32

Het lichaam werd op zaterdag 24 augustus ontdekt en de vondst werd gedaan door een vrouw die paddestoelen aan het plukken was en Jadwiga Tiller heette.

Het was een fraaie nazomerdag. Mevrouw Tiller was vijfenzeventig jaar oud en ze was al de hele dag samen met haar man Adrian in het bos, in de strook gemengd woud tussen de dorpen Hildesheim en Wilgersee een paar kilometer ten oosten van Kaalbringen. Ze hadden de auto op de gewone plaats neergezet bij de houtstapels op een van de vele kronkelende grindwegen die door het bos naar zee liepen, en ze hadden in een paar uur bijna twee tassen mooie boleten verzameld. Ze had er een neus voor en tegen haar vriendinnen Vera Felder en Grete Lauderwegs zei ze dan ook altijd: Als je paddestoelen wilt plukken, moet je je neus gebruiken! Ook als ik blind word, kan ik nog steeds een bruine ringboleet vinden.’ Toen ze achter haar neus aan naar een dal met jonge beuken was gelopen en daar een poosje tussen oude bladeren en gevallen schilfers van vorig jaar had rondgelopen zonder iets eetbaars te vinden, ontdekte ze dat daar iemand lag.

Of liever: een lichaam. Een lijk in een tamelijk vergevorderd stadium van ontbinding. Er was niet veel van over behalve wat kledingresten en een geraamte, en een verwarde seconde lang vroeg Jadwiga Tiller zich af of dat de geur was waar ze op af was gekomen. Daarna voelde ze zich opeens duizelig en ze moest op een omgevallen boomstam gaan zitten om te herstellen.

Dat duurde een paar seconden. Toen maakte ze van haar handen een trechter rond haar mond en ze riep: ‘Koliho! Koliho!’

Dat was al meer dan dertig jaar het afgesproken signaal van de echtelieden in het paddestoelenbos en inderdaad klonk bijna onmiddellijk het ‘koliho’ van Adrian, vlak in de buurt.

‘Koliho! Koliho!’ riep ze opnieuw. ‘Kom meteen hierheen! Ik heb een lijk gevonden!’

Er klonk gekraak in de bosjes en Adrian Tiller dook op. Hij liep in de richting die Jadwiga’s trillende vinger aanwees en zag wat zij had gezien. En hoewel hij een oud-militair was en het meeste had gezien, voelde hij een lichte duizeling en de behoefte om te gaan zitten. Hij liet zich naast zijn vrouw zakken, zette zijn geruite pet af en veegde zijn voorhoofd af met de mouw van zijn overhemd.

‘We moeten de politie bellen’, zei hij. ‘Het is 15.35 uur.’

‘Dat snap ik’, antwoordde ze. ‘Maar waarom zeg je er in vredesnaam bij hoe laat het is?’

‘Omdat het bij politiezaken altijd belangrijk is de precieze tijdstippen te weten’, legde Adrian Tiller uit.

Brigadier Beate Moerk was het niet helemaal met de heer Tiller eens wat betreft het belang van het tijdstip van de vondst, toen ze ’s avonds in haar kamer op het politiebureau van Kaalbringen zat en probeerde samen te vatten wat ze na de eerste hectische uren over de dode aan de weet waren gekomen.

Daarvoor was het lijk iets te oud.

In ieder geval ging het om een man. Waarschijnlijk ergens tussen de zestig en zeventig jaar oud. Een meter tachtig lang, bij zijn overlijden gekleed in een spijkerbroek, afgetrapte zeilschoenen, een eenvoudig katoenen overhemd en een blauw spijkerjack. Alle kledingstukken waren natuurlijk behoorlijk gehavend. Volgens een zeer voorlopig rapport van de gerechtsarts was hij al vier tot zes maanden dood, en de doodsoorzaak was met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een schot door het hoofd. De kogel was door de linkerslaap naar binnen gegaan en door de rechter weer naar buiten. Een wapen van een nogal grof kaliber, mogelijk een Berenger of een Pinchmann; het schot was van vlakbij gelost. Een kogel of huls was niet gevonden.

Evenmin als identiteitspapieren of persoonlijke bezittingen. In de rechterzak was alleen een pakje kauwgum van het merk Dentro Fruit aangetroffen waar nog twee stukjes in zaten. Er vielen geen vingerafdrukken af te nemen gezien de toestand van het lijk, maar in het geneeskundig laboratorium van Maardam – waarnaar het lichaam op dit moment werd overgebracht voor alle mogelijke onderzoeken en analyses – zou wel het gebitsprofiel kunnen worden vastgesteld.

Op of in de buurt van de vindplaats was niets van enig belang aangetroffen. Er waren ook geen sporen van een vechtpartij gevonden; op slechts een meter of dertig van het dal in kwestie liep een tamelijk goed begaanbare en berijdbare weg, dus je mocht er misschien van uitgaan dat het lichaam in een auto naar het bos was getransporteerd. In levende of dode toestand.

De mogelijkheid van een zelfmoord was niet voor de volle honderd procent uitgesloten, maar er was dus geen wapen gevonden ter plaatse en het lichaam was zo zorgvuldig toegedekt met bladeren en takjes dat iemand het naar alle waarschijnlijkheid voor het oog van de wereld had willen verbergen.

Moord, met andere woorden. Brigadier Moerk wist dat ze met een moord te maken hadden. Daarvan had ze politiechef De Klerk kort en bondig telefonisch op de hoogte gesteld. Ongelukkigerwijs had hij deze zaterdag toevallig een familiereünie in Aarlach, maar nu – even na negenen ’s avonds – zat hij hopelijk in zijn auto op weg naar huis (hij zou het lijk onderweg op een onbekend punt moeten tegenkomen, realiseerde Beate Moerk zich met een eigenaardig binnenpretje), zodat hij om half elf op het bureau zou kunnen verschijnen.

Want dat had hij beloofd. Het kwam niet dagelijks voor dat er een moordonderzoek moest worden opgestart in Kaalbringen, en als politiechef moest je dan komen opdraven.

Beate Moerk dronk het laatste slokje thee op en stopte haar aantekeningen in een gele map. Ze leunde achterover in haar bureaustoel en keek door het openstaande raam de zoele duisternis van augustus in.

Moord? dacht ze, en toen schoot het haar te binnen dat ze wist wie de dode was.

Natuurlijk had ze daar eerder aan moeten denken, maar het was een gestreste middag en avond geweest. Ze was een paar minuten over vier gebeld vanaf het bureau door agent Bang en vanaf dat moment was ze blijven rennen. De zaak lag voorlopig op het bordje van de politie van Kaalbringen. En op dat van de technische recherche en het artsenteam van Oostwerdingen.

Hectische uren dus, zonder veel gelegenheid om na te denken. Vraaggesprekken met het paddestoelen plukkende echtpaar dat het lichaam had gevonden. Diepgaande gesprekken met patholoog-anatoom Meegerwijk en inspecteur Struenlee, hoofd van het forensisch onderzoeksteam. Ze had journalisten afgebekt die langs ondoorgrondelijke wegen (Bang?) lucht hadden gekregen van de zaak, ze had hierheen gebeld en daarheen gefaxt, en pas nu – om negen uur ’s avonds – kon ze even rustig zitten nadenken.

En dat hielp. Opeens wist ze wie die man was die daarginds in Hildesheim een kogel door zijn hoofd had gekregen … nou ja, dat ze het wist, was misschien te veel gezegd, maar als iemand met haar had willen wedden, dan had ze zonder aarzeling een flink bedrag ingezet.

Die privédetective dus, hoe heette hij ook alweer?

Het duurde even voordat ze de naam had gevonden tussen alle andere namen die aangetekend en gearchiveerd waren in het politiebureau van Kaalbringen, maar uiteindelijk had ze hem.

Verlangen.

Maarten Baudewijn Verlangen, om precies te zijn, en dat moest je in een situatie als deze.

Dat was hem. De verdwenen voormalige privédetective, naar wie de fameuze voormalige commissaris hier begin mei was komen zoeken.

Maar die ze dus niet voor hem hadden weten op te sporen. Aangezien er geen sporen waren geweest. Heel simpel.

Beate Moerk knikte besluitvaardig. Ze pakte de telefoon en belde naar huis. Toen ze Franeks stem hoorde, voelde ze even een hevig verlangen naar hem oplaaien.

Dat vertelde ze hem ook, maar het had geen haast, zei hij. Beide kinderen sliepen, hij stond te schilderen en wilde, als dat nodig was, best tot na middernacht op haar wachten met een fles rode wijn en open armen. Hoe ging het met het lijk? vroeg hij.

Ze zei dat ze dacht te weten wie het was, en dat ze op het bureau moest blijven en nog een paar mensen moest bellen – en ook verslag moest uitbrengen aan De Klerk, als het hem behaagde te verschijnen. Maar dat ze, zodra dat geregeld was, absoluut thuis zou komen om het licht in het atelier uit te doen.

Hij lachte en zei dat hij dat een prima idee vond.

Ze bleef een paar minuten zitten nadenken voordat ze opnieuw de hoorn oppakte. Het was niet heel gemakkelijk om de knoop door te hakken, maar vervolgens drukte ze alle bezwaren de kop in en belde het thuisnummer van Bausen.

Omdat ze ervan uitging dat het antiquariaat in Maardam niet tot half tien ’s avonds open zou zijn op zaterdag.

En omdat Van Veeteren haar zijn privénummer niet had gegeven.

Van Veeteren op zijn beurt kreeg een half uur later een telefoontje van Bausen – en nadat hij de eerste karige informatie had gekregen, was hij er nog sterker dan brigadier Moerk van overtuigd dat het werkelijk om Maarten Verlangen ging.

Hij had natuurlijk vooralsnog geen rationele argumenten waarmee hij die visie kon onderbouwen, maar wel had hij een paar nachten geleden over Jaan G. Hennan gedroomd (in een merkwaardige rol van meedogenloze, gehoornde voorzitter van een soort oorlogstribunaal) en hij had het driezettenprobleem in de Allgemejne binnen een halve minuut opgelost, wat bijna een record was.

Met andere woorden: er had iets in de lucht gehangen, en na het telefoontje van Bausen begreep hij wat het was.

Er was genoeg water onder de brug door gestroomd, om een ander element te noemen, en het werd tijd om een nieuw hoofdstuk toe te voegen aan het feuilleton G.

Nu mag het verdorie weleens het laatste zijn, bedacht hij toen hij had opgehangen en terugkeerde naar de bank, Ulrike en de Finse hoofdfilm op 4. Ik moet dit binnenkort voorgoed naast me neer kunnen leggen.

Alles had weliswaar zijn tijd, maar er waren toch zeker grenzen?

‘Wie was dat?’ vroeg Ulrike. Ze schoof Strawinsky aan de kant en liet hem onder de deken.

‘Dat was Bausen’, zei Van Veeteren. ‘Ze denken dat ze Verlangen hebben gevonden.’

Ulrike pakte de afstandsbediening en zette het geluid uit.

‘De privédetective?’

‘Ja.’

‘Dood?’

‘Ja. Sinds april waarschijnlijk. Ik had het wel gedacht.’

‘Hoe?’

‘Wat?’

‘Hoe is hij gestorven?’

‘Door het hoofd geschoten.’

‘Nee, wat zeg je me nou?’

‘Je hebt het goed verstaan.’

‘Godallemachtig. In Kaalbringen dus?’

‘Daar vlak in de buurt. Hoewel ze hem natuurlijk nog niet hebben geïdentificeerd.’

‘Maar ze denken dat hij het is?’

‘Kennelijk. Dat wordt morgen vastgesteld.’

Ulrike knikte. Ze nam de kat weer op schoot en krabde hem verstrooid onder zijn kin, terwijl ze de geluidloze beelden op tv bekeek. Er ging een halve minuut voorbij.

‘Wat ga je …’

We zien wel’, zei Van Veeteren. ‘Het is hoe dan ook een zaak voor de politie.’

‘Ongetwijfeld.’

Hij zat even zwijgend na te denken hoe hij het zou formuleren.

‘Schaduwen najagen mag iedereen,’ constateerde hij vervolgens, ‘maar evidente moorden horen niet op het bordje van een handelaar in antiquarische boeken.’

‘Natuurlijk niet’, gaf Ulrike Fremdli hem gelijk. ‘Waar heb ik dat meer gehoord?’