Kuifkwartel (Callipepla californica). ⅓ v. d. ware grootte.

Kuifkwartel (Callipepla californica). ⅓ v. d. ware grootte.

Gedurende den zomer voedt de Boomkwartel zich met Insecten en allerlei plantaardige stoffen, vooral met graankorrels; in den herfst maken de laatstgenoemde zijn voornaamste voedsel uit. Zoolang de velden groen zijn, leiden ouden en jongen een zorgenvrij en vroolijk leven; gedurende den winter komen echter ook deze Hoenderen dikwijls in grooten nood; vele worden er door genoopt naar zuidelijker landen te trekken. Op deze reizen vinden vele den dood, want het rooversgespuis zit hen onophoudelijk op de hielen en de mensch doet wat hij kan, om zich van dit smakelijke wild meester te maken.

De Boomkwartel is zoowel voor temming geschikt als voor invoering in gewesten, waar de eischen, die hij aan ’t leven stelt, verwezenlijkt zijn. Gevangen Boomkwartels zijn, wanneer zij verstandig behandeld worden, reeds na eenige dagen met hun lot verzoend, verliezen weldra al hun schuwheid en geraken in opmerkelijk korten tijd aan hun verzorger gewoon. Nog gemakkelijker is het, de exemplaren, die onder het toezicht van den mensch zijn opgegroeid, te temmen. 50 à 100 paar Boomkwartels zouden voldoende zijn, om in de eerste plaats een fazanten-perk en van hier uit een streek, die voor de vermenigvuldiging van dit veelbelovende wild gunstig gelegen is, te bevolken. In Engeland is men hierin reeds geslaagd.

Deze sierlijke Hoenderen worden als wild zeer hoog geschat. Hoewel zij moeilijker te jagen zijn dan de Patrijzen, houden de Amerikanen zich gaarne met deze jacht bezig. De Boomkwartel wacht den Hond niet af, maar tracht, wanneer hij gevaar bespeurt, zich loopend te redden en vliegt eerst in den uitersten nood, gewoonlijk voor de voeten van den jager op. Nog moeielijker wordt de jacht, als de Vogels zoo gelukkig zijn het woud te bereiken, omdat zij hier na het opvliegen gewoonlijk in een boom gaan zitten en zich op een dikken tak plat neerdrukken, waar zij zelfs voor het oog van den geoefenden jager verborgen zijn. Daar zij echter gehoor geven aan den loktoon, kan ieder, die het geluid van het mannetje of het wijfje weet na te bootsen, een flinken buit behalen. In Amerika maakt men om Boomkwartels te vangen veel liever gebruik van strikken en netten dan van vuurwapens. Men gaat in gezelschap te paard door de velden, lokt van tijd tot tijd, om de plaats waar de Vogels zich ophouden, te leeren kennen, plaatst het net en rijdt nu, een halvemaan vormend, op den zwerm toe. De Kwartels loopen, zoo goed mogelijk gedekt, over den bodem weg en komen, als zij goed gedreven worden, geregeld in het net. Op deze wijze vangt men soms 16 à 20 stuks te gelijk.

*

De Pluimkwartels (Callipepla of Lophortyx) zijn kenbaar aan den tooi van den kop. Op het midden van de kruin verheffen zich 2 à 10, in den regel echter 4 à 6 veeren, die aan den wortel zeer versmald, aan de spits verbreed en sikkelvormig naar voren omgebogen zijn. Deze pluim is bij het mannetje sterker ontwikkeld dan bij het wijfje.

De meest bekende soort is de Kuifkwartel (Callipepla californica). Zijn voorhoofd is stroogeel, elke veer met een donkerder schaft; deze plek is van achteren begrensd door een voorhoofdstreep, die zich achterwaarts verlengt tot een wenkbrauwstreep; de bovenkop is donker-, de achterkop omberbruin; de langere, blauwgrijze veeren van den nek zijn zwart op de schaft en aan den rand en hebben twee witachtige vlekken aan den top; de zwarte keel is door een witten band omgeven; de bovenborst is blauwgrijs, de onderborst geel, iedere veer met lichtere spits en zwarten zoom; door de eveneens zwarte zoomen van de bruinroode veeren op het midden van den buik ontstaan schelpvormige figuren; de veeren van de flanken zijn bruin met breede, witte, de onderdekveeren van den staart lichtgeel met donkere schaften; de slagpennen zijn bruingrijs, de armpennen met geelachtigen zoom, de stuurpennen zuiver grijs. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs. Totale lengte 24, staartlengte 9 cM.

Het vederenkleed van den verwanten Helmkwartel (Callipepla Gambeli) vertoont een soortgelijke kleurenverdeeling; het zwarte aangezichtsveld is hier echter grooter, de achterkop levendig roodbruin, de onderzijde geel zonder schelpvormige teekening, de buik zwart en de veeren van de flanken op prachtig roodbruinen grond met lichtgele, overlangsche strepen geteekend; alle kleuren zijn bij deze soort schitterender.

Alle mij bekende berichten over de levenswijze van den Kuifkwartel zijn onvolledig. Gambel, wiens beschrijving de voorkeur verdient, zegt: “Deze prachtige Vogels, die in geheel Californië zoo buitengemeen veelvuldig zijn, vereenigen zich in den winter tot talrijke zwermen, die in wouden, welke geschikt zijn om aan zoovele een schuilplaats te bieden, soms uit meer dan duizend stuks bestaan. Even veelvuldig als in het woud vindt men ze in de met kreupelhout begroeide vlakten en hellingen van het heuvelachtige land. Niet minder waakzaam, maar snelvoetiger dan de Boomkwartels, verijdelen zij de pogingen van hunne vervolgers door verwonderlijk vlug weg te loopen en zich te verbergen. Als een Kuifkwartel plotseling opgejaagd wordt, vliegt hij gewoonlijk in een boom en drukt zich op horizontale takken als een Eekhoorn neder; het vinden van den Vogel wordt dan zeer moeielijk, omdat de kleur van zijn vederenkleed met die van boomschors overeenkomt. Het nest wordt op den bodem aangelegd, gewoonlijk aan den voet van een boom of onder de twijgen van een struik; het aantal eieren is soms zeer groot. In een ondiepe uitholling, die aan den voet van een eik uitgekrabd, aan den omtrek met eenige weinige bladen en droog gras belegd, in het midden echter onbekleed was, vond ik 24 eieren. Het zou kunnen zijn, dat hier twee hennen in hetzelfde nest hebben gelegd, daar 15 eieren het gewone getal schijnt te zijn.”

Freyberg, die den Kuifkwartel eveneens in zijn vaderland heeft nagegaan, zegt, dat hij een standvogel is, althans niet ver van zijn broedplaats rondzwerft, van gras, zaden, bollen, look, knolgewassen en dergelijke planten, van allerlei bessen en van Insecten leeft. Tot woonplaats kiest hij bij voorkeur jonge hakhoutbosschen of in ’t algemeen dicht struikgewas, vanwaar hij zich zelden verder dan 40 à 50 schreden verwijdert en zich dus bijna niet buiten de schaduw van het woud in het open veld begeeft. Bij vervolging door den Hond blijft hij tamelijk lang loopen, gaat bij het opvliegen steeds in den eersten den besten ouden boom zitten en gedraagt zich hier als een Hazelhoen; in den winter graaft hij echter lange gangen in de sneeuw. In Californië schiet men hem met een kleine buks uit den boom of jaagt hem met behulp van een Hond; want dit wild is kostbaar en moet gelijk gesteld worden met het Hazelhoen.

“Ieder die de gewoonten van den Helmkwartel wil leeren kennen,” zegt Coues, die een uitmuntende levensbeschrijving van de soort heeft gegeven, “moet zich alle geriefelijkheden van de beschaving ontzeggen en van de westkust uit omstreeks duizend mijlen ver in het binnenland doordringen. Hij komt dan in een wilde streek, waar de Apache-Indiaan nog altijd heer en meester is en de blanke zich slechts door een iederen dag herhaalden strijd kan handhaven. Het land is verscheurd door gapende afgronden. Diep ingesneden dalen en ravijnen, waarnevens reusachtige bergen zich verheffen; lava-massas, uitgeworpen door sinds lang uitgedoofde en onkenbaar geworden vulkanen, bedekken het. Men treft hier rivieren aan, op welker droge bedding de reiziger van dorst kan versmachten; uitgestrekte vlakten, begroeid met droge, scherpe grassen en lage struiken, dragen de duidelijke kenteekenen van langdurig gebrek aan water. Deze gewesten zijn echter vol tegenstellingen en wonderen. De minst gastvrije bergen omsluiten liefelijke, vochtige, groene en vruchtbare dalen; uitgestrekte bosschen van edele sparren en dennen en ceders wisselen af met dorre, eenzame lavavelden; de heuvelhellingen zijn met eiken, mezquite-struiken (Prosopis dulcis) en manzanitas bedekt, terwijl de toegangen tot de oevers der door populieren (Populus monilifera en angulata), wilgen en noteboomen omlijste stroomen, door bijna ondoordringbare wallen van wijnstokken, pereskia-cactussen (met eetbare bessen en platte bladen), sassaparilstruiken, rozen en allerlei andere soorten van klimmende en rankende struiken versperd worden. De dieren- en de plantenwereld, ja zelfs de rotsen hebben een vreemdsoortig, eigenaardig voorkomen; zelfs de lucht schijnt een andere samenstelling te hebben dan bij ons. Deze gewesten zijn het vaderland van ons Boomhoen.

“De maand Juni liep ten einde, toen ik op de plaats van bestemming, in Arizona, aankwam. Spoedig vernam ik, dat de Helmkwartel hier buitengewoon veelvuldig is. Reeds op mijn eerste jachttocht struikelde ik, bij wijze van spreken, over een toom jonge kuikens, die zooeven uit het ei gekomen waren; de kleine, vlugge diertjes renden weg en verborgen zich zoo uitmuntend, dat ik er geen enkele van vinden kon. In ’t volgende jaar merkte ik op, dat de oude Vogels tegen het einde van April gepaard hadden en zag ik in het begin van Juni de eerste kuikens. Ik kwam tot de overtuiging, dat het broeden bij deze soort gedurende de maanden Mei, Juni, Juli en Augustus plaats vindt. Het grootste aantal kuikens van één broedsel, dat ik waarnam, bedroeg 15 à 20, het kleinste 6 à 8. Wel trof ik een enkele maal ook nog op den 1en October half volwassen kuikens aan; de meeste hadden toen echter reeds geheel of bijna de grootte van de ouders en waren zoo goed in staat om zich te bewegen, dat een eerlijke jager zich niet geschaamd zou hebben, er een schot op te doen.

“Zoolang de jonge Vogels de ouderlijke zorg nog niet kunnen ontberen, houden zij zich eng aaneengesloten; als hen een gevaar bedreigt, rennen zij zoo snel weg en “drukken” zich op een zoo goed gekozen plaats, dat het veel moeite kost om ze te doen opvliegen. Als dit gelukt, stijgen alle te zamen in een gesloten zwerm omhoog, maar strijken spoedig weer neder, in den regel op de lage takken van boomen of struiken, dikwijls echter op den grond. Hier zitten de Vogels gewoonlijk stil, dikwijls letterlijk opeengehoopt; omdat zij goed verborgen meenen te zijn, kan men ze tot op een afstand van weinige schreden naderen. Later in ’t jaar, als zij hun definitieve grootte bereikt hebben, gaan zij minder vaak op boomen zitten; zij zijn dan voorzichtiger en niet gemakkelijk te naderen. De eerste aanduiding, dat men zich in de nabijheid van een toom bevindt, krijgt men door een geluid, dat twee- of driemaal snel achtereenvolgens herhaald wordt; hierop volgt een geritsel van droge bladen, waaruit blijkt, dat het geheele gezelschap zich zoo schielijk mogelijk voortspoedt; als men nog een stap verder gaat, vliegen alle met snorrend gedruisch op en verspreiden zich in alle richtingen.

“Evenals zijne verwanten, eet de Helmkwartel bij voorkeur zaden en vruchten, hoewel Insecten een niet gering deel van zijn voedsel uitmaken. In de eerste lentemaanden eet hij graag wilgeknoppen, waardoor zijn vleesch een bitteren bijsmaak krijgt.

“De sierlijke kuif op den kop, die zooveel tot de verfraaiing van deze soort bijdraagt, ontwikkelt zich reeds zeer vroegtijdig; men merkt haar reeds op bij kuikens, die slechts weinige dagen oud zijn. Bij hen bestaat zij trouwens slechts uit een klein, kort bosje van 3 of 4 veeren, die eerder bruin dan zwart, aan de spits niet verbreed en recht naar boven gericht zijn. Eerst wanneer de Vogel volkomen tot vliegen in staat is, krommen zij zich naar voren. Het aantal veeren, waaruit de kuif bestaat, wisselt aanmerkelijk af. Soms vindt men slechts één enkele veer, in andere gevallen 8 à 10 veeren.

“De jacht op den Helmkwartel is moeielijker dan die op den Boomkwartel. Wel is waar vliegt de eerstgenoemde niet plotseling op en beweegt zich ook niet sneller dan zijn verwant: wanneer echter een kluft opgejaagd is en één of twee van hare leden geschoten zijn, zal men bezwaarlijk voor de derde maal met goeden uitslag kunnen vuren. Zij liggen, behalve in bepaalde gevallen, zeer los; als zij opgevlogen zijn en weder “strijken”, zoeken zij dikwijls een schuilplaats op den grond en laten zich niet weer opjagen, of loopen zoo snel en zoo ver mogelijk, zoodat men ze òf niet, òf eerst op een tamelijk grooten afstand van hun uitgangspunt terugvindt. Hun gewoonte om loopend het gevaar te ontvluchten, vermoeit niet slechts den jager, maar ook den Hond in zoo hooge mate, dat zelfs het best gedresseerde dier weinig of in ’t geheel niets uitrichten kan. Wel is de jager dikwijls in de gelegenheid een loopend Hoen te dooden, maar wie zou op zoo’n roemlooze wijze met zulk edel wild den weitasch willen vullen! Het vliegt buitengewoon snel en krachtig, doch steeds op gelijke hoogte en rechtuit, zoodat het voor een geoefend schutter niet zeer moeielijk is, het te treffen.”

In 1852 werden 6 paar Kuifkwartels in Frankrijk ingevoerd. Reeds in het volgende jaar brachten zij jongen groot. Men heeft later herhaaldelijk getracht dezen fraaien Vogel ook in Frankrijk te acclimatiseeren, maar tot dusver nog geen blijvende uitkomsten verkregen. Ook in Duitschland zijn zulke proeven genomen met hetzelfde gevolg. Over ’t algemeen zal men, om op succes te mogen hopen, de proef moeten nemen in zulke gewesten, waar Fazanten zonder de hulp van den mensch gedijen. Het meest geschikt hiervoor zijn wouden, die de grootst mogelijke verscheidenheid van boomsoorten bevatten en een dicht begroeiden bodem hebben, zoodat het geheel een moeielijk doordringbare wildernis van doornstruiken, wilgen, hooge grassen en klimplanten vormt. Kuifkwartels, die in een park zijn grootgebracht en op ongeschikte terreinen worden losgelaten, ontsnappen hieruit, zoodra zij kunnen.


In de vierde onderfamilie vereenigen wij de Fazanten (Phasianinae). Ook bij hen is de romp gedrongen, maar toch gestrekter gebouwd dan bij de Boschhoenderen; de snavel is middelmatig lang en sterk gewelfd, de bovensnavel over den ondersnavel benedenwaarts gebogen, soms aan de spits verlengd en nagelvormig verbreed; de middelmatig lange loop is bij den haan altijd gespoord; de teenen zijn lang, de vleugels middelmatig lang of kort, sterk afgerond; de staart is gewoonlijk lang en breed en uit 12 à 18 pennen samengesteld, de kop gedeeltelijk naakt, dikwijls met kammen en lellen, soms bovendien met hoornen en ook wel met vederbossen versierd; het vederenkleed is prachtig van kleur en glanzig, maar bij mannetjes, wijfjes en jongen verschillend.

Gewoonlijk rekent men tot deze onderfamilie, ongeveer 75 soorten, waarvan er elf in Afrika, slechts drie (de Kalkoenen) in Amerika, alle overige in Zuid- en Middel-Azië thuis behooren. Alle soorten bewonen boschrijke of althans met struikgewas begroeide gewesten waar zij goed gedekt zijn: sommige hooge bergstreken, andere het laagland. Zij zijn standvogels; bij de keuze van een woonplaats gaan zij zeer zorgvuldig te werk en verlaten deze daarna niet meer. Alle hebben min of meer de neiging om na den broedtijd rond te zwerven en dan terreinen te bezoeken, waar men ze in andere tijden van ’t jaar niet vindt. Tot echte reizen zijn zij wegens de gebrekkigheid van hunne bewegingsorganen niet in staat. Zij zijn goed ter been en kunnen, als zij willen, in het hardloopen bijna met ieder ander Hoen wedijveren; zij vliegen echter slecht en doen dit daarom slechts in den uitersten nood. In lichaamsoefeningen schijnen zij geen behagen te scheppen; zelfs gedurende den paartijd gedragen zij zich rustiger dan de andere Hoenderen. Gewoonlijk stappen zij op hun gemak en zonder zich te haasten rond, met ingetrokken of gebogen hals, den fraaien staart, hun voornaamsten tooi, zoo ver opgeheven, dat de middelste veeren niet over den grond sleepen; om sneller te loopen buigen zij den kop tot dicht bij den grond en lichten den staart iets hooger op; in geval van nood maken zij ook van hunne vleugels gebruik. Hun wijze van vliegen vereischt krachtige vleugelslagen en gaat daarom vooral bij het opvliegen met een klapperend gedruisch gepaard; wanneer echter de Fazant eens een zekere hoogte bereikt heeft, fladdert hij weinig, maar schiet met uitgespreide vleugels en staart volgens een hellend vlak in benedenwaartsche richting snel vooruit. In de kroon van hooge boomen is hij gewoon rechtop te staan of met sterk gebogen pooten zich geheel op den tak neer te vleien en den langen staart bijna loodrecht naar beneden te laten hangen. Zijne zintuigen zijn goed ontwikkeld, de geestvermogens over ’t algemeen gering. Onder elkander leven de Fazanten in vrede, zoolang de liefde niet in ’t spel komt; in den paartijd ziet men echter, evenals bij de overige Hoendervogels, de mannelijke leden van het gezelschap in opgewonden toestand verkeeren en soms zeer ernstige gevechten leveren.

Tot aan den paartijd verbergen de Fazanten zich zooveel mogelijk. Als zij niet gestoord worden, gaan zij eerst kort vóór hun slaaptijd in den boom zitten en houden gedurende het overige deel van den dag verblijf op den grond, waar zij, tusschen struiken en gras hun voedsel zoeken, open plekken bijna angstvallig vermijden en van de eene schuilplaats naar de andere sluipen. Iedere haan heeft de leiding over een aantal hennen; men ontmoet echter ook zeer gemengde kluften, d. w. z. zulke, die uit verscheidene hanen en vele hennen bestaan. Groote gezelschappen zijn het niet; wanneer dit een enkele maal voorkomt, blijven zij in den regel niet lang bijeen. Buiten den broedtijd neemt het zoeken van voedsel hun tijd bijna geheel in beslag. Zij eten van ’s morgens tot ’s avonds; hoogstens rusten zij in de middaguren, zooveel mogelijk in een stoffige kuil, half begraven onder het reinigende stof, van de vermoeienissen van den arbeid uit. Vooral in den vroegen morgen en tegen den avond zijn zij ijverig in de weer en tot rondzwerven geneigd; met zonsondergang begeven zij zich ter rust. Hun voedsel bestaat uit de meest verschillende soorten van plantaardige stoffen, zaden en vruchten, knoppen zoowel als ontplooide bladen; bovendien eten zij Insecten in allerlei ontwikkelingstoestanden, Slakken, Weekdieren, ook wel kleine Gewervelde Dieren; vooral maken zij jacht op jonge Kikvorschen, Hagedissen en Slangen.

De meeste, hoewel geenszins alle Fazanten leven in polygamie. Iedere haan verzamelt, wanneer zijne mededingers dit toelaten, vijf à zeven hennen om zich heen. Hoewel hij niet minder jaloersch is dan de andere mannetjes zijner orde en zijne mededingers zeer moedig en dapper bestrijdt, geeft hij zich geen bijzondere moeite om de gunst van zijn wijfje deelachtig te worden. Ook bij hem komen verschijnselen voor, die aan het balderen der Ruigpoothoenderen herinneren, ofschoon hij nooit in den toestand van verliefde razernij vervalt, die deze kenmerkt. Hij loopt in verschillende houdingen om de hennen heen, spreidt de vleugels uit, zet de veeren van de kuif, van de oorpluimen en van den halskraag op, verheft den staart iets meer dan gewoonlijk, doet de voor uitzetting vatbare huidaanhangsels opzwellen, acht het zelfs niet beneden zijn waardigheid eenige danspassen te maken en kraait of fluit, terwijl hij herhaaldelijk de vleugels tegen elkander slaat. Na de paring bekommert hij zich niet meer om de hennen, die over ’t algemeen meer hem zoeken dan hij haar; maar zwerft naar eigen goedvinden in het bosch rond, voegt zich hier soms bij andere hanen, vecht in het eerst nog wel eens met dezen of genen, maar leeft toch, als het aantal mannetjes toeneemt, met de leden van zijn gezelschap in vrede. De hen zoekt een stil plekje op, graaft hier een kuiltje, bedekt dit achteloos met eenige bladen en andere nestmaterialen en begint te broeden, zoodra zij 6 à 10 of soms ook 12 eieren gelegd heeft. De kuikens zijn lief geteekend, behendig en vlug, leeren in de tweede week van hun leven fladderen, gaan in de derde in de boomen slapen en ruien na verloop van 2 of 3 maanden; tot in den herfst blijven zij echter nog onder de hoede van hunne ouders.

*

Het meest bekende geslacht van de onderfamilie der Fazanten is dat van de Kamhoenderen (Gallus), waaraan wij ons Huishoen te danken hebben. Zij kenmerken zich vooral door het bezit van een naakten, vertikalen, meestal getakten kam op de kruin en van twee naar beneden hangende lellen aan den ondersnavel; de wang is onbevederd. De tamelijk lange loop is bekleed met drie vertikale reeksen van schilden en heeft bij den haan een sterke spoor. De middelmatig lange staart bestaat uit 14 pennen, die naar de zijden weinig in lengte afnemen; hij wordt dakvormig gebogen en opgewipt gedragen; de staartwortelveeren of bovendekveeren van den staart zijn bij den haan sterk verlengd en sikkelvormig gekromd; zij overdekken de stuurpennen en hangen achter deze of langs de zijden van het achterlijf naar beneden. In de korte afgeronde vleugels zijn de 4e tot 7e handpennen even lang en langer dan de overige. Het lichaam is rijk bekleed met prachtige veeren.

Indië en de Maleische landen zijn het vaderland van deze Hoenderen. Men kent er zes soorten van, die het woud bewonen en een verborgen leven leiden, hoewel alle door hun stem de aandacht trekken.

De meeste aanspraken op de eer van het stamvaderschap van ons Huishoen, kan het Gewone Boschhoen of Bankiva-hoen, de Kasintoe der Maleiers, op Sumatra Ajam-Rimboe geheeten (Callus ferrugeneus), doen gelden. De kop, de hals en de lange, naar beneden hangende nekveeren hebben bij den haan een goudgelen weerschijn; de geelbruin gezoomde rugveeren zijn purperbruin, in het midden glanzig oranjerood; de eveneens verlengde, naar beneden hangende bovendekveeren van den staart gelijken in kleur op die van den kraag; de groote dekveeren zwartgroen, de donkerzwarte borstveeren goudgroen iriseerend; de handpennen zijn donker zwartachtig grijs met lichteren zoom, de armpennen op de buitenvlag roestkleurig, op de binnenvlag zwart, de staartpennen eveneens zwart: de middelste iriseerend, de overige zonder glans. Het oog is oranjerood, de koptooi rood, de snavel bruinachtig, de voet leikleurig zwart. Totale lengte 65, staartlengte 27 cM. De hen is kleiner, haar staart heeft een meer horizontalen stand; van den kam en de lellen zijn slechts aanduidingen voorhanden; de langwerpige halsveeren zijn zwart met witgeelachtigen zoom, de veeren van den mantel bruinzwart gesprenkeld, die van de onderdeelen, evenals de slag- en stuurpennen, bruinzwart.

Het verbreidingsgebied van het Bankiva-hoen omvat geheel Indië en de Maleische landen. Het is veelvuldig in het westen van Vóór-Indië zoowel als in het noordelijke heuvelenland, algemeen in Assam, Silhet, Birma, Malakka, op de Soenda-eilanden en de Philippijnen; het komt ook op Timor en verscheidene eilanden van den Grooten Oceaan voor; zeldzaam is het in Middel-Indië. De levenswijze van deze en alle overige wilde Hoenderen is vrij onvolledig bekend; dit ligt waarschijnlijk aan de bezwaren, die zich tegen het waarnemen van deze Vogels verzetten. Het door hen bewoonde woud legt den onderzoeker zoowel als den jager dikwijls onoverkomelijke hinderpalen in den weg. Als men deze wouden doortrekt, ontmoet men, volgens Jerdon, dikwijls wilde Hoenderen. Zij houden zich gaarne op in de nabijheid van de wegen, omdat zij hier in den drek van het Rundvee en van de Paarden een overvloed van voedsel vinden; de Honden, die met den wagen meeloopen, doen vele Hoenderen opvliegen en in de boomen neerstrijken; ook ziet men deze Vogels in de buurt van de wouden op de akkers, waar zij dikwijls voedsel gaan zoeken, voorts gedurende de jachten, die op hen gehouden worden. De beide op Java levende soorten van wilde Hoenderen zijn, volgens Bernstein, zeer schuw; het is daarom moeielijk ze in de vrije natuur te bespieden. Dit geldt vooral voor het Groene Boschhoen, den Gangegar of Ajamalas, gewoonlijk Vorkstaarthoen (Gallus furcatus) genoemd, omdat de staart, wegens de zijwaartsche richting der middelste veeren, er gevorkt uitziet; het onderscheidt zich door het bezit van slechts één zeer groote, met fraaie roode, gele en blauwe tinten prijkende lel aan de keel. Deze Hoenderen houden zich bij voorkeur op in de met doornstruiken en andere planten dicht bedekte vlakten, waar zij zich bijna altijd aan de blikken van den onderzoeker onttrekken; bovendien verbergen zij zich dadelijk bij het geringste verdachte gedruisch, of loopen, zonder op te vliegen, tusschen de alang-alang-halmen weg. Zij zouden dus niet opgemerkt worden, indien niet de haan van tijd tot tijd zijn stem liet hooren; deze klinkt heesch als “kukru-u koekru.” Te zien krijgt men hem echter slechts zelden, hoe vaak men hem ook hoort. Het best gelukt dit nog in den vroegen morgen, omdat de Hoenderen, zich veilig achtend, dan de wildernis verlaten om op open plaatsen hun voedsel te zoeken, dat uit allerlei zaden en knoppen, maar vooral uit Insecten bestaat. Zeer gaarne eten zij Termieten; zij zoeken daarom de woningen dezer diertjes dikwijls op.

De beide andere soorten van wilde Hoenderen zijn: het Sonnerat-hoen, de Katoekoli der Maleiers (Gallus Sonnerati)—dat in de gebergten van Vóór-Indië leeft en zich kenmerkt door zijne halsveeren, welker schaften (bij den haan) op drie plaatsen tot hoornplaatjes verbreed zijn—en het op Ceylon levende Dsjungelhoen (Gallus Stanleyi), dat door de roode kleur der onderdeelen van het Bankiva-hoen verschilt. Beide onderscheiden zich door hun stem; die van den Dsjungelhaan klinkt, volgens Tennent, als “George-Joye”; die van den Sonnerathaan is een hoogst zonderling, gebroken geluid, een onvolkomene, maar onbeschrijfelijke soort van gekraai. Het Bankiva-hoen heet op Java wegens het geluid van den haan “Bekéko”. Alle vier soorten dragen veel bij tot het verlevendigen van het woud. “Het is zeer gezellig,” zegt Von Möckern, “des morgens vroeg de talrijke hanen te hooren kraaien, ze met fieren tred te zien loopen en getuige te zijn van hunne gevechten; de hennen en de kuikens zwerven intusschen te midden van de boomen en struiken rond.” Ook Tennent roemt het in den nacht aanvangende en lang voortgezette gekraai van den Dsjungelhaan als een der voornaamste aantrekkelijkheden van den morgen in de met bosch bedekte bergen van Ceylon. De wilde hanen doen in strijdlust niet onder voor de tamme; de inboorlingen temmen ze voor de bij hen zoo geliefde hanengevechten; daar zij ervaren hebben, dat, moge al de tamme haan soms sterker zijn dan de wilde, hij dezen nooit evenaart in moed en behendigheid.

Zoomin bij de wilde als bij de tamme Hoenderen bemoeit de haan zich met de opvoeding der jongen; bij beide verzorgt de hen hare kinderen met gelijke teederheid. Kruisingen van de wilde Hoenderen onderling en van deze met tamme Hoenderen komen niet zelden voor.

Alle wilde Hoenderen kunnen getemd worden; zij geraken echter niet zoo spoedig aan de gevangenschap gewoon, als men misschien geneigd is te veronderstellen. “Oud gevangen exemplaren,” zegt Bernstein, “worden nooit tam; wanneer men hunne eieren door Huishennen laat uitbroeden, zullen toch de jongen, zoodra zij volwassen zijn, bij de eerste de beste gelegenheid hun vrijheid trachten te herwinnen. Of zij zich in de gevangenschap voortplanten, of met Huishoenderen paren, kan ik op grond van eigen ervaring niet mededeelen; van verschillende zijden heb ik echter vernomen, dat wilde Hoenderen, die van jongs af in gevangenschap leefden, herhaaldelijk eieren legden.” In onze dierentuinen hebben alle soorten zich voortgeplant; men kan er echter nooit vast op rekenen. Het is ons daarom nog steeds een raadsel, hoe de mensch er in geslaagd is, de vrijheidlievende wilde Hoenderen zoo volledig aan zich te onderwerpen. Geen geschiedverhaal, geen sage maakt van de eerste temming dezer dieren gewag. Reeds in de oudste geschriften wordt het Huishoen voorgesteld als een algemeen bekende Vogel. Van Indië uit heeft het zich over alle landen van het oostelijk halfrond verbreid. Bij de eerste ontdekking van de eilanden van den Grooten Oceaan vond men er Huishoenderen; in historischen tijd zijn zij alleen in Amerika ingevoerd. Bijzonder merkwaardig komt het mij voor, dat zij nergens verwilderd zijn. Men heeft getracht ze in hiervoor geschikte gewesten in vrijheid te laten leven, bosschen met hen te bevolken om hierdoor een nieuwe wildsoort te verkrijgen; steeds zijn deze pogingen mislukt. In de dorpen van de Noordoost-Afrikaansche steppen en zelfs rondom hutten, die midden in ’t woud gelegen zijn, leeft het Huishoen in menigte bijna zonder de zorg van den mensch; het moet zich zijn voedsel zelf zoeken; het broedt onder den een of anderen struik, die het hiervoor geschikt acht, dikwijls op eenigen afstand van de hut van zijn meester; het slaapt ’s nachts in het woud op een boom. Met bewonderenswaardige buigzaamheid schikt het zich in de meest verschillende omstandigheden, verdraagt een klimaat, waarin het van nature niet thuis behoort, zonder van aard te veranderen; slechts in zeer hooge bergstreken of in het uiterste noorden schijnt zijn vruchtbaarheid af te nemen. Overal echter, waar de mensch een vaste woonplaats heeft, kan het leven; het is een volslagen huisdier geworden.

Van het Huishoen komen tal van rassen en slagen voor, die door den vorm en de houding van het lichaam, door de grootte, door de ontwikkeling van den kam en de lellen, door de bevedering van den kop en van den loop, de kleur van het vederenkleed en van de onbevederde lichaamsdeelen enz. van elkander verschillen. Men treft sommige zeer merkwaardige afwijkingen bij hen aan. Een van de verwonderlijkste, hoewel niet een van de meest in ’t oog vallende eigenaardigheden is de aanwezigheid van vijf teenen aan iederen poot bij verschillende rassen, o.a. bij de Dorkings, de Houdans, de Turken en de Japansche Zijdehoenderen. De overtallige teen is drieledig, aan hetzelfde middelvoetsbeen gehecht als de normale (tweeledige) achterteen, maar een weinig hooger en meer naar ’t midden van den loop ingeplant.—Bij een aantal andere rassen, die men onder den naam van Kuifhoenderen samenvat, en waarvan wij het Padua-ras als voorbeeld kiezen, is het voorhoofdsbeen sterk gezwollen en vormen de verlengde, overhangende veeren van de kruin een helm, die den geheelen kop bedekt. De kam is bij de Padua-hoenderen, zeer klein; de plaats van de keel- en oorlellen wordt ingenomen door “kinbaarden” en “bakkebaarden”. De Houdans hebben een halve, de Turken een volslagen kuif.—De Zijdehoenderen zijn klein van stuk, hebben haarvormige, zijdeachtige veeren en weinig ontwikkelde arm- en staartpennen; de uitwendige huid, het beenvlies en de naakte plekken aan den kop zijn meestal donker violet, zelfs het vleesch heeft een donkere kleur. Bij het Japansche Zijdehoen gaan deze eigenaardigheden gepaard met zuiver witte veeren en met het bezit van een vijfden teen.—De Bantammers, die hun naam ontleenen aan het Javaansche landschap, van waar zij het eerst naar Europa werden gebracht, maar die uit Japan afkomstig zijn, onderscheiden zich o.a. door hun zeer geringe grootte; toch zijn zij zeer krijgshaftig en toonen dit bij hanengevechten.—Zeer zwaar, hoog op de pooten en dik van schenkel zijn de Cochinchina- en Brahmapoetra-hoenderen; beide hebben een bevederden loop; bij gene komt een enkelvoudige, bij deze een drievoudige kam voor. De Brahmapoetras bereiken een hoogte van 65 à 70 cM. (zelden meer); het gewicht van den haan bedraagt 5 à 7.5, dat van de hen 4 à 6.5 KG.

*

Een overgang van de Kamhoenderen tot de Edelfazanten vormen de Fazanthoenderen (Euplocomus). Zij kenmerken zich door een slanken lichaamsbouw, een tamelijk zwakken snavel, een middelmatig hoogen, gespoorden loop, korte, afgeronde vleugels, een middelmatig langen, uit 16 pennen samengestelden, dakvormigen staart, naakte, met wratten bedekte wangen en een bevallig vederenkleed.

De Zilverfazant of Zilverlakensche Fazant (Euplocomus nycthemerus) onderscheidt zich van andere Fazanthoenderen door een lange, uit losbaardige veeren bestaande, hangende pluim op den kop en een wigvormig verlengden, bij wijze van een dak dubbelgevouwen staart, welks middelste veeren niet zijwaarts naar buiten gebogen en slechts in geringe mate naar onderen gekromd zijn. De lange en dikke vederbos aan den achterkop is glanzig zwart, de nek en het voorste deel van den bovenhals zijn wit; de geheele overige bovenzijde is wit met smalle, zwarte zigzaglijnen, die van de eene zijde naar de andere zich uitstrekken; de zwarte onderzijde heeft een metaalachtig blauwen weerschijn; de slagpennen zijn wit met smallen, zwarten zoom en met onderling evenwijdige, breede, zwarte dwarsstrepen geteekend; de staartvederen hebben op witten grond een soortgelijke versiering, die des te duidelijker is, naarmate de pennen verder buitenwaarts gelegen zijn; de onbevederde wangen zijn fraai karmijnrood. Het oog is lichtbruin, de snavel blauwachtig wit, de voet lakrood of koraalrood. Totale lengte 110, staartlengte 67 cM. De hen is aanmerkelijk kleiner; de roestbruine grondkleur van haar vederenkleed is zeer fijn grijs gesprenkeld; de kin en de wang zijn witachtig grijs, de benedenborst en de buik witachtig, met roestbruine vlekken en zwarte dwarsstrepen.

Zilverfazant (Euplocomus nycthemerus). ⅕ v. d. ware grootte.

Zilverfazant (Euplocomus nycthemerus). ⅕ v. d. ware grootte.

Men weet niet zeker, wanneer de eerste levende Zilverfazanten naar Europa zijn gebracht; vermoedelijk is dit niet vóór de 17e eeuw geschied. Hun vaderland is Zuid-China, waar zij thans echter slechts in weinige gewesten nog in ’t wild voorkomen; tam vindt men ze in geheel China en Japan zeer veelvuldig. In Europa gedijen zij bij eenvoudige verzorging uitmuntend, in de vrije natuur even goed als op het erf of in een groote kooi. De pogingen om met deze diersoort onze wouden te bevolken zijn mislukt, omdat het mannetje wegens zijn witte kleur meer aan de vervolging der roofdieren is blootgesteld dan eenige andere Vogel van zijn grootte. Een niet minder groot bezwaar is gelegen in den Fazant zelf. Hij is de moedigste en strijdhaftigste van al zijne verwanten. Twee mannetjes, die hetzelfde gebied bewonen, zijn voortdurend met elkander in strijd. Ook andere dieren hebben veel te lijden van de heerschzucht van den Zilverfazant; hij vecht op leven en dood met den huishaan en verdrijft, als hij in het woud vrij kan rondzwerven, alle andere wilde Hoenderen, in de eerste plaats natuurlijk den Gewonen Boschfazant. Daar deze meer nut oplevert dan zijn vijand, wordt hij in het onbetwist bezit van het woud gelaten.

De Zilverfazant beweegt zich minder goed dan zijne verwanten en heeft ook minder lust in beweging. Men is geneigd hem lui te noemen. Hij vliegt niet anders dan in geval van nood, legt dan hoogstens een korten weg af en strijkt dan weer op den bodem neer. Bij ’t loopen ontbreekt hem de behendigheid van den Goudlakenschen Fazant; ook is zijn snelheid misschien geringer dan die van den Gewonen Fazant; hij kan deze beweging echter langer volhouden dan zijne beide verwanten. De stem verschilt al naar het jaargetijde. In de lente, gedurende den paartijd, hoort men meestal een lang gerekt, klankvol gefluit, in de andere jaargetijden meestal slechts een dof, als “radara doekdoekdoek” klinkend gekakel, waaraan, zoodra de Vogel in opgewonden toestand geraakt, het fluiten toegevoegd wordt.

De hen legt 10 à 18 eieren, die effen roodgeel van kleur of op geelachtig witten grond met kleine, bruinachtige stippels geteekend zijn. De moeder broedt met groote toewijding; na verloop van 25 dagen komen de jongen te voorschijn: allerliefste diertjes, welker donzig kleed een zeer bevallige teekening vertoont. Vrij spoedig ontwikkelen zij zich zoo ver, dat zij vliegen of althans fladderen kunnen; eerst in het tweede levensjaar verkrijgen zij echter het kleed en de groote hunner ouders. In hun vroegste jeugd geven ook zij aan Insecten als voedsel de voorkeur; later eten zij hoofdzakelijk zeer verschillende soorten van groen voer; ten slotte gebruiken zij hardere spijzen, vooral zaden van graanvruchten. Kool, salade en ooft zijn voor hen lekkernijen.

Het vleesch van dit dier is even smakelijk als dat van iederen anderen Fazant; den fijnsten wildsmaak verkrijgt het echter alleen dan, als men den Vogel meer vrijheid laat en hem minstens veroorlooft zich op het erf en in den tuin vrij te bewegen.

*

De Oorfazanten (Crossoptilon), die ook wel tot de Pauwvogels gerekend worden, maar zich van deze door het ontbreken der oogvlekken, van de overige Fazanten door den forscheren lichaamsbouw onderscheiden, hebben, evenals de Pauwen, de bovendekveeren van den staart zeer sterk ontwikkeld. De snavel en de pooten zijn krachtig; de loop van den haan is met een spoor gewapend, de sterk afgeronde vleugels zijn middelmatig lang, evenals de staart, welks trapvormig van ’t midden naar de zijden in lengte afnemende pennen een daksgewijzen stand hebben; de vier middelste stuurpennen zijn benedenwaarts gekromd en met lange, losse baarden voorzien; de huid om de oogen is tot op de teugels en de wangen naakt; het bosje naar boven gerichte veeren aan weerszijden van den kop herinnert eenigermate aan de oorpluimpjes van de Uilen.

De vroegst bekende van de vier soorten van dit geslacht, de Oorfazant of Oorpauw, de Maky (het “Blauwhoen”) der Chineezen (Crossoptilon auritum), is 110 cM. lang en heeft een 50 cM. langen staart. De kop is van boven met zwarte, fluweelachtige veeren als met een kap bedekt; de keel en de “ooren” zijn wit; de naakte plek om de oogen is hoog rood, het oog bruin, de snavel roodachtig. De kleine veeren zijn blauwachtig aschkleurig, de slagpennen zwart, de staartpennen aan den wortel wit, overigens metaalachtig blauw, de middelste fraai iriseerend. Deze Vogel bewoont de hooge gebergten van Tibet en China.

De gevangen Oorfazanten zijn zachtaardig en gemeenzaam, wennen licht aan de kooi en aan hun verzorger, verdragen de gevangenschap zeer goed, planten zich zonder bezwaar voort en vermenigvuldigen zich sterk.

*

De Echte Fazanten (Phasianus) hebben een dakvormigen, langen, wigvormigen staart, welks 18 pennen naar de spits smaller worden; de middelste zijn 6- à 8-maal zoo lang als de buitenste. De kop is, met uitzondering van een kring om de oogen, geheel bevederd; de snavel is middelmatig lang, aan de spits gewelfd; in de korte, afgeronde vleugels zijn de vierde en de vijfde handpen de langste. De loop is middelmatig lang en krachtig, glad, bij den haan met een niet bijzonder groote spoor voorzien. Het kleed van het mannetje is zeer fraai, dikwijls schitterend van kleur. De wijfjes zijn kleiner dan de mannetjes, hebben een veel korteren staart en eenvoudiger gekleurde veeren.

De Gewone Fazant of Boschfazant (Phasianus colchicus) is zoo bont van kleur, dat het moeite kost een nauwkeurige beschrijving van zijn kleed te geven. De veeren van den kop en den bovenhals zijn groen, met prachtig blauwen metaalglans, die van den onderhals, de borst, den buik en de flanken roodachtig kastanjebruin met purperkleurigen weerschijn, alle met glanzig zwarten zoom, die van den mantel vóór den zoom met witte, halvemaanvormige vlekken versierd, de lange, losbaardige staartwortelveeren donker koperrood met purperkleurigen glans, de slagpennen met bruine en roestgele banden, de staartveeren op olijfgrijzen grond zwart gestreept en met kastanjebruinen zoom. Het oog is roestgeel, het naakte veld om het oog rood, de snavel licht bruinachtig geel, de voet roodachtig grijs of loodkleurig. Totale lengte 80, staartlengte 40 cM. De hen is kleiner, haar geheele vederenkleed is op dof roodachtig grijsbruinen grond met zwarte en donker-roestkleurige vlekken en banden geteekend. Vooral op den rug komt de donkere teekening goed uit.

De Boschfazant, die oorspronkelijk de kustlanden van de Kaspische zee en West-Azië bewoonde, werd reeds in overoude tijden in Europa gefokt. Volgens de overlevering vonden de Grieken, die den Argonautentocht ondernamen, dezen prachtigen Vogel aan de oevers van de rivier Phasis in het land Colchis en namen hem mede naar hun vaderland. Van hier heeft hij zich over Zuid-Europa verspreid; door de Romeinen, die hoogen prijs stelden op dit kostelijk wild, werd het ook naar Zuid-Frankrijk en Duitschland overgebracht. “De Fazant”, schrijft Schlegel, “werd ook in Nederland vroegtijdig ingevoerd en in met hout begroeide streken in eenige deelen van ons land verplant. Hij teelt ook in het wild voort; daar er echter, uit gebrek aan voedsel, vooral bij hooge sneeuw, dikwijls vele omkomen, moet men, om dit te voorkomen en het jachtveld steeds genoegzaam met deze wildsoort bevolkt te houden, tegen den winter zeker getal hennen en hanen opvangen en deze tot in Maart op zolders of in hokken houden, als wanneer zij wederom uitgezet kunnen worden. Intusschen verlaten deze halfwilde Fazanten somtijds vrijwillig de bosschen, waarin zij uitgebroeid en opgegroeid zijn, gaan zich zelfstandig vestigen, leven het geheele jaar door volkomen in den wilden staat, telen voort, vermenigvuldigen en vormen koloniën, die zonder hulp van den mensch bestaan. Er zijn intusschen voorbeelden, dat dergelijke koloniën, zonder eenige blijkbare oorzaak, plotseling verhuizen en spoorloos verdwijnen.” “Eenige jaren geleden,” schreef Mr. H. Albarda in 1884, “is deze Vogel ingevoerd in Opsterland, Schoterland en Ooststellingwerf, waar hij thans geheel in het wild leeft en voortteelt. Vooral in eerstgenoemde gemeente is hij zeer menigvuldig. Hij heeft zich van daar ook over een deel van Smallingerland uitgebreid.” “In alle provincies van Nederland behalve Groningen en Drente leeft hij thans” (1897) “in volkomen wilden staat.” Dit is ook het geval in Zuid-Duitschland, vooral echter in Oostenrijk en Boheme. In Noord-Duitschland bewoont hij onder de hoede van den mensch zoogenaamde “wilde” of “tamme” fazantenperken. Hij komt zeer veelvuldig voor in Hongarije en Zuid-Rusland, is zeldzamer in Italië, zeer zeldzaam in Spanje; ook in Griekenland, waar hij vroeger algemeen was, gaat hij zijn uitroeiing te gemoet.

Onder de naaste verwanten van den Boschfazant, die met hem het ondergeslacht der Edelfazanten vormen, verdient vooral vermelding de Koningsfazant, de Djeuki (het Pijlhoen) der Chineezen (Phasianus Revesii); hij is de grootste van alle; zijn totale lengte bedraagt 2.1 M., waarvan 1.6 M. op den staart komen. Op de bovendeelen zijn de veeren goudachtig okergeel met zwarte zoomen, op de onderdeelen wit met breede, purperachtig bruinroode zoomen en zwarte, pijlvormige vlekken. Deze soort bewoont de gebergten ten oosten en ten noorden van Peking en ook die, welke Sjensi van Honan en Hoepe van Sitsjoean scheiden.

Alle Fazanten vermijden de aaneengeschakelde, hoogstammige wouden, vooral naaldhoutbosschen; zij bewonen bij voorkeur bosschen of dichte kreupelhoutboschjes, die door vruchtbare akkers of weiden omgeven en niet arm aan water zijn. Vruchtdragende graanvelden schijnen voor hun gedijen wel niet volstrekt onmisbaar, maar toch zeer gewenscht. Gedurende den geheelen dag houden zij zich op den grond bezig, sluipen van den eenen struik naar den anderen, kruipen door doornachtige heesterboschjes, waarin zij voedsel hopen te vinden, begeven zich ook wel naar de randen van het woud en van hier op de akkers, waar zij, al naar het jaargetijde, het pasgezaaide koren of de rijpgeworden vrucht opeten en zoeken eerst met het vallen van den avond den boom op, die hun als standplaats moet dienen.

In vroegere tijden achtte men het noodig en nuttig, in een bosch, dat overigens voldeed aan de eischen door den Fazant gesteld, van tijd tot tijd berookingen te doen plaats hebben; men meende hierdoor dit wild beter in het bosch te kunnen houden en het zelfs van elders daarheen te kunnen lokken. Deze handelwijze is in onbruik gekomen.

De begaafdheden van de Edelfazanten zijn gering. Hoewel de Fazant op statige wijze rondstapt en er slag van heeft zijn schoonheid te doen uitkomen, kan hij zich toch met den Huishaan niet meten. De hen heeft steeds een bescheiden houding. Juist van de Edelfazanten geldt in hooge mate, wat hierboven van de Fazantvogels in ’t algemeen gezegd werd: zij loopen voortreffelijk, maar vliegen slecht. Hunne zintuigen zijn, naar het schijnt, vrij gelijkmatig ontwikkeld; hun verstand is ongetwijfeld gering. Alle Edelfazanten zijn even bekrompen van geest, even onbekwaam ter rechter tijd de beste maatregelen te kiezen. Onder hunne prijzenswaardige hoedanigheden bekleedt onbegrensde vrijheidsliefde een eerste plaats. De Fazant geraakt gewoon aan een bepaald gebied, wanneer zijne wenschen er bevredigd worden, maar kan toch het rondzwerven niet nalaten. Het bewustzijn van zijn zwakheid, het gevoel van ongeschiktheid om zich tegen sterkere dieren te verdedigen, spoort hem aan, zich zooveel mogelijk te verbergen; daarom onttrekt hij zich ook gaarne aan het toezicht van zijn verzorger. Het is dus geenszins uit ondankbaarheid voor alle aan zijn opvoeding en verzorging besteede moeite, gelijk Winckell meent, die hem op zulk een wijze doet handelen, maar puur en alleen tegenzin in het blijven op een bepaalde plaats, koppigheid en bekrompenheid. De Fazant wordt nooit werkelijk tam, omdat hij zijn verzorger niet van andere personen leert onderscheiden en in iederen mensch een vijand ziet, dien hij te vreezen heeft. Hij houdt zich niet aan een bepaalde standplaats, wijl hij de bekwaamheid mist om in zijn gebied de plek te vinden, die hem het best schikt. Hij ducht aanhoudend gevaren, omdat zijn verstand niet groot genoeg is om hem te redden, wanneer een werkelijk onheil hem bedreigt.

“Moeielijk zal men wild kunnen vinden,” zegt Dietrich aus dem Winckell zeer te recht, “dat zoo licht van streek te brengen is en daardoor ongeschikt wordt om een besluit te nemen. Als de komst van een mensch of van een Hond den Fazant verrast, schijnt hij te vergeten, dat de natuur hem vleugels heeft gegeven: hij blijft bedaard zitten op de plek, waar hij zich bevindt, drukt zich plat op den grond en verbergt den kop, of loopt zonder doel heen en weer. Niets is voor zijn leven gevaarlijker dan het stijgen van het water in een stroom, die in de nabijheid van zijn standplaats vloeit. Als hij aan den waterkant staat, blijft hij onbeweeglijk op hetzelfde punt, kijkt, zonder den blik er af te wenden in het water, totdat zijne veeren doornat zijn; hierdoor vermeerdert zijn gewicht zoozeer dat hij niet meer opvliegen kan. Hij is dan in den echten zin van ’t woord een slachtoffer van zijn domheid.” Winckell zag een Fazant, die in dezen toestand verkeerde, niet slechts de middelen om zich te redden verzuimen, maar zelfs al verder en verder in den stroom op waden. Toen zijn pooten den grond niet meer konden bereiken en hij reeds begon af te drijven, wachtte hij in stille berusting zijn noodlot af. Met als een haak dienenden, afgesneden boomtak trok men hem op ’t droge, zoodat hij voor ditmaal aan ’t gevaar ontkwam. “De Fazant,” zegt Naumann, “is boven alle beschrijving angstvallig. Een voorbijloopende Muis maakt hem hevig verschrikt; zelfs door een naar haar nest kruipende Slak wordt de hen genoopt oogenblikkelijk haar woning te verlaten; bij ’t naken van een werkelijk gevaar blijft zij als dood er op liggen.” Deze bekrompenheid van geest doet merkbaar afbreuk aan de vermenigvuldiging en verspreiding van dit wild. Jegens zijne soortgenooten is de Fazant volstrekt niet verdraagzaam. Als twee hanen elkander ontmoeten, vechten zij verwoed, tot hunne veeren in ’t rond vliegen en hun bloed stroomt; de eene zal zelfs den anderen om ’t leven brengen, indien hij hiertoe kans ziet.

In den paartijd, die in ’t laatst van Maart begint, ondergaat het gedrag van onzen Vogel een belangrijke verandering. In gewone omstandigheden laat hij zelden zijn stem hooren, alleen bij ’t “boomen” (bij ’t gaan zitten in een boom) roept hij, luid kakelend als een Hoen, “koekoekoek koekoekoek” door het woud; in den paartijd echter kraait hij, maar op een afschuwelijke wijze. Wel herinnert zijn geschreeuw aan het welluidende “kiekeriekie” van onzen Huishaan; het is echter kort afgebroken en heesch, als ’t ware onvolledig; het behaagt ons niet, daar wij het onwillekeurig met het gewone hanengekraai vergelijken.

De hen zoekt een stil plekje uit onder dicht struikgewas of hoog opgeschoten kruiden, b.v. in het koorn, in biezen of in een weide, woelt hier een ondiepe holte uit, krabt hierin een weinig nestmateriaal uit de onmiddellijke nabijheid bijeen en legt nu hare 8 à 12 eieren met geregelde tusschentijden van 40 à 48 uren. Als men haar de eieren ontneemt, legt zij er meer, doch komt zelden boven de 16 of 18 stuks. De eieren zijn kleiner en ronder dan die van de huishen en effen geelachtig grijsgroen van kleur. Onmiddellijk na het leggen van het laatste ei begint zij te broeden en doet dit met bewonderenswaardigen ijver. Zij zit zoo vast, dat zij haar gevaarlijksten vijand zeer dicht bij laat komen, voordat zij het nest verlaat; gewoonlijk doet zij dit niet vliegend, maar loopend. Als zij om andere redenen van het nest afgaat, bedekt zij de eieren losjes met de neststoffen of met eenige bladen en grashalmen, die zij bijeenkrabt. Na 25 of 26 dagen komen de jongen uit den dop. Deze blijven, totdat zij volkomen droog geworden zijn, onder de vleugels van de hen, die ze vervolgens meeneemt om voedsel te zoeken. Bij gunstige weersgesteldheid worden de tamelijk vlugge kuikentjes binnen 12 dagen sterk genoeg om een weinig te kunnen fladderen; zoodra zij de grootte van een Kwartel hebben, “boomen” zij iederen avond geregeld met de hen. Deze tracht hare kuikens zoo veel mogelijk te beveiligen tegen al wat hen kan schaden, stelt zich met dit doel zonder aarzeling aan dreigende gevaren bloot, maar smaakt toch zelden het genoegen al hare kinderen groot te brengen, daar de jonge Fazanten zeer weekelijk en teer zijn. Tot laat in den herfst blijven de jongen bij hun moeder en vormen met deze één toom; daarna vertrekken eerst de jonge hanen en tegen den aanvang van de lente ook de jonge hennen, die nu voor de voortplanting geschikt zijn.

In Middel- en Noord-Duitschland laten vele houders van Fazanten in het begin van de lente eenige van hunne zoo goed als in ’t wild levende Vogels opvangen; deze worden in een groote kooi opgesloten om hierin eieren te leggen. Met behulp van voor dit doel afgerichte Honden worden tevens de nesten in ’t vrije veld opgezocht; de hieruit genomen eieren laat men uitbroeden door Kalkoenen, die later ook met de zorg voor de jonge Fazanten worden belast.

Meer dan eenig ander Hoen wordt de Fazant door gevaren bedreigd. Eerder dan zijne verwanten wordt een ongunstige weersgesteldheid voor hem noodlottig; ook heeft hij veel meer te lijden van allerlei roofgespuis. Zijn ergste vijand is de Vos, die bij deze jacht even weinig omwegen maakt als de mensch, maar nog beter dan deze alle gelegenheden waarneemt om het wild te verschalken. De jonge Fazanten worden door Marters en Katten weggenomen, de eieren door Egels en Ratten verslonden. Haviken, Sperwers, Wouwen en Kuikenduiven laten zich evenmin onbetuigd; zelfs de plompe Buizerd, de Raaf, de Kraai, de Ekster, de Vlaamsche Gaai rooven menig kuiken en overmeesteren menigen volwassen Vogel.

“Hoewel de Goudlakensche Fazant sinds lang in Europa bekend is,” zegt Bodinus zeer te recht, “kijkt iedereen nog steeds met bewondering naar dezen Vogel. De macht der gewoonte heeft de belangstelling in de prachtig schitterende kleuren van zijn vederenkleed niet kunnen verminderen; ieder, die hem voor de eerste maal ziet, kan moeielijk van dit verrukkelijk schouwspel scheiden.” De Goudlakensche Fazant, de Kinki (het “Goudhoen”) der Chineezen (Phasianus pictus), waarschijnlijk de Phoenix der ouden, is werkelijk een prachtige Vogel, zijne kleuren zijn even fraai als zijn gestalte bevallig is. Hij vertegenwoordigt het ondergeslacht der Kraagfazanten, gekenmerkt door een betrekkelijk geringe grootte, slanke lichaamsbouw, een vederenpluim op den kop en een zeer langen staart. De halskraag van den haan bestaat uit veeren, die in den nek groeien, naar voren en naar onderen breeder worden en van den hals afstaan. De genoemde soort heeft oranje- of goudgele en eenigszins losbaardige kuifveeren; zij overschaduwen den grooten halskraag, welks veeren grootendeels oranjerood zijn met donker fluweelzwarten zoom, waardoor een reeks van evenwijdige, donkere strepen ontstaat; de veeren van den mantel, die grootendeels door den kraag overdekt is, zijn donker metaalglanzig groen met zwarten zoom, waardoor zij gezamenlijk op een schubbenkleed gelijken; de benedenrug en de bovendekveeren van den staart zijn hooggeel, het aangezicht, de kin en de zijden van den hals geelachtig wit, de onderhals en het onderlijf hoog saffraanrood, de vleugeldekveeren kastanjebruinrood, de slagpennen roodachtig grijsbruin met roestrooden zoom, de stuurpennen op bruinachtigen grond zwart gemarmerd of netsgewijs geteekend en de verlengde, smalle bovendekveeren van den staart donkerrood. Het oog is goudgeel, de snavel witachtig geel, de voet bruinachtig. Totale lengte 85, staartlengte 60 cM. Bij ’t wijfje is de grondkleur dof roestrood, op de onderdeelen in roestkleurig grijsgeel overgaande.

De naaste verwant van den Goudlakenschen Fazant kreeg ter eere van Lady Amherst, die hem het eerst naar Europa bracht, den naam (Phasianus Amherstiae); wij zullen hem Diamantfazant noemen. De veeren van den halskraag zijn met uitzondering van haar donkeren zoom zilverwit; wit zijn ook de borst en de buik; de kuif is op het voorhoofd zwart, overigens rood; de hals, de bovenrug en de bovendekveeren van den vleugel zijn licht metaalachtig groen; door den donkeren zoom der veeren ontstaat een schubvormige teekening; de benedenrug is goudgeel, donker geschaduwd; de bovendekveeren van den staart hebben op bleek roodachtigen grond zwarte banden en vlekken, de buitenste zijn verlengd en koraalrood; de slagpennen zijn bruinachtig grijs met lichteren buitenzoom, de overige meer muiskleurig. Het oog is goudgeel, de naakte plek op de wangen blauwachtig, de snavel licht-, de voet donkergeel. Totale lengte 125, staartlengte 90 cM. De hen gelijkt op die van de vorige soort.

Trans-Baikalië en het oosten van Mongolië tot in de nabijheid van den Amoer, benevens Zuid- en Zuidwest-China zijn het vaderland van den Goudlakenschen Fazant. De Diamantfazant bewoont Oost-Sitsjoean, Yuennan, Kweitsjow en Oost-Tibet. Beide houden zich in het gebergte op; de eerstgenoemde echter in een lageren gordel dan zijn verwant, die tusschen 2000 en 3000 M. boven den zeespiegel voorkomt. Dit gaat ook dan nog door, als beide hetzelfde gebergte bewonen.

Hoewel het niet te loochenen valt, dat de Goudlakensche Fazant, wat aard en vermogens betreft, in hoofdzaak overeenstemt met de andere leden van zijn geslacht, mag men hem toch behendiger, vlugger, schranderder en verstandiger noemen dan den Boschfazant. Hij beweegt zich zeer sierlijk, kan sprongen doen, die wegens hun lichtheid en bevalligheid bewondering wekken, kronkelt zich met verrassende behendigheid tusschen de dichtste twijgen door en vliegt veel beter dan andere Fazanten. Zijn stem, die men trouwens zelden hoort, is een vreemdsoortig gesis. Hoewel er ook bij hem van hooge gaven geen sprake kan zijn en de angstvalligheid, waardoor de leden van zijn geslacht zich onderscheiden, ook bij hem in hooge mate schijnt voor te komen, mag men toch zeggen, dat hij zich eerder dan zijn inheemsche verwant in gewijzigde omstandigheden schikt en zich gemakkelijker laat temmen. Exemplaren, die van jongs af onder de leiding van den mensch zijn geweest, geraken weldra gewoon aan hun verzorger en onderscheiden hem zonder fout van vreemden, hetgeen bij andere Fazanten niet het geval is.

Tegen het einde van April begint de baldertijd van den Goudlakenschen Fazant; deze laat nu vaker dan gewoonlijk zijn sissende lokstem hooren, beweegt zich meer dan vroeger, is zeer strijdlustig en schept behagen in het aannemen van een sierlijke houding, waarbij hij den kop benedenwaarts buigt, den kraag hoog opzet, de vleugels uitspreidt, den staart opheft en op zeer bevallige wijze allerlei wendingen en draaiingen maakt.

Diamantfazant (Phasianus Amherstiae). ¼ v. d. ware grootte.

Diamantfazant (Phasianus Amherstiae). ¼ v. d. ware grootte.

Al wat tot lof van den Goudlakenschen Fazant gezegd kan worden, geldt ook, en in nog hoogere mate, van den Diamantfazant. Deze is nog sierlijker, nog behendiger, vlugger, schranderder en, wat de hoofdzaak is, meer gehard tegen ons klimaat, minder gevoelig dan zijn naaste verwant. Het is niet onwaarschijnlijk, dat hem een groote toekomst wacht; daar hij alle eigenschappen bezit, die een goeden uitslag van zijn naturalisatie in onze gewesten, voor zoover deze mogelijk is, waarborgen.


De meest typische vormen van de onderfamilie der Pauwvogels (Pavoninae)—de Pauwen (Pavo)—onderscheiden zich van alle andere Hoenderen door de sterke ontwikkeling van de bovendekveeren van den staart, die alle gewone afmetingen overtreffen; hieraan kunnen zij gemakkelijk herkend worden. De Pauwen zijn grooter dan de overige Hoenderen, krachtig gebouwd, tamelijk langhalzig, kleinkoppig, kortvleugelig, hoogpootig en langstaartig. De snavel is tamelijk dik, op den rug gewelfd, aan de spits haakvormig naar beneden gekromd; de lange loop draagt bij het mannetje een spoor. Het lichaam is met een grooten overvloed van veeren bekleed, die voor een deel met ronde vlekken (oogen) versierd zijn; de kop prijkt met een opgerichte en lange pluim, die uit smalle of slechts aan de spits gebaarde veeren bestaat; de huid om de oogen is naakt. In het derde levensjaar heeft de Pauw zijn volle schoonheid bereikt. Zijn vaderland is Zuid-Azië.

De Pauw (Pavo cristatus), de stamvader van de fraaiste Vogels van onzen hof, is op den kop, den hals en de voorborst prachtig purperblauw met goudkleurigen en groenen weerschijn; de rug is groen en schelpsgewijs geteekend, daar elke veer een koperkleurigen rand heeft; de vleugels zijn wit met zwarte dwarsstrepen; het midden van den rug heeft een donkerblauwe kleur; de onderdeelen zijn zwart; de slagpennen en staartpennen hebben een licht nootbruine kleur; de bovendekveeren van den staart, die den “sleep” vormen en de stuurpennen geheel verbergen, zijn groen, losbaardig tot bij de hoekige spits, waarvan de met een oogvlek prachtig versierde, schijfvormige vlag het middelste deel uitmaakt; de 20 à 24 veeren van de kuif dragen slechts aan de spits baarden. Het oog is donkerbruin, de naakte ring er omheen witachtig; de snavel en de voet zijn hoornbruin. De lengte bedraagt 110 à 125, de staartlengte 60 cM., de sleep is 1.2 à 1.3 M. lang. Bij het wijfje is de kuif aanmerkelijk korter en donkerder gekleurd dan bij het mannetje; de kop en de bovenhals zijn nootbruin, de veeren van den nek groenachtig met bruinachtig witten zoom, die van den mantel lichtbruin met fijne, dwarse golflijnen; de gorgel, de borst en de buik zijn wit, de slagpennen bruin, de stuurpennen donkerbruin met witten zoom aan de spits.

Pauw (Pavo cristatus). 1/7 v. d. ware grootte.

Pauw (Pavo cristatus). 1/7 v. d. ware grootte.

De Pauw bewoont het vasteland van Indië en Ceylon en wordt in Assam en op Java1 door twee verwante soorten vervangen. Hij bewoont wouden en dsjungels, vooral bergachtige streken, die door open land omgeven of met ravijnen doorsneden zijn; minder veelvuldig is hij in gewesten, die op onze hoogstammige bosschen gelijken. In den Nilgiri en in de gebergten van Zuid-Indië, komt hij voor tot op 2000 M. boven den zeespiegel; hij ontbreekt echter in den Himalaja; op Ceylon ontmoet men hem eveneens vooral in het gebergte. Volgens Williamson zijn wouden met dicht onderhout of hoog gras zijne liefste verblijfplaatsen, wanneer hier slechts geen gebrek aan water is; even gaarne houdt hij zich op in aanplantingen, die hem beschutting kunnen verschaffen en enkele hooge, voor slaapplaats geschikte boomen bevatten. In vele gewesten van Indië wordt hij als een heilige en onschendbare Vogel beschouwd; de inboorlingen achten het dooden van een Pauw een misdaad; de jager, die zich hieraan niet stoort, stelt zich aan levensgevaar bloot. In de nabijheid van vele Hindoe-tempels houden zich talrijke troepen van halfwilde Pauwen op, welker verzorging een van de plichten der geestelijken is; deze Vogels beseffen weldra de bescherming, die hun verleend wordt en toonen zich, althans jegens Hindoes, weinig schuwer dan de tamme exemplaren, die in onze hoenderparken grootgebracht zijn.

Tennent verzekert, dat men, om zich een denkbeeld beeld te kunnen vormen van de schoonheid van den Pauw, hem in zijn eenzame wildernissen gezien moet hebben. Op Ceylon treft men hem in gewesten, waar zelden Europeanen komen en waar hij niet gestoord wordt, buitengewoon veelvuldig aan. Over dag ziet men deze Vogels bij honderden te gelijk; ’s nachts kan men van hun voortdurend, luid geschreeuw niet slapen. Het prachtigst doet de Pauw zich voor, als hij in een boom is gaan zitten; de lange sleep, die soms half door de bladeren verborgen, soms uitgespreid is, verschaft den boom een heerlijk sieraad. Williamson beweert, dat hij in enkele deelen van Indië wel eens 1200 à 1500 Pauwen bijeengezien heeft, maar ze gewoonlijk bij troepen van 30 à 40 stuks aantrof. Over dag blijven deze gezelschappen meestal op den grond; slechts in de voormiddag- en avonduren bezoeken zij de open plekken in ’t bosch of de naburige velden, om hier voedsel te zoeken. Bij vervolging tracht de Pauw zich zoo lang mogelijk loopend te redden; eerst als hij zekeren voorsprong heeft, gaat hij tot vliegen over. Zijn vlucht is plomp en ruischend. Gewoonlijk verheft de Vogel zich niet boven schothoogte; zelden vliegt hij ver. Men zou kunnen meenen, dat een aan den vleugel gewonde Pauw met een hevigen schok op den bodem zal neervallen; dit is echter niet het geval: de gekwetste staat zeer spoedig op en loopt dan zoo snel weg, dat hij in negen van de tien gevallen den jager ontkomt, wanneer deze hem niet onmiddellijk achtervolgt. Voor een Hond, of in ’t algemeen voor een groot, viervoetig roofdier is de Pauw veel meer bevreesd dan voor den mensch, waarschijnlijk omdat hij van wilde Honden en Tijgers onaangename ervaringen heeft opgedaan. Als een Hond den Vogel op het spoor komt, begeeft deze zich zoo schielijk mogelijk in een boom en laat zich van hier niet zoo licht meer verdrijven. Ervaren jagers in Indië kunnen in streken, waar Tijgers huizen, uit de bewegingen der Pauwen met volkomen zekerheid afleiden, of een van deze Roofdieren zich in de nabijheid bevindt.

Als een echt Hoen ontleent de Pauw zijn voedsel zoowel aan het dieren- als aan het plantenrijk. Hij eet alles wat ons Huishoen gebruikt, maar is wegens zijne grootte en lichaamskracht in staat ook sterkere dieren te overweldigen, o. a. Slangen van tamelijke lengte, die door hem gedeeltelijk opgegeten, althans gedood worden. Als het jonge koorn zich boven den grond verheft, begeeft hij zich geregeld naar de akkers om hier te grazen; als de pipal-vruchten rijp worden, gebruikt hij hiervan zooveel, dat zijn vleesch er een bitteren smaak door krijgt.

In verband met de ligging van het door hem bewoonde gebied broedt de Pauw vroeger of later in ’t jaar, in Zuid-Indië gewoonlijk tegen het einde van ’t regenseizoen, in noordelijker gewesten ongeveer van April tot October. Volgens Irby verliest de haan zijn sleep in September; eerst in Maart heeft hij hem volkomen terug en kan dan dus aan de paring denken. Hij toont thans aan het wijfje zijne pronkveeren in haar vollen luister en gedraagt zich over ’t algemeen op dezelfde wijze als zijn getemde afstammeling. Het nest, dat men gewoonlijk op een kleine verhevenheid, in het woud onder een grooten struik vindt, bestaat uit dunne takjes, droge bladen en dergelijke materialen en is even slordig gebouwd als dat van de andere Hoendervogels. De hen legt 4 à 15 eieren, bebroedt ze met grooten ijver en verlaat ze slechts in den uitersten nood. “Bij verscheidene gelegenheden,” zegt Jerdon, “heb ik wijfjes van wilde Pauwen op haar nest waargenomen. Als ik ze niet stoorde verroerden zij zich niet, hoewel ze mij duidelijk gezien hadden.”

De tijd, waarin de Pauw voor ’t eerst naar Europa werd overgebracht, is niet met zekerheid bekend. Alexander de Groote kende geen getemde Pauwen, gelijk blijkt uit zijn bewondering voor de wilde, die hij gedurende zijn krijgstocht in Indië voor ’t eerst zag. Hoewel de overlevering meldt, dat de eerste getemde Pauwen door Alexander naar Europa zijn zijn gebracht, was deze prachtige Vogel reeds veel vroeger naar ’t westen verbreid. “Van Indië, waar hij vrij in de wouden leeft,” schrijft Victor Hehn, “voerden Phoenicische zeehandelaars hem naar het gebied van de Middellandsche Zee. Dit blijkt, behalve uit een bepaald feit, dat op het begin van de 10e eeuw wijst, ook uit de vergelijking van de namen. De schepen, die Koning Salomo in de Edomitische havensteden liet uitrusten, brachten van hun reis naar Ophir, nevens andere kostbaarheden, ook Pauwen mede.” Ten tijde van Pericles moet de Pauw in Griekenland nog zoo zeldzaam zijn geweest, dat men van verre kwam om hem te zien. Aristoteles noemt hem een door ’t geheele land bekenden Vogel. Bij de feestmaaltijden der Romeinsche keizers speelde hij reeds een zeer belangrijke rol. Vitellius en Heliogabalus onthaalden hunne gasten op een gerecht, dat uit tongen en hersens van Pauwen en de duurste specerijen van Indië was samengesteld. Te Samos werden Pauwen gehouden in den tempel van Juno en was deze Vogel op de munten afgebeeld. In Duitschland en Engeland was hij, naar het schijnt, in de 14e en 15e eeuw nog zeer zeldzaam; daar het als een bewijs van rijkdom gold, dat Engelsche baronnen bij groote feestelijkheden een gebraden Pauw lieten opdragen, die met zijn eigen veeren versierd, en met pruimen, die destijds nog zeer zeldzaam waren, omgeven was. Gessner, wiens werk over natuurlijke geschiedenis in 1557 verscheen, was zeer goed met den Pauw bekend en gaf een uitvoerige beschrijving van dit dier.

De meest in ’t oog loopende karaktertrek van den Pauw is trotschheid en ijdelheid; hij toont deze eigenschappen niet slechts in het verkeer met zijn wijfje, maar ook jegens den mensch. Hij is echter bovendien vervuld van eigenwaan en heerschzucht. In een hoenderpark is hij dikwijls onuitstaanbaar lastig, omdat hij zonder eenige aannemelijke reden zwakkere dieren aanvalt en met verraderlijke boosaardigheid mishandelt of doodt.

Van den winter heeft de Pauw weinig last: zelfs het bezit van een warm hok weerhoudt hem niet om bij de strengste koude gebruik te maken van de hooggelegen slaapplaats, die hij zich in den zomer uitkoos. Als het sneeuwt, laat hij zich niet zelden onbekommerd door de vlokken bedekken en lijdt er geen schade door. Wanneer men hem meer vrijheid laat, toont hij zich niet veeleischend en is met gewoon kippenvoer tevreden; trouwens gedurende zijne wandelingen over het erf en in den tuin zoekt hij een groot deel van zijn voedsel zelf. Hij eet met smaak allerlei soorten van groente; deze zijn, naar het schijnt, onmisbaar voor hem.

*

De Pluimhoenderen (Lophophorus), die men tegenwoordig tot de Pauwvogels rekent, onderscheiden zich van de overige Hoenderachtigen hoofdzakelijk door den korten, flauw afgeronden staart, welks pennen niet dakvormig gerangschikt zijn, maar in één vlak liggen. Voorts kenmerken zij zich door den betrekkelijk krachtigen romp, de middelmatig lange vleugels, de nagelvormig verbreede en vooruitstekende spits van den bovensnavel, den middelmatig hoogen loop, die bij het mannetje met een spoor gewapend is en het prachtige vederenkleed van den haan. Het oog is met een naakte plek omgeven. Aan den achterkop komt een kuif voor, die uit vele aan den wortel baardelooze veeren bestaat, welke alleen aan de spits een vlag hebben.

In de hooge woudstreken van den Himalaja, van de voorbergen in Afghanistan tot het uiterste oosten van het gebergte in Sikkim en Boetan, leeft op hoogten van 2000 à 3000 M. een prachtig Hoen, misschien het fraaiste van de geheele orde—het Pluimhoen, dat door de inboorlingen Monaul of Monal wordt genoemd (Lophophorus impeyanus). Het is moeielijk van de prachtige, metaalglanzige kleuren van dezen Vogel, die hieraan den naam ”Glansfazant” dankt, een beschrijving te geven. De kop (met inbegrip van de pluim, die als ’t ware uit gouden aren samengesteld is) en de keel zijn metaalachtig groen, de bovenhals en de nek iriseerend purper- of karmijnrood met robijnachtigen glans, de onderhals en de rug bronskleurig groen met goudgelen weerschijn, de mantel en de vleugeldekveeren, de bovenrug en de bovendekveeren van den staart violet- of blauwachtig groen, even glanzig als het overige vederenkleed, eenige veeren van den onderrug wit, de onderdeelen zwart, op het midden van de borst met groenen en purperen weerschijn, op den buik donker en zonder glans, de slagpennen zwart, de stuurpennen kaneelrood. Het oog is bruin, de naakte plek er omheen blauwachtig, de snavel donker hoornkleurig, de voet dof grijsgroen. De haan is 65 cM. lang, waarvan 21 cM. op den staart komen. De hen is aanmerkelijk kleiner en heeft geen pluim; hare kleuren (bruin met zwarte vlekken) missen den metaalglans.

In de gewesten van Indië, die door den Monaul bewoond worden, kan men zich licht levende Hoenderen van deze soort verschaffen; als bergbewoners zijn zij echter niet bestand tegen de hooge temperaturen van de lagere landen; de meeste sterven onderweg. Hoewel zij den winter even goed verduren als de andere Fazanten, en de Vogels, die in volwassen toestand gevangen zijn, gemakkelijk aan het leven in de kooi gewend geraken, behooren zij in de dierentuinen nog steeds tot de zeldzaamheden. Hier houden zij zich, evenals in de vrije natuur, zooveel mogelijk verborgen, verschuilen zich bij voorkeur, als iemand nadert, zijn althans steeds eenigszins schuw, graven voortdurend in de zoden van hun perk en brengen hier weldra een groote wanorde teweeg.

*

De naaste verwanten van de Pluimhoenderen zijn de Saterhoenderen (Ceratornis), zoo genaamd, omdat de kop van den Haan voorzien is van twee “hoorntjes”: uitwassen van de huid, die opgericht kunnen worden en dan boven of achter den kop uitpuilen; zij ontspringen aan den achterrand van de naakte plek, die het oog omgeeft, waarvan zij als ’t ware een voortzetting vormen. Deze plek strekt zich bovendien uit over de wangen en tot aan de onderkaak, hangt van voren samen met een naakte, voor opzwelling vatbare plek aan de keel en loopt naar beneden, aan weerszijden uit in een groote lel. Den aanzienlijksten omvang en de levendigste kleuren hebben deze huidaanhangsels, die door aandrang van bloed naar de vaten opzwellen, gedurende het “balderen” als de opgewondenheid van den haan haar grootste hoogte heeft bereikt. Onmiddellijk daarna verkrijgen zij een bescheidener voorkomen: de sterk gekrompen hoorntjes hangen slap naar beneden of verbergen zich tusschen de veeren, de lellen worden teruggetrokken en vormen een dwarsgerichte huidplooi, de naakte huid van het keelveld is aan een gerimpelden zak gelijk. Het mannetje is ongeveer zoo groot als een flinke Huishaan. Het zeer rijke, prachtig gekleurde en sierlijk geteekende vederenkleed is op den achterkop tot een kuif verlengd. De hen mist de naakte plekken aan den kop en is eenvoudiger gekleed.

Het Saterhoen (Ceratornis satyra), dat het oostelijke gedeelte van het Himalaja-gebied, Nepal en Sikkim bewoont, heeft een vurig, bruinachtig rood vederenkleed met witte, zwart gezoomde vlekken; het voorhoofd en de kruin zijn zwart, de schuins naar buiten en naar achteren gerichte hoornen, de naakte keelplek en de lellen blauw met roode en gele vlekken.

Saterhoen (Ceratornis satyra). ⅕ v. d. ware grootte.

Saterhoen (Ceratornis satyra). ⅕ v. d. ware grootte.

Bij den Jewar (Ceratornis melanocephala) is, behalve de kruin, ook de kuif op den achterkop zwart; van het vederenkleed is de hoofdkleur zwartachtig, op de bovendeelen met witachtig bruine, dwarse zigzagstrepen, op de onderdeelen met rood geschakeerd; de hals is van achteren en aan de zijden schel bruinrood; nagenoeg alle bovendeelen zijn met witte, ronde vlekken geteekend. In zijn meest uitgezetten toestand heeft het keelschild een tweelobbigen onderrand en vertoont een sterk naar voren gewelfd, spoelvormig middelveld (welks koornbloemen-blauwe grondkleur met licht kobaltblauwe vlekken geteekend is) en twee randvelden (met bloedroode vlekken op helder hemelsblauwen grond); de hoorntjes zijn turkooisblauw en loodrecht omhoog gericht.

In de rijkst voorziene Europeesche dierentuinen treft men sedert eenige jaren Saterhoenderen aan (het eerste kwam in 1836 te Londen); zij zijn echter nog steeds hoog in prijs. De veelvuldigst voorkomende (Ceratornis Temminckii, uit China) kost ± 180, Ceratornis satyra ± 300 gulden, de overige soorten zijn nog duurder. Zij verdragen de gevangenschap vrij goed en hebben zich zelfs in de kooi voortgeplant.

*

De Spiegelpauwen (Polyplectron) verdienen een plaats tusschen de Pauwen en de Argusfazanten. Zij hebben een slanken romp, ongeveer zoo groot als die van een huishen; de lange, dunne loop is met 2 à 6 sporen gewapend. De meeste soorten hebben een breeden staart, waarvan de pennen en de bovendekveeren bij de spits met een groote, eironde, metaalglanzig blauwe of groene, zwart gezoomde vlek versierd zijn.

De fraaiste soort is de Tsjinkwis (Polyplectron chinquis, ook wel bicalcaratum genoemd, wegens zijn met twee sporen gewapenden loop). Deze bewoont Sumatra, Malakka, Assem en Birma. De hoofdkleur van zijn vederenkleed is bruin met fijne, donkerder golflijnen en lichtere stippels. Behalve de veeren van den staart, hebben ook die van den mantel, den rug en den staartwortel benevens de vleugelveeren groote, groenachtig blauwe oogvlekken, die een purperen weerschijn vertoonen. Totale lengte 60, staartlengte 25 cM.

Naar men zegt, verkeeren alle Spiegelpauwen veel op den bodem en houden zich voornamelijk op te midden van het struikgewas; zij leven zooveel mogelijk verborgen in dichte wouden en worden daarom zelden gezien. Nu en dan treft men ze in diergaarden aan; zij verdragen de gevangenschap zeer goed, hoewel zij hier slechts bij uitzondering broeden. Door hunne gewoonten komen zij meer met onze Huishoenderen dan met onze Pauwen overeen.

*

In het jaar 1780 kwamen voor ’t eerst huiden van prachtige Vogels, van welker bestaan op Malakka, Sumatra en Borneo men reeds kennis droeg, naar Europa en wekten hier de algemeene bewondering. Kort daarna (1785) gaf Marsden het volgende bericht over de levenswijze van dit dier: “De Koewau of Argus is een buitengewoon fraaie Vogel, misschien is er geen fraaiere. Het is zeer moeielijk hem eenigen tijd in ’t leven te houden, nadat men hem in het woud gevangen heeft. Ik heb nooit gezien, dat hij langer dan een maand de gevangenschap verdroeg. Hij heeft een natuurlijken afkeer van het licht. Op een donkere plaats is hij opgewekt van aard; hier hoort men soms zijn stem, waarvan zijn naam een nabootsing is; deze klinkt niet zoo scherp als die van den Pauw, maar is meer jammerend. Op klaarlichten dag zit hij volkomen onbeweeglijk. Zijn vleesch smaakt als dat van den Gewonen Fazant.” Een oude Maleier, die door Wallace aangespoord werd, een van de Argussen te schieten, welker stem hij in de wouden van Malakka voortdurend hoorde, verzekerde, dat gedurende de 20 jaren van zijn jagersleven zulk een Vogel hem nog nooit onder schot, en in de vrije natuur zelfs nooit onder de oogen was gekomen. Toch wordt dit wild door de Maleiers hoog geschat en volstrekt niet zelden gevangen. “Te Padang, aan de westkust van Sumatra,” schrijft Von Rosenberg, “werden mij dikwijls door de inboorlingen levende Koewau’s voor f 1.50 à f 2 per stuk aangeboden, waaruit af te leiden valt, dat zij in de wouden van het gebergte veelvuldig voorkomen. De inboorlingen zeggen, dat deze Vogel in Polygamie leeft. Zijn gang en houding komen overeen met die van den Pauw; de fraaie vleugels worden stijf tegen het lichaam aangedrukt en de staart horizontaal uitgestrekt. In den paartijd echter ziet men het mannetje met uitgespreide, tot op den bodem afhangende vleugels op open plekken in het woud fier rondstappen of “balderen”; het eigenaardig, snorrend geluid, waarmede hij de hennen lokt, gelijkt niet op het geschreeuw, waarvan zijn naam een klankbeeld is. De hen legt, naar ik vernam, 7 à 10 witte eieren, iets kleiner dan die van een Gans, in een kunsteloos, in de dichte struiken verborgen nest. In de vrije natuur voedt de Koewau zich met Insecten, Slakken, Wormen, bladknoppen en zaden. Mijne gevangenen verkozen gekookte rijst boven ieder ander voedsel.”

De Argus (Argus giganteus) verschilt van alle bekende Vogels door de buitengewone lengte van de boven- en voorarmveeren. Deze verbreeden zich naar den top en hebben een zachte schaft, maar stijve baarden; de handpennen zijn zeer kort. Bij den stil zittenden Vogel is, behalve de oogvlekken op de laatste armpen, niets te zien van de eigenaardige pracht van het vederenkleed; deze valt eerst bij het uitspreiden van de vleugels en van den staart in ’t oog. De kruin draagt korte, fluweelachtig zwarte veeren; de haarvormige veeren van den achterhals zijn geel en zwart gestreept, die van den middelrug hebben op geelbruinen grond ronde, donkerbruine stippels, die van de onderzijde zijn tamelijk gelijkmatig met roodbruine, zwarte en lichtgele banden en golflijnen geteekend. De buitenvlag van de armpennen vertoont op grijsrooden grond een dichte reeks van langwerpige, donkerbruine vlekken, die door een lichteren hof omgeven zijn; het wortelgedeelte van de binnenvlag is dicht bij de schaft op grijsrooden grond fijn wit gestippeld, overigens echter als de buitenvlag geteekend. De lange schouderveeren hebben op een fraaie, donker roodbruine grondkleur een teekening bestaande uit strepen, roodbruine, door een donkeren hof omgeven stippels, vlekken, lijnen, wolkjes, netbanden en groote, iriseerende, donker begrensde, licht gezoomde oogvlekken. De oogvlekken staan dicht bij de schaft op de buitenvlag en komen op de voorarmveeren duidelijker uit dan op de schouderveeren. De buitengewoon lange staart bestaat uit 12 zeer breede veeren, die elkander daksgewijs bedekken; vooral de beide middelste pennen steken ver voorbij de overige uit; hun lengte bedraagt 1.2 M., terwijl de geheele Vogel 1.7 à 1.8 M. lang is (de vleugellengte bedraagt 75 cM.; zonder de voorarmveeren echter slechts 45 cM.). De langste stuurpennen zijn zwart; langs de schaft aschgrauw, verder buitenwaarts roodbruin, beide vlaghelften versierd met witte vlekken, die door een zwarten hof omgeven zijn; de overige stuurpennen gelijken op de genoemde, met dit verschil, dat de vlekken kleiner, meer in reeksen gerangschikt en dichter bijeengeplaatst zijn. De ring om het oog is roodbruin, de snavel ivoorwit. De naakte zijden van den kop zijn licht aschkleurig blauw; de karmijnroode voet is lang, zwak en ongespoord. De hen is aanmerkelijk kleiner; haar kleed is veel eenvoudiger van samenstelling en teekening.

Sedert 1860 komt deze Vogel enkele malen levend in onze diergaarden voor.


Onder den naam van Kalkoenen (Meleagrinae) worden eenige Amerikaansche Fazantvogels tot een onderfamilie vereenigd: zij zijn groot, slank gebouwd, hoogpootig, kortvleugelig en kortstaartig. De snavel is kort, dik, van boven gewelfd en gebogen, de loop tamelijk lang en met lange teenen voorzien, bij het mannetje gespoord; de vleugels zijn sterk afgerond, de derde slagpen is de langste; de staart, die uit 18 breede pennen bestaat en een weinig afgerond is, wordt gewoonlijk hangend gedragen, maar kan door het mannetje opgericht worden; het zeer schitterend gekleurde vederenkleed is goed gevuld, maar uit harde, groote en breede veeren samengesteld. De kop en de bovenhals zijn onbevederd en met wratten begroeid; van den wortel van den bovensnavel hangt naar weerszijden een rolvormige, voor opzwelling vatbare lel naar beneden; een slappe, hangende huidplooi bevindt zich aan den gorgel. Als een bijzondere eigenaardigheid moet nog vermeld worden, dat enkele veeren van het voorste deel van de borst borstelvormig geworden zijn en ver voorbij de overige veeren uitsteken. Het vaderland van dezen Vogel is het noorden en oosten van Amerika.

*

De Gewone of Noord-Amerikaansche Kalkoen (Meleagris gallopavo) is op de bovenzijde bruinachtig geel, met prachtigen, metaalachtigen weerschijn, elke veer met breeden, fluweelachtig zwarten zoom; de benedenrug en de staartdekveeren zijn donker nootbruin met groene en zwarte banden; de borst is geelachtig bruin, naar de zijden donkerder wordend; de buik en de schenkels zijn bruinachtig grijs; de stuit is zwartachtig; de slagpennen zijn zwartbruin (de handpennen met grijsachtig witte, de armpennen met bruinachtig witte banden), de stuurpennen op zwartbruinen grond met zwarte golflijnen, streepen en spikkels, de naakte deelen van kop en hals licht hemelsblauw, onder het oog ultramarijnblauw, de wratten lakrood. Het oog is grijsblauw, de snavel witachtig hoornkleurig, de voet bleekviolet of lakrood. Totale lengte 100 à 110, staartlengte 40 cM. Het vederenkleed van het wijfje is minder fraai en minder helder van kleur.

Gewone Kalkoen (Meleagris gallopavo), ⅛ v. d. ware grootte.

Gewone Kalkoen (Meleagris gallopavo), ⅛ v. d. ware grootte.

Op het vasteland van Middel-Amerika wordt de Gewone Kalkoen vervangen door den iets kleineren, prachtig gekleurden Honduras-kalkoen of Pauw-kalkoen (Meleagris ocellata), die op den staart en op den rug blauwe, met zwart omzoomde, van achteren door een goudkleurigen band begrensde dwarsvlekken heeft.

De beste beschrijving van de levenswijze van den wilden Kalkoen danken wij aan Audubon. Ook thans nog komen deze Vogels in de wouden van de staten Ohio, Kentucky, Illinois en Indiana, Arkansas, Tennessee en Alabama vrij veelvuldig voor. In Georgië en Carolina zijn zij minder talrijk, in Virginië en Pennsylvanië zeldzaam, in de dichtbevolkte staten reeds uitgeroeid. Zij leven tijdelijk in groote gezelschappen en zwerven ongeregeld rond; grazend doorkruisen zij de wouden, loopen over dag op den grond en rusten ’s nachts op hooge boomen. Tegen October, als er nog slechts weinige boomzaden op den bodem gevallen zijn, reizen zij naar de lage oeverlanden van den Ohio en den Mississippi. De mannetjes vereenigen zich tot gezelschappen van 10 à 100 stuks en zoeken hun voedsel voor zich alleen; de wijfjes en de halfvolwassen jongen vormen afzonderlijke benden, die bijna even talrijk zijn en denzelfden weg volgen. Zoo gaan zij verder, altijd te voet, zoolang niet een Jachthond of een ander viervoetig roofdier hen komt storen of een breede stroom hen den weg afsnijdt. Als een troep Kalkoenen aan den oever van een rivier komt, verzamelen zij zich op het hoogste punt en blijven hier soms dagen lang, als ’t ware overleggend, voordat zij tot het besluit komen om over te steken. De mannetjes zetten een hooge borst op en kakelen, alsof zij elkander moed willen inspreken; de wijfjes en de jongen volgen hun voorbeeld, zoo goed zij kunnen, totdat ten slotte bij stil weer het waagstuk ondernomen wordt en alle vliegend naar den overkant trekken. Eén van de hanen geeft hiertoe het sein door het geluid “kloek.” Voor de oude Vogels is het oversteken van den stroom niet moeielijk, zelfs wanneer deze een Engelsche mijl breed is; de jongere en minder sterke leden van het gezelschap vallen echter dikwijls onderweg in het water en moeten dan den oever zwemmend trachten te bereiken. Zij leggen te dien einde de vleugels dicht tegen den romp aan, spreiden den staart uit, steken den hals naar voren en slaan hunne pooten zoo ver mogelijk uit; gewoonlijk bereiken zij op deze wijze den vasten wal. Hier loopen zij echter aanvankelijk rond, alsof zij verdoofd zijn en verliezen de voorzichtigheid, waarvan zij in andere omstandigheden blijken geven, zoo ver uit het oog, dat zij den jager gemakkelijk ten buit vallen. Als de Kalkoenen in een streek komen, die hun voedsel kan leveren, zijn zij gewoon zich in kleinere troepen te verdeelen, waarin ouden en jongen dooreengemengd zijn. Dit geschiedt gewoonlijk in ’t midden van November. Later kan het voorkomen, dat zij, afgemat door de reis, zich naar de boerderijen begeven, bij de Huishoenderen voegen en met hen voedsel zoeken.

Tegen het midden van Februari begint de voortplantingstijd. Als een wijfje haar loktoon laat hooren, antwoorden alle hanen in de buurt met snel opeenvolgende, rollende geluiden. Als de loktoon van den grond komt, vliegen alle onmiddellijk naar beneden, zetten, zoodra zij den bodem bereiken, onverschillig of het wijfje dan zichtbaar is of niet, den staart waaiervormig op, buigen den kop naar achteren, totdat hij tusschen de schouders ligt, laten de vleugels hangen en geven door de zonderlinge standen en geluiden, die wij van de tamme Kalkoenen gewoon zijn, hun opgewondenheid te kennen. Niet zelden geraken twee mannetjes dan met elkander in strijd en vechten zoo hevig, dat een van hen er het leven bij inschiet.

Tegen het midden van April zoekt de hen een geschikte, zooveel mogelijk verborgen plaats uit voor haar nest, dat uit een ondiepe, slordig met veeren bekleede uitholling van den grond bestaat. De hen legt er 10 à 15, soms ook wel 20 eieren in, die op donker roestgelen grond rood gestippeld zijn. Zij nadert het nest steeds met groote voorzichtigheid en dekt, als zij weggaat, de eieren zorgvuldig toe met droge bladen, zoodat het zeer moeielijk is een nest te vinden, tenzij door het opjagen van de broedende moeder. Als deze gedurende het broeden een vijand bespeurt, drukt zij zich neder en verroert zich niet, totdat zij bemerkt, dat men haar ontdekt heeft. Soms komt het voor, dat verscheidene hennen in één nest leggen: Audubon vond er eens drie op 42 eieren zitten. In dit geval wordt het gemeenschappelijke nest steeds door één van de wijfjes bewaakt, zoodat de eieren of jongen, althans van een zwak roofdier, geen gevaar loopen.

Kort nadat de jongen uit den dop zijn gekomen, hetgeen gewoonlijk tegen den avond geschiedt, maken zij, door de moeder begeleid, hun eerste uitstapje, en keeren vervolgens in den regel naar het nest terug om hier den eersten nacht door te brengen. Later echter begeeft de hen zich met haar gezin naar het hoogste oord in den omtrek, omdat zij te recht de vochtigheid als het ergst kwaad voor haar teere jongen beschouwt. Reeds op den 14en levensdag zijn de kiekens, die tot dusver op den bodem moesten blijven, in staat om de vleugels te gebruiken; van nu af vliegt de familie iederen avond op een lagen tak; de jongen brengen hier onder de gewelfde vleugels van de moeder den nacht door. Nog iets later verlaat de oude met hare kuikens gedurende den dag het woud om partij te trekken van den overvloed van verschillende bessen, die op de open plekken van het bosch of op de weiden groeien en om zich aan den weldadigen invloed van de zon bloot te stellen. Na dien tijd groeien de jongen buitengewoon snel. Reeds in Augustus zijn zij in staat om een aanval van viervoetige dieren te ontwijken; de jonge haan komt tot het bewustzijn van zijn mannelijke kracht en oefent zich in het statig rondstappen en in het kakelen. Omstreeks dezen tijd vereenigen de ouden en de jongen van verschillende gezinnen zich tot troepen, die te zamen rondzwerven.

Hoewel de Kalkoen aan pekan-noten en aan de vruchten van de winterdruif (Vitis rotundifolia) de voorkeur geeft en steeds veelvuldig voorkomt op plaatsen, waar deze vruchten overvloedig zijn, eet hij toch ook gras en kruiden van allerlei soort, graan, bessen en andere vruchten, voorts kleine Sprinkhanen en andere Insecten.

Onder ’t loopen licht de Kalkoen zijne vleugels dikwijls een weinig op, alsof het gewicht van zijn lichaam hem hindert, loopt dan eenige meters ver met wijd geopende vleugels; soms springt hij twee- of driemaal omhoog en zet daarna de reis over den bodem voort.—Zijne gevaarlijkste vijanden zijn, behalve de mensch, de Los, de Sneeuwuil en de Ooruil.

In alle deelen van Amerika wordt met hartstochtelijken en niet altijd verstandigen ijver op den Kalkoen jacht gemaakt. Het liefst schiet men den haan, gelijk de Auerhaan, als hij aan het balderen is, en dit, zooals soms geschiedt, op een boomtak doet; de jager gebruikt ook wel Honden om het wild op te sporen, of tracht gewaar te worden, waar het slaapt of bij voorkeur voedsel komt zoeken, om het hier op te wachten. Deze jacht vereischt groote bedrevenheid en is wegens de schuwheid van het wild in ’t geheel geen vermaak voor een zondagsjager. Gemakkelijker is het den dommen Vogel in een val te lokken. Daartoe worden in het bosch stammen van 2 à 3 M. lengte opeengestapeld tot een soort van blokhuis, dat men van boven met takkebossen bedekt; een greppel, die groot genoeg is om een grooten haan door te laten, leidt onder den wand door tot in het midden van de val; daar hij, met uitzondering van een opening binnen en een buiten het gebouw overdekt is, vormt hij een soort van tunnel. In de val en op den weg daarheen wordt maïs gestrooid. De Kalkoenen, die dit lokaas vinden, volgen het hierdoor aangeduide pad en laten zich door den overvloed van voedsel verleiden om in de val te gaan. De eene Vogel volgt den anderen, soms begeeft de geheele troep zich in het ruime gebouw. Na het opvreten van de hier uitgestrooide korrels kunnen de onnoozele Vogels de opening, waardoor zij zijn binnengegaan, niet terugvinden, loopen steeds langs den binnenwand van het gebouw, steken overal den kop tusschen de balken door en doen hier vruchtelooze pogingen om naar buiten te komen. Geen hunner komt op het denkbeeld om door het gat in ’t midden van de vloer de val te verlaten, zoodat het geheele gezelschap den volgenden morgen den vogelaar in handen valt.

De Spanjaarden, die aan het rijk der Azteken in Mexico een einde maakten, troffen hier den Gewonen Kalkoen als huisdier aan. Oviedo is de eerste schrijver, die van deze Vogels melding maakt. “In Nieuw-Spanje”, zegt hij, “vindt men zeer groote en smakelijke Pauwen, waarvan er vele naar de eilanden en naar de provincie Castilia del Oro gebracht zijn en hier in de huizen van de Christenen opgefokt worden. De hennen zien er slecht uit; de hanen echter zijn fraai en pronken dikwijls met den staart, hoewel deze niet zoo groot is als die van de Pauwen in Spanje.” De berichten over het voorkomen van den in ’t wild levenden Kalkoen in Noord-Amerika zijn, volgens Baldamus, uit lateren tijd afkomstig. In Virginië vond men hem in 1584, in Pennsylvanië in 1753. Smyth trof hem in de onbebouwde gewesten ten westen van Virginië in kudden van meer dan 5000 stuks aan. Men is van oordeel, dat deze soort de stamvorm is van den Mexicaanschen, zoowel als van onzen Tammen Kalkoen, hoewel de bronskleur van het vederenkleed en de bundels van haarvormige veeren aan de voorborst, die den Wilden Kalkoen kenmerken, bij de meeste getemde rassen te loor gegaan zijn. In 1557 was de Tamme Kalkoen in Europa nog zoo zeldzaam en kostbaar, dat de Raad van Venetië, tot het tegengaan van de weelde, bepaalde, op wiens tafel “Indische Hoenderen” mochten komen. Dezen naam en ook de namen ”Turkey” (in Engeland) en ”Kalkoen” kregen de nieuwe huisvogels waarschijnlijk ten gevolge van de onderstelling, dat zij uit Calcutta of Turkije afkomstig zouden zijn. In Engeland werden zij, naar men zegt, het 15e jaar van de regeering van Hendrik VIII (dus in 1524), in Duitschland omstreeks het jaar 1534, in Frankrijk nog iets later ingevoerd. Tegenwoordig zijn zij als huisvogels overal verbreid. Het veelvuldigst vindt men ze misschien in Spanje en vooral in de boerderijen, die ver van de dorpen te midden van de dorre Campo gelegen zijn. Hier zag ik kudden van vele honderden stuks onder de leiding van herders, die hen ’s morgens naar de weide drijven, over dag bijeenhouden en ’s avonds weer naar huis geleiden. Hier te lande worden de Kalkoenen (behalve in de Betuwe) zelden gehouden, hoewel het fokken en mesten van deze dieren op groote schaal wel winstgevend is. Sommige hoenderfokkers schatten hen hoog; de meeste menschen mogen hen wegens hun geraasmakenden, opvliegenden aard niet lijden. Hun domheid is ongeloofelijk; ieder ongewoon verschijnsel brengt hen geheel van streek. “Men wordt er akelig van,” zegt Lenz, “dat zij in den zomer, vooral als zij voor kuikens te zorgen hebben, dikwijls den geheelen dag naar den hemel kijken en onophoudelijk een jammerend “jaoeb jaoeb” laten hooren, alsof zij de zon voor een Arend en de wolken voor Gieren houden.” Belachelijk is het te zien, hoe zij voor een kleinen Torenvalk vol angst op de vlucht gaan, alsof de duivel hen op de hielen zit. Zij hebben echter ook zeer goede eigenschappen; vooral de moederliefde van de hen, die in alle omstandigheden even groot blijft, verdient een eervolle vermelding.


Meleager’s zusters, ontroostbaar over den dood van haar broeder, werden in Vogels veranderd, welker veeren als met tranen besprenkeld schenen. Uit deze overlevering blijkt, dat reeds de ouden bekend waren met de Vogels, die wij Parelhoenderen noemen. In verscheidene geschriften uit den ouden tijd worden zij zoo nauwkeurig beschreven, dat wij althans bij benadering de beide soorten kunnen bepalen, die destijds bekend waren. Tevens berichten zij ons, dat de Parelhoenderen in Griekenland zeer veelvuldig gefokt worden, zoodat arme lieden ze als offers konden brengen. Na den Romeinschen tijd heeft men, naar ’t schijnt, weinig acht op hen geslagen; misschien waren zij geheel uit Europa verdwenen, want eerst in de 14e eeuw wordt weder melding van hen gemaakt. Kort na de ontdekking van Amerika is de meest gewone soort door zeelieden naar de Nieuwe Wereld overgebracht, waar zij een voor haar uitnemend geschikt klimaat vond en weldra verwilderde.

1) Kuifparelhoen (Numida cristata). 2) Gewoon Parelhoen (Numida meleagris). ¼ v. d. ware grootte.

1) Kuifparelhoen (Numida cristata). 2) Gewoon Parelhoen (Numida meleagris). ¼ v. d. ware grootte.

De Parelhoenderen (Numidinae), die de laatste onderfamilie van de Fazantvogels vormen, kenmerken zich door een krachtigen romp, korte vleugels, een middelmatig langen staart met zeer verlengde bovendekveeren, een over ’t geheel goed gevuld vederenkleed, middelmatig hooge, gewoonlijk ongespoorde voeten met korte teenen en een krachtigen snavel; de kop en de bovenhals zijn in meerdere of mindere mate naakt en met pluim, kuif, kraag, helm en lellen versierd; een groote overeenstemming heerscht in hun vederenkleed, welks kleur en teekening—lichte, parelvormige vlekken op een donkeren grond—evenals de koptooi, bij beide seksen nagenoeg dezelfde zijn.

Eenige minder bekende soorten, zooals het prachtige Oost-Afrikaansche Gierparelhoen (Numida vulturina) en het Kuifparelhoen (Numida cristata), van de Goudkust, vermelden wij slechts terloops en beginnen onmiddellijk met de beschrijving van den meest bekenden Vogel uit deze groep.

Het Gewone Parelhoen (Numida meleagris), draagt een meer of minder langen, harden, helmachtigen kam of hoorn op het midden van de kruin en twee breede, tamelijk lange, vleezige, hangende lellen achter aan de onderkaak. Deze Vogel, die bij de ouden Meleagris werd genoemd en de stamvader is van het bij ons onder den naam Poule pintade bekende huisdier, heeft de bovenborst en de nek ongevlekt, lilakleurig, den rug en den staartwortel op grijzen grond met kleine, witte, donkerder gerande, parelvormige vlekken bezet, die op de bovenvleugeldekveeren grooter worden, gedeeltelijk ook ineenvloeien en op de buitenvlag der armpennen in smalle dwarsbanden veranderen; de onderdeelen zijn op zwartachtig grijzen grond tamelijk gelijkmatig met groote ronde, parelvormige vlekken versierd, de slagpennen bruinachtig (op de buitenvlag met witte banden, op de binnenvlag onregelmatig gestreept en gestippeld), de donkergrijze stuurpennen fraai bepareld en slechts de zijdelingsche voor een deel met banden versierd, die door het ineenvloeien van vlekken ontstaan. Het oog is donkerbruin, de wangstreek blauwachtig wit, de vleezige deelen van den kam, de keellellen, de washuidachtige opzwelling aan den snavelwortel rood, de helm hoornkleurig, de snavel geelachtig rood, de voet vuil leikleurig grijs, boven de plaats van aanhechting der teenen vleeschkleurig. De lengte bedraagt ongeveer 50 cM. De in gevangenschap gefokte, van vroeger getemde exemplaren afkomstige Parelhoenderen zijn echter vaak aanmerkelijk grooter.

West-Afrika is het vaderland van deze soort; in de wouden van Middel-Amerika en op de West-Indische eilanden komt zij verwilderd voor.

Naar het schijnt, komen de verschillende soorten van Parelhoenderen, wat levenswijze betreft, in hoofdzaken overeen. Als woonplaats verlangen zij gewesten, die bedekt zijn met een dicht, laagstammig woud, waarin ook open plekken voorkomen. Laag gelegen, rijk met struiken begroeide dalen, bosschen, waar dicht onderhout den bodem bedekt, steppen, die niet uitsluitend met grasachtige planten begroeid zijn, hoogvlakten in het gebergte tot op een hoogte van 3000 M. en zacht afhellende, met rotsblokken bezaaide, maar toch met een weelderig plantenkleed bedekte glooiingen voldoen aan alle eischen, die zij aan het terrein stellen. De gebergten van de Kaapverdische Eilanden die aan spitsen en diepe kloven zoo rijk zijn, leveren het Parelhoen een met zijn aard geheel overeenkomende woonplaats; daarom wordt het hier zeer algemeen gevonden; hoe grooter en woester het eiland, hoe stiller de wildernissen van de bergstreken zijn, des te veelvuldiger treft de reiziger er deze Vogels aan. Zij verlevendigen hier in talrijke troepen alle hoogten, vooral de lage wouden, die uit boomachtige euphorbias bestaan, omdat deze door den mensch zelden bezochte oorden hun veilige schuilplaatsen verschaffen. Daar de West-Indische eilanden dergelijke terreinen bezitten, heeft het Parelhoen zich hier spoedig aan de heerschappij van den mensch onttrokken en zijn vrijheid herwonnen. Reeds voor honderd en tachtig jaar was het op Jamaïca veelvuldig; tegenwoordig is het daar zoo algemeen, dat het soms een landplaag wordt. Ook op Cuba vindt men het velerwege, vooral in het oostelijke gedeelte van het eiland, omdat hier vele verlaten koffieplantages voorkomen, welker eigenaars op gronden, die nog niet door den roofbouw uitgemergeld waren, nieuwe landbouwondernemingen begonnen zijn. Tamme Parelhoenderen bleven op de braakliggende gronden achter; zij vermenigvuldigden zich hier sterk en verwilderden geheel.

De Parelhoenderen zijn standvogels, hoewel niet in den strengsten zin van ’t woord. Op plaatsen waar zij veelvuldig zijn, merkt men ze spoedig op. Zij hebben er slag van de aandacht te trekken, al ware het slechts door het op trompetgeschal gelijkend stemgeluid, dat zij in de morgen- en avonduren laten hooren.

De Parelhoenderen vluchten altijd bij de nadering van een mensch. Zij zijn minder voorzichtig, dan schuw: door een rundveekudde worden zij verjaagd, een Hond doet hen letterlijk hun bezinning verliezen, een mensch brengt minstens een groote ontroering bij hen te weeg. Het is daarom niet gemakkelijk hun levenswijze na te gaan; men moet althans, om ze te naderen, zekere voorzorgen niet uit het oog verliezen. Als men goed gedekt een troep besluipt, welker geschreeuw men hoorde, dan ziet men de Vogels over een open plek loopen, tusschen de rotsblokken door rondzwerven of door het struikgewas sluipen. Gelijk de Indianen op het krijgspad, loopen de Parelhoenderen in lange reeksen achter elkander aan; wat de eene begint, wordt door de overige nagedaan. Afzonderlijke paren ontmoet men hoogst zelden, familiën, die soms uit 18 à 20 stuks bestaan, reeds vaker, gewoonlijk echter zeer talrijke troepen, die soms uit 6 à 8 familiën samengesteld zijn. De familiën blijven goed aaneengesloten en ook de troepen blijven steeds nauw verbonden. Als een familie of een troep op de een of andere wijze verschrikt wordt, splitst zij zich zoo, dat streng genomen ieder individu zijn eigen weg kiest. Alle rennen, loopen, vliegen of fladderen zoo haastig mogelijk naar een schuilplaats; zoodra de rust tot op zekere hoogte in de gemoederen teruggekeerd is, laten de hanen hun trompetgeschal weerklinken en lokken de geheele troep spoedig weer bijeen. Alleen wanneer zij reeds vroeger vervolgingen van den mensch te verduren hebben gehad, en nogmaals opgejaagd worden, zullen zij zich vliegend trachten te redden; ook dan vertrouwen zij, zoolang dit eenigermate mogelijk is, op hunne behendige voeten.

Op een andere wijze gedragen zich sommige soorten van Parelhoenderen bij vervolging door een Hond of een ander viervoetig roofdier. Het is hun bekend, dat zij dezen vijand loopend evenmin ontkomen kunnen, als met behulp van hunne spoedig vermoeide vleugels. Daarom gaan zij ten spoedigste in een boom zitten en zijn bijna niet meer te bewegen om naar beneden te vliegen. Het schijnt, dat de eene vijand hun den anderen doet vergeten; dom driest laten zij nu den mensch, dien zij in andere omstandigheden zorgvuldig ontvlieden, in hun onmiddellijke nabijheid komen, kijken den jager met angstige gebaren, maar zonder een poging tot vlucht te wagen, in het geweer en vliegen eerst op, als de knal van het schot hun ontzetting nog doet toenemen. Ook nu handelen zij even onbezonnen als vroeger. Met het oog op den Hond wagen zij geen lange vlucht, maar vliegen hoogstens naar de naastbij gelegen boomen, gaan hier weer zitten en laten den jager voor de tweede, derde en tiende maal naderen. Als zij door een niets kwaads in ’t zin hebbenden reiziger of door een jager, die geen buit meer verlangt, opgejaagd en niet door schoten opgeschrikt worden, vliegen zij evenals vroeger, maar begeven zich niet ver weg, strijken op een hooggelegen punt neer, kijken den vervolger nieuwsgierig aan, buigen den kop op een vreemdsoortige wijze voor- en achterover, laten eindelijk een schel geschreeuw hooren en zetten daarna hun vlucht voort. Om te slapen kiezen alle soorten hoog gelegen plaatsen uit, die hen de grootste veiligheid beloven. Hunne liefste slaapplaatsen zijn hooge boomen aan rivieroevers; ook stijgen zij, als de avond nadert, in de gebergten bij rotswanden omhoog en zoeken hier kammen en rotspunten uit, die voor andere dieren, althans voor roovende Zoogdieren, ontoegankelijk zijn.

Hun voedsel is verschillend in verband met de door hen bewoonde gewesten en terreinen en hangt ook af van het jaargetijde. In de lente, in het regenseizoen, zullen Insecten waarschijnlijk hun voornaamste voedsel uitmaken; later eten zij bessen, bladen, knoppen, grassprietjes en eindelijk allerlei zaden. Op Jamaika komen zij in de koelste maanden van het jaar in talrijke troepen uit hunne wouden, verspreiden zich over de akkers en richten hier een aanzienlijke schade aan. De hen legt 5 à 8 (soms meer) vuil geelachtig witte, tamelijk glanzige buitengewoon hardschalige eieren en bebroedt ze 25 dagen. De haan en de hen verwijderen zich nooit ver van hun gebroed en trachten door geschreeuw en door haastig heen en weer te loopen de aandacht van den mensch van hun nest af te trekken en op hen zelve te vestigen. De kuikens in het donskleed gelijken door uitzicht en voorkomen op jonge Fazanten; zij worden kort na het verlaten van het ei door hunne ouders weggeleid, groeien schielijk en nemen reeds, als zij de helft van de grootte der volwassenen bereikt hebben, deel aan al hunne zwerftochten; ook brengen zij dan geregeld met hen den nacht in de boomen door.

De Parelhoenderen schikken zich gemakkelijker dan eenig ander wild Hoen in de gevangenschap, tam worden zij echter niet licht en waarschijnlijk nooit geheel; zij planten zich alleen dan in de kooi voort, als deze hun een groote ruimte aanbiedt. Daarentegen hechten de gevangenen zich soms in korten tijd sterk aan hun nieuwe woonplaats, zoodat men ze in huis en hof vrij kan laten rondloopen; zelfs aan den wagen, waarmede zij vervoerd worden, wennen zij zoo zeer, dat men ze op iedere pleisterplaats kan loslaten; des morgens, als het uur van het vertrek gekomen is, zijn zij stipt bij den wagen terug en laten zich zonder bezwaar opnieuw in hun kooi opsluiten. Zij zijn echter twistziek, liggen met de Huishoenderen en Kalkoenen voortdurend overhoop, worden zoo boosaardig, dat zij kinderen en volwassen hanen aanvallen, zwerven ver in ’t woud rond, verbergen hun nest zooveel mogelijk, broeden niet ijverig en kunnen strenge koude niet verdragen. Aan den anderen kant verschaffen zij hun eigenaar genoegen door hun voortdurende bedrijvigheid, hun fraai vederenkleed en hunne zonderlinge standen en bewegingen gedurende het loopen.

De Parelhoenderen hebben zeer vele vijanden. Alle leden van de Kattenfamilie in Afrika, Luipaarden, Geparden, Lossen, enz., alle Jakhalzen en Vossen maken jacht op de ouden en de jongen, de Civetkatten vooral op de eieren en kuikens; alle groote Roofvogels vervolgen ijverig dit gemakkelijk te overmeesteren wild; zelfs de Kruipende Dieren maken het niet zelden buit; in de maag van een Reuzenslang van 2.5 M. lengte vond men een gaaf, volwassen Parelhoen. De mensch maakt overal met zekere voorliefde jacht op deze Vogels, daar zij zich zonder buitengewone inspanning laten verschalken, ofschoon zij door vervolgingen weldra zeer schuw worden. Op Jamaïca zet men hun graan voor, dat vooraf in rum of een dergelijk vocht geweekt werd; zij eten er van, tot zij bedwelmd zijn en laten zich zonder weerstand te bieden door den jager medenemen.


De Hokkovogels (Cracidae), die een hoogst eigenaardige familie van Hoendervogels vormen, zijn groot of middelmatig groot en slank gebouwd; de snavel is in den regel langer dan bij de meeste andere Hoenderen; de washuid, die hem van achteren bedekt, strekt zich over de geheele neusgroeve, gewoonlijk ook over den teugel en de oogstreek uit en bekleedt een bij vele soorten op den snavelwortel aanwezigen knobbel; de voeten zijn middelmatig dik en lang, de teenen dun en met lange, tamelijk smalle, scherpe, flauw gekromde nagels gewapend, de vleugels sterk afgerond; de staart is zeer lang en breed; de stuurpennen naar de zijden een weinig verkort of nagenoeg gelijk van lengte. Het vederenkleed bestaat uit breede, afgeronde veeren, welker schaften meestal op een eigenaardige wijze verdikt zijn en eerst bij de spits dunner en smaller worden. Bij enkele soorten is de schaft in het midden wel tien- à twintig maal zoo dik als aan de spits en zes- à tien maal zoo dik als aan den wortel. Sombere kleuren hebben de overhand, hoewel ook lichtere voorkomen.

*

Bij de Hokko’s (Crax) is de snavel hoog, op den rug sterk gekromd, aan den wortel in den regel met een washuid bekleed en met knobbels versierd, die gedurende den paartijd aanmerkelijk zwellen; de smalle, stijve veeren van kruin en achterkop zijn meestal verlengd tot een kamvormige kuif, en eerst flauw naar achteren, met de spits echter naar voren gebogen. Alle soorten bewonen Zuid- en Middel-Amerika, met inbegrip van het zuiden van Mexico.

De Gewone Hokko of Hokko-Pauwies (Crax alector), wiens naam op de geheele groep is overgegaan, heeft een gelen, weeken knobbel op den snavelwortel; met uitzondering van den buik, den stuit en den eindzoom der stuurpennen, die wit zijn, is hij glanzig blauwzwart; het oog is bruin, de voet vleeschkleurig. Totale lengte 95, staartlengte 32 cM.

Deze soort wordt in het binnenland van Brazilië, van Guyana tot Paraguay, in alle wouden gevonden, in Suriname o. a. menigvuldig.

Alle Hokko’s zijn echte boschbewoners; zoo zij al het woud verlaten, geschiedt dit slechts voor korten tijd. Hoewel men ze dikwijls op den bodem aantreft, waar zij, voor zoover de grond effen is, met groote snelheid rondloopen, ziet men ze in den regel op de twijgen der boomen, gedurende den broedtijd paarsgewijs, in andere tijden van ’t jaar drie, vier en meer stuks bijeen. In de boomkronen bewegen zij zich langzaam, hoewel betrekkelijk behendig; zij vliegen daarentegen laag, steeds in horizontale richting en nooit lang achtereen. Alle soorten trekken de aandacht door de stem; deze heeft steeds iets eigenaardigs, maar is al naar de soort zeer verschillend. Eenige brommen, andere fluiten, andere knorren, bij andere komt diep uit de borst het geluid “hoe-hoe-hoe-hoe”, van nog andere kan men de stem door de lettergrepen “racka racka” nabootsen. Gedurende den paartijd schreeuwen zij het meest, vooral in den vroegen morgen.

Het voedsel van de Hokko’s in de vrije natuur bestaat hoofdzakelijk, misschien geheel, uit vruchten. Bij ’t zoeken van voedsel onderscheiden zij en de Sjakoe-hoenderen zich van alle overige leden hunner orde, doordat zij niet in den grond woelen, maar, gelijk de Duiven, opzoeken, wat zich aan de oppervlakte bevindt, of afplukken, wat vastzit.

De Hokko’s broeden niet op den bodem, maar op boomen. Zij bouwen hunne ondiepe nesten”, zegt Von Martens, “uit rijsjes in takgaffels, niet bijzonder hoog boven den grond. Uit eigen ervaring en door de mededeelingen van de Indianen weten wij, dat het wijfje niet meer dan twee witte eieren legt, die grooter en dikker zijn dan die van Onze Hoenderen.”

Daar hun vleesch zoo malsch is als dat van Duiven, en in smaak op dat van Kalkoenen gelijkt, wordt op de Hokko’s in Zuid-Amerika ijverig jacht gemaakt, vooral in den paartijd, omdat zij dan hun verblijfplaats verraden door hun luide stem. In het midden van het woud, ver van bewoonde oorden, zijn zij, naar men zegt, niet schuw. Behalve van het vleesch maken de Indianen ook gebruik van de stevige slag- en stuurpennen der gedoode Vogels; zij verwerken ze tot waaiers.

De gevangen Hokko’s, die men in nagenoeg alle nederzettingen van Indianen vindt, zijn als eieren uit het nest genomen en door Hoenderen uitgebroed; slechts in bijzonder gunstige omstandigheden planten de Hokko’s zich in de gevangenschap voort.

Hokko-Pauwies (Crax alector). ⅕ v. d. ware grootte.

Hokko-Pauwies (Crax alector). ⅕ v. d. ware grootte.

Volgens alle waarnemers kunnen deze Vogels gemakkelijk getemd worden. Sonnini zag in Guyana troepen tamme Hokko’s door de straat rondloopen en zich, onbevreesd voor de menschen, vrij bewegen. Zij bezochten de huizen, waar men hun eens voedsel had gegeven, geregeld weer en leerden hunne verzorgers goed onderscheiden. Om te slapen, gaan zij op hoog gelegen plaatsen zitten, in de bewoonde oorden dus, evenals de Pauwen, op de daken der hooge huizen. BATES maakt melding van een gevangen Hokko, die zeer gemeenzaam was met zijn meester, zich als lid van het gezin scheen te beschouwen, bij iederen maaltijd tegenwoordig was, om de tafel liep, van den eenen dischgenoot naar den anderen ging om zich te laten voederen en soms den kop tegen den wang of den schouder van zijne vrienden wreef. ’s Nachts sliep hij uit eigen verkiezing naast de hangmat van een klein meisje, waarvoor hij een bijzondere genegenheid had opgevat en dat hij op alle wandelingen volgde. Toch zijn tamme Hokko’s niet bij iedereen gewild: zij zijn vervelend van aard en toonen eenige onhebbelijkheden; zoo slikken zij allerlei glinsterende voorwerpen, b.v. gouden knoopen, door en bederven deze door de sterke drukking van de spieren van hun maagwand.

Het is moeielijk de Hokko’s bij ons in ’t leven te houden. Wel is waar zijn zij met het voedsel, dat voor hen bestemd is, tevreden en stellen in dit opzicht geen hooge eischen; maar zij verlangen in den winter een warmen stal, omdat hun anders minstens de teenen bevriezen. Ook zijn zij volstrekt niet verdraagzaam, maar twisten aanhoudend met andere dieren van hun soort of met andere Hoenderen; bij het gewone pluimvee kan men ze dus niet houden. Alleen wanneer men hun een ruime woning verschaft, kan men eenig genoegen van hen hebben.

De Sjakoehoenderen (Penelope) hebben een slankeren romp dan de Hokko’s, hun snavel is langer, lager en aan den wortel met een breede washuid bekleed, de voet korter, de staart betrekkelijk lang en sterk afgerond; zij hebben een naakte plek om het oog, een bijna naakte, slechts schraal met korte, kwastvormige of lange, haarachtige veeren bekleede keel; de verlengde veeren van den kop vormen een kap of kuif, maar nooit een kam. Aan de bovenzijde hebben somber metaalglanzig groen, bruin enz. de overhand; op de onderdeelen, vooral op de borst, zijn vele veeren lichter gezoomd.

De Sjakoepemba (Penelope superciliaris) kenmerkt zich door een betrekkelijk aanzienlijke grootte, een middelmatig langen staart, handpennen die aan de spits sterk versmald zijn en een zacht vederenkleed; de kop draagt een middelmatig lange pluim en is op het voorhoofd, en aan de zijden naakt, zoo ook aan de keel. Het vederenkleed is op den bovenkop, den nek, den hals en de borst leikleurig zwart, op den rug, de vleugels en den staart metaalachtig groen met witgrijze en roestroodgele zoomen; op den buik en den stuit roestgeelachtig rood met bruine, dwarse golflijnen of bruin met roestgeelachtig roode zoomen. Het oog is bruin, de naakte plek er omheen zwart, de naakte keel donker vleeschkleurig, de snavel grijsbruin, de voet grijsachtig vleeschbruin. Totale lengte 60, staartlengte 27 cM.

Middel- en Zuid-Amerika, van het zuiden van Texas tot Paraguay en Chili, zijn het vaderland van de Sjakoehoenderen; hoogstammige wouden verschaffen hun verblijfplaatsen. De verschillende soorten leven gewoonlijk naast, soms echter onder elkander, de eene aan de kust, de andere in bergstreken, eenige in de hooge gebergten tot op 2000 M. boven den zeespiegel. De Sjakoepemba bewoont de wouden van de oostkust van Brazilië. Alle leden van groote soorten leven eenzaam, die van kleine zijn gewoonlijk vereenigd tot talrijke vluchten, welke aangroeien kunnen tot troepen van 100 of meer stuks. In den regel staat aan het hoofd van zulk een troep een mannetje, waaraan alle Vogels gehoorzamen.

In verband met het eigenaardige maaksel van hun luchtpijp staat hun zonderlinge stem. De Sjakoehoenderen kondigen eerder dan andere Vogels door hun geroep het krieken van den dag aan, maar worden ook op latere uren nog vaak genoeg gehoord. Dit geschreeuw klinkt onaangenaam en kan niet goed in klankteekens uitgedrukt worden, hoewel de namen “Sjakoe,” “Goean”, “Pararakwa,” “Apeti” en “Aboerri” geen verkeerd gekozen klankbeelden zijn. Volgens Owen maken sommige Sjakoehoenderen een bijna oorverdoovend getier. Een der leden van de troep begint met eenige sjirpende geluiden, de overige vallen achtereenvolgens in, het geschreeuw neemt meer en meer toe, totdat het eindelijk een voor het oor van den mensch bijna onverdragelijke hoogte bereikt. Hierna vermindert het en verstomt eindelijk geheel, hoewel slechts voor korten tijd.

Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomvruchten en bessen. De Prins Von Wied vond in de maag van de door hem gedoode exemplaren ook steeds overblijfselen van Insecten.

Alle Sjakoehoenderen bouwen hunne nesten te midden van de twijgen, of waarschijnlijk slechts bij uitzondering op den grond. Het nest bestaat uit droge of bebladerde takken en is tamelijk los gebouwd. De hen legt meestal 2 of 3 (soms 4 à 6) groote, witte eieren.

Jong uit het nest genomen Sjakoehoenderen worden spoedig tam; het kost geen bijzondere moeite hen aan een bepaalde verblijfplaats te gewennen. Als Huishoenderen gaan zij af en aan in het oord, waar zij grootgebracht zijn, en komen er dikwijls na lange afwezigheid weer terug; zij ontbreken daarom nooit in de nederzettingen der Indianen en behooren tot hunne meest geliefde huisvogels. Slechts in één opzicht laten zij zich niet gaarne de wet stellen. Een stal of over ’t algemeen een ruimte die afgesloten kan worden, bevalt hun niet als nachtverblijf; liever brengen zij op het dak van een huis of op een boom in de buurt den nacht door. Als men zich niet hen bemoeit, worden zij zeer gemeenzaam en laten zich zelfs op schoot nemen. Toch zijn zij niet voor huisdieren geschikt, daar zij zich in de gevangenschap niet voortplanten. Hierbij komt nog, dat zij, evenmin als de Hokko’s, aan ons klimaat kunnen wennen, zeer gevoelig zijn voor ruw weder en hiervan werkelijk veel te lijden hebben.

Daar de Sjakoehoenderen wegens hun uitmuntend vleesch ijverig gejaagd worden, zijn enkele soorten in sommige streken reeds uitgeroeid, terwijl van andere het aantal zeer verminderd is. De aanhoudende vervolging heeft hen zeer schuw gemaakt. Wanneer het den Indiaanschen jager gelukt is een troep van deze Vogels tot op geringen afstand te naderen, richt hij er gewoonlijk eene groote slachting onder aan; want hij kan er 3 of 4 met de blaaspijp dooden, voordat de overige hem opmerken en de vlucht nemen. De Vogel, die door het zonder gedruisch geschoten pijltje getroffen wordt, valt uit den boom, zonder dat zijne metgezellen iets anders weten te doen dan voor een oogenblik hunne werkzaamheden te staken, den naar beneden tuimelenden kameraad met lang uitgestrekten hals na te staren en schuw om zich heen te kijken naar de oorzaak van het ongeval.


De Loophoenderen (Megapodidae) onderscheiden zich door hun wijze van broeden niet slechts van hunne verwanten, maar van alle Vogels der aarde. Zij leggen hunne buitengewoon groote eieren in een uit aarde en bladen samengesteld heuveltje, dus in een aan alle zijden gesloten nest, waarin de temperatuur door de rotting van de plantaardige stoffen tot zulk een hoogte stijgt, dat de eieren tot ontwikkeling komen. De jongen banen zich na het verlaten van de eierschaal een weg door den afval, die hen omgeeft; zij zijn bedekt met een dicht, donzig kleed, hebben volkomen ontwikkelde vleugels, maar geen staart; reeds op den eersten dag kunnen zij vliegen en zich zonder hulp van hunne ouders redden. De Loophoenderen vormen een uit 27 soorten bestaande familie, welker gebied zich van Celebes en Lombok over de Filippijnen, een deel van Polynesië en het Australische vasteland uitstrekt. Door hun lichaamsbouw zijn zij aan de Fazantvogels verwant, hoewel zij, althans eenige van hen, door hunne bewegingen en vooral door hun wijze van vliegen op de Ralvogels gelijken. Zij zijn middelmatig groot en kenmerken zich vooral door de hooge, langteenige, met stevige klauwen gewapende en dus in alle opzichten goed ontwikkelde voeten. Hun geraamte wijkt in enkele opzichten van dat der overige Hoendervogels af; vooral valt de wijdte van het bekken in ’t oog, hetwelk met den buitengewonen omvang van het ei in verband schijnt te staan. De geringe grootte van de hersenen en de zeer eigenaardige wijze van uitbroeding der eieren wijzen op een lagen trap van ontwikkeling.


De Eigenlijke Loophoenderen (Megapodius) vertoonen een zekere overeenkomst met de Rallen en Waterhoenderen. Hun romp is slank, de hals middelmatig lang, de snavel meestal korter dan de kop, recht, aan den wortel laag, vóór de spits gewelfd, de vleugels breed en stomp, de uit tien pennen samengestelde staart kort en afgerond, de loop zeer forsch en nog iets langer dan de lange, krachtige middelste voorteen, die, evenals alle overige teenen, met krachtige, lange, slechts weinig gebogen nagels voorzien is. De omgeving van het oog, de keel en de hals zijn naakt; de veeren van het achterhoofd zijn een weinig bij wijze van een kuif verlengd. Het vederenkleed is gewoonlijk goed voorzien, zwartachtig of bruinachtig. In grootte evenaren zij een middelmatige kip.

Het Gewone Loophoen (Megapodius tumulus) van Noord-Australië houdt zich voornamelijk op aan het dicht met struiken en boomen begroeide zeestrand. Weinige Vogels zijn zoo schuw en moeilijk te naderen als deze; hij leeft paarsgewijs of eenzaam; zijn voedsel bestaat uit wortels, die zonder moeite met de krachtige klauwen worden losgekrabd, ook wel uit zaden en Insecten, vooral groote Kevers. Zijn stem gelijkt op het klokken van de Huishen en eindigt met een geschreeuw, gelijkend op dat van den Pauw.

De nesthoopen zijn zeer verschillend van vorm, grootte en bestanddeelen. De meeste zijn dicht bij den waterkant gelegen en bestaan uit zand en schelpen, eenige bevatten slib en vermolmd hout. De nesthoopen van de Loophoenderen op Nieuw-Guinea zijn, volgens Haacke, doorgaans uit bladen samengesteld. Gilbert vond er een van bijna 5 M. hoogte en 27 M. omtrek; terwijl van een tweede de omtrek ongeveer 50 M. bedroeg. Hoogst waarschijnlijk worden de kolossaalste van deze heuvels door verscheidene opeenvolgende geslachten gebruikt en ieder jaar vergroot. De eieren liggen 2 M. diep onder den top en staan altijd loodrecht, met het dikke einde naar boven; zij zijn tamelijk verschillend van grootte, maar ongeveer gelijk van vorm.

Gould’s Loophoen (Megapodius Gouldii) werd door Wallace op Lombok waargenomen. “Het is ongeveer zoo groot als een kleine kip en vertoont slechts donker olijfkleurige en bruine tinten. Zijn voedsel is van gemengden aard, daar het uit afgevallen vruchten, Aardwormen, Slakken en Duizendpooten bestaat. Zijn vleesch is, als het goed wordt toebereid, blank en smakelijk.” “De meeste dezer Vogels houden zich op in het schrale kreupelhout langs het strand, waar de bodem zandig is en overblijfselen van takjes, bladeren, schelpen, zeewier en dergelijke in overvloed gevonden worden. Van al die vuilnis maken de Loophoenderen ontzaglijke hoopen.” “Toen ik deze hoopen op het eiland Lombok voor het eerst zag, kon ik nauwelijks gelooven, dat zij het werk waren van zulke kleine Vogels; ik heb ze later dikwijls ontmoet en één- of tweemaal verrast, terwijl zij bezig waren nesten te maken. Zij verwijderen zich eenige schreden, grijpen een bundel afval met één poot en werpen dien een heel eind achter zich. Zijn de eieren eens naar behooren begraven, dan schijnen zij er niet meer naar om te zien.”

“Ik had het geluk,” zegt Wallace, een nieuwe soort (Megapodius Wallacei) te ontdekken, die Halmaheira, Ternate en Boeroe bewoont. Het is de fraaiste Vogel van dit geslacht, op rug en vleugels rijk getooid met banden van roodachtig bruin. Zijn levenswijze verschilt van die der andere soorten; hij houdt zich op in de bosschen van ’t binnenland en begeeft zich naar het strand om eieren te leggen, die echter niet geborgen worden in een door hem bijeengekrabde hoop aarde, maar op den bodem van een in het zand gegraven gang, die omstreeks 1 M. in schuinsche richting naar beneden loopt. Na het bedekken van de opening van de gang verbergt hij, naar het zeggen der inlanders, de sporen van zijn voetstappen, die van en naar de opening voeren, door in den omtrek op verschillende plaatsen den grond open te krabben of er indruksels van voetstappen te maken. Hij legt zijne eieren alleen ’s nachts; op Boeroe werd eens ’s morgens vroeg een Vogel van deze soort betrapt, juist toen hij te voorschijn kwam uit zijn hol; hierin werden verscheidene eieren gevonden. Naar het schijnt, zijn deze Hoenderen halve nachtvogels: laat in den avond en lang voor den morgenschemering hoort men hunne klaaglijke kreten. De eieren hebben een roestroode kleur en zijn naar verhouding van de grootte van den Vogel kolossaal, daar zij 75 à 85 mM. lang en 50 à 58 mM. breed zijn. Zij zijn goed eetbaar en worden door de inboorlingen ijverig gezocht.”

*

Met den naam Brush-turkey of Kreupelhoutkalkoen (Catheturus Lathami) duidt de Australische kolonist het Loophoen aan, dat hij het best heeft leeren kennen. Het vertegenwoordigt het geslacht der Talegallas (Catheturus), dat o. a. kenbaar is aan de ringvormige opzwelling van de huid, die van den voorhals naar beneden hangt; de kop en de hals dragen slechts weinige haarvormige veeren. De genoemde soort is op de bovenzijde fraai chocoladebruin, op de onderzijde lichtbruin met zilvergrijze vederzoomen, die dwarsbanden vormen. Het oog is lichtbruin, de nagenoeg naakte huid van kop en hals karmijnrood, de halslel oranjegeel, de snavel loodkleurig grijs, de voet licht chocoladebruin. Totale lengte 80, staartlengte 25 cM.

“Hoe ver zich het verbreidingsgebied van dezen Vogel uitstrekt,” zegt Gould, “is nog niet op voldoende wijze bepaald. Men heeft hem in verschillende gedeelten van Nieuw-Zuid-Wales, van Kaap Howe tot aan de Moretonbaai gevonden. Naar ik vermoed, is hij het veelvuldigst in de dichte, nog weinig bezochte kreupelwouden langs de oevers van den Clarence en den Manning.

“Het merkwaardigste verschijnsel in de levenswijze van dezen Vogel is, dat hij zijne eieren niet op de wijze van de andere Vogels uitbroedt. In ’t begin van de lente krabt hij een zeer grooten hoop doode plantendeelen bijeen om als nest te dienen en laat de ontwikkeling van de jongen over aan de warmte, die ten gevolge van de rotting dezer plantaardige stoffen ontstaat. De voor dit doel dienende hoop wordt verscheidene weken voor den legtijd opgeworpen, heeft de gedaante van een kegel, welks middellijn de hoogte ver overtreft, maar is zeer verschillend van grootte; soms bestaat hij uit 2, soms uit 4 wagenvrachten bouwstoffen. De grootte van het nest en de volledige verrotting van de bestanddeelen der onderste laag schijnen recht te geven tot de onderstelling, dat het verscheidene jaren achtereenvolgens dienst doet en telkens door toevoeging van nieuwe stoffen weer bruikbaar wordt gemaakt. De heuvel komt tot stand, doordat de Vogels een zekere hoeveelheid materiaal met de voeten loskrabben en achter zich naar een middelpunt werpen. Zij ontblooten op deze wijze den omgevenden grond zoo volkomen, dat er nagenoeg geen blad of grashalm op blijft liggen. Als de hoop groot genoeg is, en de temperatuur daarbinnen een voldoende hoogte heeft bereikt, worden de eieren er in gelegd; deze worden om ’t midden in een kring gerangschikt, op een onderlingen afstand van 25 à 30 cM., ongeveer op armdiepte, maar zoo, dat zij rechtop staan met het breede eind naar boven; vervolgens worden zij met bladen bedekt en aan zich zelf overgelaten. Zoowel van geloofwaardige kolonisten als van inboorlingen vernam ik, dat men in één hoop soms wel een schepel eieren kan vinden; ik zelf heb een vrouw gezien, die de helft van deze hoeveelheid in een naburig boschje gevonden had en naar huis droeg. Eenige van de inboorlingen beweerden, dat het wijfje zich voortdurend in de nabijheid van den hoop ophoudt, om de blootliggende eieren weder te bedekken en de uit den dop komende jongen bij te staan; andere daarentegen zeggen, dat de hen zich niet meer om de eieren bekommert na het leggen en dat de jongen zonder eenige hulp hun weg vinden. Eén punt is voldoende opgehelderd: zoodra de jongen uit het nest komen, zijn hunne vleugels genoeg ontwikkeld om hen in staat te stellen op de twijgen der boomen te vliegen; op even flinke wijze kunnen zij hunne pooten gebruiken; zij verkeeren dus in ’t zelfde geval als een pas uit de pophuid gekropen Vlinder, nadat zijne vleugels gedroogd zijn.”

“De haan,” zegt Sclater, “begint, als de broedtijd nadert, alle plantaardige stoffen, die binnen de grenzen van de voor ’t nest bestemde plek liggen los te krabben, en achteruit te werpen, telkens een voet vol te gelijk. Daar hij zijn arbeid steeds aan den buitensten omtrek van het terrein aanvangt, ontstaat er in ’t midden allengs een kegelvormige verhevenheid. Zoodra deze ongeveer 1.5 M. hoog geworden is, beginnen de Vogels haar effen te maken en daarna in ’t middelpunt een holte te graven. Hierin worden met vaste tusschentijden eieren gelegd, die ongeveer 40 cM. onder den top van den heuvel in een kring gerangschikt zijn. Het mannetje houdt zorgvuldig toezicht op den voortgang van de ontwikkeling en let vooral op de warmte van den broedoven. Gewoonlijk heeft hij de eieren op zulk een wijze bedekt, dat boven deze slechts een ronde opening overblijft, waardoor de noodige luchtverversching plaats heeft en de overmaat van warmte ontwijken kan; bij warm weer neemt hij twee- of driemaal per dag bijna de geheele bekleedende laag weg.

Kreupelhoutkalkoen (Catheturus Lathami). ¼ v. d. ware grootte.

Kreupelhoutkalkoen (Catheturus Lathami). ¼ v. d. ware grootte.

“Het jong blijft na het verlaten van het ei minstens 12 uur in den heuvel, zonder de geringste poging te doen om er uit te kruipen; het wordt gedurende dezen tijd door het mannetje even diep bedolven als de overige eieren. Op den tweeden dag komt het te voorschijn; het heeft dan goed ontwikkelde veeren; deze waren bij het verlaten van den dop nog verborgen in de kort daarna openbarstende scheeden. Het jong schijnt nu nog geen neiging te hebben om zijne vleugels te gebruiken, maar beweegt zich uitsluitend met behulp van de krachtige pooten. Des namiddags keert het naar het nest terug en wordt door den zorgvuldigen vader weder begraven, hoewel op geringere diepte dan vroeger; op den derden dag is het voor het vliegen volkomen geschikt.”

*

Het Hamerhoen, de Maleo (Megacephalon maleo), is kenbaar aan een harden, rondachtigen knobbel, die boven de neusgaten begint, het geheele voorhoofd bedekt en voorbij den achterkop uitsteekt. Zijn verbreidingsgebied is beperkt tot het noordelijke schiereiland van Celebes. Met tusschenpoozen van 10 à 12 dagen legt de hen, die de grootte heeft van een kleine kip, in gaten van den grond, die zij aan ’t zeestrand uitkrabt, 6 à 8 steenroode eieren, welke zoo groot zijn als die van een Gans; de jongen ontwikkelen zich op dezelfde wijze als de overige Loophoenderen.


“Een opmerkelijk heesch geschreeuw en gekras klonk mij van den met bosch begroeiden oever te gemoet,” verhaalt Schomburgk. “Voorzichtig naderbij komend zag ik een verbazend grooten troep Vogels. Het waren Kuifhoenderen; de kolonisten noemden ze Stinkvogels. Hoewel de eerste naam wegens de lange veeren op den kop karakteristiek mag heeten, is toch de eigenschap, waarop de tweede naam gegrond is, nog duidelijker merkbaar: reeds op een vrij groote afstand, voordat deze Vogels zichtbaar zijn, wordt men op een zeer onaangename wijze van hun nabijheid onderricht. Zelfs de Indianen willen het Kuifhoen, hoe goed gevleescht het ook is, volstrekt niet eten, zoo afschuwelijk is deze reuk; het meest komt hij overeen met dien van verschen paardenmest; hij is zoo doordringend, dat men hem zelfs na jaren nog aan de gedroogde huid opmerkt. De troep, die ik zag, bestond stellig uit honderden Vogels; voor een deel zaten zij elkander tusschen de struiken door achterna, voor een deel vlogen zij juist op. Naar het scheen, was het hun paartijd.”

Eenige dierkundigen hebben het Kuifhoen een plaats aangewezen onder de Pisangvreters, waarmede het eenige overeenkomst vertoont. “Er is echter,” zegt Desmurs, “een bovenmenschelijke werking van de phantasie of een echte afkeerigheid van eenvoudige, gemakkelijk verstaanbare feiten noodig om deze handelwijze te rechtvaardigen.” Ook onder de Hoendervogels staat het Kuifhoen zeer geïsoleerd; het gelijkt echter op hen, vooral op de Sjakoehoenderen, meer dan op de Pisangvreters. Volgens Fürbringer vertegenwoordigt het een afzonderlijke familie (Opisthocomidae), die niet met de drie vorige in één groep kan worden geplaatst, maar in de onderorde der Hoenderen een afzonderlijke groep (Opisthocomi) moet vormen, welke met die der Hoenderen in engeren zin (Galli), op één lijn staat.

De eenige soort, die hiertoe gerekend kan worden, is het Kuifhoen of Zigeunerhoen, ook wel Hoactzin en Sasa genoemd (Opisthocomus cristatus). Zijn ondersnavel is merkwaardig door den duidelijk waarneembaren kinhoek, de bovensnavel door een viertal inkervingen aan de achterhelft van den zijrand; de (bruine) voet heeft een korten loop en lange, niet door spanvliezen vereenigde teenen met lange, dikke, tamelijk gekromde, spitse nagels; de tamelijk lange (bruine) vleugels reiken in rust tot voorbij het midden van den langen, aan de spits afgeronden, uit 10 pennen bestaanden staart. Op den boven- en achterkop vindt men een uit smalle, spitse, witachtig gele veeren samengestelde kuif. De omgeving van het (lichtbruine) oog, de teugel en de wang zijn naakt en vleeschkleurig. De hoofdkleur van de bovendeelen is bruin, op de achterste armpennen groen iriseerend; de onderdeelen zijn lichter en valer; de vleugel heeft twee witte dwarsbanden, de staart een lichten eindband. Totale lengte 62, staartlengte 29 cM.

Men weet zeer weinig van de levenswijze van dezen Vogel, die aan den bovenloop van den Amazonenstroom zeer veelvuldig is; men zegt, dat hij in polygamie leeft, in het bosch op boomen nestelt en slaapt, maar zich over dag aan moerassige rivieroevers ophoudt, waar hij zijn voedsel zoekt, dat uit jonge spruiten, bloemen en zaden van waterplanten bestaat. Misschien ontleent hij zijn onaangename lucht aan de vruchten van een soort van boomachtige aronskelk. Wegens deze eigenschap maakt mensch nog roofdier jacht op hem.


De tweede onderorde van de Hoendervogels wordt gevormd door de Kortstaart-hoenderen of Tinamoe’s (Crypturiformes). Zij hebben een kleinen en platten kop, met langen, dunnen, weinig gebogen snavel, een langen, dunnen hals, voeten met langen loop en zeer oneffen zool; de achterteen is altijd klein en aanmerkelijk hooger ingeplant dan de onderling niet vereenigde voorteenen; bij enkele soorten is hij zoo weinig ontwikkeld, dat alleen de nagel er van over is; de korte, ronde vleugels reiken niet verder dan tot op den benedenrug; de staart bestaat 10 à 12 korte en smalle pennen, die geheel verborgen zijn onder de lange dekveeren; soms echter ontbreken de stuurpennen geheel.

De Kortstaarthoenderen zijn over een groot deel van Zuid-Amerika verbreid en bewonen de meest verschillende terreinen: eenige soorten steeds open gewesten, andere alleen de wildernissen van de wouden, sommige de vlakte, andere het gebergte; enkele komen uitsluitend op hoogten van 4000 M. voor. Zij leven bijna voortdurend op den grond, vliegen zelden, loopen daarentegen op de wijze van onze Kwartels snel te midden van de struiken of in het hooge gras, drukken zich bij dreigend gevaar plat op den bodem neer of verbergen zich in een graspol; alleen de in ’t woud levende soorten zoeken ’s nachts op de onderste dikke takken van boomen een veilige slaapplaats. Hunne lichamelijke en geestelijke vermogens zijn gering. Zij loopen buitengewoon snel, vliegen echter op logge wijze en doen het daarom ongaarne; in tijd van nood geraken zij geheel van streek. Hun stem bestaat uit verscheidene opeenvolgende, fluitende geluiden van verschillende hoogte, die soms in regelmatige verhouding onderling afwisselen en zich zoozeer onderscheiden van de stemmen van andere Vogels, dat zij onmiddellijk de aandacht trekken van vreemden zoowel als van inboorlingen. Hun voedsel bestaat uit zaden, vruchten, jonge spruitjes en Insecten. Sommige vinden, naar men zegt, in de vruchten van den koffieboom, van eenige palmen enz. hun voornaamste voedsel.

Voor den jager nemen de Tinamoe’s in Zuid-Amerika de plaats in van onze Veldhoenderen; zij worden door hen “Patrijzen” of “Kwartels” genoemd en ijverig gejaagd. Alle Roofdieren, de loopende zoowel als de vliegende, wedijveren in dit opzicht met den mensch; zelfs de Jagoear versmaadt de jacht op dit wild niet; gevaarlijk voor de jongen zijn bovendien nog eenige Insecten, b.v. Mieren, die in dicht opeengedrongen hoopen van de eene plaats naar de andere trekken. De mensch doodt deze Vogels met het geweer, zet vallen voor hen uit, jaagt ze te paard achterna, vangt ze met den werpstrik of brengt Honden op hun spoor. Deze worden, naar Tschudi verhaalt, door de Indianen opzettelijk voor deze jacht afgericht. De door hen opgespoorde Tinamoe vliegt omhoog, maar gaat spoedig weer op den grond zitten; de Hond jaagt hem ten tweeden male op; de derde keer springt hij op den vluchteling toe en bijt hem dood.—In gevangenschap ziet men deze Vogels dikwijls bij de Indianen, enkel ook wel in Europa; veel genoegen kunnen zij hun eigenaar niet verschaffen; het zijn vervelende dieren.


Een der veelvuldigst voorkomende soorten van deze groep is de Inamboe of Ynamboeï (verbasterd tot Tinamoe) (Rhynchotus rufescens); hij onderscheidt zich door den betrekkelijk langen snavel (zoo lang als de kop) en een vrij aanzienlijke grootte; een korte staart en een kleine achterteen zijn hier aanwezig. De hoofdkleur is roestroodachtig geel; iedere veer van de bovenzijde, behalve de handpennen, heeft breede zwarte dwarsstrepen; de keel is witachtig. Oog, snavel en voet zijn bruin. Totale lengte 42, staartlengte 5 cM.