Achtervolgd door verleden
Wat wil die stalker van haar?
Josje Maas
“Ik kreeg maandagavond tegen het einde van het bezoekuur opeens bezoek van een man die ik niet ken,” begon Klara.
“Oh, was hij in de verkeerde kamer?”
“Nou nee, hij moest wel bij mij zijn. Hij zei dat hij onderzoek deed naar het functioneren van bepaalde artsen. Daarbij noemde hij onder andere uw naam.”
“Mijn naam?” reageerde Anne verbaasd. “Dat is nieuws voor mij. Ik kom net bij de geneesheer-directeur vandaan. Die heeft daar niets over gezegd. Zulke zaken worden doorgaans niet in het geheim afgehandeld.”
“Het interesseert me echt niet wat jij gaat doen,” beet ze hem toe. “Ik moet weg, je ziet dat ze op me staan te wachten. Ik wil jou hier niet meer zien. Nooit meer! Als je nog één keer je hoofd hier laat zien, laat ik je oppakken door de politie. Het is afgelopen en voorbij, Richard. Besef dat eens een keer. Ga verder met je leven en stop met het zielige mannetje uithangen.” Ze rolde behendig met haar rolstoel naar de voordeur, trok de deur achter zich dicht en reed hem haast omver toen ze hem passeerde om naar de wachtende rolstoeltaxi te rijden. Zonder nog een keer om te kijken, liet ze zich in de taxi rijden door de chauffeur.
Al die tijd bleef Richard voor het huis verbluft toe staan kijken. Het duurde enige tijd voordat de rolstoel op zijn plaats stond. Marian zat voor het raam, maar ze staarde star voor zich uit. Eindelijk reed het busje dan toch weg.
Hij had het ongeluk niet kunnen voorkomen dat zijn vrouw nu bijna een jaar geleden was overkomen en waardoor ze verlamd was geraakt aan haar benen. Nu kon hij ook niet voorkomen dat ze voor de tweede keer uit zijn leven wegreed.
Ga verder met je leven, had ze gezegd. Welk leven? Had hij nog wel een leven? Zijn leven was voor zijn gevoel stopgezet op het moment dat hij van de politie te horen had gekregen dat Marian bij een ongeluk betrokken was geraakt. Haar auto was geraakt door een ander en was over de kop gevlogen in de berm. Ze was zwaargewond naar het ziekenhuis gebracht en in levensgevaar.
Die nacht herinnerde hij zich nog als gisteren. Alles lag nog steeds vers in zijn geheugen. De schok, de angst dat hij haar ging verliezen en later het eindeloze wachten tot ze weer bij zou komen uit de coma waarin ze was geraakt. Twaalf onzekere dagen lang had ze in dat schemergebied gezweefd. Bij haar ontwaken was hij zo blij als een kind geweest. Oké, ze zou de rest van haar leven in een rolstoel door moeten brengen omdat ze verlamd was geraakt aan haar benen door het ongeluk, maar ze was er in ieder geval nog. Ze hadden elkaar nog.
In het begin had hij nog gedacht dat de geestelijke verandering, die Marian leek te hebben ondergaan, van tijdelijke aard was. Na gesprekken met de psychotherapeut bleek dat niets minder waar was. Het ongeluk had haar veranderd. Ze was harder en bozer geworden. Zomaar opeens kon een prettige stemming omslaan in agressie. Ze werd woedend om niets, kleine dingen konden haar kwaad maken. Ze kon niets van hem verdragen. Dat was nog wel het ergste.
Om de een of andere reden leek ze hem niet om zich heen te kunnen velen. Ze ergerde zich aan hem, aan alles wat hij zei en deed. Niets was er meer goed. Hij moest van haar ouders horen dat hij niet meer op bezoek mocht komen in de kliniek. Ze wilde hem niet iedere dag zien en herinnerd worden aan hun leven. Besefte hij dan niet dat haar leven voorgoed veranderd was? Dat niets meer hetzelfde was als voor het ongeluk?
Ook die mensen begrepen niets van hun dochter. Het huwelijk tussen Marian en Richard was toch altijd goed geweest? Kon het echt zijn dat Marian zo enorm veranderd was door dat ongeluk, door de coma?
Al die dingen plaagden hem nog altijd, hielden hem bezig, zelfs bijna een jaar na die ongelukkige nacht. Hing hij het zielige mannetje uit? Was je zielig als je je vrouw – inmiddels ex-vrouw – niet kon vergeten?
Terneergeslagen liep hij terug naar zijn eigen wagen en stapte in. Nog altijd in gedachten bezig met de vrouw die zijn leven zo bepaald had. Vroeger, en nu nog altijd.
Marian wist een paar weken na het ongeluk al dat ze van hem wilde scheiden. Dat ze niet meer met hem samen wilde zijn, laat staan bij hem in huis wonen. Ze gaf haar vader opdracht een appartementje voor haar te regelen. Alles gelijkvloers en op een rolstoel berekend. Vanuit de kliniek ging ze rechtstreeks naar die woning. Hij had daar niets over te zeggen gehad of tegenin kunnen brengen. Hij moest machteloos toezien hoe ze eiste dat bepaalde meubelstukken daarheen werden verhuisd, dat ze daar ging wonen en de scheiding in gang zette.
Voor zijn gevoel was hij die fatale nacht alles in één klap kwijtgeraakt. Soms dacht hij dat het beter was geweest als Marian het ongeluk niet had overleefd. Dan had hij het tenminste achter zich kunnen laten na een zekere rouwperiode. Nu was er niets om af te sluiten. Marian was dan wel uit zijn leven vertrokken, maar voor zijn gevoel was er nog altijd niets afgesloten.
Volgens de psycholoog die hij bezocht moest hij het eerst af kunnen sluiten voordat hij daadwerkelijk verder kon met zijn leven. Vandaar dit bezoek. Die psycholoog had mooi praten. Marian was niet bereid om mee te werken. Ze wilde niet met hem praten, nooit meer.
Nu deed ze net alsof hij haar steeds lastigviel. Wat al helemaal niet waar was. Oké, hij had haar een paar keer gebeld, maar dat mocht toch? Ze waren bijna twintig jaar samen geweest, dat gooide je toch niet zomaar in een keer uit je systeem? Hij niet in ieder geval.
Hij startte de motor en reed langzaam terug naar huis.
“Stabiliseren,” zei Anne. Zelf legde ze een infuus aan.
De jonge vrouw had veel bloed verloren, had mogelijk een shock. Wat ze op het eerste gezicht zag, waren een gebroken been, een gebroken of ontwrichte schouder, flink wat schaafwonden en een forse, doch niet levensbedreigende hoofdwond. Dan was ze nog goed weggekomen met haar fiets.
Haar rijwiel was er nog veel slechter aan toe. De mountainbike zat haast om de paal gevouwen waar ze tegenaan was geknald. Ze was vast van de helling afgekomen met haar fiets, daar won een fietser aan snelheid. Aangezien ze op een voorrangsweg zat, hoefde ze niet af te remmen voor de kruising met de andere weg.
De bestuurder van de auto, een oude man die nog altijd stond te trillen op zijn benen, had verteld dat hij de fietser echt niet meer had kunnen ontwijken. Die vrouw was met zo’n enorme snelheid op het kruispunt afgereden, ontwijken was gewoon niet mogelijk geweest.
“Ik sloot mijn ogen en trapte de rem in,” hoorde ze hem met bevende stem tegen Klinkmüller vertellen.
Hoe oud zou hij zijn? Een jaar of tachtig zeker, schatte ze. Misschien moesten ze hem ook maar even meenemen naar de kliniek. Even een check-up en hem een poosje in de gaten houden voordat hij weer achter het stuur van zijn wagentje kroop.
Ze wenkte Klinkmüller toen Tünnes de gewonde vrouw naar de ambulance reed.
“Wat denk je, Anne, zullen we hem ook niet even meenemen?” stelde hij op zachte toon voor.
“Dat dacht ik ook net. Hoe gaan we dat doen? Hij kan niet mee met de ambulance.”
“Ik vraag wel of een van de agenten hem naar de kliniek brengt met zijn eigen auto, dan heeft hij in ieder geval vervoer.”
Anne knikte. “Doe dat maar.” Zelf ging ze naar de ambulance toe om Tünnes te helpen met de brancard en om te controleren of de patiënt goed lag.
Door het raampje van de deur keek ze nog even naar buiten. Een ambulance trok altijd belangstelling. Ook nu stonden er verschillende mensen aandachtig toe te kijken. Waar ze vandaan waren gekomen, snapte ze niet goed. Zoveel huizen stonden er hier niet. Eén man had een camera in zijn handen en maakte foto’s. Een journalist?
Journalisten luisterden vaak de politiescanner af en waren soms nog eerder ter plaatse dan de ambulance of de brandweer. Alles voor het nieuws en de juiste foto. Zolang ze haar niet in de weg liepen en de zorgverleners niet hinderden of lastigvielen, kon het haar niet veel schelen dat de persmuskieten bij ongevallen rondhingen. Bovendien was ieder ongeluk meteen weer een waarschuwing voor andere weggebruikers dat ze beter op moesten letten.
Klinkmüller stapte in en draaide zich om naar Anne. “De politie brengt die oude man naar de kliniek. Hij is compleet overstuur. Zou me niets verbazen als hij een nachtje moet blijven.”
“Het is ook niet niks. Hij heeft toch een fietser aangereden. Ook al reed ze hard, hij had beter op moeten letten en gewoon moeten stoppen bij die kruising,” meende Anne.
“Die oudjes moeten ze echt verbieden nog langer in een auto te stappen,” bromde Tünnes. Als chauffeur van de ambulance wist hij als geen ander hoe gevaarlijk het verkeer kon zijn en hoe snel een ongeluk kon gebeuren. Eén moment van onoplettendheid kon al fatale gevolgen hebben. De wegen waren drukker dan vroeger en het ging allemaal een stuk sneller dan in de tijd dat die oude man zelf jong was geweest. Als je dan niet snel genoeg kon reageren, werd je zelf ook een gevaar op de weg. Een rijdend gevaar nog wel.
Vanaf de brancard klonk een zacht gekreun. De vrouw deed haar ogen open en keek Anne met verrassend heldere blik aan. “Een oude man, hè?” vroeg ze met een van pijn vertrokken gezicht. “Die moesten ze van de weg afhalen. Levensgevaarlijk. Ik zat nota bene op een voorrangsweg.”
Anne kleurde. Ze had niet gemerkt dat de jonge vrouw weer bij kennis was gekomen. “Weet je nog wat er is gebeurd?”
“Nou en of. Ben ik lang bewusteloos geweest?”
“Valt wel mee. Heb je veel pijn?”
“Mijn arm, alsof hij van mijn lijf is gerukt.”
“Hij zit er nog wel, maar dan een tikje uit het lood. Ik zal je nu alvast een stevige pijnstiller geven. Een spuitje, dat werkt sneller in dit geval. Die schouder zal straks toch gezet moeten worden en dat kan behoorlijk pijn doen,” wist Anne. Al zou dat vast niet gebeuren terwijl de vrouw bij kennis was. Ze moest sowieso geopereerd worden.
De vrouw kreunde. “En verder?”
“Een gebroken been. Zo te zien niet echt een nette breuk.” En dan drukte ze zich nog zacht uit. Het bot van haar scheenbeen was gebroken en stak deels door de huid naar buiten. “Je zult daaraan geopereerd moeten worden.”
“Hoelang?” vroeg ze met haar ogen gesloten.
“Wat bedoel je?”
“Hoelang ben ik daarmee uit de running? Hoelang kan ik niet fietsen?”
“Oh, nou, dat zal nog wel enige tijd duren voordat je weer kunt fietsen. Reken maar op ministens zes weken en dan is het nog afhankelijk hoe goed het geneest. Fiets je in wedstrijdverband?”
De fiets had er professioneel genoeg uitgezien, voor zover ze dat kon beoordelen aan het geruïneerde frame.
“Dat kun je wel zeggen. Ik train voor de nationale kampioenschappen mountainbiken.” Ze zuchtte diep. “En verder? Mijn hoofd doet ook behoorlijk zeer.”
“Dat kan kloppen, je hebt ook een flinke hoofdwond.”
“En mijn nek? Toch niet, hè? Ik heb toch niets aan mijn nek? Ik voel mijn voeten namelijk niet. Zeg me dat ik niet verlamd ben.” Er klonk een snik in haar stem, tranen welden op in haar ogen.
“Rustig aan, haal je nu niet van alles in je hoofd. Die halskraag draag je uit voorzorg, niet omdat er daar iets gebroken is. Je gaat straks door de scan, dan zien we snel genoeg wat er allemaal mis is. Dat je je voeten niet goed voelt, kan ook door de pijn zijn.” Ze legde een hand op de goede schouder van de vrouw om haar een beetje gerust te stellen. “Probeer rustig te blijven, we zijn zo bij de kliniek, dan weten we al snel meer. Wie moeten we waarschuwen?” Om de nare gedachten aan wat er allemaal mis kon zijn een beetje te stoppen, vroeg Anne naar haar gegevens. Die papieren moesten toch ingevuld worden. De vrouw was helder genoeg, dat was in ieder geval een goed teken.
In het begin had hij op therapeutische basis gewerkt, een paar uur per week en dat langzaam uitbreidend tot een volle werkweek. Dat was nog niet zo lang geleden gebeurd. Het voelde dan ook nog wat onwennig om hele dagen op kantoor te zijn. Alsof hij er niet thuishoorde. Thuisblijven wilde hij ook niet. De muren kwamen daar op hem af.
Volgens de psycholoog, bij wie hij nog steeds twee keer per week onder behandeling was, was het goed om te werken. Zo kwam hij onder de mensen. Dat was toch een eerste stap op weg naar herstel. Geestelijk herstel, wist Richard maar al te goed.
Hij schoof de papieren naar zich toe en bladerde er doorheen. Een vrouw met een eigen bedrijfje. Lotte Denier, vijfendertig jaar oud. Ze had een strijkservice. Hoe zoiets voldoende geld op kon brengen om van te kunnen bestaan, snapte hij niet, maar dat was ook niet zijn pakkie-an. De collega van leningen, om een eigen bedrijf te starten, had deze vrouw en haar strijkservice vast voldoende doorgelicht om er zeker van te zijn dat het bedrijf levensvatbaar was.
Nu wilde ze een verzekering. Daarvoor was ze bij hem aan het juiste adres. De klok wees iets voor tienen aan. Tijd om haar te halen. Hij stond op en ging naar de wachtruimte waar cliënten plaatsnamen tot ze gehaald werden. Voor leningen, hypotheken, verzekeringen en nog veel meer zaken die je in een bank kon regelen.
“Mevrouw Denier?” Hij bekeek de wachtende mensen en probeerde in te schatten wie zijn cliënt zou zijn. Die oudere vrouw met dat doorgroefde gelaat en het haar met grijze uitgroei. Dat was een typische strijkster. Ze zag er wel ouder uit dan vijfendertig jaar.
Verbaasd keek hij dan ook op toen een vrij jong ogende vrouw naar hem toe kwam gelopen en hem glimlachend aankeek. Hij stak zijn hand uit en stelde zich voor. “Richard Hahn. Mevrouw Denier?”
“Lotte Denier,” knikte ze.
“Volgt u mij maar.”
Zo’n jong vrouwtje nog. Ze zag er nog vlot uit ook. Halflang donker haar, slank figuurtje, een vriendelijk gezicht en een zachte, beschaafde stem.
Hij wees haar een stoel en vroeg of ze koffie wilde.
“Graag.”
Hij glimlachte en ging vervolgens een kop koffie voor haar halen. Hij sloot de deur achter zich nadat hij de koffie voor haar neer had gezet. “Alstublieft.” Met de papieren voor zich keek hij haar aan. “Een strijkservice. Hoe moet ik dat zien? Het is voor het eerst dat ik zoiets voorbij zie komen. Hoort dat niet meer bij een wasserette thuis?”
“Niet per se,” gaf ze glimlachend aan. “Er zijn genoeg mensen die hun kleding thuis wassen, maar die het strijken vervolgens uitbesteden aan een ander. Zo iemand ben ik dan. Ik ben er een beetje ingerold door mijn tante die bij iemand poetst. Die vrouw waar ze werkt, vroeg of ze ook wilde strijken. Zo is het begonnen. Ik haal de kleding op, strijk alles en breng het een paar dagen later weer terug. Heel eenvoudig eigenlijk. Meer dan een bestelwagentje en een ruimte waar ik kan strijken, heb ik niet nodig.”
“Oké, dat klinkt goed doordacht. De overhead is dus laag. En die ruimte is bij uw thuis?” wilde hij weten. Hij moest ook een beetje in kunnen schatten wat de risico’s waren en wat er precies verzekerd diende te worden.
“Ik heb een kamer verbouwd tot werkruimte. Met kledingrekken en een pers. Het is niet allemaal echt handmatig strijkwerk,” legde ze uit.
“Maar u doet het alleen?”
“Tot nu toe nog wel. Als het drukker wordt, kan ik altijd nog hulp erbij zoeken.”
Richard knikte begrijpend. “En nu wilt u zich verzekeren. Wat heeft u precies in gedachten? Aansprakelijkheidsverzekering? Ik neem aan dat er een inboedel- en een opstalverzekering op het huis zit?”
Lotte legde hem uit wat ze precies wilde verzekeren. Omdat ze alleen was, wilde ze ook een inkomensverzekering afsluiten. Ze had haar baan opgezegd op het moment dat de strijkservice serieuze vormen aan was gaan nemen. In het begin had ze het nog naast haar baan kunnen doen. Dus als er iets met haar gebeurde, zat ze direct zonder geld.
“Tja, dat kan vrij lastig worden inderdaad. Ik kan een mooi pakket voor u samenstellen. Kijkt u hier maar eens naar.” Hij draaide zijn scherm zo dat Lotte mee kon kijken.
Terwijl hij verder praatte, keek hij af en toe stiekem naar de jonge vrouw. Leuk vrouwtje, slim ook en mans genoeg om voor zichzelf te zorgen. Dat mocht hij wel in een vrouw. Misschien was die strijkservice ook wel iets voor hem. Hij was zelf niet zo’n strijker, maar moest toch iedere dag netjes voor de dag komen in pak en met een overhemd aan.
Aantekeningen makend werkte hij een pakket voor haar uit. Hij rekende bedragen voor en legde de voorwaarden en de dekking uit, die toch van belang waren bij een verzekering.
Haar patiënte van gisteravond was verrassend helder en opgewekt toen Anne haar bezocht. “Hé, dokter, wat leuk dat u langskomt. Hoort dat bij de service van de ambulancedienst?” begroette Klara Stahlmann haar.
“Zoiets,” zei Anne met een glimlach. “Hoe gaat het met je?”
Gisteravond was Klara nog geopereerd aan haar been en was haar schouder terug in de juiste positie gebracht. De breuk in het schoudergewricht werd met een paar pennen bij elkaar gehouden. De arm zelf zou ze enige tijd niet volledig mogen belasten.
“Nou ja, ik heb geen pijn, dat is al heel wat. Ik moet niet te snel overeind komen, anders word ik duizelig, maar dat zal toch niet lukken met al dat gips en die pennen.”
Anne knikte begrijpend. Wat ze niet begreep, was waarom de jonge vrouw zo vrolijk was. Gisteravond had ze voor haar gevoel een flinke klap gekregen toen haar verteld werd dat ze enige tijd niet kon fietsen.
Tijd om er iets over te vragen, kreeg Anne echter niet. Haar pieper liet weten dat ze elders dringend nodig was. “Sorry, de plicht roept,” verontschuldigde ze zich.
Ze haastte zich naar de lift en toen die te lang op zich liet wachten, nam ze de trap naar beneden. Onderweg naar de ambulance haalde ze haar tas en jas op en niet veel later stapte ze in de gereedstaande wagen.
“Wat is er gebeurd?”
“Een aanrijding tussen een auto en een paar fietsers,” zei Tünnes. Hij zette de sirene aan op het moment dat ze het terrein van de kliniek verlieten.
Weer fietsers. Wat was dat toch? Lag het aan het aanhoudende mooie weer dat beide partijen minder op hun hoede waren?
“Waar is het gebeurd?” wilde Anne weten.
“Vlakbij een school, ik vermoed dat het om tieners gaat,” antwoordde Tünnes.
Dat vermoeden zou kunnen kloppen met het tijdstip: iets voor vieren. Een tijdstip waarop scholen uitgingen en hele hordes met leerlingen de weg naar huis aanvaardden. Met de bus, speciale taxi’s en op brommers en fietsen.
Bij de plaats waar het ongeval had plaatsgevonden, was het ongewoon druk. Inderdaad vlakbij een school. Het aantal toeschouwers bestond dan ook voornamelijk uit jongeren met zware tassen op hun rug en aan de hand, staande bij fietsen en brommers. De politie was ook al aanwezig.
Anne en haar team stapten uit en lieten zich door een agent naar de slachtoffers brengen. Om hen heen klonken de verontrustende kreten van jongens en meisjes die scandeerden dat de auto fout was geweest en dat hij met opzet op de fietsers in was gereden.
Ze hadden er gelukkig nog niet zo heel vaak mee te maken gehad, agressie tegen hulpverleners, maar nu voelde Anne zich toch niet echt op haar gemak. Niet dat zij hier fout was, of op enigerlei wijze iemand iets aandeed, toch voelde het roepen van de jongeren als een aanval.
De tieners om wie het ging, drie in totaal, werden door de agenten afgeschermd van de rest van de jongelui. Een meisje lag met gesloten ogen op de grond. Een jongen zat tegen een boomstam aan en ondersteunde zijn hoofd. Hersenschudding, schatte Anne. Het derde slachtoffer, een jongen, lag eveneens op de grond.
Een ander ambulanceteam, van het streekziekenhuis, was al aanwezig en hield zich bezig met het meisje.
“Die jongen hier, dokter,” wees de agent op de liggende knul. “De andere knul heeft voor zover hij zelf merkt, geen verwondingen. Hij heeft alleen een flinke smak gemaakt.”
“Voor de zekerheid zullen we hem toch maar even onderzoeken.” Anne overlegde met de twee ambulanceverplegers. “Klinkmüller, kijk jij even naar hem, dan nemen Tünnes en ik deze jongeman onder onze hoede.”
Klinkmüller deed wat hem gevraagd werd, terwijl Anne de liggende jongen begon te onderzoeken.
De jongen opende moeizaam zijn ogen met een van pijn vertrokken gezicht. Anne stelde een paar vragen om te controleren of hij helder genoeg was. “Weet je welke dag het is vandaag?”
“Donderdag.”
“Wat is er precies gebeurd? Kun je me dat vertellen?”
Hij had flinke schaafwonden op zijn handen, knieën en ellebogen, maar verder geen zichtbare breuken.
“Die auto reed op ons in. De meeste fietsers konden hem ontwijken, maar dat meisje knalde tegen de zijkant aan. Ik kon niet meer remmen en botste op haar fiets.” Die lange zin leek hem uit te putten.
“Waar heb je precies pijn?” wilde Anne toch graag weten.
“Mijn nek,” kreunde hij.
“Verder niet? Armen, benen?”
“Ik kan alles bewegen. Het doet wel zeer. Heb ik iets gebroken?”
“Voor zover ik nu kan beoordelen niet, maar we nemen je mee naar de Landau-kliniek voor verder onderzoek. Je krijgt een nekkraag uit voorzorg.” Samen met Tünnes bevestigde ze de kraag.
Klinkmüller kwam terug naar hen. “Die andere knul is nog wat versuft door de val. Hij heeft niets gebroken, misschien een lichte hersenschudding. Ik heb met hem afgesproken dat hij alsnog naar zijn eigen huisarts gaat als hij meer klachten krijgt.”
“Oké, help even mee met deze jongeman,” zei Anne.
Ze tilden samen de jongen op de brancard. Op dat moment werd het opnieuw onrustig bij de omstanders. Ze liet even haar blik over de jongelui glijden die begrijpelijk van streek waren. Dergelijk gedrag kon bij het minste of geringste omslaan in echte agressie, gericht tegen de politie of andere hulpverleners. Zij in dit geval.
Er waren ook enkele journalisten op het ongeval afgekomen die met enkele jongens en meisjes praatten. Er werden foto’s gemaakt van de auto die de fietsers had aangereden en van de fietsen die nog altijd zo lagen als ze neer waren gekomen.
Anne ontdekte opeens de fotograaf die er gisteravond ook bij was geweest. Druk baasje, ging het door haar heen. Hij hield zich een beetje afzijdig van zijn collega’s. Bijna alsof hij er niet bij hoorde. Ze ving zijn blik en even keken ze elkaar strak aan.
Het moment was net zo snel weer voorbij doordat een agent in haar blikveld schoof. Zij liep snel achter de brancard aan die door Klinkmüller en Tünnes in de ambulance werd geschoven.
Nadat ze de jongen in een behandelkamer op de eerstehulp verder had onderzocht, had Anne haar handen vol aan patiënten die door huisartsen door waren gestuurd of die uit zichzelf kwamen na een val of een verwonding. Het mooie weer maakte mensen kennelijk onvoorzichtiger.
Het was dan ook niet erg vroeg toen ze eindelijk naar huis kon gaan. Ze had zich omgekleed en liep met haar jas over haar schouder naar haar wagen. Even bleef ze bij haar auto staan, genietend van de avondschemering die vanzelf al een zekere rust met zich meebracht.
Het bezoekuur was afgelopen zodat ook de parkeerplaats behoorlijk leeg was. De auto’s die er nog stonden, behoorden veelal aan het personeel toe. In een van de stilstaande wagens zag Anne opeens een lampje aangaan. Daar zat iemand kennelijk nog iets uit te zoeken. Ze herkende de wagen niet. Het nummerbord was niet zichtbaar en omdat het al zo schemerde, kon ze ook niet goed bepalen welke kleur de wagen had.
Het hoefde natuurlijk helemaal niets te betekenen te hebben, toch noteerde ze in gedachten de gegevens die ze wel vast kon stellen. Het merk, de datum en het tijdstip. Er waren al eerder auto-inbraken gepleegd, zelfs op een goedbewaakte parkeerplaats als die van de kliniek.
Zodra de man in de auto haar in de gaten kreeg, knipte hij het licht uit en bleef vervolgens doodstil zitten. Een rilling liep over haar rug en ze haastte zich met instappen en wegrijden. Het had vast niets te betekenen. Gewoon iemand die net als zij net klaar was met zijn werk.
Het was niet helemaal toevallig dat hij Lotte terugzag. De strijkservice had hem geïntrigeerd en dankzij haar aanvraag voor de juiste verzekeringen wist hij natuurlijk haar adres. Een telefoontje leerde hem dat ze de kleding op kon komen halen, maar hij mocht het natuurlijk ook zelf komen brengen. Ze had hem de tijden doorgegeven dat ze zeker thuis zou zijn.
Nu stond hij dan bij haar op de stoep, met een plastic tas vol overhemden en shirts, gewassen maar ongestreken. Hij drukte op de bel en wachtte geduldig tot er open werd gedaan.
De glimlach op haar gezicht verbreedde zich toen ze zag wie er voor de deur stond. “Hé, hallo, wat leuk u hier te zien.”
“Dat had ik beloofd,” grijnsde hij. “Ik wil graag van uw diensten gebruikmaken.”
“Natuurlijk, kom verder, dan laat ik u mijn ‘bedrijf’ zien.”
“Komt dat gelegen?” aarzelde Richard.
“Natuurlijk, ik ben eigen baas, dus mag ik zelf mijn werktempo bepalen en wanneer ik wat doe. Al sta ik om twaalf uur ’s nachts nog te strijken, daar zegt echt niemand iets van.”
“De buren misschien.”
“Ha, ha, nee hoor, de muren zijn dik genoeg en zoveel lawaai maak ik niet. Kom verder, alsjeblieft.” Ze hield de deur uitnodigend voor hem open.
Richard stapte naar binnen. Hij wilde haar werkkamer best eens zien. Zo kon hij meteen beoordelen of de verzekeringen die hij voor haar had gekozen afdoende waren, hield hij zichzelf voor. Een enkele keer ging hij naar bedrijven toe met dat doel. Hier was het helemaal niet nodig, dat wist hij nu al.
Lotte leidde hem rond door de woonkamer. Hij ving een glimp op van een nette, kleine keuken die half verscholen achter een hoge muur geplaatst was. De kamer bood uitzicht op een smalle, lange tuin met een schuurtje achterin.
Het huis was een slag kleiner dan waar hij in woonde, toch oogde het hier een stuk gezelliger dan bij hem. Dat kwam natuurlijk ook doordat Marian een deel van hun meubels mee had genomen toen ze in haar appartement was gaan wonen. Het was nog altijd een beetje kaal bij hem in huis omdat hij nog niet de moed had gevonden om iets nieuws te kopen. Het was nu ook weer niet zo dat hij vanuit ingepakte dozen moest leven. Hetgeen ze hem gelaten was, was voldoende om normaal mee te kunnen leven. Als je tenminste niet meer dan één persoon per keer te eten vroeg en de tuinstoelen waren goed genoeg om ter vervanging van de bank te dienen.
Een deur in de woonkamer leidde naar de bovenverdieping.
“Mijn werkruimte is boven. Op de kamer aan de voorkant. Zo kan ik ook precies in de gaten houden of er klanten voor de deur staan,” legde ze uit.
De werkruimte was professioneel ingericht, constateerde hij. Er hing zelfs een plat beeldscherm aan de muur. Tja, je moest ergens naar kijken als je aan het strijken was.
“Dat ziet er goed uit. Je hebt geen half werk gedaan met het inrichten hiervan,” zei hij bewonderend.
Lotte kleurde rood op haar wangen en keek hem glunderend aan. “Dank je wel. Het heeft even geduurd voor ik de moed bij elkaar wist te rapen om naar de bank te stappen en een lening aan te vragen om die dure pers te kunnen kopen, maar nu kan ik nog veel meer aan.”
“Ik begrijp het volkomen. Knap dat je met zoiets eenvoudigs toch een flink belegde boterham kunt verdienen.”
Weer glunderde ze voldaan. “Het is inderdaad simpel werk. Er zijn echter hele volksstammen die hiervan hun broodwinning hebben gemaakt. Dat was vroeger al zo, toen werd het strijkwerk in de rijkere gezinnen al uitbesteed, en daarin is nog niet veel veranderd.”
“Airco, denk ik dan aan,” zei hij prompt.
“Airco?” vroeg ze verbaasd.
“Ja, bedenk eens hoe vochtig warm het hier gaat worden als het straks zomer is. Nu heb je al een paar ramen openstaan om de warmte kwijt te kunnen, als het echt zomer wordt en flink warm, smelt je hier vast weg.”
Ze knikte langzaam. “U hebt gelijk. Daar heb ik nog helemaal niet aan gedacht. Ik hoef niet veel te stoken hier, dat weet ik wel. Door de warmte van het strijkijzer en de pers wordt het vanzelf warm.”
“Precies, nu is dat lekker, maar straks is het niet om uit te houden zo warm.”
“Wat een geweldig idee.” Ze keek hem breed glimlachend aan en blikte daarbij recht in zijn ogen. Even leek er iets heen en weer te gaan tussen hen.
Verward richtte Richard zijn blik op de rekken waaraan kleren op hangertjes hingen, alles voorzien van een nummer. Wat gebeurde er daarnet? Wat was dat?
De stilte tussen hen duurde langer dan normaal en werd zelfs iets ongemakkelijk. Ook Lotte leek getroffen door diezelfde verwarring die hij voelde.
“Eh, u had het over strijkwerk,” mompelde ze met een hoogrode kleur.
“Strijkwerk?” herhaalde hij. Opeens bemerkte hij de zak die hij nog altijd in zijn hand hield. “O ja, strijkwerk! Natuurlijk, daar kwam ik voor. Ik heb wat spullen die gestreken zouden moeten worden. Lukt dat?”
Ze lachte lief naar hem. “Vast wel,” en stak een hand naar hem uit.
Hij staarde er niet-begrijpend naar en besefte eindelijk, nadat ze een paar keer nadrukkelijk naar de zak in zijn hand had gekeken, dat ze het strijkgoed van hem over wilde nemen. “Sorry. Hier is het.”
Lotte knikte zwijgend, schreef zijn naam op een strookje en plakte het corresponderende nummer op de zak. “Is maandag op tijd?”
“Huh? Waarvoor?” mompelde hij nog altijd een beetje van slag.
“Dan zijn uw kleren gestreken.” Ze glimlachte weer naar hem met die lieve lach. Er leken lichtjes te glinsteren in haar ogen. Ogen van een diepe kleur bruin, zag hij nu.
“Oh, eh, ja, dat is goed, hoor,” stamelde hij, opnieuw van slag door haar boeiende ogen.
Lotte sloeg haar ogen neer en lachte zacht. “Hier is uw bonnetje. Zal ik de kleren bij u thuisbrengen als ze gestreken zijn? Ik bezorg ze na zes uur, omdat dan de meeste mensen wel weer thuis zijn.”
“Nee, dat is niet nodig,” zei hij snel. “Ik kom ze graag hier ophalen als je het niet erg vindt.”
“Natuurlijk niet, maar dan moet u wel voor zes uur komen, anders ben ik aan het rijden.”
“Ja, ja, dat snap ik. Natuurlijk. Maandag voor zes uur. Dat gaat me wel lukken.” Hij bleef nog wat om zich heen staan kijken naar de werkruimte waarin Lotte zijn kleren straks zou strijken. Dat veroorzaakte een aparte kriebel in zijn maag. Honger, dat was het natuurlijk. Het was ook al bijna half zes zag hij op de grote klok die tegen de muur hing.
Lotte keek hem nog altijd glimlachend aan. In haar ogen schitterden weer die lichtjes. Hij moest gaan, natuurlijk moest hij gaan. Straks ging ze nog rare dingen van hem denken.
“Dan ga ik maar,” dwong hij zichzelf te zeggen. “Ja, ik ga naar huis. Hoogste tijd. Jij moet natuurlijk zo meteen gestreken kleren weg gaan brengen.”
“Precies, ik rijd op maandag-, woensdag- en vrijdagavond. Dus vanavond ook,” knikte ze.
“Mooi, mooi,” mompelde Richard. Nog altijd bleef hij staan dralen tot Lotte een stap in de richting van de deur deed. “Ja, ik zal eens gaan. Ik sta je hier maar van je werk te houden. De verzekeringen die je genomen hebt zijn prima, hoor. Niets mis mee, niet te veel en zeker niet te weinig. Je bent voldoende verzekerd.”
Een paar minuten later, toen hij weer op straat stond, kon hij zich wel voor zijn kop slaan. Wat had hij stom staan bazelen. Hij had zich als een idioot gedragen. Wat dacht ze nu van hem? Dat hij een rare kerel was die ze beter uit de weg kon gaan? Vast wel. Met grote passen liep hij naar zijn auto die een eindje verderop geparkeerd stond.
Hij bleef een poosje zitten en probeerde in gedachten terug te halen wat hij tegen Lotte had gezegd. Dat had hij goed verpest, was zijn conclusie. Het zou hem niet eens verbazen als ze hierna helemaal geen kleren van hem meer wilde strijken. Dat kon hij haar dan niet eens kwalijk nemen.
Op zaterdag was het gelukkig niet zo druk als door de week. Alleen de ernstige gevallen bleven binnenkomen, maar dat was allemaal te overzien. Anne behandelde wonden veroorzaakt door een gebarsten ruit, haalde nietjes uit iemands hand en hechtte een akelig uitziende snee die veroorzaakt was door een handzaag. Typische ongelukjes van de zaterdagklusjes van de doe-het-zelver.
Het werd na het middagbezoekuur even wat rustiger zodat ze naar boven kon om haar patiënten te bezoeken. Ze liep door de nu rustige gang rechtstreeks naar de kamer waar Klara Stahlmann lag. Het opgewekte gedrag van de jonge vrouw had haar verrast. Het paste sowieso al niet bij iemand die gewond in het ziekenhuis lag, en nog veel minder bij een sportvrouw die toen ze opgehaald werd er overduidelijk van baalde dat ze nu uitgeschakeld was voor een belangrijke wedstrijd. Dat rijmde gewoon niet met elkaar.
Ze keek even om het hoekje van de kamerdeur. Klara was alleen en wakker. “Hallo, mag ik binnenkomen?” vroeg Anne.
“Dokter Maas, natuurlijk. Gezellig dat u weer langskomt,” was de reactie van de jonge vrouw.
Anne moest zich wel heel sterk vergissen als Klara niet gehuild had. Haar ogen waren rood en licht gezwollen. Toch niet zo vrolijk dus. “Alles in orde?” vroeg ze dan ook. “Heb je pijn?”
“Nee, dat valt reuze mee. Niets aan de hand,” glimlachte ze dapper.
“Oké,” knikte Anne. Ze hoefde het niet direct te vertellen, meestal namen patiënten haar na verloop van tijd toch wel in vertrouwen over de dingen die hen dwarszaten. “Je had het woensdag over een mountainbikewedstrijd waar je voor aan het trainen was. Waar wordt die gehouden?”
“In Haltern am See. Een mooi parcours door de velden en bossen.”
“Fiets je al lang?”
“Dat kun je wel zeggen,” grijnsde Klara. “Ik begon op mijn tiende te fietsen en deed op mijn elfde voor het eerst mee aan de wedstrijden. Daar werd ik meteen derde.”
“Ben je zo goed?”
“Ja, eigenlijk wel,” gaf ze toe met een bescheiden grijns. “Ik heb de nodige bekers en medailles op mijn kamer staan en hangen. Vorig jaar werd ik landskampioen bij de dames en dit jaar moet ik dus mijn titel verdedigen.”
“Lijkt me een zware sport. Je fietst toch de hele tijd heuveltje op en weer af door de modder?” Anne had weleens iets daarvan gezien, niet dat ze zo’n fanatieke volger was van allerlei sporten. Als vrouwen zo hoog eindigden, vond ze dat fantastisch. Daar had ze wel bewondering voor.
“Je moet er inderdaad wel wat kracht voor hebben.” Ze klopte op haar ingegipste been. Haar bovenbeen was inderdaad aardig gespierd. “Tegen de tijd dat ik uit het gips kom, is hier vast niets meer van over.”
“Daar kon je weleens gelijk in hebben. Dat kost je toch wel een seizoen om weer op hetzelfde niveau te komen?”
“Dat zit er dik in en dan is het nog maar afwachten hoe mijn schouder het houdt.” Klara streek door haar haren. “De banden zijn natuurlijk behoorlijk uitgerekt door die klap. Gelukkig waren ze niet helemaal doorgescheurd.”
“Je steunt natuurlijk veel op je armen op zo’n fiets,” bedacht Anne. “Je zult fysiotherapie nodig hebben als het gips eraf gaat.”
“Ach, ik zie nog wel.”
“Is je familie al op bezoek geweest?” gooide Anne het over een andere boeg. Over de genezing en hetgeen Klara straks wel of niet kon doen, was nu nog niet zoveel te zeggen.
“Jawel, hoor.”
“Flink geschrokken natuurlijk,” gokte Anne.
“Dat is nog zachtjes uitgedrukt. Pa was woest op die oude man.”
“Ik kan hem geen ongelijk geven. Je bent nog goed weggekomen,” wist Anne. “Je droeg gelukkig een helm, maar dan nog kun je akelig vallen en je nek breken.”
“Ik weet het. Er zijn nogal eens valpartijen, dat kun je je wel voorstellen in het bos en de velden. Een jongen van onze vereniging is bij een wedstrijd, een paar jaar geleden, zo slecht terecht gekomen dat hij voor de rest van zijn leven verlamd is en in een rolstoel zit.” Klara schudde met een ernstige blik haar hoofd. “Dat het zo erg mis kan gaan, vergeet je het liefst zo snel mogelijk, anders wordt het onmogelijk om een goede prestatie neer te zetten. Dan rijd je steeds met in je achterhoofd dat je voorzichtig moet zijn. Met voorzichtigheid win je helaas geen wedstrijden. Mijn vader is trainer van de jeugdploeg. Hij weet dus als geen ander wat deze val betekent voor mijn fietscarrière.”
“O jee. Dat is dan een dubbele tegenslag voor hem. Is hij fanatiek als vader van een kampioen?” Anne zag ze weleens langs de lijn staan als ze een gewonde op hadden moeten halen van het veld. De vaders waren vaak nog feller dan de jonge voetballertjes zelf.
“Ha. Pa en fanatiek. Dat kun je wel zeggen. Als ik het eens niet zag zitten en een mindere dag had, moest ik de week erna dubbel zo hard trainen. Dat was lang niet altijd even leuk.”
“Dat je dit jaar niet mee kunt doen, is voor hem dus een grotere teleurstelling dan voor jou. Of zie ik het verkeerd?” opperde Anne voorzichtig.
Klara zuchtte en sloot even haar ogen. “Pa wil het niet horen en zien, maar voor mij komt dit ongeluk op een perfect tijdstip.”
Natuurlijk kon het niet uitblijven dat ze zelfs op zondag uit moesten rukken met de ambulance. Een woningbrand dit keer. De brandweer was al ter plaatse en druk bezig met de bluswerkzaamheden. Politie hield nieuwsgierigen en buurtbewoners op afstand.
Doordat het een smalle straat betrof, moesten ze de ambulance laten staan en een stuk met de ambulance tussen hen in naar het bewuste huis lopen.
Het zou gaan om een alleenstaande, oudere man. Ongelukje met de fritespan.
De man werd naar buiten gebracht, ondersteund door twee brandweerlieden. Zijn gezicht zag zwart van het roet. Hij strompelde meer dan hij liep en liet zich met de hulp van de mannen op de brancard helpen. Anne plaatste direct een zuurstofmasker over zijn neus en mond en gespte hem daarna vast.
Omdat ze de werkzaamheden van de brandweer belemmerden, reden Klinkmüller en Tünnes de brancard direct naar de ambulance. Daar zouden ze de man verder onderzoeken en zo nodig stabiliseren.
Met de ogen gesloten lag hij op de brancard, af en toe vertrok zijn mond van pijn. Had hij brandwonden? Hoe ernstig? Was hij gekoeld in die tussentijd? Vast niet, gokte Anne.
De mensen die stonden toe te kijken, gingen stuk voor stuk opzij om de brancard door te laten. Eén man echter bleef even staan. Een paar seconden maar, maar dat was voldoende voor Anne om hem te herkennen. Althans, herkennen; ze wist dat ze hem de afgelopen dagen meerdere malen gezien had, als fotograaf. Ook nu hing er een fototoestel om zijn hals.
Hij keek haar een kort moment strak aan. Kende ze die man? Behoorde ze hem te kennen? Hij schoof opzij en nam nog snel een foto van… haar? Had hij echt een foto van haar genomen? Wat voor nieuwswaarde had zij?
Eenmaal in de ambulance had ze echter geen tijd meer om daar lang over na te denken. De oude man begon te kreunen en greep naar zijn borst. Een hartaanval? Anne gaf bevelen aan haar team. Zelfs in de nauwe beslotenheid van de ambulance stonden ze elkaar niet in de weg, maar werkten ze geroutineerd samen. Ieder kende zijn plaats.
Klinkmüller knipte de trui en het overhemd van de man snel open zodat de borst ontbloot werd. Anne controleerde zijn hartslag en sloot de plakkers aan op de hartbewaking. Omdat de man zijn kaken strak op elkaar geklemd hield door de pijn, lukte het haar niet hem een pufje nitroglycerine toe te dienen.
Zijn hartslag werd trager en onregelmatiger tot hij helemaal verdween. “Staat de AED aan?” vroeg Anne.
“Opgeladen,” knikte Klinkmüller.
“Oké, aansluiten dan en vrijmaken.”
Ze moesten hem tot twee keer een elektroshock toedienen voordat het trage ritme van zijn hart weer op gang kwam. Anne legde daarna snel een infuus aan en diende hem medicijnen toe.
“Oké, hij is stabiel, we kunnen naar de kliniek, Tünnes,” zei ze tegen de chauffeur. Ze bleef bij haar patiënt zitten om hem in de gaten te houden terwijl Klinkmüller de centrale inseinde dat ze er aan kwamen met een patiënt met brandwonden, die zojuist een hartaanval had gehad.
Pas toen ze even rustig in haar kantoortje zat om een verslag te schrijven, dacht ze weer aan die man met zijn camera. Natuurlijk gebeurde het vaker dat ze journalisten en fotografen herkende. Dat was onvermijdelijk. De persmuskieten verschenen vroeg of laat bij een ongeluk dat ze op de scanner van de hulpdiensten hadden opgepikt. Deze man had ze nooit eerder gezien. Ook was het wel heel toevallig dat hij precies bij alle ongevallen verscheen waarbij zij ook aanwezig was. In ieder geval de afgelopen dagen. Geen van de andere journalisten had ze in die tijd meerdere keren gezien. Niet dat ze zich kon herinneren in ieder geval. Misschien moest ze er toch eens op gaan letten. De manier waarop hij haar aan had gekeken. Tot twee keer toe had hij haar echt bewust aangekeken. Ze huiverde even. Rare kerel.
Meer tijd om erover te piekeren kreeg ze niet. Haar pieper ging. Een dringend verzoek naar de eerstehulp te komen. Ze snelde erheen en was nog net op tijd om een man op een bed naar binnen te zien rijden die door een man en een verpleegster werd geflankeerd.
“Wat is er gebeurd?” vroeg ze direct.
“Schotwond,” mompelde de man. Zijn ogen lieten de ander, die kreunend van de pijn op het bed lag, geen seconde los.
Een schotwond? Anne vermande zich snel. Dergelijke dingen kwamen gelukkig niet al te vaak voor in hun kliniek. Het moest in de buurt gebeurd zijn. Ze vroeg niet verder, wilde niet eens weten of het een ongeluk was geweest of dat de man met opzet was neergeschoten. Dat mocht de politie uitzoeken.
Eenmaal in een behandelkamer werkte de verpleegster de andere man naar buiten en hielp ze daarna Anne mee met het verwijderen van de kleding van de gewonde. Hij had een schotwond in zijn buik. Tijdens het korte onderzoek verloor de man het bewustzijn.
“Dat wordt opereren,” mompelde Anne. De man had al veel bloed verloren, getuige de met bloed doordrenkte kleding. Zijn bloeddruk en hartslag waren gelukkig nog goed genoeg. Hij was vast flauwgevallen van de pijn.
Ze legde snel een infuus aan. “Kun je bloed regelen, Sabine? Ik zal de operatiekamer inlichten dat we eraan komen.” Vanwege het weekend was niet het hele team artsen aanwezig, maar wel oproepbaar.
Toen Anne samen met Sabine het bed met daarop de man met de schotwond de kamer uitreed om naar de operatiekamer te gaan, werden ze tegengehouden door degene die hem gebracht had.
“Gaat hij het redden?” vroeg deze met een benepen stem. Het zweet parelde op zijn voorhoofd en hij had een bleke gelaatskleur. Zijn ene hand zat in de zak van het jack dat hij ondanks de warmte in de kliniek nog altijd droeg. De andere hand speelde nerveus met de omhooggeschoven ritssluiting.
“Daar ga ik wel van uit. Wij gaan er in ieder geval ons best voor doen,” antwoordde Anne.
De man knikte, draaide zich om en beende met grote passen weg.
Anne stond een moment perplex. “Hé, meneer, we hebben wel gegevens nodig van uw vriend,” riep ze hem na. Hij bleef echter niet staan, maar zette het op een hollen. “Shit, dat zal ons toch niet gebeuren.” Anne diepte vlug haar telefoon op uit haar zak en belde naar de bewaking. “Een man met een donkerkleurig jack aan. Hij komt zo meteen uit de ingang van de eerstehulp. Nerveus, bleek gezicht. Tegenhouden, alsjeblieft,” gaf ze de cryptische boodschap door aan de bewaking.
“Zou hij dit op zijn geweten hebben?” vroeg Sabine. Haar ogen glommen van opwinding.
“Geen idee, maar hij kan daarover beslist wat meer helderheid verschaffen dan onze vriend hier. Het zal nog wel even duren voordat hij bij kennis is.” Hun patiënt was nog altijd buiten kennis, door het verlies van bloed of door de pijn. Dat was onduidelijk. “Naar de operatiekamer, Sabine. Die andere kerel is voor de bewaking.”
Het hele weekend had hij zich druk lopen maken over zijn reactie op Lotte. Had hij zich niet belachelijk gedragen? Overdreven gereageerd? Ze dacht nu vast dat ze met een idioot te doen had en zou hem natuurlijk niet meer terug willen zien. Als ze vanavond afstandelijk of boos reageerde, wanneer hij zijn kleren weer op kwam halen, zou hij een volgende keer niets meer brengen, nam hij zich direct voor. Hij wilde zich niet volslagen belachelijk maken tegenover die vrouw.
Richard was het daten verleerd. Al die tijd dat Marian bij hem weg was, had hij toch de stille hoop gehad dat ze terug zou komen. Dat ze ontdekte dat ze toch niet zonder hem kon. Vandaar ook dat hij de meegenomen meubels niet vervangen had door nieuwe. Sinds hun laatste ontmoeting besefte hij dat het voorgoed afgelopen was. Ze kwam niet meer terug en hij moest door met zijn leven. Het was alsof hij eindelijk een knop in zijn hoofd om had kunnen zetten. Het voelde zelfs bevrijdend. Was hij daarom extra ontvankelijk geweest voor de charmes van andere vrouwen? Nooit eerder had hij zo gereageerd op een vrouw, zeker niet op een klant van hem.
Het hele weekend had hij aan niets anders kunnen denken dan aan Lotte. Was dat wat mensen bedoelden met verliefd zijn? Hij herinnerde zich niet veel meer van vroeger, hoe het met Marian was geweest. Ze waren altijd samen geweest naar zijn idee. Vanaf de middelbare school in ieder geval. Ze kregen op vrij jonge leeftijd al verkering, voor beiden de eerste keer, en dat bleef het ook.
Hij was met zijn eerste liefde getrouwd en nu was hij door haar verlaten en verguisd. Op het moment dat hij een vrouw tegen het lijf was gelopen waarvoor zijn hart sneller ging kloppen, had hij geen idee wat hij moest doen om haar te laten merken dat hij haar leuk vond. Echt leuk.
In de kantine van de bank zag Richard vaak met leedvermaak het geflirt tussen de jonge meiden en mannen aan. Om zich zo te gedragen leek hem zo dwaas, maar hoe moest hij anders haar aandacht trekken? De verzekeringen waren in orde. Vanavond had hij een reden om terug te gaan. Zijn kleren.
Oké, hij zou het van haar reactie af laten hangen, besloot hij. De hele dag was hij onrustig, liep tig keer naar de waterautomaat op de gang en beet op zijn nagels. Een slechte gewoonte waarvan hij gemeend had er al jaren van verlost te zijn.
Eindelijk was het vijf uur en kon hij zijn kantoor afsluiten. In de toiletten rook hij onder zijn oksels. Hij rook nog fris. Moest hij snel langs huis rijden om iets anders aan te trekken? Was het nette pak dat hij voor zijn werk droeg niet te formeel? Idioot, schold hij op zichzelf, alsof Lotte vanavond tijd voor hem had. Alsof ze hem überhaupt als iets anders dan een klant zou bezien.
Hoofdschuddend verliet hij de toiletten, trok zijn jas aan en ging naar de parkeergarage om zijn auto te halen. Iets voor half zes reed hij de straat in waar Lotte woonde. Hij zocht een plaatsje voor zijn wagen en liep naar haar woning.
Zijn hart zat zowat in zijn keel. Het zweet stond in zijn handen en ook zijn rug voelde klammig aan. Het was maar goed dat hij alleen het wasgoed op kwam halen. Nu rook hij vast en zeker naar zweet.
Lang hoefde hij niet te wachten nadat hij op de bel had gedrukt. De deur werd prompt opengedaan.
Ze toverde een stralende lach op haar gezicht. “Meneer Hahn,” riep ze uit. “Komt u binnen, alstublieft.”
“Alleen als je dat meneer laat varen en me Richard noemt.” Hij verbaasde zichzelf met die opmerking. Hoe durfde hij zoiets te zeggen?
Ze giechelde tot zijn grote verbazing verlegen en er verscheen een paar rode blosjes op haar wangen. Hij grijnsde schaapachtig en volgde haar naar binnen toen ze een gebaar met haar hand maakte. Liet ze al haar klanten binnen als ze hun strijkgoed op kwamen halen? Toch niet zeker?
Ze dribbelde naar een paar grote bakken waarin verschillende zakken lagen met de opdruk van haar strijkbedrijfje. De zak met zijn kleding lag echter niet op die grote stapel, maar apart.
“Hier zijn je kleren. Ik hoop dat je tevreden zult zijn over mijn werk,” zei ze.
“Vast wel.” Richard diepte zijn portemonnee op uit zijn jas en betaalde haar het verschuldigde bedrag.
“Dank je wel,” mompelde ze en ze propte het geld nonchalant in haar broekzak.
“Heb je het druk komend weekend?” waagde hij het te vragen. Waar haalde hij het lef vandaan? ‘Je bent zielig en een grote dwaas als je denkt dat een vrouw op jou zit te wachten, Richard Hahn’, hoorde hij Marian in gedachten weer tegen hem zeggen. Dat had ze meerdere keren tegen hem gezegd telkens wanneer hij probeerde haar op andere gedachten te brengen en hun huwelijk niet voorgoed voorbij te verklaren.
“Valt wel mee.” Lotte keek hem verwachtingsvol aan.
Opeens wist hij niet meer wat te zeggen. Hij stelde zich aan als een dwaas, een zielige dwaas. Lotte zou hem vast uitlachen achter zijn rug. Hij schudde abrupt zijn hoofd. “S…sorry, waar zit ik met mijn gedachten? Ik… ik heb zelf geen tijd. Helemaal vergeten,” stamelde hij. Met een ruk draaide hij zich om en rende haast terug naar de voordeur. Die ging gelukkig bij de eerste poging direct open, waarna hij de straat op kon rennen en naar zijn auto vluchtte.
Zodra Anne die woensdagochtend weer in de kliniek verscheen, werd ze aangeschoten door Margit Boller, de receptioniste van de Landau-kliniek.
“Anne, juffrouw Stahlmann heeft naar je gevraagd. Gisteren al.”
“Echt? Waarom heb je me dan niet gebeld? Ik was gewoon thuis,” zei Anne.
“Zo dringend was het niet, zei ze. “Bovendien heb jij ook recht op je vrije dagen.” Margit keek haar belangstellend aan. “Heb je enig idee waar het over kan gaan?”
“Geen flauw idee,” schudde Anne haar hoofd. Ze wierp een blik op haar horloge. “Het is nog een beetje te vroeg om nu al te gaan. Ik ga na de bespreking wel even naar haar toe.” Ze knikte naar Margit en liep verder naar de ruimte waar alle artsen ’s morgens bijeen kwamen om de komende dag te bespreken.
Na de bespreking schoot ze Felix Landau nog even aan, de geneesheer-directeur van de kliniek, en vroeg hem naar de ontwikkelingen van de man met de schotwond. “Ik ben maandag wel naar de politie geweest om die andere man te beschrijven en om foto’s te bekijken, maar zij laten helemaal niets los. Ligt die beschoten kerel nog hier?” wilde ze weten.
“Nee, gelukkig niet. Hij is diezelfde avond nog meegenomen door de politie en bij een gevangeniskliniek afgeleverd. Ik was allang blij dat de pers er geen lucht van heeft gekregen dat jij die neergeschoten bandiet hebt behandeld. Dergelijke publiciteit heb ik liever niet voor de kliniek.”
“En die kerel die hem bracht? Hebben ze die al opgepakt?”
“Helaas niet. Jammer dat hij ontsnapte aan onze eigen bewakers. Hij wist ook de bewakingscamera’s goed te omzeilen. Nergens was hij echt duidelijk op te zien. Hij hield steeds een capuchon ver over zijn gezicht getrokken. Jij en Sabine zijn de enigen die hem goed hebben gezien. Die beide mannen schijnen betrokken te zijn geweest bij een gewapende overval hier in de buurt.”
“Dat klinkt eng.” Anne rilde even. “Moeten wij ons zorgen maken?”
“Welnee. Er zijn vast wel meer mensen die hem gezien hebben bij die overval. Die kerel komt echt niet achter jullie aan, daar ga ik tenminste niet van uit. Mogelijk dat je hem moet identificeren als hij opgepakt wordt, maar dat zal dan ook alles zijn,” meende Felix.
“Laten we het hopen. Ik zit niet te wachten op een crimineel die wraak komt nemen omdat ik hem gezien heb,” mompelde Anne. De man die ze een paar avonden geleden op de parkeerplaats in zijn auto had zien zitten, verscheen weer in haar herinnering. Nee, dat kon niets met deze zaak te maken hebben, gaf ze zichzelf antwoord, dat was immers daarvoor gebeurd. “Goed, ik ga nog even naar boven en dan aan het werk.”
Niet veel later stond ze voor de kamer van Klara Stahlmann. “Goedemorgen, Klara. Alles in orde?”
“Dokter Maas, goedemorgen. U hebt mijn bericht gekregen,” begreep de jonge vrouw. “Het gaat verder goed, hoor. Alles loopt volgens verwachting volgens de orthopeed.”
“Mooi zo, waarover wilde je me spreken?” Anne trok een stoel bij en ging naast het bed van Klara zitten.
“Ik kreeg maandagavond tegen het einde van het bezoekuur opeens bezoek van een man die ik niet ken,” begon Klara.
“Oh, was hij in de verkeerde kamer?”
“Nou, nee, hij moest wel bij mij zijn. Hij zei dat hij onderzoek deed naar het functioneren van bepaalde artsen. Daarbij noemde hij onder andere uw naam.”
“Mijn naam?” reageerde Anne verbaasd. “Dat is nieuws voor mij. Ik kom net bij de geneesheer-directeur vandaan. Die heeft daar niets over gezegd. Zulke zaken worden doorgaans niet in het geheim afgehandeld.”
“Dat kon ik me ook al niet voorstellen. Bovendien zou zo iemand toch niet hoeven wachten tot het bezoekuur, lijkt mij.”
“Dat is ook zo,” mompelde Anne. “Stelde hij zich voor? Zei hij nog meer?” Ze keek de jonge vrouw gespannen aan.
“Sorry, zijn naam kan ik me niet zo goed meer herinneren. Hij mompelde iets vaags en ik had op dat moment niet het besef te vragen die te herhalen. Ik wist ook niet waar het over zou gaan. Pas toen hij weg was en ik er wat beter over nadacht, begon ik het toch wat vreemd te vinden.”
“Dat begrijp ik. Wat vroeg hij precies?”
“Hij wist precies waar en wanneer ik aangereden was en dat ik opgehaald was door uw team. Hij wilde weten hoe ik dat ervaren had. Of er dingen waren gebeurd die ik vreemd had gevonden. En ook zo raar, of ik tevreden was over de behandeling door u. Het leek wel een enquête voor een shampoo of zo. Ik moest punten geven. Nog vreemder vond ik het dat hij niets opschreef. Toen ik daar een opmerking over maakte, liet hij me zijn telefoon zien en zei dat hij het gesprek opnam. Dat mag toch zomaar niet?”
Anne schudde haar hoofd. “Voor opnames moet je vooraf toestemming vragen, tenzij je natuurlijk niet wilt dat de ander te weten komt dat het gesprek opgenomen wordt.”
“Volgens mij deed hij dat ook helemaal niet,” zei Klara. “Als ik op mijn telefoon de opnamefunctie gebruik, brandt er altijd een rood lampje. Op die van hem zag je niks, alleen de tijd. Ik had er later zo’n raar gevoel over, vandaar dat ik het u toch even wilde vertellen.”
“Ik ben blij dat je dat ook hebt gedaan. Kun je beschrijven hoe hij eruitzag? Je hebt hem goed gezien, neem ik aan.”
“Zeker wel,” knikte ze. “Hij zag er eigenlijk heel normaal uit. Niet opvallend of zo. Donker haar, donkere ogen, een normaal postuur. Niet heel erg groot of breed. Een meter vijfentachtig, schat ik hem. Smalle neus. Hij was keurig gekleed in een pak. Echt zo’n kantoorpik, was eigenlijk het eerste wat ik dacht toen ik hem binnen zag komen. Een normale, nette man dus.”
Dertien in een dozijn dus. Er liepen hier dagelijks mannen op wie die beschrijving kon slaan in en uit de kliniek, wist Anne. Aan die beschrijving had ze dus niet zo heel veel. Vreemd dat die man specifieke vragen over haar had gesteld. Ze nam zich voor dit zo snel mogelijk met Felix op te nemen. Misschien wist hij er toch van en was hij het gewoon vergeten door te geven. Dergelijke afspraken werden soms maanden van tevoren gepland. Dat zou een verklaring kunnen zijn. Felix was het vergeten door te geven dat er iemand zou komen, zoiets moest het zijn.
“Was hij toch niet van een of andere universiteit?” bedacht Anne opeens. “Er komen ook nog weleens studenten met vragenlijsten. Hoewel we dat meestal van tevoren weten.”
“Nee, ik kan me niet herinneren dat hij een naam genoemd heeft van wie of wat hij kwam,” schudde Klara langzaam haar hoofd.
“Nou ja,” Anne trok haar schouders op, “het komt nog wel uit waar hij van is. Is je vader al een beetje aan het idee gewend dat je stopt met fietsen?”
Klara had haar de laatste keer toevertrouwd dat ze eigenlijk al langere tijd wilde stoppen met wedstrijdrijden. Ze wilde verder met haar leven en dat kon niet zolang ze die wedstrijden moest blijven doen. Een zware training en een echte baan gingen niet goed samen. Ze had na haar middelbare school een opleiding gevolgd om les te mogen gaan geven. Dat sloot destijds het beste aan op haar strakke trainingsprogramma. Lichamelijke opvoeding had ze gestudeerd. Ze wilde wel les gaan geven, maar dan niet in lichamelijke opvoeding. Een echt vak, had ze vorige keer gezegd. Daarom volgde ze een schriftelijke cursus om maatschappijleer te mogen gaan geven aan leerlingen op de middelbare school. Zonder dat er iemand van wist.
“Hij zegt er opvallend weinig over tegen mij,” antwoordde Klara, “maar tegen mijn moeder des te meer. Arme mam. Nu moet zij al dat gezeur over trainingen, wedstrijden en ondankbaarheid aanhoren. Weggegooid talent noemt hij het, vertelde mam gisteren. Verspilde energie en tijd, als ik echt iets heel anders wil gaan doen. Ik kan zelfs trainer worden van de bondsploeg, betaald nog wel.”
“Maar dat wil jij niet?” gokte Anne.
“Nee, niet echt. Ik wil een normaal leven gaan leiden. Gewoon net als ieder ander van negen tot vijf gaan werken. Ik wil net als iedereen een normaal liefdesleven hebben, met een partner, een geliefde. U hebt geen idee hoe dodelijk dat trainen is voor je sociale leven. Altijd vroeg naar bed, nooit uitgaan. Eeuwig opletten op wat je eet, geen alcohol, niet roken. Alles wat leuk is in het leven mag je niet.”
“Dat klinkt inderdaad niet echt gezellig, zeker niet als je jong bent,” moest Anne toegeven.
“Precies,” knikte Klara heftig met haar hoofd. “Nu ben ik nog jong genoeg om een heel andere richting op te gaan en echt te gaan leven. Hoe langer ik daarmee wacht, hoe moeilijker het zal worden om rigoureus te switchen van baan.”
“Ik kan je in deze alleen maar gelijk geven. Als je hulp nodig hebt om je vader ervan te overtuigen dat je echt aan iets anders toe bent, kun je ook eens met onze psychotherapeut gaan praten. Hij krijgt heel vaak te maken met patiënten die vanwege een ongeluk een heel andere draai aan hun leven moeten geven. Meestal moet hij daarin de patiënt ondersteunen, maar ook de partner of familie, zoals in jouw geval, kunnen het daar moeilijk mee hebben.”
“Hmm, dat lijkt me wel wat,” knikte Klara bedachtzaam.
“Vraag maar aan de verpleging of ze een afspraak voor je kunnen maken met dokter Klein.” Anne stond op. “Ik moet weer aan het werk.”
“Bedankt dat u even langskwam, dokter.”
“Hoelang blijf je nog hier?”
“Vrijdag wordt er nog een keer naar mijn been gekeken. Als die wond goed geneest, krijg ik loopgips en dan mag ik naar huis,” wist Klara.
“Mooi, ik kom misschien voor die tijd nog wel een keer op bezoek. Oh, mocht je die man nog een keer zien, die van de vragen, laat mij dan even oppiepen.”
“Dat zal ik zeker doen.”
Anne verliet de kamer van Klara en ging naar beneden, naar de eerstehulpafdeling. Ondertussen bleef het in haar hoofd malen dat er iemand vragen over haar had gesteld. Waarom, en wie was die man geweest? Was hij nog bij andere patiënten langs geweest? Niet in de kliniek dan toch. De andere gewonden die ze de laatste tijd had opgehaald waren weer naar huis vertrokken. De oude man met de brandwonden en de hartaanval was naar een speciale brandwondenkliniek gebracht. De jongen, van het groepje dat aangereden was door die auto vlakbij hun school, was alleen maar even voor onderzoek meegegaan. Hij was daarna weer naar huis gegaan met zijn moeder die hem op had gehaald. Van alle patiënten van de afgelopen tijd lag alleen Klara nog hier.
Misschien wist Margit er wel meer van, bedacht ze opeens. Iemand moest die man toch verteld hebben waar Klara lag en hoe het met de andere slachtoffers af was gelopen. Wie anders dan de receptioniste was daarvoor de uitgesproken persoon om daarover mededelingen te doen? Het mocht niet, oké, maar die man kon ook met een smoesje die informatie hebben verkregen. Hoe gemakkelijk was het om even te bellen en je voor te doen als een familielid dat het kamernummer van zus, nicht of tante wilde weten.
Misschien kon Margit zich nog wel iets herinneren. Dit was belangrijk. Anne veranderde van koers en liep met stevige pas naar de receptie.
“Margit, heb je even?” vroeg Anne, ze glipte achter de balie en wachtte in het kleine kantoor van de receptioniste tot Margit tijd voor haar had.
“Vertel het eens,” begon ze.
“Kun jij je herinneren dat er iemand langs is geweest of gebeld heeft die vroeg waar Klara Stahlmann lag?”
“Dat vrouwtje van het mountainbiken? Weet je wel dat ze nationaal kampioen is geweest vorig jaar?” trakteerde Margit haar op haar kennis van de sport.
“Dat heeft ze me verteld. Ga me niet vertellen dat jij haar naam herkende?” vroeg Anne verbaasd.
“Nou, toevallig wel. Mijn nichtje fietst ook heel fanatiek, bij de jeugd weliswaar, maar dat kind is gek op alles wat met mountainbiken te maken heeft. Het heeft natuurlijk ook in de krant gestaan dat Klara Stahlmann aan is gereden tijdens een trainingsrondje.”
“Is dat zo?” Daar had Anne nog helemaal niet aan gedacht. Natuurlijk had daar iets over in de kranten gestaan. Een bekende sportster die een ongeluk krijgt, vlak voor een belangrijke wedstrijd nog wel. Had die man daar zijn informatie vandaan gehaald? “Heeft er iemand naar Klara gevraagd? Specifiek naar haar kamernummer gevraagd?”
“Hmm.” Margit keek even bedenkelijk. “Je wilt niet weten hoeveel journalisten er gebeld hebben. In de krant stond vermeld dat ze bij ons ligt. Journalisten zijn net pitbulls, die zoeken net zolang tot ze hun nieuws hebben gevonden. Ik heb gezegd dat juffrouw Stahlmann niet te spreken is, uiteraard, dat is het beleid van de kliniek.”
Dat wist Anne. De kliniek kreeg wel vaker bekende mensen in behandeling die er niet op lagen te wachten lastiggevallen te worden door de pers. Iedereen werd zoveel mogelijk afgeschermd van die nieuwsgierige lui. Dus ook Klara Stahlmann.
“Iemand die zich familie noemde misschien?” vroeg Anne.
Margit schudde met een beslist gebaar haar hoofd. “Nee, onmogelijk. Juist omdat het zo’n bekende naam is, ben ik heel voorzichtig geweest met het verstrekken van informatie door de telefoon. Buiten haar ouders en grootouders is er verder niemand op bezoek geweest. Niemand tenminste die om het kamernummer heeft gevraagd.”
“Ook niet bij de bewaking?”
“Die hanteren een nog veel strenger beleid,” wist Margit.
“Kan iemand anders het kamernummer hebben gegeven? Als iemand weet dat Klara Stahlmann hier ligt, hoe moeilijk is het dan om achter het kamernummer te komen?” vroeg Anne zich hardop af.
“Tja, we houden natuurlijk niet iedereen tegen. Als er iemand zo brutaal is om gewoon door te lopen en boven naar het kamernummer te vragen…”
De rest kon Anne zelf ook wel bedenken. Ze knikte. “Hij kan het inderdaad zo gedaan hebben.”
“Is ze lastiggevallen door een man?” vroeg Margit bezorgd.
“Dat niet. Ze heeft bezoek gehad van een onbekende man. Hij stelde vragen over mij en hoe ik haar behandeld had,” vertelde Anne. Margit was al vaker een waardevolle bron van informatie gebleken. Ze werd vaak schertsend de ogen en oren van de kliniek genoemd. Als iemand iets over een onderzoek wist, was zij het wel.
“Wat vreemd.” Margit streek peinzend over haar hals.
“Hij beweerde een onderzoek te doen naar het functioneren van de artsen.”
“Daar is mij niets van bekend, maar ik ga het voor je uitzoeken, Anne,” beloofde Margit.
Hoewel hij zelf een mogelijke afspraak met Lotte in de kiem had gesmoord, sloeg de twijfel toch weer toe. Waarom zou hij haar niet nog een keer bellen en vragen of ze zin had iets met hem te gaan drinken? Zonder bijbedoelingen. Richard staarde naar het kaartje in zijn hand. Hij had haar nummer.
Hij tikte met het kaartje op de tafel. Maandag was hij haar huis ontvlucht, in paniek, omdat hij niet wist hoe hij zich moest gedragen als hij echt een date wilde met een leuke vrouw. Lotte was heel erg leuk. Ze had toch goed gereageerd op zijn vraag of ze tijd had? Hij was alleen zo’n idioot geweest door die uitnodiging plotseling weer in te trekken en er vandoor te gaan.
Zoiets stoms viel natuurlijk niet meer goed te praten. Peinzend liep hij een paar keer door zijn woonkamer op en neer. Nee, schudde hij zijn hoofd. Hij had het verpest. Ze wilde vast niets meer met hem gaan drinken. Hij had een kans gehad en die voorbij laten gaan. “Pech gehad, jongen,” mompelde hij.
Volgende keer beter. Als er een volgende keer zou komen dat hij een vrouw tegenkwam die hij leuk vond en zij hem.
Met een zucht trok hij de kastdeur in de keuken open en noteerde op een briefje wat hij aan boodschappen in huis moest halen. Donderdagavond was zijn vaste boodschappenavond. Even later zette hij een tas met lege flessen in de achterbak en stapte in de auto.
Gewapend met het boodschappenlijstje en een karretje reed hij de winkel in. Richard werkte volgens een vast systeem. Hij had er een hekel aan kriskras door de winkel te lopen en werkte dan ook schap voor schap af. Groenten, brood, zuivelproducten, vlees, dan de hoek om naar de grote diepvrieskasten en zo verder langs de vleeswaren, wijn en chips.
“Oh, sorry,” klonk het opeens.
Geschrokken keek hij op, de botsing met het andere karretje was zo miniem geweest dat hij die niet eens gevoeld had.
“Hé, jij hier!” Het onderwerp van zijn dagelijkse en nachtelijke overpeinzingen stond opeens voor zijn neus en keek hem met een brede glimlach op haar lieve gezicht aan.
“Hai, Lotte. Jij hier,” grijnsde hij schaapachtig.
“Goh, wat toevallig. Ik kom hier anders nooit. Jij wel?” ging Lotte verder. Haar karretje was niet erg gevuld. “Toevallig moest ik hier in de buurt wat kleding afleveren en ik bedacht opeens dat ik een paar boodschappen vergeten was,” ratelde ze verder.
“Iedere week,” antwoordde Richard.
“Sorry?”
“Ik haal hier iedere week mijn boodschappen. Deze winkels liggen vlakbij mijn huis,” gebaarde hij.
“Oh, natuurlijk, ja. Leuke winkel,” knikte Lotte. Ze bleef staan, lachte wat naar hem, keek om zich heen en toen naar de grond alsof ze niet goed wist wat ze nu moest doen. “Doe je dat wel vaker?”
“Iedere week,” mompelde hij, ook niet goed raad wetend met de situatie.
“Ha, dat bedoel ik niet,” grijnsde ze. “Je liep laatst zo de deur uit. Nou ja, het was meer vluchten. Alsof ik de een of andere ziekte had.”
“Oh,” was alles wat hij wist te zeggen.
“Schrok je ervan dat ik misschien ja ging zeggen op je vraag of we samen iets konden gaan doen in het weekend.”
“Dat heb ik niet gevraagd.”
Weer lachte ze. “Nog niet, maar dat wilde je vragen, toch?”
Hij richtte zijn hoofd op en keek haar aan. Zij, net zo rood in haar gezicht als hij, leek net zo verlegen met de situatie als hij zelf was. Hij grinnikte en haalde zijn schouders op. “Eigenlijk wel.”
“Ja, graag.”
“Wat?”
“Ik antwoord op de vraag die je me stelde.”
“Oh, wat vroeg ik dan?” Richard begreep er niets meer van. Was hij echt zo’n volslagen idioot dat hij niets begreep van wat deze vrouw van hem wilde?
Lotte schudde met een zucht haar hoofd. “Zullen we opnieuw beginnen? Dit schiet niet echt op. Vraag me nog eens een keer of ik het dit weekend erg druk heb.”
Even keek hij haar stomverbaasd aan, maar zag dat ze het meende. Ze keek hem aan met een verwachtingsvolle blik op haar gezicht en ogen die hem smeekten de vraag te stellen.
Richard schraapte zijn keel, draaide zich even om en keerde toen weer terug met een glimlach op zijn gezicht. “Hé, Lotte, wat leuk je hier tegen te komen.”
“Richard, hoi. Hoe gaat het met je?”
“Prima, best. Heb je het heel erg druk?” Hij wiebelde op de bal van zijn voeten heen en weer, zijn karretje stevig met beide handen vasthoudend.
“Wanneer? Nu? Ik ben nog lang niet klaar met het bezorgen van mijn werk.”
“Dat begrijp ik. Maar zaterdag misschien, dan werk je toch niet?”
“Nee, zaterdag ben ik meestal vrij. ’s Avonds in ieder geval. Het wil nog weleens gebeuren dat ik overdag toch wat strijk wegwerk als het heel erg druk is, maar bezorgen doe ik dan zeker niet meer.”
“Mooi, dus ’s avonds heb je niets te doen?”
“Nou, dat nu ook weer niet. Ik kan me meestal wel bezighouden.”
Wat zei ze nu weer? Dat was niet de bedoeling. Hij keek haar verward aan.
“Ik ga ’s avonds nog weleens naar een leuk cafeetje,” ging ze snel verder, “gewoon voor de gezelligheid iets drinken. Anders zit ik ook maar alleen thuis en alleen is maar alleen. Heb je soms zin om mee te gaan?”
Met een zucht van opluchting knikte hij. “Leuk, lijkt me leuk. Naar een cafeetje. Ja, prima. Lang geleden dat ik zoiets gedaan heb.”
“O ja? Wat doe je normaal dan op zaterdagavond? Je zit toch niet in je eentje thuis?” vroeg ze nieuwsgierig.
“Nou ja, dat is te zeggen. Vroeger niet, maar sinds een klein jaar dus wel,” gaf hij toe.
“Oh, zullen we het daar een ander keertje over hebben.” Ze wees over haar schouder. “Ik vrees dat we hier de boel een beetje op staan te houden.”
Hij grijnsde opnieuw als een mak schaap en toen verontschuldigend naar de mensen die ongeduldig stonden te wachten tot ze erlangs konden met hun karretje.
“Zaterdag. Een uur of acht bij mij?” zei Lotte vlug terwijl ze al aanstalten maakte om verder te lopen.
Hij knikte stom en keek haar na. Iemand reed met een kar tegen zijn kuiten aan en vlug liep ook hij verder. Hij had een afspraakje voor zaterdag. Een heus afspraakje met een leuke vrouw, jubelde het in hem.
Anne besprak de mysterieuze bezoeker van Klara met haar team. Dat was ze aan hen verplicht. Zij deden immers de helft van het werk. Zonder een goede chauffeur en een ambulanceverpleger was zij als trauma-arts ook nergens. Als er onderzoek naar haar functioneren werd gedaan, kwamen Tünnes en Klinkmüller daar automatisch ook aan te pas.
“Waarom zouden ze vragen stellen over jou?” vroeg Klinkmüller zich hardop af.
Ze zaten gedrieën in de kantine voor de lunch.
“Geen idee. Margit wist ook van niets,” schokschouderde Anne.
“Dat zegt toch al genoeg. Als zelfs Margit van niets weet, is er vast ook niets aan de hand,” meende Tünnes.
“Dat kan wel zijn, maar als er niets aan de hand is, waarom stelt er dan toch iemand vragen over mij?”
“Tja, daar zeg je zoiets. Ben je de laatste tijd onzacht bij iemand op zijn tenen gaan staan?” vroeg Klinkmüller.
“Hoe bedoel je dat?”
“Dat iemand misschien op zoek is naar een stok om jou mee te slaan,” verduidelijkte hij.
Anne moest daar even over nadenken. Had ze iemand tekort gedaan? Onjuist behandeld of zodanig behandeld dat er daardoor meer letsel was ontstaan? Ze kon zo een-twee-drie niemand bedenken. Oké, waar gewerkt werd, werden ook fouten gemaakt. Het ging weleens mis, maar niet zo ernstig dat ze daardoor op een lijst met ernstige missers geplaatst moest worden.
Ze kon zich nog wel een voorval van een hele poos geleden herinneren. Een kindje dat was gevallen. Het leek een simpele breuk in haar armpje te zijn. Een keurige breuk ook, dat wees de röntgenfoto uit. Pas een paar dagen later kreeg ze opeens ook last van haar schouder. Die bleek ook gebroken te zijn. Eveneens een keurige breuk, die niet eens in het gips gezet kon worden of vastgeschroefd hoefde te worden. Felix had de zaak opgepakt en afgehandeld. Aan haar adres geen verwijten. Waarom zou ze immers gaan zoeken naar andere breuken als het kind daar op dat moment geen pijn aan had? Dat zou als een misser gezien kunnen worden, maar was het zo ernstig dat er daarom vragen over haar gesteld werden? Dat iemand, zoals Klinkmüller zei, op zoek was naar een stok om haar mee te slaan? Dat kon ze zich niet goed voorstellen.
“Is je misschien iets vreemds opgevallen de laatste tijd?” begon Tünnes opnieuw, tussen twee happen van zijn broodje door.
Anne nam een slok van haar koffie en dacht even na. Was haar iets opgevallen de laatste tijd. Ja, dat was wel het geval, die man met zijn fototoestel die telkens opgedoken was. Kon hij hier iets mee te maken hebben? Die vraag stelde ze ook aan de beide ambulanceverplegers.
“Heb je hem echt iedere keer gezien?” vroeg Klinkmüller.
“Volgens mij wel.”
“Iedere keer dat we uitreden of alleen in het weekend en ’s avonds?” ging hij verder.
Daar moest ze even over nadenken. Die keer met die schoolkinderen was overdag geweest. Het ongeval met Klara had vroeg in de avond plaatsgevonden en die brand was in het weekend geweest. Had ze hem daarbuiten niet gezien? Ze waren natuurlijk wel vaker dan die drie keer uitgereden de afgelopen week. De ritjes vanaf huis met patiënten die ze in opdracht van een huisarts op moesten halen. Van de kliniek naar het huis van de patiënten gebeurde ook.
“Nee,” schudde ze haar hoofd, “ik heb hem overdag eigenlijk maar één keer gezien en dat was met die aanrijding bij de school. De andere keren dat ik hem zag staan, was in het weekend en ’s avonds.”
“Dat kan betekenen dat hij overdag werkt.” Tünnes stak een vinger op. “En dat hij de politie– of brandweerscanner afluistert en alleen bij de interessante meldingen in actie komt.”
“Daar hebben we dus nog niks aan,” mompelde Anne. “Dat doen namelijk de meeste journalisten en fotografen.”
“Heb je hem al eerder gezien? Vroeger? Of was het ongeluk met die mountainbike de eerste keer dat je hem zag staan?”
“Tja, dat weet ik eerlijk gezegd niet,” gaf ze peinzend toe. “Het was wel de eerste keer dat hij me opviel.”
“Als je hem nog eens ziet, waarschuw dan even,” zei Klinkmüller. “Misschien herkennen wij hem wel.”
Anne knikte, dat zou ze zeker doen. Drie weten meer dan een. Nu was het alleen wachten op een volgende keer. Als hij zich inderdaad nog een keer zou laten zien.
Lang hoefde ze niet te wachten op een volgende melding. Ze hadden net goed en wel hun lunch op en waren gedrieën op weg naar de eerstehulpafdeling toen de melding binnenkwam van een ongeval met een motorrijder.
“Ik ben benieuwd of onze man zich daar zal laten zien,” mompelde Tünnes.
Niet veel later stoof de ambulance de poort uit en waren ze op weg naar de plaats van het ongeval. Een motorrijder die onderuitging, kwam maar zelden goed terecht. Een motorpak bood wel enige bescherming, maar kon niet voorkomen dat de eigenaar vaak ernstige botbreuken overhield aan zijn val. Zeker bij hoge snelheid of bij een aanrijding met een auto.
Net twee uur, gelukkig niet midden in de spits. Misschien viel het mee, ging het door Anne heen. Ze vroeg zich af of de geheimzinnige fotograaf er zou zijn.
Op de plaats van het ongeval was een klein opstootje ontstaan. Een politieagent praatte hen bij terwijl hij hen begeleidde naar de plaats waar de man lag. “Een eenzijdig ongeval. Deze meneer verloor de macht over zijn stuur op een rechte weg zonder bochten of tegenliggers. We vermoedden eerst dat er alcohol in het spel was, omdat hij niet goed uit zijn woorden kon komen.”
Afasie, ging het door Anne heen, mogelijk veroorzaakt door hersenletsel. Door een val op zijn hoofd. Een motorhelm moest daar tegen beschermen. Of had de man een CVA gehad tijdens het rijden? Ook dat kon er de oorzaak van zijn dat hij niet goed uit zijn woorden kon komen. Met die mogelijkheid moesten ze ook rekening houden.
“Meneer zelf kon niets zinnigs vertellen. Althans, wij begrijpen niet wat hij zegt,” gaf de agent toe.
Anne knikte en knielde neer bij een oudere man, die gekleed was in een zwart motorpak. Hij zat met zijn rug tegen een boomstam, een degelijk uitziende integraalhelm lag naast hem. Hij keek haar wat versuft aan en zijn ene mondhoek leek iets opzij te hangen. Ze begon met het stellen van vragen. Hij gaf zo goed en zo kwaad als het ging antwoord op al haar vragen.
Na een paar minuten moest Anne constateren dat hij lichamelijk niet echt veel overgehouden had aan die schuiver met zijn motor, geestelijk des te meer. Of beter gezegd: zijn hersens leken een behoorlijke opdoffer te hebben gehad. Ze gokte op een CVA, een beroerte, vanwege die scheve mond. Onderzoek zou moeten uitwijzen hoe ernstig deze was geweest.
Nadat de man in de ambulance was geholpen, had Anne voor het eerst de tijd om eens goed om zich heen te kijken. Er waren kennelijk enkele automobilisten gestopt die de valpartij hadden zien gebeuren, of die kort daarna hier waren gestopt om de hulpdiensten te waarschuwen.
Een journalist met een notitieboekje stond met een oudere man te praten. Een fotograaf kon ze niet ontdekken. Ook niet de man die ze eigenlijk hoopte te zien. Hij was er niet.
Toen ze na haar dienst naar huis ging, liet ze haar ogen over de parkeerplaats dwalen. Tegenwoordig keek ze altijd goed om zich heen. Die maat van de neergeschoten man zat haar nog steeds niet lekker, temeer omdat ze nog altijd niet had gehoord dat hij was opgepakt.
Die man zag ze niet, wel die donkere auto. Was het wel dezelfde wagen als vorige week? Ze wist het niet zeker, het was nu een stuk lichter en vroeger. Er reden vast talloze van dergelijke wagens rond. Als ze goed keek, zou ze er vast een stuk of tien hier alleen al op de parkeerplaats tellen, hield ze zichzelf voor. Bovendien zat er niemand in de wagen. Toch?
Ze liep er voorbij en keek nieuwsgierig naar de wagen. Hij stond wel dicht in de buurt van de parkeerplaatsen voor de doktoren, waar haar eigen auto ook stond.
Hé, bewoog er nu iets in die auto? Zat er toch iemand op de achterbank? Door de tamelijk donkere achterruit kon ze het niet goed zien. Ze durfde echter ook niet terug te lopen om nog een keer te kijken. Vlug ging ze verder naar haar eigen auto, ontsloot die en stapte snel in.
Richard zat al een eeuwigheid in zijn wagen, een eindje verderop in de straat waar Lotte woonde. Hij was veel te vroeg hierheen gereden. Om nu al bij haar aan te bellen, stond ook zo gretig, dat moest hij zien te voorkomen. Hij mocht best laten merken dat hij het leuk vond om iets met haar te gaan drinken, maar hij moest het niet overdrijven. Alsof hij nooit iets deed met een vrouw in het weekend.
Eindelijk was het dan vijf voor acht en stond hij zichzelf toe uit te stappen en langzaam naar haar huis te lopen. Op zijn bellen werd er snel opengedaan.
“Hoi, kom binnen, ik moet nog even iets doen,” begroette Lotte hem. Ze hield de deur ver voor hem open en liep vervolgens terug naar de woonkamer.
Richard volgde aarzelend. Hij wist de weg, dat wel, maar behoorde hij niet in de hal te wachten? Langzaam liep hij verder.
Lotte stond voorovergebogen bij de tafel. Ze was bezig met een handtas, leek het wel.
Kennelijk hoorde ze hem en ze richtte zich met een beschaamd lachje op. “Sorry, hoor, ik bedacht op het laatste moment dat ik een kleiner handtasje mee moest nemen. Maar dan moet je weer keuzes gaan maken wat je wel en wat je niet meeneemt. De pepperspray kan ik wel thuislaten, toch? Of was jij van plan je te misdragen?”
Richard kleurde vuurrood van schrik en schudde beduusd zijn hoofd. “Pepperspray? Heb je die weleens nodig gehad dan?”
“Gelukkig niet, maar je weet het nooit natuurlijk. Een vrouw moet tegenwoordig op alles voorbereid zijn,” schokschouderde ze. “Zo, ik ben klaar. Hoe ben je? Met de fiets?”
“Met de auto. Is dat handig? Eigenlijk niet, hè, bedenk ik me nu pas.” Hij stak zijn handen in zijn jaszak, haalde ze er weer uit en wreef over zijn bovenbenen. “Stom van mij, ik had beter met de taxi of met de fiets kunnen komen.”
“Maakt niet uit. Je kunt altijd een taxi terug naar huis nemen. Laat je auto maar staan. Ik zit hier lekker dicht bij de nodige leuke cafeetjes. We gaan te voet.” Ze wees naar de deur en Richard ging haar voor.
Eenmaal op straat stak ze amicaal haar arm door de zijne en zo liepen ze dicht naast elkaar over straat.
“Heb je nog leuke dingen gedaan deze week?” vroeg ze nieuwsgierig.
“Ach, het normale werk. Verzekeringen zijn niet altijd even leuk.” Hij keek even opzij naar haar. “En lang niet iedere week krijg ik even leuke klanten.”
Ze giechelde kort en drukte zijn arm even. “Vertel eens wat meer over jezelf. Jij weet zowat alles al van mij, ik weet helemaal niets van jou. Behalve dan dat je bij de bank werkt en veel van verzekeringen afweet en dat je een voorkeur hebt voor blauwe overhemden en witte shirts.”
Hij voelde opnieuw een warme blos naar zijn wangen schieten toen hij haar aankeek. “Zo interessant ben ik helemaal niet. Eigenlijk ben ik best saai.”
“Daar geloof ik helemaal niets van! Wie is Richard Hahn? Ik mag hopen dat je niet getrouwd bent of een vriendin hebt, anders zouden we hier vast niet samen op straat lopen. Maar verder, ben je getrouwd geweest, heb je kinderen? Ik kan me niet voorstellen dat jij altijd alleen bent geweest. Daarvoor zie je er veel te leuk uit.”
“D…dat kan ik van jou ook wel zeggen,” stamelde hij. “Jij hebt vast eerder een relatie gehad. Dat kan niet anders.”
De plotselinge trieste blik die over het gezicht van Lotte gleed, sprak boekdelen.
“Oh, hemeltje. Dat was niet mijn bedoeling,” zei hij snel.
Ze lachte een beetje verdrietig naar hem. “Maakt niet uit. Ik ben er echt overheen, hoor. Ook al lijkt het soms van niet. Inderdaad, ook ik heb al eerder een relatie gehad. Het bekende liedje eigenlijk. Het nieuwtje van het getrouwd zijn was er voor hem na elf jaar wel af. Hij had het gevoel dat ik hem belemmerde in zijn ontwikkeling. Op een dag kwam hij thuis en verkondigde hij doodleuk dat hij een baan in Portugal had aangenomen. Van de een op de andere dag was hij verdwenen. De scheidingspapieren waren het laatste wat ik van hem heb gezien.”
“Arme jij, wat een rotmanier om aan de kant gezet te worden,” zei hij troostend. “Is het lang geleden?”
“Twee jaar, dus ik behoor er overheen te zijn,” verzuchtte ze. Nu toverde ze weer een lachje op haar gezicht. “Echt hoor, ik ben eroverheen. Ik denk echt nooit meer aan hem.”
Ondertussen waren ze bij het cafeetje aangekomen dat Lotte op het oog had. Ze duwde de deur open en ging Richard voor naar binnen. Ze zochten een tafeltje bij het raam en Lotte bestelde koffie voor hen. “Jij toch ook?” vroeg ze toen de barman alweer weg was.
“Ja, ja, natuurlijk. Lekker. Acht uur is voor mij ook nog een beetje vroeg om aan het bier te gaan,” knikte hij heftig.
“Precies. Nu is het toch echt jouw beurt om iets over jezelf te vertellen,” drong ze aan. Ze leunde iets naar voren toe, haar kin ondersteunend met haar handen en keek hem verwachtingsvol aan. “Vertel.”
Richard haalde even zijn schouders op. “Nou ja, mijn huwelijk is niet echt op een klassieke manier uit elkaar gevallen. Bij ons was er eigenlijk niets aan de hand. We hadden een goed huwelijk, kan ik wel zeggen. Heus. We waren gelukkig met elkaar. Marian kreeg een ongeluk met haar auto. Ze heeft twaalf dagen in coma gelegen. Toen ze daaruit kwam, werd duidelijk dat ze nooit meer de oude zou worden. Ze is verlamd aan haar benen, maar ook haar karakter leek veranderd. De dokters zeiden dat zoiets wel vaker voorkomt bij een coma.” De koffie werd gebracht en Richard zweeg even.
“Goh, dat is niet misselijk. Coma en verlamd.” Lotte keek hem met grote schrikogen aan. “En toen? Waarom ben je dan toch gescheiden? Het lijkt me moeilijk om iemand die zo uit een ongeluk is gekomen in de steek te laten.”
“Nee, nee, dat heb ik ook niet gedaan,” haastte hij zich te zeggen. Hij wilde niet dat ze het verkeerde van hem dacht. Dat hij een invalide vrouw in de steek had gelaten. “Het is niet zoals jij denkt. Ik heb haar niet in de steek gelaten. Zij verliet mij. Ze wilde niet langer met mij getrouwd zijn.”
“Was ze bang dat jij haar zou gaan haten? Dat je haar een blok aan je been zou gaan vinden?” Lottes gezicht sprak boekdelen. Je liet een invalide niet in de steek, ongeacht wat hij zei.
Richard schudde heftig zijn hoofd. “Zo is het echt niet gegaan. Marian wilde niet scheiden omdat ik haar een blok aan mijn been zou vinden. Ik hield van haar, in voor– en tegenspoed. Ik zou altijd bij haar gebleven zijn. Zij wilde mij niet meer. Zij hield al veel langer niet meer van mij, beweerde zij. Eerst kon ik het ook niet geloven, dacht ik hetzelfde als wat jij nu denkt. Maar zo zat het dus niet.” Hij moest een slok van zijn koffie drinken voordat hij verder kon praten. Nog altijd greep het hem aan. Marian wilde hem niet meer, hield niet meer van hem. Ze wilde zonder hem verder. Het ging niet om medelijden of schuldgevoel, of de angst te veel te zijn voor de ander, een last te worden.
“In de kliniek,” ging hij na een poosje verder, “nadat ze bijkwam uit die narcose zag ik al dat ze veranderd was. Ik hoopte tegen beter weten in dat het nog zou omslaan. Mensen die bijkomen uit een coma hebben vaak met een karakterverandering te maken. Ten goede of ten kwade. Marian was boos, kwaad op iedereen, maar vooral op mij. Alsof ik persoonlijk verantwoordelijk was voor dat ongeluk dat haar overkomen was. Ze wilde me niet meer. Nadat ze uit de kliniek ontslagen werd, wilde ze ook direct niet meer bij mij wonen. Ik moest er maar voor zorgen dat al haar spullen ergens anders heen werden gebracht. Haar vader zocht een flat voor haar en daar ging ze wonen. Alleen.”
Lotte keek hem verbijsterd aan. “Dat meen je niet? Deed ze dat echt? Wat wreed. Ze gaf je niet eens een kans!”
“Nee, ik kreeg geen enkele kans meer. Marian heeft het ongeluk aangegrepen om bij mij weg te gaan. Misschien was ze dat daarvoor ook al van plan. Ik heb er in ieder geval geen weet van gehad dat ze niet gelukkig was. Daar heeft ze nooit iets over gezegd, met geen woord.”
“Dat moet echt vreselijk voor je zijn geweest. Hoelang is dat geleden?”
“Het ongeluk gebeurde ongeveer een jaar geleden,” verzuchtte hij. “Dat heeft echt mijn hele leven veranderd. Het heeft ook lang geduurd voordat ik mij erbij neer kon leggen dat ons huwelijk voorbij was. Dat het niet meer goed zou komen en dat ik Marian voorgoed kwijt was.” Was het echt pas een paar weken geleden dat ze hem zowat bij haar deur weg had geslagen? Dat het tot hem doordrong dat hij echt verder moest gaan met zijn leven, zonder Marian. Was dat echt nog maar zo kort geleden gebeurd? Hij schudde langzaam zijn hoofd en begon zachtjes te lachen.
Lotte keek hem verbaasd aan. “Waarom lach je nou? Zo grappig is het toch niet?”
Lachend schudde hij zijn hoofd. “Snap je het dan niet? Als Marian mij niet had verlaten, hadden wij hier niet gezeten. Dus eigenlijk is die scheiding het beste geweest wat mij ooit is overkomen.” Hij lachte nog altijd en pakte haar handen vast.
Ze keek hem aan alsof hij gek was geworden, toch leek er ook iets van een lachje op haar gezicht door te breken.
“Lieve Lotte. Ik heb me eigenlijk nog nooit zo vrij gevoeld, besef ik nu pas.”
Ze schudde haar hoofd en lachte nu vrolijk met hem mee. Om hen heen werd vragend naar hen gekeken. Sommige mensen lachten een beetje met hen mee, ook al hadden ze geen idee wat er nu zo grappig was.
“Het is echt zo,” zei Lotte na een poosje. Ze veegde de lachtranen van haar wangen. “Je hebt helemaal gelijk. Zonder jou en mijn scheiding zouden we hier nooit hebben gezeten. Dan zou ik nooit met die strijkservice zijn begonnen en was ik nooit naar de bank gegaan om een van die verzekeringen af te sluiten. Eigenlijk moeten we onze ex-partners dankbaar zijn dat ze ons hebben verlaten.”
“Precies.” Het gelukzalige gevoel dat nu door hem heen stroomde, wilde hij nooit meer kwijtraken.
Met haar handen nog altijd in de zijne boog hij zich wat verder over het tafeltje heen. Ze keken elkaar diep in de ogen, zagen dingen die voor anderen verborgen bleven. Woorden waren opeens overbodig. Zo zou hij eeuwig kunnen blijven zitten. Ware het niet dat een stel nieuwkomers luidruchtig hun tafeltje passeerde.
Lotte leek opeens weer te beseffen waar ze zich bevonden en liet zich met een vuurrood hoofd terugzakken tegen de leuning van de stoel. “Wil je nog wat drinken?” vroeg ze met zachte stem. “Ik denk dat het nu wel tijd is voor een biertje en een wijntje.”
Klara kwam zelf naar beneden om afscheid te nemen van Anne. In een rolstoel met haar tas op schoot en geduwd door haar moeder, reed ze naar het kantoortje van Anne toe.
“Hé, Klara, ben je klaar om te gaan?”
“Helemaal. Ik was liever voor het weekend al naar huis gegaan, maar vandaag is ook goed.”
“Natuurlijk, maakt niet uit wanneer je naar huis mag. Je gaat als je eraan toe bent en niet eerder,” knikte Anne. “En nu? Kom je nog terug voor de revalidatie?”
“De fysiotherapeut van de club is heel goed. Hij weet vast ook wel wat ik moet doen om weer fit te worden.” Klara schoof wat in de stoel heen en weer en vermeed het Anne aan te kijken.
“Van de club? Ga je toch weer fietsen hierna als je arm en je been weer in orde zijn?” Dat begreep Anne niet goed. Klara wilde toch stoppen met die sport?
“Hmm,” knikte ze, “fietsen zal ik vast wel blijven doen, maar niet meer op wedstrijdniveau, zelfs niet op trainingsniveau.” Klara kleurde rood. “Ik ga me helemaal op mijn studie storten, maar die fysiotherapie zal ik ook nodig hebben.”
Anne snapte er nog steeds niet veel van. Als ze niets meer met die club te maken wilde hebben, waarom riep ze dan wel de hulp in van de fysiotherapeut die er aan verbonden was? Zo kwam ze er toch nog niet van los?
“Jorg zal me nooit dwingen tot iets wat ik niet wil,” zei Klara op zachte toon.
Nu pas begreep Anne wat ze bedoelde: ze was meer dan bevriend met die man. “Aha, jij hebt een privétherapeut,” grijnsde ze. “Dat heb je goed voor elkaar.” Opeens bedacht ze dat Klara’s moeder misschien van niets wist en ze sloeg haar hand voor haar mond. “Oh, sorry, heb ik te veel gezegd?”
“Nee, hoor,” stelde Klara’s moeder haar gerust, “ik ben op de hoogte van de relatie tussen Jorg en Klara, ook al is het nog heel erg pril. Zelfs mijn man weet het en ik denk dat hij stiekem hoopt dat Klara daardoor toch opnieuw zal gaan fietsen.”
“Mooi niet. Jorg staat helemaal achter mijn beslissing,” riep Klara.
“Is hij wel in de kliniek geweest?” vroeg Anne. Ze kon zich ook niet herinneren dat Klara iets over hem had gezegd. Ze had eigenlijk helemaal niet over een vriend gesproken.
“Nee, hij moest net dit weekend met een ploeg naar een wedstrijd.” Ze schokte met haar goede schouder. “We hebben nog niet zo heel lang een relatie. Eigenlijk was er tot een paar dagen voor dat ongeluk helemaal nog geen sprake van een relatie. Vorig weekend kwamen we er pas achter dat we verliefd zijn op elkaar en toen kwam dat ongeluk ertussen. We hebben natuurlijk wel met elkaar gebeld. Jorg weet dat ik niet meer verder wil met de sport.”
“Dat zal moeilijk voor je worden. Zo word je toch iedere keer met het mountainbiken geconfronteerd,” meende Anne.
“Dat geeft toch ook niets. Het is niet zo dat ik absoluut niets meer met de sport te maken wil hebben. Zo is het helemaal niet. Ik wil alleen iets anders met mijn leven gaan doen dan alleen maar fietsen. Voor Jorg is het gewoon zijn werk.”
Klara’s moeder legde een hand op de schouder van haar dochter. “Dokter Maas begrijpt dat vast wel.”
“Natuurlijk begrijp ik dat. Je hoeft ook niet per se iets met het beroep van je geliefde te doen. Stel je voor, zeg, mijn vriend is archeoloog. Ik zie mezelf nog niet met een schepje en een kwastje in de Sahara naar potscherven graven,” grapte Anne. “En hij moet er vast niet aan denken om gewonden op te halen met een ambulance of in de hectiek van de eerstehulp te moeten werken.” Ze stak haar hand uit naar Klara en omvatte haar gezonde hand. “Ik wens je het allerbeste, jou en je vriend. Misschien zien we elkaar nog weleens.”
“Wie weet. Bedankt in ieder geval dat je mijn luisterend oor wilde zijn. Dat had ik wel even nodig na dat ongeluk.” Klara keek haar met een warme blik aan.
Haar moeder overhandigde Anne een doosje bonbons. “Ik hoop dat je van chocolade houdt.”
“Welke vrouw houdt daar nu niet van!” gaf Anne lachend aan. “Dank je wel, we zullen ervan genieten. Het gaat je verder goed, Klara.”
Ze keek de jonge vrouw na die door haar moeder naar de uitgang geduwd werd. Ze hoopte dat Klara inderdaad de weg kon opgaan die ze voor zichzelf had uitgestippeld, samen met haar vriend. Die vader zou vast wel bijdraaien als hij inzag dat zijn dochter serieus was met haar toekomstplannen.
De bonbons en de gedachten aan Klara moest ze voorlopig weer in de ijskast zetten toen haar pieper liet weten dat ze op moest draven bij de ambulance.
“Wat hebben we?” vroeg ze aan Tünnes.
“Een botsing in de stad. Twee auto’s, de aangereden chauffeur klaagt over zijn nek en heeft geen gevoel meer in zijn benen,” antwoordde hij.
“Oké, rijden maar.” Anne klikte haar gordel vast.
Binnen niet al te lange tijd waren ze al bij de botsing aangekomen. Er stond politie bij. Niet veel nieuwsgierigen, een paar omwonenden. Anne zag hem dit keer meteen. Dat kon ook haast niet anders met zo weinig kijkers. Hij deed ook niet echt moeite zich te verbergen, keek alleen maar naar wat Anne en haar team deden.
Terwijl ze bezig waren de man van de aangereden auto op de brancard te leggen, stootte ze Klinkmüller aan. “Daar staat onze man,” fluisterde ze.
De verpleger draaide onopvallend zijn hoofd en bekeek de man. Dit keer had hij niet eens een camera bij zich. Geen fotograaf dus? Eenmaal in de ambulance kon ze ook Tünnes op de man wijzen.
“Is dat hem? Weet je dat zeker?” Tünnes keek nog eens. Hij stond tussen de geopende deuren van de ambulance.
“Ken je hem?”
“Volgens mij wel, maar hij is geen journalist. Dat weet ik zeker.”
Anne knikte. Ze moesten zich nu concentreren op hun patiënt.
Nadat ze terug in de kliniek waren en de gewonde hadden overgedragen aan Felix Landau, die tevens neuroloog was, hadden ze even tijd om terug te komen op hun ontdekking in de stad.
“Ken je hem echt, Tünnes?” vroeg Anne aan de chauffeur.
“Jazeker. Ik weet nog niet precies waarvan, maar daar kom ik wel op. Volgens mij heeft hij iets met een patiënt te maken die we een keer hebben opgehaald. Ik kom er nog wel op, geef me even de tijd.”
Anne knikte. Het was deze zondag niet zo heel erg druk met binnenkomende patiënten. Ze moesten nog een keer uitrijden om een man op te halen die een hersenbloeding had gekregen. In een bejaardentehuis, zonder kijkers.
Steeds als Anne Tünnes zag, keek ze hem vragend aan. Telkens schudde hij zijn hoofd. Dat duurde nog tot de overdracht van hun dienst.
“Ik weet het, Anne,” zei hij opeens in de kleedkamer. “Ik weet wie die man is die ons steeds volgt!”
“Echt?” vroeg ze hoopvol. “Vertel op dan!”
“Hij hoort bij een vrouw die we hebben opgehaald na een ongeval. Het is al langer geleden gebeurd. Het was nogal ernstig. Gebroken rug, coma. Ze hield er een dwarslaesie aan over. Verlamd vanaf haar middel. Waarom weet ik dat nog zo goed? Ik heb haar naar huis gebracht toen ze uit de kliniek ontslagen werd. Die vrouw zat vol wrok jegens haar man. Ze ging van hem scheiden en wilde niets meer met hem te maken hebben.”
“Dat meen je niet?” mompelde Anne. “Kun je je een naam herinneren?” Al had ze al wel een idee over wie het ging. Een vrouw, iets ouder dan ze zelf was, zag ze in gedachten voor zich. Blond haar, een nors gezicht. Het was allemaal al even geleden, wist ze ook. Coma en een dwarslaesie waren geen dingen die dagelijks voorkwamen. Zoiets bleef je bij, zeker als de vrouw in kwestie nogal vervelend had gedaan tegen de verpleging. Ze kon zich niet herinneren of ze haar man daar ook had gezien. Het gebeurde immers vaker dat ze buiten de bezoekuren bij de patiënten ging kijken die ze had opgehaald dan tijdens het bezoekuur.
“Nee, die weet ik echt niet meer. Dat moet vast terug te vinden zijn. Het is al wel even geleden,” wist ook Tünnes. “Ik zie die man nog staan, helemaal perplex omdat zijn eigen vrouw niet met hem mee naar huis wilde. Dat was een rare situatie. Vraag het maar eens aan Sabine. Volgens mij heeft zij het behoorlijk aan de stok gehad met die vrouw. Ze heeft een hele tijd in de kliniek gelegen.”
“Maar wat kan dan de reden zijn dat hij ons opeens in de gaten houdt? Als het inderdaad al zo lang geleden is. Zou hij denken dat wij schuldig zijn aan de situatie met zijn vrouw?” probeerde Anne hardop een reden boven water te krijgen waarom hij hen volgde. “En zou hij ook degene zijn die Klara vragen heeft gesteld over mij?”
“Misschien wel,” schokschouderde Tünnes. “We zouden een foto van hem kunnen maken als we hem nog een keer zien.”
Klara’s beschrijving klopte wel met de man: normaal postuur, donker haar, keurige man om te zien, een kantoorpik, had zij hem genoemd. Hij zag er niet uit als een gestoorde psychopaat die het op hen gemunt had. Zagen de meeste seriemoordenaars er niet uit als de boy next door? Het uiterlijk zei ook niet alles.
“We maken de volgende keer gewoon een foto van hem. Jij hebt toch zo’n telefoon waarmee je foto’s kunt maken, Klinkmüller? Zou je daarmee vanuit de ambulance een duidelijke foto kunnen maken? Dan kan ik die aan Klara laten zien,” bedacht Anne.
“Dat zou kunnen. Eigenlijk mag ik die niet bij me hebben tijdens het werk,” zei Klinkmüller.
“Dit is een noodgeval. Als iemand er iets van zegt, geef je mij de schuld maar,” antwoordde Anne snel. “Ik wil gewoon weten wie die kerel is en waarom hij ons volgt.”
Klinkmüller en Tünnes knikten begrijpend.
“Wij gaan die stalker aanpakken,” zei Tünnes op ferme toon.
Anne lachte en verbrak daarmee de geladen spanning die was ontstaan. Een stalker, dat klonk direct al zo ernstig. Hij deed toch niets? Van de andere kant kon hij evengoed dezelfde man zijn die ze nu een paar keer op de parkeerplaats had gezien. Als hij de ambulance volgde en bij de kliniek postte, waar volgde hij haar, hen, dan nog meer? Tot aan huis? Dat was wel eng.
Hoewel het donker was in de bioscoop kwam er licht genoeg van het scherm vandaan om de vrouw die naast hem zat goed te kunnen zien. Lotte keek met iets opgeheven hoofd aandachtig naar het grote scherm. Richard had alleen maar oog voor haar. Gisteravond was heel ontspannen en gezellig verlopen, zonder geforceerde toestanden. Ze hadden lang en leuk met elkaar gepraat. Ook de serieuzere onderwerpen werden niet geschuwd.
Lotte leek te begrijpen waarom hij er zo lang voor nodig had gehad om te wennen aan een leven zonder Marian en waarom hij haar niet zonder meer op had kunnen geven. Op zijn beurt had hij haar angst begrepen zich opnieuw te binden aan een andere man. Natuurlijk was ze al die tijd nadat haar man weg was gegaan niet alleen gebleven. Daarvoor zag ze er te leuk uit. Toch was iedere nieuwe relatie op niets uitgelopen. Puur door haar angst dat een man haar zomaar in de steek kon laten. Ze durfde eenvoudig een man niet meer te vertrouwen. Niet meer ten volle. Dat had ze heel openhartig verteld. Toen hij dat hoorde, durfde hij eigenlijk niet meer te hopen dat het bij hem anders zou gaan, dat ze hem wel durfde te vertrouwen. Wat was hij meer dan andere mannen? Hij was ouder, misschien dat dat in zijn voordeel werkte.
“Hé, de film is daar voor bezig op dat grote scherm,” fluisterde ze met een lachje toen ze naar hem keek.
“Dat weet ik wel, maar dit beeld is ook heel interessant om te zien.” Hij boog zich iets naar haar toe en drukte een zachte kus op haar halfgeopende mond. “Hier kan ik maar geen genoeg van krijgen,” mompelde hij met zijn mond tegen de hare.
Ze beantwoordde zijn kus en een tijdlang hadden ze alleen maar oog voor elkaar. Tot het zaallicht aanfloepte en de mensen om hen heen opstonden.
“Is de film nu al afgelopen?” vroeg Richard verbaasd.
“Dat kan haast niet,” mompelde Lotte. “We zijn er pas net.”
Hij keek naar het grote scherm en zag inderdaad de aftiteling verschijnen. Waren ze zo in elkaar opgegaan dat de hele film aan hen voorbij was gegaan?
Met een paar vuurrode wangen stond Lotte gehaast op toen ze doorhad dat ze de weg versperden voor mensen die hen wilden passeren. “Kom, Richard, de film is voorbij.”
Hij pakte haar hand en voerde haar mee naar beneden, naar de uitgang van de bioscoop. Buiten was het inmiddels donker geworden. “Gaan we nog iets drinken? Het is bijna elf uur,” zag hij op zijn horloge.
“Hmm, laten we dat maar niet meer doen. Morgen is het weer vroeg dag.” Lotte keek naar hem op.
“Oké, dan breng ik je naar huis.” Hij nam haar arm in de zijne en leidde haar naar zijn wagen die op de parkeerplaats stond. In de beslotenheid van zijn auto draaide hij zich naar haar om. “Ik heb een heel leuk weekend gehad.”
“Ik ook,” fluisterde ze.
“Zullen we dit vaker gaan doen? Zie ik je volgende week nog een keer?”
“Vast wel, je hebt me immers een tas vol met strijk gegeven.”
“Oh, ja.” Meteen vond hij het vervelend dat hij zijn wasgoed daarstraks bij haar had achtergelaten. Het voelde opeens niet goed dat zij zijn was streek. Hij betaalde haar er wel voor natuurlijk. “Zal ik die maar mee terugnemen?”
“Natuurlijk niet, hij moet toch nog gestreken worden.” Ze keek hem met een onderzoekende blik aan. “Wil je niet dat ik hem strijk?”
“Oh, natuurlijk wel. Graag zelf. Ik bak er niet zoveel van,” stamelde hij. “Vind je het niet vervelend om te doen?”
“Het is mijn werk, Richard. Als ik bij een bakker zou werken, zou je het toch ook niet raar vinden om brood en gebak bij mij te kopen?”
“Nee, dat denk ik niet,” schokschouderde hij.
“Nou dan. Die strijkservice is niet veel anders. Woensdag is het klaar, dan kun je het weer op komen halen.”
“Dan al? Je geeft me toch geen voorkeursbehandeling?” vroeg hij nu met een voorzichtige grijns.
“Tuurlijk niet. Het is woensdag gewoon klaar. Net als van ieder ander die morgen iets komt brengen,” verzekerde ze hem.
“Zal ik het dan komen halen?”
“Ik weet niet hoe laat ik weer thuis zal zijn,” aarzelde Lotte. “Soms om zeven uur alweer, maar het gebeurt ook wel dat ik tot acht uur aan het rijden ben.”
“Dat maakt niet uit.”
“Ik kan ook als laatste langs jou komen,” bedacht ze. “Dan zie ik je huis ook een keer.”
“Best, ook goed. Ik ben de hele avond thuis.”
Lotte nestelde zich tegen hem aan en hij streelde liefdevol haar haren en rug. Wat voelde het heerlijk weer lief te mogen hebben. Dit had hij gemist; de intimiteit met een vrouw, haar vast te mogen houden, te koesteren en voor haar te mogen zorgen. Lastig alleen dat Marian nu opeens voor zijn geestesoog verscheen.
Enigszins verward door die ontdekking maakte hij Lotte voorzichtig van hem los. “Ik breng je naar huis, het is inderdaad al laat,” mompelde hij.
Lotte keek hem even bevreemd aan en schoof terug op haar eigen stoel.
Hij glimlachte naar haar. “Ik zou niet willen dat jij morgen zo moe bent dat je niet kunt strijken.”
Niet veel later stopte hij in haar straat. Hij boog zich naar haar toe en kuste haar nog een keer teder op haar warme lippen. “Slaap lekker, lieverd.”
“Jij ook. Bedankt voor een heerlijke avond. Tot woensdag dan.” Lotte stapte uit en Richard keek haar na tot ze de woning binnenging. Daarna reed hij pas weg.
Het was inderdaad een heerlijke avond geweest. Ze waren eerst uit eten geweest en daarna naar de film. Fantastisch, het ging geweldig. Hij begreep alleen niet goed waarom Marian daarstraks opeens in zijn gedachten was verschenen. Wat had zij hiermee te maken? Hij had toch afgedaan bij zijn ex-vrouw? Dat was een afgesloten hoofdstuk, daarover was Marian heel duidelijk en stellig geweest. Hun huwelijk was voorbij, van haar hoefde hij niets meer te verwachten.
Niet dat hij dat deed. Hij meende dat het wat hem betreft ook over was. Waarom dacht hij nu dan toch aan haar? Spijt? Gemis? Of was het omdat Marian voor hem de eerste vrouw in zijn leven was geweest? En Lotte die plaats nu in leek te gaan nemen? Misschien was het voor iedereen wel zo. Na bijna twintig jaar huwelijk was dat toch niet zo heel erg vreemd? Nee, gaf hij zichzelf antwoord, hij moest er niet meer achter zoeken dan het was.
Thuisgekomen trok hij zich terug in het kamertje waar zijn computer stond en opende de website van de hulpdiensten. Daarop kon hij meldingen van ongevallen in de omgeving volgen. Alle informatie, die interessant was voor journalisten, werd daarop vermeld. Hij kon zo precies zien wat er gebeurde in de omgeving bij alarmmeldingen. Of er een brandweerwagen, politiewagen of een ambulance nodig was.
Die melding van vanmiddag had hij niet kunnen laten lopen. Hij was er langs gekomen op weg naar Lotte. De dokter had hem gezien, opnieuw. Dat gaf niets, dat mocht. Ze mocht best weten dat hij haar in de gaten hield. De man die ze mee hadden genomen, zou vast een paar dagen in de kliniek blijven. Misschien kon hij morgenavond even langsgaan tijdens het bezoekuur.
Jammer dat hij overdag de ambulance meestal niet kon volgen, maar zijn werk mocht er niet onder lijden. Morgenavond kon hij weer op pad gaan, achter de ambulance aan of wachten op de parkeerplaats bij de kliniek. Of had de goede dokter Maas morgen geen dienst meer? Hij wist het niet precies. Ze had natuurlijk het hele weekend gewerkt en de afgelopen week ook. Hoe liepen de diensten van de artsen? Dat zou hij eigenlijk eens uit moeten zoeken. Er was vast wel iemand in de kliniek die hem dat kon vertellen. Die aardige receptioniste was hem laatst ook heel behulpzaam geweest, zonder dat ze het zelf wist. Hij had zijn vragen zorgvuldig geformuleerd, niet rechtstreeks naar dat meisje op de mountainbike gevraagd, maar met een omweg, zodat hij zeker wist dat die vrouw ook inderdaad nog in de kliniek verbleef.
Het had hem een kick gegeven bijna onder de neus van dokter Maas door de kliniek te lopen en die vragen te stellen aan die vrouw. Ze zou dat misschien wel doorbrieven aan de dokter, dat maakte verder niet uit. Het was juist de bedoeling dat dokter Maas wist dat ze in de gaten gehouden werd. Dat moest ook. Zo zou ze haar werk alleen maar beter doen.
Hoewel dit haar vrije dag was, ging Anne toch naar de kliniek en was ze in de administratie van tien maanden terug en eerder gedoken. Ze wist niet precies wanneer die vrouw met die dwarslaesie hier had gelegen. Op deze manier hoopte ze dat uit te vinden. De verslagen kon ze terugvinden op de computer, heel eenvoudig. Omdat ze geen naam wist, moest ze toch alles doornemen. Het verslag zou naar een dossier verwijzen en in dat dossier kon ze een naam en adres vinden.
Het kostte haar een paar uur om alle verslagen uit die tijd door te nemen, maar uiteindelijk boekte ze resultaat. Marian Lötterig, de meisjesnaam van de vrouw. Het moest niet moeilijk zijn om daarmee ook de naam van haar man, of ex-man, te achterhalen.
Anne las het verslag door en zocht daarna het dossier van de vrouw erbij. Een gebroken rug. Ze had twaalf dagen in coma gelegen. Een lage dwarslaesie, waardoor ze verlamd was vanaf haar middel, zoals Tünnes al had gezegd. Dat was natuurlijk niet misselijk. Anne las het nauwgezet door om erachter te kunnen komen of er sprake was van een medische fout. Hadden zij ergens schuld aan? Wat anders kon de reden zijn dat die man hen nu stalkte.
Ze kon echter niets in het dossier vinden. Geen rare dingen, geen onduidelijkheden. Die gebroken rug was de oorzaak geweest van die dwarslaesie. Dat was zonneklaar. Geen twijfel over mogelijk. De vrouw was in coma geraakt door de ernst van haar verwondingen. Zoiets gebeurde vaker bij ernstige trauma’s of hoofdwonden. Het lichaam koos dan zelf voor die vorm van herstel, omdat die het minst belastend was voor de persoon zelf.
De vrouw was bijgekomen uit haar coma. De rest van het dossier ging over de gevolgen van het ongeluk, de verwondingen en de behandelingen die erop gericht waren mevrouw zo snel mogelijk mobiel te krijgen. Niets over de verandering van karakter, de scheldpartijen en de vervelende toestanden die haar nu weer helder voor ogen stonden.
De herinnering aan die periode kwam weer bij haar boven. Marian Lötterig was niet bepaald een fijne patiënte geweest om te verzorgen. Ze was kwaad, dwars, werkte tegen waar ze kon en schold op iedereen die in haar ogen iets verkeerd deed.
Anne was er na een poosje mee gestopt haar te bezoeken. Daar schoot niemand iets mee op. De patiënte stelde het duidelijk niet op prijs en ze deed ook niets met de raad en adviezen die Anne haar gaf om zich wat gemakkelijker op te stellen en niet steeds zo in het verweer te schieten als iets haar niet beviel.
De enige naar wie ze een beetje luisterde, was Felix Landau geweest, wist Anne weer. Felix kon ook een heel innemende persoonlijkheid zijn als hij dat wilde. Welke vrouw kon daar weerstand aan bieden, dacht ze glimlachend. Maar dan nog.
Tünnes had verteld dat die vrouw direct na haar ontslag uit de kliniek naar een andere woning was gegaan. Zou haar man daar nog altijd problemen mee hebben? Verweet hij het de kliniek dat zijn huwelijk voorbij was? Was dat de reden dat hij hen achtervolgde en controleerde?
Anne zocht naar meer gegevens via de verzekeringspapieren van de vrouw. Zo was het eenvoudig te achterhalen met wie ze voorheen getrouwd was geweest en zelfs waar ze tegenwoordig woonde. Richard Hahn was haar ex-man. Misschien moest ze toch eens met die man gaan praten. Als hij inderdaad hun stalker was.
Ze schreef het adres over dat ze vond en het telefoonnummer. Misschien woonde hij er inmiddels niet meer. Na een scheiding moest er immers gedeeld worden en in het geval van een koopwoning een huis verkocht worden. Het was in ieder geval het proberen waard.
“Hé, ijverige dokter, wat doe jij hier op je vrije dag?” klonk het opeens voor haar.
Ze keek op. Felix Landau stond in de deuropening.
“Ik moest iets opzoeken.”
“En dat kon niet wachten tot woensdag?”
“Normaal altijd, maar dit keer niet.”
“Vertel.” Felix trok een stoel bij en nam tegenover haar plaats. “Ik kan me niet voorstellen dat jij zelfs op je vrije dag dingen moet opzoeken. Waar gaat het over?” Hij keek haar met een open en belangstellende blik aan.
Als ze hem de reden van haar aanwezigheid zou vertellen, zou hij haar dan niet voor gek verklaren? Klinkmüller en Tünnes hadden de man ook wel gezien, maar zij konden niet bevestigen dat hij meer dan één keer bij een ongeval was geweest.
“Ik denk dat we gestalkt worden,” begon ze voorzichtig.
“Door die kerel van die overval?” vroeg Felix geschrokken.
“Nee, niet door hem.” Ze vertelde wie ze ervan verdacht haar team te stalken.
“Weet je dat zeker? Is hij niet gewoon persfotograaf van beroep?” opperde Felix.
“Dat kan,” gaf Anne aarzelend toe, dat klonk heel wat aannemelijker dan haar theorie moest ze toegeven, “maar hoe komt het dan dat ik hem niet eerder heb gezien.”
“Omdat hij pas begonnen is?”
“En waarom zit hij dan op de parkeerplaats in zijn auto?” Ook nu weer hoorde ze hoe belachelijk die beschuldiging eigenlijk klonk. Ze had de man in de auto niet herkend, wist helemaal niet met zekerheid of het inderdaad dezelfde was.
Felix dacht kennelijk hetzelfde en trok zijn wenkbrauwen vragend op. “Gaat het wel om dezelfde man? Vergis je je niet gewoon? Er zitten wel vaker mensen in de auto te wachten op bezoekers van de kliniek.”
Ze knikte, dat was een veel logischere verklaring dan die van haar. Toch geloofde ze niet dat het hier om iets dergelijks ging. Het was een soort onderbuikgevoel en dat kon ze niet negeren. “Vertel eens over die vrouw, Marian Lötterig. Wilde ze echt scheiden van haar man?”
“Ja, dat kun je gevoeglijk van me aannemen,” knikte Felix. “Zij was toch wel de ergste in de categorie lastige patiënten die ik in mijn loopbaan heb meegemaakt. Ze gaf haar vader opdracht een andere woning voor haar te zoeken zodat ze direct na het ontslag uit de kliniek daarheen kon gaan. Haar man mocht ook al vrij snel niet meer op bezoek komen. Daar moesten de verpleegsters op toezien.”
Ervan uitgaande dat Richard Hahn overdag gewoon werkte, reed Anne pas na zeven uur naar de straat waar hij woonde. Ze had hem natuurlijk ook kunnen bellen, maar ze wilde hem confronteren met haar aanwezigheid. Hem laten zien dat ze wist wie hij was en voor zichzelf duidelijk krijgen dat het inderdaad dezelfde man was. Misschien zelfs wel om hem uit zijn tent te lokken. Ze wilde weten wat hem dreef om haar en haar team te volgen. Hoe kon dat beter dan naar de man gaan en hem die vraag stellen?
Dat laatste wist ze nog niet zeker of ze dat ook zou doen. Ze wilde hem in ieder geval wel zien, zeker weten dat hij degene was die ze steeds bij de ongevallen zag.
Terwijl ze in haar auto zat en naar de woning van Hahn keek, bedacht ze dat hij op dit moment net zo goed achter een andere ambulance aan zou kunnen zitten. Dat hij niet alleen die van haar volgde, maar ook andere ambulances. Misschien gaf het hem wel een kick om ongevallen te bekijken en er foto’s van te maken. Net zo goed als er trein– en vliegtuigspotters waren, bestonden die vast ook van ambulances, of ongelukken. Ongevallen trokken altijd nieuwsgierigen aan. Er waren echt mensen die voortdurend de politie en brandweer volgden als ze ergens op af gingen.
Die gok moest ze dan maar nemen. Een echt plan had ze niet. Felix had haar gisteren verteld dat Richard Hahn door zijn vrouw de toegang tot de kliniek ontzegd werd toen zij daar lag. Ze had hem niet willen zien. Wat deed dat met zo’n man? Zat hij vol wrok? Stalkte hij zijn vrouw ook? Viel hij haar lastig?
Een telefoontje van Felix naar een bevriende agent had wat meer informatie opgeleverd, of beter gezegd: minder informatie. Richard Hahn was een oppassend burger, niet bekend bij de politie. Hij had geen strafblad en reed nooit te hard of door het rode licht.
Felix was dan ook nog steeds van mening dat ze er faliekant naast zat met haar vermoedens. Dat er gewoon een heel eenvoudige, onschuldige verklaring was voor het feit dat ze hem een paar keer had zien staan bij ongevallen. “Je ziet hem toch niet iedere keer?” had hij gevraagd. “En je weet helemaal niet zeker of hij het inderdaad is die op de parkeerplaats staat. Het kan evengoed een vriend van een van de verpleegsters zijn die haar op staat te wachten.”
Tja, hetgeen Felix had gezegd, klonk ook wel logisch, toch bleef dat stukje twijfel. Die kriebels in haar buik die haar zeiden dat het anders zat. Daarom moest ze de man ook gewoon op gaan zoeken. Ze ging ervan uit dat hij haar geen kwaad wilde doen. Als dat het geval was, had hij dat allang kunnen doen.
Resoluut stapte ze uit haar auto en sloot hem af. Het was tijd om eens te gaan kijken. Als ze nu nog langer bleef zitten, maakte ze zichzelf helemaal dol met dat gepieker. Met kordate stappen liep ze naar de voordeur en ze drukte na een korte aarzeling op de bel. Meteen deed ze een stap naar achter.
Er brandde geen licht in de woonkamer. Nou ja, het was buiten ook nog volop licht op dit moment. Met gespitste oren probeerde ze ieder geluidje in huis te analyseren. Waren dat voetstappen, het schuiven van een stoel? Ja, daar ging duidelijk een deur open en weer dicht. Gespannen wachtte ze op het moment dat de voordeur open werd gedaan.
Hoewel ze het had verwacht, was ze toch nog stomverbaasd toen ze de man zag die opendeed. Ze moest tot twee keer toe haar keel schrapen voordat ze iets uit kon brengen dat leek op: “Richard Hahn?”
Verscheen er nu iets van opluchting op zijn gezicht? Of had ze zich dat verbeeld? Nu was het weg in ieder geval.
“Ja?” vroeg hij.
“U bent toch Richard Hahn?” vroeg ze weer, hem onderzoekend aankijkend.
“Dat ben ik inderdaad. Met wie heb ik het genoegen?”
“Ach, kom op, u kent me echt wel. Dokter Maas. Ik heb een jaar geleden uw vrouw opgehaald nadat ze bij een ernstig ongeluk betrokken was geraakt. Bovendien heeft u me de afgelopen week regelmatig gevolgd als ik aan het werk was. Ontken het maar niet. Ik herken u echt wel.” Ze keek hem strak aan.
Een spiertje bij zijn oog begon te trillen en hij wreef met zijn hand over zijn gezicht. “Dat klopt.”
Anne stiet een verbaasd lachje uit. “U geeft het gewoon toe? Dat u ons volgde? Stond u soms ook op de parkeerplaats bij de kliniek? ’s Avonds als ik naar huis ging? In een donkere Golf.” Ze keek achter zich toen zijn ogen over haar schouder heen keken en ontdekte nu de auto die voor zijn huis stond: een donkere Golf. Precies zo’n zelfde wagen.
“Het is niet verboden om bij de kliniek te parkeren en volgens mij is het ook niet verboden om bij een ongeval te gaan kijken. Ik ben heel erg geïnteresseerd in alles wat met ambulances te maken heeft.”
“En wat met mij te maken heeft?” Anne rechtte haar schouders. “U heeft vragen over mij gesteld aan een patiënte van mij.” Dat was een gok. “Waarom doet u dat? Wat u buiten de kliniek doet, daar heb ik uiteraard niets over te vertellen zolang het niets strafbaars betreft. In de kliniek heeft u echter niets te zoeken. U mag patiënten niet lastigvallen.”
“Ik deed er niemand kwaad mee en ik kwam tijdens het bezoekuur,” protesteerde hij.
Bingo. “Waarom volgt u onze ambulance, meneer Hahn?”
“Dat vertelde ik toch al; het interesseert me.”
“Dat vind ik moeilijk te geloven. Zo opeens? Het is bijna een jaar geleden dat uw vrouw een ongeluk kreeg en ze daarbij verlamd raakte. Heeft het soms daarmee te maken?”
“Waarom zou dat? We zijn gescheiden tegenwoordig,” schokschouderde hij.
“Niet tegenwoordig, vanaf het moment dat ze in de kliniek kwam te liggen. Toen ze eenmaal goed bij was uit die coma heeft ze u verboden nog langer op bezoek te komen. Ze wilde u niet meer zien.” Ondanks de pijnlijke blik die op zijn gezicht verscheen, ging Anne verder. “Zodra ze de kliniek mocht verlaten, ging ze naar een andere woning, zonder u. Ze liet haar vader een andere woning regelen, alles ging buiten u om. Bovendien vroeg ze een scheiding aan.” Ze bleef hem strak aankijken. “Waarom deed ze dat, meneer Hahn? Haatte ze u? Mishandelde u haar en zag ze het ongeluk als een kans om van u af te komen? Wat was er mis met uw huwelijk?”
Richard begon hevig te beven. Hij sloeg zijn armen om zich heen en bewoog schommelend heen en weer. “Zo is het niet gegaan. U weet er niets van,” mompelde hij. “Zo was het helemaal niet. U hebt geen idee.”
“Dat heb ik inderdaad niet. Ik roep ook zomaar iets, maar u weet het wel en u gaat me dat ook vertellen. Mag ik binnenkomen?”
Het beven en schommelen stopte abrupt. “Binnen? Wilt u binnenkomen? Bent u niet bang dat ik u zal vermoorden, slaan, mishandelen? Ik volg u al, dokter Maas. Wie weet wat voor vreselijke dingen ik met u van plan ben.”
“Dat sarcasme past niet bij je, Richard,” vervolgde Anne nu op een andere toon. Haar blik verzachtte zich. “Ik heb nog steeds geen idee waarom je me volgt, maar ik weet zeker dat je geen kwaad in de zin hebt.”
Verbazing vloog over zijn gezicht. Hij schudde ontsteld zijn hoofd. “Ik wil u helemaal geen kwaad doen, echt niet.”
“Dat geloof ik ook. Zullen we dan maar naar binnen gaan? Hier staan we ook zo te kijk voor die nieuwsgierige buren,” wees ze naar de overkant, waar inderdaad een hoofd te zien was tussen de lamellen door.
Richard aarzelde nog steeds, maar eindelijk leek hij te beseffen dat zij maar alleen was en dat ze er niet uitzag alsof ze hem iets aan wilde doen. Hij deed een stap opzij en gebaarde met zijn arm dat ze binnen kon komen. Hij ging haar voor naar de woonkamer en wees op een stoel. “Sorry, de inrichting is wat minimaal. Ik heb nog niet de kans gezien de meubels die mijn vrouw meenam aan te vullen,” verontschuldigde hij zich.
Anne schaamde zich er bijna voor dat ze zo binnen was gedrongen in dit huis, dat nog altijd een sfeer van droefenis en scheiding uitademde. Het was bijna leeg hierbinnen. Twee tuinstoelen, een tv op een gammel tafeltje, die zacht aanstond. Een eetkamertafel met twee stoelen. Er stonden geen kasten in de kamer. Wel een paar plastic kratten die bomvol met papieren zaten. Op de grote tafel stond een schaaltje met een lepel erin. Een krant lag opengevouwen op tafel, een stoel stond iets naar achter geschoven. Ze had hem gestoord bij het avondeten.
Richard ging op die stoel zitten en Anne volgde zijn voorbeeld op de andere. Ze keek hem zwijgend aan en wachtte. Zij had al gezegd wat ze kwam doen, nu was het zijn beurt om te praten.
Richard schraapte zijn keel, vouwde de krant dicht en schoof hem aan de kant. Het schaaltje zette hij bovenop de krant. Zijn vingers trokken strepen en cirkels op het donkere tafelblad. Eindelijk begon hij te praten. Hij sprak over Marian, hun huwelijk voor het ongeluk. Hij vertelde over de coma en hoe zeer ze veranderd was toen ze daaruit langzaam weer bij was gekomen.
“Het was vreselijk. Ze was Marian niet meer. Ik herkende die vrouw haast niet en dat had echt niets met het feit te maken dat ze sterk vermagerd was en bovendien verlamd. Nee, ze leek heel iemand anders. Mijn lieve Marian was er niet meer. En inderdaad, vrij kort daarna gaf ze me te kennen dat ze niet langer met mij getrouwd wilde zijn. Ze kotste me uit, zei ze letterlijk, en wilde niet meer met mij verder. Ik mocht niet meer op bezoek komen. Mijn schoonvader moest alles maar regelen. Die arme mensen wisten ook niet wat er gebeurde. Ook voor hen was Marian een compleet andere vrouw geworden. Ze herkenden haar bijna niet.”
“Hoe is dat nu? Is ze nog altijd zo?” wilde Anne weten.
Hij schudde zijn hoofd en schokschouderde. “Ik zie haar niet zo vaak meer, maar ik denk niet dat ze terug veranderd is in de vrouw zoals ik haar kende. Een paar weken geleden moest ik iets brengen, post die op dit adres binnen was gekomen. Toen ging ze tegen me tekeer alsof ik haar constant lastigviel. Dat is echt niet zo, dokter. U moet me geloven. Ik val haar niet lastig. In het begin, toen ze pas in die flat woonde, ging ik weleens bij haar op bezoek. Ik hoopte dat ze in zou zien dat een leven zonder mij ook niet zo geweldig was. Dat ze toch nog van me hield.” Weer schudde hij zijn hoofd en wreef met beide handen over zijn gezicht. “Dat was niet zo. U vroeg me net of Marian een reden had om bij me weg te gaan. Of ik haar mishandelde. Nou, niet ik mishandelde haar, zij mishandelde mij. Geestelijk. Dat heeft mij erg aangegrepen. Ik heb daardoor lange tijd niet kunnen werken. Nu gaat het eindelijk wat beter met me. Denkt u echt dat ik zin heb om alles opnieuw naar boven te brengen? Ik heb zelfs een vriendin.”
Anne wilde hem graag geloven. Wilde dolgraag van hem horen dat hij voor zijn werk foto’s maakte van ongevallen en dat hij bij de kliniek in zijn auto zat te wachten op zijn vriendin die bij familie op bezoek was.
“Waarom volgt u ons dan?” vroeg ze op zachte toon.
Woensdagavond om kwart over acht ging de bel. Richard sprong overeind en haastte zich naar de voordeur. “Lotte, kom binnen,” riep hij verheugd. Eenmaal binnen sloeg hij zijn armen om haar heen en kuste haar hartstochtelijk.
Met blozende wangen en een beetje hijgend maakte ze zich een paar minuten later voorzichtig los uit zijn armen. “Hoi,” fluisterde ze. “Ik heb je gemist.”
“Ik jou ook. Kom binnen, alsjeblieft.” Hij hield de deur van de woonkamer open en keek aandachtig naar haar gezicht om haar reactie te peilen.
“Oh, wauw, wat een leuke bank heb je. En die kasten, zo modern.”
“Vind je het echt mooi?” vroeg hij voorzichtig. Gisteren en vandaag was hij de hele dag bezig geweest met het uitzoeken en plaatsen van de nieuwe meubels, alle spullen die erin moesten en het opruimen van de kratten en dozen. Dokter Maas had hem de ogen geopend. Hij mocht niet blijven hangen in zijn gestrande huwelijk met Marian, hij moest verder en daar hoorde een normale inrichting bij. Ooit zou hij misschien over die vreemde fase van zijn leven vertellen. Lotte wist natuurlijk al een hoop, maar niet alles en niet dat hij tot eergisteren in een bijna lege woonkamer had geleefd.
“Het is echt heel erg leuk. Tjonge, wat een leuk huis heb je en zo groot,” ging Lotte verder.
“Dat lijkt maar zo, omdat er zo weinig in staat.”
“Nee, het is echt groot. Veel groter dan het mijne.”
“Nou, dan moet je maar snel bij mij intrekken,” grapte hij. “Ik heb boven nog wel een strijkkamer over.”
Hoewel het een grapje was geweest, keek Lotte hem met grote ogen aan. Samenwonen, dat ging een beetje te snel, bedacht hij. Hij moest het rustig aandoen, niet te veel forceren. Lotte had moeite met het vertrouwen van mannen, en hij, ach, hij had zo zijn eigen problemen met relaties.
“Ga zitten. Wil je wat drinken? Koffie, thee, iets fris?”
“Thee graag,” mompelde Lotte. Ze ging voorzichtig op de gloednieuwe bank zitten en wreef met haar handen over de fijne stof.
Richard ging naar de keuken en keek af en toe stiekem om het hoekje van de muur die de keuken scheidde van de woonkamer. Daar zat ze dan. Lotte, zijn vriendin. Ze bladerde door een tijdschrift dat op de nieuwe salontafel had gelegen. Ze zat er zo ontspannen bij. Alsof ze er hoorde. Ze paste gewoon in zijn huis. Dit keer zou hij het niet verpesten, nam hij zich heilig voor. Met Lotte moest het gewoon werken. Met haar wilde hij oud worden. Maar hij zou het rustig aan doen, haar niet opjagen, niets overhaasten.
Het gesprek met dokter Maas maandagavond had hem goedgedaan. Hij was er nog lang niet. Ze had hem aangeraden zijn psycholoog te blijven bezoeken en met hem te praten over die vreemde behoefte van hem om de ambulance te volgen en dan vooral haar, dokter Maas, aan het werk te zien.
Dokter Maas dacht dat het misschien kwam omdat hij niet echt afscheid van Marian had kunnen nemen. Ze had hem gewoon aan de kant geschoven zonder hem een kans te geven daar iets aan te veranderen, erover te praten of het te kunnen begrijpen. Die periode van het ongeluk had hij niet goed af kunnen sluiten, meende de dokter. Misschien volgde hij daarom de ambulance. Of omdat hij haar, dokter Maas, iets verweet. Daar moest hij achter zien te komen en daarom moest hij voorlopig die psycholoog blijven zien en hem alles vertellen wat hem dwarszat.
Voor hemzelf was het ook niet helemaal duidelijk waarom hij de laatste tijd de ambulance was gaan volgen. De eerste keer was puur toeval geweest. Hij had toevallig op diezelfde weg gereden als waar die mountainbiker werd aangereden. De naam van de kliniek op de ambulance had hij direct herkend. Dokter Maas zelf kende hij niet, hij had haar nooit persoonlijk ontmoet, hooguit een keer van veraf gezien. Zij was wel de arts die Marian het eerst had geholpen ten tijde van dat ongeluk, dat had in het dossier van Marian gestaan. Daarom was hij haar gaan volgen en ging hij niet achter andere ambulances aan. Hij deed er niemand kwaad mee, wilde er ook niemand kwaad mee doen, maar hij begreep nu wel dat hij dokter Maas het ongeluk van zijn vrouw niet aan kon rekenen. Hij mocht haar en andere patiënten niet meer lastigvallen, dat had hij haar moeten beloven. Dus niet meer staan wachten bij de kliniek en ook niet naar binnen gaan.
Het was niet zijn grootste angst dat hij die periode nooit helemaal achter zich kon laten. Zijn grootste angst was dat Lotte het niet zou begrijpen en dat ze hem eng en raar zou vinden als hij het allemaal zou vertellen. Hij moest het haar wel vertellen. Ze moest alles van hem weten als ze echt met hem verder wilde. Ze mochten geen geheimen voor elkaar hebben. Hoe moeilijk dat ook zou worden.
Het water kookte en hij schonk de theepot vol. Hij zette een paar theeglazen op een dienblad, met de suikerpot en een pak koekjes erbij, en liep daarmee naar de woonkamer.
“Hier is de thee. Gebruik je suiker in de thee, melk?” Hij zette het dienblad op tafel neer en schonk voorzichtig twee glazen vol.
“Lekker, geen suiker of melk, lekker pure thee. Zo drink ik hem het liefst,” antwoordde Lotte. Ze nam wel een koekje en knabbelde er rustig aan. “Hoe oud zijn die meubels eigenlijk? Het ziet er allemaal zo nieuw uit. Verbeeld ik het me of ruiken ze echt nog naar de winkel?”
Richard lachte schaapachtig. “Eh, ze zijn nieuw. Ik ben gisteren en vandaag gaan shoppen. Eigenlijk stond er niet veel meer binnen dan die tafel en twee stoelen. De tuinset die nu weer buiten staat, gebruikte ik hier in de zithoek.” Hij pakte zijn thee, nam een grote slok en verbrandde daarbij zijn tong en gehemelte. De pijn verbijtend trok hij een grimas naar Lotte, haastte zich naar de keuken en sloeg een glas water achterover.
“Gaat het wel?” klonk het bezorgd achter hem. “Die thee was vast nog kokend heet.”
“Maar waarom volgde hij ons dan?” wilde Tünnes weten.
“Volgens mij weet hij dat zelf niet. Die man is psychisch behoorlijk in de war,” zei Anne.
“Geen wonder met zo’n vrouw,” mompelde Tünnes. “Daar ga je vanzelf raar van doen.”
“Hij sloeg haar misschien wel, of geestelijke mishandeling,” bedacht Klinkmüller. “Weten wij veel wat de reden is waarom die vrouw opeens niet langer meer met hem getrouwd wilde zijn. Dat zal hij je echt niet vertellen.”
“Nee, dat zal ook wel niet, maar hij lijkt me niet iemand die vrouwen slaat,” peinsde Anne. “Ik heb lang met hem gepraat en hem zelfs een paar keer uitgedaagd. Iemand die vrouwen slaat of het gewend is een ander in de zeik te zetten, zou daar anders op hebben gereageerd.”
“Ik begrijp nog steeds niet dat jij daar alleen naartoe bent gegaan. Je had het echt even moeten zeggen, dan had een van ons desnoods buiten kunnen staan wachten,” vond Tünnes. “Stel je voor dat hij wel kwaad in de zin had.”
Anne schokschouderde. “Dan was ik echt niet met hem mee naar binnen gegaan.”
“Je kunt aan de buitenkant niet altijd zien wat voor iemand je voor je hebt. Sommigen zijn meesters in het verbergen van hun rottige karakter.” Tünnes vouwde zijn armen over elkaar en keek haar strak aan. “Echt, ik meen het. Zulke dingen moet je nooit meer in je eentje doen.”
“Goed, pap, dat zal ik nooit meer doen,” zei Anne braaf. Ze begreep wel dat hij zich zorgen maakte, maar ze kon echt wel voor zichzelf opkomen als het nodig was. Ze stond haar mannetje. Bovendien bezat ze voldoende mensenkennis om een ander goed in te kunnen schatten. Dat bewees deze actie maar weer. Richard was een onschuldig slachtoffer van zijn vrouw.
Hij had haar, Anne, geen kwaad willen doen. Misschien wilde hij haar betrappen op slecht werk en het zo voor zichzelf kunnen verklaren waarom zijn vrouw zo enorm veranderd was nadat ze bij was gekomen uit die coma. Verstandelijk begreep hij wel dat hersenletsel of een coma een mens behoorlijk kon veranderen, maar met zijn hart wilde hij daar niet aan. Ze hoopte dat hij door gesprekken met een psycholoog in zou gaan zien dat niemand daar schuldig aan was. Dat hij het niet kon veranderen, alleen omdat hij dat wilde. Hij zei wel dat hij het achter zich had gelaten, maar dat volgen van de ambulance bewees dat hij dat nog altijd niet had gedaan. Het was nog niet zover dat hij het een plaatsje in zijn leven had gegeven.
Ze had ook echt medelijden met hem gekregen toen ze de woonkamer had gezien. Het bewijs dat hij was blijven steken in die scheiding, dat hij er nog lang niet klaar mee was.
Vol vuur had hij daarna wel gesproken over de vrouw die hij sinds kort zag, Lotte. Nou ja, als dat geen reden was om zijn leven weer op te pakken en eraan te werken dat hij die geesten uit het verleden weg kon werken. Dat had ze hem ook gezegd. Hopelijk deed hij er iets mee.
Uitgeput kleedde Anne zich om. Het was een belachelijk drukke dag geweest vandaag. Zo een waaraan geen einde leek te komen. Of het kwam door het veel te benauwde weer dat nu al dagenlang hun land teisterde, of omdat het vakantie was en extreem druk was op sommige wegen. Ze wist het niet. Haar werkdag had bijna twintig uur geduurd.
Verbaasd keek ze dan ook naar de lucht die in plaats van helblauw nu grijs was. Groengrijs, zwart bijna. Er kwam een behoorlijk stormfront aan. Onverwacht slecht weer bracht weer een hoop nieuwe ongelukken met zich mee. Het vuil was al wekenlang niet van de wegen gespoeld. Die werden spekglad als het opeens begon te regenen.
Even bleef ze staan, twijfelde of ze terug naar binnen zou gaan. Toen viel haar oog opeens op een donkere Golf. Hé, dat was toch de wagen van…
De deur van de auto ging open en Richard Hahn stapte uit. Hij kwam gehaast op haar afgelopen met een bedrukte blik op zijn gezicht. Had ze zich dan toch in hem vergist? Haar eerste impuls was zich om te draaien, maar ze dwong zichzelf te blijven staan.
“Dokter Maas, wat fijn dat ik u nog tref. Wat een weer, hè? Het ziet er naar uit dat er zo meteen een flinke storm los gaat barsten. U hebt het vast behoorlijk druk gehad met al die ongelukken.”
“Dat kun je wel zeggen. Hoe gaat het met je, Richard?” Ze forceerde een glimlach op haar gezicht.
“Het gaat heel goed, dokter. Ik ben hier niet om u lastig te vallen, maar om u te bedanken. Ons gesprek van een tijd geleden heeft me goedgedaan.”
“Daar ben ik blij om.”
“Echt goed, bedoel ik. Ik heb Lotte alles verteld, hoewel ik bang was dat ze me daarna niet meer zou willen.” Hij schokschouderde. “Ze houdt gewoon van me, zei ze, met al mijn gekke gedachten en gebreken, als ik maar beloofde niet meer achter ambulances aan te gaan en naar een psycholoog te gaan.” Hij grijnsde. “Ik ben er nog lang niet, maar met de steun van Lotte lukt me dat vast wel.”
Opgelucht keek Anne hem nu beter aan. “Dat is geweldig nieuws. Je ziet er ook goed uit.”
“Dank u, dokter. Ik heb het aan u te danken, dat zal ik nooit vergeten.”
“Uiteindelijk heb je het zelf gedaan, dat is veel belangrijker.”
Ze keek hem na toen hij even later wegreed. Weer een mens geholpen, dacht ze tevreden.