Drie gezusters



Geheimen op een eiland



Ina Schroders-Zeeders



Hessel Smit, een jonge weduwnaar met een zoontje, heeft een kleine boerderij op een Waddeneiland en is afhankelijk van het weiland van zijn buren om zijn vee te laten grazen. Wanneer zijn oude buurvrouw overlijdt, erven haar drie achternichten haar bezit. Hij moet maar afwachten of zij de stilzwijgende overeenkomst willen voortzetten.



“Kijk, Lars, dat zijn rotganzen!” wees de jonge boer in blauwe overall. Zijn blonde zoontje van vier keek omhoog. Aan de horizon, over de zee, kwamen honderden ganzen in V-vormige groepen over gevlogen.

“Veel!” zei Lars. “Mooi!”

Zwijgend keken ze toe hoe de ganzen over de golven van de branding en langs het strand in hun richting kwamen, tot ze vlak boven hen waren en ze de veren van de vogels konden horen ritselen.

“Het wordt kouder,” zei Hessel tegen zijn zoontje. “We moeten naar huis, jongen. Ik denk dat die ene koe vanavond een kalfje krijgt.”

Hij tilde zijn zoontje op en zette die op de kar. Vervolgens sprong hij op de bok. Het aangespannen paard, dat rustig had staan wachten, begreep wat de bedoeling was en zette de kar kalmpjes in beweging.

Lars kroop bij zijn vader op schoot en Hessel liet hem mennen.

Hij gunde zichzelf niet veel vrije tijd, maar een uurtje op de Bosplaat met zijn zoon kon er meestal wel vanaf. Ze hadden niet veel gejut, wat hout dat hij altijd wel op zijn erf kon gebruiken, al was het maar om het kippenhok mee te repareren.

Ze reden langs de vloedlijn en bogen bij de strandovergang linksaf. Het was nu rustig op het eiland, de toeristen bleven na de herfstvakantie massaal weg om pas tijdens de kerstvakantie weer terug te komen.

Via de badweg bereikten ze het meest oostelijke dorp van het eiland. Hier, half in de duinen verscholen, had Hessel zijn boerenbedrijfje, een klein boerderijtje met veertig koeien en twee stieren, een paard, kippen, een haan en twee geiten. Verder had hij nog vier katten en een hond. Hij kon het hoofd amper boven water houden, maar een ander vak zou hij niet willen. Hij hield van het werk, van de koeien en de vrijheid die hij op deze manier had. Zijn vader en grootvader hadden hier al geboerd, gecombineerd met een baan als matroos op de grote vaart in moeilijke tijden.

Hessel had een stal achter zijn boerderij, maar die was nu leeg, want de beesten stonden nog in het weiland. Alleen de hoogzwangere koe had hij in de stal gezet, want ze had het vorig jaar een niet al te gemakkelijke bevalling gehad. Misschien moest de veearts er aan te pas komen. Hessel hoopte dat hij het alleen aankon, een veearts was eigenlijk te duur voor hem.

De koe loeide en was duidelijk bezig.

“Lars, ga maar alvast een boterham eten, ik ben hier nog wel een tijdje,” zei Hessel. Zijn zoontje knikte en ging naar binnen.

Het boerderijtje was klein, met ouderwetse bedsteden in de woonkamer. Hier was Lars ook geboren, in een stormachtige winternacht. Nu sliep hij in de kleinste bedstee en zijn vader in de grote.

In de keuken stond de broodtrommel nog op tafel van het ontbijt. Het warm eten was er vandaag bij ingeschoten, dat gebeurde heel af en toe, als er geen tijd was om te koken. Maar Lars kon zich aardig redden en schonk zichzelf een glas sinaasappelsap in. Hij smeerde drie boterhammen, belegde die met kaas, en ging voor de televisie zitten. Het werd donker. Opeens klonk er een stem op de deel en Lars keek verbaasd op. Ze kregen niet veel visite, heel af en toe kwam de tante van zijn overleden moeder even langs, maar die woonde op West en hield niet van de reis, zoals ze het noemde, naar het oostelijke deel van het eiland.

Het was Marie, ontdekte Lars. Marie was dik in de zeventig, en niet meer zo goed ter been. Zo af en toe bracht ze wat kleren voor Lars, omdat ze van mening was dat Hessel die jongen er bij liet lopen als een zwerver.

“Zo jongen, waar is je vader?” vroeg Marie.

“In de stal. Er komt weer een kalfje!”

“En zit jij hier nu maar zo in je eentje bij de televisie?”

Lars haalde zijn schouders op.

Hessel kwam de keuken binnen.

“Nou, Marie, kom je een bakje halen?”

“Als je hebt, graag,” zei Marie. Ze wees op twee plastic tassen die op een keukenstoel stonden. “Ik heb nog een paar truien voor de winter gebreid, voor jou en Lars.”

“Dankjewel, Marie, dat is aardig van je.”

“Het zijn moeilijke tijden, daar weet ik alles van, hoor! Je moet je ook niet zo afsluiten van het dorp, dat is niet goed voor die jongen.”

“We redden ons best.”

“Hoe lang is Annette nu dood? Twee jaar? Het wordt onderhand tijd dat je een vrouw zoekt. Lars heeft een moeder nodig.”

Hier gaf Hessel maar geen antwoord op. Hij wist dat Marie het goed bedoelde.

“Zeg, daar kwam ik eigenlijk voor. Heb je het al gehoord? Louise is vannacht overleden!”

Hier keek Hessel van op.

“In het ziekenhuis?”

“Ja, die longontsteking is haar fataal geworden. Wat wil je, ze was drieënnegentig! De begrafenis is vrijdag.”

“Het zal anders zijn. Nu komen er natuurlijk andere mensen hiernaast te wonen.”

“Ja, en je weet het. Dan wordt het een camping!”

“Dat is toch helemaal niet gezegd!”

“Het bestemmingsplan is toch gewijzigd, toen die neef van Louise de boel een paar jaar geleden wilde overnemen? Hij had connecties op de juiste plaatsen en heeft het toen voor elkaar gekregen. Veel plezier heeft ie er niet van gehad, natuurlijk, want hij ging kort daarna dood, maar evengoed kan een nieuwe eigenaar er nu zomaar een camping van maken! Kun je protesteren wat je wilt! Je had toen moeten protesteren!”

“Toen leefde Louise toch nog, en die was dol op die neef. Ik kon haar toch niet dwarszitten? Ze heeft mijn vee altijd op haar land laten grazen.”

“Dat zal nu ook wel voorbij zijn,” voorspelde Marie somber.

“Nou, dat zien we dan wel,” vond Hessel. “Lars, het is bedtijd. Doe de televisie uit en ga je tanden poetsen.”

Marie schudde het hoofd.

“Dat kind wordt veel te snel volwassen zo. Je laat hem veel te veel alleen.”

“Dat kan niet anders. Ik moet de koeien in mijn eentje doen, en alle andere werkzaamheden.”

“Precies. Je hebt een boerin nodig. Iemand die net zo handig is als Annette.”

“Nou, als je er eentje voor me weet, dan hou ik me aanbevolen.”

Marie dacht na.

“Is die Ria niet wat voor jou? Die nu in de kroeg staat, achter de tap? Ik weet zeker dat ze een goede boerin zou zijn, want haar vader liet haar altijd de koeien melken.”

“Ria is lesbisch.”

“Sinds wanneer?” riep Marie uit. 

Hessel lachte. “Wist je dat niet? Je weet meestal alles wat er zich hier afspeelt!”

Marie dronk zwijgend haar koffie.

Lars had zijn tanden gepoetst en zijn pyjama aangetrokken en ging naar de bedstee.

“Dat je dat kind daar laat slapen,” mompelde Marie. “In zo’n ouderwetse bedstee! Nou ja, wij lagen er met vier kinderen in, maar toch. Ik slaap liever op een ruime slaapkamer. Je hebt toch twee slaapkamers boven?”

“Het dak lekt, boven kun je niet zijn. Ik ben van plan dat eerdaags te repareren. Eigenlijk moeten er nieuwe pannen op het dak. Ook op de schuur.”

“Dat kost je een vermogen.”

“Precies, en dat heb ik niet. Ik probeer het een beetje provisorisch te doen met hout dat ik hier en daar vindt, maar echt geweldig zal het resultaat niet zijn.” Hij keek op de klok. “Marie, ik hoop niet dat ik je wegjaag, maar ik ben moe. Ik wil naar bed.”

“Is al goed. Denk je er om, burenplicht, vrijdag is de begrafenis van Louise! Maar Jansje doet de koffie natuurlijk wel!” zei ze nog snel voor ze vertrok.

Hessel zuchtte. Hij wist wat er van hem verwacht werd. Zijn paard en wagen zouden de overledene naar het kerkhof brengen. Zo was het ooit met Louise afgesproken, maar ook zonder die afspraak was het traditie dat de buren de begrafenis verzorgden. Gelukkig was Jansje een echte regeltante, die nam het meeste werk hem graag uit handen.

Hij keek naar buiten, waar het donkere boerenhuis van Louise zichtbaar was tegen de kobaltblauwe lucht. Hij zou haar missen.

De daarop volgende dagen werd de begrafenis van Louise voorbereid. De hele buurt bemoeide zich ermee, en Jansje, die net als Hessel tot de naaste buren behoorde, nam, zoals verwacht, het voortouw.

Louise werd overgebracht van het ziekenhuis aan de wal naar haar boerderij waar ze in de voorkamer werd opgebaard. De familie van Louise woonde op het vasteland en Hessel kende eigenlijk niemand van hen. Hij keek er dan ook nogal van op toen hij ontdekte dat er logees in het huis waren.

“Natuurlijk is de familie overgekomen,” zei Jansje. “Er moet toch van alles geregeld worden. Haar twee achternichten zijn er. Dochters van die neef. Ik heb ze al ontmoet, ga ook maar even condoleren.”

“Ik heb nu geen tijd,” zei Hessel. “De roodbonte moet kalven.”

“Dan maak je maar tijd, weet je dan niet hoe belangrijk het is dat je goede maatjes bent met die mensen? Je vee staat op hun weiland!”

Daar had Jansje wel gelijk in en dus stapte Hessel zuchtend langs haar naar buiten.

“Ho, je wil daar toch niet zo naar binnen gaan? Je stinkt naar mest!”

“Ik ben boer. Ze nemen me maar zoals ik ben!”

Hij beende het erf af en liep achterom de boerderij van Louise binnen.

“Volk!” riep hij toen hij in de keuken stond. Hij zette zijn pet af.

Een vrouw van zijn leeftijd, midden dertig, kwam de keuken in.

“Goedendag?” zei ze vragend, met een onthutste blik op zijn smerige overall.

“Ik ben Hessel Smit, de buurman.”

“O. Ik ben Emma van der Veer. Dus u heeft Louise goed gekend?”

“Natuurlijk, ik heb mijn hele leven naast haar gewoond. Ze was als een tweede moeder voor me.”

“Zozo. Jo!” riep ze, zonder haar blik van hem af te wenden, “Jo, we hebben visite.”

Nu stapte er een iets jongere vrouw de keuken in. Ze glimlachte.

“Goedemiddag. Ik ben Johanna, de zus van Emma.”

“Hessel.” Hij gaf haar een hand. “Ik kwam om te condoleren.”

“Dank u. Wilt u Louise nog zien? Jansje is er, die regelt alles.”

“Absoluut niet,” zei Hessel geschrokken. “Ik herinner me haar liever zoals ze levend was.”

“Goed. Zeg,” zei Emma, “Die koeien die op het weiland hiernaast grazen, van wie zijn die eigenlijk?”

“Van mij.”

“Maar dat land behoort toch toe aan deze boerderij?”

“Ja, maar Louise deed er niets mee, en daarom mocht ik er mijn vee op zetten. Dat doe ik al jaren. Het land dat ik heb, wordt constant door het duin ondergestoven. Het is puur zand. Vandaar.”

De twee zusters keken elkaar aan.

“Wij zijn de erfgenamen van Louise. Wij gaan hier een camping beginnen. Uw vee zal dus elders moeten grazen,” zei Emma kortaf.

“O, maar zover is het nog niet, hoor!” zei Johanna snel. “Emma, dat heeft toch nog wel even tijd?”

“De notaris kan ieder moment komen en dan wordt het testament van kracht.”

“Dan hebben we een probleem. Ik heb nog geen andere plek voor ze, behalve in de stal, en de stal moet nodig worden opgeknapt, want het dak staat op instorten.”

“Dat lijkt me meer uw probleem dan het onze!” zei Emma.

Hessel begon zich op te winden.

“Ik zal mijn best doen een ander weiland te vinden, maar dat kan wel even duren!” zei hij zo beheerst mogelijk.

“Emma, we kunnen hem toch wel wat tijd geven?” zei Johanna. “Tot wanneer denkt u nodig te hebben?”

“Als ik vandaag aan het dak van de stal begin, kan ik ze over een maand daar kwijt.”

“Een maand lijkt me heel redelijk. Toch?” Johanna keek haar oudere zus vragend aan.

“Goed, een maand, maar dan moeten die beesten daar weg zijn! En u heeft een mestvaalt op het erf, die zal ook weg moeten.”

“Die mestvaalt heeft daar altijd gestaan!”

“Maar als wij gasten hebben, zullen ze last hebben van de stank en de vliegen! Die vaalt moet weg!” riep Emma.

“Ik peins er niet over!”

Hessel plaatste zijn pet weer op het hoofd en liep kwaad naar buiten. Hij keek naar het dak van zijn stal, die was er nog erger aan toe dan die van het woongedeelte van de boerderij. En geld om het op te knappen, had hij niet. De bank leende ook al niet meer. Hoe moest hij het allemaal voor elkaar krijgen?



“Wat een reis,” zuchtte Johanna. “Ik vond het wel een belevenis, zo met die lijkwagen op de veerboot. Zag je dat de vlag halfstok hing? Dat doen ze als er een lijk aan boord is. Wist je dat?”

Emma negeerde haar gebabbel.

“Die vent gaat het ons nog lastig maken, Johanna,” zei haar zus. “Wat een vervelende kerel. Een echte boer, hij snapt volgens mij niets van wetten en zo. Die mestvaalt staat daar helemaal illegaal!”

“Wat wil je eraan doen?”

“Wij kunnen een proces beginnen, dat we altijd zullen winnen!”

“Maar Emma, we hebben de boerderij nog niet eens!”

“We weten toch dat we de enige erfgenamen zijn. Papa zou alles erven, en nu hij dood is, krijgen wij zijn erfdeel.”

“Je vergeet Marieke. Marieke heeft vast ook recht op een deel van de erfenis.”

Emma zweeg.

“Ze is toch ook een kind van papa?”

“Ze is een bastaard!” zei Emma beslist. “Marieke heeft helemaal geen rechten!”

“Nou, dat weet ik zo net nog niet,” mompelde Johanna. “Ze is vast wel erkend. Hij kan toch in zijn testament zijn opgenomen?” Maar Emma wilde er niet verder over praten.

Jansje kwam melden dat ze de notaris via de voordeur had binnengelaten.

“Waarom zou Louise eigenlijk een notaris van de wal hebben genomen?” fluisterde Johanna.

“Geen idee.”

“Volgens mij is ie bang voor lijken,” grijnsde Jansje.

Emma liep naar de woonkamer, waar de kleine notaris half schuil ging achter de doodskist in het midden van het vertrek.

“Goedemiddag,” zei Emma. Ze stak haar hand uit. “Erg aardig van u om hiernaartoe te komen.”

“Ach ja.” De notaris probeerde niet in de kist te kijken, hij vond het inderdaad een beetje griezelig om zo dicht naast een lijk te zitten. Johanna kwam ook binnen en even later las de notaris het testament van Louise voor.

Jansje stond op de gang met haar oor tegen de deur gedrukt en volgde alles.

Toen de notaris het testament had voorgelezen, rende Jansje zo snel haar meer dan tachtig jaar oude benen haar konden dragen naar de boerderij van Hessel. Ze vond hem in de stal, hij probeerde een balk te repareren.

“Moet je nu toch eens horen!” zei ze met rode wangen van het rennen. “Louise heeft alles nagelaten aan haar neef, en nu die dood is, aan zijn kinderen!”

“Dat wist ik al, die twee erven alles.”

“Drie! Die neef had namelijk drie dochters, de jongste bij een andere vrouw. Ze moeten de boel verdelen! Die ene ging helemaal door het lint toen ze het hoorde!”

“Mij een biet. Twee of drie van die dames, ik zit met de gebakken peren! Hoe krijg ik mijn koeien binnen een maand op stal, de boel staat op instorten.”

“Ik kan mijn zoon wel vragen of hij je wat helpen wil.”

“Dank je, maar ik heb geen geld om iemand in dienst te nemen.”

“Ach, je kent hem, hij doet het wel voor een kratje bier. Ik heb mijn drie zonen niet hebberig opgevoed. Helaas,” voegde ze er raadselachtig aan toe.

Hessel kende Jansje ook, ze wist dat die wel heel gemakkelijk over de vrije tijd van haar zoon regeerde.

“Heel aardig aangeboden, Jansje,” zei hij dan ook, “maar ik wil hem niet lastigvallen. Ik red me wel.”

“Weet je, geld heeft mij nooit een barst kunnen schelen. Ik heb mijn kinderen ook altijd voorgehouden dat geld niet belangrijk is. Zou ik daar goed aan gedaan hebben?”

“Vast wel. En ze hebben geen van drieën te klagen, toch?”

Jansje knikte peinzend.

Hij timmerde verder en sloeg zich hierbij op de duim.

“Au!” riep hij uit. Jansje, die stond toe te kijken, schudde het hoofd.

“Je bent niet erg handig.”

“Jouw zoons zijn zeker veel handiger?”

“Ja. Nou ja, Jacob niet zo.” Jansje keek ernstig. “Ach ja, mijn Jacob.”

“Waar is hij nu?”

“Geen idee. Ik ben wel blij dat hij is gaan varen en nu kapitein is, dat was altijd al zijn grote wens, maar ik vind het ergens wel jammer dat…”

Ze viel even stil.

“Wat vind je jammer, Jansje?”

“Ach jongen, er is zoveel. Maar het doet er niet toe, gedane zaken nemen geen keer. Je hebt er in ieder geval geen fijne buren bij gekregen, Hessel.”

“Nee. Dus je denkt wel dat ze hier blijven?” vroeg Hessel, terwijl Jansje toekeek hoe hij een lapje om zijn zere vinger bond.

“Ja, blijkbaar hebben ze van die vage internetberoepen, ze kunnen werken waar ze willen. Raar stel, hoor. Blijkbaar doen ze alles samen. Had je ze weleens bij Louise gezien?”

“Nee. Jij?”

“Nee. Hun vader wel, die neef. Ik geloof dat hij een tijdje bij zijn vrouw weg was, en die twee dochters woonden bij hun moeder tot die overleed. Afijn, ik hoop dat de stal snel af is, anders zit je met een probleem.”

“Ik zit sowieso met een probleem. Ik heb geen weidegrond en ik kan de pacht die ze in de polder vragen, niet ophoesten. Mijn koeien zullen dus altijd in de stal moeten staan, maar daar gaan die gasten van de camping natuurlijk ook over klagen. Als ik niet snel iets verzin, ga ik failliet.”

“Tja.”

“Misschien krijgen ze wel een hekel aan me, zo erg, dat ze vertrekken,” grijnsde Hessel.

“Wat, wou je ze wegpesten? Hoe dan?”

Hessel haalde de schouders op. Misschien was het een idee. Hij ging verder met timmeren. Met een beetje geluk kreeg hij de stal af voor de zusters lastig begonnen te worden.

Jansje liep peinzend naar haar eigen huis.

Intussen was de notaris nog niet helemaal uitgesproken.

“Ik ben natuurlijk niet de notaris die dit testament heeft opgesteld, dat was mijn voorganger. Daarom wist ik aanvankelijk niets van de clausule.”

“Pardon?”

“In deze clausule wordt beschreven dat, mocht er binnen twee maanden na het overlijden van Louise zich nog een zoon van Louise melden, eventuele kinderen van deze zoon recht hebben op de helft van de erfenis. De zoon zelf niet, die is uitgesloten.”

“Wat is dat nou voor een idiote clausule!” riep Emma uit. “Louise had helemaal geen kinderen!”

De notaris keek haar doordringend aan.

“Er was een zoon, zo staat hier. Ik heb zijn naam en de naam van zijn adoptief ouders. Ze heeft dit met een goede reden gedaan. Ze wil haar zoon niet laten erven, omdat hij een alcoholist is en omdat ze weet dat hij allang zijn schaapjes op het droge heeft. Dat heeft ze mijn voorganger allemaal toevertrouwd. Maar eventuele kinderen of zelfs kleinkinderen van hem, die delen dus in totaal voor de helft van de erfenis mee. Daar moet u wel rekening mee houden. Als iemand zich binnen twee maanden meldt en kan bewijzen dat deze zoon van Louise zijn of haar vader is, dan gaat daar dus de helft van de erfenis naartoe. Het zullen nog twee spannende maanden voor u zijn.”

“Veel te ingewikkeld,” vond Emma. “Afijn, dit hoeft verder toch niemand te weten?”

De notaris schraapte zijn keel.

“Ik ben wel degelijk van plan om met die zoon contact op te nemen. Als ik hem binnen de tijd kan vinden, ik heb geen adres.”

“Mag ik u dringend verzoeken daarvan af te zien?” zei Emma.

“Het is mijn plicht.”

“Luister, Louise was duidelijk malende. Ze dacht misschien dat ze een zoon had, maar die is er nooit geweest!”

De notaris zuchtte. Hij keek naar de kist.

“U hoeft het niet voor niets te doen,” zei Emma zacht. “Wat dacht u van vijfduizend als u twee maanden uw mond over die belachelijke clausule houdt? U weet niet waar hij woont, dus als u hem niet kunt vinden binnen de tijd, houdt het op.”

“Misschien.”

Johanna was verbijsterd.

“Emma, dat is omkoping!” zei ze verontwaardigd.

“Ach wat. Er is toch geen enkele nakomeling die de erfenis kan komen opeisen!”

“Waarom zou je de notaris dan vijfduizend euro geven?”

Emma haalde geërgerd haar schouders op.

“U kunt beter gaan, als u de boot nog wilt halen,” zei ze.

De notaris gaf hen geen hand, maar vertrok snel.

De daaropvolgende dagen zag Hessel de twee zussen een paar keer voorbijlopen. Ze zagen er niet slecht uit, het waren allebei aantrekkelijke brunettes, maar ze keken nijdig in zijn richting en trokken een vies gezicht bij het zien van zijn mesthoop.

Hessel zuchtte. Zolang Louise nog boven de grond stond, zou hij geen actie ondernemen, maar daarna konden de dames hun lol nog op! Hij zat al te broeien op een plannetje, er schoot hem echter niets te binnen.

Lars liep intussen onbekommerd rond over het erf en speelde met zijn bal. Hij schopte de bal over de heg, pardoes in de vijver van Louise, en raakte daarbij een gipsen beeldje, dat kapot viel.

“O jee, papa!” zei Lars geschrokken. “Kapot!”

“Ja jongen, je moet ook beter uitkijken waar je die bal naartoe schopt.”

Lars wilde de bal gaan halen, maar zijn vader voorzag moeilijkheden.

“Je krijgt wel een nieuwe,” beloofde hij. “Kom maar liever niet daar, volgens mij hebben ze niet gezien dat dat beeldje stuk ging. Met Louise zouden we wel iets regelen, maar die rare achternichten van haar… Ik heb trouwens geen geld op het moment. En de verzekeringspremie is niet betaald. Als ik er wat beter voor sta, zal ik het beeldje wel vergoeden. Maar nu even niet.”

“Louise is dood, hè papa.”

“Ja, jongen. Morgen is de begrafenis.”

“Mag ik ook kijken?”

“Jazeker.”

“Moet ik dan schone kleren aan?”

“Daar zeg je zoiets! Zoek maar naar je donkere broek, volgens mij ligt die in de kast, of in de wasmand met de schone was.”

Lars ging naar binnen. Hessel keek naar de twee zusters, die de bal uit de vijver hadden gevist.

“Is die bal van uw zoon?” riep Emma. “U beseft dat we de schade op u komen verhalen?”

“Nee, hoor,” loog Hessel, “mijn zoon heeft helemaal geen voetbal.”

“Wie heeft het dan gedaan?”

“Geen idee.”

“En haal uw koeien van ons land!”

Kwaad nam ze de bal mee naar binnen.

Hessel zuchtte. Hij vond het maar niets dat hij nu buren had waarmee hij niet kon praten. Waar moest hij met veertig koeien naartoe? Op het erf van de boerderij kon hij ze ook niet neerzetten, dan zou er nog meer heibel komen.

Hij ging die middag op de fiets, met Lars voorop op de stang, bij iedereen langs die land over had, maar toen het tijd werd om de koeien te melken, had hij nog geen plaats gevonden.

De volgende dag was de begrafenis, de kerkklok van Hoorn zou luiden als de begrafenisstoet het dorp inkwam. Hessel en nog een paar buren droegen de kist op de kar van Hessel en hij mende het paard. Lars zat naast hem. De stoet liep zwijgend over de hoofdweg, hier en daar kwamen paarden uit de weilanden nieuwsgierig naar het hek om te kijken.

Hessel had gezien dat de twee zussen alleen achter de kar liepen, een heel eind achter hen kwamen de buren pas. De derde zus had blijkbaar verstek laten gaan.

Lars was diep onder de indruk en Hessel vermoedde dat hij aan de begrafenis van zijn moeder dacht. Hij was nog maar heel klein geweest, maar Hessel had hem weleens tegen de hond horen vertellen hoe het gegaan was.

“En mama lag in een kist en die kist ging in de grond,” had hij het kereltje horen vertellen. Het was onvoorstelbaar zo goed als het kind alles had opgenomen!

“Papa,” fluisterde Lars, “ik ben niet zo lekker.” Hij zag inderdaad nogal pips. Hessel probeerde al mennende erachter te komen wat er met zijn zoontje aan de hand was.

“Blijf maar even op de kar tot we er zijn, dan vraag ik of Marie je mee naar huis wil nemen.”

Lars knikte suf, maar moest opeens overgeven.

Hij leunde wat opzij en leegde zijn maag.

Emma en Johanna, die het toch al een bezoeking vonden om achter die kar aan te moeten lopen, keken geschrokken op.

“O gadver, eerst al die paardenstront voor onze voeten, en nu kotst dat kind ook nog!” zei Emma verbolgen. “We hadden een lijkwagen voor Louise moeten nemen!”

“Louise wilde het nu eenmaal op de traditionele manier,” zei Johanna sussend. “Maar zonder kerkdienst. Die paard en die kar zijn traditie!”

“O, en is het ook traditie dat een kleuter de boel onderspuugt tijdens een begrafenis?”

“Misschien is hij ziek, weten wij veel? Dat kind heeft geen moeder, je hoorde toch wat Jansje vertelde? Hij wordt natuurlijk verwaarloosd. Ik vind het zielig!”

“Johanna, doe niet zo soft! Dat kind is net zo min zielig als die boertige vader van hem!” Emma keek nijdig toe hoe Hessel vanaf de bok zijn zoontje probeerde te troosten. “Wat een aanfluiting!”

Johanna trok een pruillip.

Ze kwamen bij het kerkhof. Lars bleef op de wagen zitten en Hessel zag kans Jansje te wenken.

“Kun jij Lars naar huis brengen, hij is ziek geworden.”

Jansje knikte.

“Ik zag het. Ik vraag mijn zoon wel even of hij ons thuisbrengt met de auto.” Ze had haar gsm al gepakt.

Hessel moest helpen de kist te dragen. Hij keek Lars en Jansje na. Wat zou die jongen onder de leden hebben? Het kon natuurlijk van alles zijn. Ging er niet een griepje rond?

Hij luisterde met een half oor naar de woorden die aan het graf werden gezegd, dat Louise zo’n goed karakter had, en dat ze helaas nooit kinderen had gekregen, wat ze heel erg had gevonden.

Hij wilde er wel iets aan toevoegen, maar de aanblik van de grafsteen naast het graf van Louise deed hem verstommen. Zijn vrouw lag hier. Louise kwam naast Annette te liggen. Daar had hij helemaal niet bij stil gestaan, hij ging niet vaak naar het kerkhof. Jansje was degene die weleens bloemen op het graf legde.

Gelukkig was de begrafenis van Louise snel voorbij. Hij ging niet mee naar de condoleance, maar liep zo snel hij kon naar huis. Daar zat Jansje inmiddels naast Lars op de bank.

“Hij heeft zeker iets verkeerd gegeten of zo, hij heeft nog een keertje gespuugd in de auto, maar nu knapt hij alweer op, hoor.”

“Kan kloppen, hij heeft nogal wat bessen zitten eten die hij zelf geplukt heeft. Misschien komt het daardoor.”

“Ja, waarom laat je dat dan ook toe? Hij kan zich zelf wel vergiftigen!”

“Volgens mij waren ze niet giftig. Maar als je er veel van eet, wil het weleens misgaan natuurlijk. Dag jongen.”

“Dag papa. Is Louise nu geplant?”

“Je bent boerenzoon of je bent het niet,” zei Jansje glimlachend.

“Ja, dat is zo, Louise is begraven. Naast je moeder.”

“Zeg dat toch niet, dat kind is daar toch veel te klein voor!” meende Jansje. “Hessel, je moet eens wat van die opvoedingsboeken lezen, daar staat in hoe je voor je zoon moet zorgen.”

“Opvoedingsboeken? Wat staat daar dan in dat ik niet weet?”

“Dat een kind behoefte heeft aan rust, veiligheid, dat soort dingen! Volgens mij heb je daar helemaal geen idee van! Je rotzooit maar wat aan, net zoals je je bedrijf runt!”

Hessel werd Jansje een beetje beu en loodste haar naar de deur.

“Bedankt dat je hem hebt thuisgebracht, ga nu maar naar de condoleance. Je wilt toch geen nieuwtjes missen?”

Jansje vertrok.



In de dagen na de begrafenis hield Hessel zijn zoontje goed in de gaten, maar het kind had geen koorts, alleen bleef zijn eetlust minimaal.

Hessel besloot Lars van school te houden tot hij weer helemaal de oude was. Lars speelde meest binnen nu het weer was omgeslagen, met zijn blokken en auto’s amuseerde hij zich wel, terwijl Hessel bezig was met het vee, het melken, kaas maken en het dak van de stal.

Intussen kwamen de zusters met een dwangbevel op de proppen. Hij moest zijn koeien van het weiland halen, of ze werden in beslag genomen, zo stond er. Aangezien hij geen geld had voor een advocaat, besloot hij er maar niet tegenin te gaan.

Gelukkig sprongen een paar bevriende boeren bij en kon Hessel zijn vee kwijt op drie verschillende locaties. Het was een hele uittocht, alle koeien liepen op de dag van de verhuizing achter elkaar aan over de hoofdweg naar hun nieuwe, tijdelijke verblijfplaats.

“Wat een stelletje kenaus!” vond Marie, die dikwijls een pannetje warm eten kwam brengen, in de hoop de kleine jongen weer wat eetlust te geven. “Alsof ze zo’n haast hebben! In de winter zijn er toch geen campinggasten?”

“Ze moeten een riolering aanleggen en zo,” zei Hessel schouderophalend. “Dus ze hebben misschien wel gelijk. Ik moet trouwens even een schuld met ze vereffenen. Hoe duur denk je dat zo’n beeldje naast hun vijver kost? Er is eentje gesneuveld, Lars heeft er een voetbal op laten neerkomen.”

“Geen idee. Louise heeft die beeldjes ooit eens daar neergezet omdat ze die van iemand gekregen had, maar mooi vond ze die dingen niet. Ik denk een euro of honderd, hooguit.”

“Zoveel nog. Allemachtig.” Hessel slikte even. Hij dacht aan zijn eigengemaakte kaas, honderd euro was de winst van een hele week.

“Nou ja, dan moet het maar. Wil je even op Lars passen, ik ben zo terug.”

Hij pakte zijn portemonnee en liep naar buiten.

Het regende. Het weiland naast het huis van de twee zusters stond nu leeg en hij zuchtte. Had hij maar geld gehad om die zussen Van der Veer uit te kopen! Maar ja, alles bij elkaar, land en boerderij, was het tegenwoordig al snel een miljoen waard, dat zouden ze er in ieder geval wel voor vragen, vreesde hij. De bank zag hem al aankomen met zijn armzalig inkomen als keuterboer! Een hypotheek zat er voor hem echt niet in!

Hij liep achterom en deed netjes zijn klompen uit voor hij verder liep. Emma was bezig met de boekhouding in de keuken en schrok toen hij zomaar binnenstapte.

“Je hoeft niet zo stiekem binnen te sluipen, we hebben een deurbel!” snauwde ze.

“Werkelijk? Zal ik dan even overnieuw…”

“Doe niet zo idioot! Wat moet je?”

“Ik wilde de schade voor het beeld bij de vijver betalen. Hoeveel?”

Emma keek hem verbaasd aan.

“O? Dus toch? En ik dacht dat u niet wist wie de schuldige was?”

“Achteraf blijkt het inderdaad mijn zoontje te zijn geweest. Ik hoop dat honderd euro genoeg is?”

Hij smeet twee biljetten van vijftig op de keukentafel.

“Goedendag!”

Hessel wilde vertrekken, maar Johanna, de jongere zus, stond opeens voor hem.

“Dat is aardig, buurman. Zullen we elkaar maar tutoyeren? Dat praat wat makkelijker. Nu we toch buren zijn, kunnen we misschien ook vrienden worden?”

Emma keek verbaasd toe.

“Wil je koffie, Hessel?” vroeg Johanna vriendelijk. Haar zus snoof verachtend. Hessel vond het wel grappig dat die opgefokte Emma zich zo ergerde.

“Nou graag. Melk en suiker, alsjeblieft. Johanna.”

Hij ging op zijn gemak zitten.

“O, de administratie,” zei hij met een knikje naar de laptop van Emma en de berg papieren ernaast. “Wat een werk, hè.”

“We zijn de balans aan het opmaken. Om onze camping rendabel te maken, moeten we eigenlijk uitbreiden,” flapte Johanna eruit. “We hebben ruimte nodig voor een douchegebouw en een soort van kantine.”

“Jo!” beet haar zus haar streng toe, “zullen we dat soort vertrouwelijke informatie maar binnenskamers houden?”

“O, sorry. Je hebt gelijk.”

Hessel grijnsde geamuseerd.

Johanna besloot het dan maar over iets anders te hebben.

“Ik zag dat je alle vee hebt weggehaald. Kon je een plek vinden?”

“Met moeite. Ik heb nu vijftien koeien bij Kees van Jelle staan, en vijftien bij zijn broer, en de rest staat in de polder onder Hoorn. Het is knap lastig werken voor een melkveehouder.”

“Waarom schei je er niet gewoon mee uit?” zei Johanna. “Dat bedrijf van je levert toch niets op?”

“Ook niet als ik het wil verkopen. Momenteel zit de hele markt op slot. En ik kan ook niet anders.”

“Ja, het zijn voor iedereen moeilijke tijden,” zei Johanna begrijpend.

Er viel een stilte. Hessel keek naar Emma, die bijna paars aanliep. Blijkbaar vond ze het maar niets dat Johanna en hij het ogenschijnlijk zo goed met elkaar konden vinden.

“Hoe is het met je zoontje?” vroeg Johanna, die voor de tweede keer inschonk.

“Hij kwakkelt een beetje. Ik weet niet wat hij onder de leden heeft, maar hij eet niet veel.”

“Wat zegt de dokter?”

“Ik geloof niet in dokters!”

“O? Waarom niet?”

“Mijn ouders zijn jarenlang door een dokter behandeld, en ze gingen toch dood aan iets anders. Had ie nooit gezien! Nee, dokters, ik heb het er niet zo op.”

“Apart,” zei Emma grimmig.

Hessel zette zijn lege kopje neer.

“Nou, dames, het was me een waar genoegen. Ik moet er weer eens vandoor.”

“Wacht!” zei Johanna. Ze gaf hem de twee bankbiljetten terug. “Dat beeldje was toch al gebarsten, en volgens mij niet echt veel waard.”

Hessel pakte het geld aarzelend aan.

“Als je het zeker weet…”

Ze keken allebei naar Emma, die nu bijna uit elkaar leek te ploffen, maar niets zei.

“Tot ziens dan maar!” Hessel vertrok en liep goedgehumeurd naar huis.

“Nou?” zei Marie. “Hoe ging het?”

“Buitengewoon goed. De dames zitten met een probleem, wist je dat?”

“Ruimtegebrek zeker? Zo groot is het land van hun nu ook weer niet.”

“Precies! Ze zouden mijn erf en gebouwen er maar wat graag bij willen trekken!” Hij grinnikte. “Ze zitten in wezen in hetzelfde schuitje als ik. Maar ik verkoop niet aan dat stel, voor geen miljoen!”

“En Jansje denkt er precies zo over, dus daar hoeven ze ook geen uitbreiding te verwachten.”

“Misschien gaan ze dan wel weg,” zei Hessel hoopvol. Hij keek naar Lars, die lusteloos op de bank lag.

“Het is maar niets met hem. Misschien moet ik toch maar eens met hem naar de huisarts.”

“Ja, dat zou ik wel doen als ik jou was. Hij is helemaal niet in orde, Hessel.”

Lars glimlachte flauw toen Hessel naast hem ging zitten.

“Heb je zin in wat lekkers?”

Lars schudde het hoofd.

“Ik bel meteen maar voor een afspraak,” zei Hessel. Hij voegde de daad bij het woord.

Nog dezelfde middag konden ze bij de huisarts terecht.

Lars keek zonder al te veel interesse de wachtkamer rond, hij zat bij zijn vader op schoot. Een bejaarde vrouw boog zich naar hem toe.

“Zo jongen, moet je ook naar de dokter?”

Lars knikte.

“Ja, jij ook?”

“U!” verbeterde Hessel hem. “Je moet ‘u’ zeggen.”

“Moet je ook naar u?”

Hessel zuchtte. Hij vond het soms knap lastig om zijn zoontje op te voeden.

Ze waren aan de beurt.

“Wat kan ik voor u doen?” vroeg de huisarts, die Hessel nog maar zelden gezien had.

“Lars is niet in orde.”

“Wat scheelt er aan?”

“Hij eet weinig, en hij is wat moe.”

De dokter onderzocht het kind.

“Ik kan niets vinden, hij lijkt me gezond.”

“Maar hij eet niet.”

“Dat hebben kinderen van die leeftijd wel vaker. Dat gaat wel weer over.”

“Misschien kun u zijn bloed eens laten nakijken?” stelde Hessel voor, maar de huisarts schudde het hoofd.

“Daar is geen enkele aanleiding voor. Hij is wel een beetje te licht voor zijn leeftijd. Probeer hem vooral gezonde dingen te laten eten. Goedendag!”

Hessel nam Lars mee en probeerde niet nijdig te worden. Die dokter had makkelijk praten, maar Lars wilde helemaal geen gezonde dingen, hij wilde helemaal niets!

Thuisgekomen probeerde Hessel het lievelingsgerecht van Lars klaar te maken, kip met appelmoes en aardappelpuree, maar hij liet de kip aanbranden en de puree zat vol klonten. Lars at er geen hap van.

“Ik moet nu gaan melken, blijf je braaf in de kamer?”

“Ja, papa,” zei Lars.

Hessel koppelde de mobiele melkmachine achter zijn trekker en ging naar de verschillende weilanden om zijn koeien te melken. Het duurde allemaal veel langer dan toen hij de koeien nog dicht bij huis had.

Het was al donker eer hij terug was. In de woonkamer brandde geen licht, hoewel Lars best wel wist hoe hij het lichtknopje aan moest doen. Ongerust ging Hessel naar binnen.

“Lars! Lars, waar ben je?”

Er kwam geen antwoord.

“Lars! Je zou toch in de woonkamer blijven!”

Hij doorzocht het hele huis, maar Lars vond hij niet. In paniek belde hij Marie, en toen die ook niet wist waar Lars was, toetste hij het nummer in van Jansje.

“Lars, nee, die heb ik niet gezien. Misschien is hij naar een vriendje van school of zo?”

“Hij zou thuisblijven, dat had ik hem nog zo gezegd!”

Opeens hoorde Hessel een merkwaardig gepiep, het kwam uit de bedstee van Lars. Hij opende de deur.

“Papa,” zei zijn zoontje slaperig. “Papa, kijk eens, poes heeft kleintjes!” Glunderend wees hij op één van de katten, die op het bed van Lars haar drie jongen had gekregen. De moeder was druk bezig de kittens schoon te likken.

“Leuk hè, papa!”

Hessel zuchtte opgelucht.

“Dus je was hier!”

“Ja, poes deed zo raar. En toen poepte ze allemaal poesjes uit! Drie!”

“Ik zie het. Herfstkatten, die zijn niet zo sterk. Maar we zullen ze houden. Als jij tenminste iets gaat eten!”

“Moet dat echt?”

“Jazeker! Als je je bordje leeg eet, mogen ze alle drie blijven.”

Lars zette zich aan tafel en Hessel maakte een paar boterhammen met pindakaas klaar. Met lange tanden begon Lars te eten.

Hij leek toch wat meer trek te krijgen in de dagen die volgden en Hessel bracht hem weer naar school.



“Het kan dus helemaal niet!” schreeuwde Emma op een druilerige herfstochtend. “We kunnen hier helemaal geen camping beginnen, want we hebben maar ruimte voor veertig staanplaatsen en dat kan niet meer uit tegenwoordig!” Ze smeet de papieren met berekeningen op de vloer. “Hier, zie maar! We moeten minstens zestig tenten kwijt kunnen, anders verdienen we zo goed als niets!”

“Tja,” zei Johanna, die kalm alles opraapte. Ze bekeek de berekeningen. “Dan verzinnen we toch iets anders? Waarom verkopen we de boel niet en gaan weer op het vasteland wonen? Aan de wal, zoals ze hier zeggen?”

“Doe niet zo stom! De onroerend goed markt is compleet ingestort, we zouden nu hartstikke weinig voor de boerderij krijgen! En we hebben onze huurwoning net opgezegd. Je vindt tegenwoordig toch nooit meer iets redelijks te huur? Nee, we zitten hier nu vast. En het IT-werk dat we deden, brengt ook niets meer in het laatje. Het is crisis!”

“Wat moeten we dan doen?”

Emma had al een plan B.

“We moeten de boerderij van die Hessel zien te krijgen. Als we hier een goede camping hebben, kunnen we zonder al te hard te werken, een prima bestaan opbouwen. En met het stukje land van Hessel erbij zou het allemaal net lukken. Dan maken we waar nu de stal is, het douchegebouw en het woongedeelte wordt de kantine en winkel.”

“Dus je wil die boerderij overnemen, zonder geld?”

“Als hij op één van ons beiden zou vallen…”

“Belachelijk, hij heeft een bloedhekel aan ons. Aan ons allebei.”

“Dat kan toch veranderen?” meende Emma.

“Maar wat ben je dan van plan?”

“Heel simpel. Ik ga hem verleiden.”

“O, mijn hemel, Emma!” Johanna proestte. “Dat meen je toch niet? Hoe wil je dat doen dan?”

“Gewoon, een beetje make-up, mijn minirok…”

“Hessel is een nuchtere boer! Ik denk niet dat hij valt op vrouwen in minirok en met make-up! Trouwens, het is veel te koud voor een minirok!”

“Misschien heb je gelijk. Dan pak ik het anders aan.” Emma dacht serieus na en Johanna schudde het hoofd.

“Ik vind het echt belachelijk. Wat een stom, ongeëmancipeerd plan! Ik dacht dat wij onafhankelijke, moderne vrouwen waren?”

“Het is crisis. Nood breekt wet. En we zien er allebei goed uit, dus waarom daar niet wat mee gedaan? Een huwelijk geeft nu eenmaal wat zekerheid.”

“Dus je wilt hem verleiden, met hem trouwen zelfs? Allemaal om die camping door te laten gaan?”

“Ja, precies. Het gaat om onze toekomst! Kun jij een betere reden bedenken?”

“Liefde misschien?”

“Daar geloof ik niet zo in, eerlijk gezegd. Je zag toch hoe slecht het tussen onze ouders ging. Nee, na een jaar of zo dump ik hem gewoon.”

“Maar dan ben je de camping toch ook weer kwijt?” zei Johanna.

“Niet als ik het handig speel.” Emma lachte sluw. “Ik heb me al in de materie verdiept. De hele camping komt op mijn naam, en de jouwe. Hessel en ik trouwen in gemeenschap van goederen. Vervolgens zet ik de uitbreiding van de camping, de boerderij van Hessel dus, ook op mijn naam, en dan gaan we scheiden. Heb ik, en jij, alles en hij heeft niets.”

“Waanzin. Hij is toch niet gek? Daar gaat hij toch nooit mee akkoord!”

“Hij zal er geen weet van hebben, want ik doe dat natuurlijk allemaal achter zijn rug om.”

“Jij bent echt gek. Dat kan toch helemaal niet!” zei Johanna half lachend.

“Mannen zijn echt achterlijk als het om scheidingen gaat. Ik heb een paar geraffineerde trucjes van mama geleerd, waar je steil van achterover zou slaan,” zei Emma geheimzinnig. “Laat het maar aan mij over. Ik weet precies hoe ik die zaken aan moet pakken!”

Ze ging naar boven en probeerde al haar kleren uit. Uiteindelijk koos ze voor eenvoudige jeans en een romantische witte blouse met veel kant en rushes, kleren die ze eigenlijk veel te truttig vond, maar voor dit doel waren ze uitermate geschikt. Ze zag er in uit als een frisse meid van het platteland, het type waar die boer vast op viel.

Ze maakte zich licht op, met roze lipstick, en bekeek zichzelf in de spiegel. Een echte boerendeerne, als ze nog een hoofddoekje in haar haren knoopte, was het plaatje rond. Zo zou Hessel haar vast niet kunnen weerstaan!

Gelukkig was het weer wat opgeknapt, en scheen nu een waterig zonnetje over het eiland, ze kon haar jas openlaten. Anders zag je nog niets van de kanten blouse!

Ze zorgde er die middag voor dat ze gelijk met Hessel in de richting van de school liep.

Hessel probeerde haar te negeren, maar ze ging naast hem lopen.

“Haal je je zoontje af?” vroeg ze met een brede glimlach.

“Ja.”

“Hoe is het nu met hem, nog ziek?”

“Nee, anders had ik hem wel thuisgehouden. Zeg, is dat niet te koud, zo met die jas open?”

“Je hebt gelijk!”

Ze knoopte de jas snel dicht.

“Hessel, luister eens, het spijt me dat we op de verkeerde voet zijn begonnen. Misschien kunnen we eens samen uitgaan?”

“Hoe uitgaan?”

“Uit eten?”

“Dat is mij veel te duur. Ik moet tegenwoordig echt iedere cent een paar keer omdraaien.”

“Kom anders eens bij ons eten. Met Lars. Dat lijkt me gezellig.”

Hessel keek haar niet-begrijpend aan. Wat was er met die Emma gebeurd? Hij wist dat vrouwen wispelturig waren, maar dit was wel heel verdacht.

“Moet je soms iets van me?” vroeg hij achterdochtig.

Bijna viel Emma uit haar rol, maar ze wist haar glimlach snel te herstellen.

“Ik wil alleen maar dat we goede buren zijn. Al die wrevel, dat is zo ongezellig.”

Ze waren inmiddels bij de school aangekomen. Er stonden meer ouders bij het hek. Ze keken nieuwsgierig naar Hessel en Emma, en Hessel vermoedde dat de roddels over hen beiden niet van de lucht zouden zijn. Dat kon hem trouwens niets schelen, ze deden maar.

Hij spreidde zijn armen en Lars rende op hem af.

“Dag!” zei hij tegen Emma.

“Dag jongen. Was het leuk op school?” vroeg Emma hartelijk.

“Ja, hoor. We hebben geverfd!” Hij liet zijn rode en blauwe vingers zien.

“Was het papier op?” mompelde Hessel. Hij keek naar Emma.

“Moet je niet ergens naartoe of zo?”

“O ja, een brief posten. Waar is hier ergens een brievenbus?”

Hessel wees de weg.

“Dus dan zien we jou en je zoontje laten we zeggen morgenavond zes uur?”

“Dan ben ik nog aan het melken, daar doe ik tegenwoordig veel langer over, omdat de koeien verspreid staan.”

“Zeven uur dan? Half acht?”

“Half acht, goed dan, ik zal er zijn met Lars,” zei hij om van het gezeur af te wezen. Hij zou wel een smoes verzinnen om er onderuit te komen.

Emma ging tevreden naar huis. Dit beloofde niet al te moeilijk te worden. Had haar moeder haar niet geleerd dat de liefde van de man door de maag ging?

“Johanna! Johanna, luister, morgenavond hebben we Hessel en dat wurm van hem te eten!”

“Hoe heb je dat voor elkaar gekregen?” zei Johanna verbaasd.

“Gewoon, de juiste kleren, de juiste make-up, de juiste blik!” Triomfantelijk zwierde ze door de keuken.

“Dit gaat beslist lukken! Ik zal iets fantastisch op tafel zetten!” zei ze.

“Jij? Je kunt niet eens een ei bakken.”

“Met enige hulp natuurlijk. Er zijn hier een paar restaurants in de buurt, daar haal ik gewoon wat op en doe alsof ik het zelf gekookt heb.”

“Ik wil niet lastig zijn, maar volgens mij is alle horeca zo ongeveer dicht hier in november.”

“Doe niet zo moeilijk! Ik heb tot morgenavond half acht de tijd om het voor elkaar te krijgen! We gebruiken Louises beste servies, en dat linnen tafelkleed.”

“Dat ding ruikt naar mottenballen.”

“Dan wassen we dat kleed toch eerst! En we moeten wijn hebben. Goede wijn, waar hij van blijft drinken. Kom op, we hebben hartstikke veel te doen!”

“Wat een gedoe,” mompelde Johanna. “Ik hoop dat het loont!”

Emma keek door de ruitjes van de keuken naar buiten, waar ze Hessel bezig zagen op het erf.

“En hij ziet er nog appetijtelijk uit ook,” mompelde Emma. “Dus waarom niet?”

Hessel voelde dat er naar hem geloerd werd. Hij grijnsde. Emma was wel erg doorzichtig! Hij had allang door wat de bedoeling was.

Misschien moest hij het etentje afzeggen, maar aan de andere kant, een gratis maaltijd sloeg hij niet af.

Dus Emma wilde hem inpalmen, waarschijnlijk had ze wel door dat het land van Louise net niet groot genoeg was voor een camping plus douchegebouwen en kantine, en had ze haar zinnen gezet op zijn boerderijtje. Nou, hij was benieuwd hoever ze wilde gaan!

Lars riep hem, er was telefoon.

“Hallo?”

“Ja, met Jansje. Zeg, ik heb gehoord dat de dames Van der Veer hun campingplannen willen uitbreiden. Ze moeten meer land hebben, wil hun bedrijf rendabel zijn.”

“Zo? Hoe weet je dat?”

“Ze hebben mij benaderd met een voorstel. Ik heb ze meteen nee gezegd, natuurlijk, dus nu zullen ze wel bij jou aankloppen.”

“Ik zeg ook nee.”

“Dan ben ik bang dat ze het wel kunnen vergeten met hun camping!”

Hessel lachte.

“Wat jammer nu!”

Emma was de volgende dag al vroeg in de weer met serviesgoed en tafelkleden, ze probeerde verschillende soorten bestek uit, en uiteindelijk moest er nog iets te eten worden geregeld.

“Wat zou zo’n boer nu lekker vinden?” piekerde ze.

“Een stevige stamppot,” opperde Johanna, die er lol in begon te krijgen. “En die maken we gewoon zelf!”

“Stamppot?” gruwde Emma.

“Ja, met worst, en spekjes en uien. Dat vindt zo’n hardwerkende agrariër volgens mij het lekkerste wat er is!”

“Nou, doe jij dat dan maar. Ik haat aardappelen schillen!”

Ze waren er de hele dag zoet mee. Iets na half acht stond Hessel met Lars bij de voordeur en belde aan. Beiden hadden hun netste kleren aan, en Hessel had zelfs zijn klompen verruild voor een paar schoenen.

“Papa, waarom gaan we niet achterom?”

“Dat hoort niet. Je zult je toch wel gedragen, hè?” Hij streek zijn zoon over het haar. Lars was eigenlijk veel te jong om ergens te gaan eten, hij had nog niet veel verstand van tafelmanieren. Maar wat maakte het ook uit. Hij grinnikte.

Johanna deed open.

“Hallo, kom maar snel mee naar de eetkamer.”

“Zo, hebben jullie tegenwoordig een eetkamer? Louise at altijd in de keuken.”

“Dit is best wel een grote boerderij, hoor! Kijk, we hebben deze kamer nu als eetkamer ingericht.” Ze opende een deur.

Daar wachtte Emma hem op met een glas port in de hand dat ze snel neerzette. Het aperitief sloegen ze maar over, zo bedacht ze.

“Ga zitten,” zei ze haastig. Ze keek een beetje onzeker naar Lars.

“Cola?”

“Nee, lust ik niet.”

“Dan heb ik wel een glas water voor je. Ga jij daar maar zitten. Hessel, jij hier, tussen ons beiden.”

Hessel nam plaats en zat tegenover zijn zoontje, die het bestek bestudeerde.

“Ik heb een lekkere andijviestamppot gemaakt,” zei Emma. Johanna sloeg blozend de ogen neer, want zij was degene die gekookt had.

Emma bracht een dekschaal naar binnen en zette die op tafel.

“Kijk eens aan, wat chique!” zei Hessel bewonderend.

Het ontging hem niet dat de dames nogal kwistig met parfum waren omgesprongen. Hij niesde en vergat zijn hand voor zijn neus te houden.

“O, sorry hoor. Zal ik opscheppen?”

Emma was bleek geworden en ook Johanna zag er opeens niet al te fleurig uit.

“Neem zelf eerst maar,” zei ze lispelend. Uiteindelijk lieten de twee zussen zich een klein beetje eten opscheppen, dat ze met lange tanden begonnen te eten.

Na afloop van de zwijgend verlopen maaltijd dronken ze koffie in de andere kamer. Het gesprek wilde niet op gang komen, hoewel Johanna van alles probeerde aan te dragen: het weer, de veerboten, de Staatsloterij.

“Heb je ook al een lot?”

“Ja, ik doe altijd automatisch mee. Ik win alleen nooit iets,” zei Hessel.

“Wil je nog iets drinken? Cognac misschien?” vroeg Emma. Ze probeerde te glimlachen, maar ze had het gevoel dat het etentje vreselijk was mislukt. Hessel gedroeg zich echt als een boerenpummel! Hoe moest ze die kerel nou ooit verleiden, er was helemaal niets meer dat ze aantrekkelijk in hem vond! Zelfs zijn uiterlijk kon haar niet meer boeien. Hoe hij in haar stamppot geniesd had! Verschrikkelijk!

“Ja, lekker, cognac!” zei Hessel handenwrijvend. “Ik bof maar!”

Johanna schonk in en keek naar Lars, die zich stierlijk zat te vervelen.

“Ik heb op zolder een blokkendoos gevonden. Ik zal hem even halen, dan kun je daar mooi mee spelen,” zei ze.

Emma zuchtte.

“Zo lang blijven ze niet, Jo,” zei ze hoofdschuddend. “Haal maar niets.”

“Ach, het is geen moeite, die doos staat al op de overloop.” Johanna verliet het vertrek.

Emma keek naar Hessel.

“Dus…” zei ze peinzend. “Wat dacht je ervan om te verhuizen?”

“Daar heb ik absoluut geen oren naar.”

“Dat dacht ik al.”

“Geef het maar op, Emma,” grijnsde hij. “Kom Lars, je moet naar bed.”

Johanna kwam juist de trap af met de blokken.

“O, gaan jullie al? Nou, neem die doos dan maar mee. Dag knul!”

Lars was er blij mee.

“Dank u wel!” zei hij glunderend. Hij kreeg niet zo vaak cadeautjes.

Hessel bedankte ook nog en ze vertrokken.

“Wat een hel!” verzuchtte Emma toen ze de deur nog maar net hadden dichtgedaan.

“Ach, ik vond het wel gezellig. Vooral dat jochie. Wat een leuk kereltje!”

“Je bent gek, dat is een vervelend ettertje. Zag je niet hoe hij steeds zijn tong naar me uitstak?”

“Hij speelde maar! Je bent dus niets opgeschoten?”

“Nee. En ik probeer het ook niet meer.”

“Mooi. Dan ga ik het er op wagen!” zei Johanna opgewekt.

“Wat, jij?” riep Emma uit. “Dat meen je niet! Johanna!”

“Waarom niet? Ik vind hem wel leuk. Heel leuk, zelfs!” Ze bloosde.

“Nee, toch zeker, heb je het te pakken?”

Johanna knikte.

“En volgens mij is hij ook wel een beetje van mij gecharmeerd.”

“Je weet toch wel wat er gebeurde toen die Pieter je een blauwtje liet lopen?”

“Pieter was getrouwd, dat lag anders. Ik begin nooit meer aan een getrouwde man! Maar Hessel is vrij.”

“Nou succes!” zei Emma smalend. “Dus je wilt hem versieren! Ik ben benieuwd hoe je dat denkt te gaan doen!”

“In ieder geval niet met stamppot!” zei Johanna. “Er is vast wel een andere manier om hem om mijn vinger te winden!”

“Als je maar niet aan hem blijft hangen, de bedoeling is dat we hem na een jaartje dumpen en de hele handel van ons is!”

“Ja, natuurlijk! Dat vergeet ik niet, hoor!”



Hessel had zijn stal zover dat de koeien er in konden, een maand vroeger dan ze normaal op stal gingen. Hij haalde ze allemaal op en in een lange rij liepen ze over het fietspad.

Lars hielp hem en de hond zorgde er voor dat de koeien allemaal bij elkaar bleven. Het was een hele optocht.

“Daar heb je hem, Johanna,” waarschuwde Emma vanuit de keuken. “Als je wat wilt bereiken, dan is nu je kans. Hij heeft vast wel hulp nodig om die vieze beesten de stal in te krijgen.”

“Ik durf niet. Die dieren zijn zo groot!” zei Johanna huiverend.

“Kom op, je wil toch boerin worden? Dan moet je laten zien wat je waard bent!”

Johanna schraapte al haar moed bij elkaar en ging naar buiten. Emma grinnikte. Haar zus was zo’n angsthaas! Het was grappig om te zien hoe ze voorzichtig op de koeien afliep, terugdeinsde en haar hand uitstak.

“Zal ik even helpen met die koeien?” bood ze nerveus aan.

“Nou, dat lijkt me niet zo’n goed idee. Die koeien doen Lars en ik wel, maar als je koffie wilt zetten, graag!” grijnsde Hessel. “Ze doen niets, hoor!”

Johanna ging opgelucht naar de keuken en probeerde wijs te worden uit de ouderwetse koffie percolator die Hessel blijkbaar gebruikte.

Terwijl de koffie pruttelde, keek Johanna naar buiten. De laatste koeien werden door Lars vakkundig naar binnen geloodst. Voor zo’n klein ventje had hij al heel wat in zijn mars! Dat rijmde. Lars, in zijn mars! Ze zong er een deuntje bij. Hessel grinnikte toen hij ongehoord op zijn sokken binnenkwam.

“Ja, Lars heeft inderdaad al heel wat in zijn mars! Ah,lekker, koffie!”

Johanna liep bedrijvig rond en Hessel leunde achterover. Tja, een vrouw zou misschien niet zo gek zijn hier op de boerderij, maar hij had er toch niet zo’n behoefte aan. Je moest er maar mee praten ook nog, zie je wel, ze ging er echt voor zitten.

Hij zuchtte.

“Dus nu staan ze op stal voor de winter.”

“Ja.”

“Maar in het voorjaar zit je omhoog, natuurlijk.”

“Ja.”

“Dan moeten ze weer naar buiten.”

“Ze kunnen ook op stal blijven.”

“O, nou dan doe je dat toch?”

“Dat vind ik maar niets, en bovendien maak ik altijd meikaas, en de hele zomer graskaas. Dat kan dan niet meer. Ik denk dat niemand op gewone kaas zit te wachten, die kunnen ze wel goedkoper krijgen.”

“Dan moet je weiland zoeken.”

“Er is niets beschikbaar.”

“Tja. Misschien moet je dan maar ophouden met je bedrijf.”

Hessel zweeg.

“Mijn zus en ik kunnen dit stuk er goed bij gebruiken. Bij de camping.”

“Ik wil hier helemaal geen camping. Trouwens, volgens het bestemmingsplan is dit agrarisch.”

“Maar bij ons is het gewijzigd, dus dan kan dat hier toch ook? Zo’n klein boerderijtje met amper bijgebouwen en erf?”

“Ik pieker er niet over!”

Johanna begreep dat het geen zin had, dus gooide ze het over een andere boeg.

“Ik vind het heel knap van je, dat je je zoon in je eentje opvoedt. Dat is zeker niet gemakkelijk?”

“Ach, het lukt wel. Ik heb hulp van een buurvrouw die weleens kookt en met allerlei kleren aan komt zetten als ze vindt dat hij er niet netjes genoeg bij loopt.”

“Maar het is toch een gemis, denk ik. Geen vrouw?”

“Tja.”

Johanna keek naar de afwas die nog op het aanrecht stond en begon die dan maar te doen. Hessel keek er zwijgend na. Ze had wel een punt, maar hij mocht haar gewoon niet zo.

Lars ging op een keukenstoel zitten. Hij zag er opeens weer zo bleek en moe uit, ontdekte Hessel. Wat zou dat toch zijn? De dokter had niets kunnen vinden, maar gezond was Lars zeker niet.

“Laat de rest maar staan, Johanna,” zei hij. “Je moest maar weer eens gaan.”

“O. Ja, goed.”

“Bedankt voor de hulp.”

“Kan ik verder nog iets doen?”

“Nee. Ik red het wel. Doei!” Hij werkte haar de deur uit.

Buiten betrok de lucht, het beloofde behoorlijk te gaan stormen. Hessel keek alles na, en haalde losliggende spullen van het erf. Hij kende de voortekenen, de vogels, de hele natuur leek de adem in te houden voor wat er ging komen.

“Lars, als we nou morgenochtend eerst eens naar het strand gaan?” stelde hij voor toen hij weer binnenkwam. Maar Lars was aan tafel in slaap gevallen.

Hij tilde zijn zoon op en droeg hem naar de bedstee. In de stal loeiden een paar koeien die ook aanvoelden dat er slecht weer op komst was.

Hessel liet het deurtje van de bedstee open en ging aan tafel wat zitten lezen, tot hij opschrok van wat lichtflitsen.

“Daar gaan we dan,” mompelde hij. Het begon te waaien en te hagelen en de eerste donderslagen dreunden over het eiland.

Lars sliep aanvankelijk overal doorheen, maar tegen een uur of tien, toen de storm met windkracht elf over de boerderij raasde, werd hij wakker. Hij begon te huilen en Hessel wist niet of hij nu bang was of pijn had. Hij nam zijn zoontje op schoot en wiegde hem.

“Hoor je hoe hard het waait?” zei hij. “Straks waait Sinterklaas nog van het dak!” Het was als grapje bedoeld, maar Lars begon nog harder te huilen.

“Stil maar, Sinterklaas is er nog niet eens!”

Hij kreeg de jongen niet gekalmeerd en besloot de dokter te bellen. Zijn gsm had echter geen beltegoed meer, en de vaste telefoon bleek buiten werking te zijn, dat had vast met het onweer te maken.

Hij voelde het voorhoofd van Lars, die leek hem in orde, maar wat wist hij er eigenlijk van?

Hij aarzelde, zou hij Jansje of Marie niet liever om raad vragen? Maar het was noodweer, hij kon Lars niet meenemen en ook niet alleen achter laten.

Er moest wel iets gebeuren.

De hond begon te blaffen en Hessel vermoedde dat het dier bang was voor het onweer.

“Kom maar hier,” zei hij, maar de hond krabbelde tegen de deur.

“Ga me niet vertellen dat je er nu uit moet,” gromde Hessel. Hij deed de achterdeur open en schrok. Voor hem stond een gestalte.

“O, meneer, mag ik alstublieft even schuilen,” klonk het bibberend.

“Ja, kom maar binnen.”

Hessel kende de vrouw niet, ze was nog erg jong, een meisje eerder dan een vrouw. Ze had een reistas bij zich. “Je bent doorweekt!”

“Ik ben net aangekomen met de boot, bus gemist, ik heb een heel eind gelopen en een stukje meegereden met iemand, en nu denk ik dat ik verdwaald ben…” ratelde ze.

Het huilen van Lars overstemde de rest van haar woorden.

“Hij is ziek,” verklaarde Hessel. “Ik wilde juist de dokter waarschuwen, maar de telefoon doet het niet.”

Ze deed haar jas uit. Ze had rood krullend haar.

“Ik ben verpleegkundige, misschien kan ik iets doen?”

Hessel ging haar voor naar de bedstee.

“Hallo,” zei ze. “Ik ben Marieke Groothuizen.”

“Hij heet Lars.”

Marieke voelde de pols van het kind.

“Hij heeft verhoging. Heb je ook pijn?” vroeg ze.

“Nee. Ik moet spugen!”

Het was al te laat. Marieke schrok niet eens.

“Sorry hoor,” zei Hessel.

“Geeft niets.”

“Wat moet ik nu doen?”

“Heeft hij dit al lang?”

“Het komt en gaat, geloof ik. De huisarts heeft hem al onderzocht, maar die kon niets vinden. Hij leek te zijn opgeknapt, maar nu wordt hij dus weer ziek.”

“Hij moet in ieder geval voldoende drinken, ik heb het idee dat hij wat aan het uitdrogen is.”

“Ja, dat klopt wel, hij heeft nergens zin in.”

Marieke hielp met het verschonen van het bed en de kleren van Lars, en Hessel wees haar de badkamer. Ze had gelukkig genoeg schone kleren bij zich in haar tas.

Ze vond de badkamer op de bovenverdieping. Er stond een ouderwetse badkuip waar rubberen eendjes in lagen, maar gelukkig was er ook een moderne douche. Alles hier in de boerderij zag er wel een beetje uit als een vrijgezellen huishouding, constateerde ze glimlachend. Zo stond er een oud knakworstblikje als tandenborstelhouder en lag het vuile wasgoed in een stapel onder de wasbak.

Toen ze schoon en wel weer in de huiskamer kwam, sliep Lars.

“Misschien is het een griepje,” zei Marieke. “Dat gaat rond.”

“Ik hoop maar dat het dat is,” zei Hessel. “Geef me je kleren maar, dan stop ik ze in de wasmachine.”

Buiten was het nog altijd noodweer. “Ik zal me even voorstellen, ik ben Hessel Smit.

Marieke leek even te schrikken toen ze zijn naam hoorde, maar glimlachte.

“Aangenaam,” zei ze. Dus dit was Hessel, de verschrikkelijke buurman van haar zussen. Ze was in ieder geval in de buurt. Hij viel haar trouwens alles mee.

“Waar moest u eigenlijk zijn?” vroeg Hessel, maar voor Marieke kon antwoorden, begon Lars weer te huilen.

Marieke ging naar de bedstee en tilde het jongetje uit bed.

“Kom maar lekker bij het open haardvuur zitten,” zei ze. “Dan wachten we hier tot je je weer lekker voelt.”

Lars liet zich inpakken in een deken. Hessel bracht hem een bekertje water dat hij met kleine beetjes tegelijk leegdronk.

De hond legde zijn kop op de knie van Lars. Het kind werd wat rustiger en de koorts leek af te nemen.

Hessel voelde zich opeens doodmoe, hij kon zijn ogen amper openhouden. Het was inmiddels middernacht.

“Ga maar naar bed,” fluisterde Marieke, die zag hoe hij zat te knikkebollen. “Ik pas wel op Lars, hij valt zo wel in slaap, denk ik.”

“Echt? Moet je niet ergens zijn dan?”

“Nee hoor, met dit weer heb ik geen haast naar buiten te gaan.”

Hij aarzelde, tenslotte was die Marieke een wildvreemde. Maar hij kon wel wat hulp gebruiken.

“Nou, dankjewel,” zei hij dan ook. “Kun je hem zelf weer in de bedstee leggen?”

“Ja hoor, hij is niet zo zwaar. Hoe oud is hij? Drie?”

“Vier. Ik slaap in die andere bedstee. Roep me als hij zieker wordt, wil je?”

“Dat zal ik doen.”

“En je kunt hier vannacht wel blijven, hoor, op de bank ligt een deken, maak het jezelf gemakkelijk en als je iets wilt eten of drinken, je weet waar de keuken is.”

Marieke knikte.

“Het komt wel goed.”

Lars was nu rustig en liet zich wiegen. Marieke wachtte tot hij zijn ogen gesloten had. Ze droeg hem voorzichtig naar bed en dekte hem toe. Ze liet de deur van de bedstee op een kier open.

Nu begon ze trek te krijgen en ze maakte een boterham in de keuken, die net als de badkamer, bezaaid lag met wasgoed. Zonder erg ruimde ze een beetje op, deed de afwas die op het aanrecht stond en dacht na. Waarom hadden Jo en Emma zo’n hekel aan deze Hessel, het was toch een heel aardige, beetje rommelige vader?

In de woonkamer hing een foto van een jonge vrouw, in een zwart lijstje met een zwart diagonaal lintje om een van de hoeken. Dat was ongetwijfeld de moeder van Lars, het jongetje leek op haar.

Dus Hessel was weduwnaar.

Ze ging op de bank liggen, de deken had ze niet nodig nu het haardvuur nog brandde. Ze sloot haar ogen en sliep tot ze om vijf uur wakker werd van de kou. Het vuur was uitgegaan.

Huiverend sloeg ze de deken om zich heen. Ze merkte dat Hessel al in de keuken bezig was. Hij droeg even later een dienblad met een ontbijtje naar binnen.

“Goedemorgen. Heb je zin in koffie en een broodje?”

“Lekker. Sta je altijd zo vroeg op?”

“Ja, ik melk om half zes. Dat ben ik nu eenmaal zo gewend.”

“Een echte boer dus,” geeuwde Marieke.

“Jazeker. Ik heb Lars niet meer gehoord.”

“Hij viel al snel in slaap, misschien is hij alweer beter. Kinderen hebben wel vaker zomaar iets onder de leden.”

Hessel knikte.

“En het weer is nu ook beter, de wind is gaan liggen en het is ook droog. Je was zit trouwens in de droogtrommel.”

Hij keek toe hoe ze haar ontbijt nuttigde. Hij vond haar leuk. Erg leuk.

“Je grijnst,” zei ze.

“O ja?”

Ze glimlachte.

“Kan ik helpen met het melken?”

“Als je dat leuk vindt.”

Ze liep met hem mee naar de stal en hielp Hessel. Hoewel ze nog nooit in een stal was geweest, had ze al snel door hoe het moest.

“Je hebt talent,” grijnsde hij. “Bedankt, het ging een stuk sneller met jou erbij.”

Het was inmiddels acht uur en het werd licht.

“Ik zal er dan maar eens vandoor gaan. Bedankt voor het onderdak!”

“Graag gedaan, bedankt voor je hulp met Lars. Waar moet je eigenlijk zijn?”

“Bij mijn halfzussen. Emma en Johanna van der Veer. Ik heb ze sinds de begrafenis van onze vader niet meer gezien.”

“O, dan hoef je niet ver. Dat is hiernaast,” zei Hessel en zijn gezicht betrok. Dus Emma en Johanna hadden nu hun jonge zusje laten aanrukken om hem in te palmen! “Vertel me niet dat je dat niet wist!”

“Ik wist het echt niet! Ik ben hier nog nooit geweest, ik had geen contact met de familie van mijn vader. Biologische vader, mijn ouders zijn nooit getrouwd, zie je. Maar nu heb ik opeens een derde van die boerderij geërfd. Ik wilde weleens zien hoe het eruitziet.”

“Zozo.”

Marieke begreep niet zo goed waarom hij ineens zo ijzig deed.

“Tot ziens dan maar.”

Ze stak haar hand uit, maar Hessel liet die van hem in de zak van zijn overall zitten. Hij was nijdig. Die mensen gingen wel heel ver om hun zin door te drijven! Maar hij was mooi niet voor de charmes van de jongste zus gevallen!



“Daar is ze!” riep Emma. “Jo! Marieke komt er aan!”

“Om dit uur? Er is toch nog helemaal geen veerboot aangekomen?”

“Toch is ze er. Ze is zo mooi geworden, kijk nou! Dat prachtige rode haar!” zei Johanna verrukt. Emma gromde iets.

Jo liep naar de deur en liet haar zus binnen.

“Marieke, wees welkom.” Ze gaven elkaar een voorzichtige hand. “Ik dacht dat je gisteravond zou komen, maar toen het zo ging stormen, vermoedden we dat de laatste boot was uitgevallen.”

“Hij voer nog wel, ik ben dan ook met die laatste boot aangekomen. Hij ging behoorlijk tekeer. Vervolgens ben ik in de storm verdwaald, de lantaarnpalen waren ook uitgevallen dus ik zag geen hand voor ogen.”

“Heb je de nacht dan buiten doorgebracht?”

“Nee, hiernaast. Bij de buurman.”

“Wat, bij Hessel?” riep Emma uit. “Wat heb je hem verteld?”

“Gewoon, dat we met z’n drieën de boerderij hebben geërfd. Hoezo?”

“We willen zijn boerderij en erf bij de camping trekken.”

“Kopen?”

“Nee. Het ligt ingewikkeld, maar we hebben een plan.”

Marieke zette haar bagage neer en keek rond.

“Dus hier woonde Louise. Wat een prachtige boerderij.”

“Jazeker. En dat weiland wordt de camping,” wees Johanna.

“Dat hebben jullie al beslist, dat hier een camping komt.”

“Wij niet. Vader heeft dat allemaal al geregeld, hij zou hier een camping beginnen, maar toen ging hij dood.”

“Ik weet niet of hier nu wel een camping moet komen, zo vlak bij de natuur,” zei Marieke peinzend.

“Natuurlijk wel, dat willen de mensen toch, zo dicht mogelijk bij de natuur zijn? Maar wel met alle gemak natuurlijk. Dus willen we daar een eersteklas douchegebouw neerzetten.” Emma wees naar de stal van Hessel. “En een zwembad er achter.”

“Ik geloof niet dat hij het ziet zitten om met zijn bedrijf te stoppen,” zei Marieke. “Hij is dol op zijn boerderij.”

“Ach, het is een onrendabele business. Hij gaat toch failliet,” zei Emma. “Hij bedenkt zich nog wel.”

“Hoe is het met zijn zoontje?” vroeg Johanna.

“Die werd gisteravond ziek, daarom ben ik ook gebleven. Ik hoop dat hij nu weer beter is.”

“Dat kind is constant niet in orde,” zei Emma. “Hij zal wel verkeerd te eten krijgen, die vent zorgt natuurlijk helemaal niet voor hem.”

“O, Hessel leek me anders heel bezorgd,” zei Marieke. “Hij is weduwnaar, geloof ik?”

“Ja.” Emma nam Marieke van top tot teen op. Ze kreeg een idee. Johanna leek zijn interesse niet te kunnen opwekken, maar Marieke misschien wel.

“Hij heeft je hulp vandaag vast nog wel nodig, met Lars en zo,” zei ze. “Ga straks nog maar eens even bij hem kijken.”

Johanna en Marieke waren verbaasd.

“Ik dacht dat je hem niet mocht?” zei Marieke.

“O, dat is puur zakelijk. We zijn ook buren en hier helpen buren elkaar.”

Johanna zuchtte, ze begreep wel waar Emma op aanstuurde, maar ze zei niets.

Ze rolde een stuk papier uit op de keukentafel.

“Kijk Marieke, dit is de plattegrond van de camping waar vader dus toestemming voor heeft gekregen.”

“Ja, dat begrijp ik niet, hoe kreeg hij het voor elkaar dat het bestemmingsplan werd gewijzigd? Waren er geen bezwaarschriften?” zei Marieke.

“Zeker wel, maar die werden allemaal afgewezen. Je vader had een vriendje hier in de toenmalige gemeenteraad.” Emma knipoogde. “Iemand die hem nog iets verschuldigd was.”

“We spreken over jaren geleden. Tegenwoordig zou dat niet meer lukken, denk ik,” zei Johanna. “In ieder geval wordt dit dus onze camping. Zodra we winst maken, kopen we jou uit, natuurlijk.”

Marieke knikte.

“Daar moeten we het nog maar eens over hebben. Hoe is het met jullie internetbanen?”

“Dat gaat geweldig,” loog Emma. “En gelukkig kunnen we dat hier gewoon blijven doen. Verder is hier niet veel te doen hoor, op het eiland.”

Marieke bracht haar spullen naar de kamer die Johanna voor haar in orde had gebracht. Hiervandaan had ze uitzicht op de boerderij van Hessel, het daarachter gelegen duin en zelfs een stukje zee. Ze zuchtte, wat een prachtig plekje. Zonde om hier een camping van te maken, zo vond ze.

Johanna bracht wat extra dekens. Hier boven was geen verwarming.

“Hoelang blijf je eigenlijk?” vroeg ze.

“O, ik heb vrij zo lang als ik wil. Ik werk voor een uitzendbureau en ik heb in geen tijden vakantie gehad, dus heb ik ze gezegd dat ik een tijdje niet beschikbaar ben.”

“Juist ja. Je kunt wel wat helpen met het opruimen en sorteren, we zijn boven nog niet door alles heen geweest. Foto’s, brieven, kleren, er staan nog dozen vol.

“Ik zal mijn best doen. Maar eerst ga ik een rondje maken over het eiland. Hebben jullie een fiets voor me?”

“Er staat een fiets in de schuur. Geniet dan maar wat van je vakantie.”

“Dank je.”

Marieke vond een oude roestige herenfiets in de schuur, waarvan de banden nog heel en opgepompt waren. Ze reed even later richting strand.

Intussen mende Hessel zijn paard. Hij zat op de bok en Lars op de wagen, dik ingepakt. Lars vond het prachtig en wees naar een meeuw die hen leek te volgen. Ze werden een paar keer ingehaald door jutters met Landrovers en jeeps, maar daar kon Hessel niet mee zitten. Hij wist dat de concurrentie vaak te snel reed om te zien wat er precies door de storm was aangespoeld.

“Ik geloof dat daar wat ligt!” wees hij. Hij maande het paard aan wat harder te lopen.

Ze reden door de vloedlijn, waar zeewier en hout lag, door het natte zand. Het was nu veel lager water dan tijdens de vloed van die nacht.

“Wat is dat, papa?” vroeg Lars.

“Misschien een zeehond. Blijf op de wagen,” zei Hessel. Zelf sprong hij van de bok. Hij vertrouwde het niet. Misschien was het wel een lijk, die aanblik wilde hij zijn zoontje besparen.

Hij liep op zijn klompen door het zompige zand.

Het leek een bundel kleren, maar toen hij dichterbij kwam, zag hij dat het een opgerold vloerkleed was. Hij tilde het op en bracht het naar de wagen.

“Kijk eens, als ie droog is, kan die mooi in de bijkeuken. Ik krijg daar altijd koude voeten op mijn sokken,” zei Hessel tevreden. “Zie jij nog iets?”

“Daar ligt hout!” wees Lars. Maar de aandacht van Hessel was afgeleid. In de verte naderde iemand over het strand, op een fiets. In de zon zag hij vlammend rood haar. Was dat de jongste zus niet?

Hij zwaaide en ze zwaaide terug. Ze kwam hun kant op. Intussen bracht Hessel het hout naar de wagen.

“Nou, aan het jutten?” lachte Marieke. “Hoe is het met Lars?”

“Hij heeft een beschuitje gegeten en hij heeft geen koorts, dus heb ik hem maar meegenomen.”

“Je hebt hem goed ingepakt.”

“Natuurlijk. Wat heb jij nu voor oude fiets?”

“Die stond in de schuur. Aan het zadel te zien, is ie wel een jaar of vijftig oud.”

“Dat ding is antiek.”

“Het is een herenfiets, dus hij zal niet van Louise zijn geweest. Maar van wie dan wel?”

Hessel haalde de schouders op.

“Ik zou best mee willen rijden,” verzuchtte Marieke.

“Als we de fiets op de wagen leggen, kun je met ons meerijden. Kruip maar onder de plaid bij Lars.”

“Ja?”

“Natuurlijk.” Hij tilde de fiets op en Marieke klauterde op de wagen.

Ze reden verder langs de vloedlijn in de richting van het Amelander gat. Af en toe vond Hessel iets dat hem de moeite waard leek, een stuk hout, een leeg houten vat, wat flessen. Aan het einde van de ochtend, toen de lucht weer begon te betrekken, keerden ze terug naar de boerderij.

“Ik vond het fantastisch!” zei Marieke. “Bedankt. Kan ik je nog ergens mee helpen?”

“Ik moet zo wat hoeven kappen, zou jij wat op Lars willen passen?” vroeg Hessel aarzelend. “Ik laat hem nu liever niet alleen, hij mocht weer eens ziek worden.”

“Dat is goed. Ik heb een grote doos blokken in de kamer zien staan, we gaan een mooi kasteel bouwen.”

Lars knikte.

“Ja!” riep hij uit. “En ik heb honger!”

“Frisse lucht maakt hongerig,” zei Hessel tevreden. “Wij lusten ook wel iets.”

Ze smeerden boterhammen en belegden die met de kaas die Hessel zelf had gemaakt.

“Heerlijk!” zei Marieke.

Ze vond het prettig bij Hessel en Lars, en bleef de hele middag met het kind spelen. Het weer was intussen omgeslagen, de wind trok weer aan.

“We hebben geluk gehad vanochtend,” zei Hessel, terwijl hij een schaaltje kippeneieren aan Marieke gaf. “Bedankt. Deze zijn voor jullie.”

“O heerlijk, verse eieren. Zal ik morgen weer op Lars passen?”

“Nou…”

“Ik doe het graag, hoor, en ik hoef er niets voor.”

“Oké. Tot morgen dan maar.”



Emma en Johanna zagen zwijgend toe hoe Marieke bij Hessel vandaan kwam. Ging dit de goede kant op? Zou Marieke hem weten te verleiden, en kregen ze op die manier de boerderij in handen?

De daaropvolgende weken was Marieke veel bij Hessel en Lars en uiteindelijk, een paar dagen voor Kerst, besloot Emma haar aan de tand te voelen.

“Hoe zit dat tussen jou en Hessel?” wilde ze weten.

“Hoe bedoel je?”

“Is er sprake van… Nou ja, wordt het wat tussen jullie beiden, denk je?”

“Hessel en ik? Geen idee. Ik vind het leuk om voor Lars te zorgen, en te helpen met de beesten. Maar verder… Ik ken hem nog niet goed genoeg. Waarom wil je dat weten?”

“Vanwege de camping natuurlijk! Als het wat wordt tussen jou en Hessel, dan kunnen we uitbreiden!”

“Ho!” zei Marieke. “Hoe kom je erbij? Ik ben helemaal niet voor die camping en ik pieker er niet over om Hessel over te halen zijn bedrijf op te geven. Absoluut niet!”

“Zozo.” Emma keek haar nijdig aan. “Wat doe je hier dan eigenlijk nog?”

“Ik wil ook wel weer weggaan!”

“Dat lijkt me inderdaad beter. Als je ons toch alleen maar tegenwerkt!”

“Goed. Morgen vertrek ik.”

Marieke beende de woonkeuken uit om buiten wat te kalmeren. Ze had er genoeg van dat haar halfzussen het blijkbaar voor het zeggen hadden.

Emma ging even later boodschappen doen en Marieke liep de trap op, ze begon te pakken.

Opeens bedacht ze dat ze nog helemaal niet was toegekomen aan het opruimen van de rommel, zoals ze Johanna beloofd had. Ze kon misschien nog wat doen, dan had ze in ieder geval niet het gevoel dat ze hen helemaal in de steek had gelaten. Ze voelde zich een beetje schuldig dat ze niet met hun ideeën mee wilde gaan.

Ze begon met de stapel brieven door te nemen. Het meeste was zakelijk, die legde ze op een stapel voor het oud papier, maar er zaten ook een paar persoonlijke bij, waaronder een van haar vader, waarin hij beschreef wat hij voor plannen had met de boerderij. Hij had er zelfs tekeningen bij gemaakt. Ze glimlachte. Die brief zouden Johanna en Emma wel willen hebben, zo kon ze misschien toch nog iets goedmaken. Ze zocht verder en vond een brief van meer dan zestig jaar geleden. De inhoud choqueerde haar.

“Lieve Louise,” zo begon hij. “Het spijt me vreselijk dat ik je in de problemen heb gebracht. Ik stel voor dat je het kind afstaat. Je wist toch van meet af aan dat ik mijn vrouw nooit zou verlaten? Ik kan het kind niet erkennen en zal dat ook nooit doen. Vergeet mij vlug. J.”

Marieke las de brief nog een paar keer door. Wat een ontdekking! Dus Louise had ooit een kind gehad van een getrouwde man! Hoe zou dat zijn afgelopen? Had ze het kind afgestaan, wie was het dan? En waar was hij of zij dan nu?

Peinzend nam ze de twee brieven mee naar beneden.

“Johanna, kijk eens wat ik heb gevonden.”

Johanna las de beide brieven snel door. Ze leek niet erg onder de indruk.

“O, ja, dat weet ik allemaal wel, ook van dat kind,” zei ze onverschillig. “Vader wist ervan. Het was een jongetje.”

“Wat is er met het kind gebeurd?”

“Iemand hier op het eiland heeft de baby gewoon als eigen aangegeven bij de Burgerlijke Stand.”

“En niemand die dat verdacht vond?”

“Het is zo gegaan: toen Louises buik te veel begon te groeien, bleef ze gewoon binnen. Haar buren hadden al drie kinderen en zodra Louise bevallen was, deden ze alsof het kind van hun was.”

“Wie waren dat dan?”

Johanna zuchtte.

“Ik hoop dat je dit niet verder door verteld. Die buren wonen er nog steeds, Jansje van hiernaast en haar man. De vader van Louise heeft hen er goed voor betaald.”

“Dus…”

“Jansjes jongste kind, Jacob genaamd, was eigenlijk van Louise en die mysterieuze J van de brief.”

“Hoe weet je dat allemaal, Johanna? Vader heeft mij nooit iets verteld!”

“Ik had toevallig wél een goede band met vader,” zei Johanna. “Hij heeft me dat allemaal op een dag toevertrouwd, maar ik mocht het niet verder vertellen natuurlijk. Ik heb Jansje nu dus ontmoet, maar we hebben het er nog niet over gehad. Misschien is het wel helemaal niet waar hoor, en zei vader maar wat!”

“En die Jacob? De zoon van Louise. Ken je die?”

“Nee. Hij moet nu ongeveer zestig zijn. Hij is nooit getrouwd en hij vaart. Al vele jaren. Hij komt bijna nooit meer thuis, zei Jansje laatst nog. Ik hoorde trouwens net van Emma dat je morgen vertrekt.”

“Ja, dat lijkt me beter. Ik kan niet zo goed met Emma opschieten.”

“Je bent de enige niet.”

Ze zwegen een tijdje, maar er was geen sprake van enige spanning tussen hen beiden. Ze moesten allebei nadenken.

“Zeg, die overleden vrouw van Hessel, Annette, heb je daar weleens iets over gehoord?” vroeg Marieke opeens.

“Ja, inderdaad. Marie heeft me over haar verteld. Annette was de dochter van een ongehuwde vrouw, Neeltje geheten, die inmiddels ook overleden is.”

“O ja?”

“De vader van Annette is onbekend.”

“Dus Lars heeft weinig familie, want Hessels ouders zijn ook overleden.”

“Hessel staat er nogal alleen voor, inderdaad.”

Johanna schonk thee in.

“Ik vind het eigenlijk jammer dat je morgen weggaat.”

“Ach, ik kom wel weer eens terug. Maar die camping, dat vind ik nog steeds geen goed plan.”

Johanna zuchtte.

“Emma is er helemaal bezeten van.”

Emma liep juist het erf op, zeulend met haar boodschappentas. Met een rood hoofd kwam ze binnen.

“Wat een gedoe, ik laat het in vervolg mooi bezorgen. Wat is dat voor brief?”

Johanna en Marieke keken elkaar snel aan.

“Lees maar,” zei Johanna.

Emma las de brief snel door.

“Ja, Louise heeft ooit een kind gehad, maar dat is nooit erkend en ze heeft het kind afgestaan, dus dat is ons probleem niet. Hij heeft nergens recht op.”

“Weet jij daarvan dan?” zei Johanna verbaasd.

“Ach ja. Ik weet zelfs aan wie ze het heeft afgestaan. Ik had best een goede band met Louise, ze heeft het me een keer verteld.”

“Aan wie dan?” vroeg Johanna.

Emma glimlachte geheimzinnig.

“Aan Jansje van hiernaast! Hij heet Jacob…”

“Ja, dat zei vader ook al. Als Louise het ook zei, dan zal het wel waar zijn,” mompelde Johanna.

“Dus als ik het goed begrijp, is die Jacob dus de zoon van Louise?” zei Marieke. “Maar dat weet hij dus niet?”

“Nee. Alleen Louise en Jansje en haar man wisten ervan. En onze vader dus. Louise heeft het me jaren geleden eens verteld toen we wat te veel gedronken hadden. Ze vond het wel prettig dat ze hem heeft kunnen zien opgroeien, als buurjongen, maar toen hij de zeevaartschool had afgemaakt, is hij gaan varen en nu komt hij niet zo vaak meer thuis. Hij is nu al bijna bejaard!”

“En die J? De biologische vader van Jacob? Weet je wie dat is?”

“Nee, sorry. Dat zal wel altijd een mysterie blijven, of er moeten nog andere brieven boven liggen die wat duidelijkheid kunnen verschaffen.”

“Volgens mij niet, ik heb alles doorgespit,” zei Marieke.

“We moeten dit trouwens stil houden, hoor,” zei Emma, “anders krijgen we er misschien een claim bij voor de erfenis.”

“Welnee, die Jacob is toch nooit officieel het kind van Louise geweest?” zei Johanna. “En wij hebben trouwens wel andere zorgen. Ik heb een offerte binnen voor de bouw van het douchegebouw. Ik hoop maar dat we daar een hypotheek op krijgen.”

“We hebben het land van Hessel nog niet eens!”

“Dat is slechts een kwestie van tijd! Zakendoen betekent vooruitzien!” zei Emma beslist.

Terwijl Emma en Johanna zich over de offerte bogen, ging Marieke verder met inpakken.

Het was inmiddels donker geworden. Buiten loeide de wind om de boerderijen. Waarom had Louise haar kind ooit afgestaan? Wie zou die J zijn geweest? Wie kon het weten?

Jansje misschien? Ja, dat moest haast wel.

Marieke sloop de trap af en glipte naar buiten. Ze wilde nog even tegen Hessel zeggen dat ze vertrok.

Hessel was bezig met de koeien en keek blij verrast op toen ze de stal binnenkwam.

“Je komt mooi op tijd, er moet er weer eentje kalven!”

Zonder zich te bedenken, hielp Marieke bij de bevalling.

“Dat ging nog heel gemakkelijk,” hijgde ze.

“Vind je?” lachte Hessel. “Het is niet gebruikelijk, hoor, dat we zo hard aan de poten van het kalfje moeten trekken!”

“Niet? O, ik dacht dat het zo hoorde!”

“Nee, maar deze koe heeft altijd van die rare bevallingen. Ik denk dat dit haar laatste keer is geweest.”

“Ga je haar dan laten slachten?”

“Mijn beste melkkoe? Ik dacht het niet!” zei Hessel.

“O gelukkig. Zeg, ik kom eigenlijk alleen maar om…”

“Loop even mee naar binnen, Lars zal het ook leuk vinden je te zien.”

Marieke volgde hem naar de deel waar hij zijn handen grondig waste. Ze volgde zijn voorbeeld.

In de keuken zat Lars in zijn kleurboek te kleuren. Hij keek blij op toen hij Marieke zag.

“We hebben er weer een kalfje bij, jongen. Annette heeft een prachtige dochter gekregen.”

“Annette? Zo heette je vrouw toch ook?” zei Marieke.

Hij knikte.

Even had ze spijt van haar opmerking, maar hij liep naar de foto.

“Dat was haar.”

“Een knappe vrouw. Ze lijkt een beetje op… Ach nee, dat kan natuurlijk niet.”

“Op Louise bedoel je?”

“Op een jeugdfoto van haar.”

“Die heb ik gezien. De gelijkenis viel mij ook al eens op, maar nee, ze zijn geen familie van elkaar. Het is toeval.”

Hij tilde Lars op.

“Heb je de aankomst van Sinterklaas gezien?” vroeg Hessel aan Marieke.

“Die heb ik helaas gemist.”

“Wij ook. Lars was ziek. Ben je hier nog wel met de kerst?”

“Eh, nee, morgen ga ik weer naar huis.”

“O?”

“Ik kan niet zo goed met mijn zussen opschieten. Bovendien zijn er nu veel collega’s op vakantie, dus is er werk genoeg voor me.”

“Jammer,” zei Hessel. “Ik hoop dat je nog eens langskomt.”

“Wie weet.”

Ze knuffelde Lars en vertrok. Hessel vond het jammer dat hij haar telefoonnummer niet had gevraagd. Hij had ook geen adres van haar om een kerstkaartje te sturen.

De volgende ochtend bracht Emma Marieke naar de bushalte.

“Goede reis dan maar.”

“Ja, en jullie nog een fijne tijd hier.”

“Dat klinkt alsof je denkt dat we hier weer weggaan. We blijven, Marieke. En we maken er een prachtige luxueuze camping van!”

Marieke zuchtte. De bus kwam er al aan en ze stapte even later in.

Het was een koude, maar zonnige dag. Ze genoot van het ritje naar de haven, waar ze even later de veerboot nam.

Tijdens de overtocht, die twee uur duurde, dacht ze terug aan alles wat ze de laatste dagen had meegemaakt. De boerderij van Louise, het weerzien met haar halfzusters, maar vooral de kennismaking met Hessel. Hij had veel indruk op haar gemaakt, zo realiseerde ze zich. Zou ze hem ooit nog terugzien?

Ook Hessel was die dag tijdens het melken in gedachten ver weg. Waarom was Marieke zo overhaast vertrokken? Hij had haar nog van alles willen laten zien, de arrenslee die eerdaags van de zolder kon worden gehaald (er werd sneeuw voorspeld), de jonge katten en vooral zijn plannen om toch het hoofd als boer boven water te houden.

“Kom jongen, dan gaan we nog even naar het strand,” zei hij toen het melken gedaan was. Lars zat bleek in een hoekje van de bank.

“Ben je nu alweer niet in orde?” mompelde Hessel. Het kind had geen koorts, maar voelde zich duidelijk niet lekker.

“Ik zal je dan maar in bed stoppen.” Hij legde Lars in de bedstee en belde de dokter. Hij kreeg een vervanger aan de lijn.

“Ik weet niet wat hem mankeert, hij is zo moe de laatste tijd, en hij ziet ook heel bleek.”

“Meneer Van der Veer, uw zoontje is al eens onderzocht nietwaar, en er werd niets gevonden.”

“Toch heeft hij iets onder de leden!”

“Kijkt u het nog maar een paar dagen aan, dan zie ik u maandag wel op het spreekuur.”

Daar moest hij het mee doen.

Jansje kwam langs. Ze hijgde licht, ze begon nu toch wel te merken dat ze wat ouder werd.

“Hoe is het nu met hem?” vroeg ze.

“Weer niet in orde. O, Marieke is vandaag vertrokken, wist je dat?”

“Ach, wat jammer, dat leek me de leukste van die drie gezusters. Ik heb net bericht gehad van Jacob. Zijn schip ligt in Harlingen op de werf! Hij komt een tijdje thuis!”

“Dat is nog eens goed nieuws, hoelang is het geleden dat hij hier geweest is?”

“Jaren. Misschien wel twintig jaar! Ik weet niet precies waarom hij zijn verlof nooit hier wilde doorbrengen. Maar nu zal hij met kerst thuis zijn! Ik moet nog zoveel doen!”

“Rustig aan, hoor, je bent ook niet meer de jongste!”

“Maar ik ben gelukkig nog zo gezond als een vis!”

Jansje liep haastig de deur uit. Ze moest boodschappen halen, en iets koken waar Jacob dol op was, en zijn kamer luchten!

Hessel had nog genoeg klusjes te doen voor het weer tijd was om te melken, maar hij wilde Lars liever niet alleen laten. Jansje had het te druk nu en Marie lag thuis met een griep.

“Kun je even alleen zijn?” fluisterde hij in de bedstee. Er kwam geen antwoord. Lars sliep.

Hessel keek bij het nieuwe kalfje, en schrok, er was iets niet in orde. Het kalfje had ademhalingsmoeilijkheden.

Hij belde de veearts, die beloofde meteen na zijn spreekuur langs te komen.

Hessel bleef in de stal.

Na een uur verscheen de veearts.

“Er zit iets in de luchtpijp,” constateerde hij. “Ik kan er misschien met mijn vinger bij.”

Hessel keek toe, het viel nog niet mee, maar uiteindelijk wist de veearts iets uit de keel van het kalf te halen.

“Een stuk placenta. Ze was er bijna in gestikt.”

Hessel schudde de man de hand.

“Bedankt. Het zag er slecht voor haar uit!”

De veearts liep mee naar het woongedeelte van de boerderij.

“Waar is je zoontje?”

“Die slaapt.”

“Ik zag hem laatst ook al niet. Moest hij niet naar de aankomst van Sinterklaas kijken?”

“Hij is al een tijdje niet in orde. Misschien een griep die niet door wil zetten of zo. De dokter heeft hem onderzocht, maar hij kon niets vinden.”

Hessel zuchtte. Hij en de veearts dronken een kop koffie op de gezondheid van het nieuwe kalfje.

Intussen was de veerboot in Harlingen aangekomen. Marieke besloot eerst een kop koffie in het restaurant van de terminal te halen voor ze naar huis zou gaan. Ze zocht een plaatsje bij het raam.

Een al wat oudere, gezette man zat aan het tafeltje naast dat van haar achter een glas jenever. Hij haalde zijn grote reistas weg, zodat Marieke meer ruimte had voor haar benen.

“Dank u wel,” zei ze.

“Geen dank. Hoe was het op het eiland?”

“Mooi!”

“U bent zeker badgast?”

“Nee hoor. Ik heb familie op het eiland wonen. In Oost.”

“O. Dat is grappig, ik ook.” Hij schoof zijn stoel dichter naar haar toe.

“Is het goed dat ik even bij u kom zitten?”

“Natuurlijk.”

“Ik zit hier al twee uur te dubben of ik wel moet gaan,” vertrouwde hij Marieke toe.

“O ja? Waarom?”

“Het voelt niet goed. Ik heb zoveel fouten gemaakt.” Hij had duidelijk al behoorlijk zitten drinken op dit vroege uur van de dag en zat verlegen om een praatje. “Ik had een dochter. Ze wist niet dat ik haar vader was. Annette heette ze. Nu is ze dood.”

“Annette?”

“Ja, je hoeft haar achternaam niet te weten. Ze leeft niet meer. Ik heb haar eigenlijk nooit gekend. Ik wilde haar niet kennen en haar moeder wilde ook niets met mij te maken hebben. Neeltje.”

“Neeltje?”

“Ja. Ik hield niet van haar.” Hij veegde een traan weg. “Maar goed, een keer moet je toch weer naar huis. Mijn moeder leeft nog, zie je.”

Marieke was perplex. Ze dacht na. Kon het zijn dat ze hier te maken had met de grootvader van Lars? Ze durfde het niet te vragen. Het waren haar zaken niet en die ongezond uitziende man was duidelijk aangeschoten. Het ging haar allemaal niet aan!

Ze bestelde een koffie en de man bestelde nog een jenever. Zijn mobiele telefoon ging.

“Met Jacob. Ja, dat klopt, die schroef is al besteld. In orde. Tot over drie weken!”

Hij heette dus Jacob. Net als de zoon van Louise, die hem had afgestaan aan Jansje. Dat was wel frappant. Hij had ook dezelfde leeftijd als die zoon nu moest hebben. Zou het dezelfde man zijn? De vader van Annette en de zoon van Louise?

Ze keek naar zijn gezicht. Hij had wel iets van Lars, die dan dus zijn kleinzoon was. Maar nee, dat zou toch wel heel erg toevallig zijn! Hoewel? Zo groot was dat eiland niet.

Marieke dronk peinzend haar koffie. Ze had het gevoel dat ze iets moest met deze wetenschap, maar was het wel een wetenschap, of gewoon wat toevalligheden die niets met elkaar te maken hadden?

De man rekende af en stond op. Hij tilde zijn reistas op zijn schouder en liep weg.

Marieke besloot hem maar snel te vergeten, het ging haar immers ook niets aan! Er konden wel zoveel Neeltjes en Annettes zijn. En Jacobs!

Ze rekende ook af en liep naar huis. Het was niet ver, ze woonde in Harlingen, waar ze een klein huisje aan de Zoutsloot vlak bij de haven huurde.

Zoals ze al wist, was haar voorraadkast leeg. Ze maakte een lijstje en deed boodschappen.

Toen ze thuiskwam, zag ze dat ze een paar berichten op haar antwoordapparaat had staan. Twee waren er van een uitzendbureau, ze zaten dringend verlegen om verpleegkundigen. Nog dezelfde middag kon ze aan de slag in het ziekenhuis in Leeuwarden.



Hessel keek uit het raam en zag Jansje met een niet zo jonge man langslopen, dat moest haar zoon Jacob zijn die ze van de bus had opgehaald. Jansje was helemaal verguld, en babbelde aan één stuk door tegen hem.

Ze keken even in zijn richting en hij zwaaide.

“Wie is dat?” vroeg Jacob, die dankzij de twee uur durende zeereis en een aantal koppen koffie weer nuchter was.

“Dat is Hessel Smit natuurlijk.”

“Ach ja, nu zie ik het! Toen ik hem voor het laatst zag, was hij een knulletje van een jaar of vijftien!”

“Zijn ouders zijn dood. Hessel heeft de boerderij overgenomen, maar er zit te weinig land bij. En nu Louise dood is, kan hij het vee niet meer bij haar kwijt. Hij heeft zijn koeien nu wat eerder op stal gezet, maar van het voorjaar zal hij ze toch weer buiten moeten laten.”

“Ik weet van de problemen, boeren op dit eiland is moeilijk. Daarom ben ik naar zee gegaan!” zei Jacob.

“Hoelang blijf je eigenlijk?” vroeg Jansje.

“Tot na kerst, hoop ik.”

“Nou ja, nu ben je hier dan toch! Ik heb heerlijke hutspot gemaakt, precies zo als je dat vroeger zo graag lustte!”

Jacob was verbaasd, de boerderij was in al die jaren niets veranderd.

“En nu wil ik alle nieuwtjes weten!” zei hij nadat Jansje hem de hutspot had voorgezet. “Wat is er allemaal gebeurd in al die jaren?”

“Nou, om te beginnen is Louise dus onlangs overleden.” Ze wachtte gespannen af hoe hij zou reageren.

Hij nam het kalm op.

“Tja,” zei hij schouderophalend. “Die was ook al over de negentig, nietwaar. Wie woont er nu hiernaast?”

“Twee dochters van haar neef. Ze willen er een camping van maken. Dat wilde hun vader ook al.”

“Een camping? Ziet u dat wel zitten, moeder?”

“Ach, mij kan het niet zoveel schelen, ik ben al zo oud. Maar het is wel zonde. Ze hebben grootse plannen, maar of het allemaal doorgaat, moet ik nog zien hoor. En wat zijn jouw plannen?”

“Ik moet nog een paar jaar varen, dan ga ik voorgoed voor anker.”

“Kom je dan hier wonen?”

“Eh, nee. Moeder, ik moet je iets zeggen. Ik ben tien jaar geleden getrouwd. Met een heel lieve vrouw, in Zweden. Ze heet Anna.”

“Wat!” riep Jansje uit, “je bent getrouwd en dat vertel je me nu pas!”

“Ja, ik had het wel eerder willen zeggen, maar het kwam er niet van.”

“Wat een onzin! Kwajongen! Heb je ook kinderen?”

“Ja. Eentje. Anna was al bijna veertig toen ik haar leerde kennen. Ik heb een zoon van negen. Hij heet Jan.”

“Dus je hebt ook nog een kind!” Jansje wist niet hoe ze het had.

Jacob zuchtte.

“Ja, eentje.” Het had geen zin om zijn moeder over zijn dochter Annette te vertellen. Hij wist immers dat Annette dood was, dat had hij ooit van een collega die ook van het eiland kwam en die Neeltje kende, vernomen. Niemand wist dat het kind van Neeltje van hem was.

“En wie is dan die vrouw, met wie je getrouwd bent?” vroeg Jansje stug.

Hij haalde een mapje met foto’s tevoorschijn.

“Kijk maar, dit is je schoondochter. Dat is onze zoon.”

Jansje wilde eerst niet kijken, maar haar nieuwsgierigheid won het. Ze bekeek de foto’s met een kritische blik.

“Ze heeft wel wat,” moest ze toegeven. “Ze lacht leuk. En dat is een leuk, blond jongetje. Waar zijn ze nu?”

“In Zweden. Anna werkt als accountant.”

“Dus daar heb je je verlof de laatste jaren doorgebracht. Bij die Anna!”

“Ja. Ik heb een gezin!”

“En mij liet je barsten!”

“Ik heb je toch heel veel kaarten gestuurd? Was dat niet genoeg dan?”

Jansje schudde het hoofd. Ze was niet erg gelukkig met deze onthulling. Ze had er opeens een schoondochter bij en een kleinkind! Helemaal in Zweden!

Jacobs mobiele telefoon ging over. Met tegenzin luisterde hij.

“Maar ik ben er net!” riep hij uit. “Goed, als het dan per se moet!”

Hij hing op.

“Wat is er?”

“Ik moet een aflosreis doen, van Rotterdam naar Portsmouth in Engeland. De kapitein van de Esmeralda is opgenomen met een hartaanval en er is niemand anders beschikbaar tot na de kerst.”

“Wat? Maar je hebt verlof! Je bent zo lang niet thuis geweest!”

“Het spijt me vreselijk, moeder. Ik pak de eerstvolgende boot. Ik beloof je dat ik na deze reis heel lang thuisblijf. Misschien kan Anna dan ook een keertje overkomen, om kennis te maken?”

Jansje veegde een traantje weg.

“Natuurlijk jongen.”

En zo was de logeerpartij van Jacob nog dezelfde dag voorbij. Hij vertrok alweer voor hij zijn bagage had uitgepakt.

Jansje moest haar verhaal kwijt en ging naar Hessel.

“En dus zit ik met kerst toch weer alleen.”

“Wat vervelend, kon die reder niemand anders vinden?”

“Niet zo vlak voor de feestdagen. Nou ja, ik heb hem in ieder geval toch even thuis gehad.”

“Hij is wel heel anders dan je andere zoons, hè?” zei Hessel. “Hij lijkt ook niet erg op hen.”

Jansje zweeg.

“Hoe gaat het met Lars?” vroeg ze na een tijdje.

“Hij is nog steeds niet lekker. Ik heb met Sundrum de deur maar dicht gelaten, die drukte kan hij nu niet gebruiken.”

“Je hebt groot gelijk, ik heb er dit jaar ook niets aan gedaan. Al die dronken kerels over de vloer, en je weet niet wie wie is met die rare pakken die ze aan hebben!”

Buiten waaide het weer hard, en het begon ook te regenen.

In de weken die volgden, werd Lars steeds vaker ziek en uiteindelijk, een paar dagen voor de kerst, bewoog hij niet meer. Hessel schrok zo, dat hij zich het telefoonnummer van de dokter niet meer herinnerde. Het was een stormachtige middag, het werd al donker. In paniek rende Hessel naar zijn buren, maar Johanna en Emma deden niet open.

Hij vermande zich en keerde terug naar huis. Hij zocht het juiste telefoonnummer op. De dokter kwam gelukkig meteen.

“Hij is erg zwak,” constateerde hij. “Ik bel direct voor een helikopter.”

Het ging opeens allemaal razendsnel.

Met een ambulance werd Lars naar het heliveld gebracht. Hessel ging mee de helikopter in. Lars leunde tegen hem aan en sloot af en toe de ogen. Hij zag ontzettend bleek. Hij werd steeds stiller en sloot de ogen.

De vlucht duurde niet lang, maar Hessel had het gevoel dat er geen einde aan kwam. De lichtjes van het eiland verdwenen, de donkere zee kwam er voor terug. Uiteindelijk belandden ze op de eerstehulpafdeling van het ziekenhuis in Leeuwarden.

De kinderarts die was opgeroepen, keek peinzend naar Lars. Hij onderzocht het kind, er moesten wat bloedtesten worden gedaan in het lab. Hierna wilde de arts hem verder onderzoeken, maar dit lukte niet meer, Lars reageerde amper op vragen die hem werden gesteld en kon niet wakker blijven.

“Wat kan het zijn, dokter?” vroeg Hessel. “Griep?”

“Ik ben bang dat het geen griepje is,” zei de arts. “Hij heeft in ieder geval een ernstige bloedarmoede. Hij zal een tijdje moeten blijven!”

“Blijven?”

Hier had Hessel totaal geen rekening mee gehouden. Verslagen keek hij toe hoe Lars in een ziekenhuisbed werd gelegd. Hij bleef zo lang hij kon bij zijn zoon, maar op een gegeven moment moest hij weg om de laatste boot te halen. Zijn koeien kon hij nu eenmaal niet alleen laten.

“Ik kom morgen terug, zo gauw ik kan,” beloofde hij Lars. Die knikte versuft. Een verpleegkundige knikte geruststellend.

“We zullen goed op hem passen,” beloofde ze.

Hessel belde met zijn mobiel naar Jansje om haar op de hoogte te brengen.

“Ze willen hem vannacht in ieder geval houden, waarschijnlijk langer.”

“Maar waar denken ze dan aan, hebben ze dat niet gezegd?”

“Nee. Hij heeft een soort bloedarmoede, maar de uitslagen van de bloedtesten zijn pas over een paar dagen bekend.”

“Laten we hopen dat het allemaal goed komt,” zei Jansje ontdaan. “Wat naar nou! En dat net voor de kerst!”

Intussen lag Lars op een kamertje apart. Hij sliep. Om de hoek van de deur namen twee verpleegkundigen een kijkje.

“Maar dat is Lars!” zei Marieke verbaasd tegen haar collega.

“Ken je hem?”

“Jazeker, ik heb weleens op hem gepast. Hij is al een tijdje niet lekker.”

“Dokter Jansen denkt aan leukemie. Bloedkanker.”

“Wat erg, hij is nog maar vier jaar!” Ze bleef in de deuropening naar het kind staan kijken.

“Je dienst zit er op voor vandaag, Marieke. Kom je mee naar de overdracht?”

“Ga jij maar. Ik wil vannacht bij hem waken, dat kan toch wel?”

“Ja, dat denk ik wel, hij heeft verder niemand. Zijn vader is weer naar huis gegaan.”

“Die heeft geen keus, hij is boer, hij moet voor zijn koeien zorgen.”

Marieke installeerde zich naast het bed en hield Lars de hele nacht goed in de gaten. Hij kreeg midden in de nacht een hevige koortsaanval, die weer wegebde.

Buiten waaide het hard. Marieke vroeg zich af hoe het nu met Hessel was, zou hij wel een oog hebben dichtgedaan?



Johanna liep voorovergebogen tegen de wind langs de kaasmakerij op het erf van Hessel en gluurde naar binnen. Ze wist zo langzamerhand op welke uren van de dag hij daar bezig was en ze had het goed, hij stond in een grote bak te roeren.

Ze stapte naar binnen.

“Ben je aan het werk?”

“Ja, maar ik moet zo met de boot mee. Ik heb de eerste boot helaas gemist, er werd net een kalf geboren.”

“Waarom moet je dan naar de wal?” vroeg Johanna.

“Lars is gisteren opgenomen in het ziekenhuis.”

“O hemel! Ik hoorde al dat er een ambulance in de buurt was. Maar vanmiddag kun je niet weg, de middagboot gaat niet in verband met de storm, de kade staat onder water.”

“Maar ik moet naar Lars!” riep Hessel wanhopig uit.

“Ik denk dat er vanavond wel weer gevaren wordt. Er zijn honderden badgasten gestrand, die allemaal hiernaartoe willen, dus als het even kan, varen ze wel.”

“Dan kan ik niet meer terug. Ik kan mijn beesten niet alleen laten! Er zijn nog twee koeien die ieder moment kunnen gaan kalven!”

“Tja. Is er niet iemand met verstand van zaken die voor je kan waarnemen?”

“Vroeger had ik twee bevriende boeren die ik zou kunnen vragen, maar die zijn allebei verhuisd. Ik heb op het moment niemand om me te helpen.”

“Kan ik iets doen?”

“Hoeveel verstand heb je van koeien?”

“Niet.”

“Dan kun je me niet helpen.”

“Hessel, ik mag je erg graag, weet je.”

Hij keek haar verbaasd aan.

“Je bent een aardige meid. Vergeleken met je zus.”

“Dank je. Levert dit allemaal eigenlijk wel wat op? Die koeien, de kaasmakerij?”

“Ik kan er net niet van leven,” gromde Hessel.

“Doe dan niet zo koppig. Werk samen met Emma en mij. Verkoop je veestapel en dan trekken we de boel samen. Denk eens wat een mooie camping het zou kunnen worden!”

“Is dit plan B?” vroeg Hessel argwanend.

“Hoe bedoel je?”

“Jullie waren toch van plan me in te palmen of zo?”

Johanna zuchtte.

“Dus dat had je al door. Ja, Emma had het idee dat als jij en zij samen zouden trouwen, dat…”

“Ik pieker er niet over!”

“Nee, ik zag het ook meteen niet zitten. Maar we kunnen toch wel gewoon iets zakelijks overeenkomen?”

“Hoor eens, mijn hoofd staat er nu niet naar. Ik heb een kind in het ziekenhuis en mijn bedrijf moet gewoon doorgaan.”

“Ik zal informeren wanneer de eerste boot weer vaart.”

“Graag. Dank je.”

Hij smeet de roerstang neer en keek haar na. Misschien had ze wel gelijk en moest hij hier maar mee ophouden, wat had het voor zin? De bank kreeg nog geld van hem, en waar moest hij het vandaan halen?

Hij luisterde naar de storm die over het eiland woedde. Dit zou ongetwijfeld de meest vreselijke kerst worden die hij ooit had meegemaakt.

Hij had niet veel tijd om te piekeren, de kazen op de rekken moesten worden gedraaid en dan was het tijd om de stal uit te mesten. Als mensen eens beseften hoeveel werk een boer verzette opdat zij te eten hadden, zo dacht hij grimmig. Maar consumenten ging het alleen maar om een lage prijs.

Hij werd er niet vrolijker op. Johanna kwam even later terug met de mededeling dat er om half zes pas weer een boot zou gaan.

“Dan kan ik vandaag niet naar Lars,” zei Hessel somber. “Ik durf het niet eens door te geven. Ze vinden me vast een waardeloze vader.”

“Zal ik het ziekenhuis voor je bellen en vragen hoe het met hem is?”

“Zou je dat willen doen?”

“Natuurlijk, Hessel. Zeg me maar op welke afdeling hij ligt.”

“Ik heb het hier op een briefje.” Hij gaf een papiertje aan Johanna.

“Zeg maar dat ik zo gauw mogelijk kom.”

Johanna ging naar binnen om met de vaste telefoon te bellen. Hessel bleef achter, hij durfde het niet toe te geven, maar hij was gewoon bang. Wat als hij Lars ook nog zou verliezen?

Johanna belde de afdeling.

“Ja, hallo, met Marieke,” klonk het. Marieke was juist weer aan haar dienst begonnen.

“Marieke, ben jij dat?” zei Johanna verbaasd.

“Johanna?”

“Ik bel om te horen hoe het met Lars gaat. Hessel kan onmogelijk komen, er moeten koeien bevallen en de boot gaat alleen vanavond.”

“Ik begrijp het. De uitslagen van het lab zijn nog niet binnen, dat wordt wel na de kerst denk ik. Lars had een rustige nacht, ik heb bij hem gewaakt. Misschien ziet Hessel kans om morgen te komen?”

“Ik denk het wel.”

“Ik ben er dan niet, maar doe hem de groeten.”

“Zal ik doen. Bedankt.”

Johanna hing op. Ze deed Hessel verslag.

“De verpleegkundige zei dat Lars een rustige nacht heeft gehad. Ze krijgen de uitslagen van de tests pas na de Kerst binnen, zei ze.” Johanna verzweeg dat ze haar halfzus aan de telefoon had gehad en de groeten deed ze ook niet.

“Dus ze weten nog niets. Ik probeer morgen de eerste boot te halen. Bedankt, Johanna. Hadden ze nog nieuws?”

“Nee, het gaat blijkbaar toch wel redelijk met hem, maak je niet te veel zorgen.”

“De storm neemt volgens mij al wat af,” zei Hessel.

Die nacht werden er twee kalfjes geboren. Hessel was de hele nacht in touw en kon nog maar net de eerste boot halen.

Hij was doodmoe toen hij uren later eindelijk in het ziekenhuis aankwam. Lars lag stil in zijn ledikant en leek hem amper te herkennen. De verpleegkundigen konden hem enkel vertellen dat de specialisten na de kerst meer zouden weten.

“Voorlopig kunnen we hem alleen in de gaten houden en als het moet, sondevoeding geven. Maar zover is het nog niet.”

“Goed. Ik ben telefonisch te bereiken, maar ik denk niet dat ik iedere dag langs kan komen. Het lukt me gewoon niet.”

“Dat begrijpen we best, meneer Smit.”

Hessel reisde weer terug. Zodra hij thuiskwam, moest hij de koeien melken. Pas diep in de nacht was hij klaar en kon hij eindelijk zijn bed in rollen. Maar van slapen kwam niet veel.

Die kerst was er geen kerstboom of andere feestelijkheden. Hessel werkte stug door en belde regelmatig naar het ziekenhuis. Lars was erg suf en zwak, maar ging niet verder achteruit.

Een paar dagen na Kerst kreeg Hessel te horen wat Lars mankeerde.

“Hij heeft leukemie,” zo vertelde de specialist hem telefonisch. “We gaan hem een eerste kuur chemotherapie geven. Eigenlijk heb ik bij dit type bloedkanker liever een beenmergtransplantatie en wacht ik daar niet te lang mee.”

“Dan doen we dat toch!” zei Hessel.

“Ja, maar daarvoor moeten we een geschikte donor hebben.”

“Ik ben zijn vader, dus ben ik vast wel geschikt.”

“U kunt zich laten onderzoeken.”

Hessel maakte een afspraak en hing verslagen op. Lars was veel zieker dan hij had vermoed!

Het werd een spannende tijd. Hessel reisde zo vaak hij kon naar het ziekenhuis, en op een dag in januari ontmoette hij tot zijn verbazing Marieke op de afdeling.

“Werk jij hier?”

“Ja, heeft Johanna dat niet verteld?”

“Nee. Kunnen we ergens koffiedrinken samen?”

“Dat is goed, ik heb zo lunchpauze.”

Even later zaten ze tegenover elkaar in het restaurant van het ziekenhuis.

“De chemo is niet erg succesvol geweest, nietwaar?” zei Marieke.

“De kanker is niet weg, nee. En hij was er vreselijk ziek van. Nou ja, dat weet je. Ze zoeken nu een geschikte donor.”

“Was jij dan niet geschikt als beenmergdonor?”

“Nee, ik weet niet waarom, maar aan mij hadden ze niets. Ze hebben het liefst wel iemand die familie is, maar meer familie heeft Lars niet, helaas.”

Marieke keek hem peinzend aan. Ze dacht aan Jacob, maar die ongezonde man was vast niet geschikt als donor, als hij al de grootvader van Lars was. Waarom zou ze er over beginnen?

Ze pakte zijn hand.

“Ik wou dat ik je kon helpen.”

“Dank je. Er is niets dat je kunt doen. Wil je goed op Lars passen? Hij ligt hier nu al een dikke maand en hij wordt alleen maar zieker. En ik kan maar een paar keer per week komen om hem op te zoeken.”

“Ik ben iedere dag bij hem langs geweest. Hij kent me nu goed.”

“O ja?”

Ze zag aan zijn ogen dat hij behoorlijk wanhopig was.

“Hessel, moet je horen, ik heb een man ontmoet…” begon ze.

Hij trok zijn hand weg.

“Ik begrijp het. Ik ben te laat.”

“Nee, nee je begrijpt het niet! Ik heb ene Jacob ontmoet!”

“De ware Jacob?”

“Hij had het erover dat hij ooit bij Neeltje een dochter Annette heeft gehad.”

Hessel begreep het niet.

“Waar heb je het over? Annette? Welke Annette?”

“Misschien de moeder van Lars?”

“Hoezo? Waar heb je die vent ontmoet dan?”

“In het restaurant van de veerbootterminal, op de dag dat ik naar huis ging. Hij zou zijn familie in Oost bezoeken. Zijn moeder.”

“Hoe oud was hij?”

“Zestig. Een nogal dikke kerel. Hij vaart, geloof ik. En hij heet dus Jacob. Heb je een idee wie dat kan zijn?”

“Nee.”

“Zou het die Jacob van Jansje zijn geweest?”

“Nu je het zegt! Ken je die dan?”

“Ik heb over hem gehoord. Een heel verhaal.” Ze aarzelde. Zou ze hem alles dan maar vertellen? Dat die Jacob de onechte zoon van Louise was?

Ze besloot dat maar te doen. Haar lunchpauze verstreek zonder dat ze er erg in had. Hessel luisterde en geloofde zijn oren niet.

“Dus Louise had een zoon en stond die af aan Jansje en haar man. Jacob. En Jacob had een dochter bij een Neeltje, Annette genaamd. Verdraaid, dat is apart! Zou het echt om mijn Annette gaan?”

“Als hij inderdaad de grootvader van Lars is, zou hij misschien beenmergdonor voor Lars kunnen zijn.”

“Maar natuurlijk! Ja! Dat moeten we onderzoeken! Waarom heb je dit niet eerder verteld?”

“Omdat ik niets zeker wist. En ook omdat die Jacob al om tien uur ’s ochtends aan de jenever zat. Hij trilde voortdurend. Volgens mij heeft hij een alcoholprobleempje. Ik weet dan ook niet of zijn beenmerg wel zo gezond is.”

“Vast wel. Dat moet! Het is onze enige hoop!” Hessel stond op en Marieke deed hetzelfde. Hij trok haar mee, hollend door de gang.

“We moeten meteen die Jacob zien te vinden!” Hij klopte op de deur van de specialist en wachtte amper tot hij naar binnen kon.

“Dokter, wij hebben misschien iemand gevonden die beenmerg kan doneren!” riep Hessel uit. “De opa van Lars!”



Emma van der Veer wist dat Hessel die dag niet thuis was en ze besloot dat het hoog tijd werd om actie te ondernemen. Hessel moest er maar eens achter komen dat hij zijn bedrijf beter kon opheffen, en ze wist al hoe ze hem daartoe zou kunnen bewegen!

Ze liep naar de stal, de deur zat niet op slot. Ze ging naar binnen. De koeien lagen allemaal aan een lange ketting, maar die kon ze gemakkelijk losmaken. Ze was niet bang uitgevallen. Johanna, die zou het hier op de zenuwen krijgen, zo wist ze, maar zij niet.

Na een kwartiertje had ze alle koeien los. Ze ging naar buiten, en liet de staldeur open staan. Vervolgens maakte ze dat ze ongezien weer haar eigen huis binnenglipte. Vanaf dat moment hoefde ze maar af te wachten.

Het duurde wel even voor de koeien in beweging kwamen, maar toen de eerste eenmaal doorhad dat ze de stal uit kon, volgden er al snel meer. Ze sprongen en renden over het erf, en waagden zich op de weg.

“O nee!” riep Johanna vanuit de keuken uit. “Emma! Emma, de koeien van Hessel zijn uitgebroken! Ze lopen op de weg!”

“Wat? Mijn hemel, warempel!” zei Emma quasi verbaasd. “Wat een chaos!”

“We moeten de politie bellen,” zei Johanna.

“Ach welnee,” vond Emma.

“Niet? Verdorie, dat zoiets nu juist moet gebeuren als hij naar de wal is!”

Emma lachte achter haar vuistje, ze kon bijna niet verbergen hoe ze zich verkneukelde. Samen keken ze toe hoe de koeien al springend en loeiend zich verspreidden.

Jansje kwam naar buiten en deed pogingen om het vee terug te drijven, maar in haar eentje lukte haar dat niet. Uitgeput moest ze het opgeven.

Van alle kanten kwamen nu mensen hun huizen en boerderijen uit om te proberen de koeien tegen te houden. Met veel geschreeuw wisten een paar boeren de beesten uiteindelijk onder controle te krijgen en ze terug te brengen.

Jansje liep er zo snel ze kon achteraan.

“Vort, terug!” riep ze, zwaaiend met een tak. Opeens greep ze naar haar linkerarm, waar een felle pijnscheut doorheen ging. Zonder dat iemand het in de gaten had, zakte ze in elkaar. Ze werd pas gevonden nadat alle koeien weer in de stal stonden.

“Jansje! Daar ligt Jansje!” riep iemand. “Is ze dood?”

“Ze ademt nog, waarschuw de dokter!”

“Ik bel het alarmnummer!” riep iemand anders.

Emma bleef voor het keukenraam staan, maar Johanna, die gewacht had tot de koeien allemaal weg waren, rende naar buiten. Ze knielde naast Jansje.

“Jacob,” fluisterde ze. “Jacob moet het weten…”

“We zullen hem waarschuwen. Waar is hij?”

“Op de Jantina. Zeg hem…” Ze hijgde. “Zeg hem wie zijn moeder is. Louise…” Toen sloot ze de ogen. Johanna pinkte een traantje weg.

De ambulance arriveerde, maar niemand kon nog iets voor Jansje doen.

Johanna liep verslagen naar huis.

“Jansje is dood,” zei ze. “Ze viel neer toen ze de koeien probeerde op te drijven.”

“Jezus, waarom blijft zo’n oud mens ook niet gewoon binnen?” mompelde Emma. “Wat ga je doen?”

“Ik moet erachter zien te komen waar die Jacob is. Jansje heeft me gevraagd hem te zeggen wie zijn echte moeder was.”

“Wat een flauwekul allemaal!” meende Emma. “Daar hebben wij toch niets mee te maken?”

“Jansje was onze buurvrouw! Natuurlijk hebben we ermee te maken!”

“Ik ben benieuwd wie er nu gaat wonen. Die zoons van haar hebben hun eigen boerderijen.”

“Misschien trekt Jacob er wel in!” zei Johanna. “In ieder geval ga ik proberen erachter te komen bij welke rederij hij werkt.”

“Succes.”

Emma zag hoe de laatste boeren het erf van Hessel verlieten. De koeien stonden weer op stal. Al met al had die actie dus niet veel opgeleverd, maar het was wel grappig geweest. Wat kon ze nog meer verzinnen?

Toen Hessel die avond laat thuiskwam, wachtte Marie hem op.

“En? Hoe is het met Lars?” vroeg ze eerst. Hessel schudde het hoofd. “Het gaat nog steeds niet goed met hem, maar misschien hebben we een beenmergdonor voor hem. Waarom zit je hier in de woonkamer? Wachtte je op mij?”

“Ja, iemand heeft vandaag je koeien losgelaten, ze liepen over de weg. Gelukkig zijn ze allemaal weer terug nu. Maar Jansje is dood. Het werd haar teveel.”

Hessel luisterde naar het relaas van Marie.

“Wat vreselijk, dus ze viel neer toen ze de koeien op wilde drijven. Mijn vee.”

“Weet jij wie de staldeur open heeft gezet?” vroeg Marie. “Want ik ben er zeker van dat het opzet is! De stal stond niet alleen open, maar de koeien waren ook allemaal losgemaakt!”

“Ik heb geen idee.”

“Het moet iemand zijn die een hekel aan je heeft, anders doe je zoiets niet.”

“Emma?” mompelde Hessel. “Die zou er misschien toe in staat zijn. Johanna niet, want die is bang voor koeien.”

“Maar wat zei je nu, heb je misschien een beenmergdonor voor Lars?”

“Misschien. De vader van Annette.”

“Annettes vader… Wie is dat dan, weet jij het?”

“Ik ben er niet zeker van. Dat moet ik nog uitzoeken. De specialist is enthousiast, maar ik moet hem nog opsporen.”

“Maar blijkbaar heb je wel een vermoeden, wie dan!”

Hessel aarzelde. Moest hij het wel vertellen? Misschien was het helemaal niet waar.

“Ik vermoed dat het Jacob is, de zoon van Jansje.”

“Bestaat niet! Jacob en Neeltje… Ach, nee toch! Die twee konden elkaar niet luchten of zien! Hoe kom je daar bij?”

“Doet er niet toe. Jacob zal toch zeker wel op de begrafenis van zijn moeder komen?”

“Geen idee. Jansje was trouwens niet zijn moeder. Dat was Louise, wist je dat?” zei Marie. Hessel verbaasde zich al niet meer.

“Ja, dat heb ik ook gehoord. Hoe weet jij dat nu weer?”

“Jansje en ik waren ooit goed bevriend en toen heeft ze het me verteld.”

“Vond je het niet vreemd?”

“Ach, iedereen is hier toch op de één of andere manier familie van elkaar, ik heb er nooit verder over nagedacht. Maar Jacob weet zelf vast nergens van. Waarschijnlijk weet hij ook niets van Lars, denk je wel?”

“Nee.”

“Hoe zal hij daarop reageren? Ik vond Jacob nooit echt een familiemens. Hij dronk al te veel toen hij nog een tiener was.”

“Dat wordt nog een hele toestand. Als we hem eerst maar eens vinden! Lars heeft dringend een transplantatie nodig!”

De deur ging open, Johanna stapte naar binnen.

“Hessel, stoor ik?” vroeg ze zenuwachtig.

“Nee, kom binnen. Ik hoor net van Marie dat Jansje is overleden.”

“Ja, ik was erbij toen het gebeurde. Het is allemaal Emma’s schuld!” zei ze fel.

“O ja?” Marie keek haar geïnteresseerd aan. “Vertel!”

“Nou ja, misschien ook wel niet,” zei Johanna snel. “In ieder geval kon Jansje me nog de naam van het schip zeggen, waar haar zoon Jacob op vaart. De Jantina. We moeten hem zien te bereiken zodat hij bij de begrafenis kan zijn.”

“En de andere twee zoons van Jansje dan? Weten die niet waar hij is?” vroeg Hessel.

“Nee, die hebben al lang geen contact met hem. Die Jacob is een beetje het zwarte schaap van de familie, geloof ik. Ik heb geprobeerd wat rederijen te bellen, maar tot nu toe weet ik nog niet voor welke rederij hij vaart.”

“Daar komen we wel achter,” zei Hessel. “Ik wil hem ook heel graag even spreken.” Hij zuchtte. Had hij nu zijn hele leven naast de familie van zijn vrouw gewoond, zonder het te weten? Hij was ergens boos, waarom had Jacob dan ook nooit iets van zich laten horen? Hij had toch wel een vermoeden moeten hebben, dat het vaderloze kind van Neeltje van hem was! Maar ja, Jacob was ook nooit thuis! Misschien wist hij inderdaad niet eens dat Neeltje een kind had gekregen! Laat staan dat hij van het bestaan afwist van een kleinkind! Zou hij echt geschikt zijn als beenmergdonor? De kans was niet zo groot. Jacob was niet zo jong meer en hij zag er niet echt gezond uit. Kwam iemand die zoveel dronk wel in aanmerking als donor?

Hij voelde zich wanhopig. Machteloos veegde Hessel met één armzwaai de post van de keukentafel. Hij zag het allemaal niet meer zitten.

Marie raapte de ongeopende brieven op.

“Gaat het?”

“Nee.” Hij wreef over zijn gezicht om wakker te blijven. “Lars gaat misschien dood. De chemo sloeg niet aan.”

“Ik vind het zo erg,” zei Johanna.

Marie ging naar huis en hij moest de koeien nog melken. Het was al nacht toen hij eindelijk klaar was. Hoewel hij zich doodmoe voelde, had het geen zin om naar bed te gaan, van slapen zou toch niet veel meer komen.

Hij dacht aan Lars. Zou er echt een kansje zijn dat hij nog beter werd?

Opeens merkte hij dat Johanna nog in de keuken zat, achter zijn laptop.

“Wat doe je? Ik dacht dat je gelijk met Marie was vertrokken.”

“Ik kan je toch niet zo achterlaten. Kijk, ik ben op het internet bezig geweest. Ik heb de Jantina net gevonden, en dit is de naam van de rederij en het telefoonnummer.”

Hij keek naar wat ze had opgeschreven.

“Dankjewel. Daar heb ik wat aan. Ik zal ze morgenochtend meteen bellen.”

“Over drie dagen is het twee maanden geleden dat Louise is overleden,” zei Johanna zacht.

“Ja, en nu is Jansje ook al dood. De tijd gaat snel, dat bedoel je toch?”

“Nee, ik bedoel iets anders.” Johanna verzamelde al haar moed bij elkaar.

“Hessel, je moet dit niet tegen Emma zeggen, want dan vermoordt ze me, maar het is absoluut nodig dat je Jacob iets vertelt.”

“Wat dan?”

“Ga zitten. Louise had een clausule bij haar testament. Ik denk dat je wel geïnteresseerd zult zijn.”

Hessel ging zitten. Johanna vertelde haperend hoe het zat met de clausule, en ook wat ze wist van Louise en Jacob.

“Ik begrijp er niets van,” zei Hessel. “Jacob is dus niet alleen de vader van Annette, maar ook de zoon van Louise, en Lars zou dan een deel van Louises bezit erven?”

“Ja, en eventuele andere kinderen en kleinkinderen van Jacob ook. Zo heeft Louise het bepaald. Maar Emma wilde niet dat Jacob daar achter zou komen, daarom heeft ze de notaris zwijggeld beloofd.”

“Die notaris doet maar. Ik wil alleen maar dat Jacob zich als beenmergdonor beschikbaar stelt, de rest van het verhaal interesseert me totaal niet,” zei Hessel.

“Prima, dan zeg ik niets tegen Jacob. Ik ben natuurlijk niet zo happig op een verdere verdeling van de erfenis, maar ik dacht dat je het moest weten.”

Hessel knikte zwijgend. Johanna wilde in ieder geval nog het juiste doen, ze deugde wel. Emma was echter een gemeen loeder.

Johanna aarzelde, maar ze begreep dat Hessel haar niets meer te zeggen had. Ze stond op en vertrok.

Het was inmiddels diep in de nacht, over een paar uur moest er weer gemolken worden. Hessel besloot maar helemaal niet meer naar bed te gaan. Hij liep naar de stal, haalde het paard en sprong er op zonder het te zadelen. Zo reed hij door de duinen.

Vanuit haar slaapkamerraam zag Johanna het paard met de ruiter wegdraven en ze zuchtte. Ze voelde erg mee met Hessel, maar ze begreep wel dat hij niet zo dol op haar was.

Hessel joeg het paard op, en reed met grote snelheid door de nacht.

Boven op een duin liet hij het paard halt houden. Met betraande ogen keek Hessel naar de donkere, razende zee. Boven hem flonkerden winterse sterren, er zat wat vorst in de lucht.

De frisse lucht deed hem goed. Hij probeerde zijn gedachten te ordenen. Steeds kwam het gezicht van Marieke echter voor zijn ogen. Hij moest haar een beetje vergeten, want hoezeer hij ook op haar gesteld was geraakt, de gezondheid van Lars kwam nu eerst, en wat er ook nodig was om Lars beter te maken, moest gebeuren. Jacob moest zo snel mogelijk gevonden worden!

“Waar ben je!” schreeuwde Hessel in de richting van de zee. Opeens begon het aan de hemel te weerlichten. Het paard schrok van een bliksemschicht en steigerde.

Hessel kon zich niet meer aan de manen vastgrijpen, hij viel van het paard en bleef roerloos liggen.

Het was Johanna die de volgende ochtend vanuit het keukenraam het paard zonder ruiter over de weg zag lopen.

“Emma, dat klopt niet, hoor, kijk eens! Dat is het paard van Hessel!”

“Is hij losgebroken? Ik heb er niets mee te maken, hoor!” liet Emma er direct op volgen.

Johanna rende naar buiten. Het paard sjokte kalm uit zichzelf in de richting van zijn stal en bleef daar voor de deur staan.

Vanuit de koeienstal klonk intussen onrustig geloei.

“Er moet iets gebeurd zijn,” mompelde Johanna. Ze durfde het paard niet goed te benaderen. Ze liep de boerderij in, maar Hessel was niet thuis. Hij was ook niet in de koeienstal. Blijkbaar waren de koeien nog niet gemolken, hoewel het al negen uur was.

“Ik zag hem vannacht op het paard wegrijden. Misschien heeft hij een ongeluk gehad,” zei ze tegen haar zus, die leunend op de onderdeur een sigaret stond te roken.

“Maak me niet blij met een dode mus,” mompelde Emma onverschillig.

Johanna negeerde haar en pakte de fiets.

“Wat ga je doen op die ouwe rammelkar?”

“Ik ga hem zoeken!”

“Waarom?”

“Omdat ik hem wil vinden!”

Emma haalde de schouders op en smeet haar sigaret weg voor ze weer naar binnen ging.

Johanna fietste in de richting van het strand, ze vermoedde dat Hessel daar naar toe was gegaan.

Het was guur en koud. Het onweer was die nacht boven het eiland langsgetrokken zonder dat het geregend had, en dat was maar goed ook, want nu vroor het licht.

Johanna had geen idee waar ze moest beginnen te zoeken. Het strand lag er leeg en onherbergzaam bij. Haar blik dwaalde af naar de duinen. Lag daar niet iets op het hoogste duin?

Zo snel ze kon, rende Johanna het duin op. Hijgend bereikte ze de top.

“O, mijn god!” riep ze uit. “Hessel! Hessel, sta op!” Ze knielde naast hem neer. Hij lag roerloos en buiten bewustzijn in het zand, aan zijn slaap kleefde een restje bevroren bloed. Hij was zeker van het paard gevallen.

Ze schudde aan zijn schouder, hij reageerde echter niet. Hoelang lag hij hier al?

Ze probeerde haar gsm, maar ze had geen bereik.

Hessel was onderkoeld, ze trok haar eigen jas uit en legde die over hem heen. Hessel ademde nog wel, maar hij was er duidelijk heel slecht aan toe.

“Ik haal hulp,” beloofde ze en vertrok.

Hessel hoorde niets. Eenzaam bleef hij achter op het winderige duin. De jas van Johanna waaide weg.

Johanna fietste intussen snel naar huis en greep de telefoon.

“Waar is je jas?” vroeg Emma verbaasd.

“Ik heb Hessel gevonden! Hij ligt bewusteloos op een duintop! Als hij niet snel hulp krijgt, gaat hij dood!”

“Wacht!” zei Emma. Ze legde haar hand op de telefoon. “Waarom zo’n haast? Wacht nog even. Bel over een uur of zo maar eens om een ziekenwagen.”

Johanna was te verbouwereerd om iets uit te brengen. Wilde haar zus hem echt laten verrekken?

“Geef hier die telefoon!” beet ze Emma toe, maar die stopte lachend haar hand achter haar rug.

“Zie maar dat je hem krijgt!” krijste ze.

“Je bent gestoord!” riep Johanna uit. Ze voelde de adrenaline door haar aderen stromen. Met onvermoede kracht duwde ze Emma aan de kant, pakte haar de telefoon af en belde het alarmnummer.

Hessel kwam pas de volgende dag weer bij kennis in het ziekenhuis, maar door de val op zijn hoofd was hij zijn geheugen kwijt. Verwonderd keek hij rond. Hij had geen idee wie de mensen die om zijn bed stonden, waren. Hij onthield niets van wat men tegen hem zei. Hij voelde dat er een verband om zijn hoofd was gewikkeld, maar wat er gebeurd was, wist hij niet.

Na enige weken begon hij zijn geheugen echter weer terug te krijgen en de eerste die hij vanuit zijn ziekenhuisbed herkende, was Marieke. Opeens schoot hem van alles te binnen.

“Ik moet naar Lars, Marieke!” zei hij. “Ik moet naar mijn zoon!”

Marieke veegde een traan weg.

“Je bent er weer!” zei ze. “O jongen, er is zoveel gebeurd!”

“Hoe is het met Lars, is alles in orde met hem? Kan ik naar hem toe?”

“Ik weet niet waar ik moet beginnen…”

“Is hij… Is hij dood?” vroeg Hessel met angst in zijn stem. “Zeg het me, Marieke! 

Ze pakte zijn hand.

“Nee, hij is niet dood! Integendeel. Hij heeft een beenmergtransplantatie gehad. Hij is herstellende! Hij wordt weer beter, Hessel!”

Hessel was perplex. Hij begon zwijgend te huilen. Dat zijn zoon beter werd, was een enorme opluchting.

De deur ging open en een oudere man stapte binnen.

“Wat is er aan de hand?” vroeg hij.

“Hij heeft zijn geheugen weer terug,” zei Marieke. “Hessel, je kent Jacob natuurlijk?”

“Vaag. De vader van Annette dus. O, en de zoon van Louise? Hallo.”

“Zo jongen. Ja, ik stond er ook van te kijken, dat ik een kleinkind had, en dat mijn moeder mijn moeder dus niet was.”

“Logisch,” mompelde Hessel.

“Ik heb je al een paar keer opgezocht, maar ik denk niet dat je dat nog weet.”

“Ik herinner me dat ik midden in de nacht ging paardrijden, vanaf dat moment is alles wazig. Heb jij mijn zoon het leven gered?”

“Nee, ik niet. Mijn beenmerg was niet geschikt, ik mankeer zelf van alles en nog wat. Maar gelukkig konden ze dat van mijn zoon Jan wel gebruiken.”

“Pardon? Welke zoon Jan?” vroeg Hessel.

“Ik zei toch dat er veel is gebeurd,” glimlachte Marieke. “Jacob blijkt getrouwd te zijn en een zoon te hebben. Jan woont in Zweden, maar toen we Jacob eenmaal hadden opgespoord, duurde het niet zo lang voor Jan hier aankwam. Met zijn moeder.”

Hessel begreep het allemaal niet, en luisterde vol verbazing.

“Gelukkig dat Johanna je gevonden heeft, anders was je doodgevroren. Je bent onderkoeld en met een zwaar hersenletsel opgenomen.”

“Waar is Johanna nu?”

“Op de gang,” zei Marieke. “We hebben om de beurt bij je gewaakt toen je kritiek was.”

“Kan ik haar even spreken?”

“Ja, natuurlijk.” Marieke ging haar zus halen. Jacob bleef naast het bed zitten en grijnsde wat.

“Zeg Jacob, wist je niet dat Annette je dochter was?” vroeg Hessel.

“Jawel. Ik heb Annette nooit gekend, maar ik wist via via dat Neeltje een kind gekregen had. Dat moest wel van mij zijn, want Neeltje was er de persoon niet naar om met Jan en alleman naar bed te gaan. Ik had er op dat moment helemaal geen trek in om vader te zijn. En Neeltje heeft ook nooit enige moeite gedaan om me op de hoogte te brengen, dus heb ik het maar mooi zo gelaten. Ik kan niet zeggen dat ik er spijt van heb. Ik was gewoon niet geschikt als vader. Nu is dat anders. Ik heb een goede band met Jan.”

“Is je zoon nog hier?”

“Nee, hij is weer met zijn moeder terug in Zweden.”

“Jammer, ik had hem graag ontmoet.”

“We hebben afgesproken dat hij en zijn moeder een keertje naar het eiland zullen komen.”

“Mooi. Maar nu wil ik toch eindelijk wel naar mijn eigen zoon!”

Hij stapte uit bed. Johanna kwam de kamer in.

“Hessel, blijf liggen!”

“Dag Johanna, ik wil naar Lars! Ga je met me mee naar zijn afdeling?”

“Weet je dat dan niet? Lars is gisteren ontslagen en naar huis gegaan. Hij moet nog wel voor controle komen, maar de artsen zijn heel optimistisch!”

“Naar huis? En wie is er dan thuis?”

“Marie zorgt voor hem tot je weer helemaal beter bent. Hij is in goede handen. Maak je geen zorgen!”

Hessel zuchtte.

“Dan ga ik maar even liggen. Het is allemaal wat veel om te verwerken.” Hij veerde ineens weer op. “O, mijn koeien!” schoot het hem te binnen. “Hoe gaat het met mijn vee?”

“De buren zorgen voor de beesten. Wat dacht je dan, dat ze je zouden laten barsten?”

“Ik heb me nooit zo met hen bemoeid, dus ik verwachtte niet dat ze mij zouden helpen, eerlijk gezegd.”

“Nou, dat heb je dan mis. Alles loopt op rolletjes, behalve dan de kaasmakerij, daar hebben ze geen verstand van. Alles komt goed, Hessel!” zei Johanna lachend. Ze omhelsde hem.

Marieke keek vanuit de deuropening toe en voelde zich opeens teveel. Het was duidelijk dat Johanna erg veel om Hessel gaf, en aan zijn blijde reactie te zien, was het wederkerig. Ze moest hem maar vergeten.

Ze sloot de deur en liep weg.



Hessel mocht een week later eindelijk naar huis. Het was inmiddels bijna maart, het vroege voorjaar zorgde voor vrolijke tafereel in het weiland onderweg. Jonge lammetjes huppelden naast hun moeders.

Johanna had een auto gehuurd en chauffeerde.

“Ik zal blij zijn als ik weer thuis ben! Zou Lars me nog wel herkennen?”

“Natuurlijk wel! Hij praat iedere dag over je!”

“Hoe is het eigenlijk met Emma?” vroeg Hessel.

Het gezicht van Johanna betrok.

“Emma is vertrokken. De boerderij staat te koop, weet je. De camping gaat niet door.”

“O?”

“Ik wil niet meer en Marieke ook niet. Marieke en ik hebben besloten dat de helft van wat wij aan de verkoop over houden, naar Lars en Jan gaat. Zoals Louise het zou hebben gewild.”

“Er was iets met een clausule.”

“Daar waren we officieel te laat mee, maar we vinden het niet meer dan redelijk dat de wens van Louise geëerbiedigd wordt.”

“Lars is dadelijk rijker dan zijn vader,” grijnsde Hessel.

Johanna glimlachte.

“Je zult nog opkijken. Ik heb namelijk nog een verrassing voor je.”

“O ja?”

“Je had je post al een tijdje niet meer opengemaakt, dus hebben Marie en ik de zakelijke brieven voor je doorgenomen. Je bankafrekening bijvoorbeeld.”

“Ik sta al een tijdje rood, dat weet ik.”

“Niet meer. Je hebt een prijs gewonnen in de Staatsloterij. Omdat je ziek was en je niet persoonlijk kon melden, hebben ze het bij wijze van uitzondering overgemaakt. Je hebt al met al nu een positief banksaldo van twee ton!”

Hessel was sprakeloos.

“Mooi toch?” zei Johanna.

“Ach, het is maar geld.” Hij lachte. “Mijn zoon is weer beter en thuis! Dat is het enige dat telt!”

“Ik hou van je,” zei Johanna opeens. Ze keek hem even aan. “Ik hou echt van je, Hessel.”

Hij schrok.

“Johanna, ik weet niet wat ik moet zeggen.”

“Dat je ook van mij houdt, misschien?”

“Ik ben erg dankbaar voor alles dat je gedaan hebt. Zonder jou was ik doodgevroren op dat duin. Zonder jou hadden we de zoon van Jacob nooit opgespoord.”

“Maar je houdt niet van me.” Johanna slikte. “Ik was er al bang voor.”

“Ik kan niet liegen, dat zou ook niet eerlijk zijn.”

“Je hebt gelijk. Dankjewel, voor je eerlijkheid. Je houdt van Marieke, nietwaar?”

“Hoe weet je dat?”

“Ik heb het wel gezien tijdens je ziekenhuistijd. Hoe je op haar reageerde en zo. Ze houdt ook van jou.”

Johanna zuchtte.

“Ik breng je tot de boot, ik ga niet mee naar het eiland, als je het niet erg vindt.”

“Nee, natuurlijk niet. Je hebt al zoveel voor me gedaan.”

Zwijgend reden ze verder.

Een uur later keek Johanna de veerboot na. Toen pakte ze haar mobiele telefoon en belde Marieke.

Hessel werd opgewacht door Marie en Lars, die zijn vader omhelsde.

“Wat zie je er goed uit!” zei Hessel verbaasd.

“Hij eet dan ook als een bootwerker,” zei Marie.

Thuis bleek alles te zijn versierd met vlaggetjes en ballonnen.

“En de katten zijn al zo groot!” zei hij verbaasd. Hij realiseerde zich nu pas dat hij wel erg lang weggeweest was.

Hij ging naar de koeienstal. Tot zijn schrik was de stal leeg.

“Marie, waar zijn mijn beesten!” riep hij uit.

“In de wei, wat dacht je dan? Het is toch zeker voorjaar!”

“Welke wei? Ik heb geen wei!”

“Je mag je koeien weer op het land van Louise zetten. Net als vroeger.”

“Dat is geweldig! Hoe kan dat dan?”

“Marieke en Johanna hebben dat goedgevonden. Emma heeft niets meer in te brengen.”

“Er loopt iemand op het erf,” zei Lars. Hij rende naar de deur.

“Marieke! Marieke is er!” juichte hij. Marieke tilde hem lachend op en droeg hem naar binnen. “Wat ben jij zwaar geworden!”

Ze zag Hessel en zette Lars neer.

“Ik ben met de snelboot gekomen.”

Hij vloog op haar af en omhelsde haar.

“Waar was je de laatste tijd?”

“Ik wilde jou en Johanna niet in de weg staan. Maar ze belde me.”

Hij knikte.

“Johanna is een geweldige vrouw.”

“Ik zou graag blijven. Hier. Bij jou.”

“Kijk,” zei Marie. “Dat vind ik nu ook. Jullie horen bij elkaar.” Ze vertrok.

Vanaf die dag woonden Hessel en Marieke samen.

In mei kocht Hessel Johanna en Emma uit en voegde de twee boerderijen samen. Het woongedeelte van Louises boerderij werd als vakantiehuis verhuurd en de eerste gasten die ze die zomer kregen, waren Jacob en zijn vrouw en zoon, die het huwelijk van Hessel en Marieke meemaakten. Johanna was er ook, en hoewel ze even moest slikken toen ze Hessel het jawoord hoorde geven, was ze toch blij voor hen.

Hessel en Marieke maakten zich nog een tijdje zorgen om Lars, maar die bleef gelukkig gezond.

“Ik ben toch wel nieuwsgierig van wie die roestige fiets van Louise nu eigenlijk is geweest,” zei Marieke op een dag.

“Ik denk niet dat we daar ooit achter komen, maar ik heb zo het vermoeden dat het de fiets van Jacobs biologische vader moet zijn geweest. Weet je dat Johanna er op reed toen ze mij vond?”

“Dat kan helemaal niet,” zei Marieke verbaasd. “Johanna kan niet fietsen!”

Hessel keek haar verbouwereerd aan. Ze beseften dat er nog veel onopgeloste mysteries waren, maar dat gaf allemaal niet. Ze hadden elkaar en ze waren gezond. En dat was het enige dat telde.


Drie gezusters & Man van haar dromen?
Section0001.xhtml
Section0002.xhtml
Section0003.xhtml