HOOFDSTUK 16

 

In dienst van allen

 

„...want aan wie veel gegeven is,
daarvan zal veel worden geëist...”

 

 

Kennelijk werd er veel over mijn werk gesproken, want ik kreeg steeds meer aanvragen voor openbare avonden. Men ondervond dat het spiritualisme niets met waarzeggerij te maken heeft.

Men gaf regelmatig bewijzen van voortbestaan, raadgevingen en hulp; ook prof. Bolk had een groot aandeel door zijn visie op en genezing van zieken, ook in die gevallen die men had opgegeven. Zo kreeg ik een foto van een jonge man te behandelen, die een ontsteking had op een hartklep en van wie de dokter had gezegd dat hij misschien nog twee maanden te leven had. De moeder was natuurlijk radeloos, want de jongen had verscheidene keren per dag hevige hartkrampen.

Op aanraden van prof Bolk, liet ik haar een kruidenwijn klaar maken, waardoor de hartkrampen verminderden en de pijnen afnamen, al kon ook prof. Bolk hierin geen genezing brengen; eerst twee jaren nadien is de jongen overleden.

Een heer bracht een foto van zijn zuster en prof. Bolk was zeer concreet in zijn uitspraak: carcinoom, nog slechts twee maanden te leven. Op 14 november, precies twee maanden nadien, is zij heengegaan.

Zij blijken dit heel zeker te kunnen vaststellen. Kort geleden werd mij een soortgelijk geval voorgelegd en de echtgenoot van de betreffende dame (ook een geval van carcinoom) vroeg mij hoe lang dat lijden nog zou kunnen duren.

Ik beschreef het proces nauwkeurig en zag toen plotseling deze heer in een witte jas, bezig met patiënten en ik riep uit: „Waarom komt u bij mij, u bent toch zelf arts!”

Hij bevestigde dit, maar kon geen tijd bepalen van het ziekteverloop van zijn vrouw en daarom was hij op aanraden van een relatie naar mij gekomen.

Op het antwoord van prof. Bolk „nog zes weken” zei de dokter, dat hij het zelf op drie maanden had geschat, maar precies zes weken nadien is zijn vrouw overleden.

Ik ontving een brief uit Indonesië van een soldaat, (voor de overdracht dus) dat hij bang was en niet wilde vechten, maar dat hij nog lange tijd zou moeten blijven. Ik heb hem geantwoord en een bemoediging geschreven omdat ik zag dat hij niet lang meer in Indonesië zou zijn en op transport naar Holland zou worden gesteld. Korte tijd nadien bleek hij een maagkwaal te hebben en werd direct naar Holland overgebracht.

Uit Wiesbaden ontving ik het volgende bericht:

„De jongen die wij vermisten, maar door u in leven werd gezien, schreef ons uit een gevangenenkamp uit Rusland, dat hij binnenkort weer naar huis kon gaan. God zegene uw werk.”

Kort geleden kwamen mensen uit Bussum bij mij die een soortgelijk probleem hadden, al was dit natuurlijk geen krijgsgevangenschap, zijn ouders waren n.l. in Holland aangekomen uit Suriname en de jongeman was spoorloos.

Vanuit Bussum moest ik naar Jutfaas en vandaar per taxi naar Utrecht, om daar weer de trein naar Amsterdam te nemen, mee tot het C.S. en op tramlijn 2 naar de Koninginneweg, alwaar ik een hotelkamer zag reserveren; daarna flaneerde ik door Amsterdam en bezocht de „Bijenkorf'. Toen was ik hem plotseling kwijt en bleef hem kwijt.

Ik wil hiermee duidelijk maken, dat wij dus in zekere mate beperkt zijn. Ik kon de jongeman vanuit mijn spreekkamer volgen zoals omschreven, maar zag plotseling niets meer en met de opmerking dat zij alles maar eens moesten onderzoeken, liet ik de mensen gaan, maar de gehele beschrijving bleek juist te zijn, hij had in Jutfaas een taxi naar Utrecht genomen en bleek in het hotel te hebben gelogeerd. Net had hij daar zijn rekening voldaan en was hij vertrokken, toen zijn ouders arriveerden. Zij moesten dus verder gaan zoeken.

Hier beschrijf ik dus met opzet ook een niet voltooide waarneming.

Uit Kaatsheuvel ontving ik een schrijven: „Mevrouw ik wil u mededelen dat uw waarnemingen juist waren, ik heb een veel betere standplaats gekregen, waardoor mijn zoon kan studeren en tijdens zijn studie thuis kan blijven wonen, zodat ons veel kosten bespaard worden.

Uit Schotland: Hoe is het mogelijk mevrouw, u beschreef mijn verloofde in civiel terwijl ik zeker wist dat hij in uniform moest lopen, op de dag van mijn aankomst kwam hij mij halen in... civiel, hij had de vorige dag voorgoed het uniform uitgetrokken en heeft vergunning gekregen voor een verblijf in Schotland...

Denkt u alstublieft niet, dat de opgesomde feiten uit reclameoogpunt door mij zijn beschreven, het heeft slechts ten doel u een indruk te geven van de werkzaamheden, die men aan Gene Zijde kan verrichten en waarin ik een aandeel kreeg als medium. Dáár een bemoediging, ginds een waarschuwing, hier troost en elders geluk brengend.

Het werkterrein is zo enorm groot, dat ik er boekdelen over kan schrijven, maar omdat het terrein zo uitgestrekt is, is het ook een prachtig terrein voor zwendelaars, die zich bezighouden met toekomst voorspellen en dikwijls niet de minste paranormale begaafdheid bezitten. Op handige wijze horen zij de mensen tegenover hen uit, op hetgeen zij horen borduren zij voort en kloppen de mensen kapitalen uit de zak. Dikwijls in enkele minuten vernietigen zij, waar wij jaren aan bouwden en zo komen de mensen die door hen bedrogen werden, afwijzend te staan tegenover de paranormale gaven, waar het bona fide medium zo heel zuinig op is.

Begrijpt u dat het mij daarom alleen al een genoegen is enkele passages weer te geven van ontvangen brieven die spontaan en ongevraagd aan mij werden gezonden?

Indien de lezer denkt dat wij door dit werk een gemakkelijk en weelderig leventje kunnen leiden, slaat hij de plank volkomen mis. Leest u maar eens welke werkzaamheden ons deel zijn:

Op zekere morgen kwam een heer uit de provincie bij mij en gaf mij een foto van zijn vrouw en als een loden last viel het probleem op mij.

Ik zag, hoe hij op het punt stond een misstap te begaan, waarvan zijn vrouw en twee kinderen de dupe zouden worden. Ten koste van alles wilde ik en moest ik hem weerhouden van deze stap.

Voor mijzelf wist ik dat ik hulp zou krijgen, maar zou deze man dat geloven, wat wist hij van Emed?

De foto in mijn hand werd een levende verdrietige vrouw, de kinderen dwaalden stil en lusteloos door het huis...

„U moet niet tot scheiding overgaan,” zei ik hem, „u staat onder een totaal verkeerde invloed, waardoor u diep ongelukkig gaat worden en met u uw gezin.”

„Maar ik moet morgen reeds voor het gerecht verschijnen,” gaf de man ten antwoord, „ik durf niet meer terug.”

Kennelijk vroeg hij zich niet eens af hoe ik aan mijn wijsheid kwam, maar ik zag dat er een jonge vrouw in zijn leven was gekomen, met wie hij een verhouding was begonnen en ik vroeg hem dus: „Waarom kunt u niet terug? Omdat de jonge vrouw in uw leven deze invloed op u heeft?”

„Neen,” antwoordde hij, „maar de bedreiging, ze zegt dat ze zelfmoord zal plegen wanneer ik niet ga scheiden.”

Op dat ogenblik zag ik een intelligentie achter hem; het was een eenvoudige vrouw maar de liefde straalde van haar uit.

„Waarschuw mijn zoon,” vroeg zij, „zeg hem dat die bedreiging van zelfmoord nooit zal worden uitgevoerd, zeg hem dat hij een goede en keurige vrouw en twee allerliefste kinderen heeft, dat zijn vrouw zuinig en trouw is en dat zijn kinderen hem zullen verachten, wanneer hij bij dit besluit blijft.”

Nauwkeurig beschreef ik de intelligentie en gaf zonder aarzeling woord voor woord haar boodschap aan hem over.

Met een vriendelijke lach beduidde de intelligentie mij dat zij heenging, dat hij zelf zou moeten beslissen.

De reactie van de man tegenover mij was ongelooflijk: hij begon te huilen en bekende dat hij eigenlijk heel veel van zijn gezin hield, maar bang was voor de bedreiging van de juffrouw, maar nu moeder deze boodschap had gebracht, zou hij met zijn vrouw spreken.

Twee weken nadien kwam hij mij mede namens vrouw en kinderen bedanken; tussen hen was alles goed en toen hij zijn vrouw verteld had hoe wonderlijk hij een boodschap van zijn moeder had mogen ontvangen, had zijn vrouw hem naar mij gezonden om haar hartelijke dank over te brengen, mede namens de kinderen.

Op mijn vraag of de juffrouw al zelfmoord had gepleegd begon hij hartelijk te lachen en zei: „Nee hoor, twee dagen nadat ik haar had verteld tóch niet te gaan scheiden, kwam ik haar gearmd met een andere man op straat tegen.” Hij nam afscheid met de woorden: „Gelukkig maar dat ik bij u terecht kwam.”

Het was bepaald geen trots in mij dat ik met het geval van die man gelukkig was. Ik voelde duidelijk dat mijn werk gericht was op in dienst van allen te zijn.

Het was dikwijls pijnlijk, dat er met zoveel geringschatting over de gaven, waarmee ik nu eenmaal in het leven stond, gesproken werd, juist door mensen die mij persoonlijk niet kenden en oordeelden zonder te weten waarover zij hun oordeel uitspraken. Ik hoorde dan dat men sprak over „telepatie” en over „foefjes”, omdat de bezoekers wel zouden worden uitgehoord, over een grote mensenkennis, waardoor ik natuurlijk veel kon zien aan de gelaatstrekken etc. etc. Ik dacht na over een middel om dergelijke praatjes uit de weg te ruimen.

Telepatie, overbrengen van gedachten, moest dus worden vermeden. Psychometrie is heel iets anders, bij telepatie moet men aan de zaak, waarvan men iets wil weten, denken; bij psychometrie moet men aan de hand van foto of voorwerp (inductor) zien of voelen waarmede de mensen geholpen dienden te worden.

Wanneer ik dus in staat ben eerst te spreken en daarná de cliënt het woord te geven, dan kan men die theorie over telepatie onmogelijk volhouden. Ik zou immers nooit kunnen weten, op welk stuk van de levensweg van de mensen ik zou worden geplaatst.

Indien dat mogelijk was, zou Emed mij zeker helpen en dus begonnen wij opnieuw te experimenteren.

Het liep er op uit, dat ik nooit meer vroeg: „Van wie is dit voorwerp” of „Wie heeft deze foto gegeven?” zodat in openbare avonden begonnen werd met de eerste indrukken van de inductor weer te geven en daarna werd de vraag gesteld wie deze inductor had ingeleverd.

De gevolgen bleven natuurlijk niet uit want ik liet niet meer zien wat door mij van de tafel werd genomen, maar hield het angstvallig achter mijn rug en beschreef wat ik voelde of zag. In mijn werk liet ik vooral duidelijk uitkomen dat men mij geen dienst bewees met mij over allerlei zaken in te lichten met de woorden: „Wanneer u mij alles gaat vertellen, dan kan ik wel in de zaal gaan zitten en kunt u hier beter gaan staan, antwoord u alstublieft met ,ja' of ,neen' en laat u mij verder rustig mijn werk doen.” Indien men aarzelde met dat ,ja' of ,neen' dan laat ik nooit na, te wijzen op het feit dat ik geen God ben, dat ik dus fouten kan maken, maar dat men daarom met mij geen medelijden moet hebben.

Fouten kunnen wij maken, dikwijls omdat wij zelf gaan combineren, in een poging duidelijker te zijn dan wij kunnen, omdat de mensen zelf na moeten denken en indien wij dan een combinatie gaan maken van onze waarnemingen of van onze helderhorend opgevangen boodschappen, dan kan het helemaal mis lopen. Zo moeten wij ook leren in ons eigen werk voorzichtig te zijn en niet vooruit te lopen op datgene wat ons wordt gegeven.

Aan Gene Zijde schijnt men dikwijls helemaal geen haast te maken en juist alleen datgene te geven waarvan zij weten dat het voldoende is.