DE HERTOG KEEK OP.
Borric, hertog van Schreiborg en bevelhebber van de Legers van het Westen, knikte naar de kapitein die in de opening van de commandotent stond. 'Excellentie, als u even tijd hebt om naar buiten te komen?'
Borric stond op. Hij voelde even een steek van jaloezie jegens zijn oude vriend Brucal, die nu waarschijnlijk ergens in LaReu voor een warm vuur lange brieven zat te schrijven aan de prins van Krondor om te klagen over de gebrekkige bevoorrading.
De tweede winter van de oorlog liep ten einde. Het front was inmiddels stabiel en het kamp dat Borrics hoofdkwartier was lag een kilometer of vijftien achter de frontlinie. De hertog was een geoefend krijgsheer; hij had tegen de gnomen en de Broederschap van het Onzalige Pad - de zwarte elfen - gestreden sinds hij een jongeman was, en hij voelde aan zijn botten dat dit een lange, lange oorlog zou worden.
De hertog sloeg zijn zware mantel om zich heen en liep de tent uit. Daar wachtte hem een wel zeer vreemd tafereel.
In de verte kwam een groepje nauwelijks zichtbare menselijke gestalten in de richting van het kamp. Door de dwarrelende sneeuw heen zag Borric het groepje langzaam maar zeker vorm aannemen. Grijze figuurtjes tekenden zich af tegen het matte wit, omringd door een waas van sneeuwvlokken. Langzaam kwamen ze naderbij. Uiteindelijk werden de figuren duidelijk zichtbaar. Het was een patrouille soldaten die iemand escorteerde.
De soldaten marcheerden uiterst langzaam, aangezien degene die ze escorteerden een zware slee trok. Ondanks het gewicht dat hij moest meeslepen, liep hij met gestage pas vooruit. Toen ze dichterbij kwamen zag Borric dat de figuur die met zoveel moeite de slee in de richting van het kamp trok een boerenjongen was. De knaap liep vastberaden naar het kamp toe en stond uiteindelijk stil voor de commandant van 's konings Legers van het Westen.
Borric keek naar de jongen, die het overduidelijk zwaar te verduren had gehad. Hij was blootshoofds en zijn blonde haren zaten vol ijskristallen. Hij had een dikke sjaal een paar maal om zijn nek en gezicht geslagen, verder droeg hij een jack en broek van zware stof en dikke, stevige laarzen. Zijn eenvoudige wollen jas zat onder de grote, donkere bloedvlekken.
De slede die hij had getrokken was geladen met een wel heel bizarre lading. Een grote zak was met touwen boven op de slee vastgebonden en daarbovenop lagen twee lijken, stevig vastgesnoerd. Een dode man staarde met lege ogen naar de hemel; in zijn oogharen leken bevroren tranen te blinken. Hij zag eruit alsof hij tijdens zijn leven een soldaat was geweest en droeg een leren harnas. Zijn zwaardschede hing leeg en nutteloos omlaag en zijn linkerhandschoen was verdwenen. Naast hem lag een jong meisje. Ze was toegedekt onder een aantal dekens, zodat het leek alsof ze sliep. Toen ze nog leefde moest ze al knap geweest zijn, maar nu ze dood was waren haar trekken zo fijn als porselein, bijna volmaakt in hun blankheid.
'Wie ben je, jongen?'
'Ik ben de houtjongen.' Zijn stem was zwak en zijn ogen waren leeg. Hoewel hij Borric scheen aan te kijken, was zijn blik in feite naar binnen gericht.
'Wat zei je?' vroeg de hertog.
De jongen leek bij zijn positieven te komen. 'Heer, mijn naam is Dirk. Ik ben een bediende van Heer Paul van Witte Heuvel. Dat is het landgoed aan de andere kant van de Kakisaw Vallei.' Hij wees naar het westen. 'Drie dagen lopen hiervandaan. Ik zorg daar voor het brandhout.'
Borric knikte. 'Ik ken het landgoed. Ik heb Heer Paul de afgelopen jaren een aantal malen bezocht. Het is ongeveer vijftig kilometer verderop, zo'n dertig kilometer achter de vijandelijke linie.' Hij wees naar de slede en vroeg: 'Wat moet dit voorstellen?'
Mat sprak de jongen: 'Dit is de goudschat van mijn meester. Zij is zijn dochter. De man is een moordenaar. Ooit was hij mijn vriend.'
'Het is misschien beter dat je binnenkomt en me het hele verhaal vertelt,' zei Borric. Hij gebaarde naar twee van de soldaten dat ze de touwen moesten pakken die de jongen bij wijze van tuig om zijn lichaam had geslagen en de slee opzij moesten trekken. Toen droeg hij met een handgebaar een derde man op om de vermoeide knaap te helpen.
De hertog ging de jongen voor de tent in en liet hem weten dat hij mocht gaan zitten. Hij gebaarde naar een loopjongen dat hij een kop hete thee en iets te eten voor de knaap moest halen. Terwijl de jonge soldaat zich haastig uit de voeten maakte om te doen wat hem gevraagd was, zei Borric: 'Welnu, Dirk, misschien kun je het beste bij het begin beginnen.'
In het voorjaar waren de Tsurani gekomen. Het jaar daarvoor had men ze al in het Grijze-Torengebergte gesignaleerd en hun aanwezigheid beschouwd als een grimmige waarschuwing voor invasies vanuit de koninkrijken aan de andere kant van de bergen of van een aantal van de belangrijkste handelaars en edelen in de andere Vrije Steden.
Maar de verhalen die met de waarschuwingen verteld werden, over geduchte krijgslieden die op een of andere magische manier zomaar uit het niets verschenen, werden met de nodige dosis scepsis en ongeloof aangehoord. En de oorlog leek ver weg, een schermutseling ergens in de bergen, een zaak tussen Borric van de soldaten van Schreiborg, de dwergen en de invallers.
Tot de eerste waarschuwing was gekomen van de Boswachters van Natal, die snel vooruit waren gereden om anderen te waarschuwen. Nog geen dag later werden ze gevolgd door een colonne kleine mannen met harnassen in verschillende felle kleuren, die plotseling verschenen op de weg naar het landhuis op Witte Heuvel.
Heer Paul had zijn garde opgedragen klaar te staan maar niets te doen tenzij ze aangevallen werden. Dirk en de rest van het huishouden stonden achter de Heer van Witte Heuvel en zijn bewapende soldaten.
Dirk keek achterom naar zijn meester en zag dat hij alleen was, zijn dochter was in het huis achtergebleven. Dirk vroeg zich af waarom: zou zijn meester nu werkelijk denken dat het meisje op die manier beter beschermd was?
Dirk bewonderde de houding van zijn meester. De verhalen over het militaire kunnen van de Tsurani waren sinds het begin van de gevechten ook stukje en beetje tot deze regio doorgedrongen. De Vrije Steden waren volledig afhankelijk van het Koninkrijk voor hun bescherming. Gebieden zoals Witte Heuvel en andere landerijen rond de stad Walinor moesten zichzelf zien te redden. Toch stond Heer Paul daar bewegingloos, zonder een spoor van angst, gekleed in zijn formele mantel: de rode met de kraag van hermelijn. Sinds het Keizerrijk van Groot Kesh zijn noordelijke koloniën in de vorige eeuw in de steek had gelaten, waren er geen erfelijke titels meer toegekend aan de inwoners. Maar de families die nog altijd de oude titels droegen gebruikten ze met trots. Zoals iedere edelman in de Vrije Steden minachtte Paul het recht van ieder ander op een titel, maar beschermde tegelijkertijd zijn eigen titel als een grote schat.
De invallers marcheerden zonder enige haast op hen af. Ze beseften al snel dat iedere poging tot verzet meedogenloos en snel de grond ingeslagen zou worden. Paul had een eigen persoonlijke garde en een stuk of twintig huurlingen die de wagens bewaakten en het landgoed beschermden tegen rondtrekkende bandieten. Maar al die mannen samen waren niet meer dan een armzalige bende huurmoordenaars vergeleken met de hoogst gedisciplineerde compagnie die nu over het grondgebied marcheerde. De Tsurani droegen harnassen in helder oranje en diepzwart, die eruit zagen als gelakt leer of hout en absoluut geen enkele gelijkenis vertoonden met de metalen harnassen die de officieren van het Verdedigingsleger van Natal droegen.
Paul herhaalde zijn bevel dat niemand weerstand mocht bieden en toen de Tsurani-commandant naar voren kwam, maakte Paul een gebaar dat op een formele begroeting leek. Vervolgens stelde de leider van de invallers, geholpen door een man in een lange zwarte mantel, een aantal eisen. Het landgoed Witte Heuvel en het landbouwgebied eromheen stonden nu onder bevel van de Tsurani, om precies te zijn onder het bevel van iets of iemand met de naam Minwanabi. Dirk vroeg zich af of dat een persoon was of een plaats, iets als een hertogdom binnen het Koninkrijk. Maar hij was te bang om ook maar te durven denken aan het stellen van een dergelijke vraag.
De leider van deze groep Tsurani - die allemaal korte, gemeen uitziende veteranen leken - zag er precies zo uit als zijn mannen, op een klein detail na: zijn helm was wat groter en versierd met iets dat volgens Dirk waarschijnlijk haren van een of ander exotisch beest waren. De zwarte sprieten vielen als een waterval tot op de schouders van de officier.
Dirk probeerde te raden wat de functie van de man in de zwarte mantel zou kunnen zijn die de woorden van de officier voor hem vertaalde; de officier leek extreem beleefd en voorkomend tegenover hem.
De officier heette Chapka en zijn rang was zoiets als slagleider of gevechtsleider, Dirk wist niet zeker welke van de twee.
Hij riep een aantal bevelen en de man in het zwart zei: 'Alleen de edelman van dit huis en zijn persoonlijke man mogen een wapen dragen.' Dirk nam aan dat hij daarmee de lijfwacht bedoelde, Hamish dus. 'Alle anderen moeten hun wapens hier neerleggen.'
De gardesoldaten keken naar Heer Paul, die knikte. Ze kwamen naar voren en legden hun wapens langzaam op een stapel, waarna ze weer naar achteren stapten. 'Nog meer wapens?' vroeg de man in het zwart.
Een van de soldaten keek naar zijn kameraden en stapte toen naar voren. Hij trok een kleine dolk uit zijn laars en gooide die op de stapel. Toen stapte hij terug tussen zijn maten.
De officier brulde nog een bevel en een stuk of tien Tsurani-soldaten renden naar voren. Ieder van hen fouilleerde de nu ontwapende gardisten. Een van de Tsurani's stond op en hield een mes omhoog dat hij in de laars van een soldaat had gevonden. De officier gebaarde dat de soldaat naar voren gebracht moest worden. Hij sprak een aantal snelle zinnen tegen de man in het zwart. Deze vertaalde: 'Deze man heeft niet gehoorzaamd. Hij heeft een wapen verstopt. Hij zal bestraft worden.'
Heer Paul vroeg voorzichtig: 'Wat gaat u met hem doen?'
'Het zwaard is te veel eer voor een ongehoorzame slaaf. Hij zal worden opgehangen.'
De man verbleekte. 'Het was maar een klein mesje, ik was vergeten dat ik het had!'
Hij kreeg een klap tegen zijn achterhoofd en viel bewusteloos neer.
Dirk keek met een mengeling van angst en fascinatie toe hoe twee Tsurani-soldaten de gardist, een man met de naam Janssen, die Dirk verder nauwelijks kende, in de richting van de schuurdeuren sleepten. De schuur had aan weerszijden een klein luik vlak onder het dak, waardoor je op de hooizolder kon komen. Boven het luik van de hooizolder hing een lier met een lang eind touw eraan. Dit touw werd rond de nek van de bewusteloze man gebonden en hij werd snel omhoog gehesen. Hij kwam niet meer bij bewustzijn, hoewel zijn lichaam nog wel enkele spastische bewegingen maakte voordat het stil bleef hangen.
Dirk had al eerder dode mensen gezien; de stad Walinor, waar hij was opgegroeid, werd regelmatig overvallen door bandieten of de Broederschap van het Onzalige Pad. Ook had hij ooit het lijk gezien van een zwerver die in de goot vlak voor een herberg was doodgevroren. Maar bij deze ophanging draaide zijn maag om. Hij wist dat dit niet alleen veroorzaakt werd door de walgelijke manier waarop Janssen om het leven was gekomen, maar vooral ook omdat hij vreesde voor zijn eigen leven.
De man met de zwarte mantel zei: 'Iedere slaaf die ooit nog met een wapen wordt betrapt zullen we ophangen.'
Toen brulde de officier nogmaals een bevel en de Tsurani-soldaten renden alle kanten op. Een stuk of zes gingen het huis van de meester binnen, anderen verdwenen in de bijgebouwen, de koelruimte boven de bron, de schuur, de opslagkelder. Dirk stond versteld over de efficiëntie waarmee de soldaten te werk gingen. Binnen enkele minuten waren de eerste Tsurani alweer terug om verslag uit te brengen. Dirk verstond er niets van, maar uit de snelheid waarmee de woorden heen en weer vlogen maakte hij op dat ze voor hun bevelhebber opsomden wat ze gevonden hadden.
Anderen kwamen de schuur en de keuken weer uit met tientallen heel gewone voorwerpen in hun handen. Met de hulp van de man in het zwart begon de bevelhebber Heer Paul te ondervragen over de functie van de diverse huishoudelijke hulpmiddelen. Terwijl de meester van het huis zijn best deed uit te leggen hoe zulke doodgewone zaken als een leerpriem of een gietijzeren koekenpan gebruikt werden, wees de Tsurani-bevelhebber steeds naar een van de twee stapels, op een groot canvas doek. Als hij twee dezelfde dingen tegenkwam, werd een ervan onmiddellijk op deze stapel gegooid, de andere soms wel en soms ook niet.
'Asjemenou,' zei Oude Willem, tuinman en terreinknecht op het landgoed, toen een aantal Tsurani-soldaten de canvas doek om de grootste van de twee stapels heen vouwden en ermee wegliepen.
'Wat is er?' fluisterde Dirk zo zachtjes dat de oude man hem nog maar net kon verstaan.
'Ze motten metaal hebben,' zei de oude man even zachtjes. Hij knikte wijs. 'Kijk maar naar hun harnassen en hun wapens.'
Dirk deed wat de oude man zei en toen begreep hij het. De zon scheen fel neer op de Tsurani-soldaten, maar nergens was ook maar de geringste schittering van metaal te zien. Hun wapens en harnassen waren allemaal van hout of leer, kunstig gemaakt en gelakt. Geen metalen zwaarden of dolken, geen gespen of ringen of andere metalen sluitingen. Vanaf de smalle gekruiste bandjes van hun sandalen tot hun grote wijd uitlopende helmen was er op geen enkele Tsurani-soldaat ook maar een spoortje metaal te ontdekken.
'Wat betekent dat?' fluisterde Dirk.
'Geen idee, maar ik weet zeker dat we er nog wel achter zullen komen,' zei de oude man.
De Tsurani gingen nog geruime tijd door met hun speurtocht door het hele huishouden van Heer Paul, tot de zon bijna onder was. Toen kregen de mannen het bevel hun persoonlijke eigendommen op te halen en naar de schuur of de keuken te brengen, aangezien de Tsurani-soldaten de kamers van het personeel in gebruik zouden nemen. Tot grote verbazing van Dirk verbleef de Tsurani-bevelhebber in hetzelfde gebouw als zijn mannen, waardoor Paul en zijn dochter alleen achterbleven in het grote huis.
Dit was de eerste van vele vreemde zaken waarover Dirk zich in het daaropvolgende jaar het hoofd zou breken.
Alex lag in elkaar gedoken, zijn gezicht een masker van pijn, terwijl Hamish hem waarschuwend toeriep: 'Niet opstaan!'
De Tsurani-soldaat die de jongeman in de maag had gestompt stond over hem heen gebogen, met zijn hand slechts luttele centimeters boven het gevest van zijn zwaard. Alex kreunde nogmaals en weer riep Hamish de jongeman toe stil te blijven liggen.
Dirk stond in de buurt van de schuurdeur. Een aantal bedienden stond nerveus toe te kijken; het was duidelijk dat ze het ergste verwachtten.
In de twee maanden die verstreken waren sinds de inval was duidelijk geworden dat de Tsurani strenge doch rechtvaardige meesters waren, maar af en toe schonden de bewoners van Witte Heuvel volkomen onbewust een of ander taboe of iemands eer, meestal met noodlottige gevolgen. Een oude boer, Samuel genaamd, was zich een maand tevoren te buiten gegaan aan een brouwsel van gefermenteerd graan en had met zijn dronken kop een Tsurani, die hem had bevolen weer naar binnen te gaan, een klap verkocht. Vervolgens was Samuel volledig in elkaar geslagen en daarna opgehangen terwijl zijn vrouw en kinderen geschokt toekeken.
Alex bleef kreunen, maar deed wat Hamish hem opdroeg en bleef liggen tot de Tsurani-soldaat zichzelf ervan had overtuigd dat hij niet meer zou bewegen. De soldaat sprak enkele woorden in zijn eigen onverstaanbare taal, spoog de arbeider minachtend in het gezicht, draaide zich om en liep weg.
Hamish bleef nog even staan, maar snelde toen samen met Dirk naar voren om Alex overeind te helpen. 'Wat is er gebeurd?' vroeg Dirk.
'Weet ik niet,' zei Alex. 'Ik keek die kerel gewoon aan.'
'Het was de blik waarmee je naar hem keek,' zei Hamish. 'Die zelfingenomen grijns van je. Als je op die manier naar mij had durven kijken, had ik hetzelfde gedaan.' De breedgeschouderde oude soldaat onderzocht de verwondingen van Alex. 'In mijn tijd in het leger heb ik ook zo mijn ervaring gehad met zelfingenomen grijnzende jochies en ik heb de nodige van hen tegen de vlakte geslagen voordat ik met pensioen ging. Je kunt die moordenaars maar beter met respect behandelen, jongen, anders heb je kans dat ze je ophangen, gewoon omdat ze de macht hebben en die dag niets leukers te doen weten.'
Alex wreef over de pijnlijke plek in zijn zij en antwoordde: 'Ik zal het niet meer doen, daar kun je op rekenen.'
'Zie dat je je daaraan houdt,' zei Hamish. De oude soldaat gebaarde naar Drogan, het hoofd van zijn garde, en zei: 'Vertel iedereen dat die klerelijers vandaag een slechte dag hebben. Waarschijnlijk heeft het iets met de oorlog te maken. Waarschuw de jongens dat ze zich gedeisd houden en doen wat hun wordt opgedragen.'
Drogan knikte en liep snel weg. Hamish draaide zich om, bekeek Alex nogmaals en zei toen: 'Wegwezen jij. Niets bijzonders aan de hand.'
Dirk hielp Alex met de eerste paar stappen. Toen de jongeman weer wat vaster op zijn benen leek te staan liet Dirk hem los. 'Ik geloof dat ze het helemaal niet op prijs stellen als je ze begroet, op welke toon dan ook,' zei Dirk.
'Ik denk dat ze willen dat je je ogen neergeslagen houdt.'
Dirk zei niets meer. Hij keek de Tsurani nooit aan als hij bij ze in de buurt was, omdat hij doodsbang voor ze was. Hij besloot dat dit waarschijnlijk het verstandigste was dat hij had kunnen doen.
'Kun jij het hout brengen?' vroeg Alex.
'Natuurlijk,' zei Dirk, voordat hij zich realiseerde dat hem gevraagd werd het hout naar binnen te brengen in de verblijfplaats van de Tsurani. Dirk pakte de bundel hout op die Alex had laten vallen en worstelde enige tijd met de losse blokken voordat hij de hele stapel goed beet had. Hij liep naar de deur van het bijgebouw, aarzelde en drukte toen de stapel hout met één arm tegen zijn borstkas zodat hij met zijn andere hand aan het touw van de deurgrendel kon trekken.
De deur zwaaide een klein stukje naar binnen en Dirk duwde hem met zijn voet wat verder open. Hij ging naar binnen en knipperde een paar maal met zijn ogen tot hij aan de duisternis gewend raakte.
Een stuk of zes Tsurani-soldaten zaten op hun bed. Ze praatten zachtjes met elkaar terwijl ze hun wapenrusting verzorgden. Ze vielen stil toen ze de jonge knecht binnen zagen komen. Dirk liep naar de houtkist naast de haard, in het midden van de achterwand, en legde zijn lading erin.
De Tsurani volgden al zijn bewegingen met volkomen onbewogen gezichten en Dirk zorgde ervoor dat hij zo snel mogelijk weer buiten stond. Toen hij de deur weer achter zich sloot, constateerde hij met verbazing dat hij nu al niet meer kon geloven dat het bed in de verste hoek nog maar enkele weken geleden zijn eigen slaapplaats was geweest. Hij en de andere arbeiders waren naar de schuur verbannen.
Alleen de huisbedienden niet, die sliepen nu op de vloer van Heer Pauls keuken.
Er was niet veel hout nodig, eigenlijk alleen maar om op te koken. In de warme zomernachten was het niet nodig vuren aan te leggen. De Tsurani gebruikten hun vuren voornamelijk om hun eigen onbekende voedsel op klaar te maken. In de wijde omtrek rond hun kookvuren roken de bedienden de vreemde maar toch ook intrigerende aroma's van het exotische eten.
Dirk stond even stil en keek om zich heen naar de dagelijkse bedrijvigheid op Witte Heuvel; beelden die aan de ene kant zo vertrouwd waren, maar tegelijkertijd overschaduwd werden door de vreemde aanwezigheid van de bezetters. Mikia en Torren, twee jonge mensen die zich een week eerder, tijdens het Midzomerfeest, hadden verloofd, liepen hand in hand naar de melkstallen. De twee verliefde mensen hadden totaal geen oog voor hun omgeving; wat hen betreft zouden de indringers net zo goed onzichtbaar kunnen zijn.
Vanuit de keuken kondigden luide stemmen en ratelende potten en pannen aan dat het bijna tijd was voor het middagmaal. Dirk besefte dat hij honger had. Hij moest echter eerst alle andere bijgebouwen van hout voorzien voordat hij zijn lunchpauze kon nemen. Hoe sneller hij begon, des te sneller zou hij kunnen gaan eten, besloot hij. Terwijl hij terugliep naar de houtschuur, ving hij een glimp op van een in zwart en oranje gehulde soldaat die naar de schuur liep. Even speelde hij in gedachten met de vraag of de bezetters ooit weer van Witte Heuvel verdreven zouden worden. Het leek hem niet waarschijnlijk, aangezien hij niet het idee had dat de oorlog hun kant op kwam en de Tsurani zich gedroegen alsof ze zich voorgoed op Witte Heuvel hadden gevestigd.
Toen Dirk in de houtschuur aankwam zag hij Alex, die achterin bezig was meer hout te hakken. De nog altijd gekneusde jongeman zei: 'Draag jij maar, joch. Ik hak wel.'
Dirk knikte en ging de schuur binnen om een nieuwe lading hout te halen. Hij zuchtte. Als jongste van de arbeiders op het landgoed moest hij altijd de vervelendste karweitjes opknappen. Nu werd er weer een nieuwe taak aan zijn toch al zware last toegevoegd en het ergste was dat er nooit iets afging.
Voordat hij naar Witte Heuvel was gekomen, had Dirk geen werk gehad. Hij was de jongste zoon van een steenhouwer die al twee zoons bij zich in de leer had genomen. Zijn vader had de stenen voor het nieuwe huis van Heer Paul gehouwen, waardoor deze hem van gezicht kende. Zijn vader had deze kans gegrepen om voor Dirk een plaatsje in Heer Pauls huishouden te bemachtigen.
Toen hij hier was komen werken had men hem beloofd dat hij uiteindelijk een of andere positie zou krijgen op het landgoed, terreinknecht misschien, of kennelmeester, of misschien schaapherder. Misschien zou hij zelfs een boerderij mogen pachten, waarvan een deel van de opbrengst naar de landheer zou gaan. In dat geval zou hij zich op kunnen werken tot vrije landeigenaar, iemand die zijn eigen land bezit zonder voor een landheer te hoeven werken. Hij had zelfs durven denken dat hij misschien een meisje tegen zou komen om mee te trouwen en een eigen gezin te stichten. En misschien zou hij, ondanks de Tsurani, nog steeds de kans krijgen om ooit zijn eigen zoons en dochters op te voeden.
Hij hield zichzelf voor dat hij nog altijd voldoende redenen had om dankbaar te zijn. Ondertussen pakte hij een nieuwe lading hout, bestemd voor de haardvuren van de bezetters.
Het werd herfst en het weer sloeg plotseling om. De dagen waren nog altijd zonnig, maar werden snel koeler, en de nachten werden koud.
De appels werden geoogst en de appelpersen draaiden op volle toeren. De Tsurani vonden het sap een ware delicatesse en eisten grote hoeveelheden voor zichzelf op. Een deel van het sap werd opgeslagen om te fermenteren en de lucht rondom de keuken rook heerlijk naar verse, warme appeltaart.
Dirk was eraan gewend geraakt om hout naar de Tsurani te brengen. Ondertussen was hij degene die alle houtkisten van het landhuis en de bijgebouwen gevuld hield, terwijl Alex nog altijd degene was die hakte. Niemand noemde hem meer bij zijn naam, hij was voor iedereen 'de houtjongen' geworden.
Dirk moest nu ook helpen met hout verzamelen en opstapelen. Door het gestage harde werk werden zijn schouders iedere week breder en zijn spieren sterker.
Hij kon nu evenveel tillen als de oudere jongens en zelfs als sommige van de volwassen mannen.
Hij ontdekte dat naarmate de nachten kouder werden, de hoeveelheid werk die hij moest verrichten toenam, aangezien hij nu ook geacht werd mee te helpen met de voorbereidingen voor de komende winter. De schaapskooien moesten gerepareerd worden. De kudde moest dichter bij huis gehouden worden, omdat de kou ook de hongerige roofdieren vanaf de hogere berggebieden omlaag zou drijven. Ook het vee moest uit de hoge bergweiden naar beneden worden gebracht.
Er waren hekken die gerepareerd moesten worden; de voorraadkelder en de koelruimte moesten worden gevuld. Hier in Yabon, in de heuvels aan de voet van het gebergte, viel de winter snel in. Vaak lag er na de eerste sneeuwbui al een behoorlijk pak, dat niet meer verdween tot het in de lente eindelijk begon te dooien.
Dirk werkte hard en genoot van de weinige momenten dat hij er even tussenuit kon knijpen om uit te rusten, met de oudere jongens en jongemannen grapjes te maken of te praten met Litia, een oude vrouw die vroeger de verantwoording had gehad over het pluimvee en de lammeren. Ze was vriendelijk tegen de opgroeiende, nog niet zo handige jongen en vertelde hem dingen die hem hielpen te begrijpen wat er gebeurde in de wereld om hem heen, die iedere dag weer leek te veranderen.
Dirk werd nu gedwongen onder ogen te zien dat het aantal keuzes dat hij nog had in zijn leven drastisch verminderd was. Voordat de Tsurani waren gekomen had hij de kans gehad om in de leer te gaan bij een schaapherder of een boer, om misschien een meisje tegen te komen en ergens aan de buitenranden van Heer Pauls landerijen een boerderijtje te krijgen waar hij een gezin kon grootbrengen met het deel van de oogst dat hij zelf zou mogen houden. Of misschien had hij het kleine beetje geld dat hij boven op zijn kost en inwoning kreeg op kunnen sparen en kunnen proberen ergens anders een vak te leren; hij kende de grondbeginselen van het steenhouwen en had misschien een metselaar kunnen betalen om hem in dienst te nemen als leerjongen.
Maar nu vreesde hij dat hij gedoemd was tot zijn dood een eenvoudige knecht te blijven. Hij kreeg nog steeds kost en inwoning, maar geen geld meer; de Tsurani hadden alle rijkdommen van Heer Paul in beslag genomen, hoewel er geruchten waren dat hij tweederde ervan ergens verstopt had waar de Tsurani er niet bij konden. Maar zelfs als de geruchten waar waren, zou Heer Paul niet de kans willen lopen dat dit werd ontdekt enkel en alleen omdat hij een eenvoudige jonge knecht zijn achterstallige salaris wilde betalen.
En er waren geen meisjes van zijn leeftijd op het landgoed, behalve dan de dochter van Heer Paul zelf.
Van oudsher was het Midwinterfeest de gelegenheid om meisjes uit de stad of van de naburige landgoederen te ontmoeten, maar de Tsurani hadden tijdens het Midzomerfestival alle verkeer van mensen van of naar het landgoed verboden, en Dirk betwijfelde of ze voor het Midwinterfeest iets anders zouden beslissen. Heer Pauls huishouden had op Midzomernacht het feest van Banapis geheel in besloten kring gevierd en zonder al te veel enthousiasme, gezien het slechte eten en drinken en het isolement waarin ze zich bevonden.
In ieder geval, bedacht Dirk, zou het Midwinterfeest een beetje levendiger zijn, aangezien ze een behoorlijke hoeveelheid gefermenteerde appelcider hadden opgeslagen. Toen herinnerde hij zich hoe somber zijn vader soms kon worden als hij dronken was en hij vroeg zich af of dat wel zo'n goed idee was. Hamish had een kwade dronk over zich en het was al enkele malen voorgekomen dat hij midden in de winter zoveel had gedronken dat hij als een waanzinnige tekeer was gegaan. Dirk besloot zijn eigen problemen maar naast zich neer te leggen en zich op zijn werk te storten. Na enige tijd verwierf hij bij de rest van het huishouden de reputatie een hard werkende, maar verder niet erg opvallende jongen te zijn.
Het festival was een flauwe afspiegeling van andere jaren. Het was de traditie dat de festiviteiten in de steden plaatsvonden terwijl de bewoners van alle omliggende landerijen naar de stad trokken. Een bewoner van de stad werd gekozen om de rol van Vadertje Winter te spelen en kwam zogenaamd de stad binnen op een slee getrokken door wolven. Dit waren meestal allerlei verschillende honden die her en der geronseld waren, wat vaak tot komische taferelen leidde. Vadertje Winter deelde snoep uit aan de kinderen en de volwassenen gaven elkaar kleine cadeautjes en aardigheidjes. Uiteindelijk at iedereen te veel lekkere hapjes en dronken veel mensen te veel wijn en bier.
En heel veel jonge stellen trouwden.
Dit jaar hadden de Tsurani alle reizen verboden. Dirk stond achteraan in een klein groepje op het erf tussen de schuren en keek toe hoe Mikia en Torren in de echt verbonden werden, onder het toeziend oog van Heer Paul en zijn dochter. De Tsurani hadden Dirk toegestaan naar de kapel van Dala te reizen om een priester te halen die de plechtigheid zou kunnen leiden.
Ondanks de kou, die maar een klein beetje draaglijker werd door het grote kampvuur dat Dirk en diverse anderen die dag hadden gebouwd, zag het paar er gelukkig uit. Het vuur laaide hoog op en verwarmde de kant van je lichaam die naar de vlammen was gekeerd, maar verder was het een kille en bittere dag voor een trouwerij, met laaghangende grijze bewolking en een niet-aflatende wind uit de bergen.
De maaltijd was het beste dat ze ervan maken konden onder de omstandigheden en Dirk ontdekte voor het eerst hoe het voelde om te veel te drinken. Hij dronk grote hoeveelheden appelcider en ontdekte dat zijn maag hem eerder vertelde dat hij moest stoppen dan zijn vrienden. De andere jongens stonden in een kring om hem heen en keken vol plezier toe hoe hij, misselijker dan hij ooit voor mogelijk had gehouden, tegen de muur achter de schuur geleund stond, met een hoofd dat leek te zweven en kloppende aderen bij zijn slapen, terwijl zijn maag probeerde drank naar buiten te gooien die allang niet meer binnen was.
Op de een of andere manier was hij erin geslaagd zijn weg terug te vinden naar de hooizolder waar hij nu sliep. Omdat hij de jongste knecht op het landgoed was, hadden ze hem de slechtste plek gegeven: vlak naast het hooiluik. Het tochtte er vreselijk en het werd er 's nachts behoorlijk koud. Hij plofte bewusteloos op zijn slaapplaats neer. Zonder de warmte van de andere jongens naast hem liep hij het risico dood te vriezen, maar hij was niet meer in staat dit te beseffen.
Later die nacht werd hij wakker toen hij buiten in de stille duisternis een luide schreeuw hoorde. Dirk en de andere jongens gingen rechtop zitten en Hemmy vroeg: 'Wat is dat?' Dirk duwde het hooiluik open. In het maanlicht zag hij een dronken figuur, met in zijn ene zwaaiende arm een zwaard en in zijn andere een kan cider. Hij riep woorden die de jongens niet konden verstaan, maar Hemmy zei: 'Hij vecht vast en zeker een oude veldslag.'
Plotseling zei Alex: 'De Tsurani! Als Hamish hen wakker maakt met al dat kabaal, zullen ze hem vermoorden. We moeten zorgen dat hij ophoudt!'
'Als jij een redelijk gesprek met hem wilt beginnen terwijl hij met dat zwaard staat te zwaaien, ga je gang,' zei Hemmy. 'Ik blijf liever hier. Ik heb hem al eerder bezopen gezien. Hij heeft een kwade dronk over zich, dat is zeker.'
'We moeten iets doen,' zei Dirk.
'Wat dan?' vroeg Hemmy.
'Weet ik ook niet,' gaf Dirk toe.
Toen kwamen er twee Tsurani toegesneld. Ze stopten toen ze de beschonken oude soldaat in het maanlicht zagen staan, met adem die als kleine wolkjes opsteeg in de ijskoude nacht.
'Stelletje stinkende klerelijers!' riep Hamish. 'Kom maar op, dan zal ik jullie eens laten zien hoe je met een zwaard om moet gaan!'
De twee Tsurani trokken langzaam hun wapens en een van hen zei iets tegen de ander. De tweede man knikte en stapte opzij. Hij stak zijn zwaard terug en rende weg.
'Ze gaan hulp halen,' fluisterde Dirk, bang dat de Tsurani hem zouden horen.
'Misschien zullen ze hem gewoon dwingen zijn zwaard terug te stoppen en naar bed te gaan,' zei Hemmy.
'Misschien,' echode Dirk.
Er kwamen een stuk of zes Tsurani aangelopen, met de bevelhebber voorop. Deze riep iets tegen Hamish, die bleef staan waar hij stond, in het heldere witte maanlicht, en als een oude wolf naar hem grijnsde. 'Zing eens een liedje voor me, stelletje laffe honden dat jullie zijn!' riep de beschonken oude man.
De Tsurani-bevelhebber leek vooral geïrriteerd door deze komedie en sprak kortaf enkele woorden tot de soldaten. Toen liep hij weg, zonder verder nog achterom te kijken.
'Misschien laten ze hem verder met rust,' zei Hemmy.
Plotseling zoefde een pijl door de duisternis, die de oude Hamish vol in het hart raakte. Hij keek met een ongelovige blik naar zijn borstkas en viel voorover op zijn knieën. Toen viel hij naar rechts, nog altijd met zijn zwaard en de kan cider in zijn handen.
'Goden!' fluisterde Dirk.
De Tsurani draaiden zich als één man om en lieten de dode lijfwacht in het maanlicht liggen, een donkere gestalte die scherp afstak tegen de sneeuw.
'Wat doen we nu?' fluisterde Dirk tegen de oudere jongens.
'Niets,' zei Alex. 'Tot de Tsurani ons morgen vertellen dat we hem moeten begraven, doen we niets.'
'Maar dat is toch niet zoals het hoort,' zei Dirk, die manhaftig probeerde zijn tranen van frustratie en angst te bedwingen.
'Niets is zoals het hoort vandaag de dag,' zei Hemmy. Hij reikte over Dirk heen om het luik weer dicht te doen.
Dirk ging weer op de vloer van de zolder liggen en probeerde zich te wapenen tegen een kilte die veel en veel erger was dan alleen de koude van de winteravond.
'Laat mij je daarmee helpen,' zei Drogan toen Dirk probeerde de keukendeur dicht te schoppen. De wind brulde buiten om het gebouw en dit was al de vijfde keer dat Dirk die dag naar de houtkist liep.
Dirk zei: 'Graag. Als je de deur even achter me dicht zou kunnen doen?'
De nieuwe lijfwacht van Heer Paul deed wat Dirk vroeg en Dirk zei: 'Dank je. Ik moet dit naar de grote zaal brengen.' Hij haastte zich met zijn zware lading door het grote gebouw. Uiteindelijk liep hij de grote zaal binnen, waar Heer Paul zat te eten, samen met zijn dochter Anika.
Dirk stapelde het nieuwe brandhout zorgvuldig op, omdat hij dan een paar ogenblikken de tijd had om vanaf zijn plaats naast de haard naar Anika te kijken. Ze was een jaar jonger dan Dirk. Op de vorige Midzomerdag was ze vijftien geworden en voor de jonge knecht was ze de vleesgeworden perfectie. Ze had fijne trekken, een kleine mooi gevormde mond, grote blauwe ogen en haar dat op bleek gesponnen goud leek. In de zomer was haar gezicht heel lichtbruin en in de winter was het vlekkeloos roze. Haar figuur begon zich te ontwikkelen, maar was nog niet zo weelderig als dat van de vrouwen in de keuken.
Ze bezat nog altijd een jeugdige gratie in al haar bewegingen die Dirks hart op hol deed slaan.
Dirk wist dat ze zijn naam niet eens kende, maar hij droomde ervan dat hij ooit op een dag rijk en beroemd zou zijn en haar liefde zou kunnen winnen. Ieder moment van de dag zag hij haar beeltenis voor zich.
'Is er iets, houtjongen?' vroeg Heer Paul.
'Nee, mijn heer,' zei de jongen. Hij stond snel op en sloeg met zijn hoofd tegen de rand van de open haard. Het meisje sloeg haar hand voor haar mond en lachte en hij bloosde vurig. 'Ik wilde alleen het hout netjes wegleggen. Ik ben al klaar, mijn heer.'
'Ga dan terug naar de keuken, jongen,' zei de heer van het huis.
Heer Paul was een wethouder in de stad. Voordat de Tsurani kwamen had Heer Paul een stem gehad in iedere belangrijke aangelegenheid van de stad Walinor en hij was zelfs eens afgevaardigde van de stad geweest naar de Algemene Wethouders-vergadering van de Vrije Steden van Natal. Hij was zonder enige twijfel een van de rijkste mannen van de stad. Hij had schepen varen over de Bittere Zee, bezat landerijen en boerderijen in het hele westen en had aanzienlijke investeringen lopen in zowel het Koninkrijk der Eilanden als het Keizerrijk van Groot Kesh.
En nu was Dirk hopeloos verliefd op zijn dochter.
Het maakte niet uit dat ze zijn naam niet eens kende, dat ze niet eens wist dat hij bestond. Hij moest steeds maar aan haar denken. De laatste twee weken, sinds de dood van oude Hamish, had hij gemerkt dat zijn gedachten steeds weer afdwaalden naar Anika. Haar glimlach, haar manier van lopen, de manier waarop ze haar hoofd schuin hield als ze luisterde naar wat haar vader haar vertelde.
Ze droeg altijd de elegantste kleren; haar haar was meestal opgestoken met dunne kammen van fijn bewerkt bot of schelpen uit de Bittere Zee. Soms hing het los, in zacht glanzende pijpenkrullen, langs haar gezicht. Ze was altijd beleefd, zelfs tegenover de bedienden, en had de liefste stem die Dirk ooit had gehoord.
Toen hij terugkwam in de keuken zei Jenna, de dikke oude kokkin: 'Was je weer naar het meisje aan het staren, jongen?'
Drogan lachte en Dirk bloosde. Zijn verliefdheid op de dochter van Heer Paul was een bekende bron van vermaak voor het keukenpersoneel. Dirk hoopte vurig dat Jenna haar mond zou houden tegenover de andere jongens. Als de jongens op de hooizolder er lucht van kregen, zou Dirks toch al zo miserabele bestaan nog ellendiger worden dan het nu al was.
'Het is een mooie meid,' zei Drogan met een glimlach tegen Dirk. 'De meeste mannen zouden meer dan eens naar haar kijken.'
Dirk mocht Drogan wel. Hij was een gewoon soldaat in de garde van Heer Paul geweest totdat Hamish was gedood omdat hij de Tsurani's op Midwinternacht uit de slaap had gehouden. Sindsdien verbleef hij in het hoofdgebouw, waar Dirk al verscheidene malen met hem had gepraat. Anders dan Hamish, die vaak uit zijn humeur was geweest, was Drogan een rustige kerel, die weinig zei tenzij men hem een rechtstreekse vraag stelde. Hij was kalm en vriendelijk, maar had de reputatie een van de beste zwaardvechters in de Vrije Steden te zijn. Hij was donker en knap van uiterlijk en Dirk had roddelaars horen beweren dat meer dan één van de vrouwelijke bedienden met wel héél doorzichtige smoesjes met hem mee was gegaan, en dat er verscheidene dienstertjes in de herbergen van de stad met smart zaten te wachten tot hij weer eens langskwam. Dirk vond hem een aardige vent, hoewel Jenna vaak bitse opmerkingen maakte over het feit dat Drogan aan niets anders kon denken dan aan vrouwen.
Dirk stond op en zei: 'Ik moet nog meer hout naar de Tsurani brengen.' Hij liep de warme keuken uit, de koude buitenlucht in, en wenste onmiddellijk dat hij dat niet had gedaan. Hij liep zo snel als hij kon naar de houtschuur.
Dirk pakte een grote stapel hout en liep naar de eerste van de drie bijgebouwen. Hij duwde de deur open en vond de Tsurani daar precies zoals hij ze altijd aantrof. Ze rustten uit tussen twee patrouilles door, of na andere taken waarvoor soms wel het halve garnizoen weg was, dagen of soms zelfs weken achtereen. Af en toe kwamen ze terug met gewonden. Tijdens hun rustperiodes sliepen ze in hun bedden, verzorgden hun vreemde zwart met oranje harnassen en spraken zacht met elkaar. Sommigen speelden een of ander gokspel met stokjes en stenen, anderen deden een spel dat op schaken leek.
De meeste soldaten waren weg, in opdracht van hun meester. Er waren nog maar een stuk of tien soldaten permanent op Witte Heuvel aanwezig. Ze keken uitdrukkingsloos toe hoe hij de houtkist bijvulde.
Hij ging weg en vulde daarna ook de andere twee kisten. Toen hij klaar was, slaakte hij een hoorbare zucht van verlichting. Het maakte niet uit hoe vaak zijn taak als houtjongen hem dwong de gebouwen waar de Tsurani ingekwartierd waren binnen te gaan; sinds Dirk had gezien hoe meedogenloos ze iemand konden doden, raakte hij iedere keer dat hij alleen tegenover hen stond redeloos in paniek. Als hij eenmaal wist dat hij voor de rest van de avond van hen af was, was hij altijd opgelucht, alsof hij de komende uren weer even veilig was.
Toen hij voor die dag klaar was met zijn klusjes buitenshuis, ging hij terug naar de keuken om zijn karige avondmaal te eten: waterige hutspot en grof brood. De beste etenswaren die de bezetters overlieten gingen naar Heer Paul en zijn dochter. Hij had ooit opgevangen hoe Anika over het eten klaagde, maar haar vader had geantwoord dat het, gezien de omstandigheden, helemaal niet slecht was. Dirk bedacht dat het naar zijn maatstaven een waar feestmaal was. Drogan en de andere bedienden in het huis zelf kregen voorrang als de restjes verdeeld werden en er bleef nooit iets over voor een doodgewone hout jongen.
Dirk liep terug naar de schuur. Hij negeerde het gekreun dat van onder de deken in de eerste stalbox kwam. Mikia en Torren leken zich niets aan te trekken van hun volkomen gebrek aan privacy. Nou ja, bedacht Dirk, ze waren dan ook buitenlui, een koeienherder en een melkmeid, en het was hem al eerder opgevallen dat mensen op het platteland veel aardser waren en op dit gebied minder last hadden van schaamte dan de gemiddelde stedeling.
Litia zat in een hoekje in de volgende box, op de lemen vloer. Haar smalle lichaam rilde onder de deken terwijl ze zo dicht mogelijk bij het kleine vuurtje zat in een poging zich te verwarmen. Dirk zwaaide naar haar en ze glimlachte naar hem met haar tandeloze mond. Hij liep op haar toe en vroeg: 'Hoe gaat het ermee?'
'Best,' zei ze. Haar stem was nauwelijks meer dan een hees gefluister.
Dirk maakte zich zorgen om de oude vrouw. Hij was bang dat ze de koude winter niet zou overleven, gezien de schaarste aan voedsel en warmte. Het leek de anderen in het huishouden niet veel te kunnen schelen. Mensen werden oud en gingen dood, daarmee was voor hen de kous af.
'Nog roddels?' vroeg de oude vrouw. Ze leefde voor nieuwtjes en geruchten. Dirk hield altijd zijn oren open in de hoop iets op te vangen waarmee hij de avond voor de oude vrouw wat kon verlevendigen.
'Jammer genoeg niet,' antwoordde hij nu.
Met een brede tandeloze grijns zei de oude vrouw. 'En heeft het de dochter van de landheer al behaagd je een blik waardig te keuren, m'n jong?'
Dirk voelde dat hij bloosde en zei: 'Ik heb geen idee waar je het over hebt, Litia.'
'Jawel hoor,' plaagde ze hem goedmoedig. 'Het geeft niets, jongen. Zij is het enige meisje van jouw leeftijd hier en het is niet meer dan logisch dat je je tot haar aangetrokken voelt. Als die heidenen die onze bedden hebben ingepikt nu eens wat minder streng werden zodat we komend voorjaar bij onze buren langs kunnen gaan, dan zal het eerste het beste boerenmeisje dat je tegenkomt er wel voor zorgen dat je niet meer denkt aan dat slechte kind van onze meester.'
'Slecht kind?' vroeg Dirk. 'Hoe bedoel je dat?'
Litia zei: 'Niets, niets, m'n jongen. Het is gewoon een verwend nest dat altijd haar zin krijgt, dat is alles. Wat jij nodig hebt is een struise meid, een boerengrietje met brede heupen die gezonde jongens kan baren om voor je te zorgen als je oud bent.'
Hoewel hij nog maar weinig levenservaring had, hoorde Dirk wel degelijk de bittere ondertoon in Litia's stem. Hij wist dat haar enige zoon jaren geleden was omgekomen, verdronken tijdens een ongeluk, en dat ze niemand meer had om voor haar te zorgen. Hij zei: 'Ik zal proberen of ik morgen nog een deken voor je uit het huis mee kan nemen.'
'Haal je voor mij nu maar geen extra problemen op de hals,' zei de oude vrouw, maar het was duidelijk op haar gezicht te lezen dat ze zijn bezorgdheid op prijs stelde.
Dirk liet haar alleen en beklom de ladder naar de hooizolder, waar de jonge mannen sliepen. Hij was de jongste daar, alle jongens die jonger waren dan hij sliepen bij hun familie. Alex, Hans en Leonard lagen al te rusten. Hemmy en Petir zouden zo dadelijk wel naar boven komen. Dirk wenste dat hij zelf een tweede deken had, maar hij wist dat hij het moest doen met wat hem werd gegeven. In ieder geval was hij altijd aan één kant warm, aangezien hij vlak naast Hemmy, de jongste op hemzelf na, lag. Als hij zich in de loop van de nacht een paar maal omdraaide, was dat genoeg om de ergste kou te weren.
En over nog geen twee maanden was het weer lente. Hemmy en Petir kwamen naar boven geklommen en gingen op hun plaats liggen, en Dirk nestelde zich zo goed en zo kwaad als het ging in zijn deken en viel in slaap.
Het was een vreemd geluid en Dirk begreep niet helemaal wat hij gehoord had toen hij midden in de nacht in het pikkedonker wakker werd. Maar toen besefte hij het plotseling: iemand had geroepen. Het was een gedempt geluid geweest, maar het was duidelijk een uitroep.
Dirk bleef even liggen luisteren, maar het geluid werd niet herhaald.
Hij probeerde weer in slaap te komen.
Op het moment dat hij weer wegdoezelde, hoorde hij gekraak en beweging in de schuur onder hem. Toen hoorde hij een matte plof en een vreemd, gorgelend geluid. Hij hees zich overeind op zijn rechter elleboog en lag in het donker enige tijd te luisteren. Hoewel hij zich tot het uiterste inspande, kon hij de geluiden niet thuisbrengen. Uiteindelijk nam hij aan dat het waarschijnlijk weer Mikia en Torren waren, dus rolde hij zich weer op en probeerde nogmaals te slapen.
Weer was hij bijna in slaap toen hij zich plotseling realiseerde dat er iets mis was. Toen hij zich omdraaide zag hij iemand met hoge snelheid op hem af komen in het duister, een grote, donkere figuur. Hij ging rechtop zitten en rolde toen in een reflexbeweging opzij, weg van de schaduw die op hem afkwam.
Toen gebeurden er twee dingen tegelijk. Iemand haalde uit en een mes sneed dwars door de stof van zijn jas, net onder zijn sleutelbeen, en tegelijkertijd sloeg hij met zijn rug tegen het hooiluik. Overmand door doodsangst slaagde hij erin een onduidelijke kreet uit te stoten. Toen vloog een ander lichaam tegen hem aan, met een al even onduidelijke kreet, en het luik achter hem begaf het.
De grendel was nooit erg stevig geweest en het gewicht van twee lichamen die er met een klap tegenaan sloegen was genoeg om hem te splijten. Met een gesmoorde kreet stortte Dirk door het nu geopende hooiluik naar beneden op de besneeuwde grond. Hij landde met een zware plof die alle lucht uit zijn longen perste.
Toen viel het tweede lichaam boven op hem en verloor hij het bewustzijn.
Toen hij bijkwam werd het al licht. Hij was door en door koud en haalde moeizaam adem. Zijn linkeroog leek dicht te zijn geplakt en er lag iets zwaars boven op hem waardoor hij niet op kon staan.
Dirk probeerde te bewegen en ontdekte toen dat het Hemmy was die op hem lag. 'Hé joh, sta eens op!' zei hij, maar zijn stem klonk zwak en gesmoord. Een brandende pijn vlak onder zijn keel deed hem bij iedere beweging die hij maakte naar adem snakken.
Zijn benen waren gevoelloos van de kou en hij lag in een kuil in de sneeuw. Hij draaide met zijn achterwerk en slaagde erin zichzelf omhoog te worstelen. Toen besefte hij dat Hemmy dood was. Het gezicht van de oudere jongen was bleek en zijn keel was doorgesneden. De plotseling opkomende paniek bracht Dirk in beweging en hij tilde het lijk net genoeg op om eronderuit te kunnen kruipen. Met moeite dwong hij zijn gevoelloze benen te doen wat hij wilde.
Hij trok zichzelf omhoog uit de sneeuw. Zijn spieren protesteerden heftig bij iedere beweging. Hij klom uit het gat en zag dat hij doordrenkt was met bloed. Hemmy's bloed.
'Wat is er gebeurd?' fluisterde hij.
Toen hij moeizaam in de richting van de schuur strompelde zag hij dat het nog minstens een uur zou duren voordat de zon boven de oostelijke horizon uit zou komen. Zijn benen begaven het en hij leunde tegen de muur van de schuur. Toen hij omhoogkeek zag hij dat het hooiluik nog altijd openstond. Even stond hij stil tot hij zijn bevroren, stijve benen weer onder controle had, toen liep hij naar de voorkant en keek naar binnen door de grote deuren die wijd openstonden in de kou. Toen hij naar de sneeuw voor de deur keek zag hij geen ongebruikelijk aantal voetstappen. Maar ten zuiden van de deur, waar de sneeuw onduidelijk te zien was, zag hij één enkel paar voetstappen en daarnaast de sporen van een slee. Iemand had de grote slee uit de schuur gehaald. Aan de diepe indrukken die de ijzers in de sneeuw hadden gemaakt, zag hij dat de slee zwaarbeladen moest zijn geweest.
De paarden waren allang weg, die waren de vorige winter Opgegeten door de Tsurani. Degene die de slee had meegenomen moest dus zelf trekken.
Dirk ging de schuur binnen en zag Mikia en Torren in elkaars armen liggen, allebei met doorgesneden keel. Oude Litia lag ook dood in een plas van haar eigen bloed, met haar ogen wijd opengesperd. Waar hij ook keek zag hij niets dan dood.
Wie heeft dit gedaan, vroeg Dirk zich in paniek en verwarring af. Waren de Tsurani die Heer Pauls landgoed bezet hielden gek geworden en hadden ze iedereen vermoord? Maar als dat zo was, dan zouden er meer voetstappen buiten in de sneeuw voor de deur te zien moeten zijn en die waren er niet. De meesten van hen waren op een of andere missie gestuurd en er was nog maar een handjevol soldaten in de bijgebouwen deze week. Toen dacht hij ineens aan het hoofdgebouw.
'Anika!' fluisterde hij hees.
Hij rende door de ochtendschemering naar de keuken en zag dat de deur openstond. Hij staarde zwijgend en vol afschuw naar de slachting in het vertrek.
Iedereen die in de keuken sliep was al even dood als de mensen in de schuur.
Hij rende de trap af en stoof zonder kloppen Anika's kamer binnen.
Het bed was leeg. Hij keek eronder, bang dat ze misschien onder het bed was gekropen om daar te sterven. Toen besefte hij dat er geen bloed in de kamer was.
Hij stond op, rende naar haar vaders kamer en duwde de deur open.
Heer Paul lag in een grote plas bloed midden op zijn bed. Dirk hoefde niet naar hem toe te lopen om te zien dat hij dood was. Naast het bed stond een geheime deur wagenwijd open, een deur die zo beschilderd was dat hij onderdeel leek uit te maken van de muur. Dirk keek naar binnen en zag een kleine schuilplaats. Hij realiseerde zich dat dit de plaats was waar zijn meester zijn rijkdommen had bewaard.
De bezetters hadden ieder gouden, zilveren en koperen muntstuk van de inwoners van het hele bezette gebied opgeëist, maar het was algemeen bekend dat ze absoluut geen idee hadden van de waarde van het geld op deze planeet. De bedienden hadden vaak gespeculeerd dat Heer Paul misschien maar een derde van zijn vermogen had afgestaan en de rest had verbórgen. Misschien hadden ze zijn verborgen schat ontdekt en was dit hun manier om iedereen te straffen. Als de Tsurani een strafexpeditie waren begonnen...
'Nee,' zei hij zacht tegen zichzelf. Als de Tsurani vonden dat iemand eerloos was, dan hingen ze hem op. Dood door middel van het mes was voor hen die met eer verslagen waren. Degene die dit op zijn geweten had was uiterst omzichtig te werk gegaan, bang dat iemand alarm zou slaan en dat hij overweldigd zou worden. Hij had uit voorzorg iedereen op het landgoed vermoord, een voor een. De moordenaar was gewapend geweest...
Drogan!
Drogan en de landheer zelf waren de enige niet- Tsurani die toestemming hadden een wapen te dragen. Dirk deed de geheime deur dicht, te zeer aangeslagen om bewondering op te kunnen brengen voor de knappe manier waarop hij was gemaakt. Nu hij dicht was ging hij volkomen onzichtbaar op in de muur.
Hij snelde naar beneden, naar de grote eetzaal, en zag dat de twee zwaarden, erfstukken van Heer Pauls familie, nog altijd boven de haard hingen. Hij vroeg zich af of hij er één zou pakken, maar toen bedacht hij dat als de Tsurani hem met een zwaard zouden zien, ze hem zonder pardon zouden ophangen zonder dat hij een kans zou krijgen de situatie uit te leggen.
Dirk ging terug naar de keuken en pakte een groot uitbeenmes van het slagersblok naast het fornuis. Hij had dat mes wel vaker in zijn handen gehad en het handvat voelde geruststellend vertrouwd in zijn hand.
Hij moest iets doen om Anika te vinden, maar wist niet wat. Drogan moest haar met het geld meegenomen hebben. Hij rende terug naar de schuur om te zien of iemand anders het misschien overleefd had. Enkele minuten later wist hij zeker dat alleen hijzelf en Anika nog leefden.
En de Tsurani natuurlijk.
Paniek overmande Dirk. Hij wist dat als een van de soldaten zijn hoofd buiten de deur stak en zag dat hij een keukenmes bij zich had, de Tsurani hem zeer zeker zouden ophangen, of hij nu wel of geen goede reden had.
Hij stopte het mes weg onder zijn tuniek en klom naar boven, de hooizolder op. Hij liep naar de grote canvas tas die als een soort nachtkastje naast zijn slaapplaats stond en waarin hij zijn schamele bezittingen bewaarde. Hij trok zijn enige jas uit en zag toen de grote snee net onder de kraag. Drogan had hem het eerst te grazen genomen omdat hij wakker was geworden. Hij moest gedacht hebben dat hij Dirks keel had doorgesneden. Toen had hij Hemmy vermoord en hem boven op Dirk gegooid zodat ze samen door het hooiluik waren gevallen. Dirk wist dat de duisternis en het feit dat hij gevallen was zijn leven hadden gered. Als hij niet uit de schuur naar beneden was gevallen had Drogan zich er zeer zeker van willen vergewissen dat de jongen echt dood was.
Dirk trok zijn extra overhemd aan tegen de kou en negeerde het bloed dat zijn hemd en het overhemd dat hij al droeg aan zijn lichaam deden kleven. De extra lagen kleding konden weleens het verschil betekenen tussen overleven en doodvriezen. Even bedacht hij dat hij een tuniek van een van de anderen uit zou kunnen trekken, maar hij kon zich er niet toe brengen de dode lichamen van zijn vrienden aan te raken.
Hij trok zijn jas weer aan en pakte zijn enige paar handschoenen uit de tas, samen met de lange wollen sjaal die Litia vorige winter voor hem had gebreid. Hij trok ze aan en keek zijn andere bezittingen na: er was niets bij waarvan hij het idee had dat hij er ook maar iets aan zou kunnen hebben.
Hij haastte zich de ladder af. Het enige dat hij kon bedenken was de moordenaar te volgen. Hij was doodsbang dat hij de Tsurani wakker zou maken en wist niet of ze zich ook maar iets aan zouden trekken van de moord op mensen die ze zo duidelijk als minderwaardig aan henzelf beschouwden. Dirk was bang dat ze hem de schuld zouden geven en hem op zouden hangen.
Drogan. Hij moest Drogan vinden en Anika redden en het goud voor haar veiligstellen. De jongen wist dat het meisje zonder het goud overgeleverd was aan de genade van de stedelingen. Dat zou betekenen dat ze afhankelijk zou zijn van de vrijgevigheid van vrienden of familieleden. Maar hij was zo bang dat hij niet kon bewegen. Hij stond midden in het looppad van de schuur, vastgenageld aan de grond, niet bij machte een beslissing te nemen.
Na enige tijd hoorde hij een schreeuw van de andere kant van het erf.
De Tsurani waren wakker en een van hen had iets gezien. Verwarde stemmen klonken buiten door elkaar heen en Dirk wist dat ze in luttele momenten de schuur binnen zouden komen.
Hij verstopte zich in de donkerste hoek van de box die het verst van de deur weg was en lag daar, bevend van angst en kou, terwijl de mannen de schuur binnenkwamen. Ze spraken snel, in hun eigen vreemde taaltje. Twee van hen liepen vlak langs de plaats waar Dirk lag.
Een van hen blikte even in zijn richting. Hij dacht blijkbaar dat Dirk het zoveelste lijk was, want hij zei niets tegen zijn metgezel, die de ladder naar de hooizolder begon op te klimmen. Enkele ogenblikken later riep hij iets naar de man beneden, die antwoord gaf. Hij hoorde hoe de man de trap weer af kwam, waarna de twee mannen de schuur verlieten. Dirk wachtte tot alles weer stil werd en stond op uit het stro.
Hij haastte zich naar de deur en gluurde naar buiten. Vanaf zijn gezichtspunt zag hij een van de Tsurani de anderen instructies geven het hele gebied te doorzoeken.
Onzeker over wat hij nu moest doen, besloot Dirk te wachten. Een Tsurani van wie hij wist dat hij een redelijk hoge rang had kwam naar buiten en wees naar de sporen in de sneeuw. Er laaide een discussie op en de man die de anderen erop uit had gestuurd om te zoeken scheen nu aan te geven dat iemand de moordenaar moest volgen.
Toen sprak de bevelhebber een aantal zinnen op bevelende toon. De ander boog licht en liep weg. Dirk besefte dat niemand Drogan zou achtervolgen. Hij zou ongestraft kunnen ontsnappen nadat hij meer dan twintig mensen om het leven had gebracht, Anika had ontvoerd en al het goud van Heer Paul had gestolen. De Tsurani-leider scheen er tevreden mee te zijn de zaak aan zijn eigen bevelhebber over te laten, als die met het grootste deel van het garnizoen terug was.
Dirk realiseerde zich dat als iemand Anika nog kon redden, hij dat was. Hij glipte de schuur uit en liep er voorzichtig omheen. Toen hij zeker was dat niemand zijn kant op keek, rende hij het bos in. Hij haastte zich tussen de berken en dennen door tot hij de sporen van de slee vond. Die volgde hij.
Dirk sjokte door de sneeuw. Zijn adem hing in witte wolkjes voor zijn gezicht. Zijn voeten waren gevoelloos en hij voelde zich zwak en uitgehongerd, maar hij was vastbesloten Drogan in te halen. De enige kleuren in het landschap waren wit en groen, het groen van de takken van de sparren en dennen die onder de sneeuwmantels uit staken.
Voor hem zag hij een groepje kale bomen en hij wist dat hij nu de grens van Heer Pauls gebied had bereikt.
De moordenaar ging behoorlijk snel, ondanks het feit dat hij een zware slee moest trekken. Hij wist dat hij iedere keer dat Drogan de zware slee een heuvel op moest trekken terrein won, maar iedere keer dat Drogan aan de andere kant naar beneden gleed pakte deze waarschijnlijk een stukje van zijn voorsprong terug.
Dirk stopte even om uit te rusten. Hij wist dat zijn beste kans om de moordenaar te pakken te nemen was om hem 's nachts te overvallen.
Dirk keek om zich heen. Hij had geen idee hoeveel tijd inmiddels verstreken was; hij wist dat het grootste deel van de dag voorbij was, maar aan de grijze lucht kon hij niet zien waar de zon was en hoe lang het nog zou duren voor de duisternis in zou vallen.
Een konijn stak zijn snuit boven een richel uit en snoof. Dirk wenste dat hij een wapen had, of tijd genoeg om een strik te zetten. Een geroosterd konijn zou meer dan welkom zijn. Hij besefte echter maar al te goed dat zulke wensen voorlopig niet in vervulling konden gaan.
Hij sjokte verder.
Toen het donker werd begon het te sneeuwen en behoorlijk hard ook. Dirk wist dat er nu niets terecht zou komen van zijn plan om de hele nacht door te lopen. De sneeuw bedekte de sporen van de slee, en hoewel Dirk zijn best deed ze te blijven volgen, zag hij niets meer. Er was totaal geen licht, het was de donkerste nacht die hij ooit had meegemaakt en hij was doodsbang.
Hij vond een klein groepje bomen met in het midden een hoge den met overhangende takken, beladen met sneeuw, die een soort natuurlijk afdak vormden.
Hoewel de den maar weinig beschutting bood, kroop hij er toch maar onder. Hij wierp een muur van sneeuw om zich heen op. Als jongen had hij geleerd dat hij daarmee de ergste wind tegen kon houden. Hij doezelde wat, maar sliep niet echt in.
Hij werd wakker van een doffe klap. En nog een. Hij stak zijn hoofd onder de overhangende dennentakken uit en zag dat er een paar grote pakken sneeuw naar beneden waren gekomen. Hij kroop onder de takken uit en zocht de sporen. Op sommige plaatsen was er niet zoveel sneeuw op de grond terechtgekomen. Hij kon de sporen nauwelijks zien, maar ze waren er wel degelijk en wezen hem de weg.
Dirk zette wederom de achtervolging in op de moordenaar.
Toen de zon onderging zag hij het licht van een vuur, hoog boven hem op een heuvel in het oosten. Drogan was onderweg naar de stad Natal. Daar waren nog geen Tsurani-bezetters. Als hij de stad eenmaal bereikt had, zou hij zonder moeite door kunnen reizen naar Ylith en daarvandaan kon hij de hele wereld bereiken: het Koninkrijk, Kesh, of het Eilandenrijk Queg. Dirk wist niet hoe Drogan de grens over wilde trekken, maar hij nam aan dat de man een plan beraamd had. Misschien rekende hij er gewoon op dat de Tsurani dicht in de buurt van hun vuren bleven en dat er nu, midden in de winter, niet al te veel soldaten op de been waren. Voor zover hij had gehoord was er sinds de eerste hevige sneeuwval deze winter niet veel gevochten tussen de Tsurani en de troepen van de Vrije Steden en het Koninkrijk.
Dirk sjokte in de richting van het vuur.
Na lange tijd bereikte hij eindelijk een plek vanwaar hij een glimp kon opvangen van het terrein rond het vuur. Langzaam, zo zacht als hij kon, kroop Dirk naderbij. Hij zag één man die zat te rusten op de slee terwijl hij zijn handen warmde aan het vuur. Drogan moest ervan overtuigd zijn dat hij niet gevolgd werd, want hij had absoluut geen moeite gedaan zich te verbergen. Aan zijn voeten lag Anika, opgerold in een stapel bontdekens. Dirk had het bont zelf ieder najaar uit de opslag gehaald en gelucht, dus hij wist dat het meisje goed beschermd was tegen de kou. Ze scheen te slapen; waarschijnlijk uitgeput van angst, dacht Dirk.
Dirk stond stil, opnieuw aan de grond genageld van angst. Hij had geen idee wat hij nu verder moest doen. Hij maakte zeker tien plannen om de moordenaar aan te vallen, maar verwierp ze allemaal meteen weer. Hij had geen idee hoe hij een getrainde krijger, een man die betaald werd om te vechten, zou moeten aanvallen.
Dirks voeten bevroren terwijl hij stilstond en keek hoe het vuur langzaam begon te doven. Drogan at en Dirk bleef nog altijd stilstaan. De kou, de wind, de honger en de angst werden zo groot dat hij bijna in tranen uitbarstte.
Toen gooide Drogan meer hout op het vuur en sloeg een deken om zich heen. Hij ging. op de grond liggen tussen de slee en Anika, die bewoog maar niet wakker werd. Hij ging slapen!
Dirk wist dat zijn enige kans om Anika te redden en het goud van Heer Paul terug te krijgen was om naar Drogan toe te sluipen en hem in zijn slaap te vermoorden. De daad zelf boezemde hem totaal geen afkeer in; Drogan had iedereen die Dirk had gekend sinds hij zijn huis en familie had verlaten om op het landgoed te gaan werken vermoord, in hun slaap, en hij verdiende geen betere dood dan zij. Dirk was alleen bang dat hij er niet in zou slagen de man te doden en hem misschien wakker zou maken.
Hij bewoog zijn benen en probeerde zijn bloedsomloop weer op gang te brengen voordat hij door de ijzige kou helemaal niet meer zou kunnen bewegen. Uiteindelijk dacht hij dat het veilig was dichter naar het kamp toe te gaan. Zijn benen waren stijf en hij kon niet goed ademhalen. Zijn hart bonkte als een bezetene en zijn handen trilden zo erg dat hij nauwelijks in staat was het zware mes onder zijn jas vandaan te halen.
Plotseling voelde de vertrouwde handgreep vreemd aan en leek niet gemakkelijk in zijn hand te willen liggen. Hij kroop naar voren en probeerde zijn paniek de baas te blijven.
Hij stopte aan de andere kant van de slee, onzeker vanaf welke kant hij de man moest naderen. Hij besloot dat hij op Drogans hoofd af zou gaan.
Dirk hield het mes hoog boven zijn hoofd, kroop langzaam achter de slee langs en probeerde voorzichtig te bewegen en zo min mogelijk geluid te maken. Toen hij nog geen meter van hem vandaan was, bewoog Drogan plotseling. Hij trok zijn deken over zijn schouders en nestelde zich dichter tegen Anika aan, die niet bewoog.
De angst overspoelde Dirk. Hij wist dat het nu of nooit was. Hij liet het mes met kracht neerdalen en voelde hoe de punt diep in de schouder van de moordenaar drong.
Drogan gilde het uit van de pijn en kromp in elkaar met zoveel kracht dat hij bijna het mes uit Dirks hand rukte. Dirk trok het mes terug en stootte nogmaals toen Drogan probeerde overeind te komen. Weer drong de punt diep in zijn schouder en hij schreeuwde van de pijn.
Anika werd met een schreeuw wakker, schopte de bontdekens van zich af en sprong overeind. Ze draaide zich om en probeerde te vatten wat er allemaal gebeurde. Dirk trok het mes weer naar buiten en zette zich schrap om nogmaals toe te steken, maar Drogan sprong overeind en stootte met zijn schouder tegen Dirk, die opzij viel.
Dirk rolde op de grond en Drogan sprong boven op zijn borstkas. Hij haalde uit om de jongen een mep te verkopen. 'Jij!' riep hij uit toen het zwakke licht van het bijna gedoofde vuur op het gezicht van de jongen viel en hij hem herkende. Drogan aarzelde.
Dirk sloeg toe met zijn mes en raakte Drogan in zijn gezicht. De wond was diep. Drogan sloeg achterover, met zijn handen op zijn wang, en gilde van de pijn. Dirk reageerde zonder erbij na te denken. Hij duwde het mes met grote kracht naar binnen, Drogans lichaam in, net onder zijn ribben.
Even torende Drogan hoog boven Dirk uit. In het zwakke licht zag Dirk hoe Drogans ogen zich wijd opensperden van verbazing. Zijn linkerhand, die omhoog was gegaan naar zijn wang, viel doelloos naar beneden. Met zijn rechterhand greep hij Dirks tuniek, alsof hij de jongen overeind wilde trekken om hem iets te vragen. Toen viel hij langzaam achterover. Hij bleef Dirks jas vasthouden, waardoor hij de jongen eerst overeind trok en toen naar voren.
Dirks benen zaten vast onder het lichaam van Drogan en hij werd gedwongen zich voorover te buigen.
Buiten zichzelf van angst probeerde Dirk zijn jas los te trekken uit de greep van de man. Hij viel achterover en voelde een stekende, brandende pijn in zijn zij. Hij zag het lemmet van het mes uit zijn jas steken en zijn hoofd tolde. Met zijn ellebogen trok hij zichzelf achteruit zodat zijn benen onder het gewicht van Drogan uit kwamen. Vaag was hij zich bewust van een snikkende stem die uitriep: 'Nee, o nee!' Dirk voelde zich alsof hij in een mist bewoog toen hij zich vooroverboog en het mes uit Drogans lichaam trok. Hij draaide zich om toen hij de stem van het meisje nogmaals 'nee!' hoorde schreeuwen.
'Je hebt hem vermoord!' riep Anika terwijl ze op Dirk afliep.
De gedesoriënteerde jongen stond stil, onzeker van wat er nu precies allemaal gebeurde. Zijn hoofd leek te zwemmen in een zee van pijn en hij probeerde zijn blik scherp te stellen. 'Ik...' begon hij, maar het leek wel of het meisje hem aan wilde vliegen.
'Jij hebt hem vermoord!' schreeuwde ze nogmaals terwijl ze zich op hem wierp. Hij deed een stap achteruit, waarbij hij met zijn hiel tegen Drogans lijk stootte en achterover viel. Het meisje viel boven op hem.
Ze landde met een smak boven op Dirk. Haar ogen sperden zich wijd open van schrik. Ze duwde zichzelf omhoog en keek naar beneden, naar de plaats tussen hun twee lichamen.
Dirk volgde haar blik en zag het mes dat hij nog altijd in zijn hand had. Anika had zichzelf aan zijn mes geregen. Haar gezicht nam een uitdrukking van opperste verwarring aan en ze staarde naar zijn gezicht. Uiteindelijk zei ze zachtjes: 'De houtjongen?'
Ze viel voorover, boven op Dirk. Hij duwde haar opzij, maar liet haar niet los. Hij liet zich in de sneeuw zakken, met het meisje in zijn armen. Ze keek omhoog naar de hemel. Haar ogen werden glazig en met een teder gebaar sloot hij ze.
Toen voelde Dirk nogmaals de scherpe, stekende pijn in zijn zij en voelde de gal opstijgen in zijn keel toen hij besefte dat hij zich op de een of andere manier verwond had. Hij raakte de wond aan en de pijn schoot door zijn hele lijf. Zijn blik werd wazig. Hij wist dat hij zich niet zou kunnen bewegen zolang het mes in zijn zij stak en hij greep nogmaals naar de handgreep, raapte al zijn moed bijeen en trok het mes uit zijn zij. Hij gilde het uit van de pijn, maar die zakte onmiddellijk. Wat overbleef was een kloppende, zeurderige pijn, maar wel een pijn die hem niet langer het gevoel gaf dat hij op sterven lag. Langzaam stond hij op en keek neer op het meisje.
Toen viel hij flauw.
Borric vroeg: 'Dus ze heeft hem geholpen haar vader en de anderen te vermoorden ?'
'Dat denk ik niet, mijn heer.' Verdrietig zei Dirk: 'Ik denk dat Drogan haar voor de gek gehouden heeft, haar heeft overgehaald met hem weg te lopen zodat zij hem het geheim van haar vaders verborgen goud zou vertellen. Ze was een onschuldig jong meisje en hij was een losbol van wie bekend was dat hij al vele meisjes het hoofd op hol had gebracht. Hij heeft iedereen vermoord zonder haar wakker te maken, toen heeft hij haar in die bontdekens gewikkeld en naar de slee gedragen, zodat ze niets zou zien. Als ze eenmaal uit de Vrije Steden weg waren, zou ze er waarschijnlijk nooit achter zijn gekomen.' Hij zag eruit alsof hij elk moment in huilen uit kon barsten toen hij zei: 'In haar angst viel ze boven op me. Ze kan niet geweten hebben wat er thuis gebeurd is, anders zou ze nooit zo van streek geweest zijn over de dood van Drogan, dat weet ik zeker. Haar dood was een ongeluk, maar het was mijn schuld.'
'Jongen, jou treft totaal geen blaam. Het was, zoals je al zei, een ongeluk.' Borric dacht een moment na en knikte toen. 'Ja, het is beter om er op die manier aan te denken. Zeg eens, jongen, waarom ben je hierheen gekomen?'
'Ik wist niet wat ik anders zou moeten doen. Ik dacht dat als Drogan hierheen wilde, ik dat dan ook maar zou doen. Ik wist dat de Tsurani het goud van mijn meester in beslag zouden nemen en het was meer dan waarschijnlijk dat ze mij op zouden hangen... Ik kon niets anders bedenken.'
'Je hebt de juiste beslissing genomen,' zei Borric.
Dirk zette de beker neer en zei: 'Dat was lekker. Dank u, heer.' Hij maakte een onverhoedse beweging en kromp in elkaar.
'Zijn je wonden nog steeds open?'
'Ik heb ze zo goed als ik kon dichtgebonden, heer.'
Borric riep een bediende en droeg hem op de jongen naar de tent van de geneesheer te brengen om zijn verwondingen te laten verzorgen.
Nadat Dirk de tent had verlaten zei de kapitein: 'Dat was me het verhaal wel, Excellentie.'
Borric was het met hem eens. 'De jongen heeft bijzonder veel moed.'
'Wist het meisje ervan?' vroeg de kapitein.
'Natuurlijk wist ze ervan,' zei Borric. 'Ik heb Paul van Witte Heuvel goed gekend; ik heb via mijn afgezanten in Bordon, Talbot en Kilrane zaken met hem gedaan. Ik heb hem thuis bezocht en hij is in Schreiborg geweest. En zijn dochter kende ik ook.'
Borric zuchtte, alsof zijn gedachten hem vermoeiden. 'Ze is even oud als mijn Carlina. En ze zijn zo verschillend als kinderen maar zijn kunnen. Anika was een geboren bedriegster.' Borric zuchtte. 'Ik twijfel er niet aan dat zij degene was die dit plan heeft bedacht, hoewel we nooit zullen weten of ze de moorden ook voorzien heeft; misschien heeft ze alleen maar aan de lijfwacht voorgesteld het goud te stelen en samen te vluchten. Met haar vader achter de Tsurani-linies en het goud in haar bezit had ze een behoorlijk belangrijke positie in kunnen nemen in Krondor of zelfs in Rillanon. Ze had de lijfwacht zonder veel moeite af kunnen schudden; tenslotte kon hij niemand vertellen wat zijn aandeel was geweest in deze hele zaak, nietwaar? Als het nieuws van de slachtpartij ons al had bereikt, zouden wij waarschijnlijk aangenomen hebben dat de Tsurani om de een of andere reden het hele huishouden vermoord hadden.'
Borric zuchtte en zweeg. Toen zei hij: 'Diep in mijn botten weet ik zeker dat het meisje achter dit alles heeft gezeten... maar we zullen het nooit zeker weten.'
'Nee, Excellentie,' stemde de kapitein in. 'Wat doen we met de lichamen?'
'Begraven. We kunnen het meisje op geen enkele manier terugsturen naar haar familie in Walinor.'
De kapitein zei: 'Ik zal een paar mannen opdracht geven te gaan graven. Het zal wel even duren voor we door de bevroren grond heen zijn.' Toen vroeg hij: 'Wat doen we met het goud?'
Borric zei: 'We nemen het in beslag. De Tsurani zouden het anders toch gestolen hebben en we hebben een leger te voeden. Stuur het onder bewaking naar Brucal in LaReu.' Hij zweeg even en zei toen: 'Stuur de jongen maar mee. Ik zal Brucal een brief schrijven en hem vragen om ergens op het hoofdkantoor werk voor hem te vinden. Hij is vindingrijk en zoals hij zelf al zei, kan hij nergens meer heen.'
'Komt in orde, Excellentie.'
Toen de kapitein zich omdraaide om te vertrekken zei Borric: 'En nog iets, kapitein...'
'Jawel, Excellentie?'
'Hou wat ik gezegd heb maar voor je. De jongen hoeft het niet te weten.'
'Zoals u wilt, Excellentie,' zei de kapitein en hij vertrok.
Borric ging voorover zitten en probeerde zijn aandacht op de lopende zaken te richten, maar zijn gedachten bleven terugkeren naar het verhaal van de jongen. Hij probeerde zich voor te stellen hoe Dirk zich gevoeld moest hebben, alleen, met geen enkel wapen behalve een keukenmes, en doodsbang. Hij was een getraind soldaat en was dat al bijna zijn hele leven, maar hij herinnerde zich nog goed hoe het was om onzeker en jong te zijn. Hij herkende de daad van de jongen voor wat die was: een ongewone, zeldzame, heldhaftige actie. Het beeld van een verliefde, bange jongen die midden in de nacht door de sneeuw sjokte om af te rekenen met een moordenaar en een jongedame te redden bleef de hertog door het hoofd spoken. Hij besloot dat het maar beter was als de jongen die ene kleine illusie over het meisje waar hij van gehouden had zou mogen bewaren. Dat was wel het minste dat hij had verdiend.