9

Toen Maarten Verlangen op maandagochtend 9 juni zijn kantoor binnenging, was dat voor het eerst sinds de woensdag daarvoor.

Dientengevolge kon hij zich altijd met het Neuwe Blatt van de laatste vijf dagen verstrooien. Volgens een ongeschreven gentleman’s agreement stopte de weduwe Meredith haar exemplaar altijd bij hem in de bus, wanneer zij de krant uit had en het tv-programma eruit had geknipt. Dat gebaar was een bedankje voor Verlangens inspanningen van anderhalf jaar daarvoor toen hij de viespeuk had opgespoord die er een tijdlang op kickte om zijn excrementen bij haar in de brievenbus te stoppen. De dader bleek een jonge en in bepaalde opzichten veelbelovende bankjurist te zijn, die een persoonlijkheidsverandering had doorgemaakt nadat hij op het Keymerplein met zijn hoofd tegen een tram was gefietst. Toen hij werd ontmaskerd, had Verlangen medelijden gekregen met die arme, verwarde man, en hij had hem een half jaar lang regelmatig bezocht in het Majorna ziekenhuis.

Er waren altijd nog mensen die slechter af waren dan hijzelf.

Hij legde de kranten in chronologische volgorde op een stapel op zijn bureau. Hij stak een sigaret op en luisterde het antwoordapparaat af. Niets van Barbara Hennan. Überhaupt maar drie berichten: een van de verzekeringsmaatschappij, een van een zekere Wallander, die nog een keer zou bellen, en iemand die een verkeerd nummer had gedraaid.

Hij belde naar Villa Zefier.

Geen gehoor.

Hij las de woensdageditie van het Neuwe Blatt en probeerde het nog eens.

Geen gehoor.

Hij stak weer een sigaret op en nam de donderdag- en vrijdagkrant door.

Driemaal is scheepsrecht, dacht hij.

Maar nee. Het gerinkel klonk nog even naargeestig als zijn eigen gedachten. Hij legde de hoorn erop en vroeg zich af wat hij moest doen. Had het eigenlijk wel zin om door te gaan met het observeren van Hennan?

Had hij de plicht om dat te doen?

Nauwelijks. Hij had het drie dagen gedaan (hij was in ieder geval drie dagen aanwezig geweest in Linden), zijn honorarium voor een dag was driehonderd gulden en hij had precies duizend gekregen van mevrouw Hennan. Gelet op bijvoorbeeld de hotelrekening kon je zeggen dat het bedrag de kosten die hij tot nu toe had moeten maken bij zijn inspanningen, aardig dekte.

Misschien moest hij het hier dus maar bij laten. De elegante Amerikaanse en haar twijfelachtige echtgenoot vergeten en zich op iets anders richten.

Aan de andere kant: nog een duizendje voor een paar dagen werk van niks was niet te versmaden. Zeker niet omdat hij op dit moment ook niets anders had lopen. Alleen een oude klus, het oprollen van een bende graffitivandalen, waar hij al een paar maanden af en toe een klein beetje tijd in stak. De ondernemersvereniging van Linden had een beloning van vijfduizend gulden uitgeloofd voor degene die de jongeren kon laten inrekenen, maar ook al had Verlangen een of twee mogelijke namen en een paar mogelijke gezichten, hij had de zaak nog lang niet rond.

Hij zuchtte. Hij maakte het eerste biertje van de dag open en besloot tot een laatste compromis in de kwestie-Hennan: eerst de krant van zaterdag en zondag, daarna nog een poging om te bellen.

Het bericht stond in de krant van zaterdag op pagina 5.

‘Vrouw dood aangetroffen’, luidde de kop en hij las de korte tekst met ongeveer hetzelfde gevoel dat hij ook altijd kreeg als hij in de kroeg van Gerckwinckel naar de wc ging en besefte dat het zweterige, opgeblazen gezicht in de spiegel boven de pisbak van hemzelf was.

Zou het? vroeg hij zich af.

Wie moest het verdorie anders zijn?

Vrouw van vijfendertig, stond er.

Van Amerikaanse afkomst.

Dood aangetroffen op de bodem van een leeg zwembad.

Aan de rand van Linden. Onduidelijke omstandigheden, maar naar alle waarschijnlijkheid had ze gedacht dat er water in het zwembad zat en was ze er van grote hoogte in gesprongen.

Geen getuigen van het ongeval. Geen aanwijzingen dat er misdaad in het spel zou zijn.

Verlangen las het hele bericht – slechts zestien regels over één kolom – drie keer, terwijl hij het bier naar binnen goot en nog een sigaret rookte.

Een Amerikaanse?

Hoeveel Amerikaanse vrouwen had je hier in Linden? Waarschijnlijk niet veel.

En hij herinnerde zich die springtoren. Wat een verschrikkelijk zinloze manier om dood te gaan.

Gadverdamme, dacht hij. Wat heeft dit te betekenen?

Donderdagavond? Maar dat was toch de avond dat hij …?

Een paar seconden lang voelde Maarten Verlangen zijn bewustzijn veranderen in het beroemde stuk zeep dat uit je vingers glipte en waarop zelfs een luis geen houvast vond. Na nog een slok bier kon hij weer enigszins helder denken en zag hij twee mogelijke handelwijzen.

Of in ieder geval twee eerste stappen van twee verschillende handelwijzen.

Of hij kon de politie bellen. Dat zou natuurlijk het verstandigste zijn.

Of hij kon nog een keer naar Linden gaan om te zien of hij daar wijzer kon worden.

Nadat hij vijf seconden had gedaan alsof hij nadacht, koos hij voor het laatste. De politie bellen kon altijd nog. Het was dom om te hard van stapel te lopen zolang hij niet zeker wist dat het om de juiste vrouw ging, maakte hij zichzelf wijs. Eerst moest hij weten of het echt Barbara Clarissa Hennan was die daar in het zwembad had gelegen.

Zo gezegd, zo gedaan. Hij verliet zijn kantoor en liep op een drafje naar zijn auto.

‘Nee?’ zei Van Veeteren. ‘Is het zo erg?’

Hij luisterde met de hoorn tegen zijn oor en zijn gezicht betrok steeds meer. Net een lagedrukgebied, dacht Münster, die tegenover zijn chef zat en met de punt van zijn tong aan een kies voelde waarvan hij de vorige avond een stukje vulling was kwijtgeraakt. Door een toffee, dat was niet de eerste keer.

‘Ik begrijp het’, mompelde Van Veeteren. ‘Ja, dat was misschien ook wel te verwachten … Nee, absoluut niet, zo gemakkelijk geven we het niet op. Ik bel nog hoe we ermee verdergaan.’

Hij luisterde weer even. Toen zei hij gedag en hing op. Hij leunde achterover in zijn stoel en keek Münster aan.

‘Dat was Sachs’, vertelde hij. ‘Ze hebben nu met de mensen van dat restaurant gesproken.’

‘En?’ zei Münster.

‘Het ziet er helaas naar uit dat onze vriend G. daar inderdaad heeft gezeten.’

‘Oei. Maar misschien …’

‘De hele avond.’

‘Weten ze dat zeker?’

Het lagedrukgebied werd nog iets intensiever.

‘Kennelijk. Verdomme, zeg.’

Münster haalde zijn schouders op.

‘Ja, in dat geval. Dan kunnen we …’

‘Maar wie weet. Hij kwam daar rond half acht … had bovendien van tevoren gebeld om een tafeltje te reserveren. Alsof hij echt zijn best had gedaan om zichzelf een alibi te verschaffen, die smeerlap.’

Van Veeteren boorde zijn ogen in die van Münster.

‘En daarna?’ vroeg Münster welopgevoed.

‘Daarna? Ja, daarna at en dronk hij, en uiteindelijk verhuisde hij naar de bar, beweren ze. Hij schijnt rond kwart voor één een taxi te hebben genomen, ze zoeken nog naar de chauffeur. Verdomme, zeg … nogmaals.’

Münster knikte.

‘Dan zal hij het wel niet gedaan hebben. Hij kan ook niet een uurtje weg geweest zijn?’

‘Hoe moet ik dat weten? Niemand heeft hem natuurlijk de hele avond in de gaten gehouden, maar de tijd die nodig is om heen en weer naar de Kammerweg te gaan … ja, helemaal onmogelijk is het misschien niet. Dat moet dan zijn geweest nadat hij de rekening had betaald, en dat was schijnbaar rond een uur of half tien … hm.’

‘Was er niemand bij hem?’

‘Niet tijdens het eten. Later schijnt hij met iemand aan de bar te hebben zitten praten … of met een paar mensen, maar de collega’s uit Linden hebben niet de moeite genomen dat verder te onderzoeken. Nee, waarschijnlijk zullen we hier een andere oplossing voor moeten zien te vinden, Münster.’

‘Zoals?’

De commissaris brak een tandenstoker af en keek uit het raam.

‘In theorie … in theorie kan hij om een uur of half tien zijn weggegaan en als een gek naar de Kammerweg zijn gereden, waar hij zijn vrouw in het zwembad heeft geduwd … En een half uur à drie kwartier later zit hij weer in de bar van Colombine. Maar als jij iets beters weet, hou ik me aanbevolen.’

Münster zweeg even.

‘Die geschiedenis van tien jaar geleden …?’

‘Twaalf’, zei Van Veeteren. ‘1975.’

‘Twaalf jaar geleden. Was u daar op de een of andere manier bij betrokken?’

Van Veeteren schudde zijn hoofd.

‘Totaal niet. Dat was een zaak voor de afdeling Drugsbestrijding, ik heb er alleen over gehoord. Jammer dat ze niet meer uit hem los hebben weten te krijgen. Ik vermoed dat hij heel wat meer had moeten hebben dan tweeënhalf jaar … als ze niet eens in beroep gaan, is dat vaak een teken.’

Münster schoof heen en weer op zijn stoel.

‘Neem me niet kwalijk dat ik het vraag’, zei hij. ‘Maar hoe komt het dat u zo zeker weet dat hij ook ditmaal schuldig is? Het lijkt er nu immers op …’

‘Ik heb nooit beweerd dat ik er zeker van ben’, viel Van Veeteren hem geërgerd in de rede. ‘Maar die mogelijkheid ga ik echt niet meteen uitsluiten.’

‘Er is een andere variant’, zei Münster na een korte pauze.

‘Een andere variant?’ vroeg Van Veeteren. ‘Wat bedoel je?’

Münster kuchte en aarzelde even.

‘Nou, als volgt dus. Puur hypothetisch. Hennan verlaat het restaurant, laten we zeggen om kwart voor tien. Hij ontmoet zijn vrouw ergens in het centrum van Linden. Hij slaat haar dood en stopt haar in de kofferbak van zijn auto. Dat duurt ongeveer tien minuten. Daarna gaat hij terug naar het restaurant. Wanneer hij thuiskomt … tegen enen dus … ja, dan haalt hij haar uit de auto en gooit haar in het zwembad. Daarna belt hij de politie.’

Van Veeteren zat even met een verse tandenstoker tussen zijn ondertanden te peuteren voordat hij reageerde.

‘De laatste keer dat ik zo’n onwaarschijnlijk verhaal heb gehoord, was toen Renate op het idee kwam … nou ja, dat heeft hier niets mee te maken. Hoe kom je erbij?’

‘Het is misschien vergezocht.’

‘Weet je hoe G. die nacht naar huis is gegaan?’

‘Nee, ik …’

‘Met een taxi. Hij heeft een taxi genomen. Denk je dat hij haar in een bodybag op de achterbank heeft gezet en dat de chauffeur heeft geholpen haar naar de villa te slepen?’

‘Ho even’, zei Münster. ‘We hebben nog geen bevestiging dat hij echt een taxi heeft genomen, of wel? Alleen dat hij zei dat hij dat zou doen.’

Van Veeteren bekeek hem met een kritische blik.

‘Oké’, zei hij. ‘Daar zit wat in. We moeten bij Meusse navragen of het letsel op een andere manier kan zijn ontstaan dan door de val. Dat moeten we natuurlijk sowieso doen. Maar als het zo is gegaan als jij beweert, dan beloof ik dat ik een jaar lang je teennagels zal knippen.’

‘Uitstekend’, zei Münster. ‘Ik verheug me er nu al op. Maar u bent degene die G. met alle geweld achter de tralies wil zetten, ik niet.’

‘Onzin’, zei Van Veeteren. ‘We voeren gewoon een hypothetisch gesprek, ik dacht dat dat met jou wel kon. We proberen een paar theorieën uit, als je dat niet durft, kom je nooit ergens.’

Münster zat een paar seconden te dubben. Toen stond hij op.

‘Ik heb nog een paar andere dingen te doen, als u het niet erg vindt. Zal ik zeggen hoe ik de dood van Barbara Hennan zie?’

‘Als je dat nodig vindt.’

‘Dank u. Een ongeluk. Zo klaar als een klontje. U kunt alle nagelschaartjes opbergen.’

Van Veeteren snoof.

‘Münster, onthou goed dat je niet bij de recherche werkt om ongelukken te onderzoeken. Het is je taak om misdaden aan het licht te brengen en daar iets tegen te doen. Niet om ze door de vingers te zien.’

‘Begrepen’, zei Münster. ‘Verder nog iets?’

‘En om met je directe chef te badmintonnen. Wanneer kun je? Morgenmiddag?’

‘Begrepen’, zei Münster nogmaals en hij glipte de deur uit.

Hij wordt steeds beter, dacht de commissaris toen hij alleen was. Waarachtig.

Maar hij heeft dan ook een goed voorbeeld.

Brigadier Münster werkte al ruim tien jaar bij de politie van Maardam, maar nog maar drie jaar bij de recherche. De overstap viel praktisch samen met het aantreden van Van Veeteren, die het stokje overnam van de oude commissaris Mort, en hij had – zeker het afgelopen jaar – gemerkt dat hij steeds vaker juist Münster in zijn buurt wilde hebben. In de gevallen waarin hij kon kiezen met wie hij wilde samenwerken, koos hij bijna altijd Münster.

Niet dat er iets mankeerde aan Reinhart, DeBries, Nielsen of Heinemann, natuurlijk, maar Münster en hij hadden een leraarleerlingrelatie opgebouwd, die naar twee kanten positief werkte. Het was een spel dat naar zijn idee in de moderne tijd zwaar werd ondergewaardeerd en dat hij aan Het kralenspel van Hesse had ontleend. Van dat boek verwachtte hij dat het nog weleens verplichte kost zou worden voor het vak criminologie.

Het klopte alleen niet helemaal met de lichte dissonant die af en toe tussen hen leek te ontstaan, even automatisch als tussen broers of zussen die erg verschillend waren.

Genoeg daarover, dacht hij en hij keek door het raam naar de stad, die opnieuw baadde in de gulle zon. Speculaties en pedante psychologie. Dit was waarschijnlijk geen goed moment om over Hesse na te denken. Of over Münster. Hij kon beter proberen te bedenken hoe hij die verdomde G. aan moest pakken.

Hij besefte dat dat ook gemakkelijker gezegd was dan gedaan, trok zijn jasje aan en liep naar de kantine voor een kop koffie.

Verlangen reed langzaam voor Villa Zefier langs en stopte vijftig meter verderop. Hij bleef vijf minuten achter het stuur zitten, terwijl hij een sigaret rookte en overwoog hoe hij het zou aanpakken. Hij voelde dat hij zijn impulsen moest bedwingen. Geen conclusies trekken voordat hij zekerheid had omtrent de kernvraag.

Was Barbara Hennan afgelopen donderdagavond overleden, of ging het in het krantenbericht over een heel andere vrouw?

Tijdens de rit vanuit Maardam had hij erover nagedacht wat de simpelste aanpak was om antwoord te krijgen op die vraag, maar er had zich geen enkele echt eenvoudige methode aangediend.

Hij kon natuurlijk een redacteur van de krant bellen, maar die zou hem hoogstwaarschijnlijk de naam niet geven.

Hij kon bij Jaan G. Hennan langsgaan en het hem op de man af vragen, maar zoveel directheid beangstigde hem. Puur intuïtief. Wanneer hij er beter over nadacht, begreep hij ook dat die angst terecht kon zijn. Puur objectief. Als Barbara Hennan echt dood was, dan zat er ergens iets helemaal fout. Ze had een privédetective ingehuurd om haar echtgenoot te schaduwen, en de kranten mochten dan wel schrijven dat de politie niet van een misdrijf uitging … Maarten Verlangen was verdorie niet van gisteren. Absoluut niet. Hennan was een duister figuur; dat was hij twaalf jaar geleden ook al en zijn optreden in restaurant Colombine had niet echt op een karakterverbetering gewezen.

Gewoon Villa Zefier binnenbanjeren als een naïeve Jehova’s getuige leek dus rijkelijk onnozel. Om niet te zeggen oerstom.

Welke andere opties waren er?

Hij kon de politie bellen en een verhaaltje ophangen. Misschien een goede mogelijkheid, als hij maar een goed verhaaltje kon verzinnen. Maar er was minstens één weg die heel wat simpeler leek en hij besloot die eerst te proberen.

De buren.

Buren wisten altijd dingen, dat was een oude, betrouwbare regel. Verlangen stapte uit zijn auto en begon naar Villa Vigali te sjokken. Zo heette het huis van de familie Trotta kennelijk. Hun perceel grensde als enige aan dat van Hennan, en aangezien Barbara Hennan had verteld dat ze wel met de Trotta’s omgingen, zou het vreemd zijn als ze helemaal niets wisten van wat er afgelopen donderdagavond was gebeurd.

Van wat er eventuéél afgelopen donderdag was gebeurd.

Hij stak de straat schuin over en kwam weer langs Villa Zefier, ditmaal te voet. Op dat moment kwam er van de andere kant een zwarte Peugeot aanrijden, die vlak voor de entree van het buurhuis remde. Een man in donkere kleding stapte uit, en ook als Verlangen een andere achtergrond had gehad, zou hij hem vermoedelijk toch wel als politieman hebben kunnen identificeren. Zonder om zich heen te kijken liep de man de bakstenen poort door die de oprit naar Villa Vigali markeerde, en werd algauw opgeslokt door het doffe groen daarachter. Verlangen hield midden in een pas in.

Oei, dacht hij. Misschien niet zo’n goed moment voor nog een bezoeker.

Maar, aan de andere kant: als een rechercheur zich geroepen voelde om bij de buren van Barbara Hennan langs te gaan, hoefde hijzelf die moeite niet te doen om duidelijkheid te krijgen. Duidelijker kon het bijna niet worden.

Hij liep weer naar zijn auto. Hij keerde en reed terug richting centrum. Een kwartier later belde hij naar het politiebureau vanuit een telefooncel op het station. Een secretaresse nam op en hij vroeg of ze hem kon doorverbinden met de politiechef.

Hij moest een minuut wachten, maar vervolgens kreeg hij commissaris Sachs aan de lijn.

‘Goedendag. Mijn naam is Edward Stroop’, verklaarde Verlangen vriendelijk. ‘Ik heb informatie over de zaak-Barbara Hennan.’

Het was drie seconden stil.

‘Juist ja’, zei de politiechef toen. ‘Bevindt u zich in Linden?’

‘Ja.’

‘Mag ik u vragen zo snel mogelijk naar het politiebureau te komen?’

‘Vanzelfsprekend’, zei Verlangen en hij hing op.

De zaak was helder. Glashelder. Zijn opdrachtgever, Barbara Clarissa Hennan, had het leven gelaten op de bodem van een leeg zwembad. Verlangen verliet het stationsgebouw en bleef even buiten op de trap staan. Hij stak een sigaret op en vroeg zich af wat hij moest doen.

En wat dit in vredesnaam te betekenen had.