The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net


Title: Het Leven der Dieren
Deel I, Hoofdstuk 1. De Apen

Author: A. E. Brehm

Editor: S. P. Huizinga

Release Date: September 15, 2005 [EBook #16701]

Language: Dutch


*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/






Het Leven der Dieren

Tweede druk—met ongeveer 1200 fraaie afbeeldingen.
[Illustration]
Eerste Deel.—De Zoogdieren.
Zutphen.—P. van Belkum Az.

[1]

Eerste Orde.

De Apen (Pitheci).

Het menschachtig voorkomen van de Apen heeft te allen tijde in hooge mate de aandacht getrokken, en aanleiding gegeven tot meeningen over een andere en nauwere betrekking tusschen hen en de menschen, dan er tusschen deze en de overige dieren bestaat. De aard dezer betrekking werd vroeger geheel anders opgevat dan thans. Nog geen zeventig jaar geleden verdedigde een bekend dierkundige, de Münchener professor Wagler, de stelling, dat de Apen “ontaarde menschen” zijn. Dit denkbeeld was niet nieuw. Bij nagenoeg alle volken, die met de Apen in aanraking kwamen, of nog met hen verkeeren, komt het voor. Zoo zijn, volgens een bij vele West-Afrikaansche negerstammen verbreide overlevering (p. 12), de daar voorkomende, groote, staartelooze Apen—de Chimpanzees—vroeger leden van deze stammen geweest. Wegens hunne slechte gewoonten werden zij uit de menschelijke samenleving verstooten; door voortdurend toegeven aan gemeene neigingen zijn zij op hun tegenwoordig peil van verbastering gezonken.—Wel verre van de Apen voor ontaarde menschen te houden, beschouwen de dierkundigen van onzen tijd de menschen als hooger ontwikkelde nakomelingen van stamvormen, waaruit ook de Apen voortgesproten zijn.—Naar het schijnt, waren de Egyptenaars en de Indiërs de eenige volken der oudheid, die voor de Apen een zekeren eerbied koesterden. Dat de oude bewoners van het Nijldal ze onder de heilige dieren rekenden, kan men afleiden uit de beeldhouwwerken, waarop goden in de gedaante van Apen of althans met aapachtige lichaamsdeelen zijn voorgesteld. De Indiërs hebben reeds in overouden tijd tempels en huizen voor Apen gebouwd; ook thans nog komt deze vorm van dierenvereering bij de Hindoes voor. Andere volken der oudheid stelden belang in de Apen, zonder ze evenwel hooger te achten dan andere dieren. Zoo wordt van Salomo bericht, dat hij Apen uit Ophir liet komen. Van de Romeinen weet men, dat zij zich met de potsen dezer dieren vermaakten, of ze met gevangene wilde dieren lieten vechten, maar ook, dat zij hun minder genegenheid betoonden, dan aan andere huisdieren. Nog lager staan de Apen in de schatting der Arabieren, die ze met Allah’s vloek beladen achten, en hen houden voor een wonderlijke vermenging van het beeld des duivels met dat van den mensch.

Er is niet veel verschil tusschen het gevoelen, dat de Arabieren op deze wijze uitspreken, en den indruk dien de Apen op ons maken. Noode laten wij ons overtuigen, dat deze, op caricaturen van menschen gelijkende wezens, onze naaste verwanten in het dierenrijk zijn; hun naam wordt als scheldwoord gebruikt; aantrekkelijk vinden wij alleen zulke Apen, die zeer weinig op den mensch gelijken, terwijl juist die soorten, waarbij deze overeenkomst duidelijker in ’t oog valt, ons minder behagen. De oorzaak van onzen afkeer is te vinden in de eigenaardigheden van den lichaamsbouw, en niet minder in de handelingen der Apen: in sommige opzichten gelijken deze te veel, in andere te weinig op die van den mensch. In de menschelijke gestalte merken wij een volkomen evenredige ontwikkeling van alle lichaamsdeelen op; in den bouw van den Aap daarentegen zien wij dikwijls een gemis aan evenredigheid, dat afkeer wekt. Toch zou men den Apen groot onrecht aandoen, door ze, allen over één kam scherend, voor wanstaltige dieren uit te maken, zooals dikwijls geschiedt; zonder overdrijving mag men sommige Apen beeldschoon noemen, anders afschuwelijk leelijk vinden.—Maar, is het bij de menschen niet evenzoo gesteld? Zouden wij een Eskimo, een Bosjesman, een Nieuw-Hollander als model voor Apollo kiezen?—De slotsom, waartoe wij komen, is derhalve dat ons ongunstig oordeel over de Apen grootendeels voortvloeit uit de te hooge eischen, die wij hun stellen, wegens hun menschachtig voorkomen. Daarom worden verschijnselen, die men bij andere dieren zou dulden, bij hen afkeerwekkend geacht. De hooge begaafdheden, die de Apen werkelijk bezitten, worden minder gewaardeerd; omdat deze dieren in vele opzichten niet voldoen aan ’t geen onbillijkerwijze van hen verwacht wordt.

De grootte der Apen wisselt af binnen wijde grenzen: de Gorilla stemt, wat dit betreft, met een flinken, volwassen man, het Zijdeaapje daarentegen met een Eekhoorn overeen. Ook hun lichaamsbouw is zeer verschillend, zooals uit de namen “Mensch-, Honds- en Eekhoornapen” beter dan uit lange beschrijvingen blijkt. Er zijn zwaar gebouwde en slanke, logge en sierlijke Apen; sommige hebben dikke, andere schrale ledematen; de meeste bezitten een langen, eenige een korten, enkele in ’t geheel geen staart. Even ongelijk is de beharing: hier dun, daar dicht; de kleur van huid en haar is meestal somber, bij sommige echter vroolijker; eenige zijn ook in dit opzicht fraai. Ook bij de Apen vindt men soms albinisme, d.i. het niet ontwikkeld zijn van de huidkleurstof. In Siam, het land van den witten Olifant, waar albinos uit de dierenwereld in de mode schijnen te zijn, stelt men hoogen prijs op mooie, witte, tamme Apen. De Apen komen, wat inwendig maaksel betreft, meer met elkander overeen, dan men op grond van hun uiterlijk zou kunnen verwachten. Het geraamte bevat 12 à 16 [2] rugwervels, 4 à 9 lendewervels, 2 à 5 heiligbeen- en 3 à 33 staartwervels; het sleutelbeen is krachtig ontwikkeld; de voorarmbeenderen zijn onderling niet vergroeid en ten opzichte van elkander zeer bewegelijk; de handwortelbeenderen zijn langwerpig, sommige vingerkootjes echter zeer kort; aan den voet valt de binnenteen in ’t oog, die den naam “duim” verdient, daar hij tegen de toppen der overige teenen gedrukt kan worden, of, zooals men het noemt, “tegenoverstelbaar” is. De vorm van den schedel loopt zeer uiteen, al naar het aangezicht meer of minder vooruitsteekt, en de schedelholte meer of minder ruim is. De oogen zijn naar voren gericht, in holten gelegen, die door krachtige beenderen begrensd zijn; de jukbogen staan niet ver van den schedel af. Het gebit bevat alle 3 soorten van tanden; in elke kaakhelft 2 snijtanden, 1 hoektand, welke dikwijls aan dien der Roofdieren herinnert wegens zijn buitengewoon sterke ontwikkeling, 2 of 3 kleine (of valsche) en 3 ware (of groote) kiezen. Onder de spieren verdienen die van de hand onze aandacht, omdat zij veel eenvoudiger zijn dan die van de menschelijke hand. Het strottenhoofd is niet geschikt voor een spraak, welke te vergelijken is met die van den mensch; bij velen echter wordt het voortbrengen van gillende en huilende geluiden door zakvormige verwijdingen van de luchtpijp bevorderd. Zeer opmerkelijk zijn verder de wangzakken, die bij eenige groepen van Apen voorkomen. Dit zijn uitstulpingen van den wand der mondholte, welke met de mondholte in gemeenschap staan door een achter den mondhoek gelegen opening, en als tijdelijke bergplaats voor voedsel dienen. Bij de Meerkatten, Makaken en Bavianen bereiken zij de grootste ontwikkeling; bij de Mensch-apen en de Apen van de Nieuwe Wereld ontbreken zij volkomen.

Men noemt de Apen dikwijls Vierhandigen, en plaatst tegenover hen de Tweehandigen of Menschen op grond van verschillen in den bouw van hand en voet. Hoewel deze verschillen duidelijk in ’t oog vallen, zijn zij echter niet belangrijk genoeg, om een diepe scheiding tusschen deze twee groepen te wettigen. Als de handen en voeten van de menschen met de gelijknamige lichaamsdeelen van de Apen worden vergeleken, blijkt het, dat zij bij beide groepen naar denzelfden oervorm gebouwd zijn. Een aan de overige vingers tegenoverstelbare duim komt bij de menschen alleen aan de handen, bij de Klauwapen alleen aan de voeten, bij de overige Apen aan handen en voeten voor. Het onderscheid tusschen de handen en voeten der Apen en die van den mensch is niet gering; het wordt echter overschat, als daarin een reden wordt gezocht voor de plaatsing dezer wezens in twee (zij het dan ook opeenvolgende) orden. Zoodoende zou men de klove, die den mensch van de Apen scheidt, met een anderen maatstaf meten, dan die, welke bij onderlinge vergelijking van de andere Zoogdieren wordt gebruikt.

Met het oog op de rangschikking minder belangrijk, maar uitstekend geschikt om het onderscheid tusschen de Apen ende menschen te doen uitkomen, zijn de volgende zeer in ’t oog vallende eigenaardigheden: schraal, behaard lichaam, lange armen, dunne beenen zonder kuiten, onbehaarde eeltplekken aan het zitvlak bij vele soorten, een dikwijls lange, zelden ontbrekende staart en vooral de vorm van den kop met zijn kleinen, naar achteren verschoven schedel en dunne, opeengeknepen lippen. Oken, de overeenkomst tusschen de Apen en den mensch besprekend, zegt: “De Apen gelijken op den mensch, voor zoover deze slechte gewoonten en onhebbelijkheden heeft. Zij zijn boosaardig, valsch, listig, diefachtig en onwelvoeglijk; zij leeren een menigte potsen maken; maar zijn ongehoorzaam, en bederven dikwijls de pret door midden in het spel een onbeschofte kwajongensstreek uit te halen. De Apen onderscheiden zich door geen enkele deugd; voor den mensch zijn zij in geen enkel opzicht nuttig. Hunne diensten—op schildwacht staan, bedienen, allerlei dingen halen—bewijzen zij slechts zoo lang, tot hun een kuur aanwaait. Zoowel in lichamelijk als in zedelijk opzicht vereenigen zij de slechte eigenschappen van den mensch in zich.”

Deze schildering is, wat de hoofdzaken betreft, niet onjuist. De billijkheid gebiedt ons echter, om ook op eenige werkelijk goede zijden van het apenkarakter de aandacht te vestigen. Het is niet gemakkelijk, over hunne geestesgaven en gebreken een algemeen oordeel te vellen, omdat de Apen onderling te dezen aanzien groote verschillen aanbieden. Het valt niet te loochenen, dat de Apen boosaardig, listig, gluiperig, opvliegend, wraakzuchtig, in alle opzichten zinnelijk, misnoegd, twistziek en heerschzuchtig, prikkelbaar en ontevreden, in één woord hartstochtelijk zijn; men mag echter niet vergeten, hoe verstandig en vroolijk, zachtaardig en teeder, vriendelijk en vertrouwelijk ten aanzien van den mensch zij zich dikwijls betoonen, hoeveel genoegen zij hem verschaffen door hun gezelligheid en vermakelijken ernst, door hunne vaak zeer onschuldige grappen en plagerijen,—hoeveel moed zij laten blijken, waar het welzijn van anderen op het spel staat, hoe dapper zij het gezelschap, waartoe zij behooren, verdedigen, zelfs tegen vijanden, die machtiger zijn dan zij. In één opzicht munten alle Apen uit, n.l. door de liefde, die zij aan hunne jongen bewijzen, door hun medelijden met zwakken en hulpbehoevenden, dat niet beperkt blijft tot dieren van hun eigen soort of eigen familie, maar zich ook uitstrekt over wezens, die tot andere orden, ja zelfs tot andere klassen van het dierenrijk behooren.

Hoewel de Apen, wat de verstandelijke ontwikkeling betreft, die zij bereiken kunnen, niet duidelijk hooger staan dan de overige Zoogdieren (met uitzondering van den mensch), staan zij toch ook niet zooveel lager dan de mensch, als door sommigen beweerd, door anderen aangenomen wordt. Het bezit van handen verschaft den Aap zulke groote voorrechten boven vele dieren, dat het door hem verrichte werk niet zelden merkwaardiger schijnt, dan het werkelijk, is. Hij is vatbaar voor leering; de zucht tot nabootsing, die aan vele leden van zijn geslacht eigen is, maakt hun het aanleeren van kunstjes en het verkrijgen van handigheid gemakkelijk. Na korte oefening is de Aap in staat tot allerlei verrichtingen, die een ander dier, b.v. een Hond, veel moeite kosten. Hierbij valt echter op te merken, dat hij het door hem geleerde kunstje altijd slechts met een zekeren tegenzin vertoont, en er nooit vermaak in vindt, of er mede ingenomen is. Het is niet moeielijk een Aap te gewennen aan het verrichten van allerlei werkzaamheden; hij zal hierbij echter nooit zoo zorgvuldig en nauwgezet te werk gaan, als een goed gedresseerde Hond. Verliezen wij hierbij echter niet uit het oog, dat de Hond reeds gedurende duizenden van jaren door den mensch gefokt, verzorgd, onderricht en ontwikkeld werd, en hierdoor een geheel ander wezen is geworden, dan hij vroeger was; terwijl het den Aap ontbroken heeft aan de gelegenheid om met den mensch in nadere aanraking te komen. Wat Apen kunnen uitvoeren, zal blijken uit hetgeen wij van hun levenswijze zullen mededeelen; deze levert het bewijs, dat zij terecht tot de verstandigste van alle dieren zijn gerekend. Een hooge mate van overleg kan men hun [3] niet ontzeggen. Hun geheugen is uitmuntend; zij weten een verstandig gebruik te maken van opgedane ervaringen, en met echte sluwheid en list steeds hun voordeel te zoeken. Meesterlijk verstaan zij de kunst van veinzen; dikwijls laten zij niet merken, welke heillooze plannen hunne hersenen smeden. Behendig weten zij aan gevaren te ontkomen, op voortreffelijke wijze beramen zij middelen, om bij herhaling van de onderneming niet opnieuw aan dezelfde gevaren bloot te staan. Hoe het met hun gemoed gesteld is, valt af te leiden uit de liefde, genegenheid en dankbaarheid, die zij laten Wijken, en uit de welwillendheid, die zij toonen na een goede behandeling.

Opmerkelijk is het, dat alle Apen, hoe verstandig zij ook zijn, zich op de onnoozelste wijze laten verschalken en bedotten. Dikwijls wordt hun verstand volkomen beheerscht door hunne hartstochten. Als deze ontwaakt zijn, zien zij zelfs de lompste val over ’t hoofd; het onbedwingbaar verlangen naar bevrediging van hunne begeerten, doet hun de zorg voor hun veiligheid geheel uit het oog verliezen. Zelfs de schranderste Apen—en ook vele menschen, wien het niet aan verstand ontbreekt—laten zich op deze wijze door hunne hartstochten beheerschen. Of men hierom het recht heeft, het verstand der Apen gering te schatten, is te betwijfelen.

De Apen waren in vroegere tijdperken van de ontwikkelingsgeschiedenis onzer planeet over een grooter deel van den aardbodem verbreid dan thans. Hun tegenwoordig vaderland is beperkt tot de warme gedeelten der aarde. Een gelijkmatige warmte schijnt een levensvoorwaarde voor hen te zijn. Hoewel eenige Bavianen in het gebergte tot op vrij groote hoogte komen, en daar geringere warmtegraden verdragen dan men zou vermoeden, zijn toch verreweg de meeste Apen hoogst gevoelig voor koude. Ieder werelddeel bezit zijn eigen soorten; Azië en Afrika hebben er minstens één gemeen. In Europa komt slechts één soort van Apen voor, en hiervan slechts een enkele troep, die op de rotsen van Gibraltar onder bescherming van de bezetting der vesting leeft (p. 30). In Australië ontbreken zij geheel. Gibraltar (36° N.-B.) is niet de noordelijkste plaats, waar Apen in ’t wild voorkomen, een Japansche Makake gaat nog verder noordwaarts, ongeveer tot op 37° N.-B. In het Zuidelijk Halfrond reikt het verbreidingsgebied der Apen tot 35° Z.-B., doch slechts in de Oude Wereld. De woonplaatsen van de Apen der Nieuwe Wereld zijn gelegen tusschen 28° N.- en 29° Z.-B.

De verbreidingskring van elke soort is nog al beperkt, hoewel er voorbeelden van zijn, dat in ver uiteenliggende landen van een zelfde werelddeel bepaalde, zeer veel op elkander gelijkende soorten elkander vervangen.

De meeste Apen behooren in de bosschen thuis; in rotsachtige gebergten vindt men de overige, weinig talrijke soorten. Daar hun lichaam voor het klimmen ingericht is, vormen de boomen hun meest geliefde verblijfplaats; de op rotsen thuis behoorende Apen klimmen slechts in geval van nood in boomen.

Ongetwijfeld behooren de Apen tot de levendigste en bewegelijkste zoogdieren. Terwijl zij bezig zijn voedsel te zoeken, zijn zij geen oogenblik in rust. Voor een deel is de verklaring hiervan te vinden in het feit, dat nagenoeg al wat gegeten kan worden, hun als voedsel welkom is. Vruchten, bollen, knollen, wortels, zaden, noten, knoppen, bladen en sappige stengels vormen den hoofdschotel van hun maal; insecten worden echter niet versmaadt, eieren en jonge vogeltjes, als lekkernijen beschouwd. Daarom vinden zij overal wat te bekijken, te grijpen of af te plukken, te besnuffelen of te proeven; het beste wordt opgegeten, het overige weggeworpen. Dieren, die op deze wijze voedsel zoeken, maken veel beweging. Daarom komt de apenbende geen oogenblik tot rust. Van eigendomsrechten hebben deze schelmen een uiterst beperkt begrip. “Wij zaaien, maar de Apen oogsten,” zeggen de Arabieren van Oostelijk-Soedan. Akkers en tuinen worden als allerbekoorlijkste plekjes beschouwd, en zooveel mogelijk geplunderd. Iedere Aap vernielt, als de gelegenheid schoon is, tienmaal meer dan hij opeet. Tegen zulke spitsboeven baten geen sloten of grendels, geen heggen of muren; zij maken de sloten open, klimmen over de muren, en wat zij niet opeten kunnen, nemen zij mede, goud en edelgesteente incluis. Men moet met eigen oogen een troep Apen hebben gezien, die op roof uitgaat, om zich goed te kunnen voorstellen, dat een boer zich over deze dieven halfdood kan ergeren. Voor wie er geen schade door lijdt, levert echter de Aap, die, aan een rooftocht deelnemend, al zijn kracht en vlugheid ontwikkelt, een hoogst interessant schouwspel op. Hij toont zijn bekwaamheid in ’t loopen, springen, klauteren, potsen maken en desnoods ook in ’t zwemmen. De kunstjes, die hij in de boomen verricht, grenzen aan het ongeloofelijke. Alleen sommige Menschapen en Bavianen zijn log in hunne bewegingen, de overige Apen zijn volleerde acrobaten; ’t is alsof zij kunnen vliegen. Sprongen van 6 à 8 meter zijn voor hen kleinigheden. Van den top van een boom springen zij 10 M. diep naar beneden op het einde van een tak, zoodat deze door den schok ver naar beneden buigt. Terwijl de tak terugveert, nemen zij een grooten zwaai, strekken den staart of de achterpooten als een roer lijnrecht naar achteren, en schieten als een pijl door de lucht vooruit. Als het doel van den sprong bereikt is, gaan zij dadelijk verder; zelfs over struiken met dreigend naar alle zijden gerichte doornen gaan zij als over een parketvloer. Een slingerplant is voor den Aap een hoogst gemakkelijke trap, een boomstam een gebaande weg. Zij klimmen voor- en achteruit, op den tak liggend of er onderaan hangend. Als men er een omhoog werpt in de kroon van een boom, grijpt hij met de eene hand een takje, hangt er geduldig aan, totdat de tak ophoudt zich te bewegen, klautert er dan bij omhoog, en gaat even onbeschroomd verder, alsof hij zich op den vlakken bodem bevond. Als de eerste tak breekt, grijpt hij gedurende den val een tweeden; als ook deze bezwijkt, zal een derde hem toch wel kunnen dragen; desnoods laat hij zich onbezorgd vallen. Wat hij met de voorhand niet grijpen kan, pakt hij met de achterhand. Bij vele Apen met breed neusmiddelschot is de staart een grijporgaan. Alle Apen gebruiken dit lichaamsdeel als roer of balanceerstok bij ’t maken van groote sprongen; bovendien dient het echter nog voor allerlei andere doeleinden, zelfs als ladder voor den eerstvolgenden Aap. Bij de Breedneuzige Apen wordt de staart een vijfde,—neen, een eerste hand. Het geheele dier hangt er aan, wiegelend of schommelend, naar welgevallen; het haalt er voedsel mede uit spleten en reten, bedient er zich soms van als van een ladder, en wanneer de Aap een middagslaapje wil houden, werkt de staart mede tot het vormen van een hangmat.

Gemakkelijk en sierlijk zijn de bewegingen dezer dieren echter alleen bij ’t klimmen. Zelfs de Menschapen, zijn zeer bedreven in deze kunst, hoewel zij, althans de hoogst ontwikkelde, meer op de wijze van den mensch, dan op die van de overige leden hunner orde klimmen. De gang der Apen is altijd eenigszins [4] log en plomp. Het best nog is de gang van de Meerkatten, Makaken, Rolapen en Klauwapen. Gedurende korten tijd kunnen de Meerkatten zelfs zoo vlug loopen, dat gewone Honden ternauwernood in staat zijn ze in te halen; reeds de Bavianen echter hebben een grappig hompelenden gang. Zeer gebrekkig is deze bewegingswijze bij de Mensch-apen, zoodat zij ternauwernood den naam van gang verdient. Terwijl hun geheele zool op den grond rust, steunen zij tevens op de knokkels van de naar de handpalm gekromde vingers, en slingeren daarna het lichaam op logge wijze voorwaarts, zoodat de voeten tusschen de handen komen te staan.

Eenige Apen kunnen uitmuntend zwemmen, anderen zakken als een steen in de diepte weg. Het eerste geval doet zich voor bij de Meerkatten; ik zag eenige van deze dieren met groote snelheid den Blauwen Nijl overzwemmen. Tot de minst bekwame zwemmers behooren waarschijnlijk de Bavianen en misschien ook de Brulapen. Deze schuwen het water in hooge mate; men heeft een bijna verhongerde familie van Brulapen gevonden op een boom, welks voet na een overstrooming door het water omgeven was; de Apen hadden zich niet door het water heen naar de op ’t droge staande boomen durven begeven, ofschoon deze nauwelijks 60 schreden van hen verwijderd waren. Ulloa, die over Braziliaansche dieren schreef, heeft een aardige brug uitgevonden, die aan de arme, in ’t zwemmen onbedrevene Brulapen stellig goede diensten zou bewijzen, indien zij er slechts gebruik van wilden maken. Hij verhaalt, dat elke Brulaap zich met de handen aan den staart van zijn buurman vasthoudt, en dat het geheele gezelschap op deze wijze een keten vormt, waarvan de schalmen Apen zijn; deze keten hangt aan den om een boomtak geslingerden staart van den eersten Aap, en wordt door de vereenigde krachten van alle leden aan ’t slingeren gebracht, totdat de onderste Aap een tak van een op den anderen oever staanden boom heeft gegrepen. Over de op deze wijze geslagen brug wandelen eerst de jonge en zwakkere Apen naar den anderen oever, terwijl daarna de eerste Aap zich loslaat, en de geheele keten door den laatsten naar zich toe getrokken wordt. De prins Von Wied, een zeer nauwgezet onderzoeker noemt dit verhaal bij zijn rechten naam: “een grappige fabel.”

Het gezelschapsleven van de Apen is voor den waarnemer zeer aantrekkelijk. Slechts weinige soorten leven eenzaam; de meeste vereenigen zich tot benden. Ieder van deze kiest zich een vast woongebied uit, dat meer of minder uitgestrekt kan zijn. Geregeld valt de keuze op een streek, die hun in alle opzichten gunstig gelegen voorkomt. Er moet daar iets te kraken of te kauwen zijn, anders verhuist de bende naar een ander oord. Bosschen in de nabijheid van door den mensch ontgonnen velden zijn in arme streken voor hen een hof van Eden; om den verboden boom van dit paradijs bekommeren zij zich niet, als de appels maar goed smaken. De voorkeur geven zij aan maïs- en suikerrietvelden, aanplantingen van bolgewassen, ooftboomen meloenen en bananen. Dorpen, waar ieder die deze onbeschaamde spitsboeven straft, den bijgeloovigen toorn van de bewoners heeft te vreezen, hebben bij de Apen een streepje voor. Zoodra de leden van de bende het met elkander eens geworden zijn over de keuze van een woonplaats, begint het ware apenleven met al zijn vermaak en vroolijkheid, zijn moeite en strijd, zijn nood en zorgen. Het sterkste of oudste, en dus bekwaamste, mannelijke lid van de horde werpt zich op als aanvoerder of apenhoofdman. Het bezit van deze waardigheid is niet op het algemeen stemrecht gegrond, maar wordt eerst verworven na zeer hevige twisten en gevechten met andere liefhebbers, d.i. met alle overige mannetjes. Van de langste handen en de krachtigste armen hangt de beslissing af. Wie niet goed willig gehoorzamen wil, wordt zoolang op beten en stompen getracteerd, tot hij in zijn noodlot berust. De kroon komt aan den sterksten toe: in zijne tanden ligt zijne wijsheid.

Voor zoover er van een apentaal sprake kan zijn, mag men haar rijk noemen: iedere Aap heeft althans zeer afwisselende geluiden voor verschillende aandoeningen tot zijne beschikking. Ook de mensch leert weldra de beteekenis van deze geluiden kennen. Vooral het geschreeuw dat ontsteltenis beteekent, en altijd een aansporing tot vluchten inhoudt, is zeer eigenaardig. Hoewel het zeer moeilijk te beschrijven, en nog minder gemakkelijk na te bootsen is, kan men er toch dit van zeggen: het bestaat uit een aantal opeenvolgende, kort afgebrokene, als ’t ware trillende en wanluidende klanken, welker waarde de Aap door gezichtsverdraaiingen nog sterker doet uitkomen. Zoodra dit waarschuwend signaal gehoord wordt, slaat de bende zoo schielijk mogelijk op de vlucht. De moeders roepen hare kinderen tot zich, die in een oogwenk aan haar lichaam hangen, en begeven zich met deze dierbare vracht ten spoedigste naar den naastbijgelegen boom of rots. Eerst als de apenhoofdman tot bedaren is gekomen, voegen de leden van de bende zich weer bijeen, om na korten tijd van beraad naar het zoo even verlaten oord terug te keeren, en de gestoorde plundering te hervatten.

Het valt niet te ontkennen, dat de Apen moedig zijn. De sterkste Apen bieden zelfs aan vreeselijke Roofdieren en aan den nog gevaarlijker mensch onverschrokken weerstand, en vangen een strijd aan, welks uitslag voor menigen aanvaller op zijn minst genomen twijfelachtig is. Zelfs de slank gebouwde Meerkatten grijpen hunne tegenstanders aan, wanneer zij getergd worden, of in ’t nauw gebracht zijn. De groote Menschapen en de Bavianen bezitten in hunne tanden vreeselijke verdedigingsmiddelen: zonder vuurwapen durft geen inboorling een Baviaan bevechten. In den strijd met den Gorilla is de neger, zelfs wanneer hij met een geweer gewapend is, niet altijd zeker van de zege. Steeds zijn de Apen door de onvergelijkelijke woede die hen bezielt, als zij zich verdedigen, en die hunne krachten zeer doet toenemen, hoogst gevaarlijke tegenstanders; terwijl de behendigheid, die aan al deze dieren eigen is, den vijand maar al te vaak de gelegenheid beneemt, hun een wonde toe te brengen die den strijd beslist.

Zij vechten met handen en tanden: zij slaan, krabben en bijten. Algemeen verbreide verhalen over andere wijzen van verdediging zijn door zorgvuldige waarnemingen uit lateren tijd niet bevestigd. “Men verhaalt,” zegt Pechuel-Loesche, “dat de Apen zich met afgebroken takken verweren; vrij algemeen neemt men aan, dat zij steenen, vruchten, stukken hout en andere voorwerpen van boven af op hunne tegenstanders werpen. Deze meening berust waarschijnlijk op onjuiste gevolgtrekkingen. Zij die haar voorstaan en verbreiden, zagen misschien alleen dat, wat zij op grond van vroegere berichten meenden te zullen zien, niet dat, wat werkelijk gebeurde. De in boomen levende Apen breken bij hun dartel spel, bij ’t springen, schommelen en rondtasten, allicht dorre takken af; zij smijten er echter niet mede naar iemand, die zich toevallig onder hen bevindt; evenmin doen zij dit met vruchten en andere voorwerpen, die zij misschien in de handen [5] hebben, en natuurlijk laten vallen, als zij verschrikt worden en vluchten. Ook de Bavianen denken er niet aan, van hunne standplaatsen op de rotsen steenen op hunne vervolgers te werpen. Wel vallen en rollen van daar rotsblokken en gruis naar beneden; dit geschiedt echter steeds bij toeval, n.l. ook dan, als er geen vijand te zien is. Vooral komt dit, doordat deze sterke Apen voortdurend ijverig bezig zijn, los liggende steenen om te keeren, om de hieronder verborgen dieren meester te worden.”

In den gevangen staat leven bijna alle soorten van Apen in vriendschap met elkander; ook dan echter merkt men bij hen weldra betrekkingen van heerschappij en onderhoorigheid op, soortgelijk aan die, welke tusschen de leden van een in vrijheid levende bende bestaan. De sterkste maakt zich meester van de opperheerschappij; hij onderdrukt en pijnigt zijne zwakkere metgezellen zoo lang, totdat deze zich in hun lot voegen. Het ligt niet in den aard van de Apen fijngevoelig te zijn; gedurig toonen zij hun overmoed zelfs tegenover innig geliefde pleegkinderen. Steeds zal men echter opmerken, dat groote soorten, zoowel mannetjes als wijfjes, zorg dragen voor kleinere, meer hulp behoevende Apen; sterke apinnen zijn zelfs begeerig naar kleine menschenkinderen en allerlei jonge dieren, die zich laten dragen. Zoo afschuwelijk de Apen zich overigens tegenover dieren gedragen, zoo lief zijn zij voor jongen van dieren of voor kinderen; de grootste liefde betoonen zij natuurlijk aan hun eigen jongen; daarom is de “apenliefde” spreekwoordelijk geworden.

Bij de meeste apensoorten brengt het wijfje slechts één jong ter wereld, bij weinige soorten komen tweelingen voor. Altijd is het jonge dier een klein, leelijk mormel, wiens ledematen dubbel zoo lang schijnen te zijn als die van zijne ouders, en wiens gezichtje veel meer gelijkt op dat van een grijsaard, dan op dat van een kind, zoo rimpelig en vol plooien is het. Dit monstertje is echter in nog veel hoogere mate de lieveling van de moeder, dan het bij de menschen in dergelijke gevallen pleegt te zijn. De moeder vertroetelt en verzorgt het op een roerende of—belachelijke wijze, al naar men het nemen wil: “les extrêmes se touchent” (de uitersten grenzen aan elkander); moederliefde is verheven of—belachelijk. Kort na zijne geboorte omvat het apekind met de beide voorhanden den hals van de moeder, terwijl het met de beide achterhanden zich aan hare liezen vasthoudt; op deze wijze hangend, heeft het de geschiktste houding om de moeder gedurende het loopen niet te hinderen en ongestoord te zuigen. Grooter geworden, springen de apenkinderen bij dreigend gevaar ook wel op de schouders en den rug hunner ouders.

In den beginne geeft het aapje natuurlijk nog geene bewijzen van liefde en genegenheid; de teederheid van de moeder is er des te grooter om. Altijd door heeft zij wat aan haar lieveling te verrichten; nu eens belikt zij hem, dan weer reinigt zij hem van ongedierte; nu eens drukt zij hem tegen zich aan, dan weer houdt zij hem met beide handen omhoog, alsof zij zich aan zijn aanblik wilde verlustigen; nu eens legt zij het kindje aan haar borst, dan weer schommelt zij het heen en weer, alsof zij het in slaap wilde wiegen. (Plinius beweert in vollen ernst, dat de apinnen hare jongen uit louter liefde dikwijls dood drukken; dit is echter in den nieuwen tijd nooit waargenomen.) Eenigen tijd later begint de jonge Aap allengs meer zelfstandig te worden; vooral verlangt hij af en toe eenige vrijheid. Deze wordt hem toegestaan. De moeder laat haar schootkind op den grond loopen; het mag met andere apenkinderen gekheid maken en spelen; zij wendt echter geen blik van haar jong af, en blijft voortdurend toezicht houden; gewillig gaat zij zijne schreden na, en veroorlooft het alles, wat zij toestaan kan. Bij het geringste gevaar snelt zij op haar kind toe, laat een zeer eigenaardig geluid hooren, en noodigt het hierdoor uit, aan haar borst een schuilplaats te zoeken. Ongehoorzaamheid bestraft zij met knepen en stompen, dikwijls met echte oorvijgen. Dit komt echter zelden voor, want het apenkind is zoo gehoorzaam, dat menig menschenkind er een voorbeeld aan zou kunnen nemen; gewoonlijk is het eerste bevel van de moeder voldoende. In de gevangenschap deelt deze, zooals ik meermalen opgemerkt, heb, elke bete brood trouw met haar voedsterling, en betoont dikwijls een werkelijk roerende deelneming in zijn lot. Bij gevangen Apen heeft de dood van een kind steeds het sterven van de moeder ten gevolge; zij bezwijkt van verdriet. Als de apin echter vóór haar jong sterft, neemt het eerste beste medelid van de bende het weesje als kind aan, en dit doen mannetjes zoowel als wijfjes. De liefde, die aan een pleegkind wordt bewezen, is nauwelijks geringer dan die, welke aan een eigen kind ten deel valt; bij voedsterlingen, die tot andere diersoorten behooren, is dit echter anders; hier toont de Aap zich dikwijls een onverklaarbaar raadsel. Hij past zijn aangenomen kind zoo goed mogelijk op, drukt het tegen zich aan, bevordert zijn welzijn door het te vlooien of op een andere wijze te reinigen, houdt het steeds in ’t oog enz., maar—geeft het gewoonlijk niets te eten, eet het voedsel, dat voor ’t pleegkind bestemd is, zonder gewetensbezwaar zelf op, en houdt, terwijl hij zelf eet, het hongerige kleintje zorgvuldig van den etensbak verwijderd.

Gorilla (Gorilla gina).

Gorilla (Gorilla gina).

Men heeft nog niet kunnen uitmaken, hoeveel jaren de Aap gemiddeld voor zijn groei noodig heeft. Dat de jeugd bij de groote soorten langer duurt, dan bij de kleine, spreekt vanzelf. De Meerkatten en de Amerikaansche Apen zijn waarschijnlijk in 3 of 4 jaar geheel volwassen; de Mensch-apen en de Bavianen hebben vermoedelijk 8 à 12 jaar voor het bereiken van hun vollen wasdom noodig.—In de vrije natuur zijn de Apen, naar het schijnt, aan weinig ziekten blootgesteld; epidemieën heeft men althans onder hen niet waargenomen. Hoe oud zij kunnen worden, is niet uit te maken; men mag echter wel aannemen, dat de vertegenwoordigers van de grootste soorten om en bij de 40 jaar oud kunnen worden. Hier te lande hebben alle Apen zeer veel te lijden van het ongunstige klimaat. De koude hindert hen zeer: zij ontstemt hen, doet hen stil en treurig worden. Gewoonlijk beginnen zij ook spoedig aan longtering te lijden, en deze maakt in den regel schielijk een einde aan hun leven. Een zieke Aap levert een schouwspel op, dat ieder mensch moet treffen. Het arme dier, dat vroeger zoo vroolijk ronddartelde, en nu treurig en lijdend stil zit, werpt den medelijdenden bezoeker een erbarmelijk smeekenden blik toe, ja ziet hem aan met een echt menschelijke uitdrukking op ’t gelaat. Hoe meer het einde van den Aap nadert, des te zachtzinniger wordt hij; het dierlijke gaat verloren, en de edelere eigenschappen van den geest treden duidelijker aan ’t licht. Elk hulpbetoon wordt met groote dankbaarheid aanvaard, hij leert in den arts zijn weldoener kennen, neemt de hem aangeboden geneesmiddelen gewillig in, en ondergaat zelfs heelkundige kunstbewerkingen zonder tegen te spartelen. Zelfs bij overigens gezonde Apen neemt men in den regel weldra een ziekte waar aan den staart, bestaande in het zeer worden en etteren [6] van de spits, die weldra door het koud vuur wordt aangetast, waarna het eene stuk na het andere er afvalt.

Ik weet niet, of ik eenigen Aap als huisgenoot mag aanbevelen. Het zijn lastige klanten, die veel genoegen kunnen geven, maar nog veel meer ergernis wekken. Allerlei kwajongensstreken heeft men van hen te wachten, en van deze krijgt men weldra overvloedig zijn bekomst, voor zoover men geen studie maakt van de verstandelijke vermogens der Apen. De grootste soorten worden bovendien soms gevaarlijk, doordat zij vreeselijk bijten en krabben. Als vrij rondloopend huisdier is de Aap niet te dulden, omdat zijn altijd opgewekte geest voortdurend bezigheid verlangt. Als zijn meester hem deze niet verschaft, zal hij haar zelf zoeken, en haar vinden in handelingen, die ons hinderlijk of nadeelig zijn. Eenige soorten zijn door hun onwelvoeglijk gedrag onuitstaanbaar.

De handel en wandel van de tamme, bijna als huisdieren levende Apen van het station der Loango-expeditie, waar, behalve Gorillas en Chimpanzees, ook nog verscheidene soerten van Meerkatten, Mandrillen en een Mooraap (p. 27) aanwezig waren, wordt door Pechuel-Loesche op de volgende wijze beschreven. “Het was een zeer merkwaardige karaktertrek van onze Apen, dat zij ieder het een of ander wezen of voorwerp kozen, waaraan zij hunne bijzondere genegenheid schonken, of althans veel zorg wijdden. Hieruit ontsproten de zonderlingste vriendschappelijke verhoudingen. Het is waarschijnlijk algemeen bekend, dat Apen dikwijls zonder dat hiervoor een bepaalde reden bestaat, de jongen van andere dieren, ook wanneer zij tot andere soorten behooren, opnemen, op de zorgvuldigste wijze beschermen, en zelfs van hunne lijken geen afstand willen doen. Toen onze Herdershond Trine jongen had gekregen, en deze vol vlooien zaten, brachten wij ze bij de Meerkatten in het apenhuis. Daar werden zij vol vreugde aangenomen, even vlijtig als zorgvuldig gezuiverd en geliefkoosd, terwijl de oude Hond van buiten met welgevallen het spel aankeek. Een groot kabaal ontstond er echter, toen wij de pleegkinderen weer weghaalden; zij waren reeds onder de bewoners van het apenhuis verdeeld, en deze waren blijkbaar voornemens, ze voortdurend te behouden.

“De dartele Mooraap was een onafscheidelijke metgezel van den Gorilla en van den beheerscher van het erf, den prachtigen, gladharigen hamel Mfoeka. De Baviaan Jack had vriendschap gesloten met een welgedane big, en beproefde op diens rug dikwijls de curieuste ruiterskunsten; later werd de plaats van het vroolijke varkentje ingenomen door een halfvolwassen Hond, waarmede Jack dikwijls op de potsierlijkste wijze speelde. De slecht gehumeurde Isabella had een grauwen Papegaai uitverkoren; toen ze hem echter op een goeden keer de fraaie, roode staartvederen een voor een begon uit te rukken, kwam er een einde aan dezen merkwaardigen vriendschapsbond.”

In vergelijking met de ondeugden, die den Aap eigen zijn, de dwaasheden die hij begaat, is het voordeel dat hij oplevert, onbeduidend. Het is zeer gemakkelijk hem allerlei kunstjes te leeren verrichten. De gewone methode is: hem duidelijk voor te doen, wat men van hem verlangt, en hem daarna zoo lang te ranselen, tot hij het kunstje nadoet; hierop berust de geheele paedagogiek, die bij de Apen gevolgd wordt en moet worden! In den regel leert het te dresseeren dier binnen 1 of 2 uur een kunstje; men moet het hem echter van tijd tot tijd laten herhalen, daar hij het spoedig weer vergeet.—De voeding levert geen bezwaar op; al wat voor den mensch bruikbaar is, gebruikt hij ook.

In hun vaderland, voor zoover het een niet zeer door de natuur begunstigde, maar toch door menschen bewoonde streek is, doen de Apen veel meer kwaad dan zij nut geven. Het vleesch van eenige soorten wordt gegeten, van andere wordt het vel voor pelswerk, zakjes, enz. gebruikt; dit geringe voordeel komt echter in geen vergelijking met de buitengewoon groote schade, die de Apen in bosch, veld en tuin aanrichten; het is werkelijk onbegrijpelijk, dat de Indiërs ook thans nog de Apen als heilige dieren beschouwen, en ze beschermen, alsof zij half-goden zijn.


Wij verdeelen de orde der Apen in drie familiën: de Smalneuzen (Catarrhini), de Breedneuzen (Platyrrhini) en de Klauwapen (Ardopitheci). De beide eerstgenoemde hebben aan alle vingers en teenen platte nagels; de Klauwapen hebben alleen aan den duim der achterste ledematen een platten nagel, terwijl de overige vingers en teenen met klauwen voorzien zijn. De Smalneuzen en Breedneuzen verschillen onderling, vooral ten aanzien van het neusmiddelschot en van het gebit. Het neusmiddelschot is bij de eene groep breed, bij de andere smal; de neusgaten zijn hierdoor bij de Smalneuzen meer naar voren, bij de Breedneuzen zijwaarts gericht. De Smalneuzen komen alleen op het Oostelijk Halfrond voor: het zijn “Apen van de Oude Wereld”; de Breedneuzen en Klauwapen daarentegen—de “Apen van de Nieuwe Wereld”—zijn tot Amerika beperkt.

De Smalneuzen gelijken op den Mensch, wat neusmiddelschot en gebit betreft. Zij verschillen er echter van, doordat in de bovenkaak, tusschen hoektand en snijtand, een ruimte voorkomt, waarin bij gesloten bek de spits van den grooten onderkaakshoektand past. Geen enkele Smalneus heeft een grijpstaart. De familie wordt gesplitst in twee onder-familiën: de Menschapen (Anthropomorpha) en de Honds-apen (Cynopithecini). Deze laten bij ’t gaan alleen den buitenrand van den voet op den bodem rusten, terwijl bij gene de geheele zool op den grond komt. Steeds missen de Mensch-apen den staart en de wangzakken; de meesten hebben geen eeltplekken op ’t zitvlak; deze komen daarentegen algemeen voor bij de Honds-apen, die dikwijls ook wangzakken en een staart hebben.

De Mensch-apen (Anthropomorpha) vormen de hoogst ontwikkelde groep van Apen; door hun lichamelijk maaksel, meer bepaaldelijk door den bouw en de plaatsing der oogen en ooren, komen zij het meest met den Mensch overeen. De voorste ledematen zijn langer, de achterste korter dan bij den Mensch. Zij hebben geen staart. De glad neerhangende beharing ontbreekt op het gelaat en de teenen. Van de vier bekende geslachten zijn twee—Gorilla en Chimpanzee—bewoners van Afrika; de Orang-Oetan en de Gibbon komen in Zuid-Azië voor.

Meer dan 2000 jaar geleden rustten de Carthagers een vloot uit met het doel om volkplantingen te stichten op de westkust van Afrika. Duizenden mannen en vrouwen, die met leeftocht en alle voor kolonisatie noodige hulpmiddelen voorzien waren, vertrokken op 60 groote schepen uit Carthago. De bevelhebber van deze vloot was Hanno, die zijne reis in een welbekend werk (Periplus Hannonis) beschreef. Gedurende de reis stichtte de bemanning van deze schepen zeven koloniën; door gebrek aan levensmiddelen werd zij genoopt vroeger terug te keeren dan aanvankelijk haar plan was. De koene zeevaarders waren trouwens de [8] Sierra-Leone-kust reeds voorbij, toen dit geschiedde. De genoemde Hanno nu doet in zijn reisverslag een mededeeling, die ook voor ons onderwerp belangrijk is. Deze luidt aldus: “Den derden dag, nadat wij van daar weggezeild waren en de vuurstroomen hadden doorkruist, kwamen wij aan een zeeboezem, de Zuiderhoorn geheeten. Op den achtergrond was een eiland met een meer, en hierin weer een eiland, waarop zich wilde menschen bevonden. De meesten van deze waren vrouwen met een behaard lichaam; de tolken noemden ze Gorillas. De mannetjes konden wij niet inhalen, toen wij ze vervolgden; zij konden gemakkelijk ontsnappen, daar zij door afgronden heen klommen en zich met rotsklompen verdedigden. Wij maakten ons meester van drie wijfjes, maar konden ze niet medenemen, omdat zij beten en krabden. Wij moesten ze daarom dooden, trokken haar echter het vel af, en zonden het naar Carthago.”—De huiden werden daar, naar Plinius bericht, in den tempel van Juno bewaard.

Het lijdt geen twijfel, dat Hanno met de wilde, behaarde menschen slechts een Mensch-aap kan hebben bedoeld. Ofschoon hij misschien Chimpanzees voor oogen heeft gehad, is zijn verhaal de aanleiding geweest, dat de reusachtigste van alle Apen “Gorilla” wordt genoemd.

De Gorilla—de Ndschina of Mpoengoe van de inboorlingen—(Gorilla gina), de eenige vertegenwoordiger van het geslacht Gorilla, is nagenoeg even groot als, daarentegen veel breeder geschouderd dan een stevige man. De hoogte bedraagt bij het mannetje van de zool tot de kruin gemeten, 165 a 190 cM, de schouderbreedte 95 cM. De wijfjes zijn kleiner. De lengte en sterkte van den romp en van de voorste ledematen, de ongeëvenredigd groote handen en voeten, welker middelste vingers en teenen van onderen door een vel vereenigd zijn, vormen de meest karakteristieke kenmerken van dit dier. De groote, stevige kop schijnt, tengevolge van de kortheid van den hals en de kolossale ontwikkeling der nekspieren, bijna onmiddellijk met den romp verbonden te zijn. Aan ’t gelaat vallen het meest in ’t oog: de vooruitstekende wenkbrauwbogen, de diep liggende oogen, de platte, breede neus en de door dikke lippen omlijste mondspleet, die geopend zijnde, een vreeselijk gebit laat zien. De tamelijk lange, ruige beharing vertoont donkere kleuren: grauw, bruin, ros. Onbehaard zijn het aangezicht tot aan de wenkbrauwen, het oor en ook de zijdelingsche en onderste gedeelten van hand en voet.

Nog is het niet mogelijk, het verbreidingsgebied van den Gorilla nauwkeurig te omschrijven. Naar het schijnt, is hij slechts in een betrekkelijk klein gedeelte van West-Afrika, en wel van Neder-Guinea, inheemsch. Tot dusver is hij gevonden in de kustlanden tusschen den evenaar en 5° Z.B., bij de rivieren Gabon, Ogowe en Danger, Ook bewoont hij, naar men zegt, de westelijke gedeelten van den Serro do Cristal, een bergketen, die op 200 Engelsche mijlen afstand van de kust tusschen Angola en de Kameroen-rivier ligt. Daar hij woudbewoner is, zal hij waarschijnlijk niet gevonden worden ten zuiden van den Kongo en ook niet ten oosten van den Serro do Cristal; vermoedelijk zal hij voorkomen, zoover de regenrijke en daarom met bosschen begroeide zone zich uitstrekt, dus ook ten noorden van den Ogowe en den Gabon, minstens tot in het Kameroen-gebied, misschien ook in sommige gewesten van Opper-Guinea, voor zoover zij op gelijke wijze door de natuur begunstigd zijn.

In vele oude en nieuwe berichten over den Gorilla zijn de overdreven voorstellingen en de sagen van de inboorlingen dooreengemengd met waarnemingen van den verslaggever zelf; dit geldt o.a. van de beschrijving, die de Amerikaan Du Chaillu van den Gorilla gaf, en waarmede hij indertijd veel opgang maakte. Evenals alle reizigers, die de gewesten bezochten, welke door Du Chaillu bezocht zijn, en met de hier levende menschen verkeerden, ben ik van oordeel, dat in zijn verhaal waarheid en verdichting op zonderlinge wijze met elkander afwisselen. Du Chaillu schrijft, evenals zijne voorgangers, wat hij heeft hooren vertellen, maar geeft aan zijne berichten, welke met die van latere onderzoekers in vele opzichten niet overeenstemmen, den aangenameren vorm van persoonlijke ervaringen. Hier worde alleen een plaats ingeruimd aan hetgeen Du Chaillu zegt van een in zijn bezit geraakten jongen Gorilla:

“Den 4en Mei overmeesterden eenige negers, die op mijn last jaagden, een jongen Gorilla. Ik kan geen woorden vinden, om de opgewondenheid te beschrijven, die mij beving, toen zij het kleine monster in het dorp brachten. De Aap was vermoedelijk 2 of 3 jaren oud en slechts 60 cM. hoog, maar zoo woedend en koppig, dat dit bij een volwassen dier niet erger had kunnen zijn. Mijne jagers vingen hem in het land tusschen den Rembo en het voorgebergte St. Katharina. Volgens hun verhaal gingen zij met hun vijven dicht bij een plaatsje aan de kust stil door het woud, toen zij een geknor hoorden, waarin zij onmiddelijk het geluid herkenden, waarmede de jonge Gorilla zijn moeder roept. Zonder aarzeling besloten zij er op af te gaan. Met het geweer in de hand slopen de dappere negers door de donkere wildernis. Zij wisten, dat de moeder in de nabijheid zou zijn, en rekenden er op, ook het mannetje te zullen ontmoeten; zij waren echter vast besloten alles op het spel te zetten om het jong, zoo mogelijk levend, machtig te worden. Het tafereel, dat zich weldra aan hen voordeed, was ook voor hen nog nieuw. Het jong zat op den grond, en was bezig bessen te plukken. Eenige schreden verder, zat een volwassen wijfje, dat zich aan dezelfde vruchtensoort te goed deed. Oogenblikkelijk maakten mijne jagers zich gereed om te vuren; dit was hun geluk, want de oude zag hen, juist toen zij op haar aanlegden. Gelukkig behoefden zij slechts éénmaal te schieten om haar te dooden. Door den knal der geweren verschrikt, liep het jong schielijk naar zijn moeder, en omvatte haar lichaam, waartegen het zijn gelaat aandrukte. Voor de snel naderbij komende jagers werd het echter bang; het liep naar een dunnen boom, klom er zeer behendig in, en keek, toen het zich in de kroon had neergezet, onder woedend gebrul naar zijne beneden staande vervolgers, die, zonder zich te bekommeren om het gevaar van door het woedende beest gebeten te worden, den boom omhakten, en met hem den Aap ten val brachten, wien zij onmiddellijk een doek over den kop wierpen, om hem gemakkelijker te kunnen binden. Toch kostte dit moeite, daar het jonge dier een wonderbaarlijke spierkracht bezat, en niets minder dan goedaardig was. Het gelukte den jagers, het mede te voeren door gebruik te maken van een werktuig, dat ook dient om slaven in bedwang te houden, en uit een houten vork bestaat, welker beide takken door een dwarshout aaneen verbonden worden, nadat de hals van den gevangene er in gedrukt is. Toen de Gorilla uit de boot was getild, waarin hij gedurende een deel van den weg vervoerd werd, gaf hij door woedend gebrul en geblaf en door de woeste blikken, die hij op de ijlings toegesnelde, verschrikte dorpelingen wierp, duidelijk te kennen, dat hij niet [9] nalaten zou zich te wreken, zoodra de gelegenheid hiervoor zich voordeed. Ik zag, dat hij aan den hals gewond was door het slavenjuk, en liet daarom ten spoedigste een hok voor hem maken. Twee uren later was een stevig bamboeshuis voor dit doel gebouwd, en konden wij het dier tusschen de palen door veilig bespieden. Het was een jong mannetje, ontwikkeld genoeg om zich zelf te redden, en voor zijn leeftijd buitengewoon krachtig. Het gelaat en de handen waren zwart, de oogen echter niet zoo diep ingezonken als bij de oude dieren; de borst en de buik waren weinig, de armen sterker behaard. Het haar van de wenkbrauwen en van de armen, dat een roodachtig bruine kleur had, was pas begonnen te groeien; de bovenlip was met korte haren bedekt; de onderlip droeg een korten baard; de rug was bezet met grijsachtig haar, dat in de buurt van de armen donkerder werd en dicht bij den aars volkomen wit scheen.

“Nooit zag ik een beest zoo woedend als deze Aap. Hij schoot toe op ieder, die hem naderde, beet in de bamboes-stokken, keek boosaardig om zich heen, en toonde bij elke gelegenheid, dat hij een door en door grimmig en kwaadaardig gemoed had.”

In lateren tijd heeft men den Gorilla anders en veel beter leeren kennen. Tweemaal is het aan Duitsche onderzoekers, leden van de onder Güszfeldt’s leiding ondernomen Loango-expeditie, gelukt, jonge Gorilla’s in ’t leven te houden en naar Europa te vervoeren, waar zij lang genoeg geleefd hebben om opheldering te geven van ’t geen in de levenswijze dezer dieren onbekend of onzeker was gebleven (pp. 10 en 11). Veel hebben wij verder in dit opzicht te danken aan Hugo von Koppenfels, een hartstochtelijk jachtliefhebber, die in het laatstverloopen tiental jaren meermalen jachtreizen heeft gedaan in het stroomgebied van den Gabon en dat van den Ogowe, waar de Gorillas vrij veelvuldig voorkomen.

Koppenfels is tot nu toe de eenige Europeaan, van wien men met zekerheid weet, dat hij Gorillas in de wildernis waargenomen en eigenhandig gedood heeft. Hij bevestigt vele feiten, die andere schrijvers van hooren zeggen kennen, en vult ze uit eigen waarnemingen aan:

“Hoewel de bewoners van de boschrijke streken van Guinea veel van de jacht houden, ben ik toch vast overtuigd, dat zij, die wel eens een Gorilla in de wildernis te zien gekregen hebben, ternauwernood een derde gedeelte van de geheele bevolking uitmaken. De Gorilla leeft in engen familiekring, met uitzondering van de hypochondrische oude mannetjes. Wegens de groote hoeveelheid voedsel, die dit dier noodig heeft, zwerft het nomadisch rond, en brengt den nacht door daar, waar de duisternis het verrast. Elken avond bouwt het een nieuw nest, 5 à 6 M. boven den grond, in rechtstammige boomen van niet veel meer dan 3 dM. dikte. Hiertoe worden de takken op de genoemde hoogte zoover naar elkander gebogen, als noodig is, en met afgescheurde groene twijgen bedekt. In dit nest brengen de jongen den nacht door; zoolang zij verwarming noodig hebben, slaapt de moeder bij hen. De vader echter leunt, ineengehurkt, met den rug tegen den voet van den stam, die tot rustplaats dient aan zijn familie, en beschut haar tegen een nachtelijken overval. Daar de Luipaarden veel van apenvleesch houden, is deze voorzorg niet overbodig. In het droge jaargetijde, als het water en het voedsel in het dichtst van het woud schaarsch beginnen te worden, zoekt de Gorilla de door menschen bewoonde oorden op, en richt daar volgens apengewoonte, groote verwoestingen aan.

“Zoolang hij niet lastig wordt gevallen, grijpt hij den mensch niet aan; maar vermijdt liever een ontmoeting met hem. Als deze toch plaats vindt, richt hij zich op, laat een onnavolgbaar, diep uit de borst komend, kort afgebroken, rollend of knorrend gebrul hooren, en slaat zich tandeknarsend met de reuzenvuisten op de buitengewoon breede borst. De onbeschrijfelijk boosaardige uitdrukking van zijn gelaat wordt nog verhoogd, doordat de haren van kop en nek zich trillend oprichten. Een woedende oude Gorilla levert een vreeswekkend schouwspel op. Toch geloof ik niet, dat hij een mensch zal aanvallen, als deze hem niet vertoornt, of althans zich ter rechter tijd stilletjes uit de voeten maakt, voordat de woede van het dier haar toppunt heeft bereikt. Indien men echter het ongeluk heeft gehad, hem slechts licht te wonden, zal hij (ik ben er vast van overtuigd, zonder het zelf ondervonden te hebben) den jager te lijf gaan, en wee hem, die op dat oogenblik geen tweede schot tot zijn beschikking heeft! Het is onmogelijk zulk een vijand te ontvluchten, terwijl het een dwaasheid zou zijn zich tegen hem met andere wapens dan met schietgeweer te willen verdedigen.”

Zijn eerste Gorilla doodde H. von Koppenfels op Kerstmis van 1874. Hij had zich verscholen in de nabijheid van een iba of wilden mango—een boom, van welks vruchten de Gorilla’s veel houden—, waaronder hij eenige frisch aangebetene vruchten had gevonden. “Ik had daar misschien al een uur tevergeefs gewacht, de schaduwen van den invallenden nacht werden merkbaar, de muskieten begonnen mij op gevoelige wijze te kwellen; ik wilde reeds mijn standplaats verlaten, toen ik in de buurt van den iba een zwak gedruisch vernam, alsof iets afgebroken werd. Loerend langs den stam, waarachter ik mij verborgen had, bespeurde ik een Gorilla-familie, die zorgeloos bezig was vruchten te plukken. Zij bestond uit de beide ouders en twee jongen van verschillenden leeftijd; ze met menschenkinderen vergelijkend, schatte ik het oudste op 6, het jongste op 1 jaar. Het was roerend te zien, hoe liefderijk en zorgvuldig het wijfje voor het jongste kind was. De vader echter bekommerde zich om niets dan om het stillen van zijn eigen honger. Waarschijnlijk omdat de beste op den grond liggende vruchten door hem opgegeten waren, klom het Gorilla-wijfje met buitengewone behendigheid in den boom en schudde er de rijpe vruchten af.

“De mannelijke Gorilla begaf zich nu kauwend naar het naburige water om te drinken. Hem had ik geen oogenblik uit het oog verloren. De herinnering aan de verhalen van Du Chaillu en aan de zeer overdreven berichten der inboorlingen maakte, dat ik mij bij de verschijning van het dier niet zeer op mijn gemak gevoelde. Dit hield echter op, toen de Gorilla, dicht bij den waterrand gekomen, plotseling onrust te kennen gaf, en in gebukte houding naar den boom keek, die mij voor hem verborg. Te laat echter bespeurde hij den nabijzijnden vijand; want, gereed om te vuren, volgde ik reeds met mijn buks elke beweging van het mij aanstarende dier. Eenige weinige oogenblikken waren voldoende om het goed in het vizier te krijgen. Het schot ging af. Nog voordat de kruitdamp opgetrokken was, had ik een nieuwe patroon in den loop geschoven, en wachtte zoo een eventueelen aanval af. Mijn zwarte jachtgezel stond sidderend achter mij met een tweede geweer in de hand. Het kwam echter niet tot verderen strijd. De Gorilla was doodelijk getroffen met het gelaat op den bodem neergestort. De jongen vluchtten, terwijl zij een enkele maal een kort geschreeuw lieten [10] hooren, het bosch in; de moeder sprong van een aanzienlijke hoogte van den boom op den grond, en liep hen na. In mijn opgewondenheid vergat ik haar te schieten. Zoo had dus het jachtgeluk mij op het oogenblik, waarop bij ons ’t huis de kerstboomlichtjes aangestoken worden, een prachtig kerstgeschenk bezorgd.”

Niet lang daarna schoot Koppenfels den grootsten Gorilla, dien hij ooit in handen kreeg, en dien hij toevallig ontmoette. Hij was, door zijne dragers gevolgd, in ’t woud gegaan, langs een smal wildpad. “Plotseling,” verhaalt hij, “hoorde ik een luiden schreeuw van den Galla-drager, die onmiddellijk achter mij aan kwam, waarop hij en de andere flauwe kerels hun last van zich wierpen en wegliepen, mij toeroepend: ‘Pas op, heer, een groote Gorilla!’ Door deze waarschuwing opgeschrikt, zag ik eerst, toen naast mij een dof gebrom weerklonk, nauwelijks vijftien pas van mij af een donkere gedaante, die, zich oprichtend, reusachtige afmetingen verkreeg. Het was de grootste Gorilla, dien ik ooit heb gezien, en de eerste, die stand hield. Als hij partij getrokken had van mijn ontsteltenis, zou ik verloren geweest zijn. Ik had geen lust om te onderzoeken, hoe lang dit elkander aankijken wel zou kunnen duren. Toen ik mijn dubbelloops buks ophief, begon het rommelende gebral meer op blaffen te gelijken; het trommelen op de borst werd sneller, de ruige haren op den kop richtten zich trillend op, en het had er allen schijn van, dat mijn vreeselijke vis-à-vis mij aanvallen zou. Toch ben ik overtuigd, dat de Gorilla, als ik te rechter tijd voorzichtig weggegaan was, mij ongemoeid gelaten zou hebben. Dit was echter volstrekt mijn bedoeling niet. Toen ik mijn ontroering meester was geworden, mikte ik bedaard en zeker op het hart van het dier. Nadat het schot gevallen was, deed de Gorilla een luchtsprong, en viel, de armen zijwaarts strekkend en zich draaiend, met het gelaat op den grond. Gedurende het vallen had hij een 5 cM dikke liane gegrepen: zoo kolossaal was zijn lichaamskracht, dat hij met deze slingerplant dorre en groene takken van den boom, waaraan zij zich steunde, naar beneden trok. Zijn gewicht schatte ik op 200 KG.; zijn lichaamslengte bedroeg 1.9 M.”

De onopgesmukte, op eigen aanschouwing gegronde beschrijvingen van Hugo Koppenfels geven ons een juistere voorstelling van dezen zonderlingen boschbewoner dan wij tot dusver hadden; hij verliest hierdoor een groot deel van de hem toegedichte verschrikkelijkheid. “Hij is”, zooals R. Burton terecht zegt, “een arme drommel van een Aap, en geen helsch wangedrocht, half mensch, half beest.”

Dikwijls heeft men tevergeefs beproefd jonge Gorillas naar Europeesche dierentuinen over te brengen en in ’t leven te houden. In 1860 gelukte dit voor de eerste maal met een exemplaar, dat in Engeland zeven maanden lang in ’t leven bleef. Door een gelukkig toeval kreeg Falkenstein, de arts en zoöloog van de Duitsche Loango-expeditie, in 1875 den jongen Gorilla in zijn bezit, die later (in 1876) in het Berlijnsch aquarium is opgenomen. De directeur van deze inrichting, Dr. Hermes, heeft in 1877 aan de te Hamburg vergaderde Duitsche natuuronderzoekers en artsen van de levenswijze en ontwikkeling van zijn Gorilla een uitvoerig verslag gegeven, dat o.a. het volgende bevat: “Reeds jaren lang heeft het Berlijnsch aquarium groote waarde gehecht aan het bezit van Anthropomorphe Apen. Het is allengs verrijkt geworden met alle vier vertegenwoordigers dezer diergroep, den Gibbon, den Orang Oetan, den Chimpanzee en den Gorilla. Hierdoor was ik uitmuntend in de gelegenheid om de levenswijze dezer dieren in de gevangenschap nauwkeurig waar te nemen en ze te dezen aanzien met elkander te vergelijken.

“De merkwaardigste van alle Anthropomorphen is de Gorilla. Het is alsof dit dier brieven van adeldom met zich op de wereld heeft gebracht. Ons exemplaar is ongeveer twee jaar oud, en heeft een hoogte van bijna 70 cM. bereikt. Zijn lichaam is bedekt met zijdeachtig zachte, gedeeltelijk grauwe, op den kop roodachtige haren. Zijn stevige, gedrongene gestalte, zijne gespierde armen, zijn glad, glanzig zwart gelaat met de goed gevormde ooren, de groote, verstandige, schelmsche oogen geven hem een frappant menschachtig voorkomen. Hij zou op een negerjongen gelijken, als de neus een anderen vorm had. Deze indruk neemt toe door de onbeholpenheid van zijn geheele wezen; ieder van zijne bewegingen herinnert meer aan die van een loggen knaap, dan aan die van een Aap. Als hij, op den grond zittend als een pagode, zijn blik over het hem aangapend publiek laat zwerven, en dan met knikkend hoofd plotseling in de handen klapt, heeft hij zich in eens aller toegenegenheid veroverd. Hij bevindt zich graag te midden van een groot gezelschap, onderscheidt jonge van oude, mannelijke van vrouwelijke personen. Hij is zeer lief voor kinderen van 2 à 3 jaar; hij kust ze graag, en verdraagt alles van hen, zonder ooit van zijne grootere kracht gebruik te maken. Oudere kinderen behandelt hij reeds minder goed; ook met hen wil hij graag spelen; hij houdt wedloopen met hen om de tafel en de stoelen, die hij dikwijls omsmijt, en geeft intusschen op een schelmsche wijze, nu eens den eenen, dan weer den anderen medespeler een tik met de vlakke hand; hij schroomt echter volstrekt niet, te midden van ’t spel een van de jongens bij ’t been te pakken en daarop zijne tanden te probeeren. Als hij door een dame op den arm wordt genomen, is hij zeer dankbaar; haar omhelzend en tegen haar schouder leunend, blijft hij graag langen tijd op haar schoot zitten. In de algemeene apenkooi speelt hij graag; hier is hij de onbeperkte heerscher; zelfs de Chimpanzee erkent zijn meerderheid zonder weerstand te bieden. Hij behandelt dezen echter eenigermate als een gelijke in rang, door bijna uitsluitend hem als speelnoot te kiezen, terwijl hij met het gemeene apenplebs geen complimenten maakt. Hij is gewoon zijn vriend te liefkozen, maar dit soms nog al onhandig. Eens pakte hij den Chimpanzee aan en beiden rolden, elkander steeds vasthoudend, over den grond. Een andere maal, toen de Chimpanzee hem ontweek, terwijl hij hem wilde grijpen, viel hij als een onbeholpen knaap met vooruitgestoken handen op den grond. Zijn gang heeft veel overeenkomst met dien van den Chimpanzee; even als deze steunt hij op de buitenste oppervlakte van de hand en op de zool van den voet, maar zet de voeten meer buitenwaarts. Hij steekt den kop omhoog met een voornaam air, alsof hij zich bewust is, tot een hoogeren stand te behooren. Zijn goede luim, die hem zelden verlaat, openbaart hij onder andere door den top van zijn roode tong te laten zien, die, scherp afstekend bij zijn glanzig zwart gelaat, den negerjongen-achtigen indruk, dien hij maakt, nog verhoogt.

“Menschachtig als zijn geheele wezen, is ook de wijze waarop hij leeft. Des morgens omstreeks 8 uur wordt hij wakker, gaat in zijn bed rechtop zitten, gaapt, bekrabt enkele deelen van zijn lichaam, en blijft slaapdronken en onverschillig, totdat hij zijne morgenmelk gekregen heeft, die hij gewoon is uit een glas te drinken. Geheel opgevroolijkt verlaat hij nu zijn bed, kijkt de kamer eens rond om te zien of er iets te vernielen valt, gluurt door het venster, begint in de handen te klappen, [11] en, bij gebrek aan aangenamer gezelschap, met zijn oppasser te spelen. Altijd moet deze bij hem zijn. Geen oogenblik wil hij alleen gelaten worden. Met een schellen toon schreeuwt hij, als hij bemerkt, dat zijn oppasser weggegaan is. Om 9 uur wordt hij gewasschen; door een knorrend geluid geeft hij te kennen, dat dit hem goed bevalt. Daar hij met zijn oppasser samenleeft, houdt hij zijne maaltijden als deze. Tot ontbijt krijgt hij een paar Weener, Frankforter of Jauersche worsten of een boterham belegd met Hamburger rookvleesch, Berlijnsche kaas of iets anders. Daarbij drinkt hij bij voorkeur een glas wit bier; opmerkelijk is het na te gaan, hoe hij het glas dat voor zijn korte, dikke vingers te groot is, aanvat; het zou hem uit de handen vallen, als hij niet, behalve deze, den voet gebruikte om het vast te houden. Om 1 uur brengt de vrouw van den oppasser hem zijn middagmaal. Dit uur zag hij steeds vol verlangen te gemoet, toen hij gedurende den heeten zomer in mijn woning gehuisvest was. Als er gescheld werd, wenschte hij steeds de gangdeur zelf te openen. Als de vrouw binnenkomt, onderzoekt hij de spijzen, en snoept gaarne van die, waarvan hij het meest houdt. De gewone straf voor zijn snoepzucht is een draai om de ooren. Als hij dezen gekregen heeft, wacht hij, zonder zijne blikken van de spijzen af te wenden, zoet het begin van den maaltijd af. Eerst krijgt hij een kop bouillon. In een oogwenk is deze tot op den laatsten druppel geledigd. Dan komt er rijst, of groente, bij voorkeur aardappels, wortels of koolrapen met vleesch gekookt. De vrouw ziet er op toe, dat hij zich ordentelijk gedraagt, en werkelijk maakt hij reeds handig gebruik van een lepel. Zoodra hij meent, dat men niet naar hem kijkt, steekt hij zijn mond in den schotel. Na de genoemde gerechten heeft hij het liefst een stuk van een gebraden hoen. Als het eten gedaan is, wil hij rusten. Na een middagslaapje van een uur, soms anderhalf, is zijn lust om te spelen opnieuw ontwaakt. Des namiddags krijgt hij vruchten, ’s avonds melk of thee en een boterham. Om 9 uur gaat hij slapen. Hij ligt gewikkeld in een wollen deken op een matras. De oppasser blijft bij hem zitten, tot hij ingeslapen is, wat bij zijn groote behoefte aan slaap niet al te lang duurt. Liever slaapt hij in één bed met den oppasser, dien hij dan omvat houdt, en op wiens lichaam hij zijn kop laat rusten. Hij slaapt vast, den geheelen nacht door; gewoonlijk wordt hij vóór 8 uur ’s morgens niet wakker.—Hij bewoont een opzettelijk voor hem gebouwd glazen paleis, dat met een kleine palmenbroeikas in gemeenschap staat. Hierdoor wordt hem het gemis van de vochtige atmospheer van zijn tropisch vaderland zoo veel mogelijk vergoed.—Het krachtige gestel van onzen Gorilla geeft mij grond voor de hoop, dat hij bij deze behandeling nog lang het schoonste sieraad van ons aquarium zal blijven.” Deze wensch is ongelukkig niet verwezenlijkt: het hierbedoelde dier stierf den 13en November 1877 aan een vliegende tering, nadat het 9 maanden in Afrika en 15 maanden te Berlijn in gevangenschap had geleefd, en een langdurige kunstreis naar Engeland met goed gevolg had doorgestaan.—Een tweede Gorilla werd in den aanvang van het jaar 1883 door tusschenkomst van Pechuel-Loesche (die met Falkenstein in het Kongo-gebied een onderzoekingsreis had gedaan, en toen terugkeerde) levend naar Europa gebracht, en eveneens in het Berlijnsch aquarium opgenomen. Hij is er onder de hoede van den directeur Hermes 14 maanden in ’t leven gebleven: den 16en Maart overleed hij aan een soortgelijke ziekte als de eerste Mpoengoe.—Opmerkelijk is het, dat geen van beide dieren gedurende de zeereis naar Europa last gehad heeft van zeeziekte.—Alle andere pogingen om Gorillas levend naar Europa over te voeren, en hier in ’t leven te houden, zijn tot dusver mislukt.


Wij gaan nu over tot het tweede geslacht van de Anthropoïden, tot den reeds meermalen genoemden Chimpanzee (Simia troglodytes). Deze aap is schraler en aanmerkelijk kleiner dan de Gorilla: oude mannetjes zijn hoogstens 1.7 M., en wijfjes 1.3 M. lang. Het deel van den schedel, dat de hersenen bevat, is langwerpiger, van boven en van achteren meer afgerond, minder kantig dan bij den Gorilla, wiens schedel een overlangschen, aan ’t achterhoofd ver achteruitstekenden, hoogen, beenigen richel of kam draagt. Deze is bij den Chimpanzee veel minder ontwikkeld, waaruit men kan afleiden, dat de slaapspieren, die voor ’t sluiten van den bek dienen, bij hem minder krachtig zijn. Wegens de minder sterk naar voren uitpuilende wenkbrauwbogen en den helderen blik der oogen maakt het gelaat van den Chimpanzee een veel zachteren indruk dan dat van den Gorilla. De neus is plat, de bovenlip lang, bol en gerimpeld; de onderlip steekt ver vooruit. Beide lippen zijn buitengewoon bewegelijk en kunnen samen een soort van snuit vormen. Het oor is grooter en minder menschachtig van vorm dan dat van vele Gorillas. De armen bezitten groote spierkracht, zijn lang, en reiken, als het dier rechtop staat, tot even voorbij de knieën. Aan de handen is de duim dun en kort, de vingers zijn lang, de middelvinger is de langste. Aan de voeten is de groote teen door een diepe bocht van de overige, teenen gescheiden. De zool is plat.

Het haar van den Chimpanzee is sluik, aan ’t voorste deel van den kop meestal gescheiden; lange haren bedekten het achterhoofd, de wangen, de schouders, den rug, de armen en de beenen; de overige lichaamsdeelen zijn korter behaard. Meestal is het haar donker zwart van kleur; dof roodachtig bruin getinte exemplaren zijn echter niet zeldzaam. Het onderste gedeelte van het gelaat en de kin zijn met korte, witachtige haren begroeid. De huid zelf heeft een eigenaardige lichte kleur; vooral bij jonge dieren kan men haar vleeschkleurig noemen, later wordt zij vuiler, meer bruinachtig.

De Chimpanzee, nog meer dan de Gorilla voor het leven in de boomen ingericht, is zeer ervaren in het klimmen. Al spelend zwaait hij zich over groote afstanden heen van den eenen boom op den anderen; zijne sprongen zijn verbazingwekkend. Wanneer men hem verrast, terwijl hij op de achterste ledematen gaat of staat, laat hij zich dadelijk op alle vier neervallen om te vluchten. Van de voorste ledematen komt in den regel alleen de vereelte rugzijde van de vingers, die naar de handpalm gekromd zijn, met den grond in aanraking; soms hebben ook de teenen van den voet, die overigens op de geheele zool rust, dezen stand, die den echten boombewoner karakteriseert.

De groote individueele verschillen, die bij deze Apen voorkomen, hebben aanleiding gegeven tot het onderscheiden van eenige soorten. Een er van werd “Tschego” genoemd, naar een naam (Ndjeko of Ndsjiëgo), die dit dier in ’t Gabon-gebied draagt. Volgens de onderzoekingen van den Berlijnschen hoogleeraar Robert Hartmann mag men echter aannemen, dat de Chimpanzees alle tot één diersoort behooren.

De meening, dat de ouden den Chimpanzee gekend hebben, is gegrond op het beroemde mozaïek-werk, dat eertijds den bodem van den Fortuna-tempel [12] te Praeneste (het tegenwoordige Palestrina) versierde, en thans deel uitmaakt van het museum-Barberini te Rome. Nevens vele andere dieren, die in ’t stroomgebied van den Nijl leven, was er ook een staartlooze Aap op afgebeeld, die voor onzen Anthropoïde wordt gehouden.

De uit Angola afkomstige, en vandaar over Engeland naar Nederland vervoerde, jonge Chimpanzee, die omstreek het jaar 1640 aan Prins Frederik Hendrik werd vertoond, was misschien het eerste dier van deze soort, dat levend Europa bereikte. De Amsterdamsche burgemeester en anatoom Nicolaas Tulp heeft het ontleed en beschreven. Later zijn herhaaldelijk levende Chimpanzees naar Europa gebracht; sedert eenigen tijd komt deze Aap zelfs vrij geregeld op de wildedierenmarkten voor.—Over het levende dier komt het volgende bericht voor in de “Beschryvinge der Afrikaensche Gewesten” (1668) van den Hollandschen arts O. Dapper. “Daer is ook een zeker dier by d’ inwoonders Quojas-Morrou of Worrou en bij de Portugeezen Salvage geheeten, dat Satyr of Bosch-Mensch gezeit is. Het heeft een groot hooft, is zwaer van lyf, vlezig van armen, sterk in ’t worstelen, geheel en al zonder steert, gaet zomwyl recht op zyn lyf, en zomtyts gelyk d’ apen met de handen op d’ aerde. Het is volgens verhael der zwarten, afkomstigh van menschen, maer zou door de verandering van ’t bosch en de woestheit half beest geworden zyn. Deze dieren erneeren zich in de bosschen met fruiten en wilden honigh, dien zij uit de boomen halen, en smyten geduurigh tegen elkandre. De zwarten verhalen wonderlyke dingen van dit dier, en bevestigen, dat het niet alleen weerlooze vrouwen en onhuuwbare dochters aanvalt en verkraght, maer ook gewapende mannen derft aentasten.” Op de bijgevoegde kaart zijn Apen afgebeeld in het koninkrijk Beenin.

Chimpanzee (Simia troglodytes).

Chimpanzee (Simia troglodytes).

Het verbreidingsgebied van den Chimpanzee is veel uitgestrekter dan dat van den Gorilla. Sints lang is het bekend, dat het de kuststreken en achterlanden van Opper- en Neder-Guinea omvat. (Cachao in Senegambië, op 12° N.B., is waarschijnlijk het noordelijkste punt ervan.) Hij bewoont er de bosschen langs de kustrivieren en in de gebergten. H. von Koppenfels heeft in de Gabon- en Ogowe-landen jacht op hem gemaakt. De leden van de Duitsche Loango-expeditie hebben hem in verder zuidwaarts gelegen gewesten tot in de nabijheid van den Kongo waargenomen, in sommige zelfs zeer overvloedig. Volgens R. Hartmann komt hij nog verder zuidwaarts voor, tot aan de oevers van den Coanza (op 10° Z.B.). Ook is het gebleken, dat een groot deel van het binnenland van Afrika den Cimpanzee als woonplaats dient. Hij werd tot in de nabijheid van de Groote Meren gevonden, ongeveer even ver als de oliepalm en de Grauwe Papegaai verbreid zijn. Men vermoedt zelfs zijn aanwezigheid in Oost-Afrika ten zuiden van Abessinië; volgens Nachtigall is hij ook in Zuidoost-Afrika, n.l. in ’t achterland van Sofala, inheemsch.

Over hun aanwezigheid in ’t stroomgebied van den Boven-Nijl zegt Heuglin: “Op de dichtbebladerde hooge boomen van het land der Niam-Niam huist bij paren en familiën de Mbam (juister Baâm), een Aap van de grootte van een man, die niet schroomt den hem vervolgenden jager aan te vallen. Zijn nest is in de kroon van een boom gebouwd, en door een dak tegen den regen beschut. Hij heeft een olijfkleurig zwartachtig, niet dicht behaard vel, een onbehaard, vleeschkleurig gelaat en een witachtig behaard zitvlak.”

De Engelsche zendeling Savage zegt van den in Neder-Guinea levenden Chimpanzee: “Hoewel deze dieren gewoonlijk geen groote gezelschappen vormen, en men er zelden meer dan vijf à tien bijeenziet, kan ik toch op grond van betrouwbare getuigenissen mededeelen, dat zij zich van tijd tot tijd in grooten getale verzamelen om te spelen. Een mijner zegslieden verzekert, dat hij er eens een vijftigtal bijeengevonden heeft, die zich met jubelen, schreeuwen en het trommelen op oude boomstammen vermaakten.—Zij mijden zooveel mogelijk de woonplaatsen der menschen. Hunne woningen, eer nesten dan hutten, zijn op boomen gebouwd, in den regel niet hoog boven den grond. Zij buigen of knikken groote en kleine takken, zoodat deze naar beneden hangen, leggen ze kruiselings over elkander en plaatsen er tot steun een al of niet gevorkten tak [13] onder. Soms vindt men een nest dicht bij het einde van een dikken, dicht bebladerden tak op 8 à 10 M. hoogte boven den grond; eenmaal heb ik er een gezien, dat minstens 13 M. hoog was. De Chimpanzees worden niet zelden door gebrek aan voedsel of dergelijke redenen tot verandering van woonplaats gedwongen. Meestal zagen wij ze op hoog gelegen gronden, waarschijnlijk omdat de lage landen, waar de inboorlingen ten behoeve van den landbouw dikwijls boomen omhakken, geen voldoende keuze aanbieden van plaatsen, die voor den nestbouw geschikt zijn. De nesten zijn gewoonlijk op eenigen afstand van elkander gelegen; zelden ziet men er twee of meer op denzelfden boom. Toch heeft men er eens vijf bijeen gevonden.” Van nesten, die uit kunstig saamgevlochten takken bestaan, zooals Du Chaillu ze beschrijft, wordt door geen anderen reiziger melding gemaakt.

Waarschijnlijk is het voedsel van den Chimpanzee van soortgelijken aard, als dat van den Gorilla. Vruchten, blad- en bloemknoppen, misschien ook wortels, zullen wel de voornaamste bestanddeelen van zijn maal uitmaken.

Van alle Anthropomorphe Apen komt de Chimpanzee tegenwoordig het veelvuldigst in de Europeesche diergaarden voor; ongelukkig kan men hem hier slechts bij uitzondering twee of drie jaar in ’t leven houden; terwijl hij, naar men verhaalt, in West-Afrika soms wel twintig jaar in gevangen staat geleefd heeft, en er groot en sterk geworden is. Tot dusver heeft men steeds opgemerkt, dat de gevangenen zachtaardig, verstandig en lieftallig waren. De Grandpré zag op een schip een wijfje van deze soort, dat buitengewoon leerzaam was, en allerlei werkzaamheden verrichtte. Buffon bezat in 1740 een Chimpanzee van ongeveer twee jaar oud. Deze had een droefgeestige en ernstige gelaatsuitdrukking; zijne bewegingen waren afgemeten en doordacht. Hij toonde geen enkele van de leelijke eigenschappen der Bavianen, maar was ook niet speelsch gelijk de Meerkatten. Hij gehoorzaamde dadelijk, als hem door woorden of gebaren iets bevolen werd, bood den bezoekers een arm aan, wandelde met hen rond, ging als een mensch aan tafel zitten, vouwde zijn servet open, wischte zich er de lippen mede af, at met lepel en vork, schonk zichzelf in, klonk met de dischgenooten, haalde een kopje en schoteltje, deed suiker in het kopje, goot er thee op, en liet dezen drank bekoelen, voordat hij er gebruik van maakte. Hij deed niemand kwaad, maar ging op bescheiden wijze met allen om, en was zeer blijde, als men hem liefkoosde.

Van het groot aantal berichten uit den lateren en allerlaatsten tijd over de levenswijze van den Chimpanzee moge de volgende mededeeling van den dierenschilder Friedrich Specht hier nog een plaats vinden: “De Chimpanzee in Nill’s diergaarde te Stuttgart kon echt lachen als een mensch. Dit komt mij zeer opmerkelijk voor, daar geen enkel ander dier in staat is om zijne vreugde door luid gelach te kennen te geven. Als ik dit aardige ventje onder de armen opnam, omhoog wierp en weder opving, scheen zijn pret geen einde te nemen, wat hij door luid gelach toonde. Hetzelfde gebeurde, als men hem onder de armen of aan de voetzolen kietelde. Eens had ik een stuk wit krijt bij mij, toen ik in zijn hok ging, en op zijn stoel ging zitten; dadelijk wipte hij op mijn knie, om hier af te wachten, wat er gebeuren zou. Ik gaf hem nu het krijt en teekende, terwijl ik zijn hand bestuurde, een Maraboe enz. op den wand van zijn hok; hij liet mij rustig begaan en keek oplettend naar ’t geen ik deed. Toen ik zijn hand losliet, sprong hij bliksemsnel op den grond, ging bij den wand staan, en schaduwde de figuren, tot groot vermaak van de toeschouwers, zoo snel, dat er weldra niets meer van te zien was. Hij had mijne handeling dus dadelijk begrepen.

“In den Zoölogischen tuin te Stuttgart zijn thans twee Chimpanzees, die zeer goed met elkander overweg kunnen; aan het wijfje, dat er reeds vroeger was, werd n.l. een mannetje tot gezelschap toegevoegd. De kist, waarin de pas aangekomen Aap zich bevond, werd gedurende den nacht geborgen in het warme en ruime hok van het wijfje; den volgenden dag zouden beiden aan elkander voorgesteld worden. Toen het mannetje uit zijn met watten gevoerde slaapstede trad, stonden de beide dieren een kort tijdje stom van verbazing op de achterpooten tegenover elkander, waarop een hartelijke omarming en een verscheidene malen herhaald gekus volgden. Nu haalde het wijfje haar deken, breidde deze op den bodem uit, ging er op zitten, en noodigde door gebaren het mannetje uit, om zijn gemak te nemen. Een aardig schouwspel leveren zij op, als zij gedurende den maaltijd tegenover elkander aan tafel zitten. Beide eten hunne brei met den lepel, en toonen niet den minsten broodnijd. Als de drinkbekers op tafel gezet worden, heeft het wijfje de gewoonte, den beker van het mannetje behoedzaam naar zich toe te halen, er uit te drinken, en hem daarna rustig weer op zijn plaats te zetten:—“mijn man moet zooveel niet drinken”, denkt zij misschien. Ook deze dieren geven, als zij spelen, hunne vreugde door gelach te kennen.”


De Orang-Oetan (Boschmensch, Pithecus satyrus), op Borneo Meias of Majas genoemd, is de merkwaardigste van de Aziatische Mensch-apen. Van zijne Afrikaansche verwanten onderscheidt hij zich door de veel langere armen, die tot aan de enkels reiken, en door den vorm van den kop, welks schedel naar boven kegel- of piramide-vormig uitloopt, terwijl het aangezicht in een sterk vooruitstekenden snuit eindigt. Hij heeft, evenals wij, 12 ribbendragende wervels (rugwervels), terwijl de Gorilla en de Chimpanzee er 13 hebben. De schedel van den jongen Orang-Oetan gelijkt zeer veel op dien van een kind; naarmate hij ouder wordt, treden bij hem de dierlijke eigenaardigheden hoe langer hoe meer op den voorgrond, zoodat zijn schedel dan nog maar weinig op dien van den jongen Aap gelijkt.

De groote mannelijke Orang-Oetan, die door Wallace gedood werd, had rechtopstaand een hoogte van 1.35 M.; wanneer de armen zijwaarts gestrekt werden, bedroeg de afstand tusschen de vingertoppen 2.4 M.; het aangezicht was 35 cM. breed, de omvang van het lichaam bedroeg 1.35 M. De romp heeft een sterk vooruitstekenden buik, en is, over de heupen gemeten, zeer breed. De hals is kort, en vertoont aan de voorzijde breede plooien, omdat het dier een grooten keelzak heeft, die met het strottenhoofd in gemeenschap staat en opgeblazen kan worden. De lange ledematen hebben lange handen en vingers. De platte nagel ontbreekt dikwijls aan den duim van de achterhand. De lippen zijn leelijk, daar zij niet slechts gerimpeld, maar bovendien sterk gezwollen zijn, en bol uitstaan. De neus is geheel plat gedrukt, en het neusmiddelschot steekt voorbij de neusvleugels uit; de ooren zijn klein, maar gelijken in vorm op die van den mensch. De hoektanden komen aan het gebit sterk uit; de onderkaak is langer dan de bovenkaak. De rug is weinig, de borst zeer dun behaard; des te langer en overvloediger [14] is de beharing echter aan de zijden van den romp, van waar zij ver afhangt. Aan de wangen en de kin verlengen de haren zich dikwijls bij wijze van een baard. Aan de voorarmen zijn de haren naar boven, overal elders naar onderen gericht. Het gelaat en de handpalmen (voetzolen) zijn geheel, de borst en de rugzijde van de vingers bijna geheel onbehaard. Gewoonlijk is de beharing donker-roestrood, zeldzamer bruinachtig rood; de haren van rug en borst zijn donkerder, die van den baard echter lichter van kleur. De onbehaarde lichaamsdeelen zijn blauwachtig grijs, leikleurig of zwartachtig. De oude mannetjes verschillen van de wijfjes door meerdere grootte, dichtere beharing, langer haar en sterker ontwikkelden baard. Bovendien hebben zij eigenaardige opzwellingen of huidplooien aan de wangen, die zich halvemaanswijs van de oogen naar de ooren en naar de bovenkaak uitstrekken, en het aangezicht in ’t oogloopend leelijk maken. De jongere dieren zijn baardeloos, voor ’t overige echter sterker behaard en donkerder van kleur.

Orang-Oetan (Pithecus satyrus).

Orang-Oetan (Pithecus satyrus).

De Orang-Oetan is sedert overouden tijd bekend. Reeds bij Plinius kan men lezen, dat er op de Indische bergen “saters” zijn, “zeer boosaardige dieren met een menschengezicht, die soms rechtop, soms op alle vier gaan, en die, wegens hun vlugheid, alleen als zij oud of ziek zijn, gevangen kunnen worden.” Eeuwen achtereen werd de mededeeling van Plinius oververteld en telkens weer met bijvoegsels voorzien, die er allengs de beteekenis, van veranderden. In dit geval, en in vele andere, werd de kern van waarheid, die het oorspronkelijke bericht bevat, door tal van overdrijvingen nagenoeg onkenbaar. De naschrijvers verloren uit het oog, dat er van dieren sprake was; zij maakten er wilde menschen van. Hun invloed is nog duidelijk merkbaar in de, gedeeltelijk op eigen ervaringen berustende, mededeelingen van Bontius, die omstreeks het midden der 17e eeuw op Java als arts werkzaam was.

Hij zegt, dat hij eenige malen “boschmenschen” gezien heeft, zoowel mannetjes, als wijfjes; dat zij dikwijls rechtop loopen, en geheel dezelfde bewegingen maken als andere menschen. Van een der wijfjes verhaalt hij, dat zij zich schaamde, toen onbekende menschen haar aankeken; dat zij haar gelaat met de handen bedekte, zuchtte, weende, kortom allerlei menschelijke handelingen zoo verrichtte, dat haar alleen de spraak ontbrak, om geheel een mensch te zijn. De Javanen zeggen trouwens, dat de Apen wel degelijk spreken kunnen, maar zich houden, alsof zij stom zijn, omdat zij vreezen, dat men hen zal laten werken. Het spreekt wel van zelf, dat de Orang-Oetans in al deze verhalen rechtop gaan, hoewel er bijgevoegd wordt, “dat zij ook op vier pooten kunnen loopen.” Blijkbaar zijn de overdrijvingen, die in deze beschrijvingen voorkomen, een gevolg van de lichtgeloovigheid der reizigers, die alles navertellen, wat zij van de inboorlingen hooren.

Door de voortreffelijke onderzoekingen van Wallace is de levenswijze van den Orang-Oetan in den natuurstaat thans beter bekend, dan die van eenigen anderen Anthropoïden Aap.

“Men weet,” zegt hij, “dat de Orang-Oetan Sumatra en Borneo bewoont, en heeft goede redenen om te gelooven, dat hij tot deze beide groote eilanden beperkt is. Evenwel is hij, naar het schijnt, veel zeldzamer op het eerste, dan op het laatstgenoemde eiland. Op Borneo is hij zeer verbreid. Hij bewoont hier uitgestrekte landstreken van de Zuidwest-, Zuidoost-, Noordoost- en Noordwestlanden, maar houdt zich uitsluitend in laag gelegene en moerassige bosschen op. In Sadong vindt men hem niet anders dan in vlakke, waterrijke, met hoog-opgaand oerwoud bedekte gewesten. Uit deze moerassen rijzen vele op zich zelf staande bergen omhoog. Sommige daarvan, die door Dajaks bewoond en met plantsoenen van vruchtboomen bedekt zijn, hebben voor de Meias groote aantrekkelijkheid. Zij bezoeken ze, wegens de vruchten, die zij daar vinden, maar keeren des nachts naar hunne moerassige wouden terug. In de gewesten waar de bodem zich meer algemeen verheft en droog is, wordt de Orang-Oetan niet gevonden. Een groote uitgestrektheid van aaneengeschakeld en gelijkmatig hoog oerwoud is voor het wel gedijen van dezen Aap volstrekt noodig. Zulke wouden zijn voor hem als ’t ware een open land, waarin hij in alle richtingen ronddolen kan, met hetzelfde gemak als de Indiaan in de prairie en de Arabier in de woestijn. Hij gaat van boomtop tot boomtop, zonder ooit in de noodzakelijkheid te verkeeren op den bodem af te dalen. [15] De hooge en droge gewesten, waar meer boomlooze en met laag houtgewas van jongeren oorsprong bedekte plekken gevonden worden, zijn wel voor menschen geschikt, maar niet voor de eigenaardige wijze waarop de Majas zich voortbeweegt, die hier bovendien aan meer gevaren blootgesteld zou zijn.

“Het is een vreemd en belangwekkend gezicht, den Majas gade te slaan, terwijl hij op zijn gemak door de bosschen voortschrijdt. Hij wandelt gerust op een dikken, tak in de half opgerichte houding, die hij, wegens de groote lengte zijner armen en de kortheid zijner beenen, genoodzaakt is aan te nemen; evenals de reeds genoemde Antropoïden, loopt hij op de knokkels en niet op de zool, zooals wij. Hij kiest, naar het schijnt, altijd die boomen uit, welker takken zich uitstrekken tot aan die van de naastbij staande boomen. Als hij het punt bereikt heeft, dat voor den overgang het meest geschikt is, strekt hij zijne lange armen uit, grijpt met beide handen de twijgen die hij voor zich ziet, beproeft, naar het schijnt, hunne stevigheid, en gaat nu met een behoedzamen zwaai op een tak van den anderen boom over, waarlangs hij als op den vorigen voortschrijdt. Nooit doet hij hierbij een sprong; het schijnt, dat hij zich nooit haast, en toch weet hij zich bijna even snel voort te bewegen, als een mensch op den grond beneden hem loopen kan.”—Op een andere plaats van Wallace’s werk vindt men de verzekering, dat een Orang-Oetan in den tijd van een uur gemakkelijk 8 à 10 KM. kan afleggen.—“De lange, krachtige armen zijn voor het dier van ’t grootste nut, daar zij het in staat stellen, de hoogste boomen met gemak te beklimmen, vruchten en jonge bladen af te plukken van jonge twijgen, die zijn gewicht niet zouden kunnen dragen, en takken en gebladerte te verzamelen voor de vervaardiging van zijn nest.” Een door Wallace gewonde Orang-Oetan toonde aan zijn vervolger, op welke wijze het nest gebouwd wordt. “Toen ik geschoten had,” verhaalt Wallace, “klom de Majas hooger den boom op, en had weldra den hoogsten top bereikt. Hier begon hij dadelijk rondom zich de takken af te breken en ze in allerlei richtingen over elkander te leggen, ten einde zich een nest te bouwen. De plaats was hiervoor uitnemend geschikt. Merkwaardig snel strekte hij zijn eenigen, nog niet gewonden arm in alle richtingen uit, brak met het grootste gemak dikke takken af, en legde ze achter zich kruiselings over elkander, zoodat hij in weinige minuten een dichte massa van bladen en takken had bijeengebracht, die hem geheel aan mijne blikken onttrok. Een dergelijk nest gebruikt de Majas bijna iederen nacht om er in te slapen; dit wordt echter meestal lager op een kleinen boom gebouwd, in den regel niet hooger dan 8 à 15 M. boven den grond, waarschijnlijk omdat hij hier minder aan de werking van den wind is blootgesteld, dan boven in een hoogen boom. Men zegt, dat elke Majas iederen nacht een nieuw nest voor zich vervaardigt; dit komt mij echter zeer onwaarschijnlijk voor, daar dan de overblijfselen van die nesten veelvuldiger te vinden zouden zijn, dan werkelijk het geval is. De Dajaks beweren, dat de Aap zich, als het zeer nat weer is, met pandanus-bladen of zeer groote varens bedekt. Misschien heeft dit verhaal aanleiding gegeven tot het sprookje, dat hij in de boomen een hut bouwt.

“De Orang-Oetan verlaat zijn leger eerst, als de zon vrij hoog aan den hemel staat en den dauw op de bladen geheel heeft opgedroogd. Hij besteedt het geheele middeldeel van den dag aan zijn maaltijd, maar bezoekt zelden twee dagen achtereen denzelfden boom. Voor zoover mijn ervaring reikt, voedt hij zich bijna uitsluitend met vruchten, soms echter eet hij ook knoppen, bladen en jonge loten. Uiterst zelden daalt hij naar den grond af, waarschijnlijk alleen dan, als hij, door den honger gedreven, sappige loten zoekt bij den oever der rivier, of, bij zeer droog weder, water opspoort om zijn dorst te lesschen, dat hij in gewone omstandigheden, in voldoende hoeveelheid in de holten der bladen vindt. Slechts éénmaal zag ik twee halfvolwassen Orangs op den bodem, in een drogen kuil. Zij speelden met elkander, stonden rechtop en vatten elkander bij de armen aan. Nooit gaat deze Aap rechtop, tenzij wanneer hij zijne voorhanden gebruikt om zich aan hooger geplaatste takken vast te houden, of wanneer hij aangevallen wordt. Voorstellingen van Orangs, die steunend op een stok wandelen, zijn geheel denkbeeldig.

“Voor den mensch schijnen de Majas niet zeer bevreesd te zijn. Die, welke ik te zien kreeg, keken mij dikwijls eenige minuten lang aan, en schreden dan langzaam voort naar een naburigen boom. Menigmaal gebeurde het, dat ik, na er een gezien te hebben, duizend schreden of nog wel verder te loopen had om mijn geweer te halen; toch vond ik bijna altijd bij mijn terugkomst het dier op denzelfden boom of hoogstens honderd meter er van af. Ik zag nooit twee volwassen Orangs bij elkander, maar zoowel mannetjes als wijfjes worden soms vergezeld door half-volwassen jongen.

“De Dajaks zeggen, dat de Majas nooit door eenig dier in het woud wordt aangevallen. Zij maken echter melding van twee zelden voorkomende uitzonderingen op dezen regel. Een Dajaksch hoofd, die zijn geheele leven had doorgebracht in streken waar de Majas veelvuldig voorkomt, zeide mij: “Geen dier is sterk genoeg om den Majas kwaad te doen, het eenige, waarmede hij ooit in strijd geraakt, is de Krokodil. Als er geen vruchten zijn in het bosch, gaat hij voedsel zoeken op den oever der rivier, waar hij een menigte jonge loten vindt, waarvan hij houdt, en vruchten die aan den waterkant groeien. Dan beproeft soms een Krokodil hem beet te pakken, maar de Majas weet op zijn rug te komen, beukt hem met handen en voeten, scheurt hem vaneen en doodt hem.” Een ander opperhoofd vertelde mij: “De Majas heeft geen vijanden; geen dier durft hem aanvallen, behalve de Krokodil en de Python. De Krokodil bezwijkt altijd in dezen strijd. Als een Python een Majas aanvalt, grijpt deze hem met zijne handen, bijt hem en maakt hem spoedig van kant.”

“Bij uitzondering gebeurt het wel eens, dat een Orang-Oetan met menschen strijdt. Eens kwamen eenige Dajaks mij vertellen, dat een Majas den vorigen dag een van hunne kameraads bijna gedood had. Eenige mijlen stroomafwaarts staat aan den oever het huis van een Dajak; de bewoners zagen een grooten Orang-Oetan, die zich aan de jonge spruiten van een palm aan den waterkant te goed deed. Toen hij opgeschrikt werd, keerde hij naar het lage houtgewas terug; een aantal met speren en bijlen gewapende mannen beijverden zich hem den terugweg af te snijden. De voorste van hen beproefde het dier met zijn speer te doorboren, maar werd door de handen van den Majas gegrepen, die in ’t zelfde oogenblik den arm van dezen man in den bek nam en de tanden in de spieren boven den elleboog sloeg, deze op vreeselijke wijze verwondend en verscheurend. Indien de andere mannen hem niet te hulp gekomen waren, zou hij nog veel ernstiger gekwetst en misschien wel gedood zijn. Het moedige dier werd echter weldra met speren en bijlen afgemaakt. De gewonde bleef nog lang ziek en kon zijn [16] arm nooit meer goed gebruiken.”—Van de waarheid van dit verhaal kon Wallace zich persoonlijk overtuigen, daar hij den volgenden dag de plaats waar het gevecht voorviel, bezocht, en den gedooden Orang-Oetan den kop afsneed, om dezen aan zijn verzameling toe te voegen.

Aan de bovenstaande beschrijving van het leven van den Orang-Oetan in vrijen toestand zullen wij nog eenige berichten toevoegen over het leven van dit dier in gevangenschap: De eerste nauwkeurige waarnemingen hierover zijn gedaan door Arnout Vosmaer, die (van 1766 tot 1786) eene uitvoerige beschrijving heeft gegeven van de dieren voorkomende in de diergaarde van het aan den stadhouder toebehoorende Kleine Loo bij den Haag. Deze aan Vosmaer’s zorg toevertrouwde verzameling werd in Juli 1776 verrijkt met een van Banjermassing op Borneo afkomstigen, 78 cM. langen, jongen Orang-Oetan, misschien wel de eerste, die levend naar Europa werd gebracht. Dit dier, een wijfje, was zeer goedaardig. Men kon haar zonder schroom de hand in den bek steken. Haar uiterlijk had iets droevigs, dat zich echter in hare handelingen niet openbaarde; zij hield van het gezelschap van menschen zonder onderscheid van geslacht, gaf echter de voorkeur aan hen, die haar dagelijks verzorgden en goed behandelden. Wanneer deze haar verlieten, en zij alleen achterbleef, geraakte zij soms in vertwijfeling, ging op den grond liggen, schreeuwde erbarmelijk, en verscheurde al hare doeken. Om haar oppasser te bewegen, bij haar op den grond te gaan zitten, wat hij soms deed, nam zij een deel van het hooi, waarop zij zat, spreidde dit naast zich uit, en gaf door gebaren te kennen, met welk doel zij dit deed. Zij woonde op een zolder onder een zeer hoog dak, en lag aan een vrij langen ijzeren ketting, vastgehecht aan een met een hangslot gesloten lederen halsband. Eens had zij zich dezen over den kop geschoven, en was bij het schuinsche dak opgeklauterd. Zij bewoog zich zoo vlug, dat vier mannen meer dan een uur werk hadden om haar te vangen. Haar spierkracht was zoo groot, dat drie mannen haar ternauwernood in bedwang konden houden, terwijl de vierde haar den halsband omdeed. Van haar vrijheid had zij gebruik gemaakt om een ten deele met Malagawijn gevulde flesch te ontkurken en leeg te drinken. Haar gewone voedsel bestond uit brood, wortels, allerlei vruchten, liefst aardbeien; zeer verlekkerd was zij op aromatische planten, zooals peterselie. Met smaak at zij gekookt of gebraden vleesch en visch. Van rauw vleesch hield zij niet. Men zag haar geen jacht maken op insecten, waarnaar andere soorten van Apen zoo begeerig zijn. Eens kreeg zij van Vosmaer een dikke Spin en een groote Vlieg; beiden werden doodgebeten, als ’t ware geproefd, maar dadelijk weer uitgespuwd. Men gaf haar een Musch met een touwtje aan den poot. Zij nam het touwtje in de hand, maar werd verschrikt, toen de Vogel begon te vliegen; haar schrik vermeerderde, toen de Musch, die zij ruw had aangepakt, haar in den arm pikte. Eindelijk kneep zij den vogel dood, plukte hem eenige vederen uit, maar wierp het lichaam weg, na het vleesch geproefd te hebben door er in te bijten. Als zij een rauw ei kreeg, maakte zij met de tanden een gat in de schaal en zoog den inhoud gretig op.

Men had haar geleerd bij het eten een lepel en een vork te gebruiken. Aardig was het te zien, hoe zij met de vork de aardbeien een voor een opprikte en naar den mond bracht, terwijl zij met de andere hand het bordje met vruchten vasthield. Haar gewone drank was water; zij dronk echter graag allerlei soorten van wijn, liefst Malaga. Als zij een flesch wijn kreeg, ontkurkte zij deze met de hand, en dronk er uit zonder veel te morsen, evenzoo uit een bierglas. Na het drinken veegde zij zich met de hand of met een doekje de lippen af. Als men haar na den maaltijd een tandenstoker gaf, gebruikte zij dien naar behooren. Zeer handig haalde zij den bezoeker brood en andere zaken uit den zak.

Zij sliep niet graag in het hiervoor bestemde hok, misschien vreesde zij, er in opgesloten te worden. Voordat zij slapen ging, schudde zij het hooi op, waar zij gewoonlijk op zat, en taste dit daar, waar het hoofd moest liggen, hooger op. Soms maakte zij zich een hoofdkussen van een doek, dien zij met hooi vulde, en waarvan zij vervolgens de vier slippen bijeenvoegde. Meestal lag zij op de zijde te slapen; steeds dekte zij zich met een kleed goed toe, daar zij zeer kouwelijk was. Nu en dan sliep zij overdag, maar nooit lang achtereen. Terwijl zij op den grond zat, omhing zij zich gewoonlijk (uit kouwelijkheid, hoewel het zeer warm weder was) met een dekkleed, dat soms over het hoofd werd geworpen, soms alleen om den hals of om het lijf werd geslagen, hetwelk een aardig schouwspel opleverde.

Eens stak zij, na gezien te hebben, hoe men met een sleutel het hangslot van haar halsband opende en weer sloot, in het sleutelgat een houtje, en onderzocht, na dit in alle richtingen rondgedraaid te hebben, of het slot open ging.—Toen men eens een van de ringen van haren ketting met een kram aan den vloer had vastgemaakt, om haar het hoog klimmen te beletten, trachtte zij den kram los te wrikken, door als hefboom een dikken, 12 cM. langen spijker te gebruiken, dien zij, men weet niet hoe, uit een zijplank van haar hok had getrokken.—Met de vingers of tanden maakte zij netjes allerlei knoopen uit een touw.—Vaak vermaakte zij zich met het schoonmaken van de laarzen of het losgespen van de schoenen harer bezoekers; zij deed dit zeer behendig.—Als zij door haar ketting verhinderd werd een op den grond liggend voorwerp met de voorhanden te grijpen, ging zij lang uit op den rug liggen, en bereikte haar doel niet zelden met de achterhanden (of voeten). Ook maakte zij soms voor dit doel gebruik van een langen doek, waarmede zij het begeerde voorwerp sloeg, totdat het binnen haar bereik lag.

Nooit hoorde men haar schreeuwen, behalve als zij alleen gelaten werd; zij begon dan met een geluid te maken, dat op het getjenk van een jongen Hond geleek, maar dat, als zij niet bevredigd werd, grof en schor werd, en nu het best te vergelijken was met het geknars van een groote houtzaag.

Dit merkwaardige dier, dat veel belangstelling wekte, werd ziek in November 1766 en bezweek den 22en Januari 1777 aan een uitterende ziekte.—

Dat de Orang-Oetan, wanneer hij zich iets in ’t hoofd gezet heeft, bewijzen geeft van groot overleg bij de keuze van de middelen om zijn doel te bereiken, blijkt uit eenige van de zoo even vermelde waarnemingen en ook uit tal van andere, waarvan wij alleen nog maar de volgende vermelden: F. Cuvier verhaalt, dat de Orang-Oetan van den Jardin des Plantes een knoop wist los te maken, waardoor een touw, waaraan hij slingerde, was ingekort, ten einde hem hierdoor het bereiken van den grendel eener deur te beletten. Hij had zulks eerst beproefd, door onder den knoop aan het touw te trekken; maar toen hij merkte, dat zijne lichaamszwaarte daartegen een beletsel was, klom hij boven den knoop om hem aldus [17] los te maken. Vrolik teekent hierbij aan: “Iets dergelijks heb ik ook opgemerkt bij een der Orang-Oetans van den Zoologischen tuin te Amsterdam. Men had een openstaande deur vastgebonden met een touw dubbel toegeknoopt. Hetzij nu, dat de luchtstroom, door deze deur heengaande, hem hinderde, hetzij dat hij zich verveelde, hij wilde de deur sluiten; toen hij in zijne pogingen daartoe bemerkte, van welken aard de hinderpaal was, begon hij met één knoop los te maken, en voorts met de deur zoodanig te slingeren, dat ook de tweede knoop van zelf losliet.”

De nu volgende mededeelingen zijn te danken aan een scheepskapitein, Smit, die drie maanden lang een Orang-Oetan op zijn schip heeft gehad. Zoolang het schip zich in de Aziatische zeeën bevond, huisde de Aap op het dek, dat hij in ’t geheel niet verliet; alleen ’s nachts had hij behoefte aan een beschutte plaats om te slapen. Overdag was de Orang-Oetan buitengewoon vroolijk; hij speelde met andere, kleinere Apen, die zich aan boord bevonden, of maakte luchtreizen in het touwwerk. Hij scheen een bijzonder vermaak te vinden in het klimmen en gymnastiseeren; meermalen per dag hield hij zich er mede bezig, nu eens aan het eene, dan weer aan het andere touw. De behendigheid en spierkracht, welke hij bij deze bewegingen toonde, waren verbazingwekkend. De kapitein had eenige honderden kokosnoten medegenomen; de Aap kreeg er dagelijksch twee van. De buitengemeen taaie, ongeveer 5 cM. dikke bolster van de vrucht, die zelfs met een bijl moeilijk stuk gemaakt kan worden, wist onze Aap met zijn krachtig gebit behendig te verwijderen. Hij greep de noot bij het dunste einde, daar waar zich kleine verhevenheden bevinden, pakte het andere einde met de rechter achterhand en scheurde nu zonder fout den vezeligen bolster vaneen. Daarna boorde hij den vinger door een van de drie dunnere gedeelten, die op de binnenste laag van den bolster zichtbaar zijn, en door het daaronder liggend deel van de kern, dronk de melk uit, sloeg den noot vervolgens tegen een hard voorwerp stuk, en at de kern op.

Ook was hij een liefhebber van zout, vleesch, meel, sago enz.; allerlei listen wendde hij aan, om gedurende den maaltijd een zekere hoeveelheid vleesch meester te worden. Wat hij eenmaal gegrepen had, gaf hij nooit weer terug, zelfs niet, als men hem sloeg. 3 à 4 pond vleesch at hij met gemak bij een maaltijd op. Het meel haalde hij zich iederen dag uit de keuken; altijd wist hij gebruik te maken van een tijdelijke afwezigheid van den kok om de meelton te openen, een flinke handvol meel er uit te nemen, en dit in den mond te stoppen, waarna hij de hand aan zijn kop afveegde, zoodat hij steeds gepoederd van zijn rooftocht terugkeerde. Des Dinsdags en Vrijdags bracht hij, zoodra de etensbel geluid werd, geregeld een bezoek aan de matrozen, omdat deze dan voor hun middagmaal sago met suiker en kaneel kregen. Even geregeld begaf hij zich om 2 uur naar de kajuit om aan den maaltijd deel te nemen. Gedurende het eten hield hij zich zeer bedaard, en was, wat van de andere Apen niet gezegd kan worden, netjes. Nooit heeft hij echter een lepel goed leeren gebruiken. Hij zette het bord eenvoudig aan den mond, en dronk de soep uit, zonder een droppel te morsen. Hij hield veel van alcoholische dranken, en kreeg daarom geregeld des middags een glas wijn. Hij ledigde dit op een zeer eigenaardige wijze. Van zijne onderlip kon hij, door haar vooruit te steken, een meer dan 7 cM. langen en bijna even breeden lepel vormen, ruim genoeg om een geheel glas water te bevatten. In dezen lepel goot hij den wijn, na er vooraf zorgvuldig aan geroken te hebben; nooit dronk hij, zonder den onderlip op de genoemde wijze vooruit te steken. Den wijn liet hij vervolgens zeer voorzichtig en langzaam tusschen de tanden door naar binnen vloeien, alsof hij het genot er van zoo lang mogelijk wilde doen duren. Daarna hield hij zijn glas opnieuw bij, om zich nogmaals te laten inschenken. Nooit brak hij iets, altijd zette hij breekbare voorwerpen voorzichtig neder, juist het tegendeel van hetgeen men in den regel bij de Apen opmerkt.

Men hoorde slechts tweeërlei stemgeluiden van hem: een zwak, fluitend keelgeluid, dat opgewondenheid te kennen gaf, en een verschrikkelijk gebrul, dat eenigszins geleek op het loeien van een in ’t nauw gebrachte koe, en vrees uitdrukte. Eens werd dit gebrul te voorschijn geroepen door eenige Potvisschen, die dicht bij het schip langs zwommen, een andere maal door het zien van de Waterslangen, die zijn meester van Java medegenomen had. De uitdrukking van zijn gelaat bleef steeds hetzelfde. Een ongelukkig toeval maakte een einde aan het leven van dit dier, voordat het Duitschland bereikte. Het wist een flesch rum machtig te worden, dronk deze bijna schoon leeg, werd hierdoor ziek en stierf veertien dagen later.1


Bij geen enkel apengeslacht zijn de voorste ledematen zoo sterk ontwikkeld als bij de Gibbons of Langarm-apen (Hylobates). Zij dragen hun naam met het volste recht, want de boven alle gewone afmetingen verlengde armen bereiken, wanneer het dier rechtop staat, den bodem. Dit eene kenmerk zou voldoende zijn om de Langarm-apen van alle overige leden der orde te onderscheiden.

De Gibbons vormen het soortenrijkste geslacht van de Mensch-apen; men kent er niet minder dan zeven soorten van. Allen zijn bewoners van Azië, en behooren uitsluitend thuis in Voor- en Achter-Indië en op de Groote Soenda-eilanden: Sumatra, Java en Borneo. Deze Apen bereiken een vrij aanzienlijke grootte, ofschoon geen enkele van hen meer dan 1 M. hoog wordt. Hun lichaam heeft, ondanks de sterke, gewelfde borst, een zeer slank voorkomen, omdat het in de lendenstreek, evenals bij de Windhonden, verschraald is. De achterste ledematen zijn aanmerkelijk korter dan de voorste; de lange achterhanden onderscheiden zich bij één soort (de Siamang) bovendien, door het onderling vergroeid zijn van de onderste helften der op een na binnenste en middelste teenen. De kop is klein en eivormig, het aangezicht menschachtig. De eeltplekken op het zitvlak zijn klein; de staart is uitwendig niet zichtbaar. Een dichte, dikwijls zijdeachtig zachte vacht bedekt hun lichaam; zijne hoofdkleuren zijn zwart, bruin, bruinachtig grijs en stroogeel. Alle Gibbons hebben een buitengewoon luide stem; vooral in de morgenuren schreeuwen zij veel.


Van de tot dusver bekende soorten van Langarm-apen zijn vooral merkwaardig: De Siamang (Hylobates syndactylus), de Hulock (H. hulock), de Lar of [18] Withandige Gibbon (H. lar), de Oengko (H. rafflesii) en de Wouwou of Oa (H. variegatus). De grootste van deze is de Siamang, die een donkerzwart, zacht haarkleed heeft, en een keelzak, die bij het schreeuwen opzwelt en het geluid versterkt. Sumatra is zijn vaderland. De iets kleinere Hulock is, met uitzondering van een witte streep over het voorhoofd, meestal zwart; van deze soort komen echter lichter gekleurde verscheidenheden voor. Hij heeft geen keelzak en bewoont Voor- en Achter-Indië. Nog veranderlijker van kleur is de zeldzamere, op Sumatra inheemsche Oengko, die tot op 1000 M. hoogte in de bosschen van het gebergte (nevens den Siamang) voorkomt. De Wouwou eindelijk heeft een blauwachtig zwart gelaat, de kop, de buik en de binnenzijde van de armen en beenen zijn donkerbruin, de overige lichaamsdeelen lichter van kleur; hij leeft evenals de Lar op het Maleische schiereiland, en wordt ook op Sumatra gevonden. De geheele lichaamsbouw van de Langarm-apen maakt hen voor ’t klimmen geschikt. Zij hebben iedere eigenschap, die voor snelle, langdurige klim- en sprongbewegingen vereischt wordt. De breede en diepe borst bevat de noodige ruimte voor de groote longen, die niet vermoeid worden, den arbeid niet staken, als de snelle voortbeweging den kringloop van het bloed bespoedigt; de krachtige achterste ledematen ontwikkelen de veerkracht, welke voor verre sprongen vereischt wordt; de lange armen verschaffen de zekerheid, dat de afgelegen tak, die zoo aanstonds de taak van het tegenwoordige steunpunt zal overnemen, bereikt zal worden; kortere armen zouden het doel licht missen. Hoe lang deze armen in verhouding tot het overige lichaam zijn, blijkt vooral, wanneer men ze met die van den mensch vergelijkt. Bij ons komt, zooals bekend is, de afstand tusschen de middelvingertoppen der zoover mogelijk zijwaarts gestrekte armen met de lichaamslengte overeen; bij den Gibbon is zij het dubbele daarvan. Een rechtopstaand mensch bereikt met zijne slap afhangende armen niet eens de knieën, de Gibbon reikt er mede voorbij de enkels. Dat zulke voorste ledematen nagenoeg ongeschikt zijn om er op te loopen, is even licht in te zien, als hunne uitstekende geschiktheid voor ’t klimmen. De gang van den Gibbon is dan ook een hoogst gebrekkig waggelen op de achterpooten, een onbeholpen voortschuiven van het lichaam, dat slechts door de uitgestrekte armen in evenwicht kan worden gehouden. Hun klimmen en huppelen in de boomen echter is een prachtige, vervroolijkende beweging; ’t is alsof haar geen grenzen gesteld zijn, alsof de zwaartekracht haar geen belemmeringen in den weg legt. De Gibbons op den grond zijn langzaam, onbeholpen, onbehagelijk—kortom stumperachtig; tusschen de takken zijn zij juist het tegendeel van dit alles; men zou ze vogels in apengedaante kunnen noemen. De kunstverrichtingen van de Langarm-apen in de boomen worden door allen, die er getuige van geweest zijn, eenstemmig bewonderd.

Met ongeloofelijke snelheid en behendigheid beklimt de Wouwou, volgens Duvaucel, een bamboesstengel, een boomtop of een tak, slingert hiermede eenige malen op en neer of heen en weer, en overspringt nu, geholpen door de veerkracht van den terug zwaaienden tak, tusschenruimten van 12 of 13 meter, drie, vier malen achtereen, met zooveel gemak dat men geneigd zou zijn deze beweging te vergelijken met die van een pijl, of van een in schuinsche richting naar beneden schietenden vogel. ’t Is, alsof men het hem kan aanzien, dat het bewustzijn van zijne onnavolgbare vlugheid, hem een groot genoegen verschaft. Zonder noodzakelijkheid springt hij over tusschenruimten, die hij door een kleinen omweg gemakkelijk zou kunnen vermijden, verandert van richting gedurende den sprong, en blijft, zoodra hij dit wenscht, aan den eersten den besten tak hangen, schommelt en wiegelt er aan, beklimt hem schielijk, laat hem op en neer veeren, en stort er zich weer van af in de lucht, met nooit missende gewisheid naar een nieuw doel strevend. Het is, alsof dit dier tooverkrachten bezit, en zonder vleugels te hebben, toch vliegen kan; hij leeft meer in de lucht dan op de takken. Waartoe zou een met zulke begaafdheden uitgerust wezen de aarde noodig hebben? De aarde blijft dezen luchtbewoner vreemd, hoogstens biedt zij hem een lavenden dronk, voor ’t overige stoot zij hem terug in het rijk der lucht. Hier vindt hij zijn woning, hier geniet hij rust, vrede en veiligheid; hier is het hem mogelijk, iederen vijand te trotseeren en te ontvluchten; hier kan hij leven, zich opwindend door snelle beweging.

Aan het nagaan van de levenswijze dezer dieren in de vrije natuur zijn groote bezwaren verbonden, omdat bijna alle soorten den mensch schuwen en slechts zelden de open plaatsen in het bosch naderen. Alleen een goede verrekijker—een onmisbaar hulpmiddel bij het waarnemen van het leven in vrijen toestand van alle schuwe dieren—kan den voorzichtigen onderzoeker de gelegenheid verschaffen, eenige van hunne handelingen te bespieden. Zoo zag men, dat de moeders hare jongen naar den rivieroever droegen, om ze in weerwil van hun schreeuwen te wasschen, dat zij ze daarna afwischten en droogden, kortom zooveel werk van hun reiniging maakten, als slechts in gunstige gevallen aan menschenkinderen wordt besteed.

Bij zonsop- en zonsondergang vereenigen zij gewoonlijk hunne luidklinkende stemmen tot zulk een vreeselijk geschreeuw, dat men er door verdoofd zou worden, als men zich in hun nabijheid bevond, en dat iemand, die aan deze zonderlinge muziek niet gewoon is, er waarlijk van schrikt. Zij zijn de Brulapen van de Oude Wereld, de morgenwekkers van de Maleische bergbewoners en tevens een bron van ergernis voor de stedelingen, wie zij het verblijf in hunne villa’s verbitteren. Het heet, dat men hun geschreeuw op een afstand van een Engelsche mijl hooren kan. Ook van gevangene Langarm-apen heeft men het dikwijls gehoord: van hen die keelzakken hebben, even goed als van die, welke deze trommels tot versterking van de stem missen. Een goede opmerker, Bennett, bezat een levenden Siamang, en zag, dat deze, als hij door de een of andere oorzaak opgewonden was, telkens de lippen bij wijze van een trechter vooruitstak, daarna lucht in de keelzakken blies, en nu er op loskraaide, ongeveer als een Kalkoen. Hij schreeuwde zoowel als hij in vroolijke, als wanneer hij in toornige stemming verkeerde. Ook het Oengko-wijfje te Londen maakte een druk gebruik van hare stemorganen; zij deed dit echter op een hoogst eigenaardige, muzikale wijze. Men zou haar geschreeuw zeer goed op noten kunnen zetten. Het begon met den grondtoon E, en steeg daarna bij halve tonen een volle octaaf hooger, langs de chromatische toonladder. De grondtoon bleef steeds hoorbaar en diende als voorslag voor elke volgende noot. Bij het opklimmen van de toonladder, volgden de afzonderlijke tonen al langzamer en langzamer op elkander, bij het afdalen echter sneller en ten slotte buitengewoon snel. Steeds was het slot een gillend geluid, dat met groote kracht uitgestooten werd. De regelmatigheid, snelheid en toonvastheid, waarmede het dier de toonladder uitschreeuwde, wekte algemeene bewondering. [19]

Over de geestvermogens van de Langarmige apen zijn de meeningen der onderzoekers verdeeld. Duvaucel noemt den Siamang langzaam, dom, onbeholpen, lui, onhandig, vreesachtig en vervelend, onverschillig tegenover zijne verzorgers en onvatbaar voor welwillende, zoowel als voor wraakzuchtige gevoelens. Forbes daarentegen roemt zijne tembaarheid en aanhankelijkheid. “De aardige, liefkoozende wijze, waarop hij zijne lange armen om mijn hals, en zijn kop aan mijn borst legde, terwijl hij een tevreden gebrom liet hooren, zou iedereen bekoord hebben.” Ook Bennett oordeelt gunstiger. De Siamang, dien hij naar Europa trachtte over te brengen, verwierf zich in korten tijd de genegenheid van al zijne menschelijke reisgezellen. Tot droefheid van de bemanning stierf dit dier nog voor zijn aankomst in Engeland. Zelden ziet men de Gibbons in gevangen staat, zelfs in hun vaderland. Zij kunnen het verlies van hun vrijheid niet verdragen, verlangen steeds naar hunne bosschen en spelen terug, en worden voortdurend stiller en treuriger, totdat zij eindelijk bezwijken.

Lar of Withandige Gibbon (Hylobates lar). 1/7 v.d. ware grootte.

Lar of Withandige Gibbon (Hylobates lar). 1/7 v.d. ware grootte.


De tweede onderfamilie van de Smalneuzen wordt gevormd door de Honds-apen (Cynopithecini). Zij is gekenmerkt door het sterker vooruitsteken van den snuit, hetgeen vooral bij de lager ontwikkelde geslachten bemerkbaar is, de geringere lengte der armen, het veelvuldig aanwezig zijn van een staart en van wangzakken en het geregeld bezit van eeltplekken aan het zitvlak. Voor het overige is hun lichaamsbouw zeer ongelijk, want alle overgangen van de slanke gestalte der Slankapen tot den loggen lichaamsvorm der Hondskop-apen of Bavianen komen voor. Zij zijn verbreid over de tropische gewesten van de Oude Wereld, vooral over Indië van den Himalaja af, Achter-Indië, Cochin-China, den Maleischen Archipel, het zuiden van Arabië en geheel Afrika met uitzondering van de oostelijke gedeelten van de Sahara. Zij behooren tot de levendigste en bewegelijkste vertegenwoordigers der Apenorde, zijn schrander, doch voor ’t meerendeel ook boosaardig en onwelvoeglijk. Bijna overal waar zij voorkomen, worden zij in meerdere of mindere mate schadelijk, daar zij plantages en tuinen op de onbeschaamdste wijze plunderen. Hier en daar worden zij ook wegens hunne boosaardige hartstochten gevreesd. Bij eenige volken hebben zij zich de grootste verachting op den hals gehaald; bij andere staan sommige dezer dieren in een reuk van heiligheid.

Het eerste geslacht, dat wij behandelen zullen, omvat de Slankapen (Semnopithecus). Deze zijn, zooals hun naam aangeeft, slanke en rank gebouwde Apen met lange, fijne ledematen en zeer langen staart, kleinen, hoogen kop, onbehaard gelaat en korten snuit met kleine wangzakken. Hunne eeltplekken zijn zeer klein. Aan den achtersten waren kies hebben zij vijf knobbels; hun geraamte herinnert door zijne slanke vormen aan dat van de Gibbons. Aan de handen komen lange vingers voor, maar de duim van de voorhanden is klein, bij sommige zelfs rudimentair, voor ’t grijpen ongeschikt, geworden. Hun beharing is bewonderenswaardig fijn, hun kleur steeds bevallig, bij één soort hoogst eigenaardig; dikwijls zijn de kopharen buitengewoon lang. [20]

Het vastland van Zuid-Azië, Ceylon en de eilanden van den Indischen archipel vormen het vaderland van de Slankapen. Hier leven zij, tot meer of minder talrijke troepen vereenigd in de bosschen, liefst in de nabijheid van rivieroevers, niet minder gaarne echter in de nabijheid van dorpen en plantages. Zij leiden, daar zij bijna overal ontzien worden, een zeer genoeglijk leven.

Van de Slankapen verdient in de eerste plaats vermeld te worden de Hoelman, Hamman of Hanoeman, zooals de Hindoes hem noemen, de Heilige Aap der Indiërs (Semnopithecus entellus). Hij is de veelvuldigst voorkomende Aap van Voor-Indië en over de meeste districten van den Himalaja tot Kaap Comorin verbreid. Zijn verbreidingsgebied wordt voortdurend grooter, daar men hem niet slechts beschermt en verwent, maar ook in sommige gewesten invoert. Hij bereikt een lengte van 1.57 à 1.72 M., waarvan 97 cM. op den in een haarkwast eindigenden staart komen. Hij is geelachtig wit behaard, de naakte lichaamsdeelen zijn donker violet. Het gelaat, de handen en voeten, voor zoover zij behaard zijn en de stijve kam van vooruitstekende haren, die boven de oogen aanwezig is, zijn zwart; de korte baard is geelachtig van kleur.

De Hoelman neemt niet de laagste plaats in onder de tallooze godheden van de Hindoes, en verheugt zich reeds sedert ondenkbare tijden in deze eer. De reus Ravan roofde, volgens de oud-Indische sage, Sita, de gemalin van Schri-Rama, en bracht haar naar zijn woning op het eiland Ceylon; de Koning der Apen echter bevrijdde de dame uit haar gevangenschap en voerde ze naar haar gemaal terug. Ook hielp hij Rama bij de verovering van Ceylon. Sedert dien tijd wordt hij als held vereerd. Veel wordt er verteld van zijne geestkracht en vlugheid. Een der meest geschatte vruchten, de mango, heeft men aan hem te danken; hij stal haar uit den tuin van den reus. Tot straf voor dezen diefstal werd hij tot den vuurdood veroordeeld—door wie, meldt de historie niet—; hij echter bluschte het vuur, maar verbrandde zich daarbij het gelaat en de handen, die sedert dien tijd zwart zijn gebleven. Om al deze redenen hebben de Brahminen hem vergood.

Reeds sedert vele jaren heeft men de levenswijze van dezen Aap in zijn vaderland nagegaan. Maar, hoe vreemd dit ook schijne, juist daarom zijn wij het laatst met hem bekend geworden. Men meende, dat zulk een algemeen voorkomend dier wel dikwijls naar Europa gebracht zou zijn, en verzuimde daarom, onzen Hoelman op te stoppen en het opgezette dier naar Europa te zenden. Hier komt nog bij, dat er bezwaren of liever gevaren aan verbonden zijn, het heilige dier te dooden; want alleen de Maratten bewijzen hem geen achting, terwijl bijna alle overige Indiërs hem verzorgen en een schuilplaats verleenen, beschermen en verdedigen, zooveel zij maar kunnen. Een Europeaan, die het waagt, het onschendbare dier aan te grijpen, stelt zijn leven op het spel, wanneer hij de eenige blanke onder de licht opgewonden menigte is. De Aap wordt immers heilig geacht. Een regeerend vorstenhuis beweert van hem af te stammen, en de leden er van dragen den titel “Rama met den staart”, omdat hun stamvader, naar zij beweren, gezegend was met het voor ons onnoodige aanhangsel. Een Portugeesch onderkoning van Indië, Constantino de Braganza, maakte een Apentand buit uit den schat van een Ceylonsch vorst en ontving kort daarna een gezantschap van den koning van Pegu, die hem 300.000 cruzaden liet aanbieden in ruil voor de kostbare reliquie. Waarschijnlijk is er nog nooit zoo’n hooge som voor een tand geboden; des te meer verwondering zal het wekken, dat het bedoelde bod door de Europeanen afgeslagen werd. De onderkoning raadpleegde zijne raadslieden; deze waren natuurlijk voor ’t meerendeel van oordeel, dat het geld aangenomen moest worden; een hunner, een priester kwam hier tegen op, omdat, naar hij beweerde, de heidensche begrippen over tooverij en ander bijgeloof door zulk een handel veld zouden winnen; het gelukte den ijveraar zijn meening ingang te doen vinden. Dat de vorst van Pegu zijn wensch niet vervuld zag, laat ons koud; te bejammeren is het echter dat het niet toestaan van zijn verzoek gevolgd werd door het te loor gaan van een gedenkstuk, dat voor de geschiedenis van de Indische godenleer, en ook voor de natuurlijke geschiedenis, belangrijk geweest zou zijn. Naar dezen enkelen tand zou men zeer goed hebben kunnen bepalen, van welken Aap dit kostbaar kleinood een lichaamsdeel was.

In onzen tijd wordt aan het heilige dier dezelfde achting bewezen als vroeger. De Indiërs laten den onbeschaamden gast rustig hunne tuinen plunderen en hunne huizen leeg stelen, zonder er iets tegen te doen; zij kijken ieder, die het waagt, den Aap kwaad te doen, met scheele oogen aan. Toen een jonge Hollander, die eerst kort te voren uit Europa was gekomen, van uit zijn venster een van deze Apen had doodgeschoten, ontstond hierover, gelijk Tavenier verhaalt, zulk een groote opschudding onder de inboorlingen, dat het bijna niet mogelijk was, er een einde aan te maken. Allen zeiden onmiddellijk den Hollander den dienst op in de vaste overtuiging dat de gepleegde heiligschennis voor den vreemdeling, en misschien ook voor hen, vreeselijke gevolgen zou hebben.—Duvaucel bericht, dat het hem in den eersten tijd onmogelijk was, een van deze Apen te dooden, omdat de inboorlingen dit steeds verhinderden.—Forbes verzekert, dat er in Duboy evenveel Apen als menschen wonen. De Apen bewonen er de bovenste verdieping van de huizen. De vreemdelingen hebben veel last van deze dieren. Als een bewoner van genoemde stad zich wil wreken op zijn buurman, strooit hij rijst of ander graan op diens dak, liefst kort voor den aanvang van het regenseizoen, wanneer alle eigenaars van huizen zorgen moeten, dat het dak in goeden toestand verkeert. Zoodra de Apen het voor hen bestemde zien, maken zij zich meester van al wat zij er van machtig kunnen worden; hunne begeerigheid gaat zoo ver, dat zij de dakbedekking vernielen, om de korrels te kunnen vergaren, die in de spleten gevallen zijn. Daar in den genoemden tijd alle werklieden het zeer volhandig hebben, en er dus geen hulp te krijgen is voor het herstellen van het dak, zal de bewoner veel last hebben van lekkage, en daardoor groote schade lijden. Niet alleen voor de gezonde, ook voor de zieke Apen wordt goed gezorgd. Tavernier vond in Ahmadabad een ziekenhuis, waarin Apen, Runderen enz. verpleegd werden. Op alle platte daken worden van tijd tot tijd rijst, gierst, dadels en andere vruchten en suikerriet voor de Apen neergelegd. De Apen zijn zoo brutaal, dat zij niet slechts de tuinen plunderen, maar ook omstreeks het etensuur het huis binnendringen, en de spijzen onder de handen der menschen wegrooven. De zendeling John verzekert, dat het hem groote moeite heeft gekost, zijne kleederen en andere zaken voor deze dieren te beveiligen.—Zeer waarschijnlijk hangt de eerbied, die aan de Apen betoond wordt, met het geloof aan de zielsverhuizing samen. De Hindoes gelooven n.l., dat hunne zielen zich na den dood het lichaam van deze Apen tot woonplaats kiezen. [21]

Hun onbeschaamdheid daargelaten, is er alle reden om deze dieren aantrekkelijk en bevallig te noemen. John zegt uitdrukkelijk, dat hij nooit mooier Apen heeft gezien dan de Hoelmans. Iedereen wordt getroffen door de vriendschappelijkheid, welke zij elkander betoonen, en verbaast zich over hunne reusachtige sprongen.


Het geslacht der Slankapen bevat nog andere merkwaardige leden. Een zeer sierlijke Aap is de Boedeng der Javanen (Semnopithecus maurus). In volwassen staat is hij zwart; het aangezicht en de handen hebben den glans van fluweel, de rug is zijdeachtig. Het kophaar vormt een eigenaardige muts, die over het voorhoofd afhangt en aan weerszijden van den kop langs de wangen vooruitsteekt. Pasgeboren jongen zijn goudgeel van kleur, alleen aan het onderste gedeelte van den rug, aan de bovenzijde van den staart en aan den staartkwast zijn de bovenste gedeelten der haren donkerder. Weldra echter breidt de zwarte kleur zich verder en verder uit, binnen eenige weinige maanden zijn de handen, de bovenzijde van den kop en de staartkwast zwart geworden, en van nu af wordt de vacht allengs gelijk aan die van het oude dier. De lengte van dezen fraaien Aap bedraagt nagenoeg 1.5 M., waarvan meer dan de helft op den staart komt.

Hoelman (Semnopithecus entellus) 1/10 v.d. ware grootte.

Hoelman (Semnopithecus entellus) 1/10 v.d. ware grootte.

“De Boedeng”, zegt Horsfield, “komt in de uitgestrekte bosschen van Java zeer veelvuldig voor. In talrijke gezelschappen vindt men hem op de toppen der boomen, niet zelden meer dan 50 exemplaren bijeen. Men doet wel, zulke troepen op eenigen afstand te beschouwen. Bij de nadering van menschen beginnen zij luid te schreeuwen, en springen onder een oorverdoovend geraas zoo woedend in de boomkroon rond, dat er dikwijls dikke stukken dood hout afbreken en op hunne vervolgers vallen.”

De gevangene Boedeng heeft een stil, zachtaardig en lijdend voorkomen. In Antwerpen was er een in gezelschap van kleine Meerkatten en Makaken, die hem onophoudelijk plaagden en kwelden, zonder dat het in hem opkwam, zich te verweren. Het maakte een comischen indruk, dezen grooten Aap naar de pijpen te zien dansen van een nauwelijks één jaar ouden Meerkat, die hem door stompen en oorvegen, door knijpen en aan ’t haar trekken op de jammerlijkste wijze tyranniseerde. Het bleek duidelijk, dat goedaardigheid den grondtrek van het karakter van den Boedeng uitmaakt; hij mist geheel en al de laaghartigheid, die andere leden der orde zoo zeer kenmerkt.—Ook de Boedeng heeft, naar het schijnt, veel te lijden van ons klimaat. Het is hem aan te zien, hoeveel goed het hem doet, als hij zich in het zonnetje mag koesteren, hoe gelukkig hij is, wanneer een blik van de levenwekkende dagvorstin, welker gloed aan zijn rijk gezegend vaderland alle pracht en heerlijkheid der keerkringslanden verschaft, op hem valt.


Van de eigenlijke Slankapen wordt tegenwoordig een soort afgescheiden, die duidelijk kenbaar is aan zijn vreemdsoortigen neus; het is de op Borneo levende Neusaap of Kahau (Nasalis larvatus). Over het geheel heeft dit zonderlinge dier denzelfden lichaamsbouw als de Slankapen: de vooruitstekende, misvormde menschenneus echter, die als een slurf bewogen, uitgestoken en teruggetrokken kan worden, verleent hem een hoogst eigenaardig voorkomen. Het lichaam is slank, de staart zeer lang; de voorste en achterste ledematen zijn ongeveer van gelijke lengte; wangzakken ontbreken. De neus hangt haakvormig over de bovenlip heen, is in het midden tamelijk breed, aan den top [22] toegespitst en langs den rug met een ondiepe groeve voorzien; de neusgaten zijn zeer groot, en kunnen nog zeer sterk uitgezet worden. Bij jonge dieren is het later zoo merkwaardig ontwikkelde zintuig nog klein en stomp. Volgens C. Bock bereikt het alleen bij de mannetjes op lateren leeftijd de eigenaardige, aanzienlijke grootte, niet echter bij de wijfjes. De beharing is dicht en zacht; aan de kruin zijn de haren kort en talrijk, aan de zijden van het gelaat en aan het achterhoofd langer; aan den hals vormen zij een soort van kraag. De kleur van dezen Aap is tamelijk bont; de volwassen mannetjes zijn ongeveer 1.5 M. lang; de staart is een weinig langer dan de kop met den romp te zamen genomen. De wijfjes zijn kleiner.

Neusaap of Kahau (Nasalis narvatus). 1/10 v.d. ware grootte.

Neusaap of Kahau (Nasalis narvatus). 1/10 v.d. ware grootte.

De levenswijze van deze op boomen gezellig levende dieren is nog slechts zeer onvolledig bekend. Volgens Wurmb verzamelen zij zich des morgens en des avonds tot talrijke scharen, die een gehuil aanheffen, waarvan hun naam een nabootsing is.


Ook de Afrikaansche verwanten van de Aziatische Slankapen, de Kortduim-apen (Colobi), zijn zeer in ’t oog loopende dieren, die zich door een eigenaardige kleur, zonderlinge, maar fraaie manen en andere haarwoekeringen onderscheiden. Evenals Indië meer leven en rijkdom vertoont dan het droge Afrika, zoo zijn ook de Slankapen helderder en vroolijker van kleur dan de Kortduimapen, hoewel men niet zeggen kan, dat deze minder schoon zijn, een minder aangenamen indruk maken op ons oog dan gene. Over ’t geheel zijn de kenteekenen, waardoor deze beide groepen van elkander verschillen van zeer geringe beteekenis. De Kortduimapen onderscheiden zich van de Slankapen vooral hierdoor, dat zij aan de voorhanden nevens de vier vingers slechts een kort stompje hebben, ter plaatse waar de duim verwacht kon worden. De romp van de Kortduimapen is nog steeds slank en sierlijk gebouwd, de snuit kort, de staart zeer lang; de schrale ledematen evenaren elkander in lengte; de wangzakken ontbreken.

De eereplaats in deze diergroep komt toe aan den Guereza (Colobus guereza); ontegenzeggelijk is hij de schoonste van alle Apen. Zijn kleur maakt een hoogst aangenamen indruk; zijn haarkleed is zoo eigenaardig en tevens zoo sierlijk, dat misschien geen ander dier hem in dit opzicht overtreft. De Duitsche reiziger Rüppell vond dit wonderschoone wezen gedurende zijn reis in Abessinië in de provincie Godscham; aan den naam dien het dier daar draagt, heeft hij den naam ontleend, waarmede het in de wetenschappelijke werken wordt aangeduid. Eigenlijk was deze aap al vroeger bekend; Hiob Ludolf vermeldt hem in een zeer belangrijk werk over Ethiopië; Rüppell echter was de eerste natuuronderzoeker, die den Guereza levend leerde kennen en op eigen ervaringen gegronde mededeelingen over hem kon geven. Later waren ook andere reizigers hiertoe in staat. Terwijl ik mij in de nabijheid van den benedenloop van den Witten Nijl bevond, zag ik een als tabakszak dienend vel van dit dier in de handen van een Hassanie, die mij vertelde, dat het in verder zuidwaarts gelegen gewesten niet zeldzaam is. Ook Heuglin heeft dezen Aap in Abessinië en bij den Witten Nijl dikwijls ontmoet, en uit betrouwbare bron vernomen, dat hij ook in andere Afrikaansche landen inheemsch is. Dat zijn verbreidingsgebied veel uitgestrekter is, dan vroeger aangenomen werd, bleek, toen Thomson hem in Massai-land vond, en Johnston en Hans Meijer berichtten, dat hij niet alleen op den Kilima-Ndscharo op ongeveer 1000 M. hoogte, maar ook, en zelfs vrij veelvuldig, verder zuidwaarts in het landschap Kahe aangetroffen wordt. Van de bekoorlijkheid van den Guereza kunnen afbeeldingen en beschrijvingen natuurlijk slechts een onvolkomen denkbeeld geven: Op het fluweelachtig zwarte lichaam maken de wit behaarde gedeelten van de huid (een dwarsstrook boven de oogen, de slapen, de zijden van den hals, de kin, de keel, een strook langs de zijden en om de naakte eeltplekken, het uiteinde van den staart) een prachtig effect. Ieder wit haar is echter met een groot aantal bruine ringetjes [23] geteekend, waardoor het geheel den indruk maakt van zilvergrijs te zijn. De manen (zoo zal ik de lange haren van de zijden des lichaams maar noemen) hangen als een kostbare Bedoeïnen-mantel naar beneden, en vormen een zeldzaam schoon sieraad van de vacht.

De jacht op den Guereza biedt groote bezwaren aan. Op de hooge kruinen zijner lievelingsboomen is hij voor de listen der menschen tamelijk veilig. Met een met hagel geladen geweer kan men het sterke, taaie dier wel wonden, maar dan heeft men het nog niet in handen; met meer succes gebruikt een geoefend jager de buks. Gelukkig kunnen de inboorlingen met dit wapen niet goed omgaan; anders zouden de Abessiniërs het schoone dier misschien uitgeroeid hebben. In vroegere tijden werd het ijverig vervolgd. Het gold voor een bijzondere onderscheiding een schild te bezitten, dat met een vel van dezen Aap versierd was. De schilden der Abessiniërs en van andere volksstammen in Oost-Afrika zijn langwerpig rond en van Antilopen-, soms ook wel van Nijlpaardenleer vervaardigd; zij worden op zulk een wijze met het vel van den rug en van de zijden van den Guereza bekleed, dat de manen er een gordel omheen vormen.

In Gondar, de hoofdstad van Abessinië, werd vroeger voor zulk een vel een speciedaalder betaald, een som waarvoor men 5 of 6 vette Schapen kon bekomen. Tegenwoordig is de prijs van dit sieraad belangrijk lager; de hierboven beschreven schilden worden gelukkig niet meer gebruikt;—gelukkig, zeg ik, omdat hierdoor, naar ik hoop, de zoo bekoorlijke Guereza, voorloopig althans, het lot ontgaan zal, waarmede de vernielingswoede van den mensen overal “zijne eerst-geboren broeders” bedreigt.

Slechts tweemaal zijn, voor zoover mij bekend is, Guereza’s levend naar Europa gebracht.

Guereza (Colobus guereza). 1/10 v. d. ware grootte

Guereza (Colobus guereza). 1/10 v. d. ware grootte

Andere leden van hetzelfde geslacht zijn de Beerachtige Kortduimaap (Colobus ursinus) en de Duivelsaap (Colobus satanas). De eerstgenoemde verschilt van den Guereza door het gemis van de witte manen, door de langere beharing van het lichaam en door den bijna pluimloozen staart. Hij bewoont Opper-Guinea en Fernando-Po. De Duivelsaap is eenkleurig zwart, en wordt hoofdzakelijk op Fernando-Po gevonden.


Afrika is het vaderland zoowel van de grootste, de schranderste en de leelijkste Apen van de Oude Wereld, als ook van de schoonste, de sierlijkste en de gezelligste leden van deze diergroep. Tot dezen behooren ongetwijfeld de Apen, die bij ons onder den naam ”Meerkatten” bekend zijn, en die het geslacht Cercopithecus vormen. Sommige leden van dit geslacht komen ons in iederen dierentuin of in ieder beestenspel vaak genoeg onder de oogen; ook treft men ze niet zelden aan als vroolijke huisgenooten van dierenvrienden. De benaming “Meerkat”, die reeds in de 16e eeuw voorkomt, is door zoogenoemde volks-etymologie uit het Indische woord markata ontstaan, dat ook thans nog gebezigd wordt tot aanduiding van den Bonder. Natuurlijk staat onze Aap zoo min tot het “meer” als tot de “kat” in eenige betrekking. Hij bewoont de tropische gewesten van Afrika, wordt echter alleen op het vastland, niet op de eilanden aangetroffen. Waar ongerepte wouden zijn, komen ook de Meerkatten in grooten getale voor. Verscheidene soorten krijgen wij zoowel uit het oostelijke, als uit het westelijke en uit het centrale gedeelte van het donkere werelddeel; de meesten echter komen uit West-Afrika; tamelijk vele ook uit Abessinië en uit de landen, die tot het stroomgebied van den Boven-Nijl behooren.

Zij onderscheiden zich door een vlugge en sierlijke gestalte, slanke ledematen, fijne, korte handen met langen duim, bovendien door een langen staart zonder kwast aan de spits; zij hebben wijde wangzakken en groote eeltplekken aan het zitvlak. Hunne kleuren zijn meestal tamelijk levendig, bij enkele soorten zelfs bont en dikwijls recht aangenaam. Men kent er ongeveer 20 soorten van. In de Nijllanden vindt men ze eerst op lagere breedtegraden dan 16° N.-B.; in het westen en oosten verbreiden zij zich tot aan de zeekust. Vochtige of althans door rivieren besproeide bosschen worden door hen steeds verkozen boven droge bergstreken; in de nabijheid van bebouwde velden vestigen zij bijzonder graag hun woonplaats. Men kan er stellig op rekenen daar, waar men in Afrika Papegaaien vindt, ook Meerkatten te zullen ontmoeten; omgekeerd treft men waarschijnlijk Papegaaien aan daar, waar Meerkatten inheemsch zijn.

De Meerkatten behooren tot de gezelligste, vlugste, vroolijkste Apen. Bijna altijd vindt men ze in vrij groote troepen bijeen; afzonderlijk levende familiën [24] komen bijna niet voor. Vermakelijk is het, een bende van deze dieren in ’t bosch waar te nemen. Er komt geen einde aan ’t leven maken, schreeuwen en vechten, aan ’t boos worden en zich weder verzoenen, aan ’t klimmen en loopen, aan ’t rooven en plunderen, aan de grimassenmakerij en aan de lichaamsverdraaiingen. Zij vormen een staat op zichzelf, en erkennen geen anderen heer boven zich dan de sterkste hunner soortgenooten; zij weten van geen recht, dan dat, hetwelk door de scherpe tanden en de krachtige handen van den ouden Apenpatriarch geoefend wordt; zij achten geen gevaar mogelijk, waaraan zij niet zouden kunnen ontkomen; zij schikken zich in alle omstandigheden, vreezen geen gebrek of nood, en slijten zoo hun leven in voortdurende opgewondenheid en vroolijkheid. Zij zijn gekenmerkt door een grenzelooze lichtzinnigheid, gepaard aan een potsierlijken ernst; met beiden beginnen en voleindigen zij al hunne ondernemingen. Voor hen is geen doel te veraf, geen top te hoog, geen schat veilig genoeg, geen eigendomsrecht heilig. Het behoeft ons derhalve niet te verwonderen, dat de inboorlingen met grenzelooze verachting en met toorn over hen spreken; evenmin kan het ons bevreemden, dat de toeschouwer, die geen schade lijdt, ze als hoogst vermakelijke wezens aanmerkt.

Het is onmogelijk, een bende Meerkatten in ’t bosch voorbij te gaan, zonder ze op te merken. Gesteld zelfs, dat uw aandacht niet getrokken wordt door de zoo wisselende roepstem van den Apenhoofdman, dan zal toch vermoedelijk het gedruisch, veroorzaakt door het loopen en springen van het gezelschap in de boomen uw opmerkzaamheid gaande maken. Indien ook dit niet gehoord wordt, ziet men de dieren loopen, spelen, rustig zitten, zich in de zon koesteren, en elkander liefdediensten bewijzen, die wegens de aanwezigheid van sommige parasieten noodig zijn; nooit denken zij er aan, zich voor iemand, wie het ook zij, te verbergen. Op den bodem ontmoet men ze alleen daar, waar iets te bikken valt; overigens leven zij in de toppen der boomen, en gaan van den eenen tak op den anderen over. En daarbij is het hun volkomen onverschillig, of hun weg over doornen leidt of niet.

Een zeer merkwaardig schouwspel levert een op roof uitgaande bende Meerkatten op. De brutaliteit, die zij daarbij toonen, heeft mij altijd evenzeer vermaakt, als zij den inboorlingen verdroot. Onder de leiding van den ouden patriarch, wiens rijpe ervaring hem reeds aan menig gevaar heeft doen ontkomen, begeven de roovers zich naar het korenveld; de apinnen, die kinderen hebben, dragen deze, onder den buik hangend, mede; ten overvloede houden de kleintjes mama’s staart met hun staartje haakvormig omvat. In ’t eerst nadert de bende met groote voorzichtigheid; het liefst neemt zij haar weg over de toppen der boomen. De oude heer gaat steeds vooruit, de overigen gaan hem stap voor stap na; zij betreden niet alleen dezelfde boomen, maar zelfs dezelfde takken als hij. Nu en dan klautert de voorzichtige leidsman tot in den top van een boom, en kijkt van daar zorgvuldig rond; als de uitkomst van zijn onderzoek gunstig is, geeft hij dit door geruststellende keelklanken aan zijne onderdanen te kennen, zoo niet, dan verneemt men zijn waarschuwende stem. Van een boom, die dicht bij het korenveld gelegen is, daalt de bende op den bodem af, en nadert nu met flinke sprongen het beoogde paradijs. Hier ontwikkelt zij een waarlijk voorbeeldelooze bedrijvigheid. In de eerste plaats zorgen de Apen er voor, dat zij niet platzak den terugtocht moeten aanvaarden, ingeval zij spoedig verdreven worden. Schielijk rukken zij eenige maïs-kolven of doerrha-aren af, maken de korrels los en stoppen hiermede de wangzakken zoo vol, als mogelijk is; eerst nadat deze voorraadschuren gevuld zijn, vatten de roovers hun taak wat gemakkelijker op, maar worden tevens voortdurend keuriger en moeilijker te bevredigen bij ’t uitzoeken van ’t voedsel. De afgebroken aren en kolven worden zorgvuldig beroken, en onmiddellijk weggeworpen, als zij, wat zeer dikwijls geschiedt, aan de gestelde eischen niet voldoen; de spilzucht, die aan alle Apen eigen is, openbaart zich nu in de hoogste mate. Men kan er op rekenen, dat zij van de tien afgeplukte kolven er slechts één werkelijk opeten; in den regel nemen de fijnproevers slechts een paar korrels uit iedere aar, en werpen het overige weg. Juist hierop grondt zich de grenzelooze haat, dien de inboorlingen hun toedragen.

Als de Apenbende zich in ’t korenveld volkomen veilig acht, veroorloven de moeders hare kinderen haar te verlaten en met de andere Apenjongen te spelen. Het strenge toezicht, waaronder alle kleinen door hunne verpleegsters gehouden worden, blijft daarom niet achterwege; elke apin houdt een waakzaam oog op haar lieveling gevestigd; niemand hunner bekommert zich echter om de veiligheid van het geheele gezelschap, maar verlaat zich, evenals ieder ander lid van de bende, geheel op de zorgvuldigheid van den aanvoerder. Deze gaat, zelfs gedurende het nuttigen van ’t smakelijkste maal, af en toe op de achterpooten staan, en kijkt, als een mensch, in opgerichte houding om zich heen. Na ieder onderzoek hoort men een geruststellend gegorgel, voor zoover hij namelijk niets verdachts heeft opgemerkt: in ’t tegenovergestelde geval waarschuwt hij zijne onderhoorigen door een onnavolgbaar, trillend of blatend geschreeuw. Oogenblikkelijk maakt de geheele schaar zich tot den aftocht gereed, iedere moeder roept haar kind tot zich, en in een oogwenk zijn allen bereid om te vluchten, hoewel zij in der haast nog zooveel voedsel oprapen, als zij meenen te kunnen meedragen. Meermalen heb ik gezien, dat een Aap vijf groote maïskolven meevoerde. Daarvan omvatte hij er twee met den rechter voorpoot, de overige hield hij in de handen en de voeten, zoodat hij bij ’t gaan met de kolven den grond aanraakte. Bij dreigend gevaar worden alle geroofde schatten, die de vlucht vertragen, achtereenvolgens met onwillige gebaren weggeworpen, de laatste kolf echter eerst dan, als de vervolgers den dief zeer na op de hielen zijn, en hij werkelijk handen en voeten voor ’t klimmen noodig heeft. Altijd nemen de Meerkatten de wijk naar den eersten den besten boom. Ik heb opgemerkt, dat zij ook in een geheel afgezonderd staanden boom klauterden, waaruit zij, om verder te kunnen vluchten, als ik ze van daar verjoeg, weer afdalen moesten: zoodra zij echter het bosch bereikt hebben, en werkelijk vluchten willen, zijn zij geborgen; want hun bekwaamheid in ’t klimmen is bijna even groot, als die der Langarmige Apen. ’t Is alsof er geen hindernissen voor hen bestaan: de vreeselijkste doornen, de dichtste heggen, ver uiteenstaande boomen—niets stuit hun vaart. Elke sprong geschiedt met een zelfvertrouwen, dat ons verbazen moet, omdat geen enkel klimmend dier, dat bij ons thuis behoort in de verste verte in dit opzicht met den Aap wedijveren kan. Ook nu gaat de Apenleidsman steeds vooraan, en spoort de kudde door een veel beteekenend gegorgel nu eens tot snellere, dan weer tot langzamere beweging aan. Angst of moedeloosheid zijn bij vluchtende Apen niet waar te nemen; bewonderenswaardig is hun tegenwoordigheid [25] van geest, die zij nooit verliezen. Zonder overdrijving mag men zeggen, dat er voor hen, als zij willen, geen gevaar bestaat. Alleen de listige mensch met zijne verreikende wapens kan ze overmeesteren.

In Oostelijk Soedan maakt men geen eigenlijke jacht op de Meerkatten; wel vangt men ze, en dan gewoonlijk in netten, waaronder lekkernijen voor hen zijn neergelegd. De Apen, die het lokaas wegnemen willen, komen onder ’t net, en geraken er zoozeer in verward, dat zij niet in staat zijn, zich te bevrijden, hoe woedend zij ook te keer gaan. Wij Europeanen schoten deze dieren zonder eenige moeite, omdat zij eerst dan de vlucht nemen, wanneer eenigen hunner den dood gevonden hebben. Voor menschen gevoelen zij weinig of geen vrees. Dikwijls heb ik waargenomen, dat zij voetgangers of ruiters, muildieren en Kameelen onder zich door laten trekken, zonder te kikken; terwijl zij daarentegen bij ’t zien van een Hond, onmiddellijk hun angstgeschreeuw laten hooren.

Bij de Apenjacht is het mij gegaan, als tal van andere jagers vóór mij: ik kreeg er op eens een onweerstaanbaren afkeer van. Ik vuurde op een Meerkat, die mij juist het gelaat toewendde; zij werd getroffen en viel van den boom naar beneden, bleef rustig zitten, en wischte zich, zonder een klaagtoon te laten hooren, met de eene hand op zulk een menschachtige wijze, zoo verheven bedaard, het bloed af, dat uit vele wonden van ’t aangezicht vloeide, dat ik ten hoogste ontroerd toesnelde, en, daar beide loopen van mijn geweer afgeschoten waren, mijn jachtmes herhaaldelijk door de borst van het dier stiet, om een einde te maken aan zijn lijden. Ik heb sinds dien dag nooit weer op kleine Apen gevuurd, en ik raad dit iedereen af, die niet in het belang van zijne wetenschappelijke onderzoekingen op de Apenjacht moet gaan. Het was mij te moede, alsof ik een mensch vermoord had, en het beeld van den stervenden Aap heeft mij in den letterlijken zin van ’t woord nog lang daarna vervolgd.

Van roofdieren hebben de in vrijheid levende Apen niet veel te lijden. Voor de viervoetige Roofdieren zijn zij te vlug; hoogstens zal de Luipaard nu en dan een onvoorzichtig aapje door list buit maken. Den Roofvogel weerstaan zij met vereende krachten. Zeer bang zijn zij voor Kruipende Dieren en Amphibiën, vooral voor Slangen, hetwelk vooral blijkt, wanneer zij vogelnestjes uithalen. Zij doen dit dikwijls, omdat zij niet alleen eieren, maar ook jonge Vogels als een buitengewone lekkernij beschouwen. Als zij nu een vogelnest willen plunderen, dat in een holte van een boom gebouwd is, nemen zij uit vrees voor de Slangen, die graag in zulke nesten kruipen, allerlei voorzorgen in acht. Meer dan eens heb ik gezien, hoe zorgvuldig zij een pas door hen gevonden gat in een boom onderzochten, om te weten te komen, of daarin ook een Slang verborgen lag. Eerst keek de Aap er zoo diep mogelijk in, vervolgens hield hij het oor bij den ingang, en als ook dit zintuig hem niets verdachts openbaarde, stak hij aarzelend een arm in de holte. Nooit bepaalde hij zich tot een moedigen greep, steeds ging hij schoksgewijs al dieper en dieper, en gluurde bovendien van tijd tot tijd in de donkere opening, of luisterde er aan, om zeker te zijn, dat het gevreesde kruipend gedierte zich daarin niet bevond.

De voortplanting van de in vrijheid levende Meerkatten schijnt aan geen bepaald jaargetijde gebonden te zijn. Bij iedere kudde ziet men zuigelingen, kinderen en halfwassen dieren, die de zorg van de moeder niet meer noodig hebben. In de dierentuinen en menagerieën van Europa planten de meeste soorten zich bij goede verzorging eveneens voort, ofschoon dit zeldzamer wordt waargenomen bij hen, dan bij de Makaken en Bavianen.

Gedurende mijn veeljarig verblijf in Afrika heb ik steeds vele Apen (en hierbij waren geregeld ook Meerkatten) in gevangenschap gehouden. Ik kan verzekeren, dat elk van deze merkwaardige dieren eigenaardigheden had, die bij de andere niet, of niet in die mate, voorkwamen, en mij voortdurend de gelegenheid gaf tot even aantrekkelijke, als onderhoudende waarnemingen. De eene Aap was twistziek en bijtlustig, de andere vreedzaam en mak, een derde brommig, een vierde altijd vroolijk, deze rustig en eenvoudig, gene geslepen, sluw en aanhoudend bezig met het beramen van booze plannen en streken; alle kwamen echter in dit opzicht met elkander overeen, dat zij grootere dieren graag een poets wilden spelen, kleinere echter beschermden, koesterden en verzorgden. Zij wisten zich in iederen toestand te schikken en zich het leven dragelijk te maken. Dagelijks leverden zij bewijzen van een helder verstand, van wezenlijk berekenende sluwheid en echt schrander overleg; bovendien zag men hen voortdurend aan andere dieren de grootste hartelijkheid en offerwilligheid betoonen; wegens al deze eigenschappen hield ik bijzonder veel van eenige dezer dieren.


Sommige soorten van Meerkatten hebben een zeer bevallig uiterlijk. Een daarvan, en wel een der meest bekende, die van Abessinië tot aan de westelijke bijrivieren van den Nijl veelvuldig voorkomt, is de Groene Meerkat of Groene Aap, de Aboelandsj van de Arabieren (Cercopithecus sabaeus), die een lengte van 1 M. bereikt, zonder den staart mede te rekenen, die ongeveer half zoo lang is als het lichaam. Zijn haarkleed is aan den rug grijsachtig groen, aan de buitenzijde van armen en beenen en aan den staart aschkleurig; de kortharige wangbaard is witachtig, zoo ook de onder- en binnenzijde der beenen; de neus, de bek en de wenkbrauwen zijn zwart; het gelaat is overigens lichtbruin.

Een der schoonste en sierlijkste Meerkatten is de Diana-aap (C. diana); bij de grootendeels leikleurige, aan den rug en het kruis in purperbruin overgaande vacht steken de witte buikzijde en de eveneens witte baard aan wangen en kin prachtig af. Deze soort bewoont West-Afrika, evenals de Mooraap of Mangebe (C. fuliginosus).

Men vindt daar ook de Blauwkoppige Meerkat, de Moeïdo van de negers aan de Loangokust (C. cephus), die in grootte met den Aboelandsj overeenkomt; doch vroolijker en fraaier kleuren vertoont dan deze. De rug, de bovenzijde van den hals en van den kop, alsmede de buitenzijden van de ledematen zijn vuil olijfgroen, met een zeer aangenamen goudachtigen weerschijn; de onderzijde van den romp en de binnenzijden van de ledematen zijn blauwachtig grijs. Het fraai kobaltblauwe aangezicht met een witte plek op de bovenlip is omlijst door een schel-gelen bakkebaard, die door een zwarte streep gescheiden is van het olijfkleurige kophaar; de staart is van de spits tot dicht bij den wortel roest-rood. Volkomen gezonde en krachtige Apen van deze soort, onverschillig of het mannetjes dan wel wijfjes zijn, vertoonen deze in ’t oog loopende samenvoeging van kleuren zoo duidelijk en volledig, alsof zij beschilderd waren.