8
een verrukkelijke en hoopvolle wereld

1946-1947

Het was een grote eer. Het was een wonder. Uit het kapotgeschoten en door overstroming dichtgeslibte Vlissingen terug te mogen keren naar Amsterdam. Met een onvoorstelbaar hoog salaris, meer dan honderd gulden per maand. En dat aan een krant! Dat betekende midden in de wereld, in het hier en nu. Daarbij vergeleken was een bibliotheek een museum, een duffe neerslag van alles wat ooit lang geleden was geschreven. Halleluja, wat een kans voor een provinciale Annie!

annie m.g. schmidt, het parool 1940-1990, 1990

In Amsterdam kondigde de lente van 1946 zich aan met tere groene blaadjes die verschenen aan zwarte stronken: tegen alle verwachtingen in waren de tijdens de hongerwinter gekapte bomen toch weer uitgelopen. In de kale parken kraaiden de eerste bevrijdingsbaby’s hun victorie: het was het beginsignaal van de geboortegolf die Nederland de jaren erna zou overspoelen. En al waren de meest elementaire levensbehoeften nog steeds op de bon en was het voedsel schaars, de schoorstenen rookten als vanouds en de Amsterdammers hadden hun dagelijkse bezigheden weer opgenomen. Het stadsbestuur vergaderde, de meeste winkels, scholen en bedrijven waren open, de militairen verdwenen zoetjesaan uit het straatbeeld en de eerste verkiezingen waren alweer uitgeschreven. De stad drááide, provisorisch als het was.

Ook in de voormalige joodse buurten wasten de huisvrouwen hun ramen en floten werklieden hun deuntjes alsof de bezetting niet meer dan een onaangenaam intermezzo was geweest. Maar zij die terugkwamen uit de kampen of uit ballingschap dwaalden hier vergeefs, zoekend naar een huis dat ooit thuis was geweest of alleen maar een bekende naam bij een deurbel. Hun wachtte geen leven meer dat hervat kon worden. Geliefden en vrienden waren verdwenen, hun spullen weg, een hele cultuur was ten onder gegaan. Els en Dick van Dien, die eind 1945 terugkeerden naar Amsterdam, bleef weinig anders over dan maar weer opnieuw te beginnen, met dat ene nichtje dat gered had kunnen worden, de paar bezittingen die ze nog hadden en de grote gaten die er altijd zouden blijven. Voor hen zou de stad nooit meer hetzelfde zijn en de oorlog nooit helemaal ophouden.

De lijsten met namen van hen die waren omgebracht in Hitlers vernietigingskampen, groeiden met de dag, tot de aantallen zo hoog werden dat ze niet meer te bevatten waren. Meer dan honderdduizend uit ons land alleen al, ruim driekwart van alle Nederlandse joden. Ergens op zo’n lijst stond ook ‘B.S. Cohen, geboren 19 juli 1906 te Enschede’. Het was Betty, de spraaklerares die zich voor de oorlog zo’n trouwe vriendin van Annie Schmidt had betoond. Samen hadden ze gewanhoopt over hun respectievelijke verloofden, samen hadden ze in de bioscoop gezeten en gefantaseerd over een liefde die net zo mooi zou zijn als die op het witte doek. Maar aan Betty’s dromen was op 14 november 1942 een abrupt eind gemaakt in een gaskamer bij Auschwitz. Ze was toen zesendertig jaar oud.

Het persoonsbewijs dat Annie voor Betty in de Vlissingse leeszaal gestolen zou hebben, heeft haar waarschijnlijk nooit bereikt. Op haar beurt heeft het bericht van haar dood Annie nooit bereikt, net zomin overigens als deze ooit geweten heeft hoe het afgelopen was met die andere persoon die voor de oorlog zo’n grote rol in haar leven had gespeeld: Piet Callenfels. In mei 1946, enkele dagen nadat zijn voormalig leidsman Anton Mussert op de Waalsdorpervlakte was gefusilleerd, moest de inmiddels zevenenvijftigjarige Vlissingse ex-burgemeester zich verantwoorden voor het Tribunaal in Gouda. Na anderhalf jaar te hebben doorgebracht in het voormalige concentratiekamp Vught, dat berucht was om de barbaarse behandeling van gedetineerde nsb’ers, was er weinig meer over van de vrolijke idealist van weleer. Hij gaf toe de verkeerde ideologie te hebben aangehangen, maar, zo zei hij: ‘Ik ben geen schoft ..., het is mijn karakter niet mensen aan te brengen .... Niemand is door mijn toedoen vastgezet of opgepakt.’ Enkele weken later meldden plaatselijke kranten dat hij veroordeeld was tot drieënhalf jaar gevangenisstraf.

Het berichtje was maar klein: de Nederlandse samenleving werd liever niet meer herinnerd aan de vele vaderlanders die gevoelig waren gebleken voor het nationaal-socialistisch ideeëngoed, of aan het feit dat er uit Holland verhoudingsgewijs de meeste joden waren weggevoerd. Liever koesterde men zich in de heroïek van vaderlandsliefde en verzet. Bovendien eisten nieuwe internationale spanningen de aandacht alweer op. Nog maar amper was de wereld aan het bekomen van de naweeën van de ene oorlog, of de volgende doemde op. Dwars door het oude Europa begon zich de breuklijn af te tekenen die door Winston Churchill het ijzeren gordijn werd gedoopt, met het communistische machtsblok onder leiding van de Sovjet-Unie aan de ene kant, de kapitalistische staten onder aanvoering van de vs aan de andere kant. De Koude Oorlog was begonnen.

Nederland stevende ondertussen op zijn eigen oorlog af. In augustus 1945 hadden onafhankelijkheidsstrijders onder aanvoering van Soekarno in de kolonie Nederlands-Indië de Republiek Indonesië uitgeroepen, en in maart 1946 stuurde de regering voor de eerste keer troepen om de rebellie de kop in de drukken. Dit tot grote verontwaardiging van vooral diegenen die tijdens de bezetting hadden gedroomd van een betere, gelijkwaardiger wereld. De bevrijding was nog geen jaar oud en nu al bleken de conservatieve krachten taaier dan gehoopt. Eendracht was een illusie: verzuiling en verdeeldheid bepaalden de maatschappelijke verhoudingen, ook in herrijzend Nederland.

==

Terwijl de rest van het land ietwat katterig uit de bevrijdingseuforie ontwaakte, werd er op één plek hardnekkig doorgefeest. En dat was op de tweede etage van het imposante Telegraaf-gebouw aan de Amsterdamse Nieuwezijds Voorburgwal, waar alle belangrijke kranten hun kantoren hadden. In de verwarde meidagen van 1945 was de uit de illegaliteit opgedoken kerngroep van Het Parool hier triomfantelijk binnengewandeld en had de redactielokalen en drukpersen van de ‘foute’ Telegraaf geconfisqueerd. De oorlog was gewonnen, de moffen en hun handlangers verjaagd: nu was het hún beurt.

En het had niet op gekund, die eerste maanden. De nieuwshonger onder het publiek was onverzadigbaar, de meeste vooroorlogse dagbladen waren nog verboden en de enige beperking was de hoeveelheid papier die de krant toegewezen kreeg. Mensen popelden om zich als abonnee op te geven, adverteerders moesten geduld oefenen op een wachtlijst. In het algehele optimisme stampte ‘De Nieuwe Pers’, zoals het moederbedrijf van de krant gedoopt was, overal in het land plaatselijke edities uit de grond en begon met de uitgave van tijdschriften, zoals het tweewekelijks literair jongerenblad Ruim Baan.

Omgeven door wat historici later zouden omschrijven als ‘dat eigenaardige fluïdum van associaties met oorlog en verzet’ werd de Parool-redactie een aanzuigpunt voor enthousiasme en talent. ‘Iedereen had vijf jaar droog gestaan en barstte van de werkdrift, ook al mochten ze maar van die piepkleine vellen vol drukken en werkten ze voor een scheet en drie knikkers,’ zei de toen tweeëndertigjarige, ook uit het verzet afkomstige tekenaar Wim Bijmoer later. ‘Het was een dolle redactie, die een soort denktank vormde en elkaar inspireerde.’

Daar had je de onnavolgbare Simon Carmiggelt, die gedurende de oorlog zijn leven had gewaagd voor Het Parool en nu de ster was waar de redactie om draaide. Frans Goedhart, oprichter van de krant, had die eerste tijd als hoofdredacteur gefunctioneerd, terwijl de even onervaren economiestudent Wim van Norden op amper negenentwintigjarige leeftijd tot directeur was benoemd. Al tijdens de hongerwinter hadden Mia van der Burg en Frans Goedhart een aantal journalisten gepolst voor een baan bij het toekomstig legale Parool. Onder hen waren de joodse Jeanne Roos, die regelrecht van haar onderduikadres naar de redactie was gekomen en zich had opgeworpen als fotoredactrice, en Wim Hora Adema. Deze dochter van een gegoede Friese familie kon behalve op haar reputatie als koelbloedig koerierster bogen op grote redactionele ervaring, opgedaan bij het Algemeen Handelsblad van voor de oorlog. Zij had als eis gesteld dat ze iets met vrouwen en kinderen zou mogen doen, en voerde nu naast haar verslaggeverwerk de redactie over het nog piepkleine kinderhoekje van de krant en Ruim Baan.

In de herfst van 1945 was deze Parool-equipe versterkt met de indrukwekkende figuur van Gerrit Jan van Heuven Goedhart, die het hoofdredacteurschap van zijn naamgenoot had overgenomen. Gewapend met een vlijmscherp intellect en een sardonisch gevoel voor humor, was deze al voor de oorlog, toen hij nog hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad was, middels De Blaasbalg in het geweer gekomen tegen het opkomend fascisme. Tijdens de bezetting was hij een van de meest gezochte verzetsmensen van het land geweest. Toen Mia van der Burg door de Duitsers was opgepakt, had zij een tandartsbezoek voorgewend om haar minnaar te waarschuwen en had hij op het nippertje naar Londen weten te ontkomen. Hier had premier Pieter Gerbrandy hem tot minister van Justitie in de regering in ballingschap benoemd. Nu was hij weer terug bij zijn oude liefde, de journalistiek, en zag hij de kans om via de krant zijn idealen voor een betere wereld te verwezenlijken.

Volbloed courantier als hij was, besefte Van Heuven Goedhart heel goed dat het maar een kwestie van tijd zou zijn voor de reguliere dagbladen weer op de markt zouden verschijnen en Het Parool zijn geprivilegieerde positie zou verliezen. Voor die tijd moest de krant uitgroeien tot een volwaardig dagblad, en dienden de onervaren jonge honden op de redactie opgevoed te zijn tot een journalistiek keurkorps. Om dit te bereiken organiseerde hij debatavonden ter algemene ontwikkeling en liet hij een stijlboek samenstellen om de elementaire journalistieke vaardigheden te verbeteren. Het credo van de krant werd Fasse dich kurz, zoals de tekst luidde van een bordje dat de Deutsche Zeitung – die tijdens de bezetting in het gebouw huisde – als erfenis had achtergelaten. Aanvankelijk mede ingegeven door het chronisch ruimtegebrek waar de jonge krant mee kampte, resulteerde deze nadruk op kort en bondig in een frisse schrijfstijl die in niets meer deed denken aan de omslachtige, gezwollen frases waar de vooroorlogse journalistiek zich van had bediend. Ook de humor die de Parool-scribenten hanteerden, was van Duitse komaf, met name van politiek onverdachte schrijvers als Erich Kästner, Kurt Tucholsky en Christian Morgenstern. ‘Iedereen citeerde Tucholsky,’ vertelde Annie later. ‘Het was prettig dat je via hem nog contact kon houden met de Duitse taal, want voor de rest was Duits natuurlijk smerig.’

hg’ breidde zijn redactie in een razend tempo uit. Hij benoemde Sal Tas, een joodse journalist die de oorlog ondergedoken op een zolder had uitgezeten en wiens meest in het oog springende verdienste was dat hij het waagde de hoofdredacteur tegen te spreken, tot politiek redacteur, de dromerige dichter Han G. Hoekstra tot algemeen verslaggever en Henri Knap, die later furore zou maken met zijn ‘Amsterdams Dagboek’, tot redactiechef. En aangezien een krant nu eenmaal niet floreert bij verslaggeving en uitgesproken politieke standpunten alleen, deden ook de stripavonturen van ‘Kapitein Rob’ hun intrede en werd chef Kunst Simon Carmiggelt gestimuleerd tot het schrijven van de ‘Kronkels’ die hem beroemd zouden maken.

Het resultaat van de inspanningen van Van Heuven Goedhart was een redactie die niet alleen uitzonderlijk jong en getalenteerd, maar ook uitzonderlijk ruim bezet was. Iedereen had iets in te halen en het sociale leven rond de krant tierde welig. Tijdens rumoerige, drankovergoten avonden in het journalistencafé Scheltema en wilde nachten in kunstenaarssociëteiten De Kring op het Leidseplein en De Koepel aan de Marnixstraat werden de vooroorlogse preutsheid en de benauwenis van de bezetting met grote overgave weggefeest.

==

De roes van Het Parool, dat was iets om aan verslaafd te raken. Het was een voorrecht te mogen zweven in dát universum, te horen bij dát sterrenstelsel van begaafde, vrolijke, feestende mensen, die bij elkaar werden gehouden door het besef te zijn betrokken bij iets heel bijzonders.

==

De komst van een nieuwe chef Documentatie, in februari 1946, was in deze roerige omgeving nauwelijks opgevallen. Het uitknippen en ordenen van knipsels behoorde nou niet bepaald tot de meest glamourvolle redactionele taken, en afgezien daarvan leek de nieuwelinge niet iemand te zijn die een grote bijdrage aan de feestvreugde zou gaan leveren. Het was een gezette, al wat oudere mevrouw met een stijf permanentje en stevige stappers, die met grote schrikogen rondkeek en voortdurend zenuwachtig met mappen heen en weer liep te rennen.

Vers uit de Zeeuwse modder was Annie zwaar geïmponeerd door haar nieuwe omgeving, waar iedereen jonger, wereldwijzer en zelfverzekerder leek dan zijzelf. Op slag was de capabele leeszaaldirectrice ineengeschrompeld tot ‘dat schuwe en verlegen mevrouwtje’ dat zich ergens in een kamer links achter in de gang verstopte. Een grootheid als Simon Carmiggelt durfde ze niet eens aan te kijken en als ze de lange, magere figuur van Van Heuven Goedhart in zijn elegante maatpak over de redactie zag benen, was ze simpelweg doodsbenauwd. ‘Er kwam bij dat ik een mateloze eerbied had voor journalisten,’ schreef ze later. ‘Voor mij waren het een soort halfgoden, begiftigd met kennis over maatschappij en samenleving plus een machtig schrijftalent.’

Met name die eerste maanden moet de nieuwbakken documentatiechef weleens met enige weemoed hebben gedacht aan de bedaagde rust op het leeszaalfiliaal Tuindorp, waar ze het directeurschap van had laten schieten om bij Het Parool te komen werken. Van dagbladdocumentatie wist Annie eigenlijk helemaal niets en ze werd, toch al chaotisch van nature, snel zenuwachtig van de gejaagde redacteuren die voortdurend stante pede informatie eisten over de meest uiteenlopende onderwerpen. En daar ging ze weer, trillend op weg naar de kamer van de hoofdredacteur die haar op het matje riep omdat er voor de zoveelste keer iets weg was wat niet weg had behoren te zijn.

==

Ik behoor tot het genus ‘verliezers’. Wij verliezen onze beurs met f 9,50 en het bonnetje van de stomerij, iedere tweede Woensdag van de maand; wij verliezen poeierdoos, zakkam, huissleutel... met monotone regelmaat, en soms dat allemaal tegelijk met tas en al. Bovendien myriaden zakdoeken. Alles wat niet aan ons vastzit, verliezen wij.

==

‘Ik ben altijd slordig geweest en de meeste last daarvan heb ik gehad op Het Parool, toen ik de leiding van de afdeling documentatie kreeg,’ zei ze later. ‘Daar smeet ik gewoon net als thuis alles maar neer. ... Ik kon me daar bijna niet handhaven. Dat het net lukte kwam doordat ik daar een staf had, mensen die wel netjes waren.’ Een van die mensen was de rustige, methodische Els van Dien, die avondenlang met Annie aan tafel zat om de documentatie te reorganiseren volgens het in de bibliotheekwereld gebruikte decimaal systeem en na verloop van tijd voor halve dagen op de documentatieafdeling kwam werken.

Er was overigens nog een reden waarom Annie die eerste periode bij Het Parool als een schichtig konijn over de redactie schoot. Voor de eerste keer in haar leven werkte ze in een uitgesproken mannenwereld, terwijl ze zich, in de woorden van Jeanne Roos, ‘totaal niet wist te brengen als vrouw’. In de seksloze bibliotheekwereld had ze zich met haar hersens en humor sociaal met gemak staande kunnen houden, maar in deze van affaires zinderende omgeving werd ze weer net zo onzeker als ze in haar puberteit was geweest.

==

Terwijl dat Parool, dat was één grote naaitroep, iedereen ging met iedereen naar bed, allemaal getrouwde mannen die met elkaars vrouwen gingen, feesten en afspraakjes en toestanden en zo. Eerst stond ik daar heel onwennig tegenover maar ik vond ’t allengs wel aardig, maar dat vond ik toch niet het meest opvallende van Het Parool in die tijd. Opvallend was het optreden van Van Heuven Goedhart, die iets goeds wou en de boel opzweepte en democratisering en verandering, de idealen van na de oorlog – een fijne tijd.

==

Pas nadat ze een beetje was bekomen van de eerste cultuurschok, begon Annie zich te koesteren in die ‘verrukkelijke en hoopvolle wereld’ die Het Parool in deze jaren vertegenwoordigde. ‘Ik heb nooit kunnen begrijpen waarom zoveel mensen teleurgesteld waren en voortdurend klaagden: “Alles is weer net zo als voorheen”,’ schreef ze. ‘Voor mij en de meesten die werkten bij Het Parool was de bevrijding een blijvend feest. ... Alles mogen zeggen, alles mogen schrijven, weer Engelse boeken en kranten, weer naar de bioscoop, theater, concerten, bananen uit Antwerpen, nylons uit Amerika, sigaretten en feestjes met veel onbekommerd gevrij.’

Vergeleken met het voortdurend bestookte Vlissingen in bezettingstijd betekende het naoorlogse Amsterdam bovendien een oase van veiligheid en rust. Na enkele maanden in een pension aan de Emmastraat gebivakkeerd te hebben, vond Annie in de vroege zomer van 1946 een zolder in de oude binnenstad, op een steenworp afstand van de redactie. Ze zette hyacinten voor het raam en was er zeer gelukkig.

==

... nooit zal ik meer in zo’n leuk oud huis wonen als toen op de Herengracht. Het was op de hoek van een steeg. De voorkant was aan de gracht, de zijkant was aan de steeg en ik had daar een verdieping voor mij alleen, heel hoog, ik moest een smalle steile trap op om er te komen. De woning was van een schilder die de etage aan mij had verhuurd voor een jaar met alles erin: kopjes en schoteltjes, een tafel, een bed met dekens en drie vlooien, massa’s schilderijen van hemzelf en een schildersezel. ... Ik hield erg veel van mijn huisje. Het was er knus en warm en stil en ouderwets en rommelig en zelfs de drie vlooien hoorden erbij.

==

Het was op deze zolder dat Annie op een nazomerdag visite kreeg van Wim Hora Adema, die altijd op zoek was naar nieuw talent voor het nogal kwakkelende Ruim Baan. Door Mia van der Burg was ze getipt dat er in de juffrouw van de documentatie onvermoede dichttalenten schuilgingen.

Verlegen liet Annie haar wat van haar vooroorlogse werk zien. ‘Jij kunt wat,’ concludeerde Hora Adema met de haar typerende directheid, en op 13 september 1946 maakte de schrijfster genaamd Annie M.G. Schmidt na een stilte van ruim zeven jaar een onopvallende rentree in Ruim Baan:

==

Mijn oom is uit nieuwsgierigheid gestorven

Hij vroeg zich af wat men hem hierna bood

Hij kon niet langer wachten, op een morgen

Was hij dood

==

Wat Annie niet wist – alleen de intimi rond de hoofdredacteur waren ervan op de hoogte – was met hoeveel moeite het schijnbaar florerende Parool in dat eerste jaar dat zij er werkte, overeind werd gehouden. De vooroorlogse regionale dagbladen kregen de een na de ander toestemming om weer te verschijnen, en de lezers liepen bij bosjes over. Met het peperdure editiesysteem als een molensteen rond haar nek wankelde de krant al in de zomer van 1946 financieel op de rand van de afgrond. Tijdens een even haastige als drastische bezuinigingsoperatie werd per 1 oktober korte metten gemaakt met het grootste gedeelte van de edities; Ruim Baan zou spoedig volgen.

Vooral dankzij het feit dat het Amsterdamse Parool met ruim 145000 lezers nog steeds een ijzersterke positie op de lezersmarkt bezat, begon het er in de loop van die herfst op te lijken dat De Nieuwe Pers haar volgend levensjaar toch zou halen. Er kon zelfs, zij het op kleinere schaal, verdergegaan worden met de uitbouw naar een modern, democratisch geleid dagbladbedrijf. In dit kader paste ook het plan een personeelsvereniging op te richten. Onder de nog steeds onbekommerd feestvierende redactie was de animo hiervoor niet bijster groot, en dus werd Mejuffrouw Schmidt van Documentatie met haar aura van degelijkheid en comité-ervaring gestrikt. Ze kreeg de functie van secretaresse, wat betekende dat ze meteen het meeste werk op haar schouders kreeg.

De eerste bijeenkomst van de personeelsvereniging zou worden gehouden op 2 december in een zaaltje achter café De IJsbreker. Het was Mia van der Burg, tot haar grote vreugde inmiddels overgeplaatst naar de redactie buitenland, die had bedacht dat het leuk zou zijn om de avond op te luisteren met wat ‘mallotigheid’. Carmiggelt zei toe enkele gedichten voor te lezen en zijzelf, Wim Hora Adema en Annie Schmidt zouden een aantal zelfgemaakte liedjes ten gehore brengen. Het geheel zou aan elkaar gepraat worden door Han G. Hoekstra en van muzikale begeleiding worden voorzien door opmaakredacteur Piet Timmer.

De naam die Mia voor hun geïmproviseerde cabaret bedacht, getuigt van de bescheiden opzet van het geheel: De Onderkasten, een zetterm voor kleine letters. Maar voor Annie was het een Kans met een grote K. En ze pakte hem.

==

Annie deed plotseling een ontdekking. Van iets dat niets met litteratuur te maken had en ook niet voor een krant geschikt was. En dat weer ànders was dan de versjes, die zij in die dagen voor ‘Ruim Baan’ schreef. ‘Iets dat er altijd geweest was, maar waarvan ik niet wist dat het bestond, een héérlijke uitlaatklep.’

==

Vanaf haar vroegste jeugd had Annie één grote drijfveer gehad en dat was de behoefte om erbij te horen. In de jaren dertig had dat geleid tot de vreemdsoortige kronkels waarin ze zich had gewrongen om maar ‘mooie’ gedichten te schrijven in de ogen van verloofde Henk Hees en zijn christelijke vrienden bij Opwaartsche wegen. Was haar literaire carrière toen niet in de kiem gesmoord, dan is het achteraf nog maar de vraag of het haar ooit gelukt zou zijn om de vooroorlogse pretenties en het brave bibliothecaressesfeertje van zich af te schudden.

Nu was er weer een groep mensen waar ze dolgraag bij wilde horen: het sterrengezelschap van Het Parool. Als een spons had Annie alles opgezogen: de ongebreidelde levenslust, de relativerende humor en de verbale virtuositeit waarmee alles wat naar burgerlijkheid en poeha zweemde, werd ontmaskerd. In feite sloot de sfeer ter redactie wonderwel aan op de manier waarop Annies moeder de wereld tegemoet was getreden: geestig, eigenzinnig, maar ook met een zeker dédain. Alleen had Truida in haar eentje tegen een stug Zeeuws dorp op moeten boksen, terwijl de Parolisten hier in Amsterdam op alle gebieden de toon aangaven. En nu, aangevuurd door haar behoefte om erbij te horen en geïnspireerd door het klimaat om haar heen, vond Annie opeens de toon waarmee ze werelden zou veroveren, om te beginnen de redactie van Het Parool.

==

Zij zit op een sofa in ’t grafelijk slot

gedurig weg te kwijnen.

Stil slaat zij de Sèvres-vazen kapot

en bijt in de beige gordijnen.

Soms wandelt zij wild door de oprijlaan

van ’t grafelijk beukenbosje.

Dan jammert zij luidkeels en traan op traan

besproeit haar zilveren broche.

==

O, welk een gemier.

Zij mint haar vaders koetsier.

==

Op die koude decemberavond in 1946 – het zou de strengste winter worden sinds 1789 – stonden zelfs de verbaal zo superieure Parool-medewerkers even met de mond vol tanden. Dat die schuwe muis van Documentatie, waarvan iedereen dacht dat ze alleen maar goed was om mappen op alfabetische volgorde te leggen, met zulke schitterende teksten aankwam! ‘Ik kende haar als een stille, totaal onopvallende vrouw,’ zegt Wim van Norden. ‘Ze was nooit erg inspirerend in gezelschap. En nog jaren heb ik gedacht: hoe kan het dat zich in dat hoofdje dingen afspelen waar volle zalen naar snakken?’

Spontaan ontstond het plan om De Onderkasten in uitgebreidere vorm nog eens te laten optreden, en wel tijdens een feestavond die in januari in De IJsbreker gehouden zou worden ter afsluiting van een cyclus debatavonden. Tekenaar Wim Bijmoer meldde zich aan, opmaakredacteur Bob Steinmetz en sportredacteur Ton van Duinhoven volgden, en Jeanne Roos, die er altijd al van gedroomd had eens op de planken te staan, wilde ook graag meedoen. Wat Annie betreft – daar was geen discussie over mogelijk: natúúrlijk hoorde zij erbij.

In de weken rond de jaarwisseling moet Annie als een razende hebben zitten schrijven op haar zolder aan de bevroren Herengracht. Voor Hora Adema maakte ze kerstverhaaltjes en -gedichtjes voor Ruim Baan en het ‘Kinderhoekje’, en voor het volgende optreden van De Onderkasten nieuwe liedjes. De ene na de andere klassieker vloeide uit haar pen, zoals ‘De tram’, ‘Marjoleine’, ‘Monsieur Maurice’ en ‘Het Vondelpark’.

==

Ik heb in ’t Vondelpark een klein prieeltje gehuurd

met een bank en een bosje seringen.

Ik heb de nachtegaal een invitatie gestuurd

om vanavond een uurtje te zingen.

Ik heb, zojuist, nog gauw de hemel opgebeld,

een halve maan en duizend sterren besteld.

Ik zet in ’t Vondelpark een happy ending op touw

en dan wacht ik alleen maar... op jou.

==

‘Het werd een héél gek feest... en héél goed eigenlijk,’ schreef een bevriende collega enkele jaren later. Jeanne Roos en Simon Carmiggelt, ‘met steeds wéér andere snorren en baarden aan en gehuld in rare pelsjassen’, stalen de show op de planken, maar Annie, uitgedost in een hoepelrok en een bepoederde pruik, was de ster van de avond. Iedereen wist: ‘Er was nooit iets van terecht gekomen en alles zou meteen afgelopen zijn, zonder de teksten van Annie Schmidt.’

Enkele dagen later werd in café Scheltema het journalistencabaret De Inktvis geboren. Op initiatief van Wim Hora Adema, die hem nog kende uit haar Handelsblad-tijd, werd Clous van Mechelen, de Amsterdamse correspondent van de nrc, erbij gevraagd om als regisseur te fungeren. Carmiggelt liet weten het te druk te hebben om zich vast aan het clubje te verbinden, maar wilde wel af en toe invallen. Verder deed iedereen weer mee – op één na, en dat was Mia van der Burg. De reden dat juist de initiatiefneemster bij het vervolg onuitgenodigd bleef, ligt waarschijnlijk in haar al te innige band met – de nog steeds getrouwde – Van Heuven Goedhart. Hoe goed de sfeer ter redactie ook was, het viel niet te ontkennen dat er een zekere afstand bestond tussen de hechte vriendenclub die in de oorlog Het Parool had gemaakt en nu hoofdredactie en directie vormde, en de redacteuren die na de bevrijding gekomen waren. De Inktvissers hadden geen zin in bemoeienissen van bovenaf, ook niet indirect.

Annie stak geen vinger uit voor de vriendin aan wie ze zoveel te danken had. ‘Ooit heb ik haar daar nog eens op aangesproken,’ zegt Mia van der Burg. ‘Ze werd toen heel boos. Uiteindelijk verweet ze me dat ik in Schiedam altijd al zou hebben laten merken dat ik haar en Pops in alles de baas was. Het klonk eigenlijk behoorlijk jaloers.’ Mia had inderdaad alles wat Annie miste: een warme achtergrond, aanbidders bij de vleet, een heldhaftig verzetsverleden en nu zelfs het hart van hun superieure hoofdredacteur. En Annie had van haar moeder voldoende eerzucht meegekregen om dat te voelen. Het was, zo zei ze zelf later, ‘inderdaad erg onaardig’ geweest om Mia zo aan haar lot over te laten. ‘Maar ik wou er zó graag bijhoren.’

==

Jeanne Roos zong en Willem Wittkampf was er met zijn gitaar en Wim Bijmoer, die al precies wist hoe hij de décors zou maken en Piet Timmer zat al meteen achter de piano. Han Hoekstra was er en Otto Montagne dook op en Liesbeth Montagne, die zich alleen voelde in Amsterdam en als een kind zo blij was, dat ze mee ging doen. Letje van der Horst kreeg haar plaats in het eerste programma en Ton van Duinhoven en van verschillende kanten rolden aanvullende teksten binnen. En er waren de teksten van Annie Schmidt, die Van Mechelen plotseling vervulden met enthousiasme.

Er werd over gepraat zoveel mogelijk alles zèlf te doen en het stond vast dat ieder op de planken zoveel mogelijk zichzelf zou blijven. Mocht het toekomstig cabaret dan al een basis krijgen dan zéker geen commerciële. Er was slechts één basis: die van het gezamenlijk plezier. Verder werd die eerste maanden niet gedacht.

==

Vaak is verondersteld dat Annie meteen na de ontdekking in De IJsbreker kon uitgroeien tot een van de journalistieke pijlers van Het Parool, maar in feite werd haar carrière als schrijfster diezelfde maand nog een halt toegeroepen. Ruim Baan werd wegbezuinigd in het kader van de nog steeds precaire financiële situatie van het bedrijf en Hora Adema kreeg van Van Heuven Goedhart het consigne zijn chef Documentatie niet langer van haar werk te houden. Het zou dan ook nog meer dan anderhalf jaar duren voordat Annie echt de ruimte kreeg om zich in de krant als schrijfster te profileren.

Maar de opmars van De Inktvis viel niet meer te stoppen. Op 22 maart 1947 manifesteerde het journalistencabaret zich voor het eerst in het openbaar, en wel in het Lenteprogramma van de vara-radio. De jonge schrijfster Hella Haasse, die liedjes maakte voor het cabaret van Cor Ruys en dus ervaring had met dit soort dingen, hielp met de regie. ‘Met De Inktvis heeft zich duidelijk nieuw schrijftalent aangediend,’ schreef het eveneens uit het verzet voortgekomen weekblad Vrij Nederland daags na de uitzending goedkeurend.

Vanaf 12 mei repeteerden de Inktvissers bijna iedere avond bij een van de leden thuis of in het achterzaaltje van De Vlooientent, een cafeetje bij de Marnixstraat. Wim Bijmoer beschilderde kamerschermen bij wijze van decor en Piet Timmer nam de pianobegeleiding voor zijn rekening. Op 29 mei was de generale repetitie – ‘een krankzinnige bende, waar alles wat mis kon gaan mis ging’ – en de volgende dag maakte De Inktvis in een zaaltje in hotel Americain zijn debuut met een programma waarop maar liefst acht liedjes van Annie prijkten. Zijzelf was bloednerveus, ‘een stuntel’ in de woorden van Jeanne Roos, ‘plastisch een horreur’ volgens regisseur Van Mechelen.

==

Bij de première – in hetzelfde zaaltje in Americain, waar het om te bezwijmen zo warm was en veel te vol, ze stònden langs de kant – bij de première lachte geen hond. ... Annie Schmidt had de euvele moed gehad, enkele gasten uit te nodigen: mensen van de Zeeuwse Volksuniversiteit. Ze kwamen kijken ‘of het wat was’. Maar iedereen vergat van de zenuwen zijn frappe of sloeg een klaus over. ... Toen reeds werd duidelijk, dat Annie Schmidt àchter de planken een nummer op zichzelf was. Geen kledingstuk was veilig voor haar: waarin kan ik nou eens dat jasje aan? Hebben jullie een zwarte rok voor me? Afwezig smeerde zij dan verschillende malen haar gezicht vol crème.

==

Onder het oververhitte publiek bevond zich Geert Lubberhuizen van De Bezige Bij, waarmee Het Parool op grond van hun gezamenlijk verzetsverleden warme banden onderhield. Na afloop van het optreden stelde hij voor De Inktvis onder auspiciën van zijn uitgeverij door te laten gaan, en de groep nam dit voorstel met beide handen aan. Er was nog een uitgever in de zaal, maar die had vooral een oogje op Annie. Al voor de oorlog, toen Reinold Kuipers nog copywriter van een Amsterdams reclamebureau was, waren haar gedichten in Opwaartsche wegen hem opgevallen. Inmiddels was hij hoofd van uitgeverij De Arbeiderspers en druk bezig een fonds op te bouwen met een grote nadruk op het licht humoristische genre. Carmiggelt en Hoekstra had hij al ingelijfd, en nu had hij de voorgaande herfst in Ruim Baan zowaar ook de naam A.M.G. Schmidt teruggezien. Daags na het Inktvis-optreden wist Kuipers via Carmiggelt een afspraak met Annie te arrangeren in café Scheltema. ‘Toen ik haar vertelde dat ik haar werk wilde uitgeven, reageerde ze wat terughoudend, een beetje ironisch ook. Ze vertelde me niet meer gedichten te hebben dan wat ik al gezien had. Dat was te weinig voor een boekje.’ Maar de Zeeuwse Annie en de Groninger Kuipers, twee provincialen in de grote stad, mochten elkaar en raakten bevriend. ‘Ik ging vaak met haar mee naar optredens en feestjes, en ik herinner me hoe ze wel eens zei: “Reinold, laat je nou eens gáán!”’ vertelt hij.

Op een foto uit de zomer van 1947 hangt Annie breed lachend uit het raam van haar etage aan de gracht, bijna onherkenbaar vergeleken met de stijve Vlissingse mevrouw die een jaar eerder op de Nieuwezijds Voorburgwal haar opwachting had gemaakt. Een stuk slanker, het haar uitgegroeid en nonchalant opgestoken, de kleren nog steeds armoedig, maar nu met een zekere artistieke slordigheid bij elkaar geflanst: Annie had zich weer getransformeerd. Het was vergelijkbaar met de manier waarop ze destijds op de hbs in Goes van onder haar wollen dekens tevoorschijn was gekomen – alleen was het toen de ontdekking van haar seksualiteit die de aanzet had gegeven, en nu de ontdekking van haar talent. ‘... ik was iemand die vanuit een krocht in het daglicht kruipt – zo was het voor mij toen ik er ook bijhoorde,’ zei ze later. ‘Toen begon dat; het mossige ging weg. Er begon iets uit te botten.’

==

Die zomer huurden we met een stel een huisje op Vlieland (Sal Tas en zijn vrouw, Otto en Liesbeth Montagne, Wim en Manna Bijmoer). In een ander huisje zaten redacteur economie Joop den Uyl en vrouw. Prachtige zomer, onbezorgd na-oorlogs genieten, veel lachen, ’s avonds elkaar spookverhalen vertellen, bloot zwemmen (gewaagd!), wandelen. Annie die met haar suffe hoofd een mijnenveld inliep (had het bordje niet gezien) en niet terug durfde. Blijkbaar is het haar toch gelukt. En iedere dag weer hing in het kastje van de gevonden voorwerpen in de Vlielandse dorpsstraat de ceintuur van haar badjasje (lussen niet aangenaaid).

==

Altijd al was Annie enigszins verstrooid geweest en geneigd om haar vriendenkring daarmee te amuseren, maar de stunteligheid die ze in deze periode aan den dag legde, was ongekend. Met verve adopteerde ze de rol van de onhandige juffrouw die voortdurend in zeven sloten tegelijkertijd liep, niet alleen tot vermaak van het publiek, maar ook ter bescherming van zichzelf. ‘Ja, ik ben ontzettend vaag,’ liet ze zich later eens ontvallen. ‘Ik hul me in een wolk als ik iets niet wil zeggen.’ En Jeanne Roos zei: ‘Ze leek wazig en dazig, maar ze was ’t niet.’

Op Vlieland had Annie ook wel het nodige te verbergen, namelijk de diepe gevoelens die ze politiek redacteur Sal Tas toedroeg. Hij was lang, geestig en getrouwd, en die lente voor het eerst met haar in bed beland. Voor womanizer Tas was dit even vrijblijvend als al die avontuurtjes die op de redactie schering en inslag waren, maar voor Annie groeide hun vrijage uit tot wat ze later dat jaar zou omschrijven als ‘een vrij diepgaande liefde’. Het woelde alle eenzaamheid die ze in de oorlog zo succesvol had weggestopt, weer naar de oppervlakte.

==

Wees maar niet bang, ik zal geen scènes maken.

Ik ben een cynische moderne vrouw.

(Maar heeft modern ooit iets met vrouw te maken

en dat cynisme van me... nou...)

==

Nou dág. Bekommer je niet té veel om me.

We zullen elk een and’re kant uit gaan.

(Niet waar! Het kan niet waar zijn godverdomme,

ik hou van je, maar dat gaat je niet aan.)

==

Net zomin als aan het begin van de jaren dertig bleek Annie emotioneel berekend op een vrij liefdesleven. Met lede ogen zag Margreet Taselaar hoe haar vriendin onder alle vrolijke verhalen over de redactie en De Inktvis steeds depressiever werd. ‘Ze leed er erg onder dat het maar nooit tot een echte relatie kwam met een man.’ ‘We waren allemaal bezig ons leven in te richten,’ zegt Jeanne Roos, zelf na een liaison met de toen al zeer getrouwde Carmiggelt verwikkeld geraakt in een gecompliceerde verhouding met de minstens zo getrouwde redactiesecretaris. ‘Annie, Wim Hora, ik: we waren vrouwen zonder man, en als we er één te pakken hadden wilden we ’m dolgraag vasthouden.’

Die zomer ontdekte de inmiddels zesendertigjarige Annie dat ze zwanger was. De vader was, zo vertelde ze later met haar kenmerkende aandacht voor het kleurrijke detail, een neef van de toneelrecensente van De Groene Amsterdammer, die ze op een feestje had ontmoet, een ‘jongen met de blauwe pet’. Dubieus als het waarheidsgehalte hiervan is – blauwe petten werden in deze dagen vooral gedragen door handarbeiders, en die trof je weinig aan op intellectuelenavondjes in de Amsterdamse binnenstad –, het leed hoe dan ook geen twijfel dat ze het kind niet kon houden. De schilder van wie Annie haar zolder had gehuurd was teruggekomen en ze woonde nu aan de Leidsekade, in een van de troosteloze huurkamers die ze in een Inktvis-liedje zo treffend beschreef:

==

We zijn te veel in dit pension, mijn koffer en ik,

we zijn zo weerloos tussen al die meubelstukken,

we kijken angstig naar ’t plafond, mijn koffer en ik,

want straks in donker zal het loodzwaar op ons drukken,

twee roze waaiers en een herdertje van steen,

en toch voelen wij ons verschrikkelijk alleen.

==

Met de grootste moeite wist Annie het geld voor een abortus bijeen te sprokkelen. Op zoek naar het adres waar ze de illegale procedure kon laten uitvoeren, verloor ze echter haar beurs en in de daarop ontstane commotie ook het kind, wellicht mede het gevolg van de ondeskundig uitgevoerde zwangerschapsonderbreking vijftien jaar eerder. Aan Jeanne Roos en Wim Hora Adema vertelde ze het verhaal als was het een geestige anekdote. ‘Ze was vrij openhartig en had toen al de neiging overal een verhaal van te maken,’ zegt Roos. ‘Ze kon de vreselijkste dingen, over haar eigen minderwaardigheidsgevoel bijvoorbeeld, op een ontzettend grappige manier vertellen.’ Maar de progressieve seksuoloog Coen van Emde Boas, naar wie Annie op aanraden van Hora Adema was gegaan voor een pessarium, vond zijn patiënte dusdanig in de war dat hij haar acuut doorverwees naar een bevriende psychiater.

==

M’n avonturen die schipbreuk leden... ik moest geholpen worden, genezen van vreemde dwangvoorstellingen. Met m’n werk en liefde is het veel beter gegaan daarna. Het was gewoon praten, ik heb nooit op een divan gelegen. Maar heel goed. Ik herinner me dat ik die man es heb voorgelogen, ik maak altijd fantasieverhalen, toch keek hij er doorheen.

==

De therapie was, zo zei Annie later, ‘een stofwisseling’ van haar jeugd; de psychiater ‘een combinatie van een biechtvader, een geestelijk tankstation, een adviesbureau, een dokter en een leraar’. Een van de verhalen die Annie hem vertelde, ging over haar vader, die uit pure wreedheid hun hond zou hebben laten doodmaken. Hun herdershond Tommy was inderdaad ooit afgemaakt, maar alleen omdat hij niet met zijn tanden van het Kapelse pluimveebestand had kunnen afblijven én tot groot verdriet van haar vader. ‘Het was gewoon de vorm die ik koos om te vertellen hoeveel ik had geleden. Toen ik later zei dat ik had gelogen, zei hij: “Daar gaat het niet om.”’

De psychiater was een klassieke freudiaan, die de oorzaak van Annies mislukkende liefdesrelaties zocht in haar gemankeerde verhouding met Johan Schmidt en haar veel te grote identificatie met haar moeder. ‘Hij maakte het verlangen naar mijn vader duidelijk, het gemis van mijn vader, mijn vaderbinding.’ Daarom werd ze altijd verliefd op onbereikbare, getrouwde mannen: ‘Ik raakte vaak verliefd op oudere mannen, ik zocht een vader.’

==

Op vrijdagavond 19 september 1947 trad Annie met het journalistencabaret De Inktvis op in de Kleine Zaal van het Concertgebouw. In de tot de laatste stoel uitverkochte zaal zat de keur van de Nederlandse kleinkunstwereld: gevestigde namen als Wim Kan en acteur-cabaretier Cor Ruys, aanstormend talent als Wim Sonneveld en Wim Ibo. Toen het gordijn voor de laatste keer zakte, brak er een donderend applaus los, vooral bestemd voor de documentaliste die meer dan de helft van de liedjes in het programma op haar conto had staan: ‘Annie Schmidt, de lieveling van het Amsterdamse journaille,’ zoals een verrukte Ed. Hoornik daags erna schreef in Vrij Nederland. Maar in datzelfde blad stond die week het gedicht ‘Zondag’, waarin de gevierde liedjesschrijfster duidelijk maakte hoe het met de andere kant van haar ‘verrukkelijke en hoopvolle wereld’ gesteld was:

==

Geen plaats ter wereld is zo godverlaten

en zo fatsoenlijk als het Scheldeplein,

bij avond als het regent en de straten

langer en glimmender en leger zijn.

...

==

Die man zou het waarschijnlijk niet begrijpen,

die man daar op de hoek, wat ik bedoel,

wanneer ik plotseling zijn hand zou grijpen

en zeggen zou, hoe eenzaam ik me voel.

==

En diezelfde week verscheen er in het zeer populaire liberaal-linkse weekblad De Groene Amsterdammer een veelzeggende annonce in de rubriek ‘Klavertjes vier, de kleine advertenties die u zeker geluk brengen’:

==

Jonge, vlotte vrouw, 33 jr. kunstzinnig, muzikaal, met literaire belangstelling, zoekt vriendschappelijk contact m. intellectueel, omstr. 40 j., links georiënteerd, m. veel gevoel v. humor.

9
annaliefje

1947-1948

Het is een groot ongeluk voor haar, voor hem en voor zijn vrouw, want driehoeksrelaties zijn zelden zo fonkelend amusant als de toneelschrijver Noel Coward het ons wil voorspiegelen in zijn komedies. ... Wie van de twee vrouwen zal het winnen? Het is als een roeiwedstrijd; soms ligt mevrouw Jansen met een bootlengte voor, dan weer de secretaresse Lientje. ... Beide kanten hebben hun supporters. De supporters van mevrouw Jansen vormen te zamen het machtige getrouwde-vrouwen-front, met achter zich als een bergmassief de moraal. De supporters van Lientje komen op voor de vrije ethiek en de llliefde met een driedubbele l.

annie m.g. schmidt, impressies van een simpele ziel, 1953

De Rotterdamse haven dreunde weer van activiteit en als Dick van Duijn in een scheepsruim afdaalde om monsters van de lading te nemen, woei hem de geur van vreemde landen tegemoet. Het rook naar welvaart, zowel voor de stad die aarzelend begonnen was haar in de meidagen van 1940 verwoeste hart te herbouwen, als voor hemzelf en zijn laboratorium, dat na de magere crisis- en bezettingsjaren nu opeens de vraag niet meer aankon. Zo nijpend was het gebrek aan deskundige mensen dat hijzelf maar een opleiding voor analisten had opgezet, waardoor hij behalve extra inkomsten ook eerste keus had waar het ging om nieuw personeel voor zijn onstuimig groeiend bedrijf.

Op zijn achtendertigste had Dick alle reden om tevreden te zijn. Hij was een succesvol chemicus en ondernemer, bekleedde de prestigieuze functie van secretaris van de Rotterdamsche Chemische Vereniging en bewoonde met zijn vrouw en twee zonen een fraai huis in de chique voorstad Hillegersberg. En toch was hij onrustig, gedeprimeerd zelfs, en trok hij zich steeds vaker terug in zijn studeerkamer, met de wereldliteratuur, de grote filosofen en een fles whisky onder handbereik. Misschien was het de dood van zijn moeder, drie jaar eerder, die de aanzet tot zijn somberheid had gegeven. Niet alleen omdat hij zeer veel van haar had gehouden, maar ook omdat ze een symbool was geweest van zijn haast té gelukkige jeugd, waarbij vergeleken zijn volwassen leven tot nu toe een aaneenschakeling van problematische situaties was.

Een prinsje was hij geweest, het enige, innig gewenste kind van ouders die de hoop op nageslacht eigenlijk al hadden opgegeven. De volwassenen die Dicks wereld uitmaakten, omringden hem met genegenheid: zijn toen al ziekelijke maar fiere moeder, zijn vriendelijke vader en de drie ongetrouwde tantes die al hun liefde botvierden op hun aanvallige neefje. Andere kinderen interesseerden hem eigenlijk niet zoveel; hij had genoeg aan de paar vriendjes die zijn belangstelling voor wetenschap deelden, en met wie hij later lange fietstochten door Frankrijk maakte. Dat laatste had de basis gelegd voor een diepgaande liefde voor alles wat Frans was: het eten, de natuur en de hedonistische levensinstelling, zo verschillend van het nuchtere Rotterdam waar hij opgroeide.

Het liefst was Dick Indisch recht gaan studeren, zodat hij nog meer van de wereld kon zien. Maar zijn vader, die handelde in overzeese waren en de grote toekomst van de Rotterdamse haven voorzag, haalde hem over de chemiekant op te gaan. De studie in Delft ging hem even moeiteloos af als alles in zijn leven tot dan toe. Op foto’s uit deze periode blikt hij vol zelfvertrouwen de lens in, een knappe, ietwat eigenwijze jongeman met de wereld aan zijn voeten. Toen hij de kiekjes later opzocht om ze te laten zien aan de vrouw op wie hij verliefd was geworden, werd hij er zelf een beetje treurig van: ‘Het was eigenlijk niet zo’n erg aantrekkelijk werk. ’t Leek of wàs beter gezegd een zeer aanschouwelijke wijze om duidelijk te maken (voorzover ik dat nog niet wist) hoe een zaak in de soep draait.’

Met dit laatste doelde hij op het vroege en haastige huwelijk dat in 1933 het einde inluidde van zijn zorgeloze leventje. Tot afgrijzen van zijn ouders viel hij, amper vierentwintig jaar oud, voor de volwassen charmes van de zes jaar oudere Olga, een Duitse die door de crisis gedwongen haar heil in Nederland had gezocht en als kindermeisje bij vrienden van de familie Van Duijn werkte. Toen ze zwanger werd, moesten Dicks ouders hun toestemming voor een huwelijk wel geven. Het jaar daarop was de tweeling geboren, Dick junior en Herbert. De laatste kreeg als peuter kinderverlamming en werd daardoor een blijvend zorgenkindje.

Terwijl zijn studievrienden aasden op een baan bij een groot concern, wilde Dick eigen baas blijven en had al in 1937, toen hij nog bezig was met zijn promotieonderzoek, een in handelsanalyses gespecialiseerd laboratorium opgezet. Een van zijn eerste grote opdrachten was het controleren van het Rotterdamse drinkwater, luttele dagen nadat Duitse bommenwerpers het centrum van zijn geboortestad in 1940 met de grond hadden gelijkgemaakt. Tijdens de bezetting kwam het gezin Van Duijn in een merkwaardige dubbelpositie terecht: enerzijds moest Dick onderduiken om aan de Arbeidseinsatz te ontkomen, aan de andere kant werd Olga door de hele straat met de nek aangekeken omdat ze Duits was.

In de lente van 1945 had de familie het huis van een op Dolle Dinsdag gevluchte nsb’er in Hillegersberg betrokken en een nieuw begin gemaakt. Olga vond het er heerlijk: ze ging op in haar mevrouwenrol, haar vlekkeloze huishouden, de tennisclub en haar uitgebreide kennissenkring. Maar Dick begon de verstikkende burgerlijkheid en voorspelbaarheid van zijn bestaan te haten en trok zich steeds verder terug in zijn bastion vol boeken, iets waarvoor de rest van het gezin niet de minste belangstelling had. ‘Voor ons kinderen was hij een autoritaire, wat sombere man die meestal op zijn studeerkamer zat en niet lastiggevallen wenste te worden, zeker niet door ons,’ zegt Dick van Duijn junior, die dertien was in 1947. ‘In mijn herinnering was mijn vader altijd moe en vaak ziek. Als je lievelingsfilosoof Schopenhauer is, ben je natuurlijk ook een hypochonder. Hij had wel humor, maar die was vaak op het sarcastische af en hij kon ook heel vilein zijn. Pas ’s avonds laat kwam hij een beetje tot leven en zat hij tot ver na middernacht te borrelen met mijn moeder. Ik herinner me dat hij opleefde als een bepaalde vriendin van mijn moeder langskwam. Die was niet knap, zoals mijn moeder, maar ze had iets sexy’s en daar was mijn vader wel gevoelig voor. En als zijn vriend Kees Roodnat er was, was het feest: dan werden de tapijten opgerold en dansten ze.’

De vrolijke, charmante Kees Roodnat was fluitist van beroep en had een gezin in Rotterdam. Daarnaast had hij een maîtresse in Amsterdam: de joodse zangeres Hennie Anke, wier man omgebracht was in Auschwitz en die nu in haar eentje hun zoon grootbracht. Vaak ging Dick met zijn vriend mee naar Hennies huis aan de Topaasstraat, waar het een zoete inval was van schrijvers en kunstenaars. En misschien was het dit voorbeeld dat hem ertoe bracht om op maandag 22 september te reageren op een advertentie die hij in De Groene Amsterdammer had gezien.

==

Daar de aanspraak van deze brief noodzakelijk triviaal moet zijn laat ik deze op gevaar af onhebbelijk te lijken weg.

Zo ongeveer beantwoord ik aan de punten, die U in de advertentie in de Groene vermeldt.

Leeftijd klopt wel (38). Intellect: ben gepromoveerd chemicus. Links georiënteerd ja – geen partijmens. Met het gevoel voor humor zit ik eigenlijk een beetje maar na rijp beraad taxeer ik mezelf op een zeventje! ... Kunt U een foto zenden? Deze wordt vanzelfsprekend geretourneerd.

Ik heb er bezwaar tegen in dit stadium mijn naam te noemen en hoop nu maar dat dit U niet zal weerhouden te schrijven. D.

==

Die laatste septemberweek van 1947 werd Annie Schmidt bedolven onder de reacties. Enthousiaste en bemoedigende reacties op het Inktvis-optreden – het scheen dat zelfs grote mensen als Cor Ruys en Wim Kan haar liedjes wilden kopen! – aan de ene kant, en reacties op haar advertentie aan de andere kant. Bij het advertentiekantoor aan het Koningsplein haalde ze een dikke envelop op, vol met briefjes van mannen die hunkerden naar een kennismaking met de kunstzinnige, muzikale en vlotte jonge vrouw uit haar annonce.

‘Mijn gulle lach is in mijn vrienden- en kennissenkring alom bekend,’ schreef een Amsterdamse advocaat. ‘Maar ik moet u waarschuwen dat ik niet knap ben ... als u niet van kaalhoofdige mannen houdt moet U niet met mij beginnen.’ Een joodse beeldend kunstenaar biechtte op ‘1e dat ik (ongelukkig) gehuwd ben; 2e dat ik 48 jaar ben (zie er echter uit en voel me ± 40)’. Een communistische filmmaker had weer andere problemen: ‘’t is mij moeilijk gebleken een vrouw te ontmoeten, die belangstelling heeft voor ’t sociale leven meer dan voor nylonkousen, die ik overigens erg aardig vind staan.’ En een literair angehauchte Hagenaar ten slotte wilde dolgraag met haar de diepte in: ‘dat verduivelde woord vlot wekt gedachten aan dingen, die aan de oppervlakte drijven’.

Maar het was de geheimzinnige ‘D.’ die een briefje terugkreeg.

==

Tussen de vele brieven die aanvangen met ‘Geachte dame’ en onmiddellijk spreken over Riche Bar om 5 uur, maakt de Uwe een nuchtere en plezierige indruk.

’t Spijt me dat ik U geen foto kan sturen. Een beschrijving van mijn persoon helpt niet veel, vrees ik. Toch proberen?

Verschijning volgens velen aardig. Goed figuur, goed gekleed; krullen; grijsblauwe ogen.

Opzettelijk vermeed ik in de annonce nadruk te leggen op de fysieke kant, om de Riche-mannen uit te sluiten. Werkende vrouw, in de journalistiek, als hobby: schrijven, musiceren en toneelspelen (journalisten-cabaret).

Motief achter deze annonce: vlucht uit een situatie.

Verder, och, er zou een heleboel te vertellen zijn, maar waarom zou ik me zo uit de tent laten lokken? Nu ik deze brief overlees, krijg ik zelf de indruk van een vrij kattige vrouw. Die indruk is wel verkeerd. Mocht U na dit alles nog neiging voelen tot nadere correspondentie mijn adres is:

Annie Schmidt

Leidsekade 89

Amsterdam

==

Op vrijdag 27 september meldde zich een dame van Annies leeftijd op dit adres. Zij stelde zich voor als Hennie Anke en overhandigde een briefje dat Dick die middag in een Amsterdams café had opgesteld.

==

Hallo Madame,

Er moet een keer een aanhef zijn dus dan maar direct.

Vanmiddag in Rotterdam Uw brief afgehaald – moest naar Amsterdam.

De zaak is nu: hoe contact te krijgen met een dame Annie Schmidt.

De vrouw van een goede ... vriend geeft deze brief af en wacht op antwoord.

Maakt U maar een afspraak – ik ben vanavond vrij. Als U kunt tenminste, wat ik hoop (voorzover er iets te wensen valt).

==

Die avond om acht uur ontmoetten Dick van Duijn en Annie elkaar voor het eerst. Hij wachtte haar op aan de leestafel van Americain, vlak om de hoek van haar pension: een knappe man met gedistingeerd grijzende slapen en plagerige ogen onder zware wenkbrauwen. Eigenlijk konden ze het vanaf dat eerste moment goed met elkaar vinden. Hun liefhebberijen en interesses kwamen wonderbaarlijk overeen, en ze bleken zelfs gemeenschappelijke kennissen te hebben: Jet van der Burg en haar man Piet van Traa, die als verzetshelden uit de oorlog gekomen waren.

Later die avond nam Dick haar mee naar de Topaasstraat, waar Hennie een partijtje gaf. Maar Annie ging uiteindelijk alleen naar huis. Want hoe leuk ze hem ook had gevonden en hoeveel ze ook gemeen hadden, er was één groot, onoverbrugbaar verschil: hij was getrouwd.

Op 1 oktober arriveerde er een briefje op de Leidsekade:

==

Verder spookte onze avond me door m’n kop wat ... hoewel wat weemoedig makend omdat-ie voorbij was, toch verdomd prettig was. ... Annie, schrijf me vooral gauw terug, bel op of weet ik wat maar laat me wat weten. Heb je beroerdigheden praat ze dan uit – ik ben een ouwe pessimist met een knobbel voor het uitkienen van kwesties (omgekeerd mààk ik ze natuurlijk ook, maar het komt nou eenmaal omdat de werkelijkheid tegenstrijdig is).

==

Maar Annie zweeg in alle talen. Toen hij haar belde op de documentatieafdeling van Het Parool, zei ze het ‘te druk’ te hebben om hem te woord te staan. Enkele dagen later probeerde hij het nog eens per brief:

==

Annie, onze eerste avond samen gaf een ongewoon aanvoelen van elkaar. Zonder theatraliteit zou ik je willen vragen dit niet te laag aan te slaan, hetgeen je overigens misschien ook niet doet. Het komt in dit tranendal nu eenmaal niet veel voor, dat twee mensen, die om te beginnen niets van elkaar weten praktisch ineens als goeie vrienden kunnen praten. ... Doe het... ook als je het lastig vindt, je kunt me dan uitschelden door de telefoon.

==

Deze keer kreeg hij wel antwoord:

==

Dick, ook ik vond ’t verschrikkelijk plezierig Vrijdagavond, vond ook dat er direct contact was, maar ik geloof dat ik om zuiver praktische redenen hier niet mee doorga. Die reisjes naar Rotterdam op Dinsdag of Donderdag, nou... ’k zou het misschien eens een enkel keertje kunnen doen, maar nee, daar komt niets van. En jij kunt je ook zo moeilijk vrij maken kunt niet eens een weekend weg, en de zondagen zijn altijd juist mijn stille en eenzame dagen.

Ik weet, dat dit een eindeloos gemier zou worden, alsmaar pogingen tot afspraken, waar niets van komt.

’t Klinkt allemaal erg nuchter, maar ik ben een nuchter mens; zolang ik nog niet verliefd ben.

Begrijp je ’t een beetje? Dag, Annie.

==

De volgende zaterdagochtend stond hij bij haar op de stoep. Kennelijk met succes, want enkele dagen later stuurde hij haar een orchidee en nodigde hij haar uit voor een lunchafspraak. ‘Ik neem aan dat je daartegen geen “praktische bezwaren” hebt!’ schreef hij. En Annie, gevleid en gecharmeerd, liet zich zijn attenties aanleunen.

==

Dick, vréselijk bedankt voor de orchidee. In mijn schamel hok maakt hij de indruk van een juweel op een C en A’tje, daarom nam ik hem mee naar de krant. Iedereen vermoedt er nu een dure liefdesgeschiedenis achter ... Hierbij programma Inktvis, beetje vies geworden in de kleedkamer.

==

Sinds het succesvolle optreden in het Concertgebouw werd het journalistencabaret van Het Parool vanuit het hele land bestookt met uitnodigingen voor optredens. ‘In de winter van 1947/48 waren er in Amsterdam voor hen die er een beetje bij wilden horen, twee culturele gebeurtenissen die absuluut niet mochten worden gemist: Sartre’s Huis Clos ... en De Inktvis,’ schreef Jeanne Roos later. Het besluitvormingsproces rond het toerschema was even eenvoudig als democratisch: iedere invitatie ging langs elk van de twaalf groepsleden, die er ‘ja’ dan wel ‘nee’ op schreef, al naar gelang plaats en doel van het optreden hem of haar aansprak. Meestal was het overigens twaalfvoudig ‘ja’, en die herfst trok het amateurgezelschap met een bus met daarin Bijmoers, door oude fietsbanden bijeengehouden kamerschermen door het land.

Begin oktober trad De Inktvis op in de Haagse Schouwburg. Onder het publiek bevond zich een apetrotse Truida Schmidt. De ooit zo hechte verstandhouding met haar dochter was allang niet meer wat die geweest was – al tijdens de oorlog in Zeeland was Annie afstand gaan nemen van haar dominante moeder, en nu ze weer in Amsterdam woonde, ging ze alleen nog maar naar haar ouders in Den Haag als ze er echt niet onderuit kon, zoals bij feestdagen en verjaardagen. Maar dit weerhield Truida, zesenzeventig inmiddels maar eigenzinnig, scherp en lastig als altijd, er niet van om met volle teugen te genieten van haar late gelijk en het succes van haar ‘Liefste Inktvis’, zoals ze haar dochter daags voor haar optreden aanschreef. Dit tot een soort geïrriteerde vertedering van de laatste, die zoals Annie aan Dick schreef zelfs van een bevriende collega moest aanhoren hoe trots haar moeder wel niet op haar was.

==

Hij zat gisteren in de trein naar den Haag, en er kwam een oude dame binnen, die ging zitten babbelen en had het binnen 2 minuten over haar dochter. Haar dochter, die was in de journalistiek, ja en ze maakte versjes, en de muziek erbij! En ze was zo knap en de hele krant dreef op haar!

En wilde het publiek een van de gedichten horen? Ja? Nou, daar was het dan. En met verve droeg ze een van de afgrijselijkste puberteitsverzen voor.

Hij had direct meegespeeld. O, dat moet dan Annie Schmidt zijn, ja, natuurlijk, wie zou die niet kennen. Toen plofte zij werkelijk van trots.

Enfin, we hebben er hier heel hard om zitten lachen, maar ik ben toch blij dat ze niet zo heel vaak op reis gaat, die exhibitionistische uilen mama.

==

Johan Schmidt kwam niet naar de Haagse Schouwburg – evenmin als haar broer Wim trouwens. Hoe Annie ook haar best had gedaan, het was haar niet gelukt om met haar vader een meer dan oppervlakkig contact te krijgen.

==

Over zijn verhouding met mijn moeder nooit een woord, behalve dan dat hij zei dat hij altijd van haar was blijven houden en haar nooit in de steek had willen laten. ... Ik heb het wel geprobeerd het uit hem te krijgen, maar het kon nooit. Het was te laat geworden voor hem om mijn vader en voor mij om zijn dochter te zijn.

==

Maar in de donkere zaal zat wel Dick van Duijn, hopeloos gefascineerd door de artistieke Amsterdamse met haar slordig opgebonden haren en haar merkwaardige mengeling van eigenzinnigheid en kwetsbaarheid. Zo’n onzeker, getalenteerd, ietwat door het leven verfrommeld wezentje: het riep alle ridderinstincten in hem wakker.

==

Annetje, ik heb je werk gelezen en ben van sommige dingen onder de indruk. Ik weet niet uit welke kronkel van je psyche je sommige gedichten haalt maar laat de zielsman in godsnaam deze ribbeling niet glad strijken... ... Ik ken de mannen, waarmee je in aanraking bent geweest niet, maar het zijn idioten.

==

Wat Dick niet wist, was dat zijn aanbedene in deze dagen nog steeds met Sal Tas omging, iets wat waarschijnlijk ook bijdroeg aan haar terughoudendheid jegens hem. Maar zijn persistente hofmakerij begon toch vruchten af te werpen, want langzaam maar zeker liet Annie zich uit haar tent lokken.

==

Ik ben bang, dat het aan mij ligt wanneer je het gevoel hebt niet vrij uit te kunnen spreken. Een te weinig openstellen van mijn kant. En dat heeft zeer speciale redenen of nee eigenlijk maar een reden. Mogelijk wordt het langzaam anders als je geduld hebt. Laten we zeggen: als je ’t de moeite waard vindt om geduld te hebben.

==

Op de avond van 30 oktober, iets meer dan een maand na hun eerste ontmoeting, nam Annie haar nieuwe geliefde voor het eerst mee naar haar kamer, ‘een eindeloos aantal trappen op’, zoals hij daags erna schreef in een verrukte brief:

==

An wat was het fijn bij je. Wat is er toch aan je, dat me zo godshevig sterk aantrekt? Ja, ik weet wel: slank, goede verschijning, vlot nee eigenlijk geen eens, ben je te intelligent voor, a good sport hm... hm... ja, artistiek, kroelerig! Maar jezus dàar trap ik toch niet meer in?

Tegenstelling tot de rot situatie in Rotterdam, ja natuurlijk, maar ik heb andere tegenstellingen gekend, die helemaal niet aantrokken.

Nee rare meid, het is, naast al deze dingen... wat anders.

Het is... jezus wat is dat lastig in woorden te vatten zonder pathetisch te worden...

Het is je hele instelling tegenover jezelf, de mensen en dingen om je heen. Niet dat deze ‘goed’ is – ik vind van wel maar daar gaat het niet om, wel uiteindelijk maar niet nu.

Jouw instelling komt wel verdomd sterk overeen met de mijne, voorzien dan met een vrouwelijk voorteken. Zoiets als twee getallen, die nummeriek gelijk zijn, maar alleen in teken verschillen.

Zo, het is, zij het wat stuntelig, gezegd. ’k Ben geen schrijver.

==

Die eerste keer met Dick was de laatste nacht die Annie doorbracht in haar gehate huurkamer aan de Leidsekade. De volgende dag verhuisde ze terug naar de zonnige flat aan de Albert Neuhuysstraat, die ze vijf jaar eerder had verlaten om naar Vlissingen te gaan. Haar toenmalige huisgenote Annie Moerkercken van der Meulen ging naar Batavia om daar te helpen met het opzetten van bibliotheken, en Annie kon haar helft van de etage overnemen. Het was een heel eind uit het centrum, maar ze had er de ruimte en het was een stuk vrijer dan in een pension.

Haar nieuwe huisgenote was Vic van Groenendaal, die ze al kende sinds 1941, toen ze beiden de avondopleiding voor jeugdbibliothecaresse volgden. Vic was ongetrouwd en moeder van een dochtertje. Was dit op zich al iets uitzonderlijks en schandaligs in die tijd, in burgerogen werd het nog erger door het feit dat de vader een Italiaan was. Destijds had Annie ‘Kleine Vicje’ getuige een brief aan Truida ‘zo’n allerliefst klein meiske’ gevonden, maar anno 1947 merkte de nu elfjarige Victoria Clara van Groenendaal daar niet zoveel meer van. ‘We woonden wel in hetzelfde huis, maar echt samenleven deden we niet. Annie had het altijd razend druk en duidelijk geen tijd om zich met mij bezig te houden. Eerlijk gezegd kreeg ik altijd het gevoel dat ze helemaal niet zo van kinderen hield.’

De enige momenten dat moeder en dochter echt de volle attentie van tante Annie kregen, was wanneer deze een nieuw liedje voor De Inktvis op hen uitprobeerde. Annie zat dan in de voorkamer achter de piano, Vic en Vicje op twee stoelen ernaast. Zo luisterden ze onder andere naar ‘Krach durch Freud’:

==

’k Ga naar mijn psychiater, ik heb weer zo iets geks:

’k heb hier een complex en ’k heb daar een complex.

’k Heb last van al mijn infantiele driften,

die zijn weer binnenin me aan het schiften.

Kent u mijn dokter Jansen? Die is toch zo goed!

Zalig, zo als hij in mijn onbewuste wroet.

==

De kleine Victoria had weliswaar geen idee waar dit lied nu eigenlijk over ging, maar ze was gezegend met een uitzonderlijk goed geheugen en toen ze eens iets in de klas moest voordragen, zong ze het vrolijk na. Prompt werd haar moeder op de leeszaal opgebeld met de mededeling dat ze haar dochter onmiddellijk moest komen ophalen: een kind dat zong over infantiele driften, dát kon de juf in haar klas vol reine zieltjes niet hebben.

Ondertussen was het maar goed dat de juf niet wist welke gepassioneerde taferelen zich praktisch onder de neus van Vicje afspeelden als oom Dick langskwam.

==

An! lieve lieve...

Je schouders vannacht – je borsten – je schoot en dan je handen!!

Ik moest je eigenlijk niet alweer schrijven, mijn gedachten zijn te verward en het wordt gestamel. Maar ik kan nu niet anders. Ik heb te veel indrukken en het zint me niet deze nu kalm in hokjes te gaan zetten en ze stuk voor stuk kapot te analyseren. Je bewegingen, toen je vannacht door de kamer liep – ze hebben iets aarzelends en zijn toch vastberaden: ze vertonen een lauwheid, die de indruk geeft alsof je gedreven wordt – die dan weer plotseling wordt afgebroken (en ik ben geneigd te zeggen juist op het goede moment, maar dat is natuurlijk nonsens) door een of ander gebaar dat je maakt en waardoor ik moet grinniken. En dat niet om jou, godbeware, maar om de in zekere zin malle beweging, die wij in werkelijkheid plegen te noemen.

Je spreèkt op zulke momenten ook eigenaardig – ik weet niet – gevoileerd – met tussenruimten – aarzelend en toch niet hakkelend. Tastend is misschien het goede woord en het hoort bij je. ‘Het staat je goed’ (maar nu speculeer ik op je ijdelheid).

En zo is het goed jongetje – die sfeer moeten we vast zien te houden.

==

Al snel ontstond er een vast patroon in hun relatie. Ze ontmoetten elkaar woensdag rond lunchtijd en brachten de middag dan samen door in de Albert Neuhuysstraat. Op zaterdag reisde Dick samen met Kees Roodnat naar Amsterdam, waar Annie en Hennie de twee overspelige vrienden zaten op te wachten in het restaurant van Die Port van Cleve aan de Nieuwezijds Voorburgwal. ‘In het begin deden we nog heel stoer tegen elkaar,’ zegt Hennie Anke. ‘Zo van: we zijn gek op onze mannen maar we gaan er niet achteraan, het is prima zo. Annie en ik raakten goed bevriend. We zaten in hetzelfde schuitje, en ik vond haar heel interessant. Ze kon zoveel, en op mij maakte ze totaal geen vage indruk, eerder een vrouw die precies wist hoe ze haar leven wilde inrichten.’

Tussen zijn bezoeken door schreef Dick, als ‘ein verliebter Jüngling’, zoals zijn vrouw hem later ietwat grimmig zou toevoegen, lange, gepassioneerde brieven aan zijn geliefde. Doorspekt met filosofische beschouwingen (‘Tegenstellingen zijn een der weinige zaken die belangrijk zijn. Klinkt Hegeliaans, maar het was Goethe die het eerder door had’) en het werk van de in artistieke kringen zeer en vogue zijnde Tucholsky, draaiden ze vooral om één ding: zijn gevoelens voor haar.

==

An, het is geworden, wat ik je op de Leidsekade zei die eerste middag samen: ik zit hopeloos aan je verbonden. C’est plus fort que moi en dat is gedeeltelijk een beetje ’n griezelige gewaarwording voor iemand, die er wel van overtuigd was, dat-ie zichzelf en z’n denken onder controle had.

En, om nu even mijn verhaal te doen – weet je nog, dat ik zenuwachtig was in American diezelfde middag? – ja jij overigens ook! Tja meisje en nu is het zo als het is...

Maar het is goed! en fijn! en heerlijk! en reusachtig! en geweldig! – ja verdomd in de letterlijke betekenis van al die woorden, dat wij tweeën nu het hoogste ondervinden wat ten slotte 2 mensen aan elkaar kunnen beleven. Dit is jou natuurlijk te geëxalteerd – onpoëtische rotmeid!

==

Annie liet zich deze herfstmaanden inderdaad van haar meest gereserveerde kant zien. Want hoewel haar dolverliefde Rotterdamse aanbidder steen en been klaagde over zijn vrouw, en haar keer op keer verzekerde dat ze ‘straks’ helemaal samen zouden zijn, maakte hij geen enkele aanstalten om thuis ook daadwerkelijk de knuppel in het hoenderhok te gooien. ‘Eerstens heb ik het door m’n contact met Olga (samenleven zou fout gezegd zijn) verleerd om me helemaal te “geven”,’ schreef hij, ‘en ten tweede heb ik in jou een partner, die voorlopig genoeg heeft aan z’n eigen rottigheid. En die ik zo graag zou helpen om alles een beetje dragelijker te maken.’

Annie was haar tristesse inderdaad nog lang niet kwijt:

==

Het regent en alles is zo triest. ... Vrijdag zag ik je, en ’t lijkt alweer een hele tijd geleden. ’s Middags kwam ik huilend van de psychiater vandaan, de ellendeling. Maar ’t zal wel weer erg goed geweest zijn zo’n mentale stofzuiger. ... Ja, dat had jij ook, toen je oude foto’s bekeek: allemaal dode illusies. Maar ’t doet ons niet veel meer. Good riddance. ... Dick, ik verlang naar zaterdag. Toch weer een illusie: ’n stukje home even voor een weekend.

Nee, in ernst Dickie het zal zo fout worden, als m’n gevoel voor jou steeds groter wordt, en ik aan je zou gaan trekken. Dat hadden we toen geen van beiden bedoeld.

==

Eind november deed ze zelfs een enigszins dubbelslachtige poging om hun relatie op een wat lager pitje te zetten, al was het maar omdat haar werk begon te lijden onder de overspelige middagen in de Albert Neuhuysstraat.

==

Dick. Woensdag niet. Ik zal je morgen bellen of telegraferen dan weet je ’t hoop ik nog op tijd om alles anders te arrangeren. Gisteren toen we ’t er over hadden wist ik al dat ik ’t niet moest doen, alleen de reden was me niet duidelijk. Dat weet ik nu, ik moet mijn verhouding met jou niet laten ‘interfere with my work’, ’t klinkt overdreven plichtsgetrouw, maar dat is het niet, alleen een niet straffeloos te verwaarlozen instinct van evenwicht, proportie enfin. Enfin. in ’t kort, als we dit doorzetten, zou het er op kunnen breken.

Wat ben je begonnen Dick, met een afschuwelijk moeilijk gecompliceerd wezen als ik. Je kunt nog heel makkelijk terug. Nee, in ernst als je je geduld verliest, zeg het dan gauw. Maar aan de andere kant vraag ik je hier zachtjes: heb een beetje geduld en hou me asjeblieft even vast als ik weg wil lopen als je ’t de moeite waard vindt. Ik scheld mezelf op ’t ogenblik uit voor hysterica, en jij zult ’t daar een beetje mee eens zijn, maar als verontschuldiging heb ik dan dit: dat ik mezelf vrij ruw uit een nogal diepgaande liefde heb gerukt, na een halfjaar lang er tegen op gevochten te hebben. En dan die analyse, die zoveel opgraaft wat al zo lekker lang begraven was.

Liefje – als je zo regelrecht aan me vraagt: Hou je van me, zeg ik altijd heel weifelend ja. En zo is het ook, heel weifelend hou ik van je.

==

En Dick liet zich niet wegjagen:

==

Je hebt op een of andere manier weer een vacuum gevoeld en naar houvast gegrepen.

En dat houvast was Amsterdam plus de krant of omgekeerd. Volkomen logisch plausibel, begrijpelijk enz. ... Vervolgens kwam ik met meine weinigheit er tussen die met de woensdagafspraak aan ‘dit houvast zou willen peuteren’, waarna je als de bliksem maatregelen bent gaan nemen om dat te voorkomen. An, An wat ben je toch een lieve idioot. ... Meisje, kind, wat zit je toch in de war. Ik had je zaterdag bij me moeten houden verdomme.

==

Later beschreef Annie deze periode als volgt: ‘Dus iedere keer weer uitmaken en iedere keer weer zeggen: “schei maar uit, je hoeft niet meer te komen”. Maar hij heeft volgehouden, heeft telkens weer geschreven, is telkens weer gekomen. Totdat het me heel duidelijk was, dat hij mij wou en niks anders. En ik wou dat eigenlijk ook. En toen was het mijn beurt om het vol te houden.’

Nog nooit had Annie een aanbidder gehad die haar zo goed wilde begrijpen en zo vastbesloten was alleen het mooiste en het liefste in haar te willen zien. Ze werd herdoopt tot ‘Anna’, nadat Dick in een naslagwerk had opgezocht wat haar voornamen betekenden.

==

Anna schijnt in het Hebreeuws bevallig te zijn. Klopt. Gertrude is oud hoogduits voor ‘Spearmaiden, speerfreundin’. Dus een dame met een nogal fallisch attribuut. Tja enne, dat is ook wel een beetje toepasselijk is het niet. Ten slotte komt Maria van het hebreeuwse Mirjam dat... bitter betekent. Voilà! ... Dag mijn lieve bittere Anna!

==

Tegen zoveel liefde was zelfs de scepsis van Annie niet bestand. Met Kerstmis in zicht was de affaire in volle hevigheid losgebarsten. ‘Het kwam als een soort wonder,’ zei ze later, ‘dat ik een man kreeg die ik liefhad, die van mij hield en dat dat heel goed ging.’ Haar vrienden hadden hem inmiddels ook ontmoet. ‘We vonden het een prachtkerel,’ zegt Dick van Dien. ‘Een superieure man, geweldig belezen en ontwikkeld en tegelijkertijd gezellig en vol humor. We zagen Annie groeien en opbloeien.’ ‘Hij was een lastpak,’ zegt Margreet Taselaar, ‘maar dol op Annie.’ Ook Jeanne Roos was onder de indruk: ‘Het was een leuke man om te zien, ontwikkeld, geestig en heel cynisch. Haar zelfvertrouwen als vrouw groeide door hem. Hij was een enorme bevestiging voor haar.’ En Hennie Anke herinnert zich: ‘Annie was helemaal geen knappe vrouw, maar bij Dick werd ze mooi. Ze ging zich steeds beter kleden, iets waar ze aanvankelijk helemaal niet zo op leek te letten. Ik zie ze samen nóg zitten in Die Port van Cleve, terwijl ze de hele tijd elkaars hand vastpakten, helemaal verliefd en stralend.’

==

Die kerst brachten Annie en Dick gescheiden door: hij in Hillegersberg met de steeds argwanender Olga en hun zonen, die onbewust van de dreiging die boven hun wereld hing de cadeautjes openmaakten die de minnares van hun vader aan hem had meegegeven; zij in de Haagse Laan Copes van Cattenburch tussen haar eeuwig op elkaar vittende ouders, haar broer Wim en diens kersverse, inmiddels alweer derde echtgenote, een Indische oorlogsweduwe met een zoon. Haar man was bij de aanleg van de Birmaspoorlijn omgekomen. En terwijl de gesprekken voortkabbelden en de saaie zondagen zich voortsleepten, schreven Annie en Dick elkaar in het geniep lange, verlangende brieven. ‘En op de bank met helemaal niets aan mijn lieve lieve Annetje – haren in de war – ogen toegeknepen en lippen even van elkaar. Een been met een elegante knikking even over de rand...’ beschreef Dick bijna exact het beeld op het fotootje van haar dat hij tussen haar brieven bewaarde, veilig weggeborgen op zijn kantoor.

Het jaar 1948 was nog maar enkele dagen oud toen Olga een brief vond die Dick aan Annie aan het schrijven was, en hem ter verantwoording riep. Niet alleen voor de scharrel die hij er kennelijk op na hield, maar ook voor zijn chronisch slecht humeur en het feit dat hij nu bijna elke dag beneveld placht te eindigen. ‘Annetje, ik ben een lamme zuiplap en als ik bij mezelf naga hoe ik nu weer op je telefoonstem reageer, een vrouwenloper,’ schreef Dick op 5 januari ietwat bedremmeld. ‘Pas op lieverd.’

Maar Annie paste helemaal niet op. Integendeel, ze leefde maar al te graag met hem mee:

==

Liefje ik vind het zo beroerd voor je!

Misschien is ’t op lang traject niet erg, onvermijdelijk, en zelfs wel goed, maar nu op ’t ogenblik weet ik zo precies wat je allemaal te verduren krijgt. En de manier waarop is zo akelig! Natuurlijk was het beter geweest als het van jouzelf was uitgegaan. Je had dan in de hele komende verhouding sterker gestaan. Nu heeft ze voor haar gevoel en voor de buitenwereld ’t recht zo evident aan haar kant. Maar ’t is natuurlijk een onderscheid, zo voos en zo weinig materieel, dat het er later niet meer toe zal doen. ...

Jasses, ’n Streek! Eén ding, Dick: jij bent vrij weerloos tegenover een vrouw, (dat zie je nu weer) omdat je argeloos bent en – zij het niet zó rechtlijnig, toch heel wat rechtlijniger dan deze vrouw.

Wees nou op je qui vive ook tegenover eventueele zachtheid en hulpeloosheid.

Stel je er ook op in dat je gang zal worden nagegaan op kantoor, of al is nagegaan.

’k moet oppassen anders ga ik je helemaal opstoken maar ’t is voor mij ten enenmale ondoenlijk fair te blijven tegenover iemand die ik alleen daaraan ken dat ze bepaalde lijnen in jouw gezicht gemaakt heeft die er niet hadden hoeven te zijn.

==

Het happy end dat nu onvermijdelijk leek – Dick met een koffer op haar stoep, zij samen een stralende toekomst tegemoet – bleef echter uit, hoezeer Annie de weken die volgden ook informeerde en prikte: ‘Hoe is ’t nu thuis, Dick? Status quo?’ ‘Kon je thuis je weg naar bed onbelemmerd vervolgen, of waren er verwijten?’ ‘Je zult die scenes van O. natuurlijk houden, dat is een soort verzet waarin je ook geen logica moet zoeken.’ Het effect was echter averechts. Opeens legde Dick een grote zwijgzaamheid over zijn huiselijk leven aan den dag, en van concrete stappen om zijn gezin te verlaten was al helemaal geen sprake. Zijn hoofd, zo meldde hij, zat ‘vol met allerlei vragen en bespiegelingen over dat gedonderjaag tussen ons twee’, en de situatie had ‘tijd nodig om zich te ontwikkelen’.

==

Voorop staat, dat wij tweeen het wel eens zijn, dat een samengaan mogelijk en zelfs voor allebei gewenst is. Jij wilt dit zo snel mogelijk realiseren.

Ik wil dit met in achtneming van zekere verplichtingen, die ik vind, dat er nu eenmaal zijn.

Jij denkt, dat als ik me te veel bezig hou met ‘in achtnemingen’ de mogelijkheid zich zou kunnen voordoen, dat onze opzet er door in gevaar komt. ... Precies hetzelfde, natuurlijk met verschillen in nuance, als wat jij ondervindt met de Laan Copes. En hoe reageer jij hierop? Je zorgt, dat je er zo weinig mogelijk bent maar je maakt je er toch niet helemaal vrij van. En dat is ook mijn reactie t.o.v. H’berg op het ogenblik.

Ik heb je al ’s een keer gezegd An, dat je door een al te absolute houding aan te nemen zo van of + of – een hoop dingen mis kunt lopen. Het is waar dat je dat tegenover sommige mensen beter wel kunt doen maar in onze verhouding is dat zeer bepaald niet nodig.

==

‘Mijn vader had veel fouten, maar hij was door en door fatsoenlijk,’ zegt Dick van Duijn jr. ‘Daarbij hing hij aan zekerheden, en mijn moeder was een zekerheid. Zij wilde hem duidelijk niet kwijt en heeft waarschijnlijk gedacht dat zijn verliefdheid wel over zou waaien. Intellectueel intelligent als hij was, heb ik mijn vader op emotioneel gebied altijd een beetje onnozel gevonden. Het was alsof hij maar op één manier kon denken. Zodra er gevoelens in het spel kwamen, raakte hij verward en was hij niet meer in staat om de situatie op te lossen.’

‘Dick durfde de stap niet te zetten,’ zegt Hennie Anke, ‘en Annie had het daar, vooral in het begin, heel erg moeilijk mee.’ Zelf vertelde Annie veertig jaar later:

==

Als degene die de rol van de vriendin heeft – ik dus – vind je natuurlijk dat hij weg moet bij die vrouw. Maar dat gebeurt niet, in ieder geval niet zo snel als jij wel zou willen, en daar zit je dan. Altijd de vrouw in de schaduw. ... Het begint er al mee dat zo’n man je stante pede vertelt dat hij niet meer met zijn vrouw naar bed gaat. Dat hóórt erbij. Ik noem dat altijd de Grote Leugen, want het is echt niet waar dat hij niks met haar heeft op erotisch gebied. ...

Kijk, als het een aardige man is wil hij zijn vrouw niet katten. En eigenlijk wil hij het liefst helemaal niet over haar praten. Maar als vriendin neem je daar geen genoegen mee, want je bent nieuwsgierig, je wilt weten waarom hij bij jou is en niet bij haar. Je kijkt naar hem en aan z’n vermoeide gebaren meen je te kunnen afzien dat hij ontzettend genoeg heeft van z’n vrouw. Maar dat is het niet helemaal, hè? Je maakt jezelf van alles wijs. ...

Ik was één en al tand en klauw in die tijd. ... Soms om de gekste dingen. De poes bijvoorbeeld. Hij had thuis, met haar, een poes, en op een gegeven moment werd die poes voor mij opeens het symbool van getrouwd zijn. Waarom hebben wij geen poes? ga je dan stampvoeten. Waarom kunnen wij nooit een poes hebben? ...

Zo iets sleept en sleept, en dan is het ja... en nee... en toch weer ja. Of zijn vrouw van haar kant jaloers was op míj? O, ja, nou, vreselijk. ... Hebben. Houden. Mijn man, van mij, daar mag je niet aankomen. Achteraf bezien kan ik daar eigenlijk wel inkomen, ik kan me nu enigszins voorstellen dat ze kapsones had en dat ze hard terugvocht, maar destijds interesseerde me dat geen moer. Ik wóu er helemaal niet inkomen, het kon me absoluut niet schelen wat dat mens dacht of voelde.

==

Schrijven is bij uitstek het verleidingswapen van verlegen mensen en Annie gebruikte het tot en met. In haar brieven uit deze periode toont ze zich een volleerd courtisane: ze amuseerde Dick met vrolijke, wervende verhalen over het bloeiende culturele en sociale leven rond Het Parool en De Inktvis, ze verleidde hem met tedere woorden en beurde hem op als de gecombineerde druk van werk, gezin en minnares hem weer eens te veel dreigde te worden.

==

Ik geloof dat we allebei door een soort crisis gaan op ’t ogenblik, en in een heleboel opzichten vreselijk gedesillusioneerd zijn, maar er is toch wel een heleboel positiefs in ons, hoor liefje en we zijn toch werkelijk veel te vitaal en te gezond en te strijdlustig om ons zo maar lekker te laten gaan. ... Dag lieveling, mag ik even kroelen met mijn wang tegen je ruige borstelwenkbrauwen!

==

Op 25 februari trad De Inktvis op tijdens de prestigieuze openingsavond van het Boekenbal. Annie was inmiddels al druk bezig met het maken van liedjes voor het tweede programma, dat in april in première zou gaan. Zo schreef ze ‘De Hoeksema’s’:

==

Die Hoeksema’s ’t is niet om ’t een of ander

Ik mag ze graag hoor. Maar dát maakt me wild

dat eeuwige geroddel van een ander

Ze zijn, hoe zal ik ’t zeggen, weinig mild

Ze hadden het vanavond over Annie

Nou geef ik toe, die Annie ís een slet

Zoo’n jurk van haar salaris, nou, dat kan nie

ze gáat met die en die en die naar bed

en dat ze in de oorlog fout geweest is

nou, als je ’t mij vraagt, ja, ’k geloof het wel

vooral omdat haar vader ook zo’n beest is

en dan die moeder, regelrecht een del.

Kent U die Annie. Hé, misdadig type

maar laat het nou een sloerie zijn misschien

ik blijf maar zeggen, dat is mijn principe

je moet alleen het goeie in haar zien.

==

Zelfs voor de vrijgevochten Inktvissers was dit een tikkeltje té wild, en uiteindelijk werden de gewraakte passages gekuist tot:

==

’k Geef toe, die Annie, nou daar is iets mee.

Zo’n jurk van dat salaris, nou dat kan niet.

En dan die hele ‘hem-hem’ van ’r, nee!

Ze is ook fout geweest, hè, tussen haakjes.

Maar ’t is toch eigenlijk ook wel weer sneu.

Zo’n moeder... En die vader, met z’n zaakjes...

Het ligt toch helemaal aan het milieu.

==

Met Han G. Hoekstra werkte Annie aan een vertaling van de Just So Stories van Rudyard Kipling voor uitgeverij Hollandia en samen met Els van Dien werd ze door De Bezige Bij benoemd tot adviseuse jeugdboeken. Dit laatste gebeurde waarschijnlijk naar aanleiding van enkele nogal brave betogen die ze in deze periode voor Vrij Nederland schreef en waarin ze stripverhalen streng beoordeelde als ‘onbenullig, sensationeel’ en ‘gevaarlijk’. Het beoogde jeugdfonds kwam echter niet van de grond, wellicht wegens dezelfde ‘drukke werkzaamheden’ die haar deze lente noopten te bedanken voor de personeelsvereniging.

Ook Annies eigenlijke werk schoot er behoorlijk bij in. Het hoofd Documentatie was wel heel vaak afwezig, meestal wegens een of andere vage ongesteldheid waar ze vooral op woensdagen last van scheen te hebben. Eens werd ze op zo’n middag door een collega op het Centraal Station gesignaleerd in een innige omhelzing met een onbekend manspersoon. Annie maakte dat ze thuiskwam. ‘In afwachting van de dokter ben ik lijdend gaan kijken,’ schreef ze aan Dick. ‘Maar hij kwam niet. Niettemin is dit natuurlijk erg rót. Ik weet ook nog niet wat ik doen moet morgen. Met Gods hulp zal ik me er wel uit liegen, óf en misschien is dat beter, ik speel gewoon open kaart.’

De zaak liep met een sisser af, maar Annie besefte drommels goed dat ze niet echt boven aan Van Heuven Goedharts favorietenlijstje stond. En zeker niet nu Wim Hora Adema tegen zijn uitdrukkelijke bevel in toch weer kinderversjes van haar hand het ‘Kinderhoekje’ binnensmokkelde. Op 14 februari had ‘Polleke Wiet’ erin gestaan, ‘Sebastiaan’ volgde twee weken later.

==

Dit is de spin Sebastiaan.

Het is niet goed met hem gegaan.

Luister!

Hij zei tot alle and’re spinnen:

Vreemd, ik weet niet wat ik heb,

maar ik krijg zo’n drang van binnen

tot het weven van een web.

==

Zeiden alle and’re spinnen:

O, Sebastiaan, nee, Sebastiaan,

kom, Sebastiaan, laat dat nou,

wou je aan een web beginnen

in die vreselijke kou?

==

Zei Sebastiaan tot de spinnen:

’t Web hoeft niet zo groot te zijn,

’t hoeft niet buiten, ’t kan ook binnen

ergens achter een gordijn.

==

Zeiden alle and’re spinnen:

O, Sebastiaan, nee, Sebastiaan,

toe, Sebastiaan, toom je in!

Het is zó gevaarlijk binnen,

zó gevaarlijk voor een spin.

==

Zei Sebastiaan eigenzinnig:

Nee, de Drang is mij te groot.

Zeiden alle and’ren innig:

Sebastiaan, dit wordt je dood...

O, o, o, Sebastiaan!

Het is niet goed met hem gegaan.

==

Door het raam klom hij naar binnen.

Eigenzinnig! En niet bang.

Zeiden alle and’re spinnen:

Kijk, daar gaat hij met zijn Drang!

Pauze

Na een poosje werd toen éven

dit berichtje doorgegeven:

Binnen werd een moord gepleegd.

Sebastiaan is opgeveegd.

==

Enkele dagen later werd Annie bij Van Heuven Goedhart geroepen. Net die ochtend was er een minister op de redactie rondgeleid en had de hoofdredacteur haar gevraagd om een map over de Unesco teneinde zijn effectieve documentatieafdeling te demonstreren. Haar koortsachtige zoektocht had echter niets opgeleverd, en uiteindelijk had ze moeten bekennen de map waarschijnlijk weggegooid te hebben.

==

Dus ik streek m’n haren glad en trok m’n blouse recht en ik dacht: nou gaat het gebeuren, ik zal wel ontslagen worden. Maar toen ik daar binnenkwam, stond die man tot mijn grote schrik op en zei: ‘Ik moet u een zoen geven’.

==

Na ‘Sebastiaan’ kon ook Van Heuven Goedhart niet meer om het opmerkelijk talent van zijn documentatiejuffrouw heen. Op 6 maart prijkte het gedicht op de kinderpagina van Het Rotterdamsch Parool en vanaf dat moment nam deze editie iedere week een door Wim Bijmoer geïllustreerd versje en een verhaaltje van Annies hand op. Haar carrière als schrijfster voor kinderen was eindelijk op gang gekomen. Dat Annie niet in het Amsterdams Parool publiceerde maar in het veel kleinere en aanzienlijk minder succesvolle dochterblad, zou te maken kunnen hebben gehad met Van Heuven Goedharts wens de schrijvende en ondersteunende taken op zijn redactie niet door elkaar te laten lopen. Maar het is ook heel goed mogelijk dat Annie zelf voor de Maasstad opteerde. Want het was haar nu wel duidelijk dat Dick, wiens leven en werk om de Rotterdamse haven draaide, nooit definitief naar de hoofdstad zou verhuizen. Wilde ze hem hebben, dan moest zij dus naar Rotterdam. De beslissing werd vergemakkelijkt door het feit dat de huisbaas weigerde het nog steeds op naam van Annie Moerkercken staande contract voor de etage aan de Albert Neuhuysstraat te verlengen, en ze dus binnen afzienbare tijd op straat zou komen te staan.

Dick was echter helemaal niet zo gecharmeerd van het idee ‘Annaliefje’ zo dicht bij huis te krijgen.

==

Ik snap er n.l. geen donder van, dat jij maar zo even glashard Amsterdam wil laten glippen. Natuurlijk heb je voor mij veel over en ben ik een ontzettend belangrijk man en moet ik het op prijs stellen, dat jij zoveel voor me... ach barst. Of wil je wat ontlopen? Of ben je zo vlinderachtig, dat fladderen over Rotterdam’s puin je aantrekt. Nee, het laatste zeker niet.

==

Annie maakt een boze scène, maar besefte al snel dat ze maar beter kon meebuigen wilde ze hem niet verliezen.

==

Natuurlijk was ik veel te heftig tegen je. Ik had ook spijt als haren op m’n hoofd gisterenavond. ... ’t Hele conflict zit hem hierin, dat we de laatste weken veel te hard van stapel zijn geloopen, ik tenminste. ’t Hele idee van huis zoeken en baan zoeken in Rotterdam moeten we laten varen tot jij zo ver bent en ik zei je al, dat ik niet geloof dat je zover komt op deze manier. Maar dat kan ik natuurlijk inderdaad niet beoordelen.

In elk geval heb ik me veel te veel op jou ingesteld de laatste tijd ben ik te veel-eisend geworden, hang teveel aan onze weekends heb weer te veel illusies gekregen, alles te veel en te vlug. Ik zal ervan terug moeten en alles moeten nemen zoals ’t is, me wat losser moeten maken van je enz. ... O waarom ben je ook met een complexerige egocentrische juffrouw in Amsterdam begonnen en nou zit je zo tusschen twee vrouwen die maar rotzooi maken en maar aan je trekken.

==

Op 17 april ging In de Bizarre Bazar, het tweede programma van De Inktvis, in première, dit keer door de groepsleden zelf gefinancierd. Dick kon tot verdriet van Annie niet bij de voorstelling zijn, maar tout Amsterdam gaf acte de présence. ‘Ik hoop te vergeten wie er allemaal in de zaal zitten,’ schreef Annie. ‘De hele cabaretwereld met Ruys en Sonneveld en Dresselhuys en alle kranten en alle schrijvers.’ Hoewel sommige mensen het eerste programma ‘juist door onze stunteligheid aardiger’ hadden gevonden, werd ook dit optreden weer met veel bijval ontvangen. Voor de beroepscabaretiers was De Inktvis inmiddels uitgegroeid tot een reservoir vol potentieel talent. Zo kaapte Wim Kan sportredacteur Ton van Duinhoven, de enige echt goede zanger van het gezelschap, weg voor zijn abc-cabaret en engageerde Cor Ruys Jeanne Roos voor het programma dat zijn gezelschap die zomer in het Kurhaus in Scheveningen zou verzorgen.

En allemaal kochten ze teksten van Annie. Journalistieker en minder lyrisch dan die van vooroorlogse tekstschrijvers als Koos Speenhoff, Dirk Witte en Jacques van Tol, gold haar werk nu als hét geluid van de eigentijdse kleinkunst, ‘natuurlijker, oprechter, korter en puntiger dan voorheen’. Er ontstond zelfs enig gemor onder de Inktvissers over het feit dat de beroepscabaretiers er sneller met hun teksten vandoor gingen dan zij ze ten gehore konden brengen. Uiteindelijk werd afgesproken dat een liedje voortaan minstens een jaar op het Inktvisrepertoire gestaan moest hebben alvorens het door een ander mocht worden gebruikt. Dit leidde alleen maar tot een nog grotere vraag om nieuw werk van Annie. Voor Mary Dresselhuys schreef ze ‘Jacoba van Beieren’ en voor Wim Sonneveld, die net als Dresselhuys die zomer bij Ruys werkte, maakte ze drie liedjes, waaronder ‘Laarzen’. ‘Eindelijk weer iets wat ik zelf goed vind, wat ik geïnspireerd heb gemaakt, en waaraan ik dus zelf de vreugde van het maken aan heb beleefd, en dat is een van de plezierigste dingen die er bestaan,’ schreef ze Dick.

==

Nee, laarzen op zichzelf, daar is niets tegen,

maar kijk, wanneer het er miljoenen zijn,

miljoenen laarzen, dreunend op de wegen,

en met daarachter één krankzinnig brein...

==

Op het moment dat Annie deze tekst schreef, verwachtte volgens een Nipo-onderzoek ruim zeventig procent van de Nederlandse bevolking het spoedig uitbreken van een Derde Wereldoorlog. Het jaar 1948 was ingeluid met de moord op Mahatma Gandhi, in februari gevolgd door de machtsgreep van de Tsjecho-Slowaakse communisten in Praag. De twee vroegere geallieerde bondgenoten Amerika en de Sovjet-Unie bestreden elkaar nu openlijk en Nederland was volop in een eigen koloniale oorlog verwikkeld geraakt. Ondanks de in maart 1947 geratificeerde overeenkomst van Linggadjati was die zomer het startsein voor de eerste politionele actie gegeven en de lijsten met namen van in Indië gesneuvelde militairen waren nu niet meer uit de kranten weg te denken.

Op een schaars geëngageerd liedje na was Annie getuige haar correspondentie echter nauwelijks of niet geoccupeerd met de dreigende internationale politieke situatie. Zij had haar eigen oorlogen te voeren: om Dick, en om haar werk, bijvoorbeeld met Cor Ruys, de toenmalige koning van de kleinkunstwereld, die haar gevraagd had twee teksten te schrijven. Aanvankelijk was ze zeer verguld geweest met de opdracht, maar dat sloeg om in hevige teleurstelling toen hij één liedje afwees en het tweede bij de première op 11 juni onherkenbaar veranderd bleek te hebben. ‘Cor Ruys leerde nooit tekst, maar moest alleen de sfeer van een sketch proeven en maakte er dan iets van,’ vertelde ze later. ‘De tekst sloeg echt als Bets op Dirk. Ik was woedend.’

Aan Dick schreef ze:

==

In de gang ging ik naar hem toe en of hij nu moe was of teleurgesteld, dat weet ik niet, maar hij snauwde mij af en liet me tussen de anderen voor gek staan. Ik vond het naar en voelde me erg gekwetst, want ik heb toch werkelijk wel mijn best gedaan. ... Toch heeft me dit weer een waarschuwing gegeven. Zo iemand als Ruys is een engel zolang hij iets aan je heeft. Zo niet dan laat hij je ogenblikkelijk vallen.

==

Toen Annie enkele weken later nog eens met haar moeder ging kijken, maakte Ruys het vanaf het podium weer goed. ‘Hij zei: nu krijgen we Krach durch Schmidt, o nee, ik vergis me dat komt omdat ik Annie Schmidt zie zitten. Aan ’t eind riep hij me en bad om teksten voor ’t volgend programma. Nou ja, dat weten we nou wel.’ Toen al, nog geen fractie zo beroemd als ze later zou worden, ging Annie tamelijk achteloos om met het succes. Want hoeveel voldoening ze ook beleefde aan het schrijven zelf, de reputatie en het geld die het haar opleverden, het waren niet meer dan prettige bijproducten, wapens om het leven en de man te veroveren die ze wilde hebben.

Inmiddels had Annie ook haar moeder en Cor en Mien van der Burg van haar relatie met een getrouwde man op de hoogte gebracht. Truida Schmidt reageerde opvallend laconiek. ‘Tien jaar geleden zou ze me de deur hebben gewezen als ik haar zoiets had verteld. Maar menschen van 77 zijn zo mild geworden, voornamelijk geloof ik omdat ’t hun eigenlijk allemaal niet meer zo aangaat. Ze zei vooral iets van: wat zul je nu een hoop moeilijkheden krijgen.’ Het echtpaar Van der Burg echter was er allerminst over te spreken:

==

Ze waren vriendelijk maar vreselijk sceptisch en lauw. Kennelijk geen vertrouwen in de zaak.

We hadden zo gehoopt, dat je nog eens trouwen zou, zeiden ze. Nu blijf je een zwerfster.

En dan een man ertoe brengen om zijn vrouw en kinderen in de steek te laten, ze hadden er geen goed woord voor over.

’t Einde was dat ik mateloos verdrietig in de laatste trein stapte en om half twee weenend in slaap sukkelde. Deze mensen hebben nl. altijd veel invloed op me gehad en zijn verstandiger ouders geweest dan de mijne.

==

Dick deed wat hij kon om haar te troosten:

==

Wat kun jij toch soms intens droevig zijn; intens vrolijk heb ik je nog nooit gezien. Het laatste kan ik me indenken – dat vermogen heb ik ook niet maar zo heel triestig als jij vanmiddag was nee dat gaat mij niet meer af, daar denk ik me overheen. Moest jij ook doen joh! ...

Jezus je hebt míj toch, dat we nou nog even door omstandigheden gescheiden zijn verandert toch ook!

... Dag m’n lieve zusje – vertrouw d’r nou maar een beetje op dat het goed komt – ik ben er wel een van dat lamme geslacht maar we zijn toch wel een beetje verder dan 8 maanden geleden – of niet soms?

==

En Annie kreeg haar zin. Per 1 september 1948 zou ze beginnen als verslaggeefster bij Het Rotterdamsch Parool. Aan het begin van de zomer nam ze afscheid van de documentatieafdeling aan de Nieuwezijds en bracht Dick zijn vrouw op de hoogte van de nieuwe ontwikkelingen. ‘Het was allemaal heel verward en moeilijk en niet zo erg prettig,’ schreef hij. Kort daarop werd Annie benaderd door een zekere Annie Jurriaanse, die een jarenlange vriendin bleek te zijn van zowel Dick als Olga en zich opwierp als bemiddelaarster. Dick kreeg een nauwgezet verslag van de ontmoeting:

==

Ik zei dat jij geen man was om 2 huizen te hebben en ik ook niet een vrouw om daarmee genoegen te nemen, dat we dit ook samen uit den treure hebben besproken en dat jij van plan bent om weg te gaan zodra we een geschikte woongelegenheid hebben gevonden. Dat wist Annie niet en ook Olga niet maar ze zei dat dat zou een ramp zijn voor O. Bovendien geloofde zij niet dat jij daartoe over zou gaan en als je er in je verliefdheid toe overging dan zou ik daar een vreselijke last mee krijgen want jij zou altijd terug trekken naar je gezin. Je bent een huisvader door en door. Je huwelijk is niet ongelukkig, zij heeft daar nooit iets van gemerkt. Olga is dol op jou en eigenlijk jij ook op haar al ben je nu even in een roes van iets anders. Je weet toch wel, zei Annie, hoe verliefde mannen zijn. Ze breken hun vrouw altijd af tegenover de ander. Ze beloven gouden bergen maar een band van 14 jaar telt voor Dick te zwaar. Dick is vreselijk verwend, eerst door zijn moeder, toen door Olga. Jij bent geen huishoudster, bovendien moet je je brood er nog bij verdienen, je zult het hem nooit naar zijn zin kunnen maken, nu neemt hij alles, omdat hij verliefd is, later zal hij terugverlangen naar zijn comfort en de vrouw die beter voor hem zorgde dan jij kunt doen. Hij zal omgekeerd jou vreselijk tegen vallen, hij is een paus, je kent hem nog niet in zijn ware aard. ...

Annie zei ook nog: Juist omdat Olga zoveel van Dick houdt laat ze hem vrij en accepteert ze, dat hij weekenden weg is, als jij werkelijk van Dick houdt dan moet je ook accepteren dat hij bij zijn gezin blijft. Daar ben ik natuurlijk weer eens over gaan doorpiekeren. Inderdaad, misschien ben ik te egoïstisch, niet soepel genoeg, te veel eisend, misschien maak ik dan gebruik van de tijdelijke verliefdheid van een man (als iedereen ’t zo zegt, is ’t misschien wel waar) om een beslissing te forceren, maar ik zet daar mezelf toch ook helemaal voor in. Ik geef er toch ook een heleboel voor op, ik zie dat er massa’s moeilijkheden komen. Nou goed ik ben bereid om ze door te wurmen met vallen en opstaan maar met alle wilskracht en redelijkheid die ik op kan brengen. Een paar maanden geleden zou ik na zo’n verhaal van Annie mijlen ver weg zijn gegaan. Van jou weg. Nu heb ik een soort fighting spirit.

==

Terwijl Dick eind juli in de stromende regen met zijn gezin vakantie hield in een pension op Texel, ging Annie naarstig op zoek naar een huis in Rotterdam. Maar de woningnood was hoog en zelfs een woonboot bleek te duur: ‘22000 gulden ... we zouden heel wat schuimende shampoo en heel wat mooie liedjes moeten maken om dat bij elkaar te krijgen, lief.’ Voor de zoveelste keer was Annie aangewezen op de gemeubileerde kamerverhuur.

==

Moeder dochtersituatie waarbij ik ga trillen van benauwdheid. ... Geen gebruik van keuken. Daar hebben ze narigheid mee gehad, willen ze niet meer. Mag wel een ei bakken en thee zetten. ... Maar ik ken het klappen van de zweep al zo lang, Dick; vanaf mijn 18 jaar heb ik op kamers gewoond en ik weet ook dat ik met dit type vrouw niets moet gaan opzetten. Die worden jaloers. Niettemin, ik zing al vele toontjes lager, wie weet moet het wel.

==

En op 31 augustus 1948, terwijl het hele land daverde van de feesten die de troonswisseling tussen Wilhelmina en Juliana luister bijzetten, verhuisde Annie naar een pensionkamer in Schiedam, de ‘llliefde met de driedubbele l’ achterna.

10
de fontein

1948-1951

Het schrijven was een ontlading. ’t Was ook aldoor geweest alsof ik ’t niet gemógen had en dat ’t ten slotte dan mócht. Zo voel ik ’t ook – dat ’t niet mócht. En waarom ik ’t dan plotseling wél mocht, dat weet ik niet. Die therapie, en daarop de ontmoeting met mijn man, een bestendige relatie, plus dat schrijven – het heeft natuurlijk met elkaar te maken.

annie m.g. schmidt, interview met ischa meijer, 1975

In de herfst van 1948 trok Annie er voor het eerst op uit in het winderige Rotterdam, een heuse journaliste met ‘een beige regenjas, een schoudertas, een blocnote en een ik-ben-van-de-pers-air’. ‘Moeders, laat uw dochters verslaggeefster worden,’ schreef ze later. ‘Ze zien nog ’s wat, ze horen nog ’s wat, ze maken nog ’s wat mee. En o, wat worden ze flink.’ Het overgrote deel van de vele tientallen reportages die ze tussen 1948 en 1951 geschreven moet hebben, ligt nu anoniem te vergelen in de archieven, maar afgaande op de paar die – op grond van haar correspondentie – met zekerheid aan haar toegeschreven kunnen worden, is er aan Annie geen groot nieuwsjaagster verloren gegaan. ‘Ik was er veel te romantisch voor,’ zei ze later, ‘ik trok alle verhalen in het gekke en voor de krant was dat niet zo best.’

Haar onderwerpen vielen vooral in de categorie ‘gezellig’: de fabricage van potloden, het leven der reigers, de dagelijkse belevenissen van een schoorsteenveger of het verhaal van een dame die reeds een kwarteeuw over de radio naailessen gaf. Journalistiek legde het allemaal weinig gewicht in de schaal, maar het vele schrijven dat Annie deed haalde wel de laatste stugheid uit haar stijl. Had ze bij de literatuurbeschouwingen die ze voor Vrij Nederland schreef nog maar al te zichtbaar haar best gedaan het ‘goed’ te doen, nu tikte ze er onbevangen op los en sijpelden de speelsheid en creativiteit aan alle kanten haar stukken binnen. Voor Wim Hora Adema, die begin november 1948 met de introductie van de pagina ‘Voor de vrouw... (maar niet voor haar alleen)’ een langgekoesterde droom werkelijkheid zag worden, schreef ze op 14 november een stukje over het leesgedrag van vrouwen:

==

Ik denk aan mijn nicht Cato. Toen zij verloofd was sprak hij met dat heilige in zijn stem over Rimbaud. En omdat de maan zo scheen, en zij graag op gelijke hoogte mee wou trillen, sprak zij even heilig terug over Rimbaud. En daar had je het! Haar hele huwelijk zat zij met handen en voeten gebonden aan zijn literair peil. Lange bittere jaren moest zij mee in zijn cultureel zog. Zij mocht geen gezellige romans meer lezen over zachte rondingen enerzijds en vierkante kinnen anderzijds, omdat ze niet literair waren.

==

Enkele stukjes later sloop een nieuw element binnen. ‘Ik zie, zo zegt de simpele ziel, dikke dames aan tafeltjes zitten.’ En op 16 december 1948 verscheen de eerste officiële aflevering van de – vooralsnog tweewekelijkse – ‘Impressies van een simpele ziel’. Annie kon zich de eerste vrouwelijke columnist van Het Parool noemen: een dubbele triomf voor Wim Hora Adema, die zich door de jaren heen niet alleen had opgeworpen als onvermoeibaar pleitbezorgster van Annies talent, maar ook steeds meer van die van de vrouwenemancipatie.

Overigens was dit strikt genomen niet eens Annies debuut als columniste, al wist bijna niemand dit. Want al in oktober had Het Rotterdamsch Parool de wekelijkse rubriek ‘Evelien spreekt... van vrouw tot vrouw’ geïntroduceerd, waarin Annie – zelf een zeer ongetrouwde juffrouw op een pensionkamertje – rijkelijk strooide met adviezen over het gezinsleven. Af en toe verwerkte ze tussen de recepten (‘Prettige kerstviering met weinig geld: hoofdzaak is toch dat we van goeden wille zijn’) en vermageringstips (‘Schoonheidsmiddelen: in iedere vrouw leeft het verlangen beeldschoon te worden’) door ook nog enig emancipatoir elan: ‘Laat mij nu ook eens opstandig zijn. Hier sta ik, met plastic schort en pannenspons’.

==

Waarschijnlijk zal er nog veel over gedacht en geschreven moeten worden, over dit interessante vraagstuk: Is de vrouw krachtens haar wezen niet tot grote scheppende daden in staat, óf heeft haar maatschappelijke positie haar zodanig geremd, door de eeuwen, dat zij nog steeds vleugellam is?

==

De Simpele Ziel was wat minder braaf, en had bovendien de neiging meer persoonlijk wel en wee in haar stukjes te verstoppen. Zo werd het voor Annie maar al te bekende fenomeen van ‘de redeloze, zinneloze, machteloze jaloezie’ behandeld aan de hand van Tolstojs Anna Karenina (‘O Anna, wat doe je stom meid’). De Liefde zelf werd ten tonele gevoerd als een zeer bijziende dame die alleen in de bioscoop en tussen keurig gehuwden wordt getolereerd (‘Maar beweeg ik me tussen mensen, die niet zo huwbaar meer zijn, dan ben ik meteen een schandaal en daarmee uit’). En met passende discretie behandelde de schrijfster het fenomeen ‘contactadvertentie’.

==

Waarom zijn we eigenlijk zo tegen huwelijksadvertenties? Het zichzelf aanbieden stuit ons tegen de borst, nietwaar? Men kan wel zijn oldfinish theemeubel aanbieden, maar niet eigen gedist. voork.. Dat doet men niet. Ondertussen wordt het heel erg veel gedaan.

==

De groeiende schare lezeressen waarin beide rubrieken zich al snel konden verheugen, kon echter onmogelijk bevroeden hoe treurig het die winter van 1949-1950 gesteld was met het leven van de vrouw achter de opgewekte verhaaltjes van de Simpele Ziel en het gekeuvel van Evelien. Aan Els van Dien schreef Annie:

==

Hier gaat het allemaal met erg veel moeilijkheden. Het werk op de krant is op zichzelf prettig, d.w.z. reportages maken, die ik zelf mag uitzoeken, een damesrubriek die heet Evelien spreekt van vrouw tot vrouw, om je rot te lachen een soort wenkenrubriek voor huisvrouwen. Ik maak het maar algemeen met erg revolutionnaire ideeën over vrouwenleven erin. Verder ben ik al naar 77 modeshows geweest, het hangt me ellenlang de keel uit, en alsmaar thé complets. En dan naar lezingen en tentoonstellingen en zo. Allemaal dus wel aardig werk, maar ik ben de enige vrouw op de krant en de redactie hier is wel erg dood en saai in vergelijk met Amsterdam. Ik mis het enorm.

==

Daar zat Annie, zevenendertig jaar oud, op een huuretage in Schiedam die ze moest delen met een verongelijkte nsb-familie en een hospita voor wie ze de schijn moest ophouden dat zij en Dick getrouwd waren. ‘Als je op één kamer woont met bedden en een vaste wastafel en een eettafel en een bureau en een boekenkast en een zithoek om de haard, dan is er niet veel plaats voor Kerstdromen,’ constateerde ze somber in december in een cursiefje voor Vrij Nederland.

‘Dat ging helemaal niet goed daar,’ zegt Hennie Anke. ‘Rotterdam lag haar niet.’ Vergeleken met het blakende moederblad was Het Rotterdamsch Parool maar een bloedarmoedig provinciaaltje, en met de mentaliteit van de Maasstedelingen kon Annie ook niet meer uit de voeten. ‘Dat zijn zulke nuchtere mensen, zo volwassen, zo praktisch, zo verstandig...’ zei ze later, ‘ze hebben hun vleugeltjes helemaal verloren.’

==

Ik was zo verwend in Amsterdam. Op Het Parool en met De Inktvis, met die theatermensen. Er waren zoveel heel bijzondere mensen in die tijd en die hadden leuke, geestige dingen en die waren ook heel spiritueel en ze hadden politiek inzicht. Ze hadden van alles. De vriendenkring van Dick in Rotterdam... saaie klootzakken. Ik dacht al heel gauw: wat moet ik daarmee.

==

Maar het ergst was natuurlijk dat Dick, zelfs nu ze alles had opgegeven om bij hem te zijn, nog steeds niet echt voor haar koos. Hij bleef maar trekken naar het comfortabele burgermansbestaan in Hillegersberg, naar Olga, die hem iedere keer weer zwijgend in haar leven accepteerde. Zijn zonen waren inmiddels min of meer op de hoogte van het tweede leven van hun vader, maar een poging om ze kennis te laten maken met tante Annie liep uit op een faliekante mislukking. Toen de inmiddels veertienjarige Dick van Duijn jr. op een dag bij de ingang van zijn hbs hun zwarte Citroën zag staan met daarin zijn vader en een hem onbekende vrouw, schrok hij zo dat hij zich verstopte in een portiek en daar bleef tot hij zeker wist dat ze weg waren. ‘Ik denk dat mijn vader het eigenlijk helemaal niet aankon dat Annie naar Schiedam kwam,’ zegt hij. ‘En mijn moeder gaf geen krimp. Van ruzies, zelfs van ijzige stiltes tussen hen, heb ik eigenlijk nooit iets gemerkt. Zij ging haar gang en zorgde voor hem alsof er niets aan de hand was.’

Had Annie in Amsterdam nog de illusie kunnen koesteren dat Dick zijn huwelijk zo snel mogelijk wilde opbreken, nu kwam ze erachter dat het zo eenvoudig niet lag.

==

Ik herinner me een keer dat we naar Parijs waren gegaan, hij en ik, in zo’n goedkoop hotelletje met veel bloemetjes op het behang. Hij was moe en lag al in bed, terwijl ik nog even de koffer aan het uitpakken was. Ik deed het deksel open en zag hoe keurig al zijn kleren waren opgevouwen en gerangschikt. Aan alles was gedacht. Er zat een kaartje veiligheidsspelden in, een warme trui voor als het onverhoopt fris werd, een extra paar sokken, een boekje om te lezen in het hotel... en ik begreep opeens dat zijn vrouw dat allemaal heel zorgzaam had staan inpakken. Toen werd ik plotseling razend. Ik heb dat koffertje naar het raam gedragen en het zó uitgekiept boven de binnenplaats van het hotel. Schrééuwend. Mijn vriend zat met zúlke schrikogen rechtop in bed, en overal in de buurt gingen er lichten aan en hingen mensen over het kozijn om te kijken wat er in godsnaam aan de hand was.

==

Getuige het droevige gedicht dat ze in deze periode schreef, raakte het zelfs even uit:

==

Nu enkel nog mijn heimwee

en mijn gevoel voor jou.

Daar zijn geen laatjes voor.

De wereld is te nauw.

==

In de vroege lente van 1949 gaf Annie het op. Met hangende pootjes keerde ze terug naar Amsterdam, waar de woningnood inmiddels ongekende proporties had aangenomen. De naoorlogse babyboom had geresulteerd in enorme toename van het aantal jonge gezinnen, terwijl de door de bezetting veroorzaakte vertragingen in de woningbouw nog lang niet ingelopen waren. Voor een alleenstaande vrouw was het nagenoeg onmogelijk zelfstandige woonruimte te vinden. ‘Ze was wanhopig op zoek naar een echt huis waar ze ’s nachts een man op bezoek mocht hebben,’ vertelt Dick van Dien. Eind maart schreef Annie in een ongebruikelijk bittere column over ‘De misdaad van het ongetrouwd zijn’:

==

Want de hoeksteen van de samenleving is het gezin en ... jij bent geen gezin. Alleen een man en een vrouw, eerlijk en rechtschapen gehuwd, met kinderen, krijgen een kans. En ieder potje zonder dekseltje en ieder dekseltje zonder potje gooien we op de vuilnishoop. ... Vort er mee. Jij moet onderhuren. ... Wij zijn allemaal crepeergevallen, wij ongetrouwde mannen en vrouwen. Wij creperen aan triestigheid en huurkamerellende. Wij willen een eigen domeintje, al is het maar heel klein: een kamer met eigen lakens en een eigen tafel met een eigen potje bloemen en een eigen kookhoek.

==

Pas die zomer vond ze een geschikt onderkomen: een souterrain onder een advocatenkantoor aan de Leidsegracht. Het was niet erg licht, het was gehorig en de sanitaire voorzieningen deelde ze met zo’n twintig medebewoners. ‘Men zou met allemaal grondig en degelijk ruzie willen krijgen, maar het zijn er veel te veel, die taak is te zwaar, dat brengt een mensenhart niet op.’ Maar ze had een eigen tuintje, ze kon een poes nemen en ze kon er zelfs de schijn van een getrouwde-vrouwenbestaan ophouden. Niet zonder misprijzen tekende de ambtenaar van de Burgerlijke Stand op haar stamkaart aan: ‘Noemt zich Mevrouw van Duijn.’ Dick adresseerde zijn brieven nu inderdaad aan ‘mevrouw Van Duijn-Schmidt’. Hij had een soort ongemakkelijke modus vivendi gevonden met zijn twee vrouwen: door de week leefde hij met Olga en zijn zonen, in het weekend was hij in Amsterdam. Het was niet zoals Annie het zich had voorgesteld, het was niet wat ze zich had gewenst, maar het was iets, en het was in ieder geval bestendig.

==

Op de redactieburelen aan de Nieuwezijds Voorburgwal werd Annie als een verloren dochter ingehaald. Het ging goed met het Amsterdams Parool: de krant werd dikker doordat er steeds meer papier beschikbaar kwam en de abonneeaantallen begonnen opnieuw te stijgen. Het enige wolkje aan de stralend blauwe hemel was De Telegraaf, die na eindeloos gekrakeel begin 1949 toestemming had gekregen om opnieuw te verschijnen. Dat betekende niet alleen dat de Parool-redactie haar min of meer gekraakte kantoor en drukpersen met de oorspronkelijke eigenaar zou moeten delen, maar ook dat ze er op korte termijn een geduchte concurrent bij zou krijgen. En dus deden de Parolisten wat ze konden om hun krant nóg aantrekkelijker, nóg leesbaarder, nóg leuker te maken. Het nieuws van het politieke front woog nu toch al minder zwaar. De kwestie-Indië naderde haar ontknoping: het was nog maar een kwestie van maanden eer koningin Juliana met het tekenen van de soevereiniteitsoverdracht een eind zou maken aan Nederland als koloniale grootmacht. Ook op het internationale front was het relatief rustig – de twee supermachten hadden het wankele evenwicht bereikt dat als de ‘Koude Oorlog’ de geschiedenis in zou gaan.

Van Heuven Goedhart, die de balans tussen serieus en populair altijd scherp bewaakt had, vertoonde zich niet veel meer op de redactie. Als vertegenwoordiger van de Nederlandse regering verbleef hij vaak voor maanden achtereen in het buitenland en het was wel duidelijk dat hij binnen afzienbare tijd definitief zou vertrekken. Mia van der Burg, die zich als buitenlandredactrice een van de felste opponenten van de politionele acties in Indië betoond had, was al weg. Ze had zich verzoend met haar echtgenoot en was teruggekeerd naar Eindhoven.

De oorlog was nu echt voorbij. Alle krachten, alle ogen, waren gericht op de wederopbouw, op de toekomst die een moderne, hopelijk betere samenleving zou opleveren. Intellectuelen voerden ernstige gesprekken over Jean-Paul Sartre, die de fundamenten van de bestaande maatschappelijke orde ter discussie stelde, en hun vrouwen waagden zich voorzichtig aan Le deuxième sexe, de feministische beginselverklaring die Simone de Beauvoir in 1948 had gepubliceerd. Ondertussen hielden de Vijftigers opruiming in het nog steeds muffe literaire wereldje, en werden de gevestigde kunstkringen opgeschrikt door de Cobra-groep, die het onbedorvene, het kinderlijke als de essentie van de moderne kunst propagandeerde.

Annie paste perfect in de sfeer van de tijd, en in de lichte, vrolijke krant die Het Parool aan het worden was.

==

U heeft ons toegezegd wekelijks vier bijdragen voor ‘Het Parool’ te zullen leveren: voor de Vrouwenpagina een reportage en een ‘Impressie van een simpele ziel’, voor ‘Het Parool-Junior’ eveneens een reportage en een gedicht(je).

Voor de N.V. ‘De Nieuwe Pers’ zult u wekelijks twee bijdragen schrijven: een kindervers(je) en ‘Evelien spreekt van vrouw tot vrouw’. ... Uw medewerking in deze vorm en omvang zal gehonoreerd worden met f 450,– per maand.

==

De Parool-redactie was niet de enige die haar maar al te graag inlijfde. Annie, nu een columniste van enige naam, werd in de tweede helft van 1949 werkelijk bestookt met opdrachten. Voor het humoristisch maandblad Mandril, bedoeld als het Nederlandse equivalent van The New Yorker, schreef ze over mode; Vrij Nederland vroeg haar om volwassenenpoëzie en de cpnb verzocht haar samen met Simon Carmiggelt, Han G. Hoekstra en Mary Dresselhuys tijdens de Boekenweek op te treden. Ook werd ze gevraagd zitting te nemen in de commissie die het Parool-jubileum in mei 1950 voorbereidde, een feest dat des te grootser gevierd zou gaan worden omdat de inmiddels teruggekeerde Telegraaf niet half zo’n bedreiging bleek te zijn als was gevreesd.

Ook De Inktvis, die een tijdlang een nogal comateus bestaan had geleid, roerde zich weer. Versterkt met Vrij Nederland-journalist Eli Asser trad de groep op voor de vara-radio en Annie begon te schrijven voor een nieuw programma, dat najaar 1950 in première zou gaan. ‘De teksten komen er meestal door De Dwang,’ zei ze later. ‘Ik bedoel: als ze allemaal zeggen dat ze het niet meer doen, want “jij schrijft toch niks meer”. Als die catastrofe dan wèrkelijk voor de deur staat...’

==

Als u zich een man kon laten bouwen, mevrouw,

wat voor man hebt u dan in uw hoofd?

‘’k Laat er eentje maken,’ zegt u dan en: ‘Nou,

morgen thuis, dat hebben ze beloofd.

’k Heb gezegd: u ziet maar eens, als ie maar normaal is,

ja, wat bruin en wat sportief en als ie maar niet kaal is.

’t Gaat om ’t innerlijk, dat weten ze daar wel,

’t wordt wel goed, ik krijg een nieuw model!’

==

De professionele cabaretiers lieten zich evenmin onbetuigd – ‘Wim Sonneveld was hier en smeekte weer eens om teksten. Hij betaalt honderd gulden per liedje voortaan, mits ik niets meer aan Kan verkoop’ – en in de uitgeverijwereld werd bijna letterlijk om het werk van Annie gevochten. Arbeiderspers-uitgever Reinold Kuipers, die al jaren met smart wachtte tot Annie voldoende volwassenengedichten bij elkaar zou hebben om ze te bundelen, kreeg een geduchte kaapster op de kust in de vorm van de formidabele Alice von Eugen-van Nahuys, die aan het hoofd stond van Em. Querido’s Uitgeverij. Von Eugen was goed bevriend met Wim Hora Adema, en die laatste deed wat ze kon om Annie over te laten lopen.

Na enige wreveligheden over en weer belegden de twee concurrerende uitgevers een bijeenkomst in sociëteit De Koepel. Afgesproken werd dat Von Eugen de Simpele Zielen zou publiceren, en Kuipers de rest, iets wat op den duur een aanzienlijk betere deal zou blijken dan hij zich op dat moment realiseerde. Wat Annies uitgever overigens ook niet wist, was dat Annie weer actief was als dichteres, zij het nu onder het pseudoniem Ernestine Klabond, een anagram van ‘klandestiene bron’. In oktober 1949 verscheen een al voor de oorlog geschreven gedicht over het kralensnoer van mevrouw Van Dalen onder deze merkwaardige naam in Mandril, samen met een nogal zweverig versje over een kleine meermin, dat eindigde met de weemoedige constatering: ‘Mensenliefde is óók een waan.’

Het levendige schnabbelcircuit dat zich inmiddels rond de Parool-redactie had gevormd, vond in Annie een gretig medewerkster. ‘Wij vonden dat geen enkel probleem,’ zegt toenmalig Parool-directeur Wim van Norden. ‘De salarissen waren laag, dus het was logisch dat iedereen erbij deed wat hij kon.’ Afgaande op haar brieven aan Dick schreef Annie teksten voor respectievelijk een bierbrouwer, een koffie- en theefirma en een azijnfabrikant. Het eerste commerciële werkje dat onder haar naam verscheen, was Brood en mangelpers, een relatiegeschenk van papiergroothandel C.G.A. Corvey dat in december 1950 zou worden gepubliceerd. Evenals Carmiggelt en Ed. Hoornik schreef ze daarnaast voor Op de Solex, het blad van de brommerfabrikant. ‘Ik nam elke opdracht aan,’ zei ze later, ‘hoe nederig ook.’

==

Ik wil graag rijk zijn. Er is niets zieligs aan. Rijk zijn leidt niet ten verderve, o neen, pas als ik een miljoen heb zal ik nobel kunnen wezen.

==

Misschien was het inderdaad geldzucht die Annie ertoe dreef ‘ja’ te zeggen tegen elke opdracht die in deze jaren haar kant opkwam. Na de kale jeugd in de Kapelse pastorie, de crisisjaren in Schiedam en de huurkamertjesmisère kleefde er voor haar aan armoede niets romantisch meer. Maar wellicht speelde ook de frustratie over haar mislukte Rotterdamse avontuur en de nog steeds onderhuids voortwoedende concurrentiestrijd met haar rivale in Hillegersberg en de behoefte om indruk te maken op haar geliefde een rol: met haar werk kon ze letterlijk en figuurlijk laten zien wat ze waard was.

Feit is dat Annie vanaf de herfst van 1949 een productiviteit vertoonde die zowel kwalitatief als kwantitatief ongekend was. ‘... toen was het ... alsof er een fonteintje begon te spuiten. Alsof ik het onderdrukt had. Alsof ik de hele tijd mijn duim erop had gehouden! En toen ik het los liet, stroomde er van alles uit.’

==

Ik dank de hemel voor het woord niveau,

want met dat woord kan ik me distantiëren.

Ik kan mij niet... dat is nu eenmaal zo...

met Jan en Piet en Klaas gaan occuperen,

==

want mijn niveau is steeds omhoog gegaan,

het is nu zoetjesaan zó hoog geworden:

ik kan er zelf niet bij. Ik hang eráán!

Van uit die hoogte kijk ik op de horde.

==

En voor mijn naaste buurman voel ik niets,

mijn buurman mag dan nog zo’n nobel mens zijn,

mijn buurman heeft nog nooit gehoord van Keats,

ik ben geen snob, maar ergens moet een grens zijn.

==

Dat ik de dichter Piet persoonlijk ken

en zelfs twee worstjes met hem heb gegeten,

dat maakt dat ik iets heel bijzonders ben,

dat moet de wereld dan ook maar eens weten.

==

Op 14 januari 1950 publiceerde Vrij Nederland de eerste van de acht ‘Vrouwentypes’, waaronder ‘De snob’ waarvan bovenstaand fragment afkomstig is. Op dezelfde dag huppelde er via de kinderpagina van Het Parool een wel heel pretentieloos dier de Nederlandse letteren binnen: het schaap Veronica. De kans is groot dat deze serie ontstond omdat Annie getuige haar brieven aan Dick behoorlijk wat moeite en tijd kwijt was aan de ‘Vrouwentypes’, en het simpelweg makkelijker voor haar was om zelf snel even iets voor de kinderpagina te verzinnen dan voor haar wekelijkse reportage op pad te gaan.

==

Kom, zei het schaap Veronica, ik ga eens op visite,

ik ga eens op visite bij de oude dames Groen;

die zitten ’s morgens vroeg al zo gezellig in de suite.

Kom, zei het schaap Veronica, dat zal ik maar eens doen.

==

Kijk, zei het schaap Veronica: een beetje briljantine

dat doe ik op mijn krulletjes, zo iets dat kan nooit kwaad,

en nu nog gauw mijn sokjes aan, het is al over tienen.

Kijk, zei het schaap Veronica, zo kan ik wel op straat.

==

Zo ging het schaap Veronica gezellig op visite,

ze liep het Lindenlaantje door, ze drukte op de bel,

de dominee deed open en hij liet haar in de suite,

daar zaten dan de dames Groen en zeiden: wel, wel, wel!

==

Daar is het schaap Veronica, het schaap met zwarte voeten.

Hoe maakt u het, Veronica, kent u de dominee?

Ach, zei het schaap Veronica, ’k ben blij u te ontmoeten.

Wel, zeiden toen de dames Groen, zal ’t koffie zijn, of thee?

==

Nou, zei het schaap Veronica, graag thee met een beschuitje,

zo’n lekker Haags beschuitje, permitteert u dat ik sop?

Het weer is niet je dat, hè? Ieder ogenblik een buitje.

Kom, zei het schaap Veronica, ik stap weer eens op.

==

Dag dominee, tot ziens maar weer, dag lieve dames Groen!

Dag juffrouw schaap Veronica, zeiden de dames toen.

==

Hoewel de aanvankelijk maandelijks verschijnende avonturen van het schaap Veronica, de dames Groen en de dominee eigenlijk bedoeld waren voor kinderen, konden ze zich al snel verheugen in een groeiende aanhang onder volwassenen. Deftige dichters als J.W.F. Werumeus Buning en de altijd ietwat pompeuze ‘prins der dichters’ Adriaan Roland Holst stuurden Annie waarderende briefjes en zelfs Johan Schmidt verklaarde zich fan – een schaars blijk van goedkeuring van Annies afstandelijke vader. Maar niet heel Nederland was anno 1950 al zo verlicht, en toen Annie het schaap plus aanhang die zomer verkoeling liet zoeken bij de zee, moest ze het bezuren: ‘Woedende brieven gekregen over Schaap Veronica. Dominee tot daar aan toe, maar dominee aan ’t strand: dat ging te ver.’

Veel later vertelde Annie dat de serie ‘sterk autobiografische’ trekjes had: ‘een schilderijtje van de bourgeoisie waar ik me heel prettig in voelde. Als het enige schaap erin. Een dartel beest.’ Gezien de bittere strijd die de Kapelse pastorie beheerst had, lijkt enige wishful thinking aan deze opmerking niet vreemd. ‘Als ik nu eraan denk hoe mijn ouders elkaar altijd gesard hebben, dan kan ik nog wel geraffineerder plagerijen bedenken ...!’ schreef Annie ditzelfde jaar nog aan Dick naar aanleiding van een toneelstuk waarin mensen elkaar trachtten letterlijk dood te pesten. Even discutabel is het waarheidsgehalte van haar latere opmerking dat haar ouders met het klimmen der jaren ‘veel rustiger’ zouden zijn geworden: ‘... toen maakten ze geen ruzie, het was allemaal niet meer zo onvriendelijk.’ Afgaande op het verslag dat ze Dick schreef over de gouden bruiloft van Johan en Truida Schmidt, drie dagen na de verschijning van het eerste schaap Veronica, was er van een afname van de vijandigheden echter nog allerminst sprake:

==

Wij waren de enige gasten. Gelukkig, want wat moeder allemaal uitkreet. Vader sprak geen woord alleen toen ’t gesprek op lintjes kwam sprak hij zijn verbittering uit over ’t feit dat hij er geen gekregen had. Waarop de bruid weer zei: lintje of geen lintje, ik mot je toch niet.

==

Ondertussen was de nu al meer dan twee jaar durende relatie tussen Annie en Dick in tamelijk rustig vaarwater beland. Elke zaterdag meldde Dick zich op de Leidsegracht, zondag of maandagochtend vertrok hij weer. Door de week hielden ze contact door middel van liefdevolle brieven, waarin over Olga of een meer permanent samenzijn niet meer gerept werd. Hun gemeenschappelijke vrienden kenden de situatie en accepteerden die voor wat ze was. Halfslachtig of niet, Annie leek zich met haar status als minnares verzoend te hebben. Sterker nog, het leek haar eigenlijk wel te bevallen. Veel later zou ze verklaren een lat-relatie eigenlijk te verkiezen: ‘Het enige is living apart together, dat zou ik warm aanbevelen.’ Enerzijds had ze nu haar ‘llliefde met een driedubbele l’, onaangetast door de sleur van het dagelijks samenzijn, anderzijds had ze de handen vrij voor haar werk en het Amsterdamse artiesten- en intellectuelenwereldje, met alle feestjes, voorstellingen, gelach en geroddel die daarbij hoorden.

==

Gisteravond was ik op verzoek even bij Corrie Vonk. ’t Bleek dat Wim zijn tekst volkomen heeft veranderd en er bovendien een couplet bij heeft gemaakt zoiets van: de slager zegt wat zit dat mokkel lekker in haar vlees.

Ik werd zo misselijk van die hele banale toon dat ik zei: als jullie het zo doen wilt; ga je gang, maar laat mijn naam uit het programma. Bovendien zal ik dan nooit meer iets voor jullie schrijven.

Corrie begon te huilen en Wim zei driftig: Jij hebt geen begrip voor toneel, van pointes en effecten, je moet dat dus aan mij overlaten. Waarop ik zei: pardon ik schrijf al drie jaar voor cabaret en met effecten en pointes, Hetty Blok doet al mijn nummers zonder er een woord aan te veranderen. Ja, zei Wim, Hetty Blok! maar voor Corrie is dat anders. Zij is nu eenmaal grof en banaal... en daar zat Corrie bij in tranen en Wim keerde zich helemaal tegen haar en stortte zeker wel gal van zes jaar tegen haar uit waar ik bij was.

’t Was zo rot, Dick dat ik er de hele dag vandaag mee rond loop te zeulen. ’t Kan me allang niet meer schelen van het schaap al wil ze om het andere woord stront zeggen maar ik had zo’n bewondering voor Wim en nou vind ik ’m nogal een engerd. Vandaag kwam er dan een brief van hem van zes kantjes, waarin hij zijn gezicht weer redt door weer boos op mij te zijn in plaats van op haar.

==

Op foto’s is te zien hoe Annies krullen in deze dagen steeds korter, blonder en glanzender werden. Tijdens een optreden in Kans abc-cabaret, waar ze vier avonden inviel voor de zieke Sophie Stein, oogde ze in haar mooie witte jurk ronduit glamoureus: alweer een heel andere Annie dan de dromerige Anna op het fotootje dat Dick tussen haar brieven bewaarde. ‘Alles daarvoor was vegetatie,’ zei ze later. ‘Maar nu veranderde er in een paar jaar opeens zóveel, dat ik het allemaal aan kon. Nee, ik durfde opeens.’

De ijzeren discipline die haar wekelijkse productie voor Het Parool en de andere opdrachtgevers haar oplegde, bekwam haar al even goed. ‘Een soort roofbouw is ’t op deze manier. Maar alla, het gaat zolang ’t gaat,’ schreef ze aan Dick. Later zei ze: ‘Ik vind het fijn, in een heel stevig korset te zitten, Anders ben ik net jam zonder pot, vloei ik uit.’

==

Dikkertje Dap klom op de trap

’s morgens vroeg om kwart over zeven

om de giraf een klontje te geven.

Dag Giraf, zei Dikkertje Dap,

weet je, wat ik heb gekregen?

Rode laarsjes voor de regen!

’t Is toch niet waar, zei de giraf,

Dikkertje, Dikkertje, ik sta paf.

==

Zou er op 6 juni 1950 een Parool-lezer zijn geweest die besefte dat zich deze dag een historische gebeurtenis voltrok – en niet op de voorpagina maar op de kinderpagina ‘Parool Junior’? Annie zelf zeker niet, al was het maar omdat ze het veel te druk had met zich te verheugen op de eerste lange autovakantie met Dick, die ze in Frankrijk zouden doorbrengen. Dat de naam van wat een van haar beroemdste creaties zou worden een variatie was op die van haar geliefde, was waarschijnlijk niet eens een bewuste keuze: Dick van Duijn was er geen man naar om zich met ‘Dikkertje’ te laten aanspreken en verder dan ‘Dickie’ of ‘Dickielief’ voerden haar koosnaampjes voor hem niet.

In feite had Annie in deze jaren ook helemaal niet zoveel ambitie om voor kinderen te schrijven, al was het maar omdat Dick, die zelf al als kind nogal serieus en vroegoud was geweest, weinig ophad met deze kant van haar werk. ‘Wat mijn kinderwerk betreft, had ik mijn eigen intuïtie, mijn eigen kind-zijn, mijn eigen weerklank die ik van binnen had als meisje van 8,’ zei ze later. De enige keer dat ze in haar brieven aan Dick aan haar kindergedichten refereert, getuigt dan ook niet echt van een grote waardering voor het genre: ‘’k Zit midden in een Stekelvarkentjes Wiegelied. Waar een mens al niet mee bezig kan zijn!’

Annies aspiraties gingen in de zomer van 1950 nog heel andere kanten op. In een column meldde ze begonnen te zijn met het schrijven van een roman en aan Dick schreef ze:

==

Ik ga een toneelstuk schrijven en ik ben van plan om er drie jaar over te doen, ’t eerste jaar heb ik nodig om ’t idee te krijgen. Die Jan de Hartog heeft zitten vertellen over toneelschrijven, vandaar. ’t Is overigens een lieve, verlegen wat stuntelige jongen die nu een paar dagen uit Engeland over is waar hij woont.

==

Terwijl ze zich regelmatig beklaagde over gebrek aan inspiratie voor haar columns en de geboorte van een volwassenengedicht telkens weer een uiterst moeizame aangelegenheid was, toverde Annie de kinderversjes haast achteloos uit haar hoge hoed tevoorschijn. In het weekend idee verzinnen en eerste aanzet op papier zetten, maandag doorbellen naar Wim Bijmoer, donderdag uitwerken en invullen en zaterdag in de krant. Haar moeders humor, spotlust en taalvaardigheid, de boeken en de verbeelding waarin zijzelf gevlucht was: alle elementen uit Annies jeugd ontkiemden in de vruchtbare omgeving waar ze nu terechtgekomen was.

==

Nu herinner ik me plotseling de hoofdredacteur van het Parool lang geleden die tegen me zei: Annie nog een keer pratende theedoeken en ik neem een ander voor de jeugdhoek. Want ik maakte me ook schuldig aan de voorwerpenverering, waarschijnlijk in navolging van Andersen.

==

En zo bouwde ze, week na week, vers na vers, een œuvre op dat in originaliteit, creativiteit en taalmuzikaliteit in Nederland zijn weerga niet kende. Later verklaarde ze:

==

Ik geloof dat ik het beste uit de voeten kan met rijmen en ritme, met gedichtjes dus, versjes. Het rijmen en het ritme – en ritme betekent ook muziek, want als ik een versje schrijf of een liedje schrijf, dan hoor ik er al een beetje muziek achter of op – brengen mij in een bepaalde stemming, dat geeft mij inspiratie om door te gaan. Het heeft iets speels, het is meer het spel. En dat spelen ligt mij erg goed. Daar komt dan ook alles uit voort.

==

Als alle krantenstukjes zou ‘Dikkertje Dap’ de volgende dag oud nieuws geweest zijn als er geen uitgever was geweest die zich erover had ontfermd. Reinold Kuipers had het kinderœuvre van Annie min of meer op de koop toe gekregen: hijzelf was in eerste instantie in haar gedichten voor volwassenen geïnteresseerd en ook Alice von Eugen had er hoegenaamd geen belangstelling voor gehad. Het is zelfs de vraag in hoeverre de uitgevers wisten hoe indrukwekkend Annies versjesproductie was: tenslotte waren ze pas vanaf oktober 1949 wekelijks op de kinderpagina van het Amsterdams Parool verschenen.

Maar toen Kuipers besloot om in de herfst van 1950 Annie haar langverwachte poëziedebuut te laten maken en haar werk verzamelde, bleek er sprake van een opmerkelijke discrepantie. Ruim dertien jaren volwassen dichterschap in Opwaartsche wegen, Ruim Baan, Het Parool en Vrij Nederland hadden met pijn en moeite vierentwintig memorabele gedichten opgeleverd, en dan moest het Inktvisliedje ‘Krach durch Freud’ er nog tussen gesmokkeld worden. Bij elkaar was het net voldoende om er het superslanke bundeltje En wat dan nog? van te maken. Ondertussen had Annie in het voorafgaande anderhalf jaar maar liefst 165 kinderversjes uit haar mouw geschud, en daar was ‘Het beertje Pippeloentje’, dat ze in augustus 1950 maakte, nog niet eens bij gerekend.

==

Kijk het beertje Pippeloentje

heeft geen sok en heeft geen schoentje,

heeft geen dasje en geen boordje

en geen tasje met een koordje

==

Overigens is het onwaarschijnlijk dat Kuipers alle versjes van Annies hand op dat moment ook daadwerkelijk onder ogen kreeg. ‘Sebastiaan’ bijvoorbeeld zou hij pas een jaar later publiceren, terwijl hij de kwaliteit ervan toch moeilijk over het hoofd kan hebben gezien. Maar wat betreft het bewaren van haar eigen werk was Annie al net zo slordig en weggooierig als ze destijds op de documentatieafdeling was geweest, en ze placht haar materiaal aan te leveren als ‘een stapel op elkaar gepropte krantenknipsels, bij elkaar gehouden met wel tien verschillend gekleurde touwtjes’. Uiteindelijk stonden er in Het fluitketeltje en andere versjes achtendertig gedichten, waaronder klassiekers als ‘Dikkertje Dap’, ‘Het fluitketeltje’, ‘Drie vrouwtjes uit Haddemerveen’, ‘Rosalind en de vogel Bisbisbis’ en ‘Ontmoeting met Tiberius’:

==

En de familie zit al lang

weer veilig achter het behang,

ze zitten van ‘Wij zijn niet bang’ te fluiten.

Tiberius zit bij de haard

en mompelt door zijn snorrebaard:

’t Was niet de moeite, die Piepkajuiten...

==

Terwijl Kuipers druk bezig was met de voorbereiding van Annies dubbele debuut, legde zijzelf de laatste hand aan het derde programma van De Inktvis, dat op 13 oktober 1949 in de Kleine Zaal van het Concertgebouw in première zou gaan. ‘’k Heb eigenlijk drie dagen als bezeten gewerkt op een liedje voor Roos,’ schreef ze aan Dick. ‘’t Is af en ’t is goed. Het was verrekt moeilijk om uit een anti-oorlogs liedje het pathetische weg te houden.’ Tijdens de voorstelling zaten Wim Kan en Wim Sonneveld Annies nieuwe werk al onder elkaar te verdelen, en de recensent van het personeelskrantje Het Smalle Parool kreeg tranen in zijn ogen toen hij haar laatste werkstuk hoorde: ‘Verdómme, wat was dàt goed.’

==

Da’s alles wat mijn krant kan bieden:

’t geluk van hele kleine lieden

...

Van al die kleine, bange mensen,

die stuk voor stuk geen oorlog wensen

==

In juni waren troepen van communistisch Noord-Korea Zuid-Korea binnengevallen en hing voor de zoveelste keer in het leven van Annie en haar generatiegenoten de wereldvrede aan een zijden draadje. En dat terwijl de wonden van de laatste oorlog nog lang niet geheeld waren, zoals bleek toen De Inktvis op 4 december op initiatief van sociaal ambtenaar Theo Mooij, alias de schrijver A. Marja, optrad in het Amsterdamse Huis van Bewaring. Onder het publiek bleken zich de oorlogsmisdadigers te bevinden die later als ‘De drie van Breda’ bekend zouden worden.

==

Op die gaanderijen drommen schimmige figuren dat waren de gevangenen, en overal cipiers en bewakers met petten en ss-koppen. Een penetrante lucht van carbol en eten en armoe. ...

In elk geval kon je je een dankbaarder publiek niet voorstellen ze vraten het. Han maakte grapjes als: U hebt vandaag niks gemist, ’t was zulk hondeweer, en: ‘prettig dat U allemaal gekomen bent’ en dat vonden ze mieters. ’t Duurde van 7 tot 11 uur omdat de applauzen zolang waren: iedere minuut langer uit de cel was immers gewonnen, dus lang klappen.

Pas toen ’t afgelopen was hoorden we dat Kotälla en nog een kampcommandant daar had gezeten en George Kettman. Roos was daar woedend over, ik kon ’t niet zo erg vinden.

==

Dick begon zich ondertussen een beetje zorgen te maken over de onstuitbare werkwoede van zijn vriendin. Werkdagen van veertien uur waren geen uitzondering meer, en vaak zag ze, zoals ze schreef, letterlijk de letters voor haar ogen dansen. Eén keer voegde ze aan een opsomming van haar activiteiten van die week droogjes toe: ‘Zaterdag zal ik dan wel begraven worden, je komt misschien nog net op tijd om een woordje te spreken.’ ‘Anna,’ maande hij, ‘hoewel jij met andere drukkigheden zit moet je ... beslist niet meer werk opnemen.’

Maar Annie leek niet meer te stuiten. Weliswaar stopte ze in oktober met ‘Evelien’ en werd haar kinderwerk nu synchroon in beide Parool’s gepubliceerd, zodat ze wekelijks nog maar één vers en één verhaaltje hoefde aan te leveren, maar ze was alweer druk doende met haar volgende opdracht: het schrijven van de sketch Thomasvaer en Pieternel die op nieuwjaarsdag 1951 traditiegetrouw na de voorstelling van de Gijsbrecht van Amstel in de Amsterdamse Stadsschouwburg werd opgevoerd. ‘’k Zal het maar doen,’ schreef ze Dick, ‘het brengt 300 gulden op.’

==

Ik zit maar te hengsten, als maar in het ritme van dezelfdezelderelderel. Ik moet zeggen ’t valt erg mee, die taak van 70 regels per dag is wel te doen. ’k Heb er nu aan ’t eind van de tweede dag 142, sommige dingen worden wel leuk; hier en daar heb ik mooie vondsten. Ik ben alleen bang dat ze me veel zullen laten schrappen. Ambon, Westerling ..., al die dingen kan ik niet zoetjes neutraal behandelen. ... Er is altijd eén plek in m’n hersens die pijn gaat doen als ik lang zit te dichten, dat is dus gewoon de dichtknobbel, denk je niet?

==

Nauwelijks was de ‘Nieuwjaarswens’ ingeleverd of Annie begon aan de liedjes waarmee Wim Sonneveld het komend Boekenbal zou openen:

==

’k Heb er 21/2 af en een is erbij die detective roman, die is heel gek daar moet ik zelf om lachen. Verder de proloog geschreven die had ik allang in ’t hoofd. Was dus niet zo moeilijk, nu het slotkoor. O ik schrijf wel niks geen bezwaar, hele opera’s. Als ik nu een kind krijg wordt het er een op rijm met een refreintje.

==

Eigenlijk zou Annie ‘Een bloemlezing in prachtband’ samen met Hella Haasse vullen, maar toen die wegens ziekte verstek liet gaan, nam Wim Hora Adema haar plaats in. Haar teksten werden echter op het laatste moment door Sonneveld afgekeurd, en hij dreigde alles af te gelasten tenzij De Inktvis hem uit de problemen hielp of Annie met hem het podium opging. Tijdens een spoedoverleg liepen de gemoederen in café Scheltema zo hoog op dat Wim Bijmoer definitief uit De Inktvis stapte, en zelfs Annie zag er geen been meer in:

==

Hoe het nu uiteindelijk afloopt, weet ik niet, maar een sof wordt het, en de rel is groot en alle kranten hebben alweer tegenstrijdige berichten, geen wonder. ’k Geloof dat ik van mijn leven nooit meer zulke opdrachten aanneem, het gelazer is niet te overzien. Ik heb je lang niet alle frasen van gelazer kunnen schrijven, ’t zal je trouwens nu al vervelen maar ’t komt er op neer dat ik drie dagen heb moeten schreeuwen om beschuldigingen te weerleggen.

Vanmiddag met de Inktvis was het ’t ergste maar ik dacht ineens aan jou en toen kon het me allemaal geen ene barst meer schelen, Dickie, mijn lief

==

Maar Sonneveld bond in en bracht ‘De trilogie’ (‘Wij mogen op geen boekenplank ontbreken. Wij staan er dan ook meestal alledrie...’) en ‘Weekend-party (‘Well, well, de gastheer is mijn neef. Mijn naam is Lady Wentle Tafe...’) uiteindelijk op 23 februari 1951 toch met veel verve op de planken. De volgende ochtend schreef het Algemeen Dagblad:

==

Annie M.G. Schmidt is een talent, dat men in de gaten moet houden. Daarover is iedereen het merkwaardig gauw eens geworden ... Zij heeft in de van huis uit zwaartillende tale Kanaäns van de Nederlandse literatuur de lichte, frivole muze doen binnenhuppelen. ... Men kan gerust beweren dat het nu eindelijk op de gala-avond van de boekenweek eens nièt vervelend is toegegaan. ... Of bovengemeld repertoire al haar ambities dekken? ‘Als ik erg veel tijd had zou ik me erop toeleggen berijmde blijspelen te gaan schrijven. Daar stel ik me veel van voor ... En een grappige roman heb ik nog op mijn programma en novellen.’

==

‘Die Annie Schmidt toch!’ schreef Dick trots, maar toch ook al met een lichte reserve jegens het succes dat nu wel heel hard met zijn vriendin op de loop ging. Het leek wel of de duivel ermee speelde: werkelijk alles wat ze aanraakte, veranderde in goud. De vijftig eerste gebundelde Impressies van een simpele ziel die Querido in februari 1951 op de markt bracht, vlogen de boekwinkels uit. En wat dan nog? was nu al aan de zesde druk toe en Het fluitketeltje en andere versjes aan de tweede. De kritiek ontving haar poëziedebuut over het algemeen welwillend, al werd de bundel niet echt als een mijlpaal in de geschiedenis der serieuze dichtkunst ingehaald. ‘Humoristisch’ en ‘origineel’ vond Adriaan Morriën, een van de weinige critici die er een serieuze bespreking aan wijdden, maar:

==

Onbevredigend blijft haar ironie door iets stereotieps dat zich in ieder opzicht doet voelen: ritmisch door een gebrek aan afwisseling, een cabaretachtige monotonie die op papier haar effect mist; psychologisch doordat men al spoedig de beperktheid van deze karikaturen ontdekt.

==

De door de maakster zelf zo stiefmoederlijk behandelde kindergedichten werden wél meteen ingehaald als de revolutie in de kinderpoëzie die ze zouden betekenen. Dwars in rijm, in thematiek en in moraal in vergelijking met de poëtische, schattige en vaak ook sentimentele versjes van Rie Cramer en haar navolgers die voor de oorlog als maatstaf hadden gegolden, was Annies werk een verademing. Morriën:

==

Het is een humor die alles doordringt, die volkomen is geabsorbeerd en die geen ruimte laat voor dode plekken of inzinkingen. Een speelsheid die in staat is ons een ogenblik te verzoenen met al onze nationale vervelendheden. Kortom, deze gedichten zijn voorbeeldig en een gebeurtenis van het jaar voor ieder die achter zijn das of boord nog iets kinderlijks heeft bewaard.

==

Meteen al ontstond er discussie in hoeverre de schrijfster nu tot de Literatuur met de grote L gerekend kon worden. Zelfs Annies literaire held Jan Greshoff bemoeide zich ermee:

==

Zou Annie M.G. Schmidt nu wel behoren tot de Hoge Gewaarborgde Nederlandse Letterkunde (alles met bovenkast vanwege de eerbied)? ... Ik beweer nu dat Annie M.G. Schmidt, die kinderversjes samenstelt, dat doet op een wijze, welke een merkwaardig en ... zeldzaam kunstenaarschap verraadt. In ‘Het Fluitketeltje’ (Arbeiderspers Amsterdam), een verzameling waarin tal van ongewone en aanminnige toestanden geschetst worden, vindt de kenner telkens en telkens weer regels en strofen, welke hij onmiddellijk als poëzie herkent.

==

Twee jaar later zou Annie door de deftige Maatschappij van Letterkunde met overgrote meerderheid van stemmen tot lid verkozen worden; deze lente werd ze, voorzover dat in het televisieloze tijdperk al mogelijk was, een hype. Tot in de Amsterdamse tram toe werd Dick aangesproken op de ‘doame’ in zijn gezelschap en de allemachtig leuke versjes die ze maakte. Op de redactievergadering van De Groene Amsterdammer, wier chef Kunst Anton Koolhaas al maanden poogde Annie in te lijven, werd ze tot haar verlegenheid tot eregaste gebombardeerd, en tijdens het jaarlijkse Parool-feest werd haar vanaf het podium hulde gebracht. Het regende uitnodigingen, opdrachten en fanmail.

==

Een brief van Wil en Jan uit Overveen die schrijven dat ze met me op de hbs geweest zijn en nu iets van me gelezen hebben en ’t is toch zo énig en wanneer mogen we eens aankomen. Een brief van een mevrouw uit Rotterdam die dicht en haar verzen stuurt: ‘Is dit leven ’t werklijke leven, liefde die het àl verbeidt’ en aan mij vraagt of ze talent heeft. Een brief van mevrouw Vaas die voordraagt en wil dat ik een liedje schrijf over een straatjongen met een marmot. Een kwade brief van een juffrouw die vraagt waarom ze nooit antwoord heeft gekregen op haar vorige brief. Enfin, ik laat ze allemaal barsten.

==

Al was Truida Schmidt nu de tachtig gepasseerd en werd ze door haar dochter op armlengte afstand gehouden, ze was er de vrouw niet naar om zich haar portie in het succes van Annie te laten ontgaan. Toen Simon Carmiggelt in maart met Annie op de jaarlijkse boekenmarkt van de Bijenkorf stond, ‘aangestaard en begluurd alsof je achter de tralies van een dierentuin zit’, dook ze opeens op:

==

Annie en ik deelden samen een kraampje waarop onze nog niet zo talrijke werkjes lagen uitgestald. Toen we er ’s ochtends arriveerden, zagen we dat het kraampje rijkelijk was versierd met grijnzende clownskoppen omrankt met telkens weer hetzelfde woord: Humor, Humor, Humor. Er bleek erg veel volk op de been te zijn. Toen we achter het kraampje gingen staan, begonnen al die mensen zo op te dringen dat we vreesden dat onze hele Humor-Humor-Humortent in elkaar gedrukt zou worden met de twee humoristen erbij. We stonden daar dan ook wat bekommerd. En opeens rees in de menigte, vlak voor ons, een klein, stevig vrouwtje op. De moeder van Annie. En ze riep met een gebaar naar de kraamversiering tegen ons: ‘Wat staan jullie daar nou zuinig te kijken. Jullie hebben geen gevoel voor humor!’

==

Terwijl Annie een beetje giechelig en verlegen, maar toch ook wel weer gevleid, kennismaakte met de roem en alles wat daarbij kwam kijken, verging het Dick aanzienlijk minder goed. De Rotterdamse haven was zich in hoog tempo aan het ontwikkelen tot de grootste ter wereld, en laboratorium Van Duijn groeide even hard mee. Dit betekende dat zijn dagen steeds meer gedicteerd werden door balansanalyses, analistenexamens en personeelsbeleid, terwijl hij altijd juist zo gehouden had van de ambachtelijke kant van zijn vak, zoals het uitvogelen van de precieze samenstelling van bietenzaad of rundertalg. Thuis wachtten hem de puberperikelen van zijn zoons, en de onmogelijke positie van een man die twee vrouwen tevreden wil houden en het dus bij geen van beiden echt goed kan doen.

==

Merkwaardigerwijze hebben beide partijen een geringschatting voor meneer Jansen. De ene kant vindt hem gewoon een verwerpelijk man. Zo iets komt niet te pas, zeggen zij met zuinige mondjes, hij heeft zo iets niet te doen. En ze vergeten dat er een woord bestaat: Als wij onze hartstochten overwinnen ligt het minder aan onze sterkte dan aan hun zwakheid. De andere kant vindt hem een sul, omdat hij zo lang traineert, omdat hij niet kan kiezen en de knoop maar niet doorhakt, en ze vergeten dat je niet zo gauw een knoop doorhakt, waar je zelf middenin zit.

==

Van nature toch al geneigd tot melancholie, was Dick langzaam weer in de depressieve stemming gegleden waar hij ook al zo’n last van had gehad voordat hij Annie had ontmoet. Hij schreef haar:

==

Er komen in het mannelijk leven tijden voor, waarin zich in het organisme donkere veranderingen voltrekken. Het lichaam en de ziel zijn dan meer blootgesteld aan de aanvallen van buiten af; de geest voelt zich verzwakt en wordt ondermijnd door een vage treurigheid – door een afkeer van de dingen – door een losmaken van datgene, wat men bereikt heeft en door een onvermogen om al te zien, wat men verder doen kan.

==

Zelfs zijn vrolijke vriendinnetje in Amsterdam kon hem niet uit de put halen. ‘Ik [vind] het rottig voor je m’n lief,’ schreef Annie. ‘Ik kan je er niet uithelpen. Ik heb alleen zo nu en dan een schreeuwend schuldgevoel omdat ik je er bij tijden nog dieper in help. Gelukkig heb je het druk, de beste remedie tegen depressies.’

Maar in het voorjaar van 1951 kwakkelde Dick nog steeds: ‘Ik ben zo grenzeloos willoos dat ik neiging heb dingen kapot te gooien. ... Uitingen van een geprangd gemoed, bah.’ Hij begon zijn aanhoudende lusteloosheid te bestrijden met strychnine, wat inderdaad een opwekkende werking had, en niet alleen op zijn humeur. ‘Annaliefje als de strychnine zo blijft werken als nu zou jij wel ’s een lastige Pinksteren kunnen hebben,’ schreef hij begin mei. ‘Ik zal me natuurlijk intomen maar je kunt nooit weten.’

Na de pinksterdagen was het opeens de beurt van de net veertig geworden Annie om zich lamlendig en moe te voelen. De bekende schrijver Werumeus Buning, die haar een complimenterend briefje had gestuurd, antwoordde ze:

==

Voor het meeste wat ik schrijf geneer ik me. De krantenstukjes-schrijver wordt mishandeld, het kleine beetje talent wat hij heeft moet geld opbrengen: iedere dag moet ik mijn ‘dochtertje talent’ de straat opsturen, over een paar jaar zal het een opgeverfde sloerie zijn. Misschien vergis ik me, maar ik heb ’t idee dat schrijvers zich vroeger konden permitteren arm te zijn.

==

Voor reportages had ze geen fut, en de ‘Simpele Zielen’ kreeg ze nauwelijks meer uit haar pen. Vurig hoopte ze dat de nieuwe hoofdredacteur P.J. Koets, die de als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties naar Genève vertrokken Van Heuven Goedhart opvolgde, haar zou toestaan met de column te stoppen.

==

Ik heb van de week alleen een schaap Veronica geproduceerd, meer kon ik niet opbrengen. Ik ben gewoon bang dat ze me bij ’t Parool vandaag of morgen ontslaan. Zo kan het toch niet doorgaan ’t zou betekenen dat ik om ieder kinderversje meer dan 100 gulden krijg. Wim zegt aldoor: laat nou maar als je weer goed bent haal je ’t wel in. ... Dag, een zoen van een luie vadsige Anna.

==

Ook uit het briefje dat ze op 11 juni schreef aan Adriaan Roland Holst, als dank voor het ‘Schaap Veronica’ dat hij voor haar veertigste verjaardag had gewrocht, werd duidelijk dat er iets vreemds aan de hand was met de normaliter zo energieke Annie: ‘Intussen ben ik al een maand volkomen uitgeblust, geen kurk maar een krater, een dooie dan. Vandaar ook dat het zo lang duurde voordat je antwoord krijgt: ik zat me lekker te zonnen in je brief en je verzen, maar bij het zien van m’n eigen pen word ik groen van narigheid.’

Aan het eind van die week ging ze ‘god zij geloofd en geprezen’ met Dick een paar weken vakantie houden aan de Côte d’Azur, en na thuiskomst was ze inderdaad als bij toverslag opgeknapt. ‘Van mezelf moet ik zeggen dat ik me eigenlijk uitstekend voel in vergelijking met vier weken geleden, en nu ook weer een stukje werk aankan,’ schreef ze Dick in een brief waarin ze aanvankelijk onbekommerd voortbabbelt over de voorbereidingen van haar aanstaande verhuizing naar de deftige Sophialaan in Amsterdam-Zuid, waar Alice von Eugen haar een halve zolderetage had aangeboden. Pas aan het einde kwam de ware reden voor zowel haar eerdere malaise als haar huidige opgewektheid uit de mouw:

==

Ik dacht kom, eerst eens afwachten of het kleine kamertje misschien de kinderkamer moet worden, dus ik naar een dokter en jawel, nu is het dan toch zo. Ik moet bekennen dat ik erg blij ben, nu alleen nogal schuldig voel tegenover jou, afgezien van je goed- of afkeuring. Ik hoop alleen in godsnaam dat jij je in verband hiermee niet zorgen in je hoofd haalt, niet van economische en zeker niet van maatschappelijke aard. On verra.

==

Later verklaarde Annie eigenlijk altijd gedacht te hebben niet te zullen trouwen en dus ook geen kinderen te zullen krijgen. ‘Ik had er m’n hele leven al op ingesteld. Het was eigenlijk een minderwaardigheidsgevoel ook, je denkt, ik krijg geen kinderen, ik kan er nooit over schrijven. En als je er dan tóch nog een krijgt dan is dat geweldig.’ ‘Annie wilde dolgraag zwanger worden,’ zegt Margreet Taselaar, ‘maar ik had de indruk dat Dick het aanvankelijk nogal bezwaarlijk vond.’ De eerste reactie van de aanstaande vader liep inderdaad niet over van enthousiasme. ‘Vond net je brief. Tja een vader en een moeder zijn toch wel diametrale tegenstellingen. Laat ik zeggen: ik vind het fijn, dat jij het prettig vindt.’ Getekend: ‘Ik moet weg, Dick’.

Maar Annies geluk was niet meer te verduisteren. Ze had een heerlijke zomer – ze genoot van de rust en de privacy van haar nieuwe huis, ze nam haar column weer over van invalster Henriëtte van Eyk, ze bezocht voorstellingen, ze las veel en zat tot ’s avonds laat op de terrassen van het warme, broeierige Amsterdam. Aan de nog steeds nogal somber gestemde Dick schreef ze: ‘’t Is toch erg jammer dat je niet eens een poosje zwanger kunt zijn, zonder gekheid, ik vind het jammer. Je hebt dan zo iets van Es ist erreicht, ik geef toe volkomen illusoir, maar ’t gevoel heb je toch maandenlang en dat kan alleen maar gunstig zijn.’

==

Terwijl Annie het nieuwe leven in zich voelde groeien, doofde het oude uit. ‘Vader gaat achteruit d.w.z. eet helemaal niet en verzwakt. Rot maar te prefereren boven attakerigheden,’ meldde ze eind augustus aan Dick. In haar memoires zou ze het sterfbed van Johan Schmidt later als volgt beschrijven: ‘Mijn vader had een klein zijkamertje voor zichzelf. Alle vier de wanden waren volgestouwd met boeken, alleen het raam was uitgespaard. In het midden stond zijn ligstoel en daarop lag hij zielstevreden dood te gaan, te midden van zijn Hegel, Kant en Spinoza.’ In werkelijkheid verkeerde de oude predikant in een erbarmelijke toestand:

==

Dinsdag ben ik naar den Haag geweest en ik denk dat ik vrijdag weer even ga want mijn vader zal niet lang meer leven, dunkt me. De toestand is zo dat de dokter een verpleegster gestuurd heeft om hem een paar keer in de week te helpen want hij was totaal verwaarloosd.

Wim zorgt ervoor dat hij wat naar binnen krijgt, maar moeder kijkt praktisch niet naar ’m om nu tante Mieke er is en blijft zo hard als een steen. Maakt grapjes over de begrafenis. Enfin de toestand was er zo, dat ik nogal overstuur in A’dam terugkwam, vooral omdat vader zo helder was en zo deerniswekkend en zo klaagde over zijn eenzaamheid.

==

Annie had haar vader niet durven vertellen dat ze zwanger was. Op 11 september belde haar moeder dat ze maar beter snel naar Den Haag kon komen. Die ochtend was de dominee bij Johan geweest, maar die was weggewoven: ‘Hij wist wat dat inhield, hij had dat zelf zo veel gedaan, aan sterfbedden.’ Toen Annie op de Laan Copes van Cattenburch arriveerde, was haar vader al niet meer bij bewustzijn. Haar moeder ging slapen, en zij bleef bij hem zitten, ondertussen werkend aan het versje dat ze de volgende dag moest inleveren: ‘Luilekkerland expres’.

==

Wat heb ik vaak later met een rilling aan die nachtelijke uren gedacht. Je gaat door met je werk en je maakt een lollig versje terwijl je vader vier meter van je af ligt te sterven. ... Toen, al schrijvend aan dat versje, voelde ik geen verdriet of spijt of schuldgevoel, alleen maar de dwangmatige werking van m’n hersens als ze rijmwoorden moeten zoeken. Toen het versje af was hield het reutelen op.

==

Annies verhouding met haar vader was nu voorgoed een gemiste kans. ‘Al heb ik hem te weinig gekend en maar sporadisch ontmoet, ik heb z’n handen geërfd,’ schreef ze later.

Op 15 september 1951 keerde Johan Schmidt terug naar Kapelle, naar de gemeente die hij het grootste deel van zijn leven gediend had. Het was een koude, stralende dag, en het hele dorp liep uit om de oude dominee te begeleiden naar zijn laatste rustplaats. De kerkklokken luidden tot ver over het uitgestrekte Zeeuwse land, en Annie liep mee achter de kist, haar buik verborgen onder een wijde, zwarte jas.

==

Ik voelde me heel gelukkig die dag. Natuurlijk, het is toch ook prachtig om zwanger te zijn en met nieuw leven in je, je oude vader te begraven.