‘De mens vraagt zich graag dingen af en dat is
de kiem van de wetenschap.’
RALPH WALDO EMERSON
6
***
Vragen over gedeelde-doodervaringen
Je zit na het voorafgaande waarschijnlijk nog met een heleboel onbeantwoorde vragen. Ik sluit mijn lezingen altijd af met een vragensessie en word dan overspoeld door allerlei soorten vragen. Ik zal in dit hoofdstuk de tien vragen beantwoorden die bij die lezingen het vaakst worden gesteld. Vergeet niet dat, naarmate ik maar ook anderen meer onderzoek doen, de antwoorden zullen veranderen en alleen maar meer vragen oproepen. Ook nu geldt dit oude adagium weer: elke vraag die je beantwoordt, roept weer nieuwe op.
Kunnen gedeelde-doodervaringen ons meer over het hiernamaals vertellen dan bijna-doodervaringen?
gde’s vertellen ons veel meer over het hiernamaals dan bde’s. Ik durf zelfs te stellen dat het hele idee van een hiernamaals uit dit soort ervaringen is voortgekomen. Met andere woorden, mensen zijn waarschijnlijk heel vroeger tijdens een bde getuige geweest van het hiernamaals en vertelden andere stamleden dan wat ze aan die andere kant hadden gezien. Ongetwijfeld zijn veel van hen via een gde naar gene zijde gegaan en hebben via de dood van een dierbare over die andere werkelijkheid verteld. Zo menen sommige Egyptologen bijvoorbeeld dat de Egyptische godsdienst gestoeld is op bde-verhalen die bij diverse stammen de ronde deden. Toen die stammen eenmaal begonnen te beseffen dat die verhalen overeenkomsten vertoonden, schaarden ze zich achter gemeenschappelijke religieuze opvattingen die je nu nog op de wanden van Egyptische ruïnes terugvindt. Een groot deel van die bde’s was het gevolg van mensen die bijna in de Nijl verdronken of door een dier waren aangevallen, maar het ligt voor de hand dat er in een aantal gevallen ook sprake was van gde’s.
Ik denk dat die gde’s ons een geheel nieuw rationeel inzicht bieden in de vraag of er leven is na de dood en tot compleet nieuw wetenschappelijk onderzoek kunnen leiden. Door de uitkomsten van dat onderzoek zal het steeds duidelijker worden dat gde’s uitermate belangrijk zijn voor het bewijs dat het hiernamaals bestaat.
En waarom denk ik dat? Omdat gde’s mijns inziens afrekenen met de zogenoemde ontsnappingsclausule van geloof en daarmee bedoel ik het volgende: tot nu toe heeft men bde’s beschouwd als het beste en meest tastbare bewijs dat we voorhanden hebben dat er inderdaad leven is na de dood. Toch geloven veel mensen – en dat is dus die ontsnappingsclausule – dat een bde niet meer is dan een hallucinatie als gevolg van zuurstoftekort in de hersenen, van doodsangst, of door te veel of juist te weinig verdoving. Je snapt denk ik wel wat ik bedoel. Sommige mensen blijven koste wat kost ontkennen dat bde’s ons een beeld kunnen geven van dat wat wij ‘het hiernamaals’ noemen en dus zeggen ze dat een bde niet meer is dan een hallucinatie vlak voordat je sterft, met andere woorden, dat het om iets fysiologisch gaat.
Maar bij gde’s gaat dat niet op. Waarom niet? Omdat mensen die zoiets meemaken niet op sterven liggen. Meestal zitten ze aan het sterfbed van iemand van wie ze houden op het moment dat ze plotseling zo’n ongelooflijke en verwarrende ervaring ondergaan. Juist het feit dat ze niet op sterven liggen, ontkracht die ontsnappingsclausule. gde’s komen voor bij gezonde mensen en daarom is het ook zo belangrijk dat we dit verschijnsel nader onderzoeken. Hun ervaring is namelijk niet gewoon het gevolg van een chemische verstoring in de hersenen en dus kunnen we ook geen genoegen nemen met die verklaring. gde’s zullen mensen ertoe dwingen om met een geheel nieuw kader voor een rationele discussie over het hiernamaals te komen.
Zijn mannen of vrouwen ontvankelijker voor een gedeelde-doodervaring?
Dit is niet als een seksistische vraag bedoeld, maar gaat juist om een kwestie waar men al mee worstelt sinds er onderzoek naar bde’s wordt gedaan. Het is bovendien een legitieme vraag, die zowel door vrouwen als mannen wordt gesteld, die voortkomt uit het idee dat vrouwen empathischer en gevoeliger zijn voor hun omgeving. Daarom zouden zij eerder een bde ervaren en andere bovennatuurlijke verschijnselen ook eerder oppikken, waaronder de bde’s van andere mensen.
Mijn ervaring en de
waarnemingen die ik gedurende langere periode heb opgedaan, hebben
mij ervan overtuigd dat vrouwen en mannen ongeveer evenveel kans
hebben op een dergelijke ervaring, maar dat vrouwen – voor zover ik
althans kan nagaan –
zoiets sneller aan anderen vertellen. Meestal moet ik echt een
persoonlijk gesprek aangaan met een man die een gde heeft gehad en pas dan vertelt hij me
zijn verhaal. Ik heb gemerkt dat mannen zich wat ongemakkelijker
voelen bij het praten over spirituele kwesties, maar áls ze dat
eenmaal doen, spreken ze daar meestal zeer welbespraakt over.
Waarom? Omdat sommige mannen emoties als een zwaktebod zien en dus
tonen ze die liever niet aan iemand die ze niet kennen. Ik heb ook
gemerkt dat mannen denken dat ze meer te verliezen hebben wanneer
ze over dit soort ervaringen praten, dat alleen al zo’n onderwerp
aansnijden tot hoon en spot van hun omgeving zou kunnen leiden.
Alleen beseffen veel mannen dan dus niet dat anderen om hen heen
dezelfde of vergelijkbare ervaringen hebben gehad.
Hier volgt een geweldig voorbeeld dat me ter ore kwam van een Amerikaanse arts die in het midwesten van Amerika op een drukke spoedeisende hulp werkte en meerdere keren per week iemand moest reanimeren. Hij was begin veertig en zag op een zeker moment bij een stervend iemand een mist of een soort wolk opstijgen. De eerste paar keer dat hij dat zag, waren het patiënten die al waren overleden voor hij ze kon reanimeren. Later zag hij die mist ook tijdens het reanimeren en een paar keer zelfs dat een doorzichtige gestalte het lichaam verliet waarmee hij aan de slag was.
Ik hoef je, denk ik, niet te vertellen dat de arts nogal schrok toen hij dat zag, maar tegelijkertijd ook wel nieuwsgierig was. Zagen collega’s van hem die nevel ook? Zagen zij op het moment dat diegene overleed iets wat leek op iemands ziel die het stoffelijke lichaam verliet?
De arts begon zijn collega’s heel voorzichtig uit te horen. De meesten hadden er nog nooit van gehoord, anderen haalden hun schouders op en zeiden dat ze misschien weleens zoiets hadden ervaren. Toen hij bleef doorvragen, werd hij doorverwezen naar een wat oudere, alom gerespecteerde arts in het ziekenhuis.
Hij maakte een afspraak en de jonge arts zat al snel voor het bureau van zijn oudere collega te vertellen over de paranormale gebeurtenissen die hij had ervaren. De oudere man kreeg halverwege zijn verhaal een glimlach op zijn gezicht en onderbrak zijn jongere collega.
‘Ik denk dat ik nu het best kan zeggen “welkom bij de club”,’ zei de oudere arts en hij gaf hem een hand. En zo zaten ze vervolgens nog een uur of wat te praten over vergelijkbare gebeurtenissen bij andere patiënten die op sterven hadden gelegen.
‘Ik wilde dat ik er eerder mee was gekomen,’ zei de jonge arts. ‘Het was overduidelijk dat andere artsen in elk geval weleens van dit soort voorvallen hadden gehoord, aangezien ze me naar iemand konden doorverwijzen die het zelf ook had ervaren. Het was zo’n opluchting om iemand te ontmoeten die openlijk over dit soort ingrijpende ervaringen sprak.’
Het goede nieuws is dat het minder moeilijk is dan vroeger om zulke intieme, spirituele ervaringen met een andere man te bespreken. In de jaren zestig, toen ik met mijn onderzoek naar bde’s begon, ontmoette ik zelden mannen die zoiets aan me wilden vertellen. Dat bde’s bestonden was nog niet echt bekend in de samenleving en de meeste mannen keken wel uit voor ze zo’n ervaring met anderen deelden, laat staan een onbekende.
En geef ze eens ongelijk. gde’s en bde’s zijn zo bijzonder dat ze de grenzen van het alledaagse ver overstijgen. Daarom zijn veel mannen ook onwillig om erover te praten.
Er speelt echter nog een andere factor, iets wat mensen nu eenmaal eigen is, en dat is dat we geneigd zijn te denken dat wij de enigen zijn die ‘vreemde ervaringen’ hebben. En ik denk dat dat met name voor mannen geldt. Als een man dus een gde-achtige ervaring heeft gehad, is hij geneigd te denken dat hij de enige is die zoiets heeft meegemaakt en houdt het dus voor zich. Ik denk dat je in het algemeen kunt zeggen dat, omdat mannen ervan uitgaan dat veel mensen er niet voor openstaan, ze ook een beetje moeten uitkijken aan wie ze zoiets vertellen. Dat gaat na dit boek echter veranderen. Nu mensen weten dat ze niet de enigen zijn, zullen ze zich minder terughoudend opstellen om over zulke ervaringen te praten.
Hoe weet je dat mensen niet liegen over hun gde?
Tja, soms liegen mensen wel degelijk. Ik ben opgeleid in de forensische psychiatrie, ben vijfenzestig jaar oud en merk dus vrij snel of iemand liegt. Hoe ik dat merk? Een van de redenen is dat iemand dan meestal heel snel antwoordt, op een manier die er duidelijk op is gericht de ondervrager (ik dus) naar de mond te praten.
Daarnaast speelt er nog een aantal zaken. In veel van de gevallen heb ik de persoon gelukkig redelijk snel na zo’n ervaring kunnen spreken. Het idee dat mensen zouden liegen over een voorval dat voor hen zelf bijna heilig is (zoals de dood van een ouder) is dan minder waarschijnlijk. Meestal heeft zo’n gebeurtenis daar ook een te grote emotionele lading voor.
Maar misschien heeft de voornaamste reden dat ik ervan uitga dat mensen me de waarheid vertellen over hun gde wel te maken met het feit dat het een betrekkelijk nieuw verschijnsel is, waar nu pas echt over wordt gesproken. Hoewel gde’s waarschijnlijk al zo oud zijn als de mensheid, is er in het verleden maar weinig aandacht voor geweest en is het verschijnsel tot nu toe ook nooit echt onderzocht. Dat maakt dit tot iets nieuws, iets wat nu pas in de openbaarheid komt en dat gold in de jaren zeventig net zo goed voor bde’s. Omdat men het er tot dan toe niet wijdverbreid over had gehad, vormden ze een ‘puur’ onderwerp, iets waar mensen niet snel dingen over verzonnen.
Moet je gelovig zijn om zo’n ervaring te hebben?
Dit is een vraag die ik zowel bij bde’s als gde’s heel vaak heb gehoord. Ik vat dat op als een teken dat men denkt dat zo’n ervaring niet meer dan je eigen verbeelding is, het gevolg van jarenlange blootstelling aan religieus onderricht. Dat is echter niet zo. Deze ervaringen zijn niet cultuurgebonden en het overkomt mensen van alle rassen, kleuren en gezindten. Ja, zelfs atheïsten.
Dat betekent dat zowel gelovigen als atheïsten tijdens een bde iets ervaren waarbij ze buiten hun fysieke lichaam treden, door een tunnel gaan, wezens van licht zien, een levensterugblik krijgen, enzovoort. Een aantal onderzoekers zegt dat het verschil zit in het feit dat gelovigen die lichtwezens eerder associëren met heilige figuren als God of Jezus en dat een atheïst eerder zal zeggen dat hij gewoon een wezen van licht zag.
Er bestaan meerdere onderzoeken waaruit blijkt dat bde’s universeel zijn. Je hoeft niet gelovig te zijn om de gebruikelijke elementen van een bde of een soortgelijke ervaring mee te kunnen maken, en gde’s vallen daar mijns inziens ook onder. De beste studie tot op heden is die van Jeffrey Long, een arts die samen met zijn vrouw Jody de Near Death Experience Research Foundation (nderf) leidt. Via de website van die organisatie (www.nderf.org) hebben ze honderden bde’s van over de hele wereld verzameld en daar ferme conclusies uit kunnen trekken, die terug te vinden zijn in het onlangs verschenen boek Evidence of the Afterlife. Hier volgen in een notendop enkele van hun bevindingen.
– De klassieke bde is over de gehele wereld precies hetzelfde. Of we het nu hebben over een hindoe uit India, een moslim uit Egypte, een christen uit Amerika of een atheïst uit IJsland, we zien bij bde’s steeds dezelfde basiselementen terug, te weten: een vredig gevoel, een uittredingservaring, een tunnelervaring, wezens van licht, een levensterugblik, niet terug willen en het transformerende effect ervan.
– Cultureel bepaalde vooroordelen zijn niet van invloed op bde’s. Veel van de mensen die aan het nderf-onderzoek hebben meegewerkt, wisten pas jaren nadat ze een bde hadden gehad wat dat precies was. Als ze een religieuze of culturele draai aan hun verhaal hadden willen geven, zouden ze dat intussen vast wel hebben gedaan. Toch deden slechts weinigen dat, zelfs in het Midden-Oosten, waar religie nog steeds een allesbepalende maatschappelijke factor is. Ze vertelden gewoon de feiten, zonder die ogenschijnlijk op te leuken.
Uit de studies van Long en anderen komt nog iets interessants over bde’s naar voren en dat is dat iedereen, of je nu gelovig bent of niet, ze op dezelfde manier ondergaat.
Aangezien dit boek gaat over het eerste onderzoek naar gde’s, kunnen we nog niet profiteren van uitgebreide studies bij verschillende culturen om te weten of zowel gelovigen als niet-gelovigen deze ervaringen op dezelfde manier ondergaan. Op basis van de casestudy’s die ik tot nu toe heb verzameld en geanalyseerd, durf ik echter wel te stellen dat de ervaringen van gelovigen en ongelovigen uiteindelijk op hetzelfde neerkomen en dat het eventuele verschil eerder in de interpretatie zit.
Toch is het best logisch dat sommigen met de volgende vraag zitten:
Denkt u dat mensen hun ervaringen aanpassen zodat het beter in een bepaalde geloofsovertuiging past?
Mensen maken gebruik van woorden en ideeën die ze aan hun religieuze achtergrond ontlenen en plaatsen gde’s zo in een bepaalde context om die te kunnen verwoorden. Dat moet ook wel. Aangezien het moeilijk is om wat er tijdens een gde gebeurt in woorden te vatten, worden mensen gedwongen die ervaring in religieuze terminologie te gieten. Tegelijkertijd erkennen ze zelf meestal ook dat die bewoordingen ontoereikend zijn en dat wat ze ervaren hebben bijna ongrijpbaar is. Als je het zo bekijkt, kunnen ze eigenlijk ook niet anders. Als mensen zoiets indrukwekkends hebben meegemaakt, proberen ze dat in overeenstemming te brengen met bestaande overtuigingen of opvattingen. Dat is ook volkomen logisch, omdat we het op de een of andere manier ook voor onszelf willen kunnen verklaren.
Mensen die een gde hebben gehad vertellen me vaak dat ze plotseling openstaan voor het feit dat de dingen die ze in de kerk hebben gehoord blijkbaar dus toch op de werkelijkheid zijn gebaseerd. Met andere woorden, het is opeens meer dan alleen maar een boek of een preek. Er is een direct besef ontstaan dat het om dezelfde materie als religie gaat, en dat kan een behoorlijke schok zijn.
Ik heb veel mensen gesproken die geen specifiek gelovige achtergrond hebben, maar toch verbaasd zijn dat ze in hun gde de beelden en gebeurtenissen zien waar vrienden die wel godsdienstig zijn het over hebben. Zo zien ze bijvoorbeeld wezens die op engelen lijken, of ze zien overleden verwanten op het moment dat hun dierbare sterft. Ze beschrijven wonderbaarlijk licht en momenten van intense liefde die zo’n gde bij hen oproept. Mensen die geen religieuze achtergrond hebben, of atheïstisch zijn of anderszins afwijzend tegenover het geloof staan, zijn daar zelf vaak verbaasd over.
Zo stond een vrouw die zichzelf ‘een overtuigd ongelovige’ noemde, paf toen ze samen met haar man door een felverlichte tunnel ging op het moment dat hij stierf. Ze gingen naar een licht waar ze op een zeker moment door ‘een engel’ werd tegengehouden en voor ze het goed en wel doorhad, zat ze weer aan zijn bed, met zijn hand in de hare. Ze was bijna in extase en het hielp haar bij het verwerken van het overlijden van haar man. ‘Ik ben opgegroeid met het idee dat je niet in godsdienst of God dient te geloven,’ zei ze. ‘Maar nu geloof ik wel in God en in spiritualiteit. Godsdienst voelt aan als iets wat door de mens is bedacht, maar ik kan de spirituele kant van wat er gebeurde toen mijn man overleed niet ontkennen. Het heeft me een gemoedsrust en een geloof in het hiernamaals gegeven, iets wat ik nooit had kunnen bevroeden.’
Ongelovige mensen kunnen ook echt in verwarring raken door wat ze tijdens een gde en hun kortstondige verblijf aan de andere kant zien. Het is niet ongewoon om een ongelovige te horen zeggen ‘dat ik iets zag wat léék op een engel, die mijn moeder begroette’, of ‘toen ik door die tunnel ging met mijn vader léék het alsof een stel engelen hem daar stond op te wachten’, of: ‘sommige mensen zóúden de persoon die ik gezien heb Jezus noemen’.
Ik heb het idee dat alle ervaringsdeskundigen – gelovig of niet – dezelfde elementen in hun gde ervaren en moeite hebben dat onder woorden te brengen. Over het algemeen kiezen ze de taal en de terminologie waarmee ze vertrouwd zijn. Dat gezegd hebbend, merk ik dat de meeste christenen de feiten van wat ze hebben ervaren geenszins verdraaien. Sommigen zien Jezus en andere religieuze figuren, anderen niet. Punt uit. Ze proberen de feiten niet zodanig in te kleden om de indruk te wekken dat ze in de nabijheid van een religieus figuur zijn geweest. Lees de volgende twee casestudy’s maar eens en kijk of je er zelf uit kunt herleiden dat hier twee zeer vrome christenen aan het woord zijn. De eerste is afkomstig van een verpleegkundige die bij een groot stadsziekenhuis werkt.
‘Op onze afdeling lag een oude man op sterven, een proces dat zich tot in de vroege uurtjes van de ochtend uitspon. Ik liep zijn kamer binnen en zag een vrouw naast zijn bed zitten. Ik wist meteen dat het een geest was en geen echt persoon. Ze zei niets en zat daar alleen maar naar die man te kijken.
Ik voelde mijn hart een slag overslaan. Ik schrok echt, maar was niet bang. Het klinkt nu misschien raar, maar het leek destijds zo volkomen natuurlijk. Ik was van mijn à propos, keerde me om en liep meteen weer de kamer uit, omdat ik het gevoel had dat ik inbreuk maakte op hun privacy.
Ik wilde dit voorval graag bespreken met een meer ervaren maatschappelijk werkster in het ziekenhuis, maar voor ik iets kon zeggen, zei zij zelf al: “Ik heb haar ook gezien. Dit soort dingen gebeurt betrekkelijk vaak.”
Ik was verbaasd, maar ik heb sindsdien wel meer van dit soort verhalen gehoord, dat overleden mensen in de buurt blijven en op de stervende wachten.’
Hier volgt nog een casestudy, ditmaal van een zoon die aan het sterfbed van zijn vader zat.
‘Mijn vader leed aan kanker en stierf vredig. Ik heb het hele proces meegemaakt. Aan het einde gebeurde er iets raars, wat ik nog steeds niet helemaal begrijp. Gedurende de laatste vier uur van zijn leven hoorde ik continu een duidelijk gezoem of een soort trilling, als een muzieknoot. Ik had voordien en heb nadien die toon nooit meer gehoord.
De noot lag prettig in het gehoor. Er zat geen variatie in, maar het voelde aan als muziek. Het kwam niet van mijn vader, maar het leek eerder alsof de muziek me via hem bereikte. Het voelde alsof we ergens samen waren en een gesprek voerden op een andere plek, alsof we ons tussen twee werelden bevonden.
Het was duidelijk dat hij dingen zag die ik niet kon ontwaren; zo praatte hij bijvoorbeeld met zijn overleden moeder. Ik zou het geluid kunnen vergelijken met het gezoem van een elektrisch apparaat en de lucht leek daardoor letterlijk met energie geladen. Ik heb het niet verteld aan anderen die toen ook in die kamer waren, want het was me direct al duidelijk dat dit geluid van elders kwam.
Ik had zijn hand vast toen hij stierf en nog geen minuut daarna stierf die muzieknoot ook weg. Het voelde op dat moment alsof een soort draadje waarmee ik met de spirituele wereld was verbonden, werd ontkoppeld. Maar ik wist dat het slechts een tijdelijke onderbreking was. Door die muziek van die andere plek weet ik nu zeker dat er leven na de dood is en dat ik mijn ouders daar zal weerzien.’
Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat deze zeer gelovige mensen geen religieuze draai gaven aan wat ze hadden meegemaakt. Voor de meeste mensen die een gde hebben gehad, is die ervaring zo indrukwekkend en heftig dat ze niet eens op het idee komen die met een religieus sausje op te sieren of aan te dikken.
De waarheid zelf is al indrukwekkend genoeg.
Kunnen mensen die een gde hebben gehad daarna ook met overleden mensen communiceren?
Soms wel. Mensen zeggen wel dat iemands ziel een tijdje ‘blijft hangen’, maar ik heb nog nooit gehoord dat er een permanente communicatieverbinding naar ‘gene zijde’ ontstaat. Voor de meeste mensen is het een eenmalig iets, in de zin dat die ongelooflijke ervaring te maken heeft met het moment dat iemand ook daadwerkelijk sterft, of de periode kort daarvoor of erna, maar niet dat er een soort permanente hotline naar de hemel wordt geopend.
Een van de ervaringsdeskundigen omschreef het volgens mij perfect toen ze zei: ‘Je voelt na zo’n ervaring een zekere nostalgie, een verlangen omdat je die staat van bewustzijn weer wilt ervaren.’ Veel mensen omschrijven het ook als een soort ‘heimwee’. Ze hebben een glimp gekregen van de eeuwigheid en verlangen nu met nostalgie terug naar dat bewustzijnsniveau, wetend dat ze daar zelf geen enkele invloed op kunnen uitoefenen. Een andere ervaringsdeskundige vertelde me: ‘Ik zou dolgraag terug willen naar waar ik dan ook was. Het was tegelijkertijd eng en spannend, maar ik ben nu absoluut minder bang voor de dood.’
Dat wil niet zeggen dat er na iemands dood nooit sprake is van communicatie. Ik heb mensen ontmoet die een gde hebben gehad en daarna ook nog in contact stonden met de overledene. Een vrouw vertelde me dat ‘bijna alle wekkerradio’s, televisies, radio’s en andere elektronische apparatuur’ de nacht nadat haar grootmoeder was overleden tot leven kwamen. Ze vertelde me dat haar echtgenoot daar zo bang van werd dat hij een paar van die apparaten kapot had geslagen om te voorkomen dat ze vanzelf aan zouden gaan. Zij had daarentegen allemaal vredige dromen gehad waarin ze langdurige gesprekken met haar grootmoeder voerde, die haar onder meer zei dat ze niet moest huilen.
Dr. Ervin Shaw uit Lexington, South-Carolina stuurde me een prachtig mailtje waarin hij me vertelde over zijn gde en de communicatie met zijn vader daarna. Hier volgt wat dr. Shaw me schreef:
Ik was in 1993 in het ziekenhuis toen omstreeks vier uur ’s nachts boven de dichte deur van de ziekenhuiskamer van mijn vader het ‘code rood’-licht aanfloepte. Hij was eenentachtig en het ging al vijf jaar niet meer zo goed met hem. Hij was bijna blind door de maculadegeneratie en hij zou binnenkort ook sondevoeding moeten krijgen, een beslissing waar mijn moeder en ik hartgrondig van mening over verschilden.
Mijn moeder en ik snelden naar de deur. (Pap had twee uur daarvoor een terugval gehad en was, toen ik een kwartier nadien, aankwam al buiten bewustzijn.) Toen de deur openging, zag ik dat de verpleegkundige hem probeerde te kalmeren terwijl hij rechtop in bed zat en met een intens verbaasde uitdrukking op zijn gezicht naar iets pal voor hem wees, alsof hij wilde zeggen: ‘Mijn god, zie je wat ik zie?’ En toen zonk hij terug in zijn kussen en was binnen vijf minuten weg.
Ik was destijds gescheiden, woonde op een woonboot en was na een periode van vijfentwintig jaar niet naar de kerk te zijn geweest, weer een vrome kerkganger geworden. Ik was bang dat pap de duivel had gezien.
Zo’n halfjaar tot een jaar later schrok ik midden in de nacht wakker doordat ik de stem van mijn vader hoorde. ‘Bud! Hoe gaat het daarbeneden met jullie?’ Dat ‘daarbeneden’ heeft me jarenlang gerustgesteld, maar ik heb daarna nooit meer iets van hem vernomen.
Casestudy’s als deze sterken mij in het idee dat je na iemands dood nog contact met hem of haar kunt hebben. Het is alleen geen zogenoemde ‘open verbinding’.
Hebben mensen in andere culturen vergelijkbare ervaringen?
Jazeker. Zo hield ik in Italië bijvoorbeeld een lezing voor zo’n tweeduizend man, tijdens welke ik een beschrijving gaf van een gde en de zaal naderhand vroeg hoeveel mensen zo’n ‘empathische’ doodervaring hadden gehad. Ik schat dat circa honderd mensen hun hand opstaken.
Ik heb deze vraag vaak gesteld bij lezingen in de westerse wereld en heb gemerkt dat je grofweg kunt zeggen dat zo’n een op de twintig mensen weleens van gde’s heeft gehoord of er zelf een heeft ervaren. Hun ervaringen verschilden niet van wat ik in andere landen in Europa of Amerika hoorde.
Datzelfde geldt voor India. Daar ben ik vaak geweest en ik heb er veel lezingen gegeven en mensen over hun gedeelde-doodervaringen kunnen vragen. De verhalen die ik daar heb gehoord gaan over dezelfde soort gebeurtenissen als wat ik in de westerse wereld hoor.
Ik wil hier nogmaals wijzen op mijn ervaringen met sceptici, toen ik begon met het onderzoek naar bde’s. Zij meenden dat er duidelijke verschillen tussen culturen zouden bestaan en dat mensen in India of Afrika bijvoorbeeld heel andere bde’s zouden hebben dan mensen in Italië of Amerika. Dat was echter helemaal niet het geval en ik vermoed dat het voor gde’s niet anders is. De verhalen die ik over de hele wereld hoor, of het nu over bde’s of gde’s gaat, zou je allemaal variaties op hetzelfde thema kunnen noemen.
Er bestaan momenteel nog geen crossculturele onderzoeken met betrekking tot gde’s, maar we beschikken wel over een aantal uitstekende bde-studies. Een van de recentste en wellicht grootschaligste is het eerdergenoemde onderzoek dat nog loopt en betrekking heeft op bde’s van over de hele wereld en dat geleid wordt door Jeffrey en Jody Long van de nderf.
Long stelde vast dat culturele vooronderstellingen geen invloed hebben op bde’s en dat het niet uitmaakt welke religieuze achtergrond iemand heeft, omdat ervaringsdeskundigen geen culturele draai aan hun verhaal geven. Hij kwam door zijn onderzoek tevens tot de conclusie dat er geen verschillen bestaan tussen de bde’s van mensen uit verschillende culturen.
Hoewel het nderf-onderzoek alleen betrekking heeft op bde’s, durf ik te stellen dat er bij gde’s ook geen sprake is van internationale verschillen.
Talloze eeuwenoude culturen hadden religies en traditionele ceremonies die gebaseerd zijn op openbaringen uit bde’s, en naar ik meen ook uit gde’s. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat onze voorouders tienduizenden jaren geleden hun doden al op rituele wijze begroeven en hen omringden met voorwerpen die de dode in het hiernamaals nodig zou kunnen hebben.
We hebben het al even over Egypte gehad, maar laten we daar nu eens nader naar kijken. Ver voor er piramides bestonden of zelfs maar een land dat Egypte heette, getroostte het volk dat in de vallei van de Nijl woonde zich al grote moeite om hun doden in de zilte aarde te begraven opdat die zouden mummificeren. Dat deden ze omdat ze geloofden dat het menselijk lichaam uit twee spirituele entiteiten bestond: de ‘Ba’ en de ‘Ka’. De Ba kun je zien als iemands ziel en de Ka als iemands levenskracht. De Ka heeft na de stoffelijke dood nog wel eten en drinken nodig en dus omringden ze het lijk met voedsel en andere voorwerpen, zodat die in het hiernamaals even vooruit zou kunnen.
Het Egyptische geloof bevatte diverse elementen van bijna- en gedeelde-doodervaringen. Denk aan:
- Het zich scheiden van de Ka en de Ba bevat elementen van een uittredingservaring. Op veel wanden in tempels en tomben kun je beeltenissen terugzien van een ziel die het lichaam verlaat.
- In de Piramideteksten en het Egyptisch Dodenboek staan verslagen van mensen die een fel licht zien op het moment van overlijden. Ook dat is op de wanden van sommige faraotombes vastgelegd.
- De ‘Ib’, oftewel het hart, was de zetel van emoties en intenties. De god Anubis beoordeelde je goede en slechte eigenschappen en bepaalde of je door mocht naar het hiernamaals.
- De overledene reisde door een donkere tunnel, waarna hij zijn overleden familieleden ontmoette.
Aangezien Egypte over het algemeen wordt gezien als het eerste land waar een georganiseerde vorm van wederopstandingsgeloof werd gepraktiseerd, is het legitiem om te vragen waarom ze eigenlijk überhaupt in een hiernamaals begonnen te geloven. Wijlen Cyril Aldred, een vooraanstaand Egyptoloog die als assistent-curator in het Royal Scottish Museum in Edinburgh werkte, had het idee dat hij het antwoord daarop had gevonden. Hij bestudeerde het eenwordingsproces van het oude Egypte en kwam tot de conclusie dat afgezien van nieuwere en betere landbouwtechnieken, het land een eenheid werd doordat de verschillende stammen een spirituele verbintenis kregen door de verhalen die ze aan elkaar vertelden over vrienden en familieleden die bijna dood waren gegaan vanwege ziektes, ongelukken of omdat ze door een dier waren aangevallen.
Die verhalen gingen ongetwijfeld over bde’s en ik durf te stellen dat sommige van die ervaringen ook gde’s betroffen, en dat bestudering daarvan tot die al eeuwenoude vraag zou hebben geleid: wat gebeurt er na ons sterven?
Sommige Egyptologen denken dat onze voorouders die ervaringen hebben bestudeerd en dat dat uitmondde in een volleerde godsdienst, waaronder de creatie van goden en uitgebreide rituelen rondom de dood, zoals het voorbereiden van het lichaam op de begrafenis en gedichten en verzen die als een gids voor het hiernamaals dienden.
Naarmate die religie zich verder ontwikkelde, nam de nieuwsgierigheid ernaar ook toe. En die leidde weer tot verdere bestudering ervan. Een aantal Egyptologen en bde-onderzoekers heeft daar informatie over verzameld en kwam tot de conclusie dat er een zogenoemde cultus van Osiris heeft bestaan, als eerbetoon aan de god van de landbouw en de onderwereld. Zijn vijanden smeedden een complot tegen hem en volgens de Egyptische mythe die hun als leidraad diende, werd hij gevangengenomen en in een houten kist gestopt. Zijn uiteindelijke wederopstanding werd gezien als het bewijs voor het eeuwige leven.
De cultus van Osiris leek bijna wel een soort bizar medisch experiment, waarbij slaven en vrijwilligers in kisten werden gestopt tot ze bijna waren gestikt, waarna ze door priesters werden ondervraagd over wat ze hadden gezien toen ze op het randje van de dood verkeerden. Dit soort onderzoeken waren uiterst waardevol voor de reconstructie van het beeld dat de oude Egyptenaren van het hiernamaals hadden. De vooraanstaande onderzoeker Kenneth Ring vatte dat als volgt samen: ‘Omdat de meesten [de slaven die gereanimeerd waren] hun initiatie zonder enige purificatie of voorbereiding ondergingen, kan er een wat vertekend beeld ontstaan van de cruciale inzichten die het opleverde en zelfs als dat niet het geval was, was het voor hen onmogelijk om het belang ervan in te zien of zich te gedragen naar de spirituele implicaties ervan... In dat opzicht zou het nuttig kunnen zijn om de gde te zien als een initiatie in de zin van een begin in plaats van – wat het in het geval van de cultus van Osiris waarschijnlijk was – het hoogtepunt van een spiritueel ontwikkelings- en verfijningsproces.’
Ik ben het eens met dr. Rings conclusies, maar wil nog een paar stappen verder gaan door te zeggen dat de ervaringen waardoor de oude Egyptenaren zich lieten leiden, ook gde’s waren. Die kennis over het hiernamaals bood de oude Egyptische samenleving een krachtige basis, wat je terugziet op de wanden van de tombes, met hiëroglyfen en petroglyfen die uittredingservaringen en andere belangrijke gebeurtenissen uit bde’s afbeelden. Het was door dat onderzoek over de dood dat esoterische werken als ‘pert em hru’, wat letterlijk ‘voor de dag komen’ betekent, werden geschreven. Aangezien die papyrusrollen meestal in tombes werden teruggevonden, gaven de westerse archeologen die ze vonden die een toepasselijke naam, die dus ook is blijven hangen, namelijk: het Egyptisch Dodenboek. Deze bijbel van het hemelse rijk leest als een soort onderzoeksrapport naar bijna- en gedeelde-doodervaringen.
Het eindresultaat van de bestudering van verhalen over de dood leidde tot zo’n grootse godsdienst dat daar een samenleving uit voortkwam waarvan we de overblijfselen nu nog kunnen zien, in de vorm van ontzagwekkende tombes, kleurrijke hiëroglyfen en het enige van de zeven klassieke wereldwonderen wat ook nog echt bestaat: de Grote Piramide.
Er zijn genoeg andere voorbeelden uit het verleden, zowel recente als van heel lang geleden, die ons tonen hoe andere culturen door bde’s en gde’s zijn beïnvloed. Wat ik hierbij echter vooral wil duidelijk maken, is dat verschillende culturen dezelfde soort ervaringen kennen, zowel wat betreft bde’s als gde’s, en dat daar al heel vroeg in de geschiedenis van de mensheid sprake van was.
Denkt u dat mensen door zo’n ervaring op een vergelijkbare manier veranderen als de mensen die ook echt sterven en dan weer tot leven worden gewekt?
Toen ik net begon met mijn onderzoek naar bde’s, was die ingrijpende transformatie een soort rode draad in elk verhaal. Bij gde’s hoor ik dat tot op zekere hoogte ook, als ze me bijvoorbeeld vertellen: ‘Deze ervaring heeft me doen inzien dat er leven is na de dood,’ of: ‘Ik ben hierdoor over dingen gaan nadenken waar ik voordien nooit bij stilstond,’ of: ‘Ik weet nu dat ik de mensen die me dierbaar zijn weer zal zien.’
Een kenmerkend voorbeeld van zo’n ingrijpende verandering valt te lezen in deze casestudy van een wat oudere vrouw die meer dan twintig jaar tevoren een gde had gehad. Toen haar echtgenoot stierf, liep ze samen met hem door ‘een mistgordijn’ naar een veld vol stralend licht. Wat er toen gebeurde, omschrijft ze zelf als iets heel opmerkelijks, wat bij haar ook tot ingrijpende veranderingen heeft geleid.
‘We keken samen naar een terugblik van ons leven. De gebeurtenis die me het duidelijkst voor ogen stond, was onze trouwdag. We stonden voor de dominee, die zei dat we samen zouden zijn “tot de dood jullie scheidt”, en dat was dus net gebeurd. Ik had het gevoel dat ik nu pas ten volle besefte wat dat betekende en ik voelde ook heel sterk de loyaliteit en de liefde die nodig waren geweest om zo lang van elkaar te kunnen blijven houden.
Ik hoorde op datzelfde moment ook prachtige muziek, een soort hemels koor. De kamer was zo hel verlicht dat ik alleen nog maar mijn man en zijn vader zag.
Ik heb voordien altijd mijn twijfels gehad over het bestaan van het hiernamaals, maar na deze gebeurtenis staat dat voor mij als een paal boven water. Ik mis mijn man vreselijk, zelfs na al die jaren nog, maar ik weet dat ik op een dag weer bij hem zal zijn, en dat stelt me gerust. Mensen zeggen dat deze ervaring een goede uitwerking op me heeft gehad en dat klopt volgens mij ook wel. Hoe kan het ook anders? Ik heb de hemel gezien en ben weer teruggekomen. Zoiets raakt een mens.’
Ingrijpende gebeurtenissen als deze werken transformerend. Zelfs jaren nadat iemand een gde heeft gehad, vertelt diegene me nog hoe zijn leven daardoor ingrijpend is veranderd. Hier volgen een paar kenmerkende opmerkingen die ik dan hoor:
- ‘Ik besef nu dat er leven is na de dood en ik heb geen enkele twijfel meer dat ik mijn man weer zal zien.’
- ‘Ik vrees het leven niet meer en ben ook niet bang dat ik tijd tekort zal komen. Toen ik daar samen met mijn vader naartoe ging, heb ik gezien dat het leven doorgaat en dat ons bewustzijn ons fysieke lichaam overstijgt.’
- ‘Toen mijn vrouw stierf en ik zag wat ik toen zag, hield ik op met zo zwaar in het leven te staan. We zijn hier om te leren en gaan dan weer door. Het gaat hier niet om de een of andere doodlopende ervaring.’
Een van de mooiste voorbeelden van hoe ingrijpend een gde kan zijn, werd me verteld door een vrouw die samen met haar zussen aan het sterfbed van hun grootmoeder zat. Ze vertelde het ook zo mooi, over het stralende licht dat zich door de kamer verspreidde, over de ongecontroleerde lachstuipen van de zussen, tot aan de transformatie als gevolg van deze ervaring. Hier volgt haar verhaal:
‘Mijn zussen en ik zaten aan het bed van mijn grootmoeder Nana, die al een paar dagen in coma lag. Ze was weliswaar al zevenennegentig, maar had sinds kort last gekregen van haar hart en was bijna onmiddellijk in een coma beland.
Ze lag nog thuis, in haar eigen bed, wat we haar ook hadden beloofd. De hospiceverpleegkundige had gezegd dat ze zo snel mogelijk zou langskomen om even te kijken hoe het met haar ging. We zaten bij haar bed tegen haar en met elkaar te praten en hadden geen moment door dat ze op dat moment overleed. Maar om de een of andere reden begonnen we opeens allemaal te lachen, zo erg dat we er bijna duizelig van werden. We zeiden allemaal suffe en grappige dingen tegen haar en tegen elkaar. We konden gewoon niet meer ophouden met lachen en de kamer leek steeds lichter te worden, maar niet als het licht van een gloeilamp... maar van een andere lichtbron. Het was fel, maar het deed helemaal geen pijn aan je ogen. De kamer begon ook een beetje te trillen, of te vibreren, en leek tegelijkertijd ook van vorm te veranderen. Het was nog steeds haar slaapkamer, die ik mijn hele leven al kende, maar het was net alsof die spiraalvormig werd, langer en ronder. Dat voelden we allemaal. Het voelde grappig genoeg alsof we aangeschoten waren, maar dat was natuurlijk niet zo.
Toen de hospiceverpleegkundige binnenkwam, keek ze ons glimlachend aan, alsof ze dit volkomen normaal vond: een stel meiden dat dubbel lag terwijl hun oma naast ze op sterven lag. Ze controleerde haar hartslag en zei toen: “Jullie kunnen de rest van de familie maar beter roepen, want het is zover.” De tranen biggelden over onze wangen, maar van blijdschap, niet van verdriet. Het leek net alsof ze met ons mee lachte. Ik kon haar ook horen, alleen niet in mijn hoofd, maar in mijn hart.
Toen mijn vader, Nana’s zoon, de kamer in kwam, merkte ik meteen dat hij dacht dat we getikt waren; dat kon je aan de uitdrukking op zijn gezicht zien. Wat wij dan ook voelden, hij kon of voelde dat in elk geval niet. Die warmte en blijdschap die we op het moment dat ze stierf met elkaar deelden, voelde gewoon zo goed. Dat is mijn zussen en mij sindsdien altijd bijgebleven en ik heb die dag beseft dat er echt een hemel bestaat, en dat zij op weg daar naartoe was terwijl ze ons hier een klein stukje daarvan bood – misschien wel een glimp.
Het heeft mijn leven veranderd en de levens van iedereen die tot het einde bij haar was, om de pure blijdschap te kunnen zien van wat wel “naar huis gaan” wordt genoemd. Nu begrijp ik wat dat betekent en ik beschouw die dag als het grootste geschenk dat Nana ons had kunnen geven, vol geluk en blijdschap, voor haar en voor ons, in plaats van verdrietig te zijn over haar dood. Hoewel we haar nog steeds vreselijk missen, weten we nu zeker dat we daar op een dag allemaal samen zullen zijn. Nu weet ik dat we herenigd zullen worden.’
Opmerkingen als deze geven aan dat er een ingrijpende verandering heeft plaatsgevonden in de psyche van degenen die samen een gde hebben ervaren.
Waarom hebben sommige mensen wel en anderen geen gde’s?
Ik heb eerlijk gezegd geen flauw benul, maar datzelfde zien we bij bde’s. Waarom hebben sommige mensen een bde en anderen niet? Zelfs als de omstandigheden waaronder mensen ‘er bijna waren geweest’ en hun karakters veel overeenkomsten vertonen, snap ik nog niet waarom dat niet het geval is.
Ik zou die vraag dus graag willen beantwoorden, want dat is de hamvraag! Ik bedoel, als je die kunt beantwoorden, zou dat een heleboel andere vragen ook beantwoorden, over telepathie, leven na de dood, geestverschijningen, uittreden en zo’n beetje elke andere kwestie op het paranormale vlak. Hebben sommige mensen misschien een bepaald gebied in hun hersenen waardoor ze sneller in contact kunnen komen met een bovennatuurlijke staat van zijn? Het antwoord op die vraag zou een geweldige wetenschappelijke stap vooruit betekenen.
Je moet echter niet vergeten dat de gedachten van iemand met een gde misschien wel niets te maken hebben met die ervaring zelf. Het zou heel goed de geest van de stervende kunnen zijn, of het stervensproces zelf dat via telepathie gebeurtenissen weet over te brengen op de gedachten van iemand die daarbij aanwezig is.
Je begrijpt inmiddels wel dat gde’s tot heel nieuwe onderzoeksvragen leiden, vragen waar we de komende jaren dieper op in zullen gaan. Die vormen de volgende stap in wat je het onderzoek naar bijna-doodervaringen zou kunnen noemen, het continuüm van een bovennatuurlijke en spirituele ontdekkingstocht.
Veel mensen houden ervan om dingen te categoriseren en ergens etiketjes op te plakken. Daar is niets mis mee, maar vergeet niet dat alle ‘extranormale’ ervaringen die betrekking hebben op het stervensproces met elkaar te maken hebben. Dat wil niet zeggen dat ze niet verschillen, want dat doen ze wel. Alleen bestaan er genoeg overeenkomsten om ze tot een continuüm te verbinden: een aaneenschakeling van gebeurtenissen die zo naadloos in elkaar overgaan dat het moeilijk is om te zien waar de ene begint en de andere ophoudt.
Dat geldt ook voor bde’s en gde’s. Elk daarvan bevat een heleboel identieke elementen, zoals uittredingservaringen, de tunnel, beelden van de hemel en wezens van licht. We kunnen niet langer zeggen dat die elementen louter bij bde’s horen. Ze maken juist allemaal deel uit van een spectrum dat uit die extranormale ervaringen voortkomt. Laat ik een voorbeeld geven van wat ik bedoel door je het verhaal van een anesthesist uit Florida te vertellen. Ook hij heeft een gde gehad, maar vóór die gde heeft hij bovendien kunnen communiceren met iets wat hij een engel noemt. Die twee ervaringen horen thuis in twee totaal verschillende disciplines, tenzij je het beschouwt als iets wat in hetzelfde continuüm thuishoort.
Hier volgt in de woorden van de anesthesist wat hem overkwam:
‘Ik ben van nature geen sentimenteel iemand. Ik geef veel om mensen, maar etaleer mijn gevoelens niet, iets wat je bij mijn vak ook wel nodig hebt.
Ik zet me actief in voor de gemeenschap en omdat mijn vader een ernstig drankprobleem had, doe ik veel in de opvang van mishandelde vrouwen en kinderen. Ik hou tevens zielsveel van God, maar denk dat georganiseerde godsdienst eerder een sociale activiteit is dan iets waar ik spiritueel iets aan kan hebben. Mijn echte communicatie met God is persoonlijk en ik praat gedurende de dag dan ook regelmatig even met hem.
Ik zeg dit zodat je iets over mijn achtergrond en overtuigingen weet, voor ik je vertel over de ervaring die ik heb meegemaakt.
Zoals je weet, gaat een anesthesist een dag voordat een patiënt wordt geopereerd even naar diegene toe om zich voor te stellen en de procedure rond de hele operatie uit te leggen. Op een dag was ik bezig met mijn ronde door het ziekenhuis toen ik heel duidelijk een engel tegen me hoorde praten. Ik was net klaar met een patiënt en stond in de hal iets in het dossier te noteren toen ik een stem hoorde zeggen: “Ga de eerste kamer aan je linkerhand binnen en ga naar de man toe die daar ligt. Hij heeft je nodig.” Dat gebeurt me niet vaak, dus ik schreef eerst woord voor woord op wat ik had gehoord en liep toen die kamer binnen.
Zodra ik over de drempel was gestapt, hoorde ik al dat de man moeilijk adem kreeg. Ik wist dat hij een niet-reanimerenverklaring had ondertekend en dat hij op het randje van de dood verkeerde. Ik liep naar hem toe en zag pure doodsangst in zijn ogen. Voor ik iets tegen hem kon zeggen, zei hij met krakende stem: “Ik ga dood. Ik ben zo bang dat ik niet weet waar ik het moet zoeken. Wil je me alsjeblieft helpen?”
Toen hij dat zei, hoorde ik de stem van de engel weer. “Maak je geen zorgen. Je gaat er samen met hem naartoe.”
Ik raakte de hand van de man even aan en toen belandden we via een soort van doorgang samen in een andere dimensie. Ik heb geen idee of ik was uitgetreden, maar we bleven gewoon toestromen naar iets wat ik niet kan beschrijven. De man zag er gelukkig uit en hij was omringd door allerlei andere wezens. Ik denk dat het familieleden van hem waren, maar dat kon ik niet vragen. Op deze plek keek hij me namelijk niet aan. Hij wist dat ik er op zich niets mee te maken had.
Ik wendde mijn blik af en was toen in een flits weer terug in de kamer van de patiënt, die inmiddels was overleden. Ik knielde neer naast zijn bed en heb God bedankt voor die ervaring.’
Zoals je hebt kunnen lezen, werd deze man eerst door een engel aangesproken en ervoer toen een gde. Hoewel dat twee volkomen verschillende ervaringen zijn, hebben we niet echt een rationele basis om daar ‘een grens tussen te trekken’. Bij alle soorten bovennatuurlijke ervaringen – gde’s, bde’s en vele andere – komen echter zo veel identieke elementen voor dat we ze gezamenlijk zouden moeten onderzoeken en bijna als een en hetzelfde zouden moeten beschouwen.
Kun je jezelf voorbereiden op een gde? Met andere woorden, kun je bepaalde dingen doen om de kans op een gde te vergroten?
Zonder nader onderzoek is het moeilijk om met zekerheid vast te stellen of je de kans op een gde kunt vergroten. Sommige van de casestudy’s die ik heb verzameld, bevatten echter wel overeenkomsten waardoor de kans daarop lijkt toe te nemen. Een van die elementen waarover de meeste ervaringsdeskundigen lijken te beschikken, is een sterk ontwikkeld gevoel voor empathie. Een ander element is een gevoel van aanvaarding of vrede hebben met het feit dat iemand die je dierbaar is zal sterven. Aangezien ook dat een overeenkomst is die ik bij veel van mijn casestudy’s terugzie, denk ik dat die aanvaarding een van de factoren zou kunnen zijn voor het ondergaan van zo’n ervaring.
Een prachtig voorbeeld van die aanvaarding die aan een gde vooraf kan gaan, is het hier volgende verhaal van dr. Joan Borysenko, een psychologe aan Harvard die meerdere boeken op haar naam heeft staan, waaronder de klassieker Helen van hart en ziel.
Borysenko’s moeder lag op haar eenentachtigste op sterven in het Beth Israel Deaconess Medical Center. Joan duwde haar moeder in een rolstoel terug naar haar kamer nadat ze aanvullende diagnostiek (een röntgenfoto) had geweigerd te ondergaan. Dat was eigenlijk best een beetje grappig verlopen. Toen haar moeder namelijk had ontdekt dat die röntgenfoto bedoeld was om te bepalen hoeveel interne bloedingen ze had, had ze zich op één arm opgericht en tegen de arts gezegd: ‘U bedoelt dat ik hier al uren lig alleen maar omdat u een diagnose wilt stellen?’ Op een toon waarbij de arts wel door de grond kon zakken, vervolgde ze: ‘Waarom hebt u me dat dan niet gevraagd? Ik lig op sterven! Wat zegt u van die diagnose?’
Ze had haar dochter vervolgens met een frêle handgebaar duidelijk gemaakt dat ze graag naar haar kamer terug wilde, zodat ze daar rustig kon sterven. Terwijl Joan haar moeders rolstoel de lift in duwde om de acht verdiepingen naar haar kamer af te leggen, stond ze even stil bij hun jarenlang moeizame relatie. Ondanks Joans overduidelijke carrièresucces was het feit dat ze psychologie doceerde aan Harvard voor haar moeder duidelijk niet goed genoeg. Ze wilde eigenlijk dat haar dochter met een rijke, joodse man zou trouwen en een leven met minder uitdagingen zou leiden dan de wetenschappelijke carrière waarvoor ze had gekozen. Dat ‘verschil in levensscripten’, zoals Joan het zelf omschreef, had altijd al voor veel spanning tussen moeder en dochter gezorgd. Nu ze daar echter samen zo in de lift stonden te wachten, besefte Joan dat de vrouw die eigenlijk de grootste uitdaging in haar leven vormde, elk moment kon sterven.
Blijkbaar besefte haar moeder dat op dat moment ook, want zij nam als eerste het woord. ‘Weet je, Joan, ik ben in veel opzichten helemaal geen goede moeder geweest. Maar ik wil dat je weet dat ik van je hou en ik hoop dat je het me kunt vergeven.’
Joans hart smolt en ze gebruikte de rest van dat ritje in die lift om te erkennen dat zij ook helemaal niet zo’n geweldige dochter was geweest. Ondanks alle keren dat ze haar kritiek had gespuid, ondankbaar of onaardig was geweest, zei ze haar moeder nu dat ze altijd van haar was blijven houden.
En toen, voordat de liftdeur weer openging en ze voor de laatste keer samen door de gang zouden lopen, vroeg Joan haar moeder of ze een ‘zielenkenmerk’ konden uitwisselen.
Haar moeder had altijd om dat soort dingen moeten lachen, maar ze was op deze laatste dag van haar leven een ander mens aan het worden en ze vroeg haar dochter om haar grootste kwaliteit, te weten compassie. Joan gaf haar die compassie en vroeg op haar beurt om haar moeders moed. ‘Jij bent niet stuk te krijgen, mam. Jij blijft altijd overeind staan.’
En zo waren deze twee mensen tijdens die rit in de lift... tja, ik denk dat je wel mag zeggen dat ze werden ‘verheven’. Joan zat samen met haar zoon en haar broer vervolgens nog een paar uur in de kamer van haar moeder, wat heel erg fijn was geweest. Op een zeker moment had haar moeder gevraagd of iedereen de kamer even wilde verlaten, ‘omdat het moeilijk is te sterven in het bijzijn van zoveel liefde’. Ze weigerden daar natuurlijk gehoor aan te geven. In plaats daarvan zongen ze liedjes en haalden ze herinneringen op aan het leven van hun moeder, terwijl de oude vrouw zelf met een glimlach in bed lag.
Na middernacht gleed haar moeder door de morfine langzaam weg in een roes en het zou niet lang meer duren voor ze haar laatste adem uitblies. Toen dat gebeurde, merkte Joan dat haar eigen bewustzijn veranderde en ze zich buiten haar eigen lichaam bevond. Ze kwam op een heel lichte plek en kreeg een levensterugblik te zien – eerst van haar eigen leven, waarin ze al haar goede en slechte daden zag, en vervolgens een terugblik op hun leven samen.
‘Ik heb onaangename dingen gezien: ruzies en spelletjes die we met elkaar hadden gespeeld,’ vertelde Joan. ‘Maar die levensterugblik kwam uit dat licht en dat licht vertelde ons dat we van elkaar konden leren.’
Op een gegeven moment hielden de beelden op en werden ze opgevolgd door gevoelens van intense dankbaarheid en verbinding. Joan zei dat het leek alsof ‘mijn moeder mij ooit in deze fysieke dimensie had gebaard terwijl ik haar ziel nu naar een andere dimensie baarde’.
Joan had het gevoel – en dat had ik ook nadat ik haar verhaal had gehoord – dat dat moment van aanvaarding in de lift bepalend was geweest voor die gde. Ik betwijfel of ze zonder dat moment van acceptatie überhaupt die ervaring zou hebben meegemaakt, want daardoor waren moeder en dochter in staat geweest om alle bagage die hun relatie zo moeilijk maakte af te leggen en konden ze contact maken op een manier waarop ze dat eerder niet hadden gekund.
Betekent dat dat iets als aanvaarding een noodzakelijke voorwaarde is voor het hebben van een gde? De meeste mensen in mijn vakgebied zouden zeggen ‘dat dat meer onderzoek vereist’, maar ik durf te stellen dat empathie en aanvaarding bij zo’n ongelooflijke ervaring wel degelijk een heel belangrijke rol spelen.
Maar wat bedoel ik dan precies met ‘aanvaarding’? Sommige mensen definiëren dat in religieuze termen. In Jakobus 4:7 staat ‘onderwerp u dus aan God’, wat voor mij betekent dat je Gods wil aanvaardt, wat in dit geval het sterven van een dierbare kan zijn. Het maakt eigenlijk niet uit of je voor een religieuze interpretatie kiest, want de definitie van aanvaarding komt eigenlijk op hetzelfde neer: heb vrede met wat er gebeurt en geef jezelf over aan de stervende. Aanvaarden wat is, kan een mens openstellen voor de vele mogelijkheden van wat kan zijn.
Overgave vergt geweldig veel kracht en het is niet hetzelfde als opgeven. Joseph Campbell vatte het mooi samen toen hij zei: ‘We moeten bereid zijn het leven dat we voor onszelf hadden gepland los te laten, om het leven te kunnen leiden dat op ons ligt te wachten.’ Door die aanvaarding stel je jezelf open voor een goddelijke energie, iets wat in het Engels grace wordt genoemd en wat je zou kunnen vertalen als ‘genade’ in de breedste zin van het woord. Als je je openstelt voor de kracht van genade, stel je jezelf open voor een aantal nieuwe en krachtige spirituele ervaringen.