Zuster met zorgen
Oplossing door ongelukken
Mayo de Graaf
“Ze is uitgegleden! Ik zag het met mijn eigen ogen gebeuren, Paul! Ze ging zo onderuit!”
Hij wist echter wel beter. Zijn vrouw loog hem voor. Hij wist het zeker en zag het in haar ogen. Tina had hun kindermeisje van de trap geduwd…
Net als elke ochtend opende de vijftigjarige Albert Werheim zijn voordeur om de krant naar de buurvrouw te brengen. Hij keek even naar de lucht. Er hing een witte waas boven het parkje waaraan hun huizen gelegen waren. De eenden groepten bij elkaar op de kant en twee zwanen gleden langs het riet.
“Goedemorgen, Albert,” hoorde hij even later.
“Ook zo, Mary. Hier is je krantje.”
Gewoontegetrouw liep hij achter haar aan de gang in. Het was hier altijd gezellig. Heel anders dan bij hem thuis. Naast zijn bank lagen stapels tijdschriften. Op de eettafel was amper plaats voor zijn bord. Hij had overal boeken en kranten liggen. Als wetenschappelijk medewerker aan de universiteit zat hij altijd te lezen. Artikelen die hem door het secretariaat werden toegestuurd. Vakliteratuur over de stagnerende economie. Wiskundige formules die hij in volle collegezalen probeerde uit te leggen.
Kortom, Albert Wertheim was een hardwerkende wetenschapper, die voor de liefde nooit tijd had gehad. De jaren waren als los zand door zijn vingers geglipt en nu was hij opeens al vijftig! Wat was dat toch snel gegaan. Voor je het wist, was hij een oude vrijgezel.
“Koffie?”
Ze schonk al in. De mokken stonden gewoontegetrouw naast elkaar klaar op het aanrecht. De koffie geurde heerlijk. De kachel was aan, merkte hij. Het was hier aangenamer dan thuis. Hij vergat vaak te eten of te drinken. Of de verwarming aan te zetten. Of om boodschappen te doen, maar krantje voor de buurvrouw vergat hij nooit. Die gewoonte was er gewoon ingeslopen. Elke ochtend om stipt tien uur deed hij de deur van het slot om even bij Mary langs te gaan.
“Hoe gaat het vandaag?”
Ze ging zitten. Tegenover hem, ook net als altijd. Ze droeg een kleurige bloes vandaag. Het stond haar goed, maar ze zag er zorgelijk uit. Over het geblokte tafelkleed schoof ze de suikerpot naar hem toe. Twee schepjes. Een wolkje melk. Een koekje erbij. Meestal was dit zijn ontbijt.
Ze haalde haar schouders op. “Ik heb weer last van mijn heup,” zei ze. “Ik heb vannacht op mijn verkeerde zij gelegen.”
“Wanneer moet je weer naar de fysio?”
“Vanmiddag om vier uur. Soms word ik er weleens moedeloos van, Albert. Die heup blijft maar opspelen. Af en toe zak ik gewoon door mijn benen. Het lijkt wel of ik geen gevoel heb.”
“Dat rotongeluk ook.”
“Ja,” beaamde ze, “die man heeft mijn hele leven verwoest.”
Ze knikte en ze dachten beiden terug aan het vreselijke ongeluk dat Mary drie jaar geleden was overkomen. Na een lange werkdag was ze op haar fiets gestapt. De school waar ze als onderwijzeres werkte, lag op zo’n tien minuten afstand van haar huis. Het was een prettig ritje, waarin ze tijd had om orde op zaken te stellen.
Tegen de tijd dat ze haar fiets in de schuur zette, was ze alle beslommeringen vergeten om zich vervolgens om de kinderen te bekommeren. Mignon was een rustig meisje, een beetje verlegen en helaas niet de knapste. Ze wist bovendien niet goed wat ze met haar leven aanmoest. Met haar vierentwintig jaar had ze haar draai nog niet gevonden en lag ze dagelijks overhoop met haar broer Mitch, die een jaar jonger was.
Mitch was een stoere bink. Tenminste, dat vond hij zelf. Hij droeg legerkistjes en zwarte kleding, leren jacks en had tattoo’s die Mary verafschuwde. Ook was hij niet bepaald een aantrekkelijke jongen, maar dat kwam vooral door zijn haar dat hij zwart verfde, terwijl hij van nature zo blond als zijn zus was.
Ondanks het feit dat hij een goed stel hersens had en hij Mignon verbaal ver de baas was, werkte hij als betonvlechter. Hij wilde niet studeren. Hij had maar weinig geld nodig. Geld was vies. Rijken waren verachtelijk. Artsen en advocaten verwerpelijk.
“Het gaat wel weer over,” zei Albert dan rustig. “Het is een fase. Over tien jaar is hij een getrouwde huisvader, geloof me.”
Bij die gelegenheden keek hij de vierenvijftigjarige Mary bemoedigend aan. Mary was een lieverd. Een warme vrouw, die het beste wilde voor haar kinderen. Ze was al zo lang gescheiden dat ze nooit meer sprak over haar ex. Onder het verleden had ze een dikke streep gezet.
“Dat die man nooit zijn excuses heeft aangeboden, zit me nog altijd dwars. Hij heeft me met zijn dronken kop zomaar omver gereden.”
“Kan ik me levendig voorstellen, Mary. Die ellendeling heeft er maar voor gezorgd dat je nu arbeidsongeschikt bent.”
“En dat ik snel moe ben.”
“Ook dat. En dat je niet goed ter been bent.”
Ze zuchtte moedeloos. “We kunnen het er wel steeds over hebben, maar we schieten er niets mee op, Albert. Ik zal het leven moeten accepteren zoals het is. Dat ongeluk heeft me half invalide gemaakt.”
“Kom, kom, zo erg is het nou ook weer niet. Je kunt nog gewoon je boodschapjes en je huishouden doen.”
“Maar dat wil ik helemaal niet. Ik wil werken. Het lesgeven zit me in het bloed. Die boodschappen zijn totaal onbelangrijk voor me.”
“Maar het is hier wel altijd gezellig.”
“Dat mag je dan weleens tegen mijn kinderen zeggen, Albert.” Ze streek door haar blonde haren die haar schouders raakten. Het is dat ik weet hoe oud ze is, schoot het vaak door Albert heen. Maar je zou haar veel jonger schatten. Een jaar of veertig. Jonger dan ik, terwijl ze juist een paar jaar ouder is.
“Zijn de kinderen thuis?” vroeg hij en Mary knikte en er trok tegelijk een zorgelijke trek over haar gezicht. “Mitch is naar zijn werk, maar Mignon is thuis.”
“Hoe gaat het met Mitch?”
“Net als altijd. Gisteravond hebben die twee weer vreselijk ruziegemaakt. Soms weet ik het gewoon niet meer, Albert. Dan vraag ik me af waar ik het allemaal voor doe. Ik dacht dat het heel anders zou zijn. Dat het vriendelijke, aardige mensen zouden worden. Maar merk jij er iets van? Ik niet.”
“Hoe gaat het met Mignon?”
Alweer zuchtte Mary, waarna ze zich vertrouwelijk naar Albert toeboog. “Weet je wat het is? Waar ik me zo aan erger? Zelf zou ik dolgraag willen werken. Weer voor de klas staan, met mijn collega’s praten, ouderavonden organiseren. En wat doet Mignon? Helemaal niets. Niks, Albert. Ze kijkt soaps omdat ze zich verveelt. Ze zit de hele dag achter haar pc, omdat ze geen vriendinnen heeft. Ze gaat niet naar buiten, omdat daar geen reden voor is. O, ik zou haar wel door elkaar willen schudden, Albert. Zeggen dat ze iets moet doen met haar leven. Dat het zomaar voorbij kan zijn. Kijk naar mij. Eén dronken automobilist en het is over en uit. Zij heeft haar hele leven nog voor zich, maar ze doet er niets mee. Dat is toch erg?”
“Ja,” beaamde Albert. “Ik kan me jouw reactie heel goed voorstellen.”
“En dan dat eeuwige geruzie met Mitch. Altijd die spanning hier in huis, ik word er gek van. Altijd die ellende en dat geschreeuw. Ze slaan met de deuren. Ze vloeken en schelden. Waarom gaan ze niet op zichzelf wonen, Albert? Ze hebben er toch de leeftijd voor? Waarom blijven ze hier maar rondhangen?”
“Omdat het ze gemakkelijk wordt gemaakt, Mary. Je wast en kookt voor ze. Ze hebben hun natje en hun droogje. Waarom zouden ze op kamers gaan? Zeg nou zelf.”
“Ik wilde vroeger juist zo graag zelfstandig zijn. Lekker op mezelf en doen wat ik wilde. Tegenwoordig is dat allemaal zo anders.”
“Ze weten niet beter, denk ik.”
“Ik ben zo langzamerhand ook een beetje aan mijn rust toe. Ik zou graag wat meer willen tekenen en zo.”
“Heb je nog geschilderd?” veranderde hij van onderwerp, omdat het huilen haar nader stond dan het lachen.
“Het lukt me amper. Ik werk aan het portret van mijn vader, maar het gaat niet. Ik kan me niet concentreren als die twee hier de tent afbreken.”
“Terwijl het je juist zoveel voldoening geeft.”
“Later misschien,” merkte ze triest op. “Als ik de tijd heb. Soms kan ik weleens jaloers zijn op jou, Albert,” zei ze. “Jij hebt geen zorgen aan je hoofd. Tenminste, voor zover ik dat kan zien. Jij hebt in elk geval geen onwillig gezin dat je zo respectloos behandelt.”
“Het zijn en blijven je kinderen, Mary.”
“Maar natuurlijk! Begrijp me niet verkeerd. Ik hou van ze en dat zal ik altijd blijven doen. Maar ze zijn moeilijk, Albert. Ze gooien hun kont tegen de krib, terwijl ik het zo graag anders had gezien. Snap je? Jij hoeft alleen maar voor jezelf te zorgen. Dat lijkt me best weleens prettig.”
“Het is ook eenzaam, Mary. Er gaan dagen voorbij dat ik met niemand praat. Behalve met jou dan,” voegde hij er glimlachend aan toe. “Gelukkig heb ik jou,” zei hij ook nog eens. “Maar ik heb geen kinderen, dat klopt. Dat vind ik weleens jammer.”
“Je hebt nooit een gezin gehad.”
“Nee, dat is een gepasseerd station. Maar dat is niet echt fijn. Soms mis ik het weleens. Heel af en toe gaat er dan een steek door me heen. Mijn broer heeft wel een vrouw en kinderen. Die heeft een heel ander leven dan ik.”
“Wie weet komt het nog, Albert.”
“Wie weet. Ik denk van niet, maar ach, niemand kan in de toekomst kijken.”
“Jij nog een kopje?”
“Graag. Wacht,” zei hij. “Blijf jij maar zitten met je been. Ik schenk wel in, als je het goedvindt.”
“Ja, gezellig juist.”
“Mooi zo.” Daarna bleven zijn ogen iets te lang op haar rusten. Niet langer dan een fractie van een seconde, maar ze merkten het beiden. Er viel heel even een onhandige stilte, maar daarna pakte hij de draad weer op.
Dat ene speciale moment verdween naar de achtergrond. Vergeten werd het echter niet. Nee, ze onthielden het beiden en die nacht voor het slapen gaan, vroegen ze zich af wat het eigenlijk precies te betekenen had.
Mignon had het hele gesprek gevolgd op de onderste tree van de trap. Er was haar geen woord ontgaan. Mama was dus duidelijk teleurgesteld in haar. Ze was niet de dochter op wie ze gehoopt had. Dat deed pijn. Genoeg pijn om stilletjes op te staan en boven haar weekendtas te pakken.
Mama had immers gelijk. Ze moest iets gaan doen. Ze moest hier weg. Haar eigen leven beginnen, al wist ze niet hoe. Waar moest ze heen? Hoe deden andere mensen dat? De jongens en meisjes van haar klas bijvoorbeeld, welke weg hadden zij gevolgd? Hadden ze allemaal een beroepsopleiding afgerond? Waren zij wel zelfstandig soms?
Ze had met niemand meer contact. Soms kwam ze weleens iemand tegen uit haar klas. Achter een kinderwagen. Of met een dikke buik. Of de jongens met een arm om de schouders van hun vriendin. Maar niemand die haar herkende. Ze werd nooit eens gegroet.
Echt, haar leven was een grote mislukking. Ook wat dat betreft had mama gelijk. Er kwam niets uit haar handen. Andere mensen maakten carrière, maar bij haar was die gedachte nooit opgekomen. Ze had geen enkele ambitie.
Ze was niet leuk, vriendelijk of vrolijk. Het enige dat ze deed, was ruziën. Mitch zat haar op alle mogelijke manieren dwars en zij ging er altijd op in. Waarom eigenlijk? Het was de moeite immers niet waard? Waarom deed ze zo stom?
Geen idee. Ze wist het niet.
Aan de andere kant voelde ze zich verraden. Was het echt nodig dat mama haar problemen besprak met die nerd van hiernaast? Die man die altijd met zijn neus in de boeken zat en amper buiten kwam? Die vent deugde niet. Die was niet goed bij zijn hoofd, al zei mama dat hij erg intelligent was. Maar dat zag zij anders.
Die Albert Wertheim was een tikje gestoord. Onder het mom van een krantje brengen, dronk hij elke dag koffie bij de buurvrouw. Kon hij soms zelf geen koffiezetten? Zat hij verlegen om een praatje? Ze hield er niet van als die twee zo zaten te smoezen. Op zulke momenten voelde ze zich een buitenstaander. Iemand die er eigenlijk niet zo toe deed.
Daarom ging ze weg. Als de buurman belangrijker was dan zij, Mignon, dan hield ze het voor gezien. Ze vond heus wel ergens een baantje. Al was het maar achter de kassa. Kon haar wat schelen. Of ze ging naar McDonalds. Hamburgers bakken. Hoefde ze meteen niet meer te eten. Dan snaaide ze gewoon wat mee. Lekker goedkoop. Ze moest dus een kamer huren en dat kon het probleem niet zijn. Welnee.
Ze had nog wat geld op haar rekening. Geld dat mama voor haar gespaard had. Mooi zo, ze ging. Haar spullen interesseerden haar weinig. Haar kamertje deed haar niets. Ze ging. Nu meteen. Morgen zou ze mama wel bellen.
Paul Rätz voorzag problemen. Hij sloot de kinderkamer af en liep naar beneden, waar zijn vrouw Tina op de bank lag te kreunen en te zuchten. Ze was niet alleen boos op hem, maar ook op haar zwangerschap, de verloskundige, de buren, haar beste vriendin en vooral op haar moeder. Kortom, Tina was zo ongeveer boos op de hele wereld.
“Ben je daar eindelijk. Wat doe je toch allemaal boven?”
“Ik heb de commode waterpas gezet.”
“Belachelijke commode. Dat ze die in de fabriek niet waterpas hebben gemaakt. Echt te gek voor woorden.”
Ze had haar handen over haar buik gelegd en lag met gesloten ogen op het kussen. “Echt te gek,” herhaalde ze toen hij niet meteen reageerde. Daar hield Tina niet van, wist hij. Hij moest altijd meteen op alles reageren. Tot hij er doodmoe van werd.
Zelfs ’s avonds in bed moest hij op zijn hoede zijn. Tina wilde niet tegen een muur praten, zei ze altijd. Nou, hij was geen muur, maar een gewone, aanstaande vader die zich zorgen maakte over de aanstaande bevalling. Het was immers niet zomaar iets.
Tina was bovendien ongelooflijk kleinzerig. Die eiste bij een snee in haar vinger al een bloedtransfusie. Hij vroeg zich af hoe dat moest allemaal. Tina en poepluiers, bijvoorbeeld, was een combinatie waarbij hij zich niets kon voorstellen. Tina met een baby aan de borst, was ook al zoiets. Tina die met dikke slaapogen een huilbaby troostte. Nee, dat zou allemaal alleen op hem neerkomen. En dat was met zijn drukke baan als fysiotherapeut dus geen prettig vooruitzicht.
“Ik weet niet meer hoe ik liggen moet,” zuchtte ze. “Ik word gek van die zwangerschap, Paul. Ik zeg je, dit is de eerste en de laatste keer. Dit is geen doen. Zo’n baby die maar groeit en groeit. Ik moet verdomme elk uur naar de wc!”
“Het hoort er allemaal bij,” antwoordde hij automatisch. “Het is niet anders, liefje.”
“Kun je niet eens iets nieuws verzinnen? Dit zeg je al maanden lang. Ik weet nu wel dat het er allemaal bij hoort, maar ik baal als een stekker.”
“Sorry schatje, maar het is nou eenmaal zo. Het is een hele opgave om zwanger te zijn.”
“Hoe weet jij dat nou?” sneerde ze. “Alsof jij soms zo’n belachelijk lijf hebt.”
“Ik zie het toch aan jou? Ik maak je dagelijks mee.”
“Masseer je mijn rug even?”
Hij stond in tweestrijd. De aardappels moesten geschild worden en wilde hij het vlees nog gaar krijgen, dan moest hij nu de keuken in.
“Na het eten, goed?”
“Nee, niet goed. Ik heb pijn in mijn rug. Je moet me masseren.”
“Je kunt het ook wat vriendelijker vragen, liefje.”
“Hoe kun je dat nou van me verwachten. Jij bent toch zeker niet zwanger? Ik ben zwanger. Ik zie er niet uit. Ik weeg honderd kilo.”
“Je bent amper aangekomen, doe niet zo gek.”
“Ik voel me honderd kilo, Paul!”
Zo ging het maar door. De arme Paul Rätz kreeg gelijk. Diezelfde nacht nog werd hij wakker geschud. Hij ontwaakte uit een diepe slaap en wist niet meteen wat er aan de hand was.
“De baby,” pufte Tina met grote ogen. “De baby komt eraan, verdomme! Word wakker, luiwammes. Wakker worden, zeg ik je. Goeie god, wat doet dat pijn.”
Slaapdronken kwam hij overeind, schoot in zijn jeans, trok zijn sweater aan, griste met een verschrikt gezicht zijn mobiel van het nachtkastje en toetste het nummer van de verloskundige in.
“Hoe vaak komen de weeën?” werd er gevraagd. Mijn hemel, hij moest even nadenken, hoor. Geen idee. Zich even goed realiseren wat er gaande was. De baby kwam eraan. De verloskundige vroeg hoe vaak de weeën kwamen. Of de vliezen al gebroken waren. Hij gaf alle informatie letterlijk door en een half uur later verscheen de vroedvrouw.
Marjan bleek de rust in hoogsteigen persoon. Ze bleef vriendelijk, onderzocht de buik en een kwartier later kwam het kindje ter wereld. Op het gezicht van de verloskundige stond echter verbazing te lezen. Ze was ernstig, voelde en drukte en sprak toen de woorden, die ze nooit meer zouden vergeten.
“Er komt er nog een,” zei ze resoluut. “Het is een tweeling, Tina.”
“Een wát?” De stem van de kersverse moeder schoot uit. Ze greep naar haar hoofd en viel terug in de kussens.
“Het is een tweeling. Er komt nog een baby aan.”
“Nee!”
“Jawel, ik snap dat je schrikt, maar het is echt waar. Je krijgt nog een kindje.”
Paul hapte naar adem. Wat nu? Een tweeling? Net als zijn broer en schoonzus? Als zijn neefje in Hamburg? Het zat in de familie, oké, maar tegen hen was er niets over gezegd.
“Op de echo’s was er altijd maar één kindje te zien,” stamelde hij verward. “Hoe kan dat nou?”
“Het komt weleens voor, Paul. Het kan gebeuren en toevallig overkomt het jullie. Probeer nog even diep adem te halen, Tina.”
Een half uur later had Paul twee baby’s in zijn armen. Twee gezonde kindjes, met alles erop en eraan. Een tweeling, hij wist niet wat hen overkwam. Een jongetje en een meisje. Hij kon zijn geluk niet op. “Kijk, wat een schatjes,” zei hij tegen Tina. “Kijk eens naar onze kinderen, liefste. Moet je eens zien, wat een prachtkinderen!”
“Ja, hè?” reageerde ze mat. “Dat heb ik nou allemaal meegedragen. Kun je nagaan hoe ik me gevoeld heb.”
“En ze was maar een paar kilo aangekomen,” zei hij tegen Marjan, die nazorg verleende en de boel opruimde. “Nogmaals, Paul, het kan gebeuren. Een bevalling is nog altijd een wonder. Ik heb dit al vaker meegemaakt. Jullie hebben nu opeens een volwaardig gezin.”
Hij knikte. Ja, dat was waar. Van het ene moment op het andere waren ze met z’n viertjes. Dat was een hele verandering. Een verandering die Tina niet aankon. Hij was ervan overtuigd. Dit was een te grote opgave voor haar. Tina ging het niet redden. Er moest een oplossing komen.
“Die oproepkracht is zo onhandig als een deur.”
Zuster Ricky kwam van het lab, legde de testresultaten op de balie van receptioniste Margit Boller en wendde zich toen tot Renate, haar collegaatje. “Ik zag haar vanochtend stuntelen met de thermometer. Meneer Müller vertrok zijn gezicht van de pijn toen ze de temp in zijn oor stak. Als zuster kun je op zijn minst toch wel de temperatuur opnemen?”
“Angela is er een tijd uitgeweest, Ricky. Ze moet weer even wennen.”
“Maar intussen loopt ze hier rond met een houding alsof ze arts is.”
“Dat is onzin,” zei Renate met haar ogen op het beeldscherm dat ze naar zich toe had gedraaid. Ricky liep weer eens te zeuren. Waarschijnlijk had ze ruzie thuis. Dat nieuwe vriendje was niet te vertrouwen. Hopelijk was het geen blijvertje. Die jongen maakte op zijn motor de stad onveilig en lapte alle regels aan zijn laars. “Ik vind haar erg aardig.”
“Jij vindt iedereen aardig. Waar of niet?”
“Niet.”
“Net als Anne Maas. Die is ook altijd zo vriendelijk en aardig tegen iedereen. Nou, dat kan ik niet opbrengen, hoor. Ik heb zo mijn voorkeuren.”
“Zoals voor Richard?”
Ricky snoof door haar neus. “Zeg je dat nou alleen omdat hij een motor heeft?”
“En iedereen van zijn sokken rijdt, ja.”
“Welnee, hij is jong en speels. Hij houdt gewoon van een grapje.”
“En dat zeg jij? Een verpleegster op de EHBO? Je zou beter moeten weten.”
“Niet iedereen trouwt een arts zoals jij, Renate.”
“Die Richard moet je eruit zetten. Daar word je geen steek wijzer van. Je werkt al zo hard voor je kind. Dat is toch genoeg, zou ik zeggen.”
“Hij heeft een baan, hoor.”
“O ja? Wat doet hij dan?”
“Hij zit in de autobranche.”
Renate kon een glimlach niet onderdrukken. “Hij werkt op de sloop, hè? Je hebt je laatst versproken.”
“Maar hij werkt er als opzichter. Dat wil zeggen, binnenkort.”
Renate schudde slechts haar hoofd. Het sloeg nergens op. Ricky was een alleenstaande moeder die elke cent moest omdraaien. Dat ze nu ook een waardeloze slappeling moest onderhouden, ging haar te ver. Dat had ze niet verdiend.
“Jij verdient beter,” zei ze dan ook. “Zoek eens een leuke vent via internet.”
“Dat zijn allemaal gestoorden.”
“Er zitten vast ook leuke mannen tussen.”
“Welnee, ze zijn stuk voor stuk maf. Er mankeert altijd wel iets aan. Ze liegen erop los. Trouwens, dat doe ik zelf ook. Op mijn profiel staat dat ik knap en blond ben.”
“Dat ben je niet.”
“Niet blond, nee.”
“En ook niet knap, Ricky. Dat weet je zelf net zo goed.”
“Niet heel erg knap, nee. Maar ik heb wel iets aparts.”
“Dat zeker,” zei Renate, waarna ze de bloeddruk van meneer Müller ging opnemen.
De laboratoriumassistente kwam aangelopen. Er moest bloed geprikt worden.
Dokter Maas was in gesprek met de ouders van de kleine Mark, die in de gymzaal op zijn hoofd gevallen was. De paniek op school was groot geweest. De kinderen hadden gegild van angst, had de juf gezegd. De ambulance was gelukkig snel ter plekke en de onderwijzeres had haar leerlingetje geen moment alleen gelaten. De ouders waren de afdeling opgestormd en lieten zich nu door Anne Maas op de hoogte stellen.
“Had je problemen met de thermometer,” vroeg Renate aan Angela, die een dossier van de balie pakte. Angela was een kop groter, nogal breed gebouwd en had donker, kort haar. Ze had een bleke, maar gave huid en nogal droevige ogen.
“Dat heeft Ricky je zeker verteld?”
“Eerlijk gezegd wel.”
“Ze kwam net op het moment dat meneer Müller een spasme kreeg.”
“O?”
“Vandaar dat zijn gezicht vertrok. Ik dacht al dat Ricky het verkeerd zou interpreteren.”
“Dan heeft ze zich dus vergist.”
Angela drukte het dossier tegen zich aan. “Ik heb deze baan nodig, Renate. Hard nodig, zelfs. Ik hoop hier in vaste dienst te kunnen komen.”
“Dat gebeurt zelden met oproepkrachten. Bovendien is er een personeelsstop.”
“Dat weet ik. Toch hoop ik het. Ik wil vast werk. Geen invalkracht zijn. Ik heb het geld nodig.”
“Wie niet, Angela.” Renate keek haar aan. “Heb je problemen?”
Haar collegaatje knikte slechts. “Nogal ja.”
“Serieuze problemen?”
“Ja.”
“Maar je wilt er niet over praten?”
“Nee, ik ken je amper. Ik loop niet zo snel met mijn zorgen te koop.”
“Je hebt gelijk. Zou ik ook niet doen. Misschien leren we elkaar binnenkort beter kennen.”
“Ik ben wat voorzichtig geworden wat dat betreft.” De nieuwe zuster sprak zachtjes, maar was bepaald niet onaardig. Sterker nog, Renate voelde een bepaalde sympathie voor haar.
“Ik waardeer je eerlijkheid, Angela.”
“Als je veel hebt meegemaakt, ben je snel op je hoede. Zoiets gaat vanzelf.”
“Als er iets is waarmee ik je kan helpen? Al werk je hier pas een week, ik help graag.”
“Dank je. Ik zal het onthouden.”
“Ik meen het, Angela. Als er iets is, kom dan naar me toe, oké?” en toen Angela de zaal opliep, keek Renate haar na.
Zuster Angela Winter had het niet makkelijk. Er was iets dat haar zorgen baarde. Sterker nog, op de een of andere manier had ze met haar te doen. Geen idee wat haar mankeerde, maar Renate zou haar zeker in de gaten houden.
Mary legde het krantje naast de twee koffiemokken op het aanrecht. Albert trok zachtjes de stoel achteruit en nam plaats. Intussen keek hij naar Mary, die de melk uit de koelkast pakte en de suikerpot voor hem neerzette.
“Mitch is er nu ook vandoor,” zei ze vervolgens. Er zat geen enkele klank in haar stem, hoorde hij. Ze sprak als een robot. Zonder enig gevoel.
“Mitch? Is er ook vandoor?” Hij kon zijn oren niet geloven. Wat een rare kinderen waren het toch. Ze wisten van gekkigheid niet wat ze deden.
“Ja, hij woont nu bij een vriendinnetje van hem. Ik wist niet eens dat hij een vriendin had.”
“Hè? Zomaar opeens?”
“Hij vond het te stil hier, zei hij. Er valt hier niets te doen. Hij heeft gelijk. Nu Mignon op kamers woont, is het hier doodstil. Er gebeurt niks. Er wordt niet met deuren geslagen, de woonkamer blijft netjes, de badkamer smetteloos, de ijskast vol. Ik weet niet wat me overkomt, Albert. Mijn twee kinderen, opeens de deur uit.”
“Wie had dat kunnen denken, Mary.”
Ze keken elkaar aan. Met haar ogen zocht ze steun bij hem. Hij wilde haar hand vastpakken om die even te drukken, maar wist niet of dat wel netjes was. Misschien schrok ze ervan en dat moest hij absoluut zien te voorkomen. Daarvoor was zijn buurvrouw hem te dierbaar.
“Ja, wie had dat kunnen denken. Mignon die zomaar haar tas pakt en ergens op een kamertje woont. Ze weet dat ze me teleurgesteld heeft, maar daarom hoeft ze toch niet opeens uit mijn leven te verdwijnen? Ik hou toch zeker van haar, Albert? Dat snapt ze toch wel?”
“Heb je haar dat gezegd?”
“Dat ik van haar hou?”
“Ja, heb je letterlijk gezegd hoeveel je om haar geeft?”
Ze schoof op haar stoel heen en weer. Ook vannacht had ze weer slecht geslapen. Niet alleen vanwege haar heup, maar vooral vanwege het piekeren. Ze lag maar te woelen en te draaien. Het was zo plotseling gekomen, allemaal.
“Nou ja, niet letterlijk. Maar ze weet het. Ze weet dat ik van haar hou. Net zoals ze van mij houdt. Ze heeft ons gesprek gehoord, Albert. Dat had nooit mogen gebeuren.”
“Waarom niet? Het is de waarheid.”
“Met als gevolg dat ze haar biezen gepakt heeft. Dat doet pijn.”
“Maar er moest iets gebeuren, Mary.”
“Ik wil niet dat we met ruzie uit elkaar gaan. Ik ben een moeder. Ik mis mijn kind.”
“Ze komt wel bij je terug. Heus, geloof me. Ze is met haar neus op de feiten gedrukt, dat heeft haar verward. Geef haar de tijd om na te denken. Ze moet aan zichzelf gaan werken, iets wat ze jaren geweigerd heeft. Je kunt niet blijven moederen, Mary. Je moet je kinderen loslaten.”
“Ja,” beaamde ze, “dat weet ik ook wel. Maar de manier waarop ze is weggegaan, stuit me tegen de borst.”
“Ze wist het even niet meer. Neem haar dat niet kwalijk. Ze is jong en onervaren. Ze moet nu aan zichzelf gaan werken. Laat haar gaan. Als je haar loslaat, komt ze vanzelf bij je terug.”
“Denk je?” vroeg ze hem aankijkend.
“Ik weet het zeker.”
“Soms lijkt het wel of je zelf een gezin hebt gehad. Of je ervaring hebt met kinderen opvoeden.”
“Was het maar waar. Ik zeg gewoon wat ik denk.”
Ze keken elkaar weer aan, maar toen stond Mary bruusk op. Ze voelde een blos opkomen en wist niet wat haar overkwam. Ze moest iets doen. Koffie inschenken, bijvoorbeeld. Iets uit de koelkast pakken. Een schone theedoek ophangen. Ze was compleet in de war, trok de la open en pakte een doosje lucifers.
Albert snapte niet wat er gebeurde Ze deed zo vreemd opeens, zijn Mary. Zijn buurvrouw met wie hij tegenwoordig lief en leed deelde. Met wie hij alles kon bespreken, net zo goed als andersom. Ze waren er altijd voor elkaar. Zou hij proberen toenadering te zoeken? Iets afspreken, bijvoorbeeld? Of ging dat te ver? Wist hij het maar. Hij had totaal geen ervaring wat dat betreft.
“Eh… Als we nu voor de afleiding eens ergens een hapje gingen eten,” hoorde hij zichzelf zeggen. “Niets bijzonders, hoor. Geen sjiek diner, begrijp me goed. Maar gewoon ergens een biefstukje of zo?”
Ze schraapte haar keel. Verdorie, daar kwam die blos weer opzetten. Ze werd helemaal warm. “Jij en eh… ik, bedoel je?”
“Ja, jij en ik. Wij samen. Maar alleen als je daar echt zin in hebt. Ik weet niet goed hoe ik het zeggen moet. Ik ben nogal onhandig met dit soort dingen. Ik heb namelijk nog nooit een meisje mee uitgevraagd.”
“Een meisje?” lachte ze. “Ik ben vierenvijftig, Albert.”
“Nou ja, je weet wel wat ik bedoel. Ik wil me niet opdringen, ik zou je alleen wat afleiding willen bezorgen. Je kinderen zijn opeens het huis uit. Ik snap heel goed dat je daaraan moet wennen. Het is vast niet makkelijk.”
“Nee.”
“Je wilt niet met me uit eten?”
“Jawel, graag. En nee, het is niet makkelijk. Dat bedoelde ik.”
O ja,” stamelde hij. “Dus het is geen nee?”
“Nee, het is ja,” giechelde ze. “Dat we iets afspreken, bedoel ik.”
“Mooi,” zei hij, waarna hij onhandig opstond, het kleedje verschoof, zich verstapte en door zijn haar streek. “Vanavond maar meteen dan? Hoe laat?”
Hij transpireerde, zag ze. Net zo goed als zij. Ze hadden het er samen warm van gekregen. Wat raar. Ze had hem nog nooit zo verward gezien. En zij was zelden eerder zo snel van haar stuk gebracht.
“Zes uur? Zeven?”
“Zes uur, Albert. Dan sta ik klaar.”
“En dan kom ik je halen.”
“Gaan we met jouw auto?”
“Dat spreekt, Mary. Tot straks.”
“Ja, Albert. Tot straks.”
Ze keek hem stiekem na toen hij door de voortuin naar huis liep. Daar ging hij. Haar buurman, Albert Wertheim. Ze had een afspraakje met hem. Hoe was dat nou toch mogelijk. Ze was helemaal ondersteboven.
Ze ruimde de beker op en merkte toen dat ze beiden hun koffie hadden laten staan. Dat was nog nooit voorgekomen. Ze goot de bekers leeg en zette ze toen in de vaatwasser. Vervolgens ging ze naar boven en trok haar kast open. Welke jurk zou ze aantrekken?
“Kom op, mensen! Laat je handen eens wapperen! De ambulance komt er zo aan! Is dokter Siebert op de hoogte?”
“Die is al op de OK!”
“En de anesthesist is in huis?”
“Dokter Kolberg komt eraan!”
“Hebben we genoeg bedden?”
De afdeling lag immers vol, wist hoofdzuster Hedwig Obermann. Bij de grote brand van vanochtend waren diverse ernstige slachtoffers gevallen. Ook toen was dokter Maas er met de broeders op uitgetrokken. Patiënten met ernstige ademhalingsmoeilijkheden werden bij hen op de afdeling behandeld. Tweede en derdegraads brandwonden waren naar het Brandwondencentrum overgebracht. Op de eerstehulpafdeling waren nog maar enkele bedden vrij.
“Hebben we genoeg plaats?”
Professor Landau verscheen op de afdeling. “Het schijnt een geweldige klap te zijn geweest. Er zijn veel snijwonden.”
“Wat is er gebeurd?” vroeg zuster Edith, die altijd als laatste op de hoogte was. Edith was een droomstertje. Een lieverd voor de patiënten, maar niet snel van begrip.
“Een bom. In het centrum. Weer een idioot die de boel naar de Filistijnen heeft geholpen,” zei Ricky. “Wat een gekken lopen er rond tegenwoordig.”
“Daar komt de eerste wagen!”
“Oké mensen! Staan we klaar?”
Iedereen knikte. Na de eerste wagen volgde een tweede. Een derde. Een vierde. Er kwamen steeds meer patiënten binnen. Niet alleen dokter Maas werkte zo snel ze kon, ook de verpleegkundigen, de chirurg, de directeur, de hoofdzuster, iedereen was druk bezig. Zonder op of om te kijken. Met snelle woorden, vlugge handgebaren.
“Overtillen!” zei dokter Maas. Het meisje gilde. Haar hele hoofd was bebloed. De moeder was in alle staten. Ze huilde zonder geluid te maken.
“Wat is je naam?”
Anne bleef rustig. Als het kind zo bleef gillen, was er waarschijnlijk weinig aan de hand. Echte zorgen maakte ze zich over de slachtoffers die stil en met gesloten ogen in een wit gezicht op de brancard lagen.
“Hoe heet je?”
“Madelein.”
“Kom Madelein, ik snap dat je geschrokken bent. Maar als ik je wil helpen, dan moet ik je eerst onderzoeken. Als je zo gilt, kan ik dat niet. Hoor je me?”
“Ja-haa!”
“Mooi zo. Dan ga ik nu even kijken, goed?”
Ze knikte slechts. Gelukkig, constateerde Anne. De snijwonden waren oppervlakkig. Er waren geen pezen of zenuwen geraakt. Dit was werk voor de verpleegkundigen. De wonden moesten ontsmet en gehecht, zelf ontfermde ze zich over de jongeman die in shock dreigde te raken. De broeders informeerden haar snel.
“Overtillen,” zei ze weer. Het onderzoek begon. Felix Landau voegde zich ongevraagd bij hen. Ook hij assisteerde. Alle medewerkers van de eerstehulp waren bezig. De wachtkamer zat vol. De wachtenden begonnen te protesteren. Wanneer kwamen zij aan de beurt? De receptioniste probeerde hen te kalmeren. Heus, iedereen werd geholpen. Dit was nou eenmaal een noodsituatie. Het was helaas geweldig druk op dit moment. De bom had veel schade aangericht. Ook in de omringende ziekenhuizen was het druk. Sommige slachtoffers werden per helikopter naar andere delen van het land vervoerd.
Dokter Anne Maas hield de jongen in de gaten. Hij werd straks overgebracht naar de intensive care. Zonder dat ze er iets aan kon doen, was hij inderdaad in shock geraakt. Hij was nu aangesloten op de monitor en kreeg zuurstof toegediend.
“Er is nu echt geen bed meer vrij!” kwam Ricky melden, maar professor Landau schudde zijn hoofd. Nee, daar nam hij geen genoegen mee. “Verzin iets!” zei hij zonder op of om te kijken. Verdomme, deze jonge vrouw was hoogzwanger! “De gynaecoloog!” zei hij over zijn schouder tegen zuster Edith. “Ik heb dokter Bierhoff nodig.”
“Ja, professor.” Ze liet hem oproepen.
“Maar waar moeten we de bedden dan neerzetten?”
“De gang, zuster!”
“Daar is geen plaats meer, professor!”
“Dan maak je plaats.” Ricky bracht de boodschap over. De hoofdzuster was echter al druk in de weer. Ze liet de patiënten die geen constante hulp nodig hadden, overbrengen naar de recreatiezaal. Al het personeel was nu opgeroepen. Iedereen was bezig. Dokter Maas werkte door zonder zich iets van iemand aan te trekken. Dit was haar werk en ze gaf zich voor de volle honderd procent.
“Er staat buiten een camerawagen, professor!”
“Nee, er komt niemand binnen!”
“Van het journaal. Ze willen u spreken.”
“Straks, misschien. Ik doe geen toezegging.”
“We hebben geen tijd, Renate,” voegde Anne eraan toe. “De patiënten komen nu op de eerste plaats. We hebben echt geen tijd om voor de camera’s te verschijnen.”
“Ik zal het doorgeven.”
De pers bleef echter net zo lang wachten tot dokter Anne Maas naar buiten kwam. Achter haar volgde professor Felix Landau. In korte en zakelijke bewoordingen legden ze uit wat er gaande was. Hoeveel slachtoffers er waren gevallen en dat het voornamelijk snijwonden betrof.
Vier patiënten waren er ernstig aan toe. Er waren twee spoedoperaties uitgevoerd en twee jonge mannen waren in shock. Geen van de slachtoffers verkeerde in acuut levensgevaar en toen knikten ze kort om weer naar binnen te gaan.
De pers was tevreden en reed rechtstreeks naar de studio. De artsen maakten de balans op. De politie was druk met de zaak bezig. De omgeving van het busstation was met roodwitte linten afgezet. De dader had zichzelf een kogel door het hoofd gejaagd. Alle betrokkenen waren ontsteld. Iedereen vroeg zich af waar het in hemelsnaam met deze wereld naartoe moest.
Het ene bedje stond rechts, het andere links in de hoek. Het was geen doen. Overal lagen kleertjes en luiers. Ook al zei Paul dat ze netjes moest zijn en de boel goed schoon moest houden, het groeide haar boven het hoofd. De wasmachine draaide elke dag! Ze moest flesjes warmen en lakentjes verschonen en slabbetjes wassen. Hoe was dit mogelijk. Zij, de elegante Tina Rätz, was moeder geworden van een tweeling! Van twee kinderen tegelijk, terwijl ze één al eigenlijk te veel vond.
“Hoe kun je me dit aandoen, Paul!” had ze boos uitgeroepen. De familie had slingers opgehangen. Taart gekocht, het kamertje in orde gemaakt. In alle haast was een tweede wiegje gekocht en opgemaakt. De oma’s waren door dolle. Die kinderen werden maar geknuffeld en geaaid en gestreeld. En maar aangehaald en bekeken en bewonderd. En maar gekoesterd en gewiegd.
“Zeg, ik ben anders wel de moeder, hoor,” had ze beledigd opgemerkt. “Ik heb die twee er wel zelf uitgeperst, toevallig. Maar is er iemand die zich om mij bekommert misschien?”
Ach jee, de oma’s schrokken ervan. Ze kreeg meteen sapjes en flensjes. Of ze wilde douchen? Moet ik een schone handdoek pakken?
“Nou, als het niet te veel moeite is. Ik ben namelijk nogal slap.”
Eenmaal uit de douche, bleken de baby’s alweer in de armen van de oma’s te liggen. Sterker nog, de opa’s legden alles vast met hun camera’s. Voor later, verklaarden de welwillend. Voor als ze groot zijn en Tina stapte moedeloos in bed.
Hoe kreeg ze dat grut in godsnaam groot? Vier armpjes en beentjes van niets moesten uitgroeien tot volwassen ledematen. En dat werd van haar verwacht? Van háár, de modieuze Tina van weleer? De vrouw die de mode op de voet volgde en zich geweldige zorgen maakte over haar figuur? Kom op, zeg.
“Het komt nooit meer goed met me,” zei ze een week later tegen Olga, haar beste vriendin. Ze zaten op de bank. Bo en Belle hielden gelukkig even hun waffeltjes dicht. Er was een wonder gebeurd. Ze sliepen tegelijkertijd. Wat een zegen!
“Nee, je figuur is compleet naar de knoppen,” klonk het weinig bemoedigend uit Olga’s mond, die zelf geen kinderen of man wilde. O nee, daar begon ze niet aan. Geen polonaise aan haar lijf. Een rijke vent, goed, daar viel over te praten, maar geen sloeber die moest sappelen voor zijn brood.
“Volgens Paul komt het wel goed.”
“Luister, Paul kan een goede fysiotherapeut zijn, maar hij is geen personal trainer. Hij heeft geen verstand van ontspoorde vrouwenlijven. Je moet hulp zoeken. Wil je ooit weer in bikini op het strand verschijnen, dan moet je meteen aan de slag.”
“Alsof ik daar soms tijd voor heb met twee van die baby’s.”
“Dat is het volgende wat ik bedacht heb. Je moet een au pair.”
“Een wát?”
“Een kindermeisje. Iemand voor dag en nacht. Jullie hebben een grote zolder, daar kan ze slapen. Jij gaat niet in je uppie voor die koters zorgen. Daar ben je niet voor gemaakt, Tina. Dat weet je zelf net zo goed.”
“Een kindermeisje?”
“Je moet Paul overtuigen dat je hulp nodig hebt.”
“Dat weet hij al. Maar zo’n meisje de hele dag over de vloer? Je weet hoe mannen zijn. Ik zie er niet uit en dan zo’n fris ding de hele dag in huis? Dat is de kat op het spek binden.”
“Paul is heus wel te vertrouwen.”
“Ik wil hem niet kwijt. Hij verdient goed.”
“Wie zegt nou dat je hem kwijtraakt. Niet elke man is hetzelfde. Paul houdt van je.”
“Ja toch?”
“Natuurlijk.”
“Ik ben niet altijd even aardig tegen hem.”
“Dan ga je daarin verandering brengen. Het is kiezen of delen, Tina. Of je neemt een kindermeisje en je gedraagt je, óf je zorgt zelf voor de tweeling. Die keus is niet zo moeilijk, lijkt me.”
“Nee, die is zelfs makkelijk. Ik zal met hem praten.”
Veertien dagen later vielen er vijf enveloppen op de mat. Tina en Olga scheurden ze stuk voor stuk nieuwsgierig open.
“Ik moet wel een lelijke,” klonk het vastbesloten. “Geen sexy stoeipoes, maar een onaantrekkelijke meid. Je kunt nou eenmaal niet voorzichtig genoeg zijn.”
Ze bekeken de pasfoto’s en waren het er ogenblikkelijk over eens. Mignon Holstein was ongetwijfeld de meest afstotende. Ze had scheve ogen, een rare mond en een grote neus. Onhandelbaar, blond haar en een korte nek.
“Deze,” besloten de vriendinnen. “Hier kan Paul geen kant mee uit. Deze is werkelijk oerlelijk.”
“Op de foto dan, hè?” probeerde Olga nog te relativeren, “sommige mensen zijn niet echt fotogeniek. Het kan best nog wel meevallen in werkelijkheid.”
“Dan zoeken we een andere. We hoeven haar niet te nemen, natuurlijk. Als ze meevalt, ligt ze eruit. Als ze wel borsten heeft, gaat het niet door. Jammer, maar waar.”
“Ja, dan zoeken we net zo lang tot we de allerergste gevonden hebben. Mag ik bij het sollicitatiegesprek aanwezig zijn?”
“Je moet. Zonder jou kom ik hier niet uit.”
“En Paul?”
“Die staat er buiten. Hij geeft me de vrije hand, dat hebben we zo afgesproken. Wat lijkt het me heerlijk om straks weer tijd voor mezelf te hebben. Om lekker naar de kapper en de schoonheidsspecialiste te gaan. Ik heb het allemaal zo gemist, Olga. Ik hoop dat die Mignon flink de handen uit de mouwen steekt.”
“Je zegt gewoon wat je van haar verwacht. Geen pardon, ze moet wel werken voor haar centjes.”
“Zo is dat.”
Toen een van de kindjes begon te huilen, keken ze elkaar aan. Ze verroerden zich niet. Olga schudde haar hoofd. Dit was geen doen. Hiervoor waren ze zelf niet op de wereld gekomen. Tina en zij hadden een andere taak in het leven.
“Het gaat vanzelf wel weer over,” zei ze dan ook, maar het tweede kindje zette net zo goed een flinke keel op. “Niets van aantrekken,” hield ze vol. “Je moet er gewoon geen aandacht aan schenken, heb ik weleens gelezen. Hoe klein ze ook zijn, je moet ze nu al gaan opvoeden.”
“Je hebt gelijk. Ik spring niet bij elke kik overeind.”
“Zo is dat.”
Toen Paul die avond om half zes thuiskwam, trof hij de tweeling verwaarloosd in hun wiegjes aan. Ze waren doorweekt, hadden een poepluier en honger. Hij zuchtte en perste zijn lippen op elkaar. Hoe moest dit verder? Hij had immers zijn werk?
Het idee van de au pair bleek bij nader inzien een goed plan. Al had hij aanvankelijk zijn twijfels gehad, hij groeide meer en meer naar die oplossing toe. Hij hield immers nu al zielsveel van die kleine, afhankelijke mensjes. Hij deed ze graag in bad en gaf ze met plezier de fles. Het was zo jammer dat Tina het nu even nog niet zag zitten. Dat ze moest bijkomen van de bevalling, snapte hij goed, maar het was wel erg teleurstellend.
Soms keek hij naar andere moeders op straat. Trotse vrouwen achter de kinderwagen. Lachende jonge meiden met hun buggy. Overal zag hij opeens moeders. Hij hoorde hen praten in de supermarkt of bij de bakker. Ze tilden hun kind achterop de fiets of aaiden het over de bol.
Zou Tina ooit zo’n mama worden? Hij hoopte het met heel zijn hart. Deze periode kon immers niet blijven duren. Het was van voorbijgaande aard, zo goed kende hij haar wel.
Alleen die Olga, die had een slechte invloed op haar. Hij kon dat mens niet luchten of zien. Vanaf het eerste begin had ze zich overal mee bemoeid. Ze had de bruiloft geregeld en de uitnodigingen laten drukken. Tina klampte zich aan haar vast, terwijl ze dat juist aan hem, haar man, zou moeten doen.
Misschien dat Olga ooit uit hun leven zou verdwijnen. Naar de andere kant van het land verhuisde of gewoon heel lang op reis ging. Ja, hij kon haar missen als kiespijn. Jammer genoeg echter, trok Tina bijna dagelijks met haar op. En daar kon hij helemaal niets aan doen.
“Wat heb je nou gedaan vandaag? Weer helemaal niets? Mijn ontbijtbordje staat er nog!”
Angela Winter keek om zich heen. Wat een puinhoop. Hij had nog niet eens de gordijnen geopend. Niet gelucht of boodschapjes gedaan. Helemaal niks. Het was om compleet moedeloos van te worden.
Kurt bleef naar de tv staren. Hij zapte van het ene net naar het andere net. “Ga eens opzij,” zei hij, “je staat in mijn beeld,” zei hij onderuit hangend. Hij geeuwde en droeg zijn joggingbroek met een muf T-shirt.
Ze perste haar lippen op elkaar. “Heb je niet afgewassen ook?” vroeg ze. “Ben je zo uit je bed op de bank gekropen en verder niets?”
“Ik was moe.”
“Waarvan?”
Ze zette de balkondeur open. De frisse avondlucht kwam naar binnen en hij begon prompt te hoesten. “Wat doe je nou! Het is hier ijskoud!”
“Kom op, man, stel je niet aan, wil je?”
“Het is koud. Ik zeg het toch? Het is onwijs koud hier!”
Ze zette de bordjes in het afwasteiltje. Hij had zelfs al bier gedronken, zag ze. Niet gegeten, wel gedronken. Het werd van kwaad tot erger. Ze kon er haast niet meer tegen.
“Wij moeten eens heel goed met elkaar praten, Kurt. Dit gaat zo niet langer.”
“Ik weet wat je gaat zeggen. Dat komt namelijk omdat je het al honderd keer hebt gezegd.”
“Dat je geen werk kunt vinden, is al erg genoeg. Dat je geen recht hebt op een uitkering, net zo goed. Maar probeer alsjeblieft een beetje mee te denken, wil je? Zoek een baan, doe iets!”
“Er is geen werk.”
“Alles is goed. Al ga je maar borden wassen, Kurt.”
“Ik zoek werk van mijn eigen niveau. Begrijp dat toch. Ik heb mijn papieren.”
“Maar je doet er niets mee!” De tranen sprongen in haar ogen. Het was een uitzichtloze situatie. “We zijn nu zeven jaar getrouwd, Kurt. In het begin ging het goed. We hielden van elkaar. We hadden plezier en gingen op vakantie.”
“Ja, wrijf het er maar in.”
“Opeens is alles veranderd. Je hebt je laatste werkgever gewoon bedonderd!”
“Ik was van plan om alles terug te betalen.”
“Maar zoiets doe je niet. En wie wil je nu nog hebben?”
“Dat zeg ik dus. Niemand.”
Ze keek hem aan. Soms voelde ze helemaal niets meer voor hem. Dan schrok ze van haar eigen gedachten. Was ze maar vrij, dacht ze dan. Kon ze haar eigen gang maar gaan.
Aan de andere kant voelde ze zich verantwoordelijk. Zonder haar zou er niets van hem terechtkomen. Hij zou verkeerde vrienden krijgen en misschien weer ergens een greep in de kas doen.
“Je bent een goede personeelschef geweest.”
“Honderd jaar geleden, ja.”
“En kijk nu eens naar jezelf. Kijk eens in de spiegel, Kurt! Je bent begin dertig, je bent pafferig en bleek. Je hebt geen baan, je verdient niets, je hangt op de bank.”
Hij geeuwde en krabde op zijn hoofd. “Hoelang gaat dit nog duren?”
“Werk met me mee, Kurt. Ik vraag het je. Alsjeblieft, ik kan het niet alleen.”
“Ik probeer het heus wel.”
“Wanneer? Volgend jaar?”
“Binnenkort.”
“Beloof je het?” Ze zuchtte en wist dat ze tegen dovemansoren sprak. “We hebben geen cent meer. We staan rood op de bank. Ik verdien te weinig. We zouden moeten verhuizen naar een goedkopere woning, Kurt. Luister je eigenlijk wel?”
“Jazekers,” spotte hij.
“Het is niet om te lachen. Het is bloedserieus. Straks komen we nog bij de voedselbank terecht.”
“Overdrijf niet zo.”
Vroeger had ze van hem gehouden, o ja. Hij had een leuke kop. Niet echt knap, maar leuk. In die tijd sportte hij nog en was zijn lijf in goede conditie. Nu had hij een buik. Een witte puddingbuik die meebewoog bij elke stap. “Je hebt toch zeker een vaste baan?”
“Nee, ik ben oproepkracht. Ik doe mijn best om bij de Landau-kliniek in vaste dienst te komen, maar dat gaat waarschijnlijk niet lukken.”
“Waarom niet? Je bent toch zeker een goede verpleegster?”
“Ik heb al gepolst bij verschillende collegaatjes, maar er is een personeelsstop. Zoals in alle ziekenhuizen tegenwoordig.”
“Dan zoek je een andere baan.”
“Ik ben verpleegkundige! Ik kan moeilijk patat gaan bakken!”
“Maar dat verwacht je wel van mij? Nou? Geef daar eens antwoord op?”
“Nee, nee,” probeerde ze snel een ruzie te voorkomen. “Zo bedoel ik het niet,” suste ze. Als er echt ruzie kwam, zouden de buren tegen de muren gaan bonken. Dat mocht niet gebeuren. Alsjeblieft, niet weer. Ze schaamde zich dood! Stel dat ze op straat werden gezet? Ze moest er niet aan denken.
“Laten we niet te veel lawaai maken,” zei ze daarom. “We hebben al een maand huurachterstand.”
“O lekker. En dat vertel je me nu pas?”
“Alsof jij je er iets van aantrekt, soms.”
“Ik tel gewoon niet mee, zul je bedoelen. Ik werk niet, ik verdien niets, dus waarom zou je me vertellen wat er gaande is? Ik doe er niet toe, liefje. Je behandelt me als oud vuil.”
“Dat is niet waar, Kurt. Echt niet,” klonk het kleintjes.
“Als een sloof die maar moet wassen en soppen. Ik heb ook mijn problemen, hoor,” draaide hij de boel om. “Ik heb het ook moeilijk.”
“Dat weet ik heus wel.”
“Ik lig wel in bed, maar ik slaap niet, hoor. Ik pieker me suf. Probeer een oplossing te zoeken. Ik denk meer dan jij ooit kunt vermoeden. Ik ben er dag en nacht mee bezig.”
Ze zei niets. Er klopte geen woord van, wist ze. Hij loog haar voor. Waarschijnlijk had hij al een paar biertjes te veel op. Goedkope blikjes waren het en hij wist precies hoe hij ze stelen kon. Stel dat ze dat wisten, op haar werk. Dat dokter Maas bijvoorbeeld, wist dat ze met een oplichter getrouwd was. Ze zou ter plekke door de grond zakken.
“Vandaar dat ik af en toe een biertje pak. Mag dat alsjeblieft?” Hij begon te schreeuwen. Stond op. Kwam naar haar toe en hief dreigend zijn arm op.
“Stil nou, niet zo hard, Kurt. De mensen moeten niet denken dat we ruzie hebben.”
“Kan mij wat schelen! Die stomme rotburen kunnen mijn rug op!”
“Kurt!” huilde ze, “niet doen!” Ze beschermde haar hoofd met haar armen.
“Ik meen het, Angela. Zo ver is het al met me gekomen. En weet je waarom? Door jou. Jij pepert me elke keer weer in dat ik niets voorstel. Dat ik een waardeloze, luie rotzak ben.”
“Sorry, het spijt me. Het spijt me echt, Kurt. Ik moet beter nadenken. Sorry, echt waar.”
“Ja, ja,” snoof hij. “Maar weet je wat het is? Morgen begin je weer. En overmorgen en de week daarna en ga zo maar door! Ik kan mezelf niet zijn bij jou, Angela. Je drijft me tot het uiterste met dat autoritaire gedrag van je.”
Ze glipte langs hem heen en ging naar de keuken. Misschien was er ergens nog een blikje. Als ze dat alvast voor hem opentrok, kalmeerde hij. Dan nam hij het zwijgend van haar aan en ging weer tv kijken. Ze zocht en vond zelfs twee blikjes.
“Alsjeblieft,” zei ze even later. “En sorry nog. Het zal niet meer gebeuren. Ik ben gewoon een beetje moe.”
Daarna ging ze naar bed. Zonder iets te eten of haar kleren uit te trekken. Het was niet belangrijk meer. Als ze maar sliep. Even niet meer nadenken, alsjeblieft. Als ze sliep, hoorde ze hem niet meer. Dan hoefde ze zich niet te ergeren en kwam ze even tot rust.
Ze keek om zich heen. Twee baby’s tegelijk voeden. Ze was er al aan gewend geraakt. Het waren wel schatjes, maar ze had natuurlijk totaal geen ervaring met kinderverzorging. Mignon was echter handiger dan ze had verwacht. Ze was een snelle leerling, die praktisch te werk ging. Tina had niet gevraagd of ze ervaring had en Paul Rätz was alleen maar blij met haar komst.
Hij had de zolder voor haar in orde gemaakt. Als ze iets nodig had, moest ze het maar zeggen. Ze was echter snel tevreden. Na de kamer in het goedkope pensionnetje was dit een waar paleisje!
Ze had een vreselijke periode achter de rug en veel nagedacht. Vooral het gesprek tussen mama en Albert spookte maar door haar hoofd. Maar hoe langer ze erover nadacht, des te meer ze hen gelijk moest geven.
Ze had inderdaad niets gedaan met haar leven. Na haar eindexamen was ze totaal de weg kwijtgeraakt. Ze had geen vervolgopleiding willen doen. Niet willen leren of werken. Alleen maar een beetje thuis rondgehangen. Dat was stom geweest. Het waren verloren jaren. Daarom ging ze nu leren. Binnenhuisarchitectuur. Een schriftelijke cursus die ze in haar avonduren kon volgen. Als de baby’s eenmaal sliepen, had ze immers niets meer te doen. Dan had ze alle tijd aan zichzelf, tenminste, zo stelde ze zich dat voor.
Eerst maar eens beginnen. Bo lag in het wiegje met het blauwe strikje, Belle in die met het roze knuffeltje. Wat schattig. Ze tilde Bo op, deed hem in bad en gaf hem het flesje.
Lekker rustig en op haar gemak. Ze had immers geen haast. Bo was een levendig jochie, had ze al snel gemerkt. Hij was wilder dan zijn zusje en zwaaide druk met zijn armpjes en beentjes. Wat een wondertjes waren het. Niet te geloven, zo klein.
“Gaat ie?”
Het was Tina, die haar hoofd om de hoek stak. Ze was keurig opgemaakt en droeg glinsterende oorbellen, alsof ze naar een feest moest. Ze droeg een push-upbeha, schoenen met hoge hakken en een strakke legging. Niets deed vermoeden dat ze onlangs van een tweeling bevallen was. Ze trainde zich immers suf en was dagelijks enkele uren op de hometrainer te vinden.
“Ja, het gaat goed.”
“Wie is dat? Het jongetje?”
“Ja, Bo.”
“En zorg je ook goed voor Belle?”
“Natuurlijk, Tina. Ze krijgen alle twee evenveel aandacht van me. Wil jij ze vanavond misschien het flesje geven?” stelde ze voor, want het viel haar op dat Tina zich wel erg afzijdig hield.
“Ik? Het flesje?”
“Ja, voor de gezelligheid?”
“Waarom zou ik?”
“Het zijn toch je eigen kinderen, Tina?”
“Waarvoor denk je dat ik jou in dienst heb genomen?” klonk het nogal uit de hoogte. Ze kijkt weer op die rare manier naar me, stelde Mignon vast. Net als bij hun eerste kennismaking. Tina had haar ogen over haar heen laten gaan. Daarna had ze een blik met haar vriendin gewisseld en ze hadden beiden op hetzelfde moment geknikt.
Mignon had een vervelend gevoel gekregen. Alsof ze gekeurd werd, zoiets. Alsof haar uiterlijk er meer toe deed dan haar innerlijk. Binnen een paar minuten was het bekeken. Ze had een baan. Vreemd, zo snel als dat was gegaan. Ze snapte het nog steeds niet helemaal.
“Is mijn man hier nog geweest?”
“Paul?”
“Meneer Rätz voor jou, Mignon.”
“Sorry. Nee, meneer Rätz is hier niet geweest.”
“O, mooi. Mijn man is namelijk nogal graag op zichzelf. Dus val hem niet lastig, wil je? Als je iets te vragen hebt, kom je naar mij. Laat hem zo veel mogelijk met rust.”
“Goed.” Wat vreemd. Waarom moest ze hem met rust laten? Hij deed juist zoveel voor haar. Had een nieuw rolgordijn opgehangen omdat hij het oude niet mooi meer vond. Van de week zou hij een lekkere stoel voor haar kopen, zei hij. Ze moest een beetje makkelijk zitten. Op die keukenstoel kon ze niet lekker relaxen en dat was wel zo belangrijk.
En als ze iets wilde weten, dan kon ze hem dag en nacht bellen. Had ze zijn nummer? Hij gaf haar zijn kaartje. Ook in de praktijk kon ze hem bellen, dat maakte niets uit. Ze stoorde hem niet.
“Heb je het begrepen? Meneer Rätz heeft genoeg aan zijn hoofd.”
“Ik begrijp het.”
“Mooi, dan reken ik daar ook op.”
Weer zag ze die keurende ogen over zich heengaan, een gewoonte die ook Paul niet ontging. Hij zag hoe hooghartig Tina de au pair bekeek. Hoe ze zich een onsympathieke houding aanmat. Alsof ze de koningin was en Mignon van een minderwaardige soort was. Hij haatte dat gedrag. Hij kon er niet bij dat zijn vrouw zo veranderd was. Het moederschap deed haar geen goed.
Hij nam afstand en werd stiller. Zonder iets te zeggen observeerde hij haar. Was het echt nodig om zo sexy gekleed te gaan? Hij wist wel dat die truitjes tegenwoordig erg laag uitgesneden waren, maar dit ging wel heel ver! Zeker voor een jonge moeder vond hij het nogal ongepast. Niet beschaafd of netjes. Veel te uitdagend. Vergat ze soms dat ze een tweeling had? Het leek er meer en meer op.
Ook die Olga kwam hier veel te vaak over de vloer. Die twee vrouwen trokken dagelijks met elkaar op, kochten nagellak en mascara en vooral veel sexy lingerie. Het deed hem niets. Ze waren uit elkaar gegroeid, leek het wel. Hij wilde graag over de tweeling praten en toekomstplannen maken, zij wilde op vakantie en naar de zonnebank.
Hoe moet dit verder, dacht hij steeds vaker. Tina trok zich niets aan van de kinderen, terwijl hij met de dag meer van hen ging houden. Hij hoopte dat ze ooit zou veranderen. Dat ze iets van genegenheid voor de kleintjes kon tonen. Vast wel, sprak hij zichzelf ’s nachts in het donker toe. Als ze gaan kruipen. Of brabbelen. Of haar een stralende glimlach schonken. Tegen die tijd zou ze wel ontdooien. Dat kon niet anders. Hij hoopte het met heel zijn hart.
Anne Maas liep samen met zuster Angela Winter van zaal naar zaal. Angela had een stapel dossiers onder haar arm. Ze was moe. De situatie met Kurt deed haar geen goed. Sterker nog, ze kon het amper meer aan.
De rekeningen stapelden zich op. De buren hadden geklaagd bij de woningbouwvereniging. Per slot van rekening woonden ze in een dure flat. De omwoners wilden geen overlast en dat kon de verpleegster zich voorstellen.
“Mag ik uw wond even zien, mevrouw Düller?”
De arts haalde het laken weg en inspecteerde de hechtingen. “Dat ziet er mooi uit. De wond geneest goed en de huid is niet rood. Het duurt nog wel even voordat het vocht uit de buik is weggetrokken,” deelde ze vriendelijk mee. “Dat zal de chirurg u wel uitgelegd hebben.”
“Ja, dokter, dat klopt. Dokter Siebert is een fijne man. Hij neemt echt de tijd voor zijn patiënten.”
Anne knikte vriendelijk. “Heeft hij het al gehad over uw ontslag?”
“Als ik geen koorts krijg, mag ik morgenochtend naar huis.”
“Dat is fijn voor u. Dan zullen wij elkaar niet meer zien. Ik wens u het allerbeste.” Anne drukte haar de hand.
“Nog bedankt voor alle goede zorgen, dokter. Ik was helemaal van slag toen ik daar in het centrum op het asfalt lag. Ik heb me nog nooit zo ongelukkig gevoeld, maar toen u er eenmaal was, kon ik me helemaal overgeven. Op de een of andere manier wist ik toen dat alles goed zou komen.”
“Dat is fijn. Ik verwacht niet dat u nog koorts krijgt. Staat er al een datum voor de controle vast?”
“Dat zou de zuster regelen, dokter.”
Anne legde even een hand op haar schouder. “Nogmaals het beste.” Ze liepen door. Angela moest een geeuw onderdrukken. Ze was zo moe en had het gevoel niet meer op haar benen te kunnen staan. De combinatie met het schoonmaakwerk was ook eigenlijk te veel. Alleen al haar baan in de Landau-kliniek eiste haar volledig op.
“Wat is er eigenlijk met je aan de hand, Angela?” informeerde Anne Maas op dat moment. Ze had de zuster van opzij aangekeken en gezien dat ze iets mankeerde. De zuster had donkere kringen onder haar ogen en haar wangen waren bleek.
“Wat zegt u, dokter?”
“Ik vroeg wat er scheelde.”
“Met mij?”
De arts bleef midden in de gang staan. Ze zag er fris uit. Voelde ik me maar zo, dacht de verpleegster. Was ik maar eens een keertje opgewekt en vrolijk.
“Wil je erover praten?”
Het leek wel of ze brak. Ze voelde zich zwak worden. Anne Maas keek kennelijk dwars door haar heen. Angela wist zich geen houding meer te geven.
“Ik kan er niet over praten, dokter,” stamelde ze. Dokter Wolfgang Kolberg passeerde hen in zijn witte jas. Hij nam grote stappen en leek gehaast. Vervolgens liepen twee zusters langs hen heen, maar Anne liet zich niet afleiden en wilde weten wat er gaande was.
“Soms is het goed om over je problemen te praten.”
“Maar ik vind het moeilijk.”
“Dat snap ik. Problemen zijn altijd moeilijk en ingewikkeld. Maar ik zie dat je slecht in je vel zit. Dat komt je werk niet ten goede.”
Ze schrok. O hemel, als ze maar niet ontslagen werd! In dat geval zou ze ook deze maand de huur niet op kunnen brengen! Ze wist wat dat betekende. Twee maanden huurachterstand werd niet getolereerd.
“Heb je problemen thuis? Je hoeft er niet over te praten, natuurlijk, maar ik wil je graag helpen.” Anne sprak zacht en vriendelijk en Angela was van haar goede bedoelingen overtuigd. Anne Maas was een fijn mens. Iemand met oprechte belangstelling voor haar medemens.
“Eerlijk gezegd loopt het niet echt op rolletjes.”
“Met je partner?”
“Ja, dokter. Kurt is sinds een half jaar werkloos.”
“O, dat spijt me. Heeft dat grote gevolgen?”
“Nogal ja. Ik… we, nou ja, ik kan het maar beter gewoon zeggen. We hebben financiële problemen. Door bepaalde omstandigheden komt Kurt niet in aanmerking voor een uitkering. We moeten dus zien rond te komen van mijn salaris.”
“Maar je bent oproepkracht,” klonk het verbaasd.
“Ja, ik zou ook dolgraag in vaste dienst komen.”
“Hier?”
“Niets liever, dokter. Maar ik weet dat er een personeelsstop is. Daarom heb ik er een tweede baan bijgenomen.”
Er verscheen een diepe rimpel tussen Annes ogen. Een bijbaantje? Dat was haast niet te doen. “Kan je man geen werk zoeken?” vroeg ze daarom. “Wat doet hij de hele dag?”
“Niets.”
Ze keken elkaar recht aan. Anne zuchtte. Dit was kennelijk weer typisch een geval van onwil. Ze hoorde het zo vaak tegenwoordig. Werklozen die de moed hadden opgegeven en geen kracht meer hadden om te solliciteren.
“Niets?”
“Hij zet nog geen bordje op het aanrecht.”
“O jee, Angela. Dat wordt moeilijk.”
“En hij maakt ruzie. Omdat hij eh…”
“Drinkt?” vroeg Anne.
“Ja, bier. Hij begint al zodra hij uit bed komt en dat is laat in de middag.”
“Je hebt dus geen steun aan hem?”
“Niks. Ik moet alles zelf doen en alle ruzies uit de weg gaan. Maar dat is moeilijk met iemand die vaak, hoe moet ik het zeggen, beneveld is.”
“Dronken, bedoel je.”
“Ja, dokter. Stomdronken. En agressief,” voegde ze er zachtjes en beschaamd aan toe.
“Mag ik eens vragen, Angela. Hou je van hem? Van je man? Hoe oprecht zijn je gevoelens nog voor hem?”
“We zijn zeven jaar getrouwd.”
“Ja? En? Heeft dat nog iets met liefde te maken?”
“Ik denk het.”
“Dat is iets om eens goed bij stil te staan, lijkt me. Soms blijven mensen bij elkaar, omdat ze bang zijn voor de volgende stap in hun leven. Maar vaak genoeg hebben ze achteraf spijt de knoop niet eerder doorgehakt te hebben. Neem een beslissing, Angela. Verpleegsters hebben geen energie voor bijbaantjes. Dat loopt sowieso op een drama uit.”
“Denkt u?”
“Ik weet het zeker. Je raakt oververmoeid en gaat fouten maken. Dat kun je je in de verpleging niet veroorloven. Je werkt hier immers met mensen. Zieke mensen, die volledig op je vertrouwen.”
“Ik weet het. Ik denk er ook vaak over na.”
“Vraag je af wat zwaarder weegt. Je huwelijk of je geluk.”
De zuster keek haar vragend aan. Huwelijk of geluk, dacht ze. Zo heb ik er nog niet over nagedacht. Ben ik nog gelukkig met Kurt? Nee, niet echt. In elk geval niet onder deze omstandigheden.
“Denk erover na, Angela. En als je iemand nodig hebt om mee te praten, kom dan naar me toe. We vinden altijd wel ergens een paar minuutjes, toch?”
“Dank u, dokter.”
“Neem een besluit. Het is belangrijk en voor je eigen bestwil. Liever vandaag nog dan morgen.”
“Wat vind je ervan om zaterdagavond samen naar de bioscoop te gaan?” Albert roerde in zijn koffie. Het was lekker warm in de keuken van Mary. Net als altijd zaten ze tegenover elkaar. Ze waren nu al drie keer samen uit eten gegaan en elke keer was het gezellig geweest.
“Naar de film, bedoel je?”
“Ja, gezellig toch?”
“Zeker,” zei Mary, maar haar gezicht betrok toen weer. “Weet je wat het is, Albert? Ik vind het moeilijk om zelf plezier te maken als ik me intussen zoveel zorgen maak over Mignon.”
“Waarom? Ze heeft nu een baan. Ze werkt bij een familie, ze verzorgt twee baby’s.”
“Juist daarom! Dat is ze niet gewend, toch?”
Albert schudde zijn hoofd. “Mag ik misschien iets zeggen, Mary? Zonder dat ik al te betweterig overkom?”
“Graag, Albert. Je hebt het vaak bij het rechte eind.”
“Ik denk dat je Mignon haar eigen gang moeten laten gaan. Het is een jonge vrouw, die vast niet in zeven sloten tegelijk loopt. Laat haar haar eigen fouten maken. Daar leert ze van.”
Ze keken elkaar weer aan. Net zoals ze de laatste tijd zo vaak deden. Hun blikken waren intens. Het kostte hen moeite om de andere kant uit te kijken. Hun ogen zogen zich aan elkaar vast, leek het wel. Het was voor beiden een totaal nieuwe ervaring. Mary had zoiets in haar huwelijk nooit meegemaakt en Albert was nog nooit zo ver met een vrouw gekomen.
“Ik denk er vaak over na, Mary. Ik vind het vervelend als jij je zoveel zorgen maakt. Dat draag ik met me mee.”
“Echt waar, Albert?” klonk het verbaasd. Wat was hij toch een lieverd. Een echte schat en een gentleman bovendien.
“Ik meen het. Alles wat ik zeg, is volkomen oprecht.”
De klok tikte. Buiten was het stil. Er bewoog geen boomblaadje en vogeltjes waren er in deze tijd van het jaar niet te horen.
“Dat weet ik,” zei ze zachtjes. “Als er iemand oprecht is, dan ben jij het wel, Albert.” Ze keek van hem weg. Hem langer aankijken, was opeens echt onmogelijk geworden.
Steeds vaker voelde ze zich plotseling verlegen worden in zijn nabijheid. Dan zocht ze iets om de aandacht af te leiden door op te staan of zogenaamd iets van de grond te pakken. Doe niet zo stom, zei ze dan tegen zichzelf. Gedraag je normaal. Wat moet hij wel niet van je denken?
Maar Albert, op zijn beurt, kreeg het ook steeds benauwder in haar aanwezigheid. Dan voelde hij het zweet op zijn voorhoofd verschijnen. Gelukkig gebruikte hij in ruime mate deodorant, want hij zou zeker niet zonder kunnen.
Bij Mary voelde hij zich totaal anders dan anders. Hij zou zijn arm om haar schouders willen slaan en haar dicht tegen zich aandrukken. Vaak genoeg keek hij lange tijd naar haar mond en zag dan romantische beelden van liefdesfilms op zijn netvlies verschijnen. Zulke gedachten had hij nooit eerder gehad en hij wist dus ook niet goed wat hij ermee aanmoest.
“Dus? Wat dacht je ervan? Zullen we een filmpje pakken?”
“Maar dan gaan we eerst een hapje eten. Als je het leuk vindt, zou ik graag eens een keertje voor je koken.”
Zijn hart sprong op. Dat vond hij enig! “Zou je dat voor mij willen doen, Mary?” vroeg hij verrast.
“Ja,” zei ze en toen viel er een verliefde stilte. Ik zou elke dag voor je willen koken, schoot het door haar heen. Niet alleen lekker karbonaadje en wat boontjes, maar ook een eitje voor bij het ontbijt. En dan kom jij beneden, Albert. Fris geschoren en met een schoon overhemd dat ik voor je klaar heb gelegd. We geven elkaar een kus en dan begint onze dag. Jij gaat verder met je werk en ik doe boodschappen op de markt. Zo zou ik het graag willen zien, maar wie ben ik? Mijn fantasie slaat compleet op hol.
“Zeg me maar wat je lekker vindt,” zei ze schor. “Een kippetje uit de oven? Een gezonde salade met frietjes? Of iets anders?”
“Gehaktballetjes,” antwoordde hij prompt. “Die heb ik niet meer gegeten sinds ik uit huis ben. Ik kan ze niet maken en in restaurants smaken ze anders dan mijn moeder ze bakte.”
“Dan doen we dan. Met een stamppotje erbij misschien?”
“O ja, lekker huiselijk,” genoot hij bij voorbaat. “Zo samen, jij en ik,” en toen was het zijn beurt om bruusk op te staan. Deze keer struikelde hij niet over het kleedje en gooide hij evenmin zijn koffiebekertje om.
Nee, nu liep hij plompverloren tegen de deur, bezeerde zijn neus en was zij er om met een natte theedoek de schade te overzien. Ze waren dichtbij elkaar. Hij keek naar haar op. Zijn oog werd al blauw. Zijn neus was dik. Zijn lip gesprongen. Toch was hij de knapste man op aarde, dacht ze. En zeker de liefste. Het was fijn om zo dicht bij hem te zijn. Dit moment zou ze nooit meer vergeten.
“Wat is dat nou?”
Tina stond in de hal. Paul tilde de nieuwe stoel de trap op, maar het ging moeilijk en hij stootte met elke stap tegen de treden.
“Paul! Wat is dat!” Haar stem snerpte door de hal. Intussen wapperde ze met haar handen en blies ze haar nagels droog.
“Een stoel, liefje. Wat anders,” bracht bij met moeite uit. Het ding was onhandig groot en lomp.
“Dat zie ik. Voor op onze slaapkamer? Had je dat niet even kunnen overleggen?”
“Voor op zolder, Tina.”
Ze viel even stil. “Op zólder? Hoezo dat? Je koopt toch geen nieuwe stoel voor op zolder?”
“Jawel, voor Mignon.”
“Wie?”
Hij zuchtte en verloor bijna zijn evenwicht. De stoel leek zwaarder en zwaarder te worden, dus daarom liep hij door. Eenmaal op de bovenste verdieping aangekomen, klopte hij bescheiden op de deur. “Mignon? Ben je hier?” maar ze was buiten met de kinderen, wist Tina.
“Nee, Paul! Ze is buiten! Waarom zet je die stoel op haar kamer?” Ze kwam eraan, hoorde hij. Ze trippelde de trap op en stond even later hijgend voor hem.
“Ik vind dat ze een goede stoel moet hebben.”
“Waarom in hemelsnaam? Ze heeft toch zeker een bed?”
“Een bed is om in te liggen. Een stoel om in te zitten.”
“Ja? En?”
“Dat kind werkt zich een slag in de rondte, Tina. Mag ze alsjeblieft lekker relaxen voor de tv?”
“Vind jij dat nodig?”
“Ja,” zei hij kortaf, waarna hij de stoel voor de deur liet staan en naar beneden wilde gaan. “Waarom zet je dat stomme ding niet in haar kamer?”
“Ze is er niet, hè?” klonk het simpel.
“Ze heeft de deur toch niet op slot gedaan? In ons huis doen vreemde mensen hun deur namelijk niet op slot. Dat zou ik niet accepteren.”
“Ik weet het niet en ik wil het niet weten. Het is haar privacy.”
“Dus je laat die stoel hier staan?”
“Ja, natuurlijk. Ik ga toch niet zomaar naar binnen?”
“Het is je eigen huis, Paul. Jij hebt alle recht om er naar binnen te gaan.”
“Misschien wel, maar ik doe het niet. Dat is niet netjes.”
“Je bent gek,” gnuifde ze. “Het is maar een au pair, hoor.”
“Ze verzorgt je kinderen, Tina. Je zou wat meer waardering voor haar kunnen opbrengen.”
“Voor zo’n grietje?”
“Ze is bijna dag en nacht met Bo en Belle in de weer.”
“Ja? En? Daar wordt ze toch voor betaald, zeker?”
“Die paar rotcenten? Eigenlijk is het beschamend zo weinig als ze verdient.”
“Wat heeft zo’n kind nou nodig? Ze hoeft niet bepaald te sparen voor haar uitzet, zeg nou zelf.” Ze giechelde en liep naar de keuken.
Hij snapte er niks van. Waarom deed ze zo laatdunkend?
“O? En waarom niet eigenlijk? Wat is er mis met Mignon?”
Ze zette haar handen in haar zij. “Dat kind is toch gewoonweg lelijk? Dat zie je toch ook wel, Paul? Die krijgt toch nooit een man?”
“Waarom niet?” vroeg hij niet-begrijpend. “Ze is toch lief?”
“Pardon?” Het hart bonkte in haar keel. Lief? Hoorde ze het goed?
“Ja, ze is toch zeker geweldig met de tweeling? Heb je weleens gezien hoe zorgzaam ze is? Hoeveel geduld ze heeft? Hoe liefdevol ze hun poepluiers verschoont?”
“En jij vindt dat lief?” klonk het ontsteld.
“Ja, moederlijk en aardig en zo.”
“Maar heb je die flaporen dan niet gezien?”
“Van Bo?”
“Nee, oen, van dat kind!”
“Belle?”
“Nee, van de au pair, Paul! Waar zit je met je gedachten? Die Mignon ziet er toch zeker niet uit?”
“O? Is dat zo?”
“Ja!” Ze balde haar vuisten. Wat zou ze nou beleven. Zat hij soms met zijn kop in de modder? Had ze daarom opzettelijk het lelijkste meisje gekozen? Een meid zonder enige uitstraling of aantrekkingskracht? “Ze heeft geen borsten, Paul. Een te grote neus. Ze is bleek en zelfs mijn kapper zou zich geen raad weten met dat peenhaar.”
“O ja?” reageerde hij onverschillig.
“Dat zie je toch?”
“Nee, wat interesseert mij dat nou. Ik zie alleen maar hoe ze met de kinderen omgaat en dat vind ik bewonderenswaardig.” Hij draaide zich om en liep de tuin in. Er moest geharkt worden. En de druif gesnoeid. Het hek kon ook wel een likje verf gebruiken, maar juist toen hij de schuur opende, kwam Mignon eraan. Ze duwde de brede kinderwagen tot aan de achterdeur en Paul was meteen bij haar.
Shit, dacht Tina verbolgen. Moet je ze daar zien staan, samen. Dit is de bedoeling niet. Paul is helemaal gek geworden. Moet je hem nou zien met die baby in zijn armen. Laat toch lekker liggen, man. Straks begint het gezanik weer. Dan gaat er geheid eentje huilen.
Mignon lachte trouwens naar hem, ze zag het verdorie voor haar ogen gebeuren. En die gek lachte terug nog terug ook! Daarna haalden ze de tweede baby uit de wagen. Wel ja, dacht Tina. Toe maar.
Daar stond die meid met een kind tegen haar platte borst. Zo plat als een dubbeltje. Volkomen seksloos. Mignon en Paul hielden nu de baby’s naast elkaar, verdomme. Was dit een vergelijkend warenonderzoek? Alsof er soms iets te zien viel. Ze leken wel gek.
O, ze zag sterretjes. Zo boos was ze. Het hart bonkte in haar keel. Dat grietje lachte naar Paul. Ze werd er duizelig van. Misselijk en beroerd. Waar was die sloerie op uit? Haar man soms? Haar eigen Paul?
Ze legden de kinderen weer terug in de wagen. Met hun hoofden vlak bij elkaar. Fluisterde ze nu iets in zijn oor? Ze dacht het wel. Waarom moest hij anders zo lachen?
Ongemerkt had ze haar vuisten gebald. De knokkels deden pijn van de spanning. Haar ademhaling versnelde. Ze wilde naar hen toerrennen en dat kind een klap geven. Zomaar, recht in dat lelijke gezicht van haar. Keihard, tegen die neus! Kon haar niets schelen! De boosheid had compleet bezit van haar genomen.
Tina draaide zich om. Ze kon het niet langer aanzien. Wat moest ze doen? Olga bellen? Nadenken? Even een lekker sigaretje? Paul wilde niet meer dat er in huis gerookt werd, maar daar trok ze zich nu niets van aan.
Ze schonk een glas witte wijn in, pakte haar mobiel en stak een sigaret op. Daarna toetste ze het nummer in. “Olga?” zei ze kortaf. “Met mij.”
“Mitch? Wat ben ik blij dat je belt.”
Mary klemde haar hand om de hoorn. Het was bijna een tikje vreemd om de stem van haar zoon weer te horen. “Hoe gaat het met je, lieverd?”
“Heel goed. Ik woon nu bij Lizzy.”
“O? Een ander vriendinnetje?” Ze snapte er niets van. Hij was nu al twee keer verhuisd. Ze kon het haast niet meer bijhouden. “Hoe is het met mijn zus?”
“Het schijnt wel goed te gaan. Ik heb haar al heel lang niet meer gezien, maar ze belt soms. Net als jij. Ik mis jullie, Mitch,” voegde ze er na een korte pauze aan toe.
“Als kiespijn, zeker.”
“Nee, ik zou zo graag willen dat alles weer goed komt. Dat jullie gewoon met elkaar om zouden gaan. Dat is mijn grootste wens.”
“Komt die knakker nog steeds bij je koffiedrinken? Die Albert?”
“O, je bedoelt de buurman?” Ze werd schor. “Ja, die komt elke ochtend zijn krantje brengen.”
“En de rest zeker.”
“Wat bedoel je?”
“Laat maar, ma. Gaat het goed met je?”
“Ik heb veel last van mijn been.”
“Zoals altijd dus.”
“Ja,” klonk het moedeloos, “zoals altijd. Ik wil je er niet mee vervelen,” en toen de verbinding verbroken was, bleef ze lange tijd op het puntje van de bank zitten.
Ze was haar kinderen kwijt. Mignon werkte ergens als kindermeisje en Mitch was inmiddels weer bij een ander ingetrokken. Ze had geen idee meer wat haar kinderen deden of dachten. Haar gezinnetje was helemaal uit elkaar gevallen. De tranen sprongen in haar ogen.
Wat een verschil met vroeger, toen ze nog klein waren en in hun pyjamaatje naar Sesamstraat mochten kijken. Wat was het allemaal snel gegaan. De tijd was voorbij gevlogen.
Albert had er laatst nog over gesproken. Die was vijftig geworden, zonder dat hij het in de gaten had. Zelf was ze nu vierenvijftig, het was niet te geloven. Was haar leven alweer bijna voorbij? Zou ze ooit nog iets leuks beleven?
Ze keek op. Hoorde ze nou iets? Hoorde ze takken kraken? Trok de storm al over het land? Ze schrok en luisterde. Was de tuindeur goed dicht? Je kon niet voorzichtig genoeg zijn tegenwoordig. Vorige week nog was er aan de overkant ingebroken. Daarom stond ze voorzichtig op. Met lood in haar schoenen en ingehouden adem.
Ja, daar was het weer! Er stond iemand in de gang! O, hemel, was zij nu aan de beurt? Was er maar iemand om haar te helpen! Ze hoorde zachte, bedachtzame voetstappen. Het waren de langzame voetstappen van iemand die niet gehoord wilde worden.
“Wie is daar?” vroeg ze met trillende stem. “Is daar iemand?”
Ze wachtte. Niks. Alle vezels in haar lichaam waren gespannen. Haar hartslag was snel. De haren prikten in haar hoofd. Ze was totaal weerloos en had niets om zich te kunnen verweren. O hemel, dit las je nou zo vaak in de krant. Je zag het op tv en toch was ze slordig geweest!
“Mary?” hoorde ze toen.
Ze verstijfde nog meer. De boef kende haar naam! O hemel, het was een moordenaar, die haar achtervolgde. Die haar stalkte en wist dat ze alleen was!
“Wie is daar!” riep ze met alle kracht die ze had en toen, heel langzaam, ging de deur open. Ze zag een hand verschijnen. Heel voorzichtig. De ploert was op zijn hoede. Er was niets te horen. Alleen haar eigen, gejaagde ademhaling.
“Mary?”
Toen stak hij zijn hoofd om de deur. Ze was nog steeds in paniek. Ook al herkende ze hem meteen, de angst beheerste haar doen en denken.
“Albert!”
“O, lieverd,” zei hij geschrokken. “Ik wilde je niet bang maken. Ik had geklopt op het raam en hoorde dat je aan de telefoon was. Ik wilde je niet storen en toen wist ik opeens met mezelf geen raad meer. Daarom stond ik hier in de gang. Stom hè?”
“O Albert, ik dacht dat je een inbreker was!”
Ze vloog in zijn armen en toen, als vanzelf, drukte hij zijn mond op die van haar. Het was een stuntelige, nogal harde kus, maar wel vol liefde en hartstocht. Zijn greep verstevigde. Hij hield haar vast alsof hij haar nooit meer zou loslaten.
“O, Mary nou toch,” prevelde hij geschrokken. Wat had hij nou gedaan! Hij had in een opwelling zijn Mary gezoend! Wat moest ze wel van hem denken!
“Het spijt me van die kus… Ik doe het waarschijnlijk helemaal fout. Neem me niet kwalijk… Ik had het nooit mogen doen, maar het ging vanzelf. Het spijt me oprecht. Ik hoop niet dat ik je vertrouwen geschaad heb,” prevelde hij verward.
“Ik ben zo blij dat jij er bent, Albert,” fluisterde ze met gesloten ogen tegen zijn borst. Hij streelde liefdevol haar haar. “Ik ben zo blij met je,” fluisterde ze welgemeend.
“Ik ben nogal een kluns, ben ik bang.”
“Dat hindert niets. Dat is juist zo lief aan jou. Ik zal je een beetje op weg helpen, goed?”
“Dat zou fijn zijn, Mary.”
Ze keken elkaar weer aan en de tweede kus ging al een stuk beter. Albert leek een snelle leerling en pas na enkele minuten lieten ze elkaar met tegenzin los. Beiden verward en blozend. Beiden wat giechelig en verlegen. Ze hadden elkaar gevonden. Maar hoe het verder moest? Dat wisten ze nog niet. Er stond hen namelijk nog heel wat te wachten.
“Nou zeg je wat van mij, maar wat doe je zelf? Mevrouw ligt de hele zondag te maffen. Aan één stuk door.”
Angela opende haar ogen. Wat nu weer. Ze was nog zo moe. Waarom maakte hij haar nou wakker? Ze had een rotnacht achter de rug en haar slaap juist zo hard nodig. Daarom draaide ze zich om. Kurt echter, nam daar geen genoegen mee. Met een woest gebaar trok hij haar naar zich toe. Het was wel duidelijk waar hij op uit was.
“Niet nu, Kurt. Ik ben moe,” verzuchtte ze met gesloten ogen. Ze had honger. Hoelang was het geleden dat ze iets gegeten had? Geen idee. Te lang in elk geval. Intussen voelde ze zijn handen begerig over zich heengaan, terwijl haar lijf snakte naar voedsel.
“Nee!” zei ze gedecideerd, “niet nu, zeg ik toch!”
Hij rukte haar slip naar beneden. Over haar benen en lager, richtte zich op en toen gaf ze hem een duw. “Nee, niet doen, Kurt! Ik ben moe! Ik zeg nee!” Ze verzette zich. Dit kon ze er echt niet meer bij hebben.
“Hou eens op, zeg, jij altijd met je gezeik. Je bent mijn vrouw en ik wil je.”
“Maar ik jou niet.” Ze kwam half overeind. Daar lag hij. Met zijn ongetrainde, witte bierbuik. Alsof dat soms ook maar enigszins aantrekkelijk was. Hij had een baard van enkele dagen, zijn haar was vet en zijn adem stonk.
“Ik werk, weet je nog?” snoof ze verachtelijk. Was hij nou helemaal gek geworden. “Ik heb twee banen, Kurt Winter! Twee! Toen ik dat dokter Maas vertelde, verklaarde ze me ongeveer voor gek.”
“Zal wel.”
“Ik werk in de gezondheidszorg, hè? Ik werk met zieke mensen. Als ik een fout maak, kan dat grote gevolgen hebben.”
“Dan maak je toch even geen fouten? Makkelijk zat. Even je koppie erbij houden en klaar.”
“En juist daarom heb ik mijn rust nodig. Om deze rotflat te kunnen betalen. Om jouw sigaretten te kopen en weet ik veel allemaal. Terwijl jij nog geen vinger uitsteekt, Kurt!”
“Als we zo gaan beginnen, ben ik hier weg.”
“Graag, rot maar op.”
Dat stak. Hij was niet gewend beledigd te worden. Ze ging te ver. Dit pikte hij niet. Daarom hief hij zijn hand op en stompte haar onverwacht in de buik. Ze kromp in elkaar van de pijn. Schreeuwde en kokhalsde zelfs!
“Wat doe je nou?” riep ze machteloos. “Niet doen, Kurt! Alsjeblieft, niet doen!”
“Hoe vraag je me dat?” hijgde hij witheet. De aderen in zijn hals waren opgezet. De ogen leken wel uit hun kassen te puilen.
“Alsjeblieft niet doen,” huilde ze. “Als je me pijn doet, kan ik niet werken, dus alsjeblieft Kurt, niet meer doen,” zei ze angstig.
“Dat kan ik niet beloven. Als jij me op zo’n manier behandelt, maak je me boos. Dat weet je toch? Nou? Zeg het dan! Dat je het weet!” snoof hij met trillende neusvleugels.
Hij pakte haar gezicht, draaide dat woest naar zich toe en drukte zijn vingers diep in haar huid. “Nou? Weet je het weer?”
“Ja,” huilde ze kleintjes. “Het spijt me. Ik kan er ook niets aan doen.”
Hij duwde haar weg.
“Je bent een waardeloze vrouw, weet je dat? Je geeft me niet waar ik recht op heb.”
“Morgen, goed? Morgenochtend…”
“Hmm.” Hij stapte uit bed, trapte de prullenbak omver en smeet de deur achter zich dicht.
De verpleegster bleef liggen. Ze kon zich amper verroeren. Haar buik deed pijn, maar ze probeerde de slaap weer te vatten. Op de een of andere manier hoorde ze de woorden van dokter Maas echter weer in haar hoofd. Wat had ze ook alweer precies gezegd? O ja, ze wist het weer. Wat woog zwaarder? Haar huwelijk of haar geluk?
De tranen liepen uit haar gesloten ogen en gleden langs haar wangen op het kussen. Diep in haar hart wist ze het antwoord al lang. Dit was toch geen leven? Wie bleef er nou trouw aan zo’n bruut? Werd het geen tijd om voor zichzelf te kiezen? Maar dan? Waar zou ze moeten wonen? Wie zou haar onderdak geven? Ze kon zichzelf amper onderhouden!
Ze wist het niet. Misschien moest ze weer eens met dokter Anne Maas praten. Dat was een goede vrouw. Zakelijk en nuchter, maar tegelijkertijd behulpzaam en altijd even vriendelijk.
De volgende ochtend stond Albert uitgerust op. Hoewel hij de hele nacht aan Mary had gedacht, voelde hij zich energiek en vrolijk. Onder de douche merkte hij zelfs een wijsje te neuriën. Nou moe, dacht hij. Sta ik zomaar te zingen! Dat is niets voor mij.
Hij keek in de spiegel en schoor zich. Ik ben een oude gek, grinnikte hij in zichzelf. Een rare snijboon. Een kwibus. Dat wordt daar op mijn vijftigste smoorverliefd op de buurvrouw.
Hij had haar gekust. Sterker nog, het was de eerste keer in zijn hele leven dat hij een vrouw had gekust. Het was een prachtervaring geweest. Heel teder en intiem. Het was fijn zo dicht bij een ander te zijn. Natuurlijk had hij vaak genoeg vrijende stelletjes op de tv gezien, maar dat het zo’n speciale belevenis was, had hij zich nooit voor kunnen stellen.
Weet je wat? Hij kocht bloemen voor haar. Vandaag wilde hij niet met lege handen aan de koffie verschijnen. Hij ging naar die leuke bloemenzaak in de winkelstraat verderop en zou zich goed laten adviseren. Wat had hij nou verstand van bloemen? Niets immers. Hij had verstand van de wereldeconomie en van politiek, maar niet van bloemen.
Zou hij zijn nieuwe hemd aandoen? Ach, waarom ook niet. Doe maar eens gek, dacht hij. Ik trek mijn witte hemd aan en strik er een das bij. Die gestreepte das vond ze mooi, zijn Mary. Dat had ze tijdens hun eerste etentje nog gezegd. Leuke das, vrolijk gestreept. Staat je goed.
Ja, dat soort dingen wist hij zich letterlijk te herinneren. Al haar opmerkingen, haar grapjes, haar steelse blikken, alles stond geregistreerd in zijn hoofd.
Ook Tina stond op. Vroeger dan anders. Die rotmeid moest eruit. Vandaag nog. Kon haar niet schelen. Samen met Olga was ze dat overeengekomen. Ze moest haar betrappen op een fout en dan was het basta. Inpakken en wegwezen.
Paul was al naar zijn werk. Tenminste, dat vermoedde ze. Hij was in elk geval niet in de badkamer en bleek ook niet beneden in de keuken te zijn. Mooi zo. Ze kon geen pottenkijkers gebruiken.
Ze zocht naar aanwijzingen. Had die griet soms vieze luiers laten slingeren? De flesjes vergeten schoon te maken? Geen voeding gemaakt? Ze zocht en keek en speurde, maar alles was in orde. Keurig netjes. Ook in de badkamer vond ze geen spoor van slordigheid. Alles was schoon. Het badje stond klaar. Handdoekjes en zeep lagen netjes ernaast.
O, dat maakte haar boos. Woedend zelfs! Ze ging de kinderkamer in. Was ze daar? Nee. Leeg. Er was niemand. Ook de kinderen waren er niet. Hè, hoe kan dat nou? Was ze zo vroeg al op pad gegaan?
Dat moest wel, want de kinderwagen stond niet op zijn plaats en toen wist ze het weer. Het consultatiebureau. Ze had een afspraak met Bo en Belle. Stom, dat ze dat vergeten was. Eigenlijk had ze mee moeten gaan. Vertellen hoe slecht de kinderen functioneerden. Dan stond dat vast zwart op wit.
Jammer, ze was een uur te laat wakker geworden. Paul nam tegenwoordig niet meer de moeite haar te wekken. Die zat natuurlijk liever met dat sletje aan de ontbijttafel. Lekker gezellig, een beetje kletsen. Wedden? Ze zag het al voor zich en er verschenen meteen rode vlekken in haar hals.
Rustig blijven, had Olga gezegd. Wat er ook gebeurt, je moet de kalmte zien te bewaren. Ze mocht geen stommiteiten uithalen. Dus diep ademhalen en tot tien tellen. Of tot honderd, desnoods.
Angela was gebroken. Haar buik deed nog steeds pijn. Vanochtend had Kurt nog in coma gelegen. Hij snurkte, sliep diep en met open mond. Stel, dacht ze. Dat ik er zomaar een pil ingooi? Hij slikt automatisch en ik ben van hem af.
Onderweg naar haar werk, schrok ze van die gedachte. Was het al zo ver gekomen dat ze Kurt naar een andere wereld verwenste? Dat mocht niet. Zij, als verpleegster, was een vredelievend mens.
Ze hield van haar beroep, dus hoe haalde ze zoiets geks in haar hoofd. Dat ging echt veel te ver. Misschien kon ze hem overhalen hulp te zoeken, dacht ze tegen beter weten in. Het liefst zag ze de oude Kurt weer terug. Kurt van vroeger, met wie ze vol overgave getrouwd was. Maar waar was die man gebleven? Hij leek te zijn opgelost en nooit meer terug te komen.
Eenmaal in de Landau-kliniek deed ze haar best om niet op te vallen. Ze draaide gewoon haar dienst, liep de patiënten na, dronk koffie met haar collegaatjes, maar voelde dat er iemand was die naar haar keek.
Ze gluurde over haar schouders en zag toen de arts die bereid was te helpen. Het was dokter Anne Maas die haar observeerde. Dat gaf haar een ongemakkelijk, maar ook een opbeurend gevoel. Er was tenminste iemand die zich om haar bekommerde.
Met de bloemen achter zijn rug liep hij het tuinpad op. Hij genoot bij voorbaat. Zou ze het leuk vinden een ruikertje te krijgen? Een boeketje met rode rozen en fris groene blaadjes? De winkeljuffrouw had er een waar kunstwerkje van gemaakt. Zo af en toe wierp hij bewonderende blikken op de bloemen die in folie verpakt waren.
Hij duwde het tuinhekje open. Net als altijd. Met een glimlach op zijn gezicht liep hij naar de voordeur. Hij belde netjes aan. Heimelijk achterom komen, dat deed hij niet meer. De vorige keer had hij haar de stuipen op het lijf gejaagd. De arme lieverd had hem voor een inbreker aangezien.
Achter de deur hoorde hij de bel gaan. Kwam ze er al aan? Nee, nog heel eventjes niet. Ze mocht zijn bloemen niet meteen ontdekken. Dan was de lol eraf.
Kwam ze nou? Nee, nog steeds niet. Ze was waarschijnlijk in de keuken. Koffiezetten. Misschien had zij ook zo raar geslapen vannacht en was ze wat later dan anders. Daarom wachtte hij geduldig. Pas na een paar minuten belde hij opnieuw. Het bleef vreemd stil. Er was niets te horen. Geen naderende voetstappen. Helemaal niets.
Zou hij nog een keer aanbellen? Dat leek hem niet netjes, maar ach, ze waren immers geen vreemden meer voor elkaar. Ze hadden elkaar innig gekust en bij die gedachte werd hij weer helemaal warm vanbinnen.
Hij belde nog een keer. Waarom niet. En toen, opeens, zag hij vanuit zijn ooghoeken iets vreemds. Waren de gordijnen in de voorkamer nou nog gesloten? Jazeker, hij vergiste zich niet! Dat was raar. Dat was hem nog niet opgevallen.
Hij deed een paar stappen naar achteren. Ook boven waren de gordijnen nog dicht. In de slaapkamer werd de zon buitengesloten. Hij begreep er niks van en toen opeens, snapte hij het.
Mary wilde hem niet meer zien! Hij was te ver gegaan. Hij had haar reactie totaal verkeerd ingeschat. Ze hield zich voor hem verborgen, o jee, daar stond hij nou. Met z’n bloemen. Rode rozen, nog wel! En in zijn nette hemd. Hij had de hele situatie verkeerd ingeschat. Wat een ellende. Hij kon wel door de grond zakken en moest haar zo snel mogelijk zijn excuses aanbieden.
Met een somber gezicht stak hij de sleutel in zijn eigen slot. Wat zou hij doen? Bellen? Proberen op de een of andere manier contact te krijgen? Een briefje bij haar in de bus doen? Uitleggen wat zijn gevoelens waren?
Hij had geen idee, legde de bloemen voorzichtig op het aanrecht en liep naar zijn werkkamer. Maar concentreren kon hij zich niet. Hoe was het mogelijk, dacht hij steeds. Had hij zich zo in haar vergist? Had hij haar reacties zo fout ingeschat?
De tijd verstreek. Er gebeurde niets. De gordijnen bleven maar dicht. Ook al wilde ze hem niet meer zien, ze kon zich moeilijk voor hem blijven verstoppen. Dat ging toch niet? Ze moesten het uitpraten en verstandig zijn. Ze waren volwassen mensen en konden elkaar recht in de ogen kijken.
Hij zou zijn welgemeende excuses aanbieden en hopen dat ze die zou accepteren, maar om twee uur werd hij ongerust. Al vier, zes, acht keer was hij naar buiten gelopen om de situatie te overzien. Hij had talloze malen aangebeld en zelf twee briefjes in de bus gedaan.
Om half drie was hij zichzelf niet meer. Wie weet was er iets gebeurd! Misschien, hij moest er niet aan denken, mankeerde ze iets. Misschien was ze niet goed geworden en wachtte ze op hulp.
Die gedachte maakte hem radeloos. Wat kon hij doen? Zou hij 112 bellen? Hulp inroepen? Ja, dacht hij. Al sla ik een figuur, dat kon hem niets schelen. Hij maakte zich echt grote zorgen en met trillende vingers toetste hij het nummer in.
“Ik moet eens even een hartig woordje met jou praten.”
Mignon bleef staan. Bo lag op de commode. Ze hield hem vast, voordat hij zich probeerde om te draaien en eraf kukelde. Belle lag al in haar bedje en keek met haar mooie, blauwe kijkertjes om zich heen. Mignon was van de tweeling gaan houden. Ze kon haar gevoelens niet meer ontkennen. Haar liefde was sterk en ze moest er niet aan denken om de kleintjes ooit achter te laten.
“Met mij?”
“Ik dacht van wel, ja.” Tina zag er boos uit. Normaal gesproken was ze al niet de vriendelijkste, maar vandaag was het helemaal verschrikkelijk. Als blikken konden doden, dacht Mignon, dan was het nu met haar gedaan.
“Hoezo? Doe ik iets niet goed?”
“Dat zou ik wel denken, ja.” Ze stond in de deuropening, terwijl Mignon doorging met haar werk. Ze maakte de billetjes schoon, deed een schone luier om en legde de kleine Bo in bed. “Welterusten, lieverd,” zei ze gewoontegetrouw. “Slaap lekker.”
Daarna richtte ze zich op. Er hing opeens een rare sfeer in huis. Een bepaalde spanning, die het kindermeisje niet kon ontgaan. Ze sloot de deur van de kinderkamer achter zich en daar stonden ze. Tegenover elkaar op de overloop. Tina versperde haar de weg.
“Mag ik er even langs?” vroeg Mignon vriendelijk. “Ik moet de flesjes even schoonmaken.”
“Wat wil jij eigenlijk?” snoof Tina. Achterlijk kreng, dacht ze bij zichzelf. Je doet wel of je stom bent, maar volgens Olga ben je een gemeen, achterlijk kreng. Je doet je anders voor, dame. Maar ik heb jou door. Je vertrekt hier vandaag nog.
“Waar ben je op uit, Mignon?” sneerde ze.
“Ik? Nergens op. Ik weet niet wat je bedoelt.”
Tina snoof van woede. Ze probeert me nog te bedonderen ook, dacht ze. Alsof ik van haar niveau ben. Dat is verkeerd gedacht, dame.
“O nee? Laat ik het dan zo zeggen. Vind je dit een leuk huis?”
“Dit? Ja, best wel.” Wat had dit te betekenen? Moest er iets aan veranderd worden, of zo? Werd ze geacht de muren te sausen, of zo? Nou, daar begon ze dus niet aan. Ze was hier voor de kinderen en meer mocht en kon er niet van haar verwacht worden.
“Dus je woont hier naar je zin?”
“O zeker, ja.”
“Je zou hier wel willen blijven wonen?”
Ze haalde haar schouders op en maakte een onbegrijpend gebaar. “Ik snap niet waar je naartoe wilt, Tina.”
“Nou, ik snap wel waar jij heen wilt. Jij wilt Paul.”
Die woorden waren zo rechtstreeks dat Mignon er even over moest nadenken.
“Hè? Ik wil Paul?”
“Mijn man, ja,” snoof Tina, terwijl ze zich moest bedwingen om die snol niet te gaan slaan. Ze was zo woest dat ze sterretjes zag. Dat ze zo jaloers kon zijn, had ze zelf nooit voor mogelijk gehouden.
“Welnee, hoe kom je daar nou bij?” probeerde ze luchtig op te merken, maar ze keek van Tina weg. Bovendien voelde ze een diepe blos opkomen. De waarheid was namelijk heel anders dan ze deed vermoeden. Meer dan eens had ze aan Paul gedacht. Haar hart maakte tegenwoordig zelfs een sprongetje als ze hem zag. Ze verkeerde graag in zijn nabijheid en het was gezellig om samen aan de ontbijttafel de dag te beginnen.
Bovendien was Paul een zorgzame vader en dat ontroerde haar. Zelf had ze namelijk nooit een vader gehad. Dat wil zeggen, ze had hem niet gekend. Tot nu toe had ze nooit een vaderfiguur gemist, maar als ze Paul met de tweeling bezig zag, ging er een steek door haar heen.
“Je bloost tot onder je haarwortels, Mignon!”
“Nee, ik heb het gewoon warm.”
“Doe niet zo idioot. Je bloost omdat ik over Paul begin. Waar of niet.”
“Nee.”
Tina boorde haar ogen in die van haar. Ze merkte het en kon er niets aan doen. Sterker nog, het kindermeisje kon zich amper verroeren. Het kostte haar moeite om adem te halen en wilde het liefst meteen de trap afstormen. Rakelings langs Tina heen, naar de veilige keuken.
“Jij wilt mijn plaats innemen, Mignon Holstein. Geef het maar toe.”
“Wat een onzin. Sorry hoor, maar dat is echt belachelijk.”
“Sla niet zo’n toon tegen me aan, wil je? Ben je nou helemaal gek geworden? Ik wil dat je hier weggaat. Nu meteen.”
“Weg?”
“Ja, pak je spullen en donder op.”
“En de kleintjes dan? De kinderen?”
“Dat is jouw zorg niet langer.”
“Nee! Ik hou van ze.”
“Doe niet zo belachelijk. Het zijn jouw kinderen niet, hoor. Het zijn mijn kinderen.”
“Je zorgt niet eens voor ze!” klonk het verwijtend. “Je houdt ze nooit eens vast! Je hebt ze nog nooit toegestopt!”
“Hou je mond!” Ze stonden vlak bij elkaar. Ik moet me beheersen, dacht Tina. Ik moet mijn handen thuishouden.
“Nee, ik hou mijn mond niet. Jij bent geen moeder, Tina. Je knuffelt je kinderen nooit. Je geeft ze geen flesje, je verschoont ze niet. Dat doe ik allemaal voor je!”
“Daar word je ook voor betaald, hè?”
“Jij houdt niet van je kinderen!” riep Mignon uit. Ze wilde niet weg. Hoe het wel moest, wist ze ook niet, maar ze kon Bo en Belle niet achterlaten. Bij die gedachte alleen al, raakte ze volkomen in paniek.
“Bemoei je er niet mee. Pak je spullen en rot op!” gilde Tina buiten zichzelf en op dat moment schoot Mignon langs haar heen. Niet naar zolder, maar naar beneden. Ze raakte Tina net en juist toen ze op de eerste tree stond, kon de ongevoelige moeder zich niet meer beheersen.
Ze gaf Mignon een zet. Een duw, die het meisje uit haar evenwicht bracht. Ze rollebolde de treden af. Er leek geen eind te komen aan het lawaai. De kinderen begonnen te huilen. Tina stond verstijfd van schrik en juist op dat moment kwam Paul de voordeur binnen.
Hij wist niet wat hij zag! De beelden spraken weliswaar voor zich, maar de betekenis ervan drong slechts langzaam tot hem door. Bovenaan de trap stond zijn vrouw. Mignon lag op de grond. Haar benen in een vreemde positie. Haar ogen waren wijd opengesperd. Er siepelde wat bloed uit haar mond. Met twee stappen was hij bij haar.
“Ze is uitgegleden!” riep Tina. “Ik stond hier en ik zag haar onderuit gaan, Paul! Doe iets! Help haar!”
“Mijn hemel, wat moet ik doen! Ik weet niet wat ik moet… Mignon! Hoor je me, meisje nou toch!” Hij knielde bij haar neer, pakte zijn mobiel, stond weer op.
“Ik kon er echt niets aan doen, Paul! Ze struikelde! Ja, ze struikelde over het wasgoed! Ik zag het gebeuren, die arme stakker!”
“Met Rätz,” hoorde ze hem zeggen. “Er is hier een ongeluk gebeurd. We hebben hulp nodig! Ja, komt u alstublieft zo snel mogelijk!” Toen hij de verbinding verbrak, keek hij Tina lang en strak aan. Zijn ogen waren ijskoud. Zijn gezicht stond strak en zijn mond was een dunne, witte streep geworden.
De ambulance parkeerde schuin op de stoep. Dokter Maas stapte uit. De broeders volgden. De politie was al ter plekke. De agenten liepen om het huis, belden aan, keken door de brievenbus naar binnen.
“Gaan jullie naar binnen, heren?”
“Daar ziet het wel naar uit, dokter.”
“Zal ik meegaan?”
“Wij verkennen eerst de situatie.”
Anne knikte. Er waren veel mensen te zien in de rustige straat. Eén van hen leek zich veel zorgen te maken. Het was een vriendelijk ogende man, die telkens het zweet van zijn voorhoofd wiste. Hij kon niet meer nadenken. Er ging van alles door hem heen. Hij hoopte maar dat Mary inderdaad alleen maar boos zou zijn, maar inmiddels sloeg de twijfel toe. Stel dat er vannacht iets was gebeurd? Een overval? Laatst was ze ook al zo bang geweest.
Had ze iets dergelijks voorvoeld? Was ze in haar slaap overvallen en lag ze nu vastgeketend op bed te wachten op hulp? Of erger nog? Veel erger? Hij wist niet of er veel te halen was bij zijn lieve buurvrouwtje, zo goed kenden ze elkaar immers nog niet. Maar stel dat er sprake was van een brutale roofoverval? Dergelijke kerels deinsden nergens voor terug. O, hij moest even gaan zitten. Ergens op de stoep, of zo, het kon hem niet schelen.
“Kan ik u helpen?”
De mevrouw uit de ambulance kwam naar hem toe. Was het zo duidelijk dat hij beroerd werd?
“N-nee, laat u maar. Gaat u maar liever naar binnen.”
“De politie overlegt nog enkele minuten.”
“Waarom gaan ze niet naar binnen? Wie weet wat er met haar gebeurd is!” riep hij met overslaande stem.
“U bent een bekende?”
“Ja,” zei hij, “haar buurman. Ik ken Mary redelijk goed.”
“U hebt de alarmcentrale gebeld?”
“Jazeker, mevrouw.”
“Dan zult u…” maar Anne maakte haar zin niet af, omdat haar hulp werd ingeroepen. Ze knikte de buurman kort toe en liep met de politie mee naar binnen. Er was geen gastlucht te ruiken. Evenmin waren er sporen van braak.
“Mevrouw Holstein!”
De stem klonk door het stille huis, maar dokter Anne Maas spitste haar oren. Ze hoorde iets. Iets vreemds. Iets dat haar aandacht trok. Een kletterend geluid. Alsof er ergens een kraan openstond. Ze liep naar de keuken. Niks. Er lag niemand op de grond. Ze concentreerde zich.
“Boven,” zei ze tegen de rechercheur. “Ik hoor iets. De douche of zo.”
Met twee, drie stappen renden de agenten de trap op. Anne volgde hen. Inderdaad, zo begreep ze slechts enkele seconden later. Ze had gelijk gekregen, helaas. Eenmaal op de overloop, werd duidelijk wat er gaande was. De douche stond aan. De deur was dicht.
“Mevrouw Holstein! Bent u in orde?”
De vraag werd herhaald. Er kwam geen antwoord. Anne Maas wilde naar binnen! Snel, snel! Toe dan, zou ze willen roepen! De deur werd geopend. Een enorme wolk stoom kwam hen tegemoet. En op de grond wezen twee voeten haar kant uit. De vrouw lag op de grond. Met haar hoofd in de hoek. Het warme water kletterde op haar neer. De huid was knalrood.
“Dokter!”
“Ik ben er al. Roep de broeders. Ik heb een brancard nodig!”
Ze draaide de douche dicht en knielde bij het slachtoffer neer. “Ik ben dokter Maas,” zei ze. “Mag ik een handdoek?” vroeg ze over haar schouder. De huid zag er slecht uit. Mevrouw was weliswaar bij bewustzijn, maar te veel in de war om te kunnen antwoorden.
“Wat is er gebeurd?”
Mary opende haar mond, maar kon geen geluid uitbrengen. Ze was uitgeput. Haar ogen draaiden weg. Nu er eindelijk hulp was gekomen, kon ze zich laten gaan. Maar nee, die kans kreeg ze kennelijk niet.
“Kijk me aan,” hoorde ze diezelfde stem weer. “Niet in slaap vallen, blijf bij me!”
Ze werd lichtjes door elkaar geschud. “Hoe heet u? Wat is uw naam?”
“Hier zijn handdoeken, dokter!”
De arts dekte het lichaam voorzichtig toe.
“Hoe heet u?” vroeg ze intussen. De broeders stonden nu op de overloop met de brancard. Er was geen plaats meer voor de agenten. De mannen leken de hele ruimte te vullen. “Wat is uw naam? Vertel me uw naam, alsjeblieft.”
“M-mary…”
“Mooi zo, Mary. Wat is er gebeurd?”
Anne controleerde hartslag en bloeddruk. Haar overall werd nat van de enorme hoeveelheid water op de grond. Haar schoenen waren inmiddels doorweekt, maar dat hinderde niets. “Bent u gevallen?”
“Ja, ik werd duizelig. Mijn heup, dokter. Mijn benen…”
“Ja, natuurlijk, dat doet pijn. Luister Mary, we leggen u nu op de brancard. Ik geef u iets tegen de pijn, is dat goed?”
Ze knikte slechts. Goed, dacht ze. Alles is goed. Als ik hier maar weg ben. Ik ben zo bang geweest. Hoe laat is het inmiddels? Mijn rug doet pijn. Alles doet zeer.
“We gaan naar de Landau-kliniek. We moeten uw onderzoeken, begrijpt u dat?”
“Ja, dat snap ik.”
Ze wordt zwakker, zag Anne Maas. Ze zakt weg. “Wakker blijven, Mary? Oké? Probeer erbij te blijven!” Als ze nu in shock raakte waren ze verder van huis, wist de eerstehulparts uit ervaring. Daarom moest ze op het slachtoffer in blijven praten.
“Straks mag u slapen, nu nog heel even niet. Gebruikt u medicijnen?”
“Nee, niets.”
De broeders klapten de brancard uit en er werd een laken overheen gelegd.
“Heeft u diabetes?”
“Nee…”
“Geen medicatie tegen hoge bloeddruk?”
Alweer knikte ze van nee. Mevrouw was dus in redelijk goede conditie. “Heeft u andere lichamelijke klachten?”
“Ik heb een ongeluk gehad. Sindsdien heb ik last van mijn heup en benen.”
“We gaan u nu overtillen op de brancard. We zullen voorzichtig zijn, maar misschien doet het even pijn. U mag zelf even helemaal niets doen.”
Mary gaf geen kik. Eenmaal op de draagbaar werd ze in folie gewikkeld. De riemen werden vastgegespt en voorzichtig werd ze de trap afgetild. De broeders waren handig. De arts volgde hen op de hielen. Buiten werden de kijkers op afstand gehouden, behalve de buurman. Albert kwam naar haar toe. Hij liet zich door niets of niemand tegenhouden.
“Mary nou toch,” stamelde hij. “Wat is er gebeurd?”
“Albert, ik ben gevallen,” bracht ze met moeite uit. “Ze brengen me naar de Landau-kliniek.”
“Ik ga met je mee,” besloot hij ogenblikkelijk. “Ik laat je nu niet alleen. Geen sprake van!”
Niet alleen Mary werd in de ambulance naar de Landau-kliniek vervoerd, maar even later legde haar dochter Mignon dezelfde weg af. Nadat Mary naar de afdeling Radiologie was gebracht, moest de eerstehulparts opnieuw uitrukken. Het was kennelijk een drukke dag vandaag. Ook vanochtend hadden ze al twee ritten naar het centrum gemaakt. Bovendien zat de wachtkamer vol met mensen die op eigen gelegenheid naar de eerstehulp waren gekomen. De zusters deden wat ze konden. Ook dokter Wolfgang Kolberg liep gehaast van de ene behandelkamer naar de andere.
Eenmaal ter plekke overzag de arts de situatie. Het kindermeisje was van de trap gevallen, begreep ze. Haar werkgeefster was in alle staten. Ze knielde huilend bij het jonge meisje neer en bette haar voorhoofd steeds met een natte doek. Haar echtgenoot stond er gelaten bij. Hij was bleek en kon amper een woord uitbrengen.
Mignon had zich niet meer bewogen. Haar ademhaling was zwak en oppervlakkig. Hij keek toe hoe de hulpverleners aan de slag gingen. Het tempo was hoog. Hij kon hen amper verstaan. De broeders hadden aan een half woord genoeg. Mignon kreeg verschillende injecties. Dokter Maas probeerde op haar in te praten, maar dat was vergeefse moeite.
“Ze is bewusteloos,” hoorde Paul haar zeggen.
“Wat is er precies gebeurd? Gestruikeld over het wasgoed?”
Er lag geen wasgoed, constateerde de inmiddels gearriveerde politie. De heren liepen door het huis. Paul ontfermde zich over de tweeling en zag hoe Mignon op de brancard werd gelegd. Samen met Tina bleef hij achter, maar hij had geen rust.
Hij duwde zijn vrouw de tweeling in de armen. “Hier,” zei hij kortaf. “Zorg jij maar voor ze. Ik ga naar de kliniek.”
“Ik?” stamelde de moeder. “Moet ik voor ze zorgen?”
“Lijkt me wel, hè?”
“Maar hoe dan?”
“Zoek het maar uit, Tina. En laat het niet waar zijn,” voegde hij er toonloos aan toe. Hij griste zijn autosleutels van het gangkastje en draaide zich bij de deur naar haar toe. Daar stond ze. Hij had nog nooit zo’n hulpeloze moeder gezien. Ze hield haar kinderen onhandig vast. Bo’s beentjes zwaaiden heen en weer en Belles hoofdje knakte achterover.
“Kijk uit,” zei hij. “Wees voorzichtig,” maar ze luisterde niet.
“Wat bedoelde je, Paul? Ik snap je niet?”
“Laat het niet waar zijn wat ik denk, Tina.”
“Denk jij dat ik iets met die val te maken heb?” zei ze. “Denk jij dat van mij?”
Hij knikte.
“Hoe kún je zoiets van me denken! Ik ben je vrouw!”
“Je bent ook de moeder van je kinderen. En geef je iets om hen?”
“Natuurlijk. Geloof je me niet?”
“Moet ik die vraag beantwoorden?” en daarna was hij weg. Tina bleef achter. Ze bleef midden in de hal staan. “Shit,” siste ze door haar tanden. “Wat heb ik gedaan!”
Ze moest Olga bellen. Nu meteen. Ze had geen idee wat ze met de situatie aan moest, maar Olga liet het afweten. Hier mengde ze zich niet in, zei ze meteen. Dit was een misdaad, Tina. Dit ging zelfs haar een stap te ver. Het was een stomme zet geweest, je zult moeten boeten. Daarna hing ze op.
“Ik heb hier een jonge vrouw! Ze is van de trap gevallen!”
Dokter Wolgang Kolberg verscheen ook in de behandelkamer.
“Overtillen!”
“Is ze bewusteloos?”
“Ja, één, twee, drie!” Het slappe lichaam van het jonge meisje werd op de onderzoekstafel gelegd. Alle specialisten kwamen meteen in actie. Er volgde een uitgebreid onderzoek.
“Ze heeft een bovenbeenfractuur,” constateerde de orthopeed, dokter Martin Landau. Zijn vader, dokter Felix Landau, knikte. De samenwerking met zijn zoon verliep zoals altijd op rolletjes. Zeer tot zijn tevredenheid was Martin een goede arts geworden. Hij zag in hem een volwaardig opvolger en had alle vertrouwen in zijn zoon.
Dokter Maas werkte intussen snel door. Het meisje knipperde nu met haar ogen en dat was een goed teken. De arts probeerde meteen contact met haar te maken.
“Wat is je naam?”
Haar mond ging open. De lippen waren droog en gebarsten. Zuster Angela Winter, die nog steeds pijn in haar buik had, probeerde haar wat vocht toe te dienen. Er werd bovendien een infuus aangebracht. De monitor vertoonde een evenwichtige curve, zonder uitschieters. De verwondingen bleken mee te vallen. Het meisje was sterk.
“Hoe heet je?” probeerde Anne weer, terwijl Angela het infuus bijstelde.
“Mignon…”
“Weet je nog wat er gebeurd is, Mignon?”
Ze sloot haar ogen. Natuurlijk wist ze dat. Ze zag alles weer voor zich. De woedende ogen van Tina. De trap. Ze voelde zich weer naar beneden rollen. Tree na tree na tree. En toen de uiteindelijke klap, gevolgd door complete duisternis.
“Ik ben gevallen…”
“Hoe kwam dat? Weet je dat nog?”
Ik ben geduwd, moest ze zeggen. Tina heeft me een zet gegeven. Maar dat kan ik niet zeggen. Ik wil de kinderen niet missen. Ik sta met mijn rug tegen de muur en bovendien kan ik nu niet helder nadenken. Ik ben duizelig en bang. Ik mis mijn moeder. Al die tijd heb ik amper aan haar gedacht, maar nu wil ik naar mijn moeder toe.
“Mignon? Weet je nog hoe je gevallen bent? En waarom?”
Ze schudde haar hoofd. “Ze zakt weer weg,” hoorde ze in de verte.
Ze waren met haar bezig, maar het kon haar niets schelen. Het ging allemaal langs haar heen. Opeens werd het stil. De stemmen verdwenen. Er daalde een heerlijke rust over haar heen. De anesthesie deed zijn werk. Zonder dat ze er iets van merkte, werd ze naar de OK gebracht. Haar been moest geopereerd worden. De orthopeed bracht twee pennen aan. Het was een ingewikkelde ingreep en al die tijd wachtte er iemand op de gang.
Een man die er met zijn verstand niet bij kon. Een jonge vader die wachtte op het moment dat zijn au pair naar de kamer kon. Hij bleef wachten. Het kon hem niet schelen hoelang het ging duren. Hij moest en zou met haar praten.
Nee, sterker nog, hij wilde met eigen ogen zien hoe het haar verging. Dat was op dit moment het enige dat telde. Mignon zien. Haar wang strelen, haar hand vasthouden, in haar ogen kijken. Verder kon hij niet denken. De rest interesseerde hem namelijk helemaal niets.
Zodra Mignon naar de OK was gebracht, liep Anne Maas naar Angela toe. Ze kon het niet langer aanzien. De zuster was nog maar een schim van zichzelf. Het harde werk, het slechte huwelijk en de constante spanningen begonnen hun tol te eisen.
De arts zou haar het liefst in vaste dienst zien, maar helaas, daar ging ze niet over. Natuurlijk zou ze een goed woordje kunnen doen. Personeelszaken wijzen op de positieve bijdrage die de oproepkracht leverde, verder reikte haar invloed jammer genoeg niet.
“Gaat het een beetje?”
Ze stonden in de spoelkeuken, waar Angela tegen het aanrecht leunde. De pijn ging maar niet weg. De klappen waren niet zonder gevolgen gebleven. Kennelijk was er iets gekneusd. Misschien had ze zelfs wel inwendig letsel opgelopen, wie weet.
“Ja, het gaat wel.”
Anne legde even een hand op haar arm. “Tegen mij kun je eerlijk zijn, Angela. Wil je me alsjeblieft vertellen hoe het met je gaat?”
“Ach Anne, je hebt toch wel andere dingen aan je hoofd?”
“Ik zie dat het slecht met je gaat. En dat kan ik niet langs me heen laten gaan. Hoe slecht gaat het met je?”
De zuster was bijna zo wit als haar hesje. De broek slobberde om haar benen. Ze was zichtbaar afgevallen. “Angela, wat is er aan de hand?”
“Niets. Nou ja, ik heb een beetje pijn, dat wel. Niet zo erg, een beetje maar,” en op dat moment kwam de volgende steek weer opzetten. Ze hield zich echter groot, maar er trok even een pijnlijke grimas over haar gezicht.
“Wat is er aan de hand?” klonk het nu dwingend. “Ik wil het weten, Angela.”
Anne Maas was zo rechtstreeks dat er geen ontkomen meer aan was.
“Heeft hij je geslagen?”
De tranen rolden uit haar ogen.
“Wanneer?”
“Gisteravond,” zei ze met trillende lippen. Ze kon zich niet meer beheersen. De pijn, de vermoeidheid en de constante angst begonnen hun tol te eisen. Ze was er niet langer tegen opgewassen. Angela voelde zich klein en afhankelijk.
“Wat heeft hij gedaan?”
Ze haalde haar schouders op, terwijl de tranen maar bleven komen. “Hij wilde met me naar bed,” stamelde de nerveuze zuster. “Gewoon seks. Maar ik wilde niet. Ik duwde hem van me af.”
“En toen heeft hij je geslagen?”
“Gestompt. In mijn buik.”
“Je búík?” herhaalde de arts met grote ogen. “Hij heeft zijn vrouw in haar buik gestompt?”
“Het doet zo’n pijn, Anne.”
“Kom mee, ik wil je onderzoeken.”
“Nee, nee! Nee, dat hoeft niet.”
“Je bent verpleegster, ja? Je weet wat er allemaal mis kan zijn. Kom mee naar de onderzoekskamer.”
“Nee, ik schaam me dood.”
“Dat hoeft niet. Ik ben arts. Het is mijn werk. Ik zie je als een patiënt, niet als een verpleegster.”
“Ik wil geen overlast veroorzaken.”
“Dat doe je ook niet. Kom nu mee.”
Er was geen ontkomen aan, merkte Angela. Ze had maar te gehoorzamen. Tegen Anne Maas kon ze niet op. Die had een overwicht, waartegen ze amper bestand was. Even later ging ze liggen. Anne trok haar handschoenen aan en betastte de buik. Angela moest een kreet onderdrukken.
“De milt en lever zijn in orde,” constateerde de arts. “Je buik is niet hard.”
“Dus ik heb geen bloeding?”
“Daar ziet het niet naar uit. Je darmen voelen ontspannen aan.”
“Het valt heus allemaal wel mee, denk ik.”
“Ik vermoed geen ernstig inwendig letsel, maar mocht de pijn toenemen, dan wil ik een scan laten maken.”
“Dat hoeft niet, Anne. Echt, dat hoeft niet.”
“Ik zeg het uit voorzorg. Je weet welke schade een stomp voorwerp in een buik kan veroorzaken. Ik ben verplicht je te onderzoeken, Angela.”
“Dat weet ik.”
“Dus je meld je ogenblikkelijk als je klachten krijgt.” Intussen ging het onderzoek door. “Je bloeddruk is aan de hoge kant.”
“Ik ben ook bloednerveus,” liet de zuster zich ontvallen. “Mijn hart gaat tekeer als een gek. Ik durf amper te slapen, terwijl ik zó moe ben.”
Anne trok het hesje naar beneden en hielp haar overeind. Ze leunde met over elkaar geslagen armen tegen het bed aan. “Hoelang ga je hier nog mee door? Tot er werkelijk ongelukken gebeuren, soms?”
“Ik weet niet wat ik moet doen, dokter…”
“Ga weg. Zet er een punt achter. Houd ermee op. Het spijt me te moeten zeggen, maar je huwelijk kan zo niet verder. Zie het onder ogen, Angela. Voor je eigen bestwil, neem een besluit.”
“Maar waar moet ik dan heen? Ik kan moeilijk terug naar mijn ouders gaan.”
“Ik kan een plaats voor je regelen in het zusterhuis. Al is het maar tijdelijk, je kunt er altijd terecht.”
“In het zusterhuis? Daar heb ik nog nooit aan gedacht!”
“Twee weten meer dan één,” klonk het vriendelijk. “In het zusterhuis ben je veilig. Het is er gezellig en je kunt tot jezelf komen.”
“Als je dat zou kunnen regelen, zou dat fantastisch zijn!”
“Ik regel het meteen. Zodra er iets bekend is, laat ik je het weten.” Toen ging haar pieper af. Ze moest erop uit. De ambulance wachtte. Haar hulp was weer ergens gewenst.
Angela zag haar gaan. Er viel een last van haar schouders. Als dat mocht lukken, was ze enorm geholpen. De buikpijn verdween in de loop van de dag en toen ze uiteindelijk goed nieuws kreeg, wist ze wat haar te doen stond. Ze ging weg. Zo snel mogelijk. Ze wilde Kurt nooit meer terugzien. Dankzij dokter Maas zou haar leven een totaal andere wending krijgen.
Eindelijk werd ze wakker. Mary opende haar ogen en al die tijd had hij roerloos op de stoel naast haar bed gezeten. De kleur was terug op haar wangen. Met verbazing had hij gezien hoe Mary herstelde. Het was een wonder. De artsen, die elk half uur bij haar kwamen kijken, waren meer dan tevreden.
“Ben je er nu nog steeds?” vroeg ze, met haar ogen op hem gericht.
“Ja, natuurlijk, lieve Mary. Ik laat je toch zeker niet in de steek?”
“En de kinderen?”
“Die heb ik gebeld,” antwoordde hij aarzelend, want wat moest hij zeggen? Dat hij Mignon niet aan de lijn had gekregen? Dat ze wel van de aardbodem leek verdwenen? Dat hij telkens het antwoordapparaat kreeg van haar werkgever?
“Komen ze?”
“Mitch wel,” zei hij.
“Maar Mignon? Ik mis haar zo, Albert. Ik wil haar zo graag weer zien. Het heeft nu toch wel lang genoeg geduurd?”
“Ze komt wel terug,” probeerde hij te troosten, maar het was vergeefse moeite wist hij. De moeder verlangde gewoon naar haar kind. Alles was vergeven en vergeten. Mignon had de woorden van Mary verkeerd begrepen. Inmiddels had ze zichzelf als kindermeisje bewezen, ze had doorzettingsvermogen en karakter getoond.
“Maar wanneer?”
Op dat moment verscheen Mitch met een bos bloemen. De jongen was magerder geworden, zag Albert, die meteen opstond en de gang opliep. Hier had hij niets mee te maken. Hij was en bleef een buitenstaander. Dit was een zaak tussen moeder en zoon.
“Wat doet die knakker nou hier?” waren zijn eerste woorden. “Komt die buurman zelfs hier op bezoek?”
“Hoe gaat het met je, jongen?” negeerde Mary die boze woorden. “Ik heb je zo lang niet gezien. Ik heb je gemist.”
“Ik kan beter vragen hoe het met jou is. Wat is er gebeurd, mam?”
Hij ging zitten en legde de bloemen onhandig op het nachtkastje. “Voor jou, trouwens,” grinnikte hij klunzig.
“Dankjewel, lieverd. Ik heb nog nooit bloemen van je gekregen.”
“Dan wordt het tijd, hè? Wat is er nou gebeurd? Die vent zei iets over een val? In de douche?”
“Ja, ik ben niet goed geworden toen ik onder de douche stond. Ik werd duizelig en toen ben ik gevallen.”
“En je kon niet overeind komen?”
“Nee, met geen mogelijkheid. Ik hoopte maar dat er iemand langskwam, maar nee. Uiteindelijk heeft Albert 112 gebeld.”
“O. Nou, dan is ie in elk geval nog ergens goed voor. En nu?”
“Mijn huid moet behandeld worden. Al die uren heb ik onder het warme water gelegen. Het is nu heel gevoelig, ik kan me amper verroeren. En de orthopeed heeft me onderzocht. Ik kan misschien alsnog geopereerd worden, zegt hij. Er zijn inmiddels nieuwe technieken ontwikkeld. Als dat waar is, dan kan ik wellicht ooit weer gewoon functioneren.”
“Dat is goed nieuws, mam. Blijft die klootzak hier maar heen en weer lopen soms?” vroeg hij met een snelle blik in de gang. “Loopt ie af te luisteren, of zo?”
“Albert en ik kunnen het heel goed vinden met elkaar, Mitch.”
“En Mignon?” sprak hij gewoon verder. “Hoe is het met haar?”
“Ze werkt als kindermeisje tegenwoordig.”
“Zo? Kijk eens aan. Ze wordt nog eens volwassen, als je niet uitkijkt.”
“Het is mijn grootste wens dat we weer als een gezinnetje bij elkaar kunnen komen, Mitch. Dat jullie geen ruzie meer maken. En dat jullie Albert willen accepteren.”
“Die gek?”
“Het is een erg lieve man, Mitch. Ik ben dol op hem.”
“Doe niet zo gek, mam. Daar ben je veel te oud voor.”
“Ik ben graag bij hem. Het is gezellig, zo samen. Ik ben altijd alleen, moet je weten. Er komt nooit iemand langs, behalve Albert.”
“Die is natuurlijk uit op je centen.”
“Die heb ik niet, dat weet je. Bovendien zit hij er zelf warmpjes bij. Geld speelt geen enkele rol in onze relatie,” klonk het bijna verdedigend. Mary kreeg het warm. Ze hoopte maar dat Mitch niet boos werd. Misschien was hij inmiddels veranderd en wat milder geworden. Ze wist het echter niet zeker.
“O? Is het al zo ver gekomen? Hebben jullie al een relatie?”
“Min of meer, ja.”
Het gesprek ging de verkeerde kant uit, merkte dokter Maas die voor een controle langskwam. Ze liep de patiënten die ze zelf had binnengebracht, nog regelmatig persoonlijk na.
“Je mag je moeder niet te veel vermoeien, wil je?”
“Dat doe ik niet. Ik wil alleen weten wie die vriend is.”
“Dat is de meneer die haar heeft gered,” verklaarde Anne vlak. De jongen stelde zich vijandig op. Dat was niet bepaald bevorderlijk voor Mary’s herstel.
“Ik ken hem wel. Hij is de buurman. Maar ik wist niet dat hij iets had met mijn moeder,” merkte hij cynisch op. Het werd stil in de ziekenkamer. Mary’s bloeddruk schoot omhoog, zag Anne op het kastje met de groene cijfertjes.
“Dat gaat je misschien ook niets aan,” antwoordde de arts. “Je moeder heeft immers haar eigen leven.”
“Jawel.”
“Wees blij dat twee eenzame mensen aanspraak bij elkaar hebben gevonden.”
“Mijn moeder is heus zo eenzaam niet.”
“Dat ben ik wel, Mitch. Sinds Mignon en jij uit huis zijn, is alles anders geworden. Niets is meer hetzelfde. Het is altijd stil. Bovendien mis ik jullie. Een moeder wil haar kinderen nou eenmaal graag om zich heen hebben. Mignon heb ik ook al zo lang niet gezien.”
Dokter Anne Maas fronste haar wenkbrauwen. Mignon? Er lag hier een Mignon aan de overkant, al wist ze zich haar achternaam niet direct te herinneren. Was dit toeval? Dat kon toch haast niet?
“Je moeder heeft nu haar rust nodig,” zei ze tegen Mitch. “Ze mag zich niet te veel inspannen. Dus als je nu afscheid wilt nemen?”
“Nu meteen?”
“Je kunt vanavond weer op het bezoekuur komen,” zei de arts, die door de andere twee werd nagekeken. Wat ze echter niet wisten, was dat Anne Maas rechtstreeks naar de overkant van de gang liep. Kamer zeventien, wist ze. Nog geen tien meter verderop, vlak naast de linnenkamer.
Het kindermeisje lag met gesloten ogen in bed. Naast haar zat haar werkgever, Paul Rätz. Hij maakte zich zorgen, zei hij. Ze had hem geprobeerd gerust te stellen, maar dat was vergeefse moeite geweest. De man bleef zich om het meisje bekommeren en liet zich niet naar huis sturen. Zonder iets te zeggen, pakte dokter Maas de status uit het rekje aan het voeteneind.
“Mignon Holstein,” las ze. Ze stopte het dossier weer terug en liep in gedachten naar de zusterpost. Mignon Holstein. Die naam kwam niet vaak voor, schoot het door haar heen. Was Mignon de dochter van mevrouw Mary Holstein? De moeder die haar dochter al zo lang niet gezien of gesproken had?
Ze sprak die veronderstelling nog niet hardop uit. Eerst moest ze zekerheid hebben.
Zijn ogen vlogen over haar gezicht. Ze was zo lief. Zo teer en gevoelig. Hij werd overvallen door gevoelens die hij van zichzelf niet kende. Het was een vreemde gewaarwording om zo sterk tot iemand aangetrokken te worden.
Tina maakte deze emoties niet in hem los. Dat was een totaal andere vrouw, niet te vergelijken met deze lieve Mignon. Tina was vroeger vrolijk, vlot en sexy geweest. Dat zeker. Ze hadden vaak plezier gehad en stonden op feestjes in het middelpunt van de belangstelling.
Na hun huwelijk was dat veranderd. Ze was een echt modepopje geworden en stelde zich vaak aan. Ze trippelde op haar hakjes door de supermarkt en weigerde zware boodschappentassen te dragen. Ze was snel moe en kleinzerig. Allemaal aanstellerij, wist hij. Hij kon er niet tegen. De zwangerschap had alles verergerd en om de tweeling gaf ze geen zier.
Dit in tegenstelling tot Mignon. Zij hield net zoveel van Bo en Belle als hijzelf. Dat gaf hem een goed gevoel. Prettig en veilig. Mignon deed er alles aan om de kleintjes gelukkig te maken. Bij het eerste, beste kreetje stond ze al op om polshoogte te nemen.
Hoe vaak hadden ze niet samen in de kinderkamer gestaan? Ieder met een baby in hun armen? En als hij haar daar dan zo zag moederen, werd hij helemaal warm vanbinnen en dat was Tina niet ontgaan. Ze was jaloers. Zo ziekelijk jaloers dat ze zich niet had kunnen beheersen. Hij wist het zeker. Deze opname had Mignon aan Tina te danken.
“Paul?” hoorde hij haar zeggen. Ze was verbaasd en blij tegelijk.
“Mignon, hoe voel je je?” vroeg hij meteen.
“Een beetje slaperig. Een beetje moe.”
“Dat is van de narcose,” zei hij meteen. “Je bent geopereerd, weet je dat nog?”
“Ja, aan mijn bovenbeen.”
“Doet het pijn?”
“Nee, ik voel niets.” Ze keek hem aan. Zijn gezicht was vlakbij. Ze keek naar zijn ogen, zijn mond en neus, naar zijn haar waar hij altijd met zijn handen doorheen ging. Ze rook zijn geur, lekker manlijk en stoer. Paul was een sterke man, bij wie ze zich prettig voelde. Hij droeg een lichtblauw hemd met open boord.
“Wat is er gebeurd, Mignon?”
Tja, wat was er gebeurd. Wat moest ze zeggen? Dat ze geduwd was? Dat Tina haar bloed wel kon drinken? Dat zijn vrouw haar haatte? Dat ze hen moest verlaten en de kinderen nooit meer terug zou zien? Haar ogen werden vochtig. De vredige rust verdween. Haar hartslag versnelde. De bloeddruk schoot omhoog. Haar ademhaling stokte zelfs even.
O mama, dacht ze. Was jij maar hier. Kon ik maar even met je praten. Ik mis je zo vreselijk. Je bent zo ver weg. Mama nou toch, ik heb je zo nodig.
“Weet je, Paul,” fluisterde ze. “Ik ben bij jullie komen werken, omdat ik van huis was weggelopen.”
“Meisje toch…”
“Ik hoorde mijn moeder met iemand praten. Het was een gesprek dat niet voor mijn oren bestemd was. Pas veel later begreep ik dat ze het beste met me voorhad. Maar toen was het al te laat… Ik werkte al bij jullie en heb al mijn aandacht op de kinderen gericht. Op Bo met zijn lieve toetje en Belle met haar mooie, blauwe oogjes. Ik ben van hen gaan houden, Paul. Het spijt me, ik weet dat het ongepast is. Waarschijnlijk heb ik al mijn liefde op de tweeling gericht, omdat ik verder niemand heb.”
“Maak het dan goed met je moeder, Mignon.”
“Ik weet niet of ze dat wil. Ik heb haar weleens gebeld, ze weet wat ik doe en dat ik bij jullie woon. Maar er is zoveel gebeurd. Ik ben bang dat de kloof tussen ons te groot is geworden.”
“Probeer het, Mignon. Moederliefde is sterk, dat weet je. Moeders vergeven hun kinderen als vanzelf. Dat is hun natuur.” Hij sprak zachtjes, maar duidelijk en zag dat ze moe werd. “Wil je me vertellen wat er gebeurd is?” herhaalde hij zijn vraag. “Is het wat ik denk, Mignon? Heeft Tina…”
“Nee,” zei ze kort en bondig. “Ze heeft er niets mee te maken.”
“Heeft Tina je van de trap geduwd?”
“Nee.”
“Vertel me de waarheid, alsjeblieft. Ik steun je. Ik help je.”
“Ze heeft me ontslagen, Paul.”
“Zij heeft jou ontslagen?”
“Ja, ik mag de kinderen niet meer zien.”
Hij wist genoeg. Mignon dommelde weer in. Met gesloten ogen draaide ze haar hoofd op het kussen. Hij stak voorzichtig zijn hand uit en streelde even haar haar.
“Wilt u nu weggaan, meneer Rätz?”
Het was dokter Maas, die achter hem stond. Hij knikte.
“Ze heeft veel meegemaakt en moet tot rust komen.”
“Natuurlijk, dokter. Dat snap ik heel goed. Ik heb eigenlijk te veel van haar gevraagd.”
“Ik stond op het punt om in te grijpen, inderdaad.”
Ze knikte hem bemoedigend toe en opeens wist hij dat alles goed zou komen. Deze arts gaf hem vertrouwen. Diep vanbinnen, wist hij dat hij ooit met Mignon en de kinderen gelukkig zou worden. Waarop hij die gedachte precies baseerde, was hem niet duidelijk. Het deed er ook niks toe. Het was zoals het was.
“Mag ik morgenochtend weer komen?”
“Morgenmiddag om twee uur is het bezoekuur. Maar u kunt altijd bellen. Ze heeft telefoon naast haar bed.”
“Dan doe ik dat, dokter. Dank u wel.” Met kwieke stap liep hij naar de hoofduitgang. Hij had thuis nog een appeltje te schillen. Dit kon Tina niet ongestraft doen. Ze had zich te verantwoorden. Niet alleen ten aanzien van hem, maar vooral ten aanzien van Mignon.
“Ik ga bij je weg.”
“Hè?” vroeg hij. Net als anders hing hij onderuit op de bank. Met een zak chips op zijn bolle puddingbuik, zijn voeten op het tafeltje en de zapper onder handbereik.
“Nu meteen. Je kunt me niet tegenhouden.”
“Waar ga je heen?” geeuwde hij. “Naar je moeder?”
“Je hebt me gehoord.” Ze griste haar spullen bij elkaar. Paspoort, geld, sieraden, schoenen. Wat kleding, make-up, verder had ze niets nodig. Haar agenda, dagboek en adressenboekje.
Hij stond erbij en keek ernaar.
“Waar ga je heen? Naar een vriendin?”
“Alsof ik die soms nog heb.”
“Wat dan?”
“Jij moet voortaan voor jezelf zorgen, Kurt. Ik wil scheiden. En denk eraan dat je geen vinger naar me uitsteekt. Denk eraan!” zei ze met zoveel zelfvertrouwen, dat hij totaal verbaasd in de deuropening ging staan. “Dus je moet werk zoeken. Boodschappen doen, de was draaien. Dat soort dingen. Ga opzij, ik moet erlangs.”
“Nou ja, zeg! Laat je me zomaar in de shit achter?”
Haar sleutels, oké. Die lagen hier. Autopapieren in de bovenste la. En haar toiletspulletjes niet te vergeten.
“Waar ga je dan heen?”
“Dat doet er niet toe.”
Toen ze de deur achter zich dichtgetrokken had, liep ze met trillende benen weg. Ze had zich veel groter voorgedaan dan ze zich voelde. Haar benen leken het bijna te begeven, maar hij kwam haar niet achterna. Godzijdank! Ze was vrij! Ze was eindelijk van zijn tirannie verlost!
Eenmaal in de zusterkamer kwam ze tot zichzelf.
Oké, het was een kale bedoening en maar tijdelijk. Dokter Maas had dit dezelfde dag nog voor haar geregeld. Er stond een bed en een bureautje, en dat was genoeg.
Bovendien zou Anne Maas zorgen voor een aanstelling in het Elisabeth. Daar kon ze waarschijnlijk als vaste kracht aan de slag. Hoe kon ze de dokter danken. Wat had ze veel voor haar gedaan! Haar dankbaarheid kende geen grenzen.
Ze hoefde niet langer bang te zijn of zich zorgen te maken. Kurt loste zijn eigen problemen maar op. Zij voelde zich niet langer verantwoordelijk. Integendeel. Vanaf vandaag begon haar nieuwe leven.
Dokter Maas hield hem staande. Albert Wertheim, de buurman van Mary Holstein, die geen bezoekuur oversloeg. Elke keer verscheen hij met bloemen, tijdschriften of andere grappige cadeautjes. Hij was de man die haar de nodige informatie kon verschaffen.
“Meneer Wertheim,” vroeg ze. De directeur liep intussen met grote stappen langs hen heen. Het wagentje van het lab kwam net de hoek om. Twee zusters gingen druk pratend naar de kantine en Anne Maas keek de man indringend aan.
“Dokter?” reageerde hij meteen geschrokken. “Is er iets mis met Mary? Mag ik haar niet zien, vandaag?”
“Integendeel, het gaat steeds beter met haar. De huid herstelt snel, gelukkig. De orthopeed, dokter Martin Landau overweegt een heupoperatie, dus wat dat betreft ziet het er positief uit. Er zijn bovendien geen neurologische afwijkingen geconstateerd. Nee, het gaat om iets anders. Iets persoonlijks.”
“Wat dan, dokter?” informeerde hij verbaasd.
“Ik heb laatst iets opgevangen dat niet voor mijn oren bestemd was. Soms gebeurt dat ongewild als ik de ziekenkamers binnenloop.”
Albert ontspande zich. Er was dus niets aan de hand met zijn Mary. Hij moest er ook niet aan denken. Ze was hem zo lief geworden. Hij zou haar met al zijn liefde willen omringen en haar een fijn leven willen geven. Gezellig samen koffie drinken en ’s avonds aan tafel een hapje eten. ’s Zondags wat wandelen in het bos en soms een bioscoopje pikken. Hij zag het al helemaal voor zich.
“Als ik u kan helpen, dokter? Ik sta geheel tot uw beschikking,” klonk het een tikje ouderwets, zodat Anne een glimlach niet kon onderdrukken.
“Ik heb begrepen dat er onenigheid is in de familie van mevrouw Holstein.”
“O ja, dat is inderdaad een probleem. Ze heeft gister sinds lange tijd haar zoon Mitch teruggezien. Dat heeft haar veel goed gedaan. Maar haar dochter, Mignon, die heeft nog niets van zich laten horen, helaas. Dat doet haar pijn, veel pijn. Mary is een goede moeder, dokter.”
“Het toeval wil, meneer Wertheim, dat wij hier in de gang een zekere Mignon Holstein hebben liggen. U kent Mignon?”
“Jazeker, dokter. Al jaren.” Hij geloofde zijn oren niet. Mignon was hier? Daar kon hij met zijn verstand niet bij!
“U zou haar kunnen herkennen?”
“Absoluut, zonder enige twijfel,” antwoordde hij meteen. Dat zou fantastisch zijn! Zijn hart ging tekeer. Als ze maar niets ernstigs mankeerde. Die indruk kreeg hij echter niet. “Wat mankeert ze, dokter? Waarom is ze opgenomen als ik vragen mag?”
“Ze is geopereerd aan een bovenbeenfractuur en zal binnen enkele dagen ontslagen worden. Wilt u even met me meelopen?” en daarna ging het snel in zijn werk.
De man aan het bed van Mignon stond meteen op. Hij stelde zich voor als Paul Rätz, de werkgever van zijn kindermeisje. Albert keek verbaasd van de een naar de ander. Daar stonden ze dan. Aan het bed van Mignon. Dit was ontegenzeggelijk zijn buurmeisje en de herkenning was wederzijds, zag Anne Maas. Het was een wonder. Bijna niet te geloven.
“Willen de heren even op de gang wachten? Ik wil graag met Mignon onder vier ogen praten.”
Het meisje snapte niet wat er gaande was. Wat deed iedereen opeens geheimzinnig. En wat deed meneer Wertheim nou in de Landau-kliniek? Was hij soms ook patiënt? En waarom moest Paul op de gang wachten? Wat wilde de dokter haar vertellen? Waarom mocht Paul er niet bij zijn?
“Wat is er aan de hand, dokter?” vroeg ze dan ook verwonderd.
“Ik heb begrepen dat je al langere tijd geen contact hebt gehad met je moeder?”
“Dat klopt, dokter. Het was een misverstand. Ik heb haar een paar keer gebeld, maar durfde niet goed naar huis terug te gaan, maar dat doet er nu toch niets toe?”
“Je moeder mist je heel erg.”
De ogen van het meisje waren strak op de eerstehulparts gericht. “Hoe weet u dat eigenlijk?” vroeg ze met enige argwaan.
“Ik heb het haar horen zeggen.”
“U? Waar dan?” Ze snapte er niks van. Deze arts kende haar moeder toch helemaal niet? Ze vergiste zich klaarblijkelijk. Dokter Maas wist niets van mama af. Ze haalde verschillende gegevens door elkaar.
“Je moeder heeft een ongelukje gehad, Mignon. Ze ligt hier aan de overkant van de gang.”
Het bleef eerst even stil. Daarna sloeg haar stem over. “Hè? Mama? Ligt ze ook in het ziekenhuis?”
“Hier vlakbij, Mignon. Wil je haar zien?”
“Ja, natuurlijk!” Haar hele gezicht klaarde op en ze kon niet wachten tot de zusters het bed door de gang duwden. Sneller, dacht ze. Niet zo langzaam toch. Loop nou een beetje door, ik wil mama zien!
Iets verderop keek Mary op toen ze voetstappen hoorde naderen. Voetstappen die haar kant uitkwamen. Eindelijk. Albert bleef veel te lang weg naar haar zin. Ze werd ongeduldig en merkte dat het steeds moeilijker werd alleen te zijn. Albert en zij waren aan elkaars gezelschap gewend geraakt en dat wisten ze beiden. Het was heerlijk om samen te zijn. Prettig en vertrouwd bovendien.
“Mevrouw Holstein? Ik heb een verrassing voor u,” kwam de dokter echter melden en Mary fronste haar wenkbrauwen.
Een verrassing? Er werd een tweede bed naar binnengereden. Bah. Kwam er iemand bij haar op de kamer? Zo fijn was dat niet. Dat was bepaald geen verrassing, snapte de dokter dat niet? Ze was echt gesteld op haar privacy.
Toch leek de arts in haar nopjes en ook de verpleegsters maakten een vrolijke indruk. Het was kennelijk die jonge vrouw die haar rust kwam verstoren. Daar had ze helemaal geen zin in. Wat vervelend, zeg!
Mignon kwam op dat moment echter half overeind. “Mam?”
Mary sloeg een hand voor haar mond en kon haar ogen niet geloven. “Mignon? Liefje! Ben jij het echt?”
“Mama,” huilde ze nu. “Mam, ik heb je zo gemist…”
De bedden werden vlak naast elkaar gezet. Moeder en dochter omhelsden elkaar zo goed en zo kwaad als het ging en hielden urenlang elkaars hand vast. Ze hadden zoveel te vertellen dat de hoofdzuster in moest grijpen. De emoties mochten niet de overhand krijgen. Het herstel was nu immers belangrijker. Hun bloeddruk was hoger dan anders.
Mignon verdween dus weer naar haar eigen kamer, waar ze in alle rust de gebeurtenissen kon verwerken. Ook Mary sukkelde af en toe in slaap om vervolgens weer opgewonden wakker te worden. Alles was goed gekomen. Hoe was het mogelijk. Moeder en dochter hadden elkaar teruggevonden in de Landau-kliniek. Er was een waar wonder gebeurd.
“Je moet je aangeven bij de politie, Tina.”
Ze knikte. Ja, dat was waar. Ze kon er zelf ook niet van slapen. Niemand die haar steunde of achter haar stond. Ze was helemaal alleen. Daarom hoopte ze op een wonder.
“Kun je me vergeven, Paul?”
Hij schudde zijn hoofd. De kinderen huilden boven in hun bedjes. Ze waren alweer niet verschoond en waarschijnlijk had de tweeling ook honger.
“Nee. Nooit.”
“Maar ik zag dat ze op je viel! Dat ze je wilde, Paul! Ik heb het gedaan voor ons. Voor ons huwelijk,” probeerde ze.
“Door iemand dood te wensen?” klonk het bitter. “Daarmee red je geen huwelijk, Tina. Sorry, maar het is over. Ik ga verder met haar.”
Ze balde haar vuisten. Shit, wat was ze boos!
“Verdómme!” riep ze. “Dat gaat niet gebeuren. Het is een lelijk, stom kreng! Ik heb haar opzettelijk uitgekozen, omdat ze er niet uitziet! Kijk naar mij, Paul. Ik ben aantrekkelijk en sexy. Ik ben geestig. Ik ben vrolijk en heb een goed verstand. En zij? Zij heeft je niets te bieden! Geen man die op haar valt.”
Ze keek hem met flitsende ogen aan. Was hij nou helemaal gek geworden? Om haar aan de kant te zetten voor zo’n nietszeggend misbaksel?
“Als ik naar jou kijk, Tina, zie ik een verwend, lui, onverschillig mens. Een vrouw die niets om haar kinderen geeft, maar alleen van zichzelf houdt. Een vrouw die denkt de wereld naar haar hand te kunnen zetten. Nou,” zei hij kalm, “daarin heb je je dus vergist. En weet je? Ik net zo goed. Dat is erg dom geweest. Ik ben in jouw val gelopen.”
“En nu?”
“Ga ik verder met Mignon en de kinderen.”
“En ik dan?”
Hij haalde zijn schouders op. “Je bent toch zo knap en sexy? Als dat inderdaad zo is, dan heb je zo weer een ander gevonden.”
Dat klopte ook. Binnen een half jaar woonde Tina in Monaco bij een oudere, zeer vermogende heer die graag met jonge vrouwtjes gezien werd. Dat geluk duurde echter vele malen korter dan het geluk van Paul en Mignon. Bo en Belle gingen een fijne jeugd tegemoet. Ze kregen nog twee broertjes en groeiden op in een evenwichtig, gelukkig gezin.
Albert en Mary trouwden op een zonovergoten Grieks eilandje, met als getuigen de plaatselijke herder met zijn vrouw. Ook zij bleven nog lange, lange jaren bij elkaar. Mitch leerde Albert te accepteren en Mignon was dol op hem. Zo waren ze samen één grote familie geworden, precies wat Albert diep in zijn hart altijd gewenst had.
Zuster Angela Winter scheidde inderdaad van Kurt die ze nooit meer terugzag. Wie ze wel met regelmaat bezocht, was dokter Anne Maas uit de Landau-kliniek. De arts die zo’n beslissende rol in haar leven gespeeld had…
Over TWEE WEKEN, in DOKTER ANNE MAAS nr. 916, brengt Annes werk haar weer in ongewone en dramatische situaties. Ook dan kunt u genieten van twee complete romans. Wij geven u alvast een voorproefje:
Honkvaste ouderen
Door een stevige storm stort een onbewoonbaar verklaarde boerderij, net buiten de stad, in. Een anoniem telefoontje maakt duidelijk dat er een slachtoffer is en Anne wordt met de ambulance opgeroepen om de onfortuinlijke bewoner op te halen.
Haal de nieuwe uitgave van de populaire Favoriet-reeks DOKTER ANNE MAAS nr. 916 over TWEE WEKEN bij uw tijdschriftenhandelaar, de kiosk, het warenhuis of uw supermarkt.