Er was een kans dat we meerdere schroeven nodig hadden,” zei Peter, terwijl hij zijn hartslag voelde versnellen. “De foto’s gaven helaas geen volledig uitsluitsel, vandaar dat we het niet zeker wisten.” Hij liet een betekenisvolle stilte vallen en voegde er nadrukkelijk aan toe: “Daarover had ik u vanmiddag dus willen spreken.”
Reina’s ouders keken elkaar aan.
Peter vond dat Reina merkwaardig genoeg op geen van beiden leek. Hij had zich zelfs afgevraagd of ze misschien een pleegkind was, want dat zou hun afstandelijke relatie kunnen verklaren. Maar ze waren echt haar biologische ouders. Vader Schlüss was een man die Peter zich nauwelijks kon voorstellen zonder net pak en een stropdas, alsof hij zo van een directeurenoverleg was weggelopen. Zijn vrouw leek zeker tien jaar jonger, maar ook zij zag er onberispelijk uit; gebruinde huid, een beetje make-up, blond geverfd halflang haar, nette kleding. Hij had haar hakken net horen tikken op de gang.
“We hadden graag willen komen, maar er was spoedoverleg met Eike, Ingeborgs coach.”
“Hij wilde Ingeborgs trainingsarbeid intensiveren,” zei Reina’s moeder.
Peter zei alleen maar: “Hm.” Daar was ze alweer ter sprake gekomen: Ingeborg.
“En uitgerekend op het moment dat ik Reina’s operatie met u wilde bespreken, moest hij dat aan u vertellen?” Peter gaf zijn cynisme alle ruimte.
Opnieuw die korte blik tussen beide ouders. “Het was heel belangrijk voor onze dochter.”
Peter knikte naar Reina. “U hebt er twee. Voor Reina was het nogal wat. Eerst brak ze haar heup door een ongeluk waar ze niets aan kon doen. Ik heb begrepen dat die knaap op die scooter een vriend wilde inhalen en uitweek, waarna hij op haar knalde. Dat was voor Reina al erg genoeg. Helaas bleek één schroef niet te volstaan, vandaar dat de operatie zwaarder uitviel dan we hoopten en ze nog altijd niet echt wakker is.”
“We hebben vanavond wel even tijd,” zei meneer Schlüss.
Bijna had Peter eruit geflapt: O, vanavond wel? Hij knikte alleen maar.
Reina’s moeder streelde het voorhoofd van haar dochter. Het meisje kreunde zacht. Haar vader staarde naar de infusen.
“Hoelang zal ze moeten herstellen, dokter?” vroeg mevrouw Schlüss.
“Dat ligt eraan. Morgen gaat onze fysiotherapeut alweer met haar aan de slag. Reina zal weer zo veel mogelijk moeten bewegen, maar ze mag haar heup nog niet echt belasten. Want dan is er een risico dat het misgaat. Ze zal de belasting op dat gewricht moeten opbouwen. Uiteraard helpen wij daarbij. Ze is nog jong, dat scheelt. Haar conditie is goed.”
“Ze doet ook aan… hoe heet dat?” vroeg haar vader zich hardop af.
“Zeg maar ballet,” hielp zijn vrouw hem.
“Dat bedoel ik. Ballet.”
Peter hield zich opnieuw in. Dat hun oudste dochter een tennistalent was, daar hoefden ze geen seconde over na te denken.
“Ze zal dat een tijdje niet meer mogen doen,” keek mevrouw Schlüss al vooruit.
“Helaas is dat inderdaad het geval,” beaamde Peter.
“Ach ja, daar komt ze echt wel weer overheen. Het belangrijkste is dat ze geopereerd is. Laten we nu maar vooruitkijken.” Meneer Schlüss zocht oogcontact met Peter. “Het was jammer dat we er vanmiddag niet waren. Maar we vertrouwen op uw kennis en inzicht.”
“Reina had uw steun anders heel goed kunnen gebruiken. Ze was in tranen. Zo’n operatie is nogal wat. Ze was natuurlijk ook nog in de war na dat ongeluk.”
“Ja, dat ongeluk… Ze hebben die knaap in ieder geval te pakken,” zei Reina’s vader.
“Dat is goed, maar ik denk dat Reina uw steun de komende dagen meer dan nodig heeft,” zei Peter met stemverheffing.
Hadden deze mensen werkelijk niets door? Moest hij nog een andere toon aanslaan?
“Hoelang moet ze hier blijven?” vroeg ook mevrouw Schlüss zich hardop af.
“Dat ligt eraan hoe snel ze herstelt. In ieder geval nog een paar dagen. Ze krijgt nog antibiotica totdat het infectiegevaar volkomen geweken is. Het was natuurlijk een zware operatie,” herhaalde hij nog maar eens. Hij had de tekeningen van het heupgewricht bij de hand moeten hebben om de herstelde breuk uit te leggen. Ze vroegen er niet naar.
Ze knikten vaag. Hij vroeg zich af wat werkelijk tot hen doordrong.
“Ze heeft in ieder geval al een paar beterschapskaarten,” zei Peter. Hij knikte naar het prikbord, schuin boven haar hoofd.
“Ja, van haar vriendinnen,” zei mevrouw Schlüss. “En van haar opa en oma. Haar andere opa is aan het dementeren, we hebben het hem maar niet verteld.”
“Die steun doet haar goed,” zei de kinderarts nog maar eens. “Nogmaals, ze voelt zich niet best, maar bezoek pept haar op.”
Hij wierp een blik op het slaperige meisje. Reina scheen zich nauwelijks bewust van de aanwezigheid van haar ouders. Of ze was er niet erg blij mee.
“Komt haar oudere zus ook een keer kijken?” vroeg Peter om hen uit de tent te lokken. Dat lukte.
“Vanavond in ieder geval niet,” antwoordde meneer Schlüss. “Ingeborg traint een avond per week meer om haar service te verbeteren. Die is afgelopen jaar al vooruitgegaan. Maar het kan natuurlijk altijd beter. Zeker als ze straks aan de top wil meedraaien.”
“Zal meedraaien,” verbeterde zijn vrouw.
“Natuurlijk,” zei hij vlug.
“Inge wordt dit jaar nationaal jeugdkampioen,” wist haar moeder zeker.
“Zozo, dat zijn grote ambities,” zei Peter. Zijn schampere ondertoon ontging hen volledig.
“Grote ambities, maar ook realistische verwachtingen,” zei meneer Schlüss serieus, en ook een beetje boos. “Als u haar ziet spelen, weet u over wie wij spreken. Volgens kenners is zij echt een groot talent. Ze heeft alles: atletisch vermogen, inzicht in het spel, techniek en kracht. En een harde forehand, zeker voor haar leeftijd. En natuurlijk karakter. Doorzettingsvermogen.”
Als Reina maar een fractie van haar vaders trots mocht ontvangen, zou ze er beter aan toe zijn, dacht Peter bitter.
“Vooral dat laatste is nodig, heb ik me eens laten vertellen,” zei de kinderarts. “Veel talenten halen de top niet, omdat ze blijkbaar de juiste instelling missen. Om een topper te worden is meer nodig dan alleen aanleg.”
“O ja,” zeiden vader en moeder in koor. “Aangezien Ingeborg alles heeft, zal zij wel de wereldtop bereiken,” was de stellige overtuiging van haar moeder.
“Dat zal ook u veel tijd kosten.”
“Ja, maar dat doen we graag,” nam Reina’s vader het over. “Ik moet toegeven dat we Ingeborg vroeger nogal eens moesten aansporen.” Hij keek naar Reina. “Zij niet, zij deed alles in stilte. Goede cijfers op school, leuke vriendinnen, nooit problemen. Nee, zij redt zich wel. Dat blijkt ook nu weer.”
De achteloosheid waarmee hij dat zei beviel Peter allerminst. “Dat is vaak het probleem van kinderen die je nooit hoort. Omdat het lijkt alsof ze makkelijk door het leven wandelen, krijgen ze vaak niet de aandacht die ze verdienen.”
“Reina redt zichzelf, dat is voor ons makkelijk,” zei haar moeder.
“Weet u dat zeker?”
“Natuurlijk,”antwoordde haar vader. “Als ze straks weer thuis is, pakt ze haar leven gewoon weer op.”
Peter keek hen strak aan. “Misschien drong het net niet goed tot u door, maar Ingeborg heeft u vanmiddag echt gemist.”
“Ingeborg?” vroeg mevrouw Schlüss verbaasd. “U bedoelt Reina?”
“Reina, uiteraard. Natuurlijk.” Hij baalde ervan dat hij Ingeborgs naam had genoemd. Maar het was ook niet zo vreemd; zij beheerste het gesprek, terwijl Reina aandacht nodig had. Enerzijds was het Peters bedoeling om uit te vinden hoe de familieverhoudingen waren. Nou, daar was hij achter gekomen. Het was nog erger dan hij dacht. Nu werd het weer tijd voor Reina.
“Ik zei dus dat ze het heel erg vond dat u er vanmiddag niet bij was, toen ze die ruggenprik kreeg.”
“Ruggenprik?” Mevrouw Schlüss klonk verontwaardigd. “Dat wisten we niet.”
“Omdat u er niet was. Ik heb u trouwens eerder verteld dat het tot de mogelijkheden behoorde.”
“Dat heb ik anders niet gehoord.” Reina’s vader klonk net zo verontwaardigd.
“Dat kan, maar het is wel gezegd. Eerlijk gezegd denk ik dat u met uw gedachten toen bij uw andere dochter was.”
Eindelijk was het eruit. Peter had zich niet langer kunnen bedwingen.
Meneer Schlüss ging verzitten. Zijn stoel piepte. “Meneer Starberg, ik weet niet…”
“Starnberg,” onderbrak de kinderarts hem.
“Meneer Starnberg, volgens mij begrijpt u het belang van onze oudste dochter niet.”
“Dat kan, maar ik besef wel het belang van uw jongste dochter.”
“Reina redt zich wel,” zei zijn vrouw opnieuw, nadat ze haar man met haar voet had aangestoten. “Ze is een slim meisje. Gisteren heeft ze gewoon pech gehad. Dat is vervelend en we zijn ook bezorgd over haar.” Ze keek omlaag naar haar dochter en wachtte even. “Maar als u de verhalen van topsporters leest, echte topsporters, dan zult u merken dat ze allemaal extra aandacht hebben gekregen. Of althans de meesten. Extra aandacht, omdat ze bijzonder waren. Die aandacht betaalde zich later uit in grote successen.”
Haar man voegde eraan toe: “Ik begrijp uw probleem niet, meneer Starnberg.” Hij sprak zijn naam langzaam uit, alsof Peters correctie hem nog dwarszat. “Reina vindt het niet erg dat we meer tijd aan Ingeborg besteden.”
“Hoe weet u dat?”
“Dat vertelt ze ons. Dagelijks,” verzuchtte haar moeder.
“Sterker nog, ze is bijzonder trots op haar talentvolle zus,” zei haar vader.
“Dat kan ze ook zeggen, omdat ze niet dwars wil zijn.”
“Welnee! Ze heeft er alle begrip voor dat we vaker naar Ingeborg gaan kijken,” zei meneer Schlüss korzelig.
“Heeft u veel balletvoorstellingen van haar gezien?”
Peters vraag overviel hem. Hij krabde achter zijn oor en zei zacht: “Nee, niet echt. Maar dat wil ze ook niet. Ze wordt er nerveus van.”
“En Ingeborg niet?” vroeg hij scherp.
“Zij is eraan gewend geraakt,” zei haar moeder.
Peter had daar zo zijn gedachten over.
“Heeft u zelf kinderen?” vroeg meneer Schlüss.
“Nee.”
“U bent kinderarts en u heeft zelf geen kinderen?” vroeg Reina’s moeder verbaasd.
Hoewel hij dat een onzinnige stelling vond, had hij geen zin om zich te verantwoorden. Enerzijds had hij graag kinderen gewild en zijn vriendin Stefanie nog liever. Maar hij had te vaak gezien hoe slecht kinderen door hun ouders werden behandeld. In zijn eigen jeugd was dat al begonnen. Zijn vader en moeder hadden een groot groente- en fruitbedrijf, waardoor ze het zo druk hadden dat er voor hem en zijn jongere broer Bert nauwelijks tijd overbleef. Het had hem wat dat betreft voor de rest van zijn leven getekend. Nu had hij zelf een drukke baan; hij wilde zijn kinderen niet aandoen dat ze hun vader weinig zouden zien. Bovendien was er vroeger een wig gedreven tussen hem en Bert, die in zijn ogen door zijn ouders werd voorgetrokken. Precies zoals nu bij Ingeborg gebeurde.
Misschien was hij daarom zo alert op zulke situaties.
De relatie tussen hem en Bert was nooit meer helemaal goed gekomen. Wat in je jeugd werd verpest, was later moeilijk in te halen.
“Ik heb zelf geen kinderen, daarom zorg ik er hier voor dat het hen aan niets ontbreekt,” zei Peter. “En het is mijn werk om ervoor te zorgen dat ze goed worden behandeld.”
“Wilt u beweren dat wij onze kinderen niet goed behandelen?” Er klonk een dreigende ondertoon in de stem van meneer Schlüss.
“Dat zeg ik niet. Uw tennissende dochter krijgt uw volle aandacht. Helaas kan ik dat van Reina niet zeggen.”
Het was eruit voordat Peter er erg in had. Hij had het willen zeggen, maar niet waar het meisje zelf bij was. Anderzijds mocht ze het best horen. Misschien drong het wel tot haar versufte geest door.
Reina’s ouders staarden elkaar kort aan. Ze spraken alleen nog maar tegen hun dochter en negeerden Peter volkomen.
“Hoe gaat het met u?” vroeg Anne aan Maiwald Green.
“Nou, tamelijk slecht en dan heb ik nog niet eens in de spiegel gekeken,” antwoordde het slachtoffer toonloos. Hij had moeite met spreken omdat ook zijn onderlip was verbrand. Zonder al die brandvlekken op zijn gezicht zou hij een leuke man zijn om te zien, dacht ze.
“Heeft u nog veel pijn?”
“Dat gaat wel. Ik ben er inmiddels aan gewend. Bovendien krijg ik voortdurend pijnstillers.” Zijn gezicht vertrok in een pijnlijke grimas en hij gluurde naar de infusen die boven zijn bed hingen.
“Die heeft u nog een paar dagen nodig om infecties tegen te gaan,” legde ze uit.
Maiwald zei even niets. Hij zag er bijzonder ongelukkig uit.
“Het had ook anders met u kunnen aflopen,” zei ze voorzichtig, want misschien was dat zijn bedoeling geweest. Maar volgens Helmut was het niet Maiwalds opzet om werkelijk levend te verbranden. Het was vooral een schreeuw om aandacht. En die had hij gekregen. Iemand had met zijn mobieltje het incident gefilmd, het was op de lokale televisie uitgezonden en haalde ook het avondnieuws. Hoe gruwelijk het ook was, Anne had gisteravond het filmpje op YouTube bekeken. Eerst had ze zich afgevraagd waar passanten de tegenwoordigheid van geest vandaan haalden om meteen te gaan filmen. Later sloeg die verbazing om in boosheid, want er werd wel gefilmd, maar niet geholpen!
Ze had de indruk gekregen van een depressieve man die enigszins in de war was. Maar dat laatste bleek niet echt het geval: hij had bewust weinig brandstof gebruikt, wat erop duidde dat hij weliswaar een extreme daad stelde, maar geen zelfmoord wilde plegen.
Het was een klein wonder dat de zijkant van zijn bovenrug en zijn schouder alleen maar eerstegraads verbrandingen hadden opgelopen, waardoor hij in ieder geval normaal in zijn bed kon liggen.
“Ik ben iedereen tot last geweest,” verzuchtte Maiwald. “Lore, mijn broer, die winkelende mensen op het plein, die bloemenman en nu ook jullie. Kijk eens.”
Hij richtte zijn blik op zijn armen, vol brandvlekken.
Anne dacht aan de afschuwelijke aanblik van een bijna naakte Maiwald op de onderzoekstafel. Hij had eerstegraads brandwonden op zijn gezicht: zijn mond en neus waren rood, een wenkbrauw was verschroeid en ook zijn keel was vuurrood. Hij had ook twee blaren op zijn linkerarm. Ernstiger waren de tweedegraads brandwonden op zijn armen en onderbuik. Ze waren behandeld met een speciale zalf. Maar de derdegraads verwondingen op zijn rechterbovenbeen en borst waren het meest zorgelijk. Zijn huid was daar witzwart en helemaal aangetast. Om die plekken te herstellen was huidtransplantatie nodig.
Maiwalds lichaam was een lappendeken van kleine en grotere brandwonden. Wat de zaak extra ingewikkeld maakte, was dat het zoveel moeite had gekost om zijn huid, die toch al pijnlijk en verwond was, schoon te maken van chemische resten. Ze waren erachter gekomen dat Maiwald zelf de brandstof had gemengd door diverse gevaarlijke vloeistoffen te gebruiken. Die stoffen alleen al hadden nog meer schade kunnen aanrichten. Ironisch genoeg had juist het vuur en zijn kleding ervoor gezorgd dat het bij brandwonden bleef.
“Patiënten helpen is ons werk,” zei Anne eenvoudig. “Het is onze taak om u weer toonbaar te maken.”
“Ha!” zei Maiwald en die uitroep deed zichtbaar pijn aan zijn mond. “Toonbaar! Voor wie?”
Zijn ogen straalden ellende uit.
“U ziet er in ieder geval al beter uit dan op het plein,” gaf Anne het gesprek een positieve wending. “Als de omstanders niet hadden ingegrepen, dan…”
Ze liet het vervolg aan hem over. Hij zweeg echter en staarde voor zich uit, zijn armen recht voor zich op het laken, alsof hij er het liefst afstand van wilde doen.
“Heeft u nog veel pijn?”
Uiteindelijk haalde hij zijn schouders op. “Het gaat wel. Vooral als mijn wonden in contact komen met iets. Maar verder valt het mee, na gisteren.”
“Dat komt door de pijnstillers. U krijgt er over een uur nog één.”
Anne merkte dat de brandlucht, die tot vanochtend nog een beetje om hem heen hing, nu pas was verdwenen. “We moeten ook uitkijken voor infecties.”
“Ach, doet het er nog toe?” vroeg hij zichzelf met schorre stem af.
“Natuurlijk, meneer Green, waarom niet?”
“Zoals ik al zei: ik ben iedereen tot last.”
“Ons niet, dat heb ik u net al verteld.”
“Maar Lore wel. Ze is bij me weg, maar toch denk ik…”
Hij schudde zijn hoofd. Anne wachtte. “Als ze dit hoort, schaamt ze zich kapot,” verzuchtte hij.
“Lore, is dat uw voormalige vriendin?”
Hij knikte. “Ze ging bij me weg, omdat ik werkloos raakte.”
Annes ogen werden groot. “Was dat de reden?”
“Ja. Nou ja, er waren nog wel een paar redenen, al weet ik niet welke. Dat heeft ze me nooit verteld.”
“Wat voor werk deed u?”
“Ik werkte op het stadhuis. Bezuinigingen, u kent dat wel.”
Helaas hoorde Anne regelmatig zulke verhalen, ook van patiënten en bezoekers.
“Het is natuurlijk vervelend dat u zonder werk kwam,” leefde ze met hem mee. “Kreeg u dan geen uitkering?”
“Jawel, jawel,” zei hij kortaf en nogal fatalistisch. Maar hij praatte tenminste; voorheen was hij zwijgzaam geweest, al was dat ook een gevolg van de hogere dosering van zijn medicatie.
“Steunde uw vriendin u dan niet?” vroeg ze.
“Nee, niet echt. Maar er speelde al zoveel.” Voor het eerst hoorde ze een emotie in zijn stem. Hij klonk geërgerd.
“Gaf uw werkloosheid echt de doorslag?”
“Nee. Nou ja, ik was niet echt prettig thuis,” gaf hij toe.
Inwendig lachte ze. Hoe vaak had ze dat niet gehoord? Dat als een man of vrouw noodgedwongen thuis kwam te zitten er relatieproblemen ontstonden. Ze gingen zich vaak ergeren aan zaken die hen voorheen niet waren opgevallen. Het speelde vaak bij gepensioneerden een rol, of bij werklozen. Blijkbaar was dat ook bij Maiwald en Lore gebeurd.
“Toen ging ze er ineens vandoor, zonder aankondiging,” zei hij zacht.
Hoorde ze spijt in zijn stem?
Hij staarde naar de brandwonden op zijn armen en vervolgde: “Ik wist niet wat me overkwam, dokter. We waren bijna zeven jaar samen. Zeven jaar! En ik, sukkel die ik was, dacht dat het goed was tussen ons. Natuurlijk was er weleens wat, maar over het algemeen…”
Hij schudde zijn hoofd, een beweging die pijn deed.
“Ze had al een tijdje een ander,” ging hij verder. “De chef van haar afdeling. Een rijke vent die haar verwende. Dat kon ik niet, althans niet met geld. Ik begrijp alleen niet dat ik het niet doorhad.”
“Dus zo verwonderlijk was het achteraf niet dat ze ineens verdween.”
“Toch wel. Ik was in die periode al behoorlijk depressief, dus die mededeling kon er nog wel bij. Ik voelde me gebruikt, misbruikt, vernederd.” Hij keek haar aan. Zijn verbrande haren waren weggeknipt, zodat zijn kapsel er nogal warrig uitzag. In andere omstandigheden zou het een koddige aanblik hebben opgeleverd. “Ik heb haar daarna een paar keer met die vent gezien. Ik weet niet eens hoe hij heet; ze weigerde altijd zijn naam te noemen. Ik weet dat ze in een zwarte Porsche voor een duur restaurant stopten.”
Zijn stem brak. Hij kuchte. “Ik bleef in mijn eentje achter. Nou, Lore regelde het meeste in huis. Daar kwam ik na een paar maanden achter, want het geld was snel op. Ik kreeg zelfs huurachterstand. En dan te bedenken dat we, kort voor mijn ontslag, gesproken hadden over een huis kopen. Dat lijkt nu een sprookje uit een ver, grijs verleden.” Zijn stem klonk weer toonloos.
“De situatie van een mens kan snel veranderen,” zei Anne. Ze sprak uit ervaring: patiënten die een ongeluk hadden gekregen, vertelden haar vaak hoe ingrijpend dat was. Alle schijnbare zekerheden werden door zo’n incident onder hen weggeslagen. Ze had onlangs zelf ervaren dat een aanrijding haar dag, en ook de daarop volgende nacht, had verstoord. Als ze aan het werk was, ging het nu wel, maar tijdens de lunch, of een kort moment van rust tussendoor flitste het ongeluk toch weer door haar gedachten.
“Maar zag u dan geen andere uitweg dan uzelf in brand te steken?” Ze zei het bijna nonchalant, hoe beladen haar woorden ook waren.
“Nee, anders had ik het niet gedaan,” antwoordde hij kribbig en hij wendde zijn blik af naar buiten. Hij haalde een paar keer diep adem en richtte zich tot haar. “Heeft u dat ooit zelf ervaren, dokter? Dat alles grijs is in je leven, dat er niets meer is om naar uit te kijken? Dat je iedere ochtend met tegenzin opstaat en je afvraagt hoelang de dag weer zal duren?”
“Gelukkig niet. Het lijkt me vreselijk.”
“Dat is het ook. Op een keer werd ik wakker en kon ik er niet meer tegen. Het was alsof de rest van de dag zwaar op me drukte. Alsof ik dat niet meer zou overleven. Ik wilde oplossen, verdwijnen, want niemand had nog iets aan me. Misschien klinkt dat overdreven, maar zo ervoer ik het wel. Nog steeds, trouwens.”
“Ik verzeker u dat we er alles aan zullen doen om uw situatie te verbeteren,” beloofde ze. “Het is alleen jammer dat het zover moest komen. Nogmaals, u heeft het aan uw stadgenoten te danken dat u er nog zo van af bent gekomen, hoe vreemd dat misschien ook klinkt. Ze hebben er op het plein alles aan gedaan om u te helpen. Zo onzichtbaar was u dus niet.”
“Dat was ook mijn bedoeling. Ik was boos. Wat zeg ik? Woedend. En tegelijkertijd merkwaardig kalm, op een manier die ik nooit eerder heb gevoeld.”
“U gaf iedereen de schuld van uw situatie.”
“Zeker. Dus moesten ze maar bloeden voor wat mij was aangedaan.”
“Maar u riep dat de omstanders bij u uit de buurt moesten blijven.”
“Hoe weet u dat?” vroeg hij met een ondertoon van wantrouwen.
“Dat hoorde ik op het plein.” Ze zei er maar niet bij dat ze het filmpje had bekeken. Wist Maiwald trouwens niet meer dat zij en haar collega’s hem hadden opgehaald? Waarschijnlijk niet; hij was toen heel ver heen.
“O ja, op het plein,” fluisterde hij.
“Ik heb gehoord dat mensen met u meeleven.”
“Waarom deden ze dat niet eerder?”
“Omdat ze u niet kenden. Of omdat ze het niet wisten. Heeft u om hulp gevraagd?”
Het leek een simpele vraag. Zijn voorhoofd fronste en blijkbaar deed ook dat pijn. “Dat heb ik wel gedaan, bij een paar mensen van wie ik dacht dat ze vrienden waren. Maar ze gaven niet thuis. Integendeel, volgens mij vonden ze dat ik niet mocht zeuren. En dan begonnen ze over hun eigen problemen. Ik kreeg het gevoel dat het allemaal mijn eigen schuld was. Ook dat Lore bij me was weggegaan.”
“Wat wilde u op het plein bereiken?”
“Ik wilde laten zien dat ik radeloos was. Wanhopig.”
“Dat is wel een extreme manier om dat te tonen.”
Als het niet zoveel pijn had gedaan, zou hij zijn schouders hebben opgehaald. “Het was de enige manier,” zei hij en achter die simpele uitleg zat veel verborgen ellende.
“U wilde niet dood. Niet echt.”
“Zeiden ze dat op het plein?”
“Dat zei de politie. U had bewust weinig brandstof gebruikt. Die fles is gevonden,” voegde ze eraan toe. “Hij was nog meer dan halfvol. Als u alles had gebruikt…”
“Dat heb ik overwogen. Sterker nog: ik was het tot vijf minuten daarvoor echt van plan.”
“Maar u durfde niet. Zoiets is een teken dat u om aandacht wilde vragen. Nou, dat is gelukt. Maar u wilde wel blijven doorleven. En nu bent u verminkt, al kunnen we u aardig oplappen.”
“Nogmaals, ik wilde laten zien wat mij was overkomen. Mijn verhaal heeft alle media gehaald, hoorde ik. Tegenwoordig word ik zelfs herkend.”
Ze keek Maiwald vragend aan.
“Ik hoorde mensen op de gang over me praten en ze wezen naar binnen.”
“Dat klopt,” zei Anne, zonder er verder op in te gaan.
“Nu weet iedereen hoe een mens kan worden. Zie het als een waarschuwing.”
“Die is wel overgekomen.” Maar ze dacht er meteen achteraan: voor hoelang? Het nieuws was regelmatig gevuld met vreselijke berichten. Het was bovendien een stroom die altijd aanhield. Het nieuws van acht uur was soms al voor middernacht weer vergeten. Waar Maiwalds vergaande actie voor hemzelf grote gevolgen had, daar sprak er over een paar dagen waarschijnlijk niemand meer over. Binnenkort verdween zijn wanhoopsdaad in de nieuwsarchieven.
“Hoe is het met je vriend?” vroeg Helmut Klein.
Anne grijnsde zowaar; ze wist meteen wie hij bedoelde. Van hem kon ze het hebben. “Met mijn vriend Karl gaat het redelijk.”
Helmut glimlachte. “Wat zei Felix?”
“Felix had er begrip voor dat ik afstand neem van hem. Alleen in noodgevallen spring ik bij, verder laat ik zijn behandeling aan mijn collega’s over.”
“Ik zei je toch dat het de beste oplossing is? Bovendien is het vaker gebeurd, Anne. Weet je nog bij Sabine, met die seksistische kerel met die hartkwaal? Zij verscheen ook niet meer aan zijn bed. Dat heet een tactische oplossing.”
“Ik kan die man niet in de ogen kijken. Hoe professioneel ik ook ben.”
Hij knikte. “Ik denk dat je de komende dagen inderdaad afstand van hem moet nemen.”
“De komende dagen?”
“Ja, de zaak laten bezinken.”
“Vind je dat ik me later wel met hem moet bemoeien?”
“Misschien wel, afhankelijk van hoelang hij hier nog is.”
“Deze week zeker nog. Zijn knie is inmiddels geopereerd, morgen krijgt hij nog een hersenscan.”
“Hm,” zei Helmut. “Karl is tegen mij nog niet erg spraakzaam geweest. Ik heb diverse tactieken op hem uitgeprobeerd, maar hij heeft een muur om zich heen gebouwd. Hij heeft een nogal gesloten karakter. Vreemd genoeg komt dat niet overeen met zijn nogal wilde en ondoordachte acties op de weg. Ik wilde dat ik beter tot hem kon doordringen. Maar dat komt nog wel. Meestal veranderen ze na een paar dagen.”
Anne slikte. “Heeft hij gezegd dat hij er spijt van had?”
“Hij heeft nog maar weinig gezegd. Hij doet net of hij moe is, of pijn heeft, als gevolg van zijn medicatie.”
“Een taaie patiënt.”
“Behoorlijk taai,” gaf de psychotherapeut toe. “Ik weet wel dat er iets met deze man is, Anne. Net zoals die kerel die zichzelf in brand stak. Maar jij was me daarin voor, Maiwald ging tegen jou ineens spreken.”
“Verwacht je dat Karl tegen mij hetzelfde zal doen?” vroeg ze verbaasd. “Want dat denk ik niet. Inmiddels weet hij hoe ik eruitzie en dat ik degene ben die aangifte tegen hem heb gedaan.”
“Zeker, en als je het zelf niet wil, moet je het zeker niet doen. Maar jij hebt wel het vermogen om mensen los te maken.” Hij nam haar nog eens op. “Je hebt iets… vertrouwenwekkends.”
“Dat is een mooi compliment, maar ik ga bij Karl geen gebruikmaken van dat voordeel.”
“Nogmaals, dat begrijp ik. Geef het de tijd.”
Ze zuchtte. “Ik was van plan hem helemaal geen tijd te gunnen.”
“Wij nemen het wel van je over. Hij zal echt wel praten, als de tijd er rijp voor is. En dan kom ik er wel achter wat hem tot zijn waanzinnige daad heeft gebracht.”
“Max was er boos over.”
“Dat snap ik. Dat zijn we hier allemaal, Anne. Maar dat maakt me ook nieuwsgierig. Hoewel jij mijn collega bent, kan ik er ook iets meer afstand van nemen, en mijn professionele nieuwsgierigheid wint terrein. Ik moet en ik zal weten waarom Karl dat gedaan heeft.”
“Ik ben blij dat jij dat doet.”
“Er moet iets gebeurd zijn waardoor hij zo hard reed. Hij heeft namelijk geen strafblad, hij heeft zelfs nooit een bekeuring gekregen.”
“Dat geloof ik best, dat heeft hij in ieder geval ingehaald.”
“Hoe wrang het ook klinkt, ik geloof niet dat hij van nature een wegpiraat is,” zei hij bedachtzaam.
“Ook dat geloof ik graag. Maar het had weinig gescheeld of mijn hoofd lag eraf, Helmut. Ik had vanochtend een beetje hoofdpijn, die nu gelukkig volledig is verdwenen. Ik ben er goed van afgekomen, maar het had heel anders kunnen uitpakken. Karl heeft geluk gehad, ik ook. Ondanks zijn asociale rijgedrag.”
Ze was zo hard gaan praten dat Mathias Braun op de gang bleef staan en omkeek. Toen hij zag dat ze alleen maar met Helmut in discussie was, liep hij door.
“Ik begrijp het,” zei Helmut nog eens en hij tikte vriendschappelijk op haar bovenarm. “Ik ga me voorlopig met hem bemoeien. Trouwens, de politie is ook nog niet met hem klaar. Hij heeft jou aangereden en is gevlucht. Daarna heeft hij twee keer een rood licht genegeerd en opnieuw een ongeval veroorzaakt, waarna hij weer is doorgereden. Dat kostte hem zijn brandschone reputatie. Als meneer hier wordt ontslagen, mag hij een tussenstop op het bureau maken.”
Later op de middag dacht Anne over de woorden van de psychotherapeut na. Al haar collega’s hadden er begrip voor dat Anne een stap terugdeed aan Karls bed. Sterker nog: dat ze geen voet in zijn kamer zette.
Ze had gehoord dat hij tot nu toe maar twee bezoekers had ontvangen. Collega’s van zijn werk. Geen vriendin of vrouw of kinderen die hem kwamen opzoeken. Misschien woonde hij alleen en was hij eenzaam.
Het ergerde haar weer dat ze daarover speculeerde. Ze wilde helemaal niet aan die wegpiraat denken! Maar ze deed het toch, zeker als ze in aangrenzende kamers kwam. Via via had ze vernomen dat Karl autoverkoper was. Blijkbaar een autoliefhebber, vandaar die Mercedes. En misschien ook zijn voorkeur voor crossen.
Max had via de mail gevraagd hoe het met haar ging en ze had naar waarheid geantwoord dat ze in orde was. Lichamelijk dan wel, want in haar hoofd was ze er nog lang niet klaar mee. Dat schreef ze niet aan haar vriend en ze had het alleen tegen Felix en Helmut gezegd. Ze wist natuurlijk van eerdere patiënten hoe ze konden reageren en had er zelfs op internet naar gezocht. Het had haar gerustgesteld dat het normaal was dat je een ongeluk, al bleef dat zonder lichamelijke gevolgen, moest verwerken. Dat kon dagen duren, maar soms ook weken, of nog langer. In dat laatste geval kon je beter professionele hulp zoeken.
Waar Felix haar voor had gewaarschuwd, was al twee keer gebeurd: in haar auto, op de weg zag ze tientallen Mercedessen voor zich, die het allemaal op haar hadden gemunt. En voor het groene licht zat ze gespannen rechtop, haar blik strak in de spiegel. Ze verwachtte een klap, waarna ze voorover zou schieten, de gordel pijnlijk tegen haar ribben. Maar die twee keer hadden haar achterliggers keurig afstand gehouden. Ze hadden zelfs hun claxon met rust gelaten toen ze niet meteen optrok wanneer het licht op groen flitste.
Even had ze gedacht dat haar ongeluk een boze droom was geweest. Op de parkeerplaats had ze echter haar gedeukte achterbumper gezien. Dit weekend zou ze haar auto laten maken.
Ze wachtte tot het rustig werd op de gang waar Karls kamer was. Ze sloop erheen en liep er zo nonchalant mogelijk langs. De deur stond open. Anne gluurde naar binnen. Karls stem klonk rustig en vriendelijk; hij bedankte Edith voor het brengen van zijn thee.
Anne beet op haar onderlip en liep snel door.
Kijk eens aan, dacht Peter Starnberg. Opa en oma liepen lachend Reina’s kamer uit. Ze riepen dat ze morgen weer zouden komen. Ze waren nog niet in de lift verdwenen, of twee meisjes van Reina’s leeftijd liepen haar kamer in.
Ze krijgt meer aandacht van haar grootouders en klasgenoten dan van haar ouders, dacht hij. Ook een buurvrouw kwam iedere dag kijken. Reina’s vader en moeder waren vandaag nog niet geweest. Speelde Ingeborg weer een belangrijke tenniswedstrijd?
Hij was even in gedachten. Gisteravond had hij met Reina gesproken om uit te vinden hoe haar thuissituatie was. Hij verwachtte niet dat ze er veel over wilde loslaten. Inderdaad was ze zwijgzaam geweest, maar hij zag dat ze veel te verbergen had. Dat zat hem dwars. Hij had gehoopt dat zijn gesprek met haar ouders hen op andere gedachten had gebracht. Als ze er maar over wilden nadenken, had hij al veel bereikt. Even had hij de hoop gehad dat ze zich er niet eens bewust van waren dat ze Ingeborg voortrokken. Maar hij wist dat het onzin was. Ze wisten heel goed waar ze mee bezig waren. Ingeborg was hun oogappel, hun tennisster. Reina moest zichzelf maar redden.
Alsof ze zijn onvrede aanvoelden, verschenen vader en moeder Schlüss plotseling in de gang. Ze hadden zowaar een cadeautje bij zich. Ze deden net of ze hem niet zagen, totdat Peter hen de weg versperde.
“Goedemiddag,” begroette hij hen.
Ze knikten hem kortaf toe.
Zijn woorden hadden misschien toch geholpen. Ze mochten hem niet omdat hij de vinger op de zere plek had gelegd. Ze zagen er allebei vermoeid uit. Zoals gebruikelijk hadden ze nette kleren aan, alsof ze bij Ingeborgs wedstrijd in een vipbox hadden gezeten.
Meneer Schlüss bleef even staan. “We hoorden net van mijn schoonouders dat het goed met haar gaat,” zei hij en hij knikte naar de kamer waar zijn dochter lag.
Wat, dacht Peter. Komen ze omdat zijn schoonouders hen hiernaartoe hadden gestuurd?
Misschien zagen zij wel in dat het gedrag van hun zoon alle perken te buiten ging.
Achter hen verlieten de twee meiden de kamer.
Zijn vrouw stootte hem aan en fluisterde hem iets toe. Hij begon te glimlachen en haalde een envelop uit zijn binnenzak.
“Volgens mij geloofde u ons niet,” zei hij triomfantelijk en hij overhandigde de envelop aan Peter.
Het was een fotomapje. Nadat zijn eerste verbazing was verdwenen, kreeg hij een vaag vermoeden wat er op die foto’s stond.
“Kijk maar,” nodigde Reina’s moeder hem uit de inhoud van het mapje te bekijken.
Dat deed hij dan maar. Voorzichtig haalde hij een stapeltje foto’s tevoorschijn. De eerste was van een scorebord in close-up, met daarop de veelzeggende cijfers: 6-2, 6-1. In het voordeel van Ingeborg Schlüss. Uiteraard.
“Die griet waar ze tegen speelde, was echt goed, hoor, ook een talent,” lachte meneer Schlüss.
De manier waarop hij het zei, bezorgde Peter rillingen. Hij keek maar snel verder. Daar zag hij de beroemde Ingeborg. Ze was een iets oudere uitvoering van Reina. De twee meiden leken sprekend op elkaar. Ingeborg had iets korter haar, dat ze tijdens haar sport in een staart droeg. Toen Peter echter op haar blik lette, zag hij toch een groot verschil. Ingeborg had een zeer zelfbewuste, bijna arrogante uitstraling, waar Reina vooral kwetsbaarheid uitstraalde.
Geen wonder, gezien haar situatie.
Hij wierp een snelle blik op de overige foto’s. Ingeborg met een zilveren beker. Ingeborg met nog meer bekers. Een foto van haar prijzenkast vol trofeeën. Ingeborg als stralend middelpunt tussen haar trotse ouders. Ingeborg gearmd met tennisicoon Steffi Graf.
Meneer en mevrouw Schlüss keken toe en ze wachtten totdat Peter bewonderend commentaar zou geven. Maar dat deed hij niet en Reina’s moeder nam zelf maar het woord.
“U ziet dat we het niet zomaar over iemand hebben,” zei ze en ze keek hem aan. Peter herkende Ingeborgs hooghartigheid in die blik. Hij wachtte even voordat hij antwoordde: “Zeker.” Hij klonk opmerkelijk koel.
Demonstratief deed hij de foto’s terug in het mapje. Reina’s moeder keek ernaar of ze bang was dat hij vieze handen had.
“Daar ligt nog een speciaal meisje,” zei hij en hij wees naar Reina’s kamer.
“Ben je wakker, Peter?” klonk ineens Annes stem achter hem.
Hij draaide zich om en glimlachte flauw. “Ik was in gedachten.” Hij legde uit wat hij net had meegemaakt.
Annes gezicht betrok. “Mijn mensen zijn het niet,” zei ze zacht en ze keek naar de kamer waar de vader en moeder van Reina op bezoek waren. “Ik ben een paar keer bij Reina wezen kijken. Lief meisje. Maar haar ouders…”
Ze haalde diep adem en vervolgde: “Ze kwamen op mij nogal hooghartig over. Alsof ze zich meer voelen dan wij.”
“Ik kan je verzekeren dat het zo is.”
“Hij zit in verzekeringen, hij sponsort zijn tennissende dochter,” wist Anne te vertellen.
“Ja, en zijn andere meisje vergeet hij. Trouwens, zijn vrouw is net zo.”
“Is die Ingeborg hier al geweest?” vroeg Anne.
“Niet dat ik weet. Ik heb haar in ieder geval nog niet gezien.”
“Het is echt…” begon Anne, maar ze stopte omdat ze luide stemmen uit Reina’s kamer hoorde. Peter keek haar aan.
Hij hoorde Reina’s stem boven die van haar ouders uit. Dat verwonderde hem. Ze was een ingetogen en zachtaardig meisje. Hij had haar niet eerder zo hard horen praten. Het was bijna gillen. Omdat de drie ineens door elkaar heen praatten, kon hij niet verstaan wat ze zeiden. Reina begon echt te gillen. Hoewel Peter nog steeds niet goed hoorde wat ze riep, klonk het als boze verwijten.
Anne stootte hem aan. “Zullen we…”
Hij schudde zijn hoofd. “Dit is zo goed van haar,” zei hij zacht. “En het is ook goed voor haar. Laten ze het maar voelen. Ik hoop dat haar boodschap eindelijk doordringt.”
Gespannen wachtten ze af. De ruzie was tot aan het eind van de gang te horen. Renate kwam uit een kamer en wilde naar de bron van de herrie toelopen toen ze Peter en Anne ontdekte. Hij maakte een handgebaar waarmee hij aangaf dat het beter was dat ze wachtte. Zelfs op afstand zag hij de verbazing op Renates gezicht. Ze haalde haar schouders op en liep langzaam terug. Ze keek nog wel een keer om.
De ruzie had inmiddels een dieptepunt bereikt. In de brij van verwijten hoorde Peter diverse keren Ingeborgs naam. Die werd vooral door meneer Schlüss uitgesproken.
Anne keek hem vragend aan. Maar zoals Peter verwachtte loste het conflict zich snel op. Meneer en mevrouw Schlüss stoven plotseling uit de kamer van hun dochter. De panden van de jas van meneer fladderde achter hem aan. Zijn vrouw had het cadeautje nog in haar hand.
“U herkent me waarschijnlijk niet,” zei de onbekende man tegen Maiwald. De bezoeker was een lange man met donkere ogen en warrig grijs haar.
“Dat klopt, ik herken u niet,” zei Maiwald vlak. Wat deed die vent hier? Was hij een journalist? Een sensatiezoeker?
Maiwald had een beetje hoofdpijn en vandaag deed zijn knie meer pijn dan ervoor. Hij had geen zin in onverwacht bezoek. Hij had helemaal geen zin in vreemden aan zijn bed.
De man haalde een grote bos bloemen tevoorschijn. Het was een prachtig boeket. “Ik zal me voorstellen. Mijn naam is Albert Deiner, de bloemist die water over u heeft gegooid.”
Omdat er geen reactie volgde, ging hij verder: “Toen u zichzelf…”
Hij vond het te pijnlijk om zijn zin af te maken.
Maiwald knikte.
Albert verplaatste zijn gewicht van zijn ene voet op de andere. “Eigenlijk heeft mijn vrouw u gered. Zij zag wat er gebeurde. Ze riep dat ik iets moest doen. Dat heb ik dus maar gedaan.”
Maiwald keek voor zich uit.
“Eigenlijk wilde zij komen, maar ja, er moet iemand op de winkel passen,” ging Albert verder.
Maiwald begreep dat hij hoopte dat zijn spraakzaamheid op hem zou overslaan. Maar hij voelde weinig behoefte om te praten. Wat moest hij tegen deze man zeggen?
“Ik zal de bloemen op het aanrecht neerleggen.” Albert probeerde vergeefs oogcontact met Maiwald te zoeken. “Of wilt u dat ik ze in een vaas zet? De verpleegsters hebben het al druk genoeg.”
“Dat doen zij zo wel.”
“Dat is goed.” Albert keek bezorgd naar zijn frisse bloemen.
“Hoe gaat het met u?” vroeg hij. Even dwaalde zijn blik af naar de lege stoel, maar hij bleef staan.
Langzaam draaide Maiwald zijn gezicht naar de bezoeker. “Ik zag dat u van me schrok.”
“Deed ik dat?”
“Ja, ik zag het aan uw gezicht. Aan uw ogen.” Er ging een siddering door zijn lichaam en ineens deed alles hem weer pijn. “Het is ook logisch, ik zie er niet uit.”
“Nou, eerlijk gezegd, valt het… ik dacht dat het erger zou zijn, na wat er op het plein gebeurde.”
“Nog erger?” Zijn onderlip deed weer pijn. Ondanks de zalf stonden zijn armen in brand.
“Ik denk dat u over een paar dagen weer naar huis kunt,” zei Albert opgewekt, al voelde hij zich steeds minder op zijn gemak.
“Naar huis? Als ik daar nog naar binnen kan.”
De bitterheid van zijn stem legde Albert even het zwijgen op.
Hij opende zijn mond om door te vragen, maar bedacht zich. Op zijn voorhoofd verschenen fronsen. “Ik heb dat vuur geblust, omdat ik dacht dat het goed was.”
“Dat was het niet.”
“Bent u boos op mij?”
“Niet alleen op u, op iedereen.”
“Ik kon u toch niet zomaar laten liggen? U stond in brand.”
Maiwald keek hem ijzig aan. “Wat als dat geen toeval was?”
“Dat dacht ik al.” Hij richtte zich op, totdat hij kaarsrecht voor Maiwalds bed stond. “Natuurlijk was dat geen toeval. Het was een… poging tot… Nou ja, aandacht? Mag ik het zo noemen?”
“U mag het noemen zoals u wilt.”
“Vindt u het niet logisch dat omstanders ingrepen? Ik was niet de enige. Ze rolden u heen en weer om het vuur te doven. Ik doofde het, maar het was al minder geworden. Ik pakte spontaan twee emmers met bloemen, die buiten stonden, griste de bloemen eruit en gooide de inhoud van de emmers over u heen. Misschien had ik het beter niet kunnen doen. Het was koud water. Misschien wel te koud. Op televisie zeiden ze een tijdje terug dat je dan onderkoeld kunt raken.”
“Dat was niet mijn belangrijkste probleem.”
“Nee, nee,” mompelde Albert. Hij voelde zich overbodig in deze kamer, waar een merkwaardige stilte hing.
Demonstratief sloot Maiwald zijn ogen.
“Nou, als ik u heb dwarsgezeten, dan spijt me dat,” zei Albert.
Er kwam geen reactie van Maiwald.
Albert raakte de verpakking van het boeket aan. “Zal ik ze echt niet in het water zetten?”
Zijn blik ging omhoog, naar het lege prikbord. Hij dacht: deze man is misschien een tijdelijke beroemdheid, maar hij heeft geen vrienden.
“Ik hoop maar dat het goed met u gaat,” zei hij. “Ik hoop dat het steeds beter met u gaat.”
Daarna wachtte hij of Maiwald zou reageren. Maar die lag in bed alsof hij sliep. Albert wist zeker dat het niet zo was. Hij keek opnieuw naar de bloemen en overwoog of hij ze mee terug zou nemen.
Hij staarde naar de verbrandingen op Maiwalds gezicht en zei: “Dan ga ik er maar vandoor. Dag, meneer.”
Hij draaide zich om en liep de gang in. Op weg naar de uitgang vroeg hij zich af of hij boos of verdrietig was. Misschien wel allebei.
Anne dacht al dat Helmut haar iets te zeggen had. Hij nam haar mee naar de lege wachtstoelen bij de afdeling Cardiologie. Er was op dat moment niemand aanwezig, want de lunchpauze was aangebroken.
“Die man zit vol schuldgevoelens, Anne. Ik heb hem net nog gesproken. Ineens barstte hij los. Niet dat hij veel zei, het was vooral een herhaling van zijn boodschap.”
Uiteraard doelde hij op Karl.
Ze bewonderde Helmuts doorzettingsvermogen, maar ze voelde ook ergernis. Waarom drong hij zo aan? Ze dacht aan haar eerdere gesprek met hem. Was het professionele trots? Wilde hij Anne van haar trauma afhelpen? Nee, het was geen trauma, verbeterde ze zichzelf. Meer gevoelens van onbehagen ten opzichte van Karl. En er was nog altijd boosheid.
“Ik begrijp dat je dit conflict uit de wereld wilt helpen, Helmut,” zei ze met beheerste stem. “Maar ik denk dat je voorlopig de enige bent. Bovendien ben ik er nog niet aan toe. Nogmaals, ik heb nog geen zin hem onder ogen te komen.” Ze wachtte even. “Hij weet dus heel goed wie ik ben, hoe ik eruitzie.”
“Ja. En het spijt hem ontzettend.”
Dit keer deed ze geen moeite om haar irritatie te verbergen. “Ontzettend zelfs? Ik merkte daar zo weinig van!”
“Zoals ik verwachtte, is hij tot inkeer gekomen. Hij heeft tijd nodig gehad om in te zien welk leed hij heeft veroorzaakt. Alleen weet ik nog niet de oorzaak. Maar dat is een kwestie van tijd. Een paar dagen, hooguit.”
Ze wendde zich van Helmut af en staarde naar buiten. Hoezeer ze Helmut ook mocht, als collega en als mens, ze had nu even genoeg van hem.
Demonstratief keek ze op haar horloge. “Ik heb pauze. Ik ga lunchen.”
En weg was ze.
Maiwald had zijn koffie opgedronken en staarde voor zich uit. Hij had te veel tijd om na te denken. Op momenten als deze drong de pijn van zijn brandwonden dwars door de pijnstillers heen.
Zijn daad leek al weer zo lang geleden. Hier lag hij dan, een man die in de bloei van zijn leven moest zijn. Negenentwintig jaar. En werkloos. Alleen. Eenzaam.
Misschien lag er inmiddels een bevel tot uitzetting op zijn stoffige deurmat. Dat zou wat zijn: als hij thuiskwam, was er geen thuis meer. Zat er een nieuw slot op de deur. En woonden er andere mensen in het huis waar hij en Lore jarenlang gelukkig waren.
Nee. Zo snel kon het toch niet gaan? Terwijl hij hoofdpijn voelde opkomen, was hij daar echter niet zo zeker van.
De roddels over hem waren naar de achtergrond verdwenen. Hij was oud nieuws. Niemand wees nog naar binnen. Zelfs de verpleegsters hadden het niet meer over zijn bizarre actie. Zijn brandwonden werden regelmatig ingesmeerd en iemand van wie hij de naam was vergeten had er met hem over gesproken dat zijn derdegraads brandwonden door de plastisch chirurg verholpen konden worden.
Alsof dat niets kostte.
Hij gluurde naar zijn armen en grinnikte bitter. Van afstand leken zijn wonden op tatoeages. Tatoeages! Welke zichzelf respecterende man had ze tegenwoordig niet?
Maar wat kon hij op zijn verwonde armen laten zetten als hij die liet bewerken, ooit, wanneer hij weer geld had? Lores naam? Ha!
Vanuit zijn ooghoeken zag hij een schim op de gang.
Een schim die snel veranderde in… Lore.
Even wist Maiwald zeker dat hij hallucineerde. Want ze was het en tegelijkertijd ook niet. Hoe kon ze zo zijn veranderd?
Onbewust deed hij zijn armen onder het laken.
Lore leek ouder dan in zijn herinnering. Haar lange, rode haar was een stuk korter en bovendien geblondeerd. Ze droeg van die afschuwelijke nette kleding die ze blijkbaar van die andere vent moest dragen. Maiwald kende haar van haar kleurige vrijetijdskleding, grote oorbellen en versieringen in haar haren. Nu was het of ze net van kantoor kwam. Na een lange, vermoeiende en niet bijzonder interessante werkdag.
Dat was de grootste verandering: in haar gezicht. Haar grijze ogen straalden niet. Ze had wallen onder haar ogen. Haar mond stond strak.
“Hoi,” zei ze zacht.
Zelfs haar stem klonk anders. Verlegen, ingetogen. Alsof ze met tegenzin praatte.
Hij staarde haar zo lang aan dat ze er nog onzekerder van werd.
“Hoi Maiwald,” zei ze zacht.
Toen ze zijn naam noemde, herkende hij iets van haar stem van vroeger.
Hij knikte naar haar. Eerst wilde hij haar wegsturen door te blijven zwijgen, maar ineens twijfelde hij daaraan.
“Mag ik binnenkomen?”
Hij knikte opnieuw. Haar blik bleef op hem gericht toen ze zijn kamer inliep en de deur op een kier achter zich sloot. Ongevraagd nam ze op de stoel naast zijn bed plaats. Ze bewoog heen en weer, streek een lok van haar lichte haren uit haar gezicht.
Tegenwoordig droeg ze kleine oorbellen.
“Hoe gaat het met je?” vroeg ze.
“Doe je dit voor mij of voor jezelf?” kaatste hij terug.
Ze schrok van zijn reactie en hij voelde meteen een beetje spijt.
“Ik zag je op televisie, Maiwald,” fluisterde ze. Toen ze naar zijn gezicht keek, zag hij tranen in haar ogen.
“Ja, dat was wat. Maiwald Green haalde het achtuurjournaal. Niet vanwege een grote prestatie of iets leuks, maar omdat hij zichzelf in het openbaar in de fik stak.”
Ze wreef in haar ogen, keek naar de muur en zuchtte.
“Ik vind het vreselijk voor je.”
Ze klonk oprecht, maar wat had hij eraan?
Ze zag het boeket op het aanrecht. “Dat is mooi. Mag ik vragen van wie je dat hebt gekregen?”
“Dat vraag je al.”
Ze haalde haar schouders op.
“De vent die water over me heen gooide. Hij was bloemist.”
“Dat is aardig.”
Hij reageerde daar niet op.
“Je ziet dat de mensen om je geven.”
“Dat is nu een beetje laat, vind je niet?”
“Je had het nooit moeten doen,” zei ze, haar stem iets luider. “Waarom heb je geen hulp gezocht?”
“Niemand wilde me blijkbaar helpen.”
“Ik begrijp wat je zegt, Maiwald. Wat je wilt zeggen. En je hebt natuurlijk gelijk.”
“Het is een wonder dat je mij mocht opzoeken.”
“Wat bedoel je?”
“Nou, je zit toch onder de plak van je nieuwe vriend?” Hij nam haar nog eens op en ineens voelde hij zichzelf minder belachelijk. “Deze kleren zien er niet uit! Je loopt voor gek, Lore. Echt, zo ben je niet!” Zijn mond begon pijn te doen van zijn felle uitroep. “Zo kun je niet zijn.”
“Ik ben zoals ik ben. Dat moet jij weten.”
“Ik dacht inderdaad dat ik je kende. Maar nog nooit heb ik me zo in iemand vergist.”
“Het waren de omstandigheden.”
“De omstandigheden?” herhaalde hij schamper. “Uiteraard. Je had me kunnen helpen toen ik mijn baan kwijtraakte.”
“Dat heb ik gedaan,” zei ze fel. “Ik heb het tenminste geprobeerd. Maar jij liet je niet helpen. Je bleef hangen in je slachtofferrol.”
“Ik was ook slachtoffer van die reorganisatie.”
“Zeker. Maar je had toch in beweging kunnen komen? Je zwolg in zelfmedelijden.”
“Hoe kom je daar nou bij?” Hij was echt verrast.
“Je bleef maar zielig doen over het onrecht dat jou was aangedaan. Je werd onuitstaanbaar, Maiwald. Er was niets meer over van de leuke vent die ik jaren daarvoor ontmoette en op wie ik verliefd werd. Ik kon je ook niet meer bereiken.”
Haar woorden vielen dof in zijn hoofd.
Zelfmedelijden? Onbereikbaar?
Waarom deden de paar bezoekers die langskwamen zo vervelend? Een gepensioneerde collega van het stadhuis had ook even om de hoek gekeken en vragen gesteld aan een verpleegster. Maiwald had net gedaan of hij sliep.
En nu was Lore er en die begon ook al over dingen die hij niet wilde horen! Hij keek langs haar heen naar de kier van de deur. Waarom kwam niemand hem insmeren met brandzalf, of nog een kop koffie of thee brengen?
“Het had echt niets te maken met je werkloosheid, dat wil ik in ieder geval kwijt,” ging ze verder. “Daar kon je niets aan doen. Maar je was voor die tijd al veranderd, Maiwald. Je leefde op de automatische piloot. Ik had je dat al een paar keer gezegd, maar er veranderde niets.”
Dat kon hij zich werkelijk niet meer herinneren.
“Je was mijn vriend niet meer, zeker niet na je ontslag, maar ook al daarvoor. Je was als… een patiënt die ik thuis moest verzorgen,” zei ze langzaam. “Op een gegeven moment kon ik er niet meer tegen. Dat had jij niet door, je was alleen met jezelf bezig. Toen ik op mijn diepste dieptepunt was beland, kwam ik Hans tegen.”
Hij veerde op en dat deed pijn. “Hans! Eindelijk weet ik de naam van de man die jou gelukkig maakt! Je hebt hem mij nooit verteld. Hans. Klinkt stoer. Een naam die past bij een Porsche.”
“Heb ik dat echt nooit gezegd?” vroeg ze verbaasd. “Hoe dan ook, ik was niet van plan geweest om iets met hem te beginnen.”
Hij had zijn weerwoord klaar, maar ze ging meteen door. “Als wij toen normaal met elkaar waren omgegaan, had ik hem niet eens zien staan! Maar nu wel, en hij gaf me de aandacht die ik thuis tekortkwam.”
“Hij had ook geld.”
“Natuurlijk, dat was meegenomen, daar ben ik eerlijk in. Maar we zijn geen stel meer.”
Hij vroeg zich af of hij het goed had gehoord.
“We zijn uit elkaar,” zei ze nog maar eens. “Het is over tussen ons.”
Hij kreeg een merkwaardig gevoel in zijn onderbuik.
“Om twee redenen,” zei ze rustig. “De eerste is dat hij al drie weken een affaire had met een stagiaire op zijn kantoor. Een lekker dingetje van negentien of twintig jaar. Ik ontdekte het toen zijn mobiele telefoon ging en ik opnam. Bovendien sprak hij mij te vaak over zijn ex.”
De bedrieger bedrogen, dacht Maiwald. Nu wist zijzelf hoe dat voelde. Niet prettig.
“De tweede reden was de opmerking die hij maakte toen hij naast me op de bank zat en we naar het nieuwsbericht keken waarin jij voorkwam.”
“Wat zei hij over mij?” Maiwald voelde woede opkomen.
“Dat zal ik je in deze situatie besparen. Ik trok het me nogal aan en hij deed daar luchtig over. Te luchtig, naar mijn mening.”
Sissend zoog Maiwald zijn adem naar binnen. Wat had die rijke kerel over hem gezegd? Zijn jaren met Lore flitsten aan hem voorbij. Die vent had het recht niet om…
Hij voelde haar warme hand op zijn blote schouder. “Waar zijn je handen trouwens?” vroeg ze ineens.
Waar hij vijf minuten geleden koppig had geweigerd ze te laten zien, daar toverde hij ze nu tevoorschijn.
Lore begon te huilen.
“Ik wist niet dat het zo erg was,” zei ze even later, toen haar tranen waren verdwenen en haar stem weer normaal was.
“Het was nog veel erger. De blaren zijn inmiddels verdwenen. Niet dat ik nu toonbaar ben, maar het is al wel minder bont. Het lijkt wel op een oorlogsschildering.”
“Deze zelfspot had je eerder moeten hebben,” zei ze gevat. “Die had jou erdoorheen gesleept.”
Hij dacht opnieuw aan wat ze net had gezegd. Zoals ze naast zijn bed zat, was de oude Lore teruggekeerd. Onredelijk was ze niet. Hij had eerst gedacht dat ze gekomen was om zich over zijn situatie te verkneukelen. Om haar gelijk te bewijzen en te laten merken dat hij een loser was. Maar het tegendeel bleek waar. Hij kende haar lang genoeg om te weten dat haar belangstelling oprecht was.
Zijn slapen bonkten.
Hij voelde zich anders nu ze weer in zijn buurt was. Haar bezoek had hem overvallen. Op een aangename manier, dat moest hij toegeven. Hij voelde zich niet meer zo alleen.
“Ik heb vaak aan jou gedacht nadat ik dat ongeluk op televisie zag.”
“Het was geen ongeluk. Ik was radeloos, ik wilde met vuur zeggen dat iedereen me in de steek had gelaten.”
“Ik las eerst dat het een zelfmoordpoging was. Dat kon ik niet geloven.”
“Dat was het ook niet,” verzuchtte hij. “Dat durfde ik niet.”
Er trok een rilling door zijn hele lichaam, maar ineens begon hij overal te gloeien. “Dat wílde ik ook niet.”
“Dat wist ik. Ik ken jou beter dan wie dan ook.”
Ze glimlachte voor het eerst. Haar ogen begonnen te glanzen en hij zag haar tanden weer. In zijn herinnering was ze vaak voorgekomen, maar anders dan zoals ze nu bij hem zat.
Ze keek naar zijn armen, naar zijn borst, nek en gezicht. “Ik hoorde van een dokter dat ze je aardig kunnen oplappen.”
“Letterlijk oplappen, ja. De ergste wonden, die witte, willen ze vervangen door lapjes huid weg te nemen uit minder zichtbare plekken. Een stukje kuit in mijn gezicht, wat dacht je daarvan?”
Hij merkte zelf dat hij niet cynisch klonk, maar bijna opgewekt. Maar er trok snel een schaduw over zijn gezicht. “Ik weet niet eens of ik straks mijn verzekering kan betalen.”
“Ik kan dat wel. Dat is het minste wat ik voor je kan doen.”
“Wat? Maar je…”
Weer onderbrak ze hem. “Niet meteen afkappen, Maiwald. Er zijn mensen die jou willen helpen.” Ze keek hem aan. “Ik ben er daar één van.”
Hij zweeg, diep in gedachten.
“Door mijn relatie met Hans ben ik jou meer gaan waarderen,” zei ze. Haar stem klonk hees. “Ik ben gaan inzien hoe waardevol onze jaren samen waren. Goed, we belandden in een dip, maar dat geven we tenminste toe. Ik heb ervan geleerd. Jij hopelijk ook.”
Waar wilde ze heen? Hij had zich voor haar komst nog zo leeg gevoeld, zo nutteloos.
“We kwamen allebei op het verkeerde pad, zullen we het zo maar samenvatten?” Ze zei het luchtig, maar hij hoorde het verlangen in haar stem.
Verlangen naar hem, terwijl hij er zo bij lag!
“Waar woon je nu?” vroeg hij. “Als jullie niet meer samen zijn, dan…”
“Ik logeer tijdelijk bij een vriendin,” onderbrak ze hem, alsof dat haar ex-vriend moest overtuigen dat ze de waarheid sprak.
“Bij een vriendin. Maar je kunt toch niet…” hoorde hij zichzelf zeggen.
“Ik werk nog altijd bij de bank. Ik kan mezelf redden.”
Ze keek hem zo lang aan dat hij haar blik ontweek.
“Wacht eens, maar daar werkt die vent ook. Die Hans.”
“Vanaf volgende week word ik overgeplaatst naar een andere afdeling. Hetzelfde gebouw, maar een verdieping lager.”
Hij knikte. “Ik zit net te denken dat we eindelijk weer eens op een normale manier met elkaar spreken,” zei hij zacht.
Ze legde een hand op de zijne. “Ik ben hierheen gekomen, omdat ik je niet kon vergeten, Maiwald. Wat er ook tussen ons is gebeurd.” Ze glimlachte raadselachtig. “Of misschien wel juist daardoor.”
“Hoi,” zei Ingeborg.
Natuurlijk had Reina haar zus allang zien staan op de drempel. Ze deed net of ze wakker werd. “O, hoi,” zei ze. “Kom je niet verder?”
Ingeborg liep de kamer in. Ze keek om zich heen, alsof ze verbaasd was dat ze samen waren.
Haar oudere zus had haar haren in een staart samengebonden. Alsof ze net van een tenniswedstrijd kwam. Misschien was dat ook zo, dacht Reina, want ze zag dat Ingeborgs gezicht nog een beetje glom van het zweet. Vooral haar neus. Of was ze zenuwachtig?
“Heb je net gespeeld?” vroeg Reina.
Ingeborg bleef aan haar bed staan. “Gespeeld? Je bedoelt of ik heb getennist? Nee, ik heb zelfs nog niet getraind vandaag. Vanavond weer.” Ze keek Reina aan. “Waarom vraag je dat?”
“Omdat iedereen het over jou heeft. Over jou en je geweldige tennis.”
“Ja, hallo, daar kan ik niets aan doen! Dat komt door pappa en mamma. Denk je dat ik nooit moe van hen word?”
Ze keek naar de deur, alsof ze op het punt stond weer te vertrekken.
“Wat? Bedoel je dat je het niet leuk vindt dat…” Reina’s ogen werden groot.
“Nee, wat dacht je dan? Ik zie er soms zo tegenop!”
Reina trok wit weg, omdat het gezicht van haar zus rood aanliep. Nog even en ze zou gaan huilen. Ingeborg, haar stoere en sportieve zus!
“Maar waar zie je dan tegenop?” vroeg Reina.
“Nou, alles. De manier waarop ze tegen me praten. Alsof ik een prinses ben. Of een beroemdheid. Dat geklets de hele tijd tegen me, dat ik groot kan worden en zo. Wat dat dan ook mag betekenen.”
“Dat je straks een beroemde tennisster wordt, natuurlijk. Dan mag je naar Wimbledon.”
Ze had die naam van dat beroemde toernooi zo vaak horen noemen door haar ouders.
“Ja, goed, maar zeggen ze dat tegen jou ook steeds?”
“Wat dacht je dan? Ze praten nergens anders over.”
“Dat weet ik, maar hier ook?”
“Wat dacht je dan?” vroeg Reina opnieuw. “Iedereen in dit ziekenhuis weet wat je doet en hoe goed je bent.”
Ingeborg sloeg haar handen voor haar mond. Ze maakte een gesmoord geluid. “Vandaar dat…”
“Vandaar wat?”
“Iedereen keek me na. Beneden, op de trap en hier op de gang. Tenminste, dat gevoel heb ik. Dat komt natuurlijk omdat pappa en mamma…”
“Ja, daar komt dat door. De dokter had er een heel gesprek over.”
“Over mij?”
Reina knikte.
“Terwijl jij erbij was?”
Reina knikte opnieuw. “Ze dachten dat ik sliep.”
Ingeborg kneep haar ogen dicht en haalde diep adem. Ze opende haar ogen, boog zich voorover en veerde meteen weer terug, alsof geen enkel gebaar de aandacht die Reina tekort was gekomen zou kunnen goedmaken. “Dit is erg. Dit is heel erg,” zei ze, heel langzaam en nadrukkelijk.
“Je doet alsof je dat niet wist.”
“Jawel, maar ik wist niet dat het zo erg was. Echt niet.”
“Ze praten altijd en overal over jou. Daarom heb je dat zelf niet meer door.”
“Ze zijn trots op me, dat weet ik. En dat ben ik zelf ook. Maar ze kwamen eergisteren anders thuis.”
“Anders thuis?”
“Ja, er was hier iets gebeurd, alleen weet ik niet precies wat.”
“Ik kan het je wel vertellen.” Reina trok een pijnlijk gezicht omdat haar geopereerde heup even opspeelde.
Ingeborg keek haar vragend aan. Het was alsof Reina in een spiegel staarde.
“Ik heb ruzie met hen gemaakt. Hebben ze dat niets eens verteld?”
Ingeborg schudde haar hoofd.
“Dat is echt niet te geloven!” riep Reina.
“Heb jij ruzie met hen gemaakt?” herhaalde Ingeborg, alsof zoiets onmogelijk was.
“Ja, en goed ook. Volgens mij heeft de hele gang het gehoord. Misschien zelfs wel beneden.” Ze grijnsde.
“Zo, jij durft! Waar ging het over?”
“Drie keer raden.”
“Ja, ja, ik snap het. Over ons. Dat ze altijd over mij praten.”
“Juist.”
“Ik dacht het al. Maar waarom zeiden ze er niets over tegen mij? Ze zaten maar tegen elkaar te smoezen. Ik zag dat ze ergens meezaten. Pappa is gisteren niet eens bij mijn bondstraining geweest.”
“Dan was hij ziek.”
“Dat dacht ik ook.
“Het komt door wat die dokter tegen hen zei. Ze waren niet eens langs geweest toen die man met hen wilde praten over mijn operatie. Ze wilden liever met Otto praten.”
Ingeborgs gezicht verstrakte. “Echt? Dat wist ik niet eens! Anders had ik hen echt wel hierheen gestuurd!” Haar stem sloeg over. “Ze deden er ook zo luchtig over! Alsof jouw ongeluk… Ik zeg niet dat ze beweerden dat het niets voorstelde, maar wel dat het niet echt ernstig was.”
Reina voelde tranen achter haar ogen branden.
“Daarom kwam ik ook niet meteen. Ik wilde echt komen, het liefst zo snel mogelijk. Op de training heb ik het aan iedereen verteld.”
“Van mijn ongeluk? Echt?”
Ingeborg knikte. “Toen pappa en mamma zo raar deden nadat ze ruzie met jou hadden gehad, vroeg ik me af wat er werkelijk was gebeurd. Vandaar dat ik eindelijk tijd vrijmaakte om te komen.”
“Hebben ze je niet gestuurd?”
“Nee, natuurlijk niet!” Ingeborg klonk boos.
“Wat zeiden pappa en mamma ervan?”
“Ze weten het niet eens. Ik geloof dat ze wel zijn geschrokken en dat ze daarover hebben gepraat. Misschien geven ze je wel gelijk, dat ze weinig aan je denken.”
“Ze vinden jouw tenniswedstrijden belangrijker.”
“Dat weet ik. Het spijt me.”
“Jij kunt er niets aan doen.” Reina knikte naar buiten. “Maar zij wel.”
Ingeborg was even in gedachten. “Ik vind tennissen gewoon leuk. Ik kan het goed. Maar ja, daarom hoeven ze mij nog niet voor te trekken.”
“Ze verwachten dat jij een ster wordt die veel wedstrijden gaat winnen.”
“Ja, nou? Dat is leuk voor mij. En als ik er veel geld mee ga verdienen, krijg jij er ook wat van. Als dat nodig is.”
Reina lachte. Het leek ineens of haar heup vrijwel was genezen.
“Kijk, ik ben zoveel met tennissen bezig dat ik misschien niet eens doorhad dat ze jou weinig aandacht gaven. Te weinig, begrijp ik nu.”
Haar zus praatte als een volwassene, dacht Reina. “Volgens mij denken ze er nu anders over. Misschien had ik eerder ruzie moeten maken.”
“Had dat maar gedaan!” Ingeborg grinnikte. “Het is erg dat ik het zeg, maar weet je dat ik als klein kind vaak ruziemaakte met hen?”
“Echt? Daar weet ik niets van.”
“Jawel, toen ik begon met tennissen. Ik bleef smeken of ze een keer kwamen kijken. Niet dus. Totdat een trainer een keer toevallig tegen mamma had gezegd dat ik zo goed kon spelen. Nou, toen kwamen ze wel.”
Reina lachte. “Dat vonden ze natuurlijk geweldig.”
“Wacht maar tot jij straks balletwedstrijden gaat doen.”
“Als ik dat al wil. Eerst moet mijn heup helemaal goed zijn. Ik ben al uit bed geweest. Goed, hè?”
“Daar kwam ik natuurlijk voor! Hoe gaat het ermee?”
“Goed, het geneest goed volgens die ene dokter. Hij zei…”
Ze hoorden naderende voetstappen op de gang.
“Pappa en mamma?” fluisterde Ingeborg.
De deur ging open en meneer en mevrouw Schlüss liepen naar binnen. Reina’s moeder had een groot cadeau in haar armen.
Ze bleven stokstijf staan toen ze Ingeborg aan Reina’s bed zagen staan.
“Inge! Jij hier?” vroeg haar vader.
“Ja, ik moet er toch zijn voor mijn zusje?”
“Ik vroeg me al af waar jij was,” zei haar moeder. “In ieder geval niet op de trainingsbaan.”
“Hier ben ik harder nodig,” zei Ingeborg.
De gang leek eindeloos, dacht Anne.
Ze was op weg, eindelijk op weg, naar Karl Förster.
Ze wilde niet langer de confrontatie uit de weg gaan. Helmut had gelijk; dit was haar werk. Als ze hem bleef vermijden, zou ze haar ongeval niet goed kunnen verwerken. Dagen had ze erover nagedacht. Ze had er met Hedwig en Tim over gesproken, nog eens met Felix en thuis met Mientje. Ook Max had ze op de hoogte gebracht. Nu zijn boosheid enigszins was verdwenen, had hij haar eveneens aangeraden met Karl te gaan praten.
Maar toch, de man in de ogen kijken die haar zonder pardon had aangereden, dat viel niet mee.
Daar was zijn kamer. Er was niemand. Karl was blijkbaar geen man met vrienden, hooguit bekenden en twee collega’s. Ze kwamen hier niet vaak.
Anne gluurde naar binnen. Meteen had ze oogcontact met Karl. Hij moest op haar hebben gewacht.
“Kom verder, dokter Maas,” zei hij vriendelijk. De trilling in zijn stem ontging haar niet. Waarschijnlijk was hij nerveuzer dan zij.
Karl zat rechtop in bed. Hij zag er fris en verzorgd uit; misschien had hij net gedoucht. Zijn haar was keurig gekamd en hij had zich geschoren. Op het eerste gezicht een vlotte en aardige man.
Langzaam liep Anne zijn kamer in. Ze slikte.
Karl wees op de lege stoel naast zijn bed. “Neemt u plaats, alstublieft. Ik heb op u gewacht. Ik ben blij dat u bent gekomen.”
De trilling in zijn stem was nog niet verdwenen.
“Hoe is het met uw auto?” vroeg hij.
Ze had zo’n opmerking verwacht. Eerst over iets anders beginnen, in dit geval de beschadigingen aan haar vervoermiddel.
“Hij is inmiddels gerepareerd.”
“Was dat veel werk?”
“Behoorlijk,” overdreef ze enigszins.
“Duur?”
“De verzekering vergoedt. Het heeft wel even tijd gekost. Gelukkig waren het alleen uiterlijke beschadigingen, zodat ik gewoon kon doorrijden.”
Net zoals bij mezelf, dacht ze.
Hij zat maar te knikken. Zijn ogen schoten heen en weer. Ineens stak hij zijn hand naar haar uit. “Ik wil mijn verontschuldigingen aanbieden,” zei hij.
Ze zag aan zijn gezicht dat die woorden hem veel moeite kostten. Volgens Helmut worstelde hij al dagen met schuldgevoelens.
Ze gaf hem een hand en ging zitten. Dat was in ieder geval achter de rug.
“Ik begrijp volkomen waarom u mij hebt gemeden,” ging hij verder.
Ze wachtte even. Ze had zich voorgenomen om hem vooral het woord te laten doen.
“Wat ik u heb aangedaan, was onverantwoordelijk, gevaarlijk en fout,” barstte hij los. Hij kreeg een rode vlek in zijn nek. “Door mijn rijgedrag heb ik u in gevaar gebracht. En later ook nog eens iemand anders. Dat valt niet goed te praten.”
“Dat valt het zeker niet.” Ze voelde weer boosheid opkomen toen hij het incident ter sprake bracht. “Dat u doorreed, vond ik het ergste.”
“Dat was het ook. Achteraf begrijp ik niet dat ik het heb kunnen doen.”
“Achteraf is makkelijk praten.”
Hij knikte en keek even naar buiten. “Dat is waar. Toch wil ik u zeggen waarom ik het heb gedaan.”
“Daarom ben ik hier. Want ik begreep er niets van.”
“Ik eerlijk gezegd ook niet.” Zijn stem trilde niet meer, maar schoot wel de hoogte in. “Ik weet wel wat me bezielde, maar niet waarom ik anderen in gevaar heb gebracht.” Hij zuchtte. “Dat is niets voor mij. Het is me nooit eerder overkomen.”
Ze wist dat hij op dat punt de waarheid sprak.
“Wat mankeerde u die dag?”
Het leek of hij op die vraag had gewacht. “Daar zit een heel verhaal achter. Ik zal het kort houden.”
Hij vertelde dat hij op vijfjarige leeftijd zijn vader had verloren door een bedrijfsongeval. Het had hem getraumatiseerd. “Ik had nog een oudere broer, Heinrich, maar die voelde zich altijd ver boven mij verheven. Mijn moeder zorgde voor ons. Het was geen fijne jeugd.”
Anne kon zich er iets bij voorstellen. Haar ouders leefden ook niet meer. Ze miste hen nog dagelijks. Vooral bij de vragen die haar levenspad kruisten. Moest ze al trouwen met Max? Wat was de slimste aanpak ten opzichte van Max’ tienerdochter Isabel? Het meisje kon opstandig zijn wanneer Anne te veel aandacht opeiste omdat haar gescheiden vader zijn vrije tijd moest verdelen tussen haar en zijn dochter. Gelukkig nam Mientje soms die moederrol over. Haar levenswijsheid had Anne regelmatig geholpen.
“Ik ben altijd een beetje apart geweest, dokter Maas,” zei Karl openhartig. “Ik heb nauwelijks vrienden. De band met mijn moeder daarentegen is heel sterk.”
Hoe kon een mens zich soms vergissen? dacht ze. Karl was op zich geen onknappe man. Waarom was hij zo eenzaam? Had de band met zijn moeder vrouwen weggejaagd?
“Wonen jullie in hetzelfde huis?” vroeg ze voorzichtig.
“Nee. O, nee. Bij mij in de straat woont zo’n paar. Moeder en zoon. Nee, dokter, dat vind ik een nachtmerrie. Die jongen zit volkomen onder de plak bij zijn moeder, al is hij bijna vijftig!”
Anne kende zulke verhalen.
“Nee, mijn moeder woont op veilige afstand. Ik ben haar dankbaar voor wat ze voor me heeft gedaan. Ze betekent nog veel voor me. Ik heb dagelijks contact met haar.”
“Heeft u nooit een relatie gehad?”
“Niet echt.” Hij dacht even na. “In ieder geval niet langdurig. Misschien schrokken die vrouwen omdat ik zo’n intensief contact had met mijn moeder. Waren ze bang dat ze daar niet tussen konden komen.”
Haar eerdere vermoeden leek dus bewaarheid.
“Ik vond dat altijd vervelend, maar ik kon mijn moeder niet in de steek laten. Ze had verder niemand meer. Haar enige zus overleed op jonge leeftijd. Heinrich vertrok naar Wall Street in New York. Ze had dus alleen nog maar steun van mij. En andersom.”
Het voelde vreemd, een paar minuten geleden liep ze met lood in haar schoenen naar Karls kamer. Nu bleek dat de roekeloze wegpiraat eerder slachtoffer was dan dader, al was hij natuurlijk allebei.
“Wat voor werk doet u?”
“Ik werk in een garage, als autoverkoper,” antwoordde hij met trots in zijn stem.
“Leuk werk?”
“Bijzonder leuk. Mijn moeder is trots op me.”
Anne dacht aan Helmut. De psychotherapeut moest nog maar eens een hartig woordje met Karl spreken. Karl zou toch echt een keer los moeten komen van zijn moeder, als hij echt verder wilde komen.
“Mijn leven lijkt voor de buitenwereld misschien wat saai, maar zelf zie ik dat anders. Ik weet nooit wie ik in de showroom kan verwachten,” ging Karl verder.
“Heeft u verder nog hobby’s?”
Hij dacht na en streek met zijn hand over zijn gladde kin. “Ja, autorijden. Soms neem ik mijn moeder mee.”
“En verder?”
“Ik maak lange dagen.”
Karl Förster leidde een merkwaardig leven, was Annes conclusie. Blijkbaar had hij de dood van zijn vader niet goed verwerkt en was hij als volwassene afhankelijk gebleven van zijn moeder. Zijn oudere broer Heinrich was zijn eigen gang gegaan. Karl kon, of wilde dat niet, misschien uit schuldgevoel omdat hij dan zijn moeder tekort zou doen.
De conditie van zijn moeder was de oorzaak van Karls aanrijdingen. “Ze steekt al anderhalf jaar niet goed in haar vel,” verzuchtte hij. “Het begon met een hartaanval. Toen is ze in het ziekenhuis opgenomen.”
Hij voegde er meteen aan toe: “Niet hier.”
“Anders had ik me haar misschien wel herinnerd.”
“Haar situatie was zorgelijk, dokter Maas. Ze redde het maar net.” Zijn stem kreeg een boze ondertoon. “Haar situatie was zorgelijk. Uiteraard had ik Heinrich gebeld. Ik kreeg geen contact met hem vanwege het tijdsverschil, maar ik had wel ingesproken. Hij belde pas twee dagen later terug en reageerde nogal laconiek. Hij heeft haar niet één keer bezocht, vond het niet nodig om het vliegtuig te pakken en hierheen te komen.”
Hij zuchtte opnieuw. “Ik begreep dat de belangrijkste reden van zijn vertrek naar Amerika onze moeder was. Hij had jeugdtrauma’s over een slechte behandeling. Maar erover praten wilde hij nooit, dat vond ik juist zo zwak.”
Hij staarde voor zich uit en vervolgde: “Moeder werd niet echt meer de oude. Ze rekende steeds meer op mijn hulp. Ik stond er alleen voor. Er was eerst sprake van dat ze in een tehuis zou worden opgenomen. Maar dat wilde ze niet. En ik ook niet.”
“Dat verklaart mijn ongeluk nog niet.”
Haar woorden hadden hem doen opkijken. “O ja, daar wilde ik heen. Vorige week kreeg ze opnieuw hartklachten. Ze had haar huisarts gebeld, en die nam niet op. Daarna belde ze het ziekenhuis, en zij verwezen haar door naar haar huisarts. Kunt u zich dat voorstellen? Toen mijn moeder aandrong, deden ze er in het ziekenhuis nogal luchtig over. Ze moeten gehoord hebben dat ze het benauwd had.”
Anne zei dat het triest was, maar dat het verhaal twee kanten had. Uit ervaring wist ze hoe vaak het loos alarm was. Ze zei er niet bij dat Karls moeder wellicht hypochondrisch was. Had ze vaker in paniek naar haar arts of het ziekenhuis gebeld?
“Twee dagen later mocht ze alsnog komen en toen is er een hartfilmpje gemaakt waarop vrijwel niets te zien was.”
Hij keek haar strak aan. “Vrijwel! Hoort u wat ik zeg?”
“Vrijwel.”
“Juist! Er was dus toch sprake van een afwijking, hoe klein ook. En dat na wat haar daarvoor was overkomen! Ik zal u vertellen dat ze zelfs boos op haar waren en dat ze helemaal niet hoefde te komen.”
Anne knikte alleen maar. Ze kende de achtergrond van dit verhaal niet, dus bleef ze zo neutraal mogelijk.
“De nacht voor het ongeluk belde ze me opnieuw. Dat had ik niet gehoord, ik slaap nogal vast. Ik zag het ’s ochtends op mijn antwoordapparaat. Voordat ik het kon afluisteren, belde ze weer, volkomen in paniek. Ik schrok me wild. Ze klonk benauwd en in de war. Ze riep dat ze net weer een hartaanval had gehad en dat ze het nummer van haar huisarts kwijt was.” Karl zocht oogcontact met Anne. “Dat kon niet, want ik wist zeker dat ik het nummer in haar telefoon had gezet, ze hoefde alleen de twee in te drukken. Maar ze was niet meer voor reden vatbaar. Gezien haar eerdere ervaringen in dat ziekenhuis besloot ik zelf naar haar toe te rijden.”
Hij kneep in zijn neus, staarde naar buiten en zei: “Ik had geen vertrouwen meer in die hulpdiensten.” Hij richtte zich weer tot Anne. “Ik was die dag toevallig vrij. Anders had ik het trouwens wel genomen.”
“U stapte in uw zwarte Mercedes en scheurde in paniek naar uw moeder.”
Hij knikte. “U heeft haar niet gehoord, dokter. Ze was overstuur, ze klonk alsof haar laatste uur had geslagen.”
“Haar paniek was op u overgeslagen.”
“Absoluut. En begrijpelijk, denk ik. U moet begrijpen dat ik verder niemand meer heb.”
“U gaf gas om zo snel mogelijk bij haar te zijn.”
Hij sloeg zijn ogen neer. “Stom, natuurlijk. Achteraf gezien had ik nog meer ongelukken kunnen veroorzaken. Nog veel meer.” Hij vloekte binnensmonds. “Toen ik moest wachten voor dat rode licht sloegen bij mij de stoppen door. Waarom wachten terwijl mijn moeder lag te lijden? Ik was de enige die haar nog kon redden! Ik wilde er zo snel mogelijk heen, desnoods over die file heen vliegen! Ik verkeerde in een roes. Dat ik u daarbij raakte, kon mij op dat moment niets schelen. Sorry.”
Hij keek van haar weg. “Onderweg dacht ik dat ik de sleutels van haar huis was vergeten. Ik griste in het vak in mijn dashboard en veroorzaakte die tweede aanrijding. Daarna was ik zo van slag dat ik uiteindelijk in de vangrail belandde.”
“Ik ken uw verhaal vanaf dat moment.”
“Ja. De politie zat me al op de hielen, omdat u onderweg aangifte had gedaan. Ze waren snel ter plaatse. Omdat ik ogenschijnlijk niets mankeerde, wilden ze me meenemen naar het bureau. Uiteraard moest ik eerst blazen, ze dachten aan alcohol. Maar ik had geen druppel gedronken. Ik was ongerust over mijn moeder. Maar ik zat net in dat busje toen ik pijn kreeg en bijna bewusteloos raakte. Ik kreeg ook nog eens een bloedneus. Toen hebben ze me maar hierheen gebracht.”
“En nu gaat het zo goed met u dat u over twee dagen naar huis mag.”
Hij glimlachte. “Ja, gelukkig wel. Al zal mijn knie nog wel even tijd nodig hebben om volledig te herstellen. Maar ik moet eerst naar het bureau. Ik heb mijn rijbewijs al ingeleverd, ik krijg ook nog eens een flinke boete. En de verzekering zal wel bij me aankloppen vanwege de schade die ik heb veroorzaakt.” Zijn gezicht verstrakte toen hij eraan toevoegde: “Ik ga me ook verontschuldigen bij mijn tweede slachtoffer. Zij liep een paar lichte verwondingen op.”
Karl had wat dat betreft geluk gehad, dacht Anne. “Hoe ging het trouwens met uw moeder? Ik neem aan dat het uiteindelijk meeviel, anders hadden we dat wel meegekregen.”
“Dat klopt. Ze had inderdaad last van hyperventilatie.”
“Die werd er vast niet beter op toen ze hoorde wat haar zoon was overkomen.”
“Een overbuurvrouw had zich al over haar ontfermd. Ze had mijn moeder toevallig voor het raam zien staan, op de uitkijk voor mij. Het had niet veel gescheeld of ze was werkelijk ingestort. Gelukkig werd het snel beter; de huisarts is tussen de middag langs geweest.”
“Is ze hier op bezoek geweest?” vroeg Anne. Ze kon zich dat namelijk niet herinneren. Na wat ze over Karls moeder had gehoord, vermoedde ze dat de oude vrouw niet van zijn bed zou wijken.
Karl keek moeilijk. Hij friemelde aan zijn neus en antwoordde: “Nee, mijn moeder is nog niet op bezoek geweest. Ze heeft een hekel aan ziekenhuizen gekregen.”
Inwendig lachte Anne. Karl reed zich bijna te pletter om op tijd bij zijn hyperventilerende moeder te komen en zij had zich nog niet eens vertoond!
“En ik me maar haasten voor haar, met dit als gevolg,” zei hij zacht, alsof hij wist wat ze dacht.
“Ik ben blij dat het zo is afgelopen, zowel voor uzelf als voor uw moeder,” gaf Anne het gesprek een positieve wending.
“Mijn moeder heeft daarna geen klachten meer gehad, al blijft ze onder controle. Ik zal haar trouwens deze kliniek aanraden. Een privékliniek, dat is ook goed voor haar status.”
Het cynisme in zijn stem ontging haar niet. Misschien was hij sinds zijn wilde rit minder loyaal aan zijn moeder dan voorheen en had het ongeluk hem op andere gedachten gebracht.
“Dat ik uitgerekend iemand uit de kliniek moest aanrijden!” zei Karl plotseling. Hij keek Anne aan en grijnsde. “Nou ja, achteraf was het misschien een geluk bij een ongeluk!”
“Wat doen we?” vroeg Maiwald aan Lore. Ze stonden op de gang voor de ramen die uitzicht boden op het park naast de kliniek.
“Wat doen we?” herhaalde Lore. “Jij ondergaat gewoon de behandelingen van meneer Breitner!”
Hij keek haar schaapachtig aan.
Lore was één van de weinigen die hij langer dan twee tellen durfde aan te kijken. En dokter Maas en Tim Breitner. Bij de anderen keek hij liever weg. Hij kon er nauwelijks tegen om zijn eigen spiegelbeeld te zien. Hij leek minstens tien jaar ouder. Zijn gezicht had vreemde rode vlekken, alsof het uit aparte onderdelen bestond. Iedereen die hij er naar had gevraagd had gezegd dat het meeviel. Psychotherapeut Helmut Klein had hem nadrukkelijk verteld dat het vooral tussen zijn oren zat. Natuurlijk, de gevolgen van het incident op het plein waren nog zichtbaar, maar niet zo erg als hij zelf dacht.
“Maar dat… dat kost…” hakkelde hij.
Ze zuchtte en glimlachte naar hem. “Begin je nu alweer? Daar hebben we het toch over gehad? Ik betaal het voor je.”
Hij schudde zijn hoofd en staarde naar de toppen van de nog kale bomen.
“Hé, kom op! Dat is toch goed? Ik kan het doen, waarom zou ik je niet helpen?”
“Dat heb je afgelopen week meer dan voldoende gedaan.”
“Ja, en nu begin je ineens te twijfelen.”
“Ik weet het niet,” zei hij somber. “Ik weet niet of…”
Ze legde een arm om zijn schouder. “Maiwald, daar hebben we het toch over gehad? Wat geweest is, is geweest. Onze relatie heeft in een dip gezeten. Ik ben bij jou weggegaan met een reden. Maar daarna heb ik ingezien dat het een fout van me was. Net zoals jij er in die tijd weinig aan deed om mij bij jouw problemen te betrekken. We hebben die periode nodig gehad om zonder elkaar weer dichter bij elkaar te komen.”
Ze legde haar hoofd op zijn schouder. Ze voelde hoe er een rilling door hem trok. “Doet het pijn?” vroeg ze bezorgd.
“Nog een beetje.”
Ze haalde haar hoofd van zijn schouder af.
“Dat is het punt, Lore,” zei hij, terwijl hij naar de grijze winterlucht keek.
Omdat ze niet meteen reageerde, keek hij opzij. Haar gezicht sprak één en al vertrouwen uit. Dat verwarde hem.
“Maar ik ben niet meer dezelfde,” zei hij voor de zoveelste keer. “Kijk naar me, Lore. Kijk naar me!”
Twee passerende bezoekers keken inderdaad om en vervolgden snel hun weg.
“Ik zie nog steeds dezelfde Maiwald,” zei ze.
“Dat is niet waar. Mijn gezicht ziet er anders uit. Laat staan de rest van mijn lijf.”
“Nou, dat ken ik behoorlijk goed. En volgens meneer Breitner zijn er nog genoeg delen onbeschadigd.”
“Jawel, maar…”
“Relax, Mai! Je eerstegraads brandwonden zijn inmiddels vrijwel genezen. De meeste tweedegraads zijn oppervlakkig. De diepere wonden zitten op niet direct zichtbare plekken. Die, en de derdegraads verwondingen, gaat meneer Breitner binnenkort behandelen. Dat is toch een goed vooruitzicht?”
Het duurde even voordat hij antwoord gaf. “Ik voel me straks net een lappendeken.”
“Ach, welnee! Meneer Breitner haalt die lapjes huid van plekken waar je ze niet zult missen. Heb je gezien wat die man al gedaan heeft? Hij is een meester in zijn vak.”
Ze keek hem in zijn ogen en vervolgde: “Gelukkig is de schade meegevallen. Die is al erg genoeg, maar het valt mee. Je bent sterk, Maiwald, dat is wel gebleken.”
Eindelijk brak er een vage glimlach door. “Zoals jij me nu steunt, dat is meer dan ik voor mogelijk had gehouden.”
“Ik voelde je pijn toen ik alles op televisie zag. ’s Nachts lag ik te rillen in bed. Alsof ik ervoer wat jij doormaakte.”
“Dat was geen pretje.”
“Natuurlijk niet. Ik voelde me er ook schuldig aan. Maar goed, de zaken zijn zo gelopen. Dat kunnen we niet meer terugdraaien.”
“Dat jij teruggekomen bent, Lore.” Voor het eerst vandaag klonk er vreugde in zijn stem. “Na die eerste keer dacht ik dat ik hallucineerde. Dat het een droom was. Maar je bleef komen. Je raakte me aan. Ik kon het niet geloven. En soms nog niet.”
Zijn stem brak.
Voorzichtig legde ze haar hoofd tegen zijn hals. Hij rook de shampoo die ze vanochtend had gebruikt.
“Hoe nu verder?” fluisterde hij.
“Hoe bedoel je?”
“Je hebt mij geholpen. Je wilt me blijven helpen. Maar als ik straks naar huis mag, ligt er een aanmaning van de woningbouwvereniging. Ze houden waarschijnlijk rekening met deze verzachtende omstandigheden, maar…”
“Hé!” zei ze zo luid dat verpleegster Renate verschrikt omkeek. Ze pakte hem bij zijn schouders en dwong hem haar aan te kijken. “Wat heb ik je nou gezegd?” Ze zuchtte en tikte zacht op de bovenkant van zijn hoofd. “Wat zit er in dat koppie van je? Twijfel toch niet zo, man! Je gaat volkomen genezen. Meneer Breitner maakt weer een jongeman van je. Let maar op, straks, als zijn behandelingen beginnen, zie je het resultaat met eigen ogen. En dan verdwijnen je twijfels en zul je zien waarom wij er zoveel vertrouwen in hebben.”
Dat had iedereen hem voorgehouden.
“Ik doel niet zozeer op de behandelingen,” zei hij timide.
“Dacht je dat ik dat niet doorhad? Hé, Mai, ik ben terug, weet je nog? Het was echt geen gelegenheidsbezoekje. Zo steek ik niet in elkaar. Dat moet jij weten.”
Zijn glimlach verbreedde zich.
“Ik ben teruggekomen voor jou en niet alleen als bezoekster. Je hebt toch wel geluisterd naar wat ik hier heb verteld?” Ze begon haar geduld te verliezen; er klonk een spoor van ergernis in haar stem.
“Natuurlijk, natuurlijk.”
“Nou dan! Ik ben er weer voor jou, en jij voor mij. En voor zover je daar nu nog aan twijfelt: ook na het ziekenhuis. Zal ik het dan maar eens duidelijk zeggen? We zijn weer een stel, Mai. Net als vroeger. Maar dan beter, na wat we hebben doorgemaakt.”
Hij lachte stil en liet zijn blik weer over de bomen dwalen. Het was net of het buiten lichter was.
“Ik heb nog steeds geen werk,” wierp hij tegen.
“Nee, maar ik wel. En als je behandelingen klaar zijn, zie je er weer perfect uit. Dan help ik je wel met zoeken. Maar dat is van latere zorg. Weet je wat? Ik keer terug naar jouw… ons huis.”
Ze keek opgelucht, vrolijk, vastberaden. “Ja, dat doe ik! Vandaag nog vertrek ik bij mijn vriendin. Ik ga jouw huis opfrissen en als je thuiskomt, zal het weer net zijn als vroeger.”
Het was voor hem bijna te veel om te bevatten. Zijn gedachten flitsten terug naar die koude ochtend op het plein. Het losschroeven van de dop van de fles met vloeistof. Al die achteloze passanten met hun zorgeloze levens.
Hij had hen in ieder geval op tijd gewaarschuwd.
En dan, de vlammen, de pijn, die vreselijke, alles verterende pijn!
Daarna, de kliniek. De rode, pijnlijke plekken op zijn huid. Maar vooral de witzwarte plekken. Dode huid. Ontzenuwde huid. En toen: Lore.
Het speet hem eerder dat hij niet kon vervellen, zoals een spin of een slang. Hij zou het met de plastische chirurgie van meneer Breitner moeten doen. Maar ineens leek dat allemaal niet meer belangrijk. Lore was terug. Hij was terug.
“Kom, we gaan naar mijn kamer,” zei Maiwald ineens en hij slikte.
“Wat is er?”
“Kom, we gaan,” herhaalde hij en hij pakte haar hand en voerde haar mee. Onderweg zei hij: “Daar ligt mijn huissleutel.”
“Je kunt natuurlijk ook niet eeuwig boos blijven,” zei Mientje na het avondeten tegen Anne. “Ik denk dat het goed is dat je uiteindelijk met die man hebt gesproken.”
“Ja, het voelde als een opluchting. Hij is vandaag ontslagen. Onze verhouding was genormaliseerd en dat was beter voor iedereen. Na ons gesprek zag ik hem niet meer als een dader, maar als een gewone patiënt. Hoewel… gewoon?”
Met een stapeltje borden in haar hand keek Mientje haar aan. Ze vroeg zich duidelijk af wat Anne daarmee bedoelde. Maar haar huishoudster wist dat ze dat niet zou vertellen. Karl had recht op privacy.
Hij was een merkwaardige man. Ongetwijfeld goed in het verkopen van auto’s. Hij had er het perfecte uiterlijk voor, dacht Anne. Hij oogde zakelijk en betrouwbaar. Normaal gesproken was hij dat ook. Tot de ochtend dat zijn moeder hem in paniek belde.
“En Max, weet hij het al?” vroeg Mientje.
“Jazeker, ik heb hem diezelfde avond nog gebeld. Ook hij is uiteraard opgelucht dat het zo is afgelopen. Hij mailde me dagelijks om te vragen hoe het ging. Op afstand is dat natuurlijk lastig te beoordelen.”
“Ja, zeg dat wel,” verzuchtte haar huishoudster en ze liep met een deel van de vaat naar de keuken.
Meestal hielp Anne haar, maar dit keer bleef ze zitten. Ze vroeg zich af of Karls asociale gedrag iedereen kon overkomen. Waarschijnlijk wel, besloot ze. Alleen bleef zulk gedrag meestal zonder gevolgen. Wat dat betreft had Karl pech gehad.
Vandaag had de kliniek een kaart van Karls moeder ontvangen, gericht aan Felix, die hem in de kantine had opgehangen. Met een ouderwets handschrift had ze erop geschreven hoe blij ze was met de goede zorgen voor haar zoon. Als ze weer last kreeg van haar hart, zou ze zeker naar de kliniek komen.
Hartspecialist Manfred Keller had het ook gelezen en na enige uitleg van Anne had hij bedenkelijk gekeken. Ook Anne had zich al voorstellingen gemaakt van Karls moeder. Ongetwijfeld zou ze eisen dat haar zoon haar wel drie keer per dag zou bezoeken!
“Het lijkt wel een echte familie,” zei kinderarts Peter Starnberg tegen Anne.
Ze vond het moeilijk te bepalen of hij het meende of dat ze een schampere ondertoon in zijn stem hoorde.
“Nee, ik meen het,” zei hij, terwijl hij opzij keek. Anne staarde naar het gezin Schlüss, dat naar hun grote blauwe auto op de parkeerplaats liep. Reina liep gearmd met haar zus tussen haar ouders in. Ze liep nog wel wat voorzichtig en ze moest over twee weken terugkomen voor controle, maar verder zag haar heup er goed uit. Over anderhalve maand kon ze weer voorzichtig naar haar balletklas. Ze had instructies meegekregen om de komende tijd op een verantwoorde manier te bewegen. Volgens Peter waren vader en moeder Schlüss één en al aandacht en hadden ze zelfs vragen gesteld over het welzijn van hun jongste dochter.
“Wat denk je, is deze verzoening tijdelijk of blijvend?” vroeg Anne aan haar collega.
“Ik vroeg mezelf precies hetzelfde af!” lachte hij.
“En wat denk je?”
“Ik denk dat het blijvend is,” zei hij. “Reina heeft voor het eerst flink stennis gemaakt. Haar boodschap is overgekomen bij pa en ma. Ze waren het niet gewend dat ze voor zichzelf opkwam. Tot nu toe nam ze genoegen met haar bijrol. Een plekje in de schaduw.”
Hij keek toe hoe de familie instapte en wegreed. “Reina is in die rol gegroeid. Ik begreep dat ze als kind voor haar ouders al minder uniek was, zoals vaker gebeurt met een tweede. Ze verdween nog meer naar de achtergrond toen Ingeborg talent bleek te hebben voor de tennissport. Ze nam daar ook genoegen mee, omdat haar werd ingepeperd dat zo’n talent gekoesterd moet worden. Zelf had Reina niet zulke kwaliteiten, al begreep ik dat ze een prima ballerina is. Maar dat vonden haar ouders minder belangrijk, dus praatte ze er niet meer over.”
“Ze vond het gewoon omdat haar kwaliteiten niet gevoed werden.”
“Precies. Dus zei ze dat ze het niet erg vond om op de achtergrond te blijven. Ze was gewoon het zusje van tennisster Ingeborg. Maar onderbewust moet ze het erg hebben gevonden. Dat bleek wel na het ongeluk met de scooter. Toen haar ouders die middag niet kwamen opdagen, zag ik dat er iets in haar knapte, zelfs al was ze er misschien niet helemaal bij vanwege haar naderende operatie.”
“Ik denk dat jij dat ook in haar hebt losgemaakt. Ook omdat dit verhaal je aan jouw eigen verleden herinnert.”
“Zo is het maar net, Anne. Ik herkende mezelf in Reina’s situatie. Ik begrijp ouders soms niet.”
“Soms?” lachte ze.
“Je hebt gelijk: regelmatig,” gaf hij toe. “Ik vraag me af en toe oprecht af of ouders wel bewust kinderen willen.”
“Je zou toch zeggen van wel.”
“Dat hoop ik ook, maar in mijn werk maak ik helaas vaak anders mee. Veel ouders vinden dat kinderen erbij horen. Ze denken niet na over de consequenties van hun ouderschap. Pas als ze kinderen hebben komen ze erachter dat die keuze nu eenmaal gevolgen heeft. En als ze zich er wel van bewust zijn, krijg je weer toestanden zoals bij de familie Schlüss.”
Anne wist dat Peter om die reden voorzichtig was met zijn eigen vaderschap. Maar hij zou een prima vader zijn. Misschien dacht hij er soms te veel over na. Hij hoefde zich echt geen zorgen te maken over zijn capaciteiten als vader, of over een gebrek aan tijd voor eventuele kinderen.
Ze dacht aan Isabel. Max’ dochter vond het niet leuk dat ze haar vader zo weinig zag. Anderzijds was ze trots op zijn werk als archeoloog en ze vertelde er graag over tegen haar vriendinnen.
“Ik hoop dat Reina hen wakker heeft geschud,” zei Anne.
“Ik denk het echt, zeker omdat Ingeborg zich openlijk aan de kant van haar zus heeft geschaard. Ze kiest partij voor haar. Vergeet niet dat het ook voor Ingeborg niet leuk was om te horen. Haar eigen vader en moeder, die haar zus zo behandelen! Ze is er echt van geschrokken.”
“Laten we hopen dat die twee meiden hun verbond houden en hun ouders scherp houden,” keek Anne al vooruit. “In ieder geval hebben wij hen voorlopig in het vizier, want Reina zal nog een paar keer moeten terugkomen.”
Even was Peter in gedachten, toen lachte hij. “In het vizier, ja. En als pa en ma er weer niet bij zijn, dan schieten we!”
Een tijd later, op de eerste zonnige dag die aan voorjaar deed denken, liep Anne tussen de middag naar buiten om van het weer te genieten. Toen ze de kliniek uitstapte, rook ze de lente. En ze zag het aan de zwellende knoppen van de bomen.
Twee bezoekers botsten bijna tegen haar op. Het was een gearmd stel, dat zich verontschuldigde en daarna los van elkaar bleef staan. Ook Anne bewoog zich niet. Ze moest twee keer kijken voordat ze hen herkende.
“Maiwald! Lotte!” zei ze verrast.
Het stel had erop gestaan dat ze hen bij hun voornaam noemde.
Haar blik bleef het langst op Maiwald gericht. Als ze niet had geweten wat hem was overkomen, had ze niet gezien wat hem mankeerde. Zeker, als ze goed keek, zag ze nog restanten van de brandwonden in zijn gezicht. Het topje van zijn neus was nog een beetje rood, net als zijn keel. En zijn verschroeide wenkbrauw was nog niet helemaal hersteld. Zijn onderlip was inmiddels volledig genezen. Zijn haar was korter geknipt dan tijdens zijn laatste bezoek. Hij droeg een modieuze jas en nieuwe schoenen.
Lores haren waren eveneens korter, en ze had een rode kleurspoeling in haar blonde haar. Ze droeg opvallende oorbellen en een beetje make-up. Anne had een paar keer kort met haar gesproken; ze wist hoeveel moeite het Lore had gekost om Maiwald te overtuigen om weer samen te beginnen. Blijkbaar was ze daarin geslaagd.
“Dokter Maas,” zei Maiwald en hij glimlachte.
“Hoe gaat het met jullie?” vroeg ze.
Lore haakte haar arm opnieuw om die van haar vriend. “Hoe zien wij eruit?” Ze klonk opgewekt.
“Heel goed. Fijn om jullie hier samen te zien.”
Maiwald en zijn vriendin keken elkaar aan.
“We wonen weer samen,” zei Lore trots.
“Dat is mooi, zeker na wat er gebeurd is.”
“Lotte heeft me ervan overtuigd dat mijn dwaze actie me uiteindelijk sterker heeft gemaakt, hoe gek dat misschien ook klinkt.”
“Helemaal niet,” vond Anne. “Soms moet je een stap terugdoen om er vervolgens twee vooruit te zetten.”
“Twee stappen vooruit? Zeg maar een marathon,” zei Lore.
“Het is weer als vanouds,” mengde Maiwald zich in het gesprek. “Ons huis ziet er weer net zo uit als vroeger. Nou ja, vroeger, zo lang is het niet geleden.”
“Alleen zijn we ons er nu veel meer van bewust,” zei Lore. “We beseffen dat we ons geluk niet zomaar moeten laten verstoren. We konden in die tijd niet meer goed met elkaar praten. Na Maiwalds ongeluk is dat verbeterd. Sterker nog: het is beter dan ooit.”
Ze keken elkaar aan en lachten als verliefde pubers.
Op dat vlak zat het wel goed, dacht Anne tevreden. Maar hoe zat het op medisch gebied?
“Komen jullie voor een afspraak met Tim?”
Meteen had ze haar woorden willen inslikken. Ze had moeten zeggen: meneer Breitner. Al maakte Tim geen geheim van zijn voornaam. Ze mocht hem gewoon graag, daarom flapte ze zijn voornaam er snel uit.
“We gaan inderdaad naar Tim Breitner toe,” zei Maiwald.
“Voor de eerste behandeling,” voegde Lore eraan toe.
“Zo, spannend,” zei Anne.
Maiwald knikte. Lore kuste hem op zijn wang. “Het komt helemaal goed met hem, mevrouw Maas. Meneer Breitner heeft precies uitgelegd wat hij gaat doen. Het lijkt enger dan het is. Wie mist er nou een stukje vel van zijn kuit?”
Maiwald, wiens gezicht enigszins begon te betrekken nu de operatie ter sprake kwam, grijnsde zuur. Anne voelde hoe belangrijk Lores aandeel in zijn genezing was. Haar liefde, enthousiasme en doorzettingsvermogen gaven de doorslag. Zonder haar was Maiwald waarschijnlijk in een depressie beland, zeker omdat hij twijfelde aan Tims aanpak. Hij twijfelde eigenlijk aan alles, vooral aan zichzelf. Helmut had zich al over hem ontfermd, maar de psychotherapeut had in die periode tegen Anne gezegd dat Maiwald een patiënt was die veel aandacht nodig had.
Na Lores bemoeienis was het snel bergopwaarts met hem gegaan.
Maiwald gaf toe dat hij opzag tegen de behandelingen, maar dat hij ook blij was dat het tussen hem en Lore goed was gekomen. Zijn leven had een bizarre wending genomen na haar vertrek, en hij hoopte dat hetzelfde zou gebeuren nu ze terug was. Maar dan wel in positieve zin.
Nou, daar had het alle schijn van, dacht Anne.
Ze wenste hen alle geluk en succes met de behandelingen.
Daarna liep ze naar het aangrenzende park en ze nam plaats op de dichtstbijzijnde bank. De zon stond nog laag en gluurde tussen de takken door. Maar ze voelde dat het voorjaar er echt aankwam. Met haar ogen dicht en de zon op haar gezicht voelde ze zich vredig en rustig. De hectiek van de kliniek was ineens ver weg.
Ze opende haar ogen, waarbij de zon haar even verblindde en ze haalde haar lunchpakket uit haar binnenzak. Ze frommelde het papier eraf. Het deed haar goed dat het met Maiwald zo goed was afgelopen. En met Reina, zo het zich nu liet aanzien. En met haar, want ze had geen last meer van haar nek en ze sliep goed. De schrik voor zwarte auto’s nam met de dag af. Haar ongeluk had haar bovendien doen beseffen hoe kwetsbaar ze was en hoe haar patiënten hun verwondingen ervoeren.
Het maakte haar er bovendien van bewust dat ze van het leven moest genieten. Haar relatie met Max, die volgende week uit Macedonië terugkeerde. De pubergrillen van Isabel en de kookkunst van Mientje. En ook van haar welverdiende pauze, met de zon op haar gezicht. De rust van…
Ze schrok van haar pieper. Even later, met haar mond nog halfvol, was ze op weg naar de ambulance. Haar pauze zou erbij inschieten, maar ook dat hoorde bij haar leven. Iemand had haar weer dringend nodig.