[5]
[Inhoud]
Ornament

XXXV.

De kleermaker in den hemel.

Het gebeurde eens op een mooien dag, dat de lieve God zich in den Hemeltuin een beetje wilde vertreden; hij nam alle apostels en heiligen meê, en niemand bleef meer in den Hemel, dan de heilige Petrus alléén. De Heer had hem bevolen, in zijn afwezigheid niemand binnen te laten, en Petrus stond dus aan de deur en hield de wacht. Na een poosje werd er geklopt. Petrus vroeg: »wie is daar? en wat wil je?« En een schrille stem antwoordde: »ik ben een arme, eerlijke kleermaker, die vraagt om binnen gelaten te worden.«

»Jawel, eerlijk!« zei Petrus, »zooals de dief aan den galg! Je hebt lange vingers gemaakt en de menschen hun goed verdonkeremaand; je komt niet in den Hemel; de Heer heeft mij verboden iemand binnen te laten terwijl Hij weg is.« »Wees toch barmhartig!« riep de kleermaker; »ik hink en ik heb blaaren aan mijn voeten van den langen weg hierheen, ik kon onmogelijk weer omkeeren! laat mij toch [6]binnen; ik zal al het nare werk doen: ik zal de kinderen dragen, de luiers spoelen, de banken waar ze op gespeeld hebben weêr schoonmaken, en hun gescheurde kleêren verstellen.« De heilige Petrus kreeg meêlijden en deed voor den manken kleermaker de deur open, juist zóóver dat hij er met zijn scharminkelige lijf net door kon kruipen. Hij moest in een hoekje achter de deur gaan zitten en zich heel koest houden, dat onze lieve Heer hem, als Hij terugkwam, niet zou merken, en boos worden. De kleermaker deed wat hem gezegd werd; maar toen de heilige Petrus even naar buiten ging, stond hij op en ging nieuwsgierig in alle hoeken en gaten van den Hemel rondkijken om het terrein op te nemen. Zoo kwam hij op een plein; daar stonden een heeleboel mooie en kostbare stoelen, en in het midden een geheel gouden zetel, die met schitterende edelsteenen was bezet. Hij was ook veel hooger dan de andere stoelen, en er stond een gouden voetebankje voor. Dat was de stoel waarop onze Heer zat als Hij thuis was, en van waar Hij alles zien kon wat er op aarde voorviel. De kleermaker bleef een heelen tijd naar den stoel staan kijken, want die beviel hem nog veel beter dan al het andere. Eindelijk kon hij zijn neuswijsheid niet meer betoomen en klom op den stoel en ging er op zitten. Toen zag hij alles wat op aarde gebeurde, en hij bemerkte een oude, leelijke vrouw, die bij een beek stond te wasschen en stilletjes twee doeken op zij legde. De kleermaker maakte zich daarover zóó woedend dat hij het gouden voetebankje oppakte, en het naar de aarde smeet, naar de oude diefegge. Maar hij kon het bankje niet meer terug halen, en daarom sloop hij stilletjes van den stoel weg en ging weer op zijn plaatsje achter de deur zitten, met een onnoozel bakkes. [7]

Toen onze Heer en Meester nu met zijn hemelsch gevolg weer terugkwam, merkte Hij wel niets van den kleermaker achter de deur, maar toen Hij zich op Zijn troon zette, miste hij het voetebankje. Hij vroeg aan den heiligen Petrus, waar toch het voetebankje was, maar die wist het niet. Toen vroeg hij of Petrus iemand had binnengelaten.

»Ik weet niemand,« zei Petrus, »die hier geweest is, behalve een manke kleermaker, die nog achter de deur zit.« Toen liet de Heer den kleermaker voor zich komen, en vroeg hem of hij het bankje had weggenomen, en wat hij er mee gedaan had.

»O, Heer!« riep de kleermaker verheugd, »ik heb het in boosheid naar de aarde naar een oud wijf gesmeten, die ik bij het wasschen twee doeken zag stelen.«

»O, jou oolekert!« zei de Heer, »als ik wou recht doen, zooals jij recht deed, wat denk je dan, dat er gebeurd zou zijn? Dan had ik al lang geen stoelen en banken en voetebankjes, niet eens een oude pook of tang meer, want alles zou naar de zondaars zijn gegooid. Nu kun je niet meer in den Hemel blijven, maar moet de poort weer uit en zien waar je terecht komt. Hier zal niemand straffen, dan ik de Heer, alléén!«

Petrus moest den kleermaker weer uit den Hemel brengen, en omdat zijn schoenen waren stuk geloopen, en zijn voeten vol blaâren, nam hij een stok in de hand, en ging naar wachteenbeetje waar de brave soldaten zitten en pleizier maken.

Ornament.

[8]

[Inhoud]

XXXVI.

Tafeltje dek je, Goudezel, en Knuppel uit de zak.

Lange jaren geleden, was er een kleermaker, die drie zoons had, en maar één enkele geit. Maar die geit die hen allemaal met haar melk moest onderhouden, had goed voeder noodig en werd alle dag naar buiten gebracht om te grazen; dat deden de zoons om de beurt. Eens bracht de oudste haar op het kerkhof, waar gras en kruid zoo welig groeide, en liet haar daar grazen en rondspringen. ’s Avonds toen het tijd was om naar huis te gaan vroeg hij:

»Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:

»Ik ben zoo zat,

Ik lust geen blad,—mè, mè!«

»Kom dan maar meê naar huis,« zei de jongen, nam haar aan het touw, en bracht haar naar den stal, daar bond hij haar vast. »Wel,« zei de oude kleermaker, »heeft de geit genoeg voêr gehad?« [9]»O,« zei de zoon, »die is zoo zat, ze lust geen blad!« Maar de vader wôu zichzelf overtuigen, en ging naar den stal; hij aaide het lieve dier, en vroeg: »Geitje, ben je zat?« De geit antwoordde:

»Ik ben niet zat,

’k Heb niets gehad,

Ik sprong maar op de graven rond,

Waar ik geen enkel blaadje vond—mè, mè!«

»Wat moet ik hooren!« riep de kleermaker, en hij liep naar den jongen: »jou leugenaar, je hebt haar honger laten lijden!« en in zijn boosheid nam hij de el van den spijker, en joeg den jongen het huis uit.

Den volgenden dag was het de beurt van den tweeden zoon; hij zocht een plaats op, waar veel gras en kruiden groeiden, en de geit vrat de heele plek glad af. ’s Avonds toen hij naar huis woû, zei hij: »Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:

»Ik ben zoo zat,

Ik lust geen blad—mè, mè!«

»Kom dan maar meê,« zei de jongen, en hij leidde haar naar huis en bond haar in den stal vast. »Wel,« zei de oude kleermaker, »heeft de geit genoeg te eten gehad?« »O,« zei de zoon, »die is zoo zat, zij lust geen blad.« Maar de kleermaker wilde het daar niet op aan laten komen, ging naar den stal en vroeg: »Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:

»Ik ben niet zat,

’k Heb niets gehad,

Ik sprong maar op de graven rond,

Waar ik geen enkel blaadje vond—mè, mè!«

[10]

»Die goddelooze booswicht!« schreeuwde de kleermaker, »zoo’n braaf dier te laten verhongeren!« Hij liep naar boven en ranselde den jongen met de el het huis uit.

Nu kwam de beurt aan den derden zoon; die woû eens erg zijn best doen, en zocht struiken op, met malsch frisch groen, en daar liet hij de geit van eten. ’s Avonds toen hij naar huis wilde, vroeg hij: »Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:

»Ik ben zoo zat,

Ik lust geen blad—mè, mè!«

»Kom dan maar meê naar huis,« zei de jongen, bracht haar naar den stal en bond haar vast. »Wel,« zei de oude kleermaker, »heeft de geit genoeg gehad?« »O,« zei de zoon, »die is zoo zat, ze lust geen blad.«

De kleermaker vertrouwde de zaak niet, hij ging naar de geit en vroeg: »Geitje ben je wel zat?« Het boosaardige dier antwoordde:

»Ik ben niet zat,

’k Heb niets gehad

Ik sprong maar op de graven rond,

Waar ik geen enkel blaadje vond—mè, mè!«

»O, zulk boos gebroed!« riep de kleermaker, »de een nog gewetenloozer dan de andere. Jelui zult mij niet langer voor den gek houden!« en hij vloog woedend de trap op en striemde den armen jongen zoo geweldig met de el over den rug, dat hij het huis uitliep.

Nu was de oude kleermaker met de geit alléén. Den volgenden morgen ging hij in den stal, liefkoosde de geit en sprak: »Kom mijn lieve beestje, nu zal ik [11]je zelf laten grazen.« Hij nam haar aan het touw, en bracht haar bij groene hagen en bij alles wat geiten graâg hebben. »Zoo, nu kun je eens recht je genoegen eten,« zei hij, en liet haar weiden tot den avond. Toen vroeg hij: »Geitje ben je zat?« De geit antwoordde:

»Ik ben zoo zat,

Ik lust geen blad—mè, mè!«

»Kom dan maar meê naar huis,« zei de kleermaker, en hij bracht haar naar den stal en bond haar vast. Bij het heengaan keerde hij zich nog eens om en zei: »Nu heb je je toch eindelijk eens zat gegeten.« Maar de geit maakte het niet beter dan te voren en riep:

»Ik ben niet zat,

’k Heb niets gehad,

Ik sprong maar op de graven rond,

Waar ik geen enkel blaadje vond—mè, mè!«

Toen de kleermaker dat hoorde, schrikte hij en begreep, dat hij zijn drie zoons onschuldig verstooten had. »Wacht maar, ondankbaar schepsel!« riep hij, »wegjagen alléén is geen straf genoeg, ik zal je zóó teekenen, dat je je bij geen eerlijken kleermaker meer kunt laten zien,« en in een vaart liep hij de trap op, haalde zijn scheermes, zeepte de geit haar kop in en schoor dien zoo glad als zijn vlakke hand. En omdat de el nog te veel eer zou geweest zijn, haalde hij de zweep, en sloeg er zoo geducht op los, dat zij zich met groote sprongen wegmaakte.

Toen de kleermaker nu zoo eenzaam en verlaten thuis zat, verviel hij in groote treurigheid en had graâg zijn zonen weêr terug gehad, maar niemand wist, wat er van hen was geworden. De oudste was [12]bij een meubelmaker in de leer gegaan; hij werkte daar vlijtig, en toen zijn tijd om was, schonk zijn patroon hem een tafeltje, dat er heel gewoon uitzag en ook van geen bijzondere houtsoort gemaakt was; maar het had een goede eigenschap. Als men het neêrzette, en dan sprak »tafeltje dek je,« dan was het brave tafeltje op eens met een zuiver wit lakentje gedekt; er stond een bord op met mes en vork er naast, en zooveel schalen met gezoden en gebraden als er maar op konden. Ook fonkelde er een groot glas met rooden wijn, dat het je hart goed deed.

De jonge gezel dacht: »Daaraan heb ik voor mijn leven genoeg!« en hij trok vroolijk er mee de wereld rond; of een logement goed of slecht was, kwam er voor hem niet op aan, en als hij lust had bleef hij ook wel buiten op het veld of in een bosch; daar zette hij zijn tafeltje voor zich en zei: »tafeltje dek je« en dan had hij alles wat zijn hart begeerde. Ten laatste dacht hij dat hij naar zijn vader terug wilde gaan; de boosheid zou wel voorbij zijn en met zijn tafeltje zou hij zeker vriendelijk ontvangen worden. Nu gebeurde het, dat hij op weg naar huis ’s avonds in een logement kwam, dat overvol was van gasten; zij heetten hem welkom en noodigden hem zich bij hen te zetten en meê te eten, want anders zou hij moeite hebben nog iets te krijgen. »Neen,« zei de meubelmaker, »om dat beetje eten moeten wij elkaar niet aankijken, wees jelui liever mijn gasten.« Zij lachten en hielden hem voor een grappenmaker. Maar hij zette zijn houten tafeltje midden in de kamer en sprak: »tafeltje dek je.« Oogenblikkelijk was het met spijzen bezet, zoo lekker, dat de waard ze hem nooit zoo had kunnen voorzetten, en de heerlijke geur drong de gasten aangenaam in den neus. »Toegetast, lieve vrienden!« sprak de meubelmaker, [13]en toen zij zagen, dat het goed gemeend was, lieten zij zich geen tweede maal nooden, schoven bij, namen hunne messen en spraken alles dapper aan. Maar het meest verbaasde het hun, dat een leeggegeten schotel dadelijk weer met een volle verwisselde. De kastelein stond in een hoek toe te kijken; hij wist niet wat hij er van zeggen zou, maar hij dacht: »Zoo’n kok zou in mijn zaak goed te pas komen!«

De meubelmaker en zijn gezelschap waren vroolijk tot diep in den nacht, maar eindelijk legden zij zich toch te slapen; de jonge gezel ging ook naar bed, en zijn toovertafeltje zette hij tegen den muur. Doch de waard kon niet tot rust komen, hij dacht, dat hij op den rommelzolder een oud tafeltje staan had, dat er juist zoo uitzag; hij haalde het voor den dag en ruilde het voor het toovertafeltje. Den volgenden morgen betaalde de meubelmaker zijn nachtverblijf, nam zijn tafeltje en merkte niet, dat het een ander was; zoo ging hij op weg. ’s Middags kwam hij bij zijn vader aan, die hem met groote vreugde ontving! »Wel, lieve zoon, en wat heb je geleerd?« »Vader, ik ben meubelmaker geworden.« »Een goed handwerk,« zei de vader, »en wat heb je van je reis meêgebracht.« »Vader, het beste wat ik heb meêgebracht, is dit tafeltje.« De kleermaker bekeek het eerst en zei: »Dat is anders geen meesterstuk, het is een oud, slecht tafeltje.« »Maar het is een Tafeltje dek je,« zei de zoon, »als ik het neerzet en zeg dat het zich dekken moet, dan staan er in eens de heerlijkste gerechten op, en wijn er bij, dat het je hart verkwikt. Noodig alle familie en vrienden maar eens uit, dan kunnen zij zich heerlijk te goed doen, want het tafeltje verzadigt hen allemaal.« Toen nu het gezelschap bijeen was, zette hij het midden in de kamer, en zei »tafeltje dek je.« Maar er kwam geen beweging [14]in het tafeltje, het bleef zoo leeg als iedere andere tafel, die geen menschentaal verstaat. Toen begreep de arme gezel dat het tafeltje verruild was, en hij schaamde zich, dat hij daar voor leugenaar stond; de gasten lachten hem uit en ongegeten en ongedronken moest men weêr naar huis. De vader haalde zijn lappen weêr voor den dag en snijderde verder, en de zoon moest een patroon zoeken.

De tweede zoon was bij een molenaar aangeland, en ging bij hem in de leer. Toen zijn jaren om waren, zei de baas: »Omdat je zoo goed je best gedaan hebt, krijg je een ezel van mij; maar een bijzondere ezel, hij trekt niet voor den wagen en draagt geen zakken.« »Maar waar is hij dan goed voor?« zei de jongen. »Hij spuwt goud,« antwoordde de molenaar; »als je een doek onder hem uitspreidt en je zegt: »Brikklebrit,« dan spuwt het brave dier goudstukken uit, van voren en van achteren. »Dat is een goed ding!« zei de jongen; hij bedankte zijn baas en trok de wereld in. Als hij geld noodig had, dan zei hij »brikklebrit,« tegen zijn ezel en het regende goudstukken; alles wat hij dan nog te doen had was ze op te rapen. Waar hij kwam was het beste hem pas goed genoeg, en hoe duurder hoe liever zelfs, want hij had altijd een vollen buidel.

Toen hij een tijdje in de wereld had rondgekeken, dacht hij: »ik moet nu mijn vader gaan opzoeken, boos zal hij wel niet meer zijn en met mijn ezeltje zal hij mij zeker goed ontvangen.«

Op zijn weg naar huis, gebeurde het, dat hij zijn intrek nam in hetzelfde logement, waar het tafeltje van zijn broer verruild was. Hij leidde zijn ezel aan de hand en de kastelein wilde het dier van hem afnemen en naar den stal brengen; maar de jonge gezel sprak: »Doe geen moeite, ik zal mijn ijzer-schimmel wel zelf wegbrengen en vastbinden, want [15]ik moet weten, wat er met hem gebeurt.« Dat vond de waard vreemd, en hij dacht, iemand, die zelf voor zijn ezel wou zorgen, zou wel niet veel te verteren hebben; maar toen de vreemde een paar goudstukken uit zijn zak haalde, en verzocht daar wat goeds voor zijn avondmaal voor in te slaan, zette hij groote oogen op, en ging zelf om het beste te halen, wat er te krijgen was. Na den maaltijd vroeg de gast wat hij schuldig was; de kastelein schreef met dubbel krijt, en zei, dat er nog een paar goudstukken bij moesten. De jongen greep in zijn zak, maar zijn goudstukken waren op. »Wacht een oogenblikje, kastelein,« zei hij, »ik zal even geld gaan halen,« en hij ging, maar nam het tafellaken meê. Daar begreep de waard niets van, en hij sloop hem nieuwsgierig achterna. De gast had de staldeur gegrendeld, en daarom keek hij door een reet. De vreemde spreidde het tafellaken onder den ezel en riep: »Brikklebrit!« en oogenblikkelijk begon den ezel goud te spuwen, van voren en van achteren, dat het wel een regen van goud leek. »Te deksel!« dacht de waard, »dat goud wordt vlug gemunt! Zoo’n geldbuidel was nog eens de moeite waard.«

De gast betaalde de rekening en legde zich te slapen, maar de kastelein ging ’s nachts stilletjes in den stal, bracht den muntmeester weg en bond een anderen ezel in zijn plaats vast. Den volgenden ochtend in de vroegte, trok de gezel met zijn ezel af en dacht, dat hij zijn goudezel had. ’s Middags kwam hij bij zijn vader aan; die was blij hem terug te zien en nam hem gaarne op. »Wat ben je wel geworden, lieve zoon?« vroeg de oude. »Een molenaar, vader.« »En wat heb je van je reis meegebracht?« »Niets anders dan een ezel.« »Ezels zijn hier genoeg,« zei de vader, »dan had ik toch nog liever een flinke geit gehad.« »Ja,« zei de zoon, »maar het is geen gewone ezel, het [16]is een goudezel; als ik zeg: »brikklebrit,« dan spuwt het goede dier een heel laken vol met goudstukken; laat al de familie maar bij elkaar roepen, dan maak ik ze allemaal rijk.«

»Daar ben ik voor te vinden,« zei de kleermaker, »dan heb ik mij met de naald niet meer af te tobben,« en hij sprong op, en ging zelf de familie bij elkaar roepen. Toen ze allen bijeen waren, zei de molenaar hun ruimte te maken; hij spreidde zijn laken uit en bracht den ezel in de kamer.

»Let nu op,« zei hij; »brikklebrit!« maar wat er viel leek niets op goudstukken, en het bleek, dat het dier niet in die kunst thuis was; zoo ver kon iedere ezel het ook niet brengen. Toen zette de arme molenaar een lang gezicht en begreep dat hij bedrogen was; en hij vroeg excuus aan zijn familieleden, die even arm weêr weg gingen als zij gekomen waren. En er zat niets anders op, dan dat de oude de naald weêr ter hand nam en de jongen zich bij een molenaar verhuurde.

De derde broer was bij een draaier in de leer gegaan, en omdat dat een kunstig handwerk is, moest hij het langste leeren. Zijn broers berichtten hem in een brief hoe slecht het hun gegaan was, en hoe nog den laatsten avond de kastelein hen hun mooie tooverdingen afhandig had gemaakt. Toen de draaier nu uitgeleerd was en zou gaan reizen, gaf hem zijn patroon omdat hij zich zoo goed gehouden had, een zak en zei: »er zit een knuppel in.« »De zak kan ik omhangen, en daar kon ik vrij wel dienst van hebben, maar die knuppel, wat moet die, die verzwaart hem maar?«

»Dat zal ik je zeggen,« zei de baas, »als iemand je kwaad gedaan heeft, dan zeg je maar: »Knuppel uit de zak!« dan springt de knuppel er uit en danst de luitjes zoo lekker over hun rug, dat zij zich in geen acht dagen bewegen kunnen, en eerder houdt [17]hij niet op, voordat je zegt: »Knuppel in de zak.« De gezel bedankte, hing de zak om, en als iemand hem te na kwam of te lijf wilde, dan sprak hij: »Knuppel uit de zak!« en dadelijk sprong de knuppel er uit en klopte den een na den ander zijn jas of buis op den rug uit, zonder af te wachten, dat hij hem eerst uittrok, en dat ging zoo vlug, dat men al aan de beurt was als men dacht, dat het rijtje pas begon. De jonge draaiersgezel kwam ook tegen den avond in hetzelfde logement waar zijn broêrs bedrogen waren geworden. Hij legde zijn ransel voor zich op tafel en begon te vertellen wat hij al voor merkwaardigs in de wereld gezien had.

»Ja,« zei hij, »men ziet wel eens een »tafeltje dek je,« en een »goudezel« en zoo, en dat zijn dingen, die ik in het geheel niet veracht, maar de schat, dien ik verkregen heb en in die zak meedraag, daar halen ze toch niet bij!« De kastelein spitste zijn ooren, »jongens, wat zou dàt wel zijn; die zak zit zeker vol edelgesteenten; die moet ik dan ook nog hebben, want alle goede dingen zijn drie.« Toen het bedtijd was, legde de gast zich op de bank, met de zak onder zijn hoofd voor kussen. De waard wachtte tot hij hem in diepen slaap dacht, en toen begon hij heel voorzichtig aan de zak te trekken, om hem zoo weg te halen en er dan een andere voor in de plaats te leggen.

Maar dáár had de draaier juist op liggen wachten, en toen de waard een flinken ruk aan de zak wou doen, riep hij: »Knuppel uit de zak!« Fluks kwam het knuppeltje er uit en den waard op het lijf, en veegde hem den mantel uit, dat het zoo’n aard had.

De waard riep om genade, maar hoe harder hij schreeuwde hoe harder de knuppel de maat op zijn rug sloeg, totdat hij eindelijk van uitputting neêrviel. Toen zei de draaier: »als je niet dadelijk het »tafeltje [18]dek je« en de »goudezel« terug geeft, zal de dans weêr van nieuws beginnen.« »Ach, neen,« riep de kastelein heel benauwd, »ik geef alles graag weêr terug, als dat duivelsding maar weêr in zijn zak kruipt!« Toen sprak de gezel: »ik zal genade voor recht geven, maar neem je in acht!« toen riep hij: »Knuppel in de zak!« en liet hem met rust.

Den volgenden morgen toog de draaier met tafeltje dek je en de goudezel naar zijn vader. De kleermaker verheugde zich, dat hij hem terug zag, en vroeg wat hij in den vreemde geleerd had. »Lieve vader,« zei hij, »ik ben een draaier geworden.« »Dat is een kunstig vak!« zei de vader, »en wat heb je van je reis meegebracht?« »Een kostbaar stuk lieve vader, een knuppel uit de zak!«

»Wat!« riep de vader, »een knuppel! dat is wel de moeite waard! Die kun je van den eersten den besten boom hakken.« »Maar zoo een niet, vader! Als ik zeg: »knuppel uit de zak!« dan springt hij er uit en met wien het niet goed met mij meent wordt een leelijk dansje uitgevoerd, en dat houdt niet op, voor hij op den grond ligt en mooi weêr speelt. Kijk vader, met dien knuppel heb ik het tafeltje-dek-je en den goudezel terug gekregen, die die schurk van een waard mijn broers ontfutseld had. Laat hen nu allebei roepen, en ook al de familie, ik zal ze allemaal te eten geven en hun zakken met goud vullen.« De oude kleermaker wou er nog niet recht aan gelooven, maar hij riep toch de familie bij elkaâr. Toen spreidde de draaier een laken uit in de kamer en leidde den goudezel binnen, en hij zei tegen zijn broeder: »kom, lieve broer spreek tegen hem!« De molenaar zei: »brikklebrit,« en oogenblikkelijk sprongen de goudstukken als een hagelbui op het laken, en de ezel hield niet op, voor zij allemaal zooveel hadden als [19]zij maar dragen konden (ik zie aan je gezicht dat je er wel bij had willen zijn). Toen haalde de draaier het tafeltje en zei: »lieve broêr, spreek er nu eens tegen!« En nauwelijks had de meubelmaker »tafeltje dek je« gezegd of het was gedekt en met de heerlijkste schotels bezet. En toen werd er een maaltijd gehouden zooals de kleermaker er nooit een in zijn huis beleefd had, en het heele gezelschap bleef bijeen tot laat in den nacht, en ze waren allemaal lustig en vergenoegd. De kleermaker sloot garen en naalden, el en strijkijzer in de kast en leefde met zijn drie zonen in weelde en vreugde.

Maar waar is de geit gebleven, die de schuld was, dat de kleermaker zijn drie zonen uit zijn huis joeg? Dat zal ik je zeggen. Zij schaamde zich, dat zij een kalen kop had, en verstopte zich in een vossenhol. Toen de vos thuis kwam gloeiden hem een paar groote oogen uit het donker aan, zoodat hij schrikte en weêr wegliep. De beer kwam hem tegen, en vond, dat de vos er erg onthutst uit zag. Daarom vroeg hij: »Wat is er broeder vos, wat zet je voor een gezicht?« »Ach,« zei de vos, »er zit een grimmig dier in mijn hol, een gloeiend met vurige oogen!« »Die zullen wij er wel uit krijgen,« zei de beer; hij ging meê naar het hol, en keek naar binnen; maar toen hij de vurige oogen zag, werd het hem ook te warm; hij moest van het grimmige dier niets hebben, en pakte gauw zijn biezen. Hij ontmoette de bij en toen die merkte, dat hij zich in zijn huid niet erg thuis voelde, zei ze: »Beer, wat zet je een lang gezicht, waar is je joligheid gebleven?«

»Je hebt goed praten,« zei de beer; »er zit een grimmig dier met vurige oogen in den roode zijn hol, en wij kunnen hem er niet uit jagen!«

»Je bent een stumper, beer!« zei de bij, »ik ben maar een arm zwak ding, waar je overheên kijkt, [20]maar ik geloof toch dat ik je helpen kan.« Ze vloog in het vossenhol, zette zich op den kalen knikker van de geit, en stak haar zoo ongemakkelijk dat ze opsprong en »mè! mè!« riep, en toen holde zij als dol in de wereld rond, en er is niemand die zeggen kan waar ze heêngeloopen is.

Ornament.

[21]

[Inhoud]
Ornament

XXXVII.

Duimpje.

Er was eens een arme boer; hij zat ’s avonds bij den haard en pookte in het vuur en de vrouw zat te spinnen. Toen zei de man: »wat is het toch droevig, dat wij geen kinderen hebben; het is zoo stil bij ons in huis, en bij anderen is het altijd zoo druk en vroolijk.« »Ja,« zeide de vrouw, en ze zuchtte, »al hadden wij er maar één, en al was het nóg zoo klein, al was het niet grooter dan een duim, dan zou ik al tevreden zijn, en wij zouden het hartelijk liefhebben.« Nu gebeurde het, dat de vrouw ziekelijk werd, en na zeven maanden kreeg zij een kindje; het was gaaf en gezond, maar niet langer dan een duim. Toen zeiden zij: »het is als wij gewenscht hebben, en het zal ons lieve kind zijn!« en om zijn klein postuur noemden zij het: »Duimpje.« Het werd goed verzorgd, maar het kind groeide niet en bleef altijd zoo klein als toen het geboren werd, het keek echter heel verstandig uit zijn oogen en toonde zich een vlug en handig ding, dat geluk had in alles wat het begon. [22]

De vader maakte zich eens klaar om naar het bosch te gaan en hout te hakken, toen zei hij zoo in zich zelf: »nu wou ik, dat ik iemand had om mij met een wagen achterna te komen.« »O, vader!« riep Duimpje, »den wagen zal ik wel brengen, hij zal op den bepaalden tijd in het bosch zijn, reken daar maar vast op.« De man begon te lachen; »hoe zou dat moeten gaan, je bent veel te klein om het paard aan den toom te houden.« »Dat hindert niet vader, als moeder maar aan wil spannen, dan kruip ik in het paard zijn oor en zeg hem hoe hij gaan moet.« »Nu,« zei de vader, »wij zullen het eens probeeren.«

Toen het tijd was, spande de moeder het paard aan en zette Duimpje in zijn oor, en het kleine ding riep tegen het paard hoe hij gaan moest, hot! hu! Het ging heel ordelijk, als bij een echten baas en de wagen reed recht den weg naar het bosch. Nu gebeurde het, dat Duimpje »hu!« riep, bij een draai van den weg, toen er juist twee mannen aankwamen. »Wat is dàt?« zei de een, »daar gaat een wagen, en de voerman roept wat tegen het paard, en hij is nergens te zien.« »Dat is niet pluis!« zei de andere, »wij zullen de kar volgen en zien waar hij staan blijft.«

De wagen reed het bosch in tot op de plaats waar het hout gehakt werd. Toen Duimpje zijn vader zag, riep hij: »Kijk vader, daar ben ik al met den wagen, haal mij nu maar naar beneden.« De vader hield het paard met de linkerhand en haalde met de rechter zijn zoontje uit het oor. Duimpje ging vroolijk op een grashalm zitten schommelen. Toen de twee vreemde mannen het kereltje zagen, konden zij geen woord zeggen van verbazing; maar de eene trok den anderen op zij en sprak: »Met dat kleine baasje zou geld te verdienen zijn in de stad als wij hem lieten kijken; wij moeten hem zien te koopen.« Hij ging naar den [23]boer en zeide: »verkoop ons dat ventje, hij zal het goed bij ons hebben.« »Neen,« zei de vader, »dat is mijn hartelap, die is voor al het goud in de wereld niet te koop.« Maar Duimpje, die den handel had afgeluisterd, klom over de plooien van zijn vader’s jas naar boven, ging op zijn schouder zitten, en fluisterde in zijn oor: »Vader, doe het maar, ik kom wel weêr bij je terug.« Toen verkocht de vader hem voor een ronde som aan de twee mannen. »Waar wil je zitten?« vroegen zij. »O, zet mij maar op den rand van je hoed, daar kan ik op en neer wandelen en uitkijken, en ik val er toch niet af.« Zij gaven hem zijn zin, en toen Duimpje afscheid van zijn vader had genomen, gingen zij met hem weg. Zoo liepen zij met hem door, en toen het avond en schemer werd, zei de kleine: »zet mij eens even op den grond, het is noodig.« »Blijf maar boven,« zei die van wien de hoed was, »ik geef er niets om, de vogels laten er ook wel eens wat op vallen.« »Neen,« zei Duimpje, »ik weet heel goed wat mij past, zet mij maar gauw op den grond.«

De man nam zijn hoed af en zette het jongetje op een akker die aan den weg lag, hij sprong en kroop een beetje tusschen de kluiten en toen kroop hij op den weg in een mierengaatje, dat hij had uitgezocht. »Gegroet heeren! ga maar zonder mij naar huis!« riep hij en lachte hen uit. Zij kwamen aanloopen en prikten met stokken in het mierengat, maar dat was verloren moeite, Duimpje kroop al maar verder terug en toen het eindelijk heelemaal donker was, moesten zij nijdig en met een leege beurs naar huis. Toen Duimpje begreep, dat zij weg waren, kroop hij weêr uit zijn onderaardsche gang te voorschijn. »Het is hier op den akker gevaarlijk loopen in het duister,« dacht hij, »ik zou makkelijk mijn beenen of mijn hals kunnen [24]breken.« Gelukkig liep hij juist tegen een leeg slakkenhuis aan. »Goddank, nu ben ik van nacht ten minste veilig,« zei hij en kroop er in. Toen hij juist zou inslapen, hoorde hij twee mannen voorbijgaan. »Hoe leggen wij ’t nu aan om dien rijken dominé van zijn geld en zijn zilver af te helpen,« zei de een. »Dat kan ik je wel zeggen!« riep Duimpje. »Wat was dat?« zei de dief verschrikt, »ik hoorde iemand spreken.« Zij bleven staan luisteren, en Duimpje riep: »neem mij mee, dan zal ik je helpen.« »Waar ben je dan?« »Zoek maar hier op den grond, en let goed op waar de stem vandaan komt.«

De dieven vonden hem eindelijk en namen hem van den grond op. »Jij klein wicht, wat wou jij ons helpen!« »Kijk,« zei hij, »ik kruip tusschen de ijzeren staven door tot in dominé’s kamer, en geef jelui aan, wat je hebben wilt.« »Nu, goed dan, wij zullen eens zien wat je kunt.« Toen zij bij de pastorie waren, kroop Duimpje tusschen de staven door in huis; maar daar begon hij zoo hard als hij kon te schreeuwen. »Wou jelui alles hebben wat hier in is?« De dieven schrikten en zeiden: »Spreek toch zachtjes, dat ze niet wakker worden.« Maar Duimpje deed of hij ’t niet hoorde en schreeuwde weêr: »Wat wil jelui? Wil je alles hebben wat hier in is?« Daarvan werd de keukenmeid wakker, die in de kamer daar naast sliep, zij ging opzitten en luisterde. Maar de dieven waren van schrik een eind weggeloopen; na een poosje vatten zij weer moed en kwamen terug, zij meenden, dat het baasje hen een beetje plagen wou, en ze fluisterden naar binnen: »Kom maak nu geen gekheid, en geef gauw wat aan.« En Duimpje schreeuwde zoo hard als hij kon: »Ik zal je alles geven, steek je handen maar naar binnen.«

Dat hoorde de luisterende keukenmeid heel duidelijk, ze sprong uit bed en strompelde de kamer binnen. [25]De dieven liepen weg en renden of de dood hen op de hielen zat, en de meid, die niets merkte stak een kaars aan.

Toen zij met het licht terug kwam, maakte Duimpje gauw, dat hij wegkwam in de schuur. De meid doorzocht alle hoeken en gaten en toen zij niets vinden kon, dacht ze, dat ze met open oogen en ooren toch gedroomd had.

Duimpje was over de stroohalmen rond geklommen en had een goed plekje gevonden om te slapen. Hij woû daar blijven uitrusten tot het dag was en dan weêr naar zijn ouders gaan. Maar dat zou anders uitkomen; ja, de wereld is vol wisselvalligheden! De meid stond als gewoonlijk op omdat het vroeg dag was, en wilde het vee voederen. Haar eerste zorg was naar de schuur; daar pakte zij een arm vol hooi, en juist dat waar Duimpje in lag. Maar hij sliep zoo vast, dat hij niets merkte, en werd pas wakker, toen hij in den bek van de koe zat, die hem met het hooi had gegrepen. »Ach God hoe kom ik hier nu in!« Maar hij merkte gauw waar hij was. Nu was het oppassen, dat hij niet tusschen de tanden kwam en vermorseld werd, en toen moest hij nog meê naar beneden, naar de maag. »In dit kamertje zijn de raampjes vergeten,« zei hij, »en er schijnt geen vonk maan; een licht zal hier ook wel niet te krijgen zijn.« Het kwartier beviel hem in alle opzichten slecht, en het ergste was, dat er altijd maar meer hooi door het deurtje naar binnen kwam, en het plaatsje werd hoe langer hoe benauwder. Toen riep hij eindelijk in zijn angst zoo hard als hij maar kon: »Breng niet meer voêr, niet meer voêr!«

De meid was juist bezig de koe te melken en toen ze spreken hoorde en niemand zag, en de stem van ’s nachts herkende, tuimelde zij van schrik van haar [26]stoeltje, en morste al de melk. Zij liep haastig naar haar meester en riep:

»O, mijnheer de dominé, de koe kan spreken!« »Je bent niet wijs,« zei de dominé en ging zelf naar den stal om de zaak te onderzoeken. Maar hij had nog geen voet binnen of Duimpje riep: »Breng mij geen nieuw voêr!« Toen geloofde de dominé zelf ook, dat het een booze geest was, en liet de koe dood maken. Ze werd geslacht, maar de maag waarin Duimpje zat, werd op de mesthoop gegooid. Duimpje trachtte zich er uit te werken, en wurmde en wurmde tot hij eindelijk wat ruimte kreeg; maar toen hij juist zijn hoofd naar buiten wou steken, gebeurde er weêr een nieuw ongeluk. Er kwam een hongerige wolf voorbij en die slokte de heele maag in ééns in. Maar Duimpje gaf het niet op, »misschien valt er met dien wolf wel te praten,« dacht hij, en hij riep hem toe uit zijn eigen buik: »lieve wolf, ik weet een lekker hapje voor je!« »Waar is dat te krijgen?« vroeg de wolf. »Daar en daar, je moet door het riool naar binnen zien te komen, en dan zal je zooveel spek en worst en koek vinden als je maar bergen kunt;« en hij beschreef hem heel nauwkeurig zijn vader’s huis. De wolf had daar ooren naar, drong in den nacht door het riool en at in de provisiekamer, wat hij maar eten kon. Toen hij klaar was, wilde hij weêr terug, maar hij was nu te dik om er door te kunnen. Daar had Duimpje juist op gerekend, en begon nu in het lijf van de wolf geweldig te keer te gaan, roepen en schreeuwen zoo hard hij kon.

»Breng mij geen nieuw voêr!«

»Breng mij geen nieuw voêr!«

(Bladz. 26).

»Hou je mond toch,« zei de wolf; »je maakt de menschen wakker!« »Neen man,« zei ’t kleine ding, »jij hebt lekker gegeten, nu wil ik eens lekker pleizier maken,« en hij begon het misbaar weêr opnieuw. Daarvan werden zijn vader en moeder wakker, liepen [29]naar de provisiekamer en keken door een reet. Toen zij zagen, dat er een wolf in was, haalde de man de bijl en de vrouw de zeis. »Blijf jij achter,« zei de man, »en als ik hem een slag gegeven heb en hij is nog niet dood, dan kom jij en geeft hem een sneê in zijn lijf.« Duimpje hoorde de stem van zijn vader en riep: »lieve vader, ik ben hier, ik zit in den wolf zijn buik.« »Goddank,« riep de man heel verheugd, »ons lieve kind is weêr terecht,« en hij vroeg de vrouw, de zeis weg te zetten, dat Duimpje geen letsel zou krijgen. Daarop haalde hij uit en sloeg den wolf met één slag op zijn kop dood, en toen haalden zij een schaar en mes en sneden hem zijn buik open, en haalden het ventje er uit. »O,« zei de vader, »wat een zorg en angst hebben wij om je uitgestaan!« »Ja vader, ik heb heel wat in de wereld beleefd; goddank, dat ik weer wat frissche lucht krijg!« »Waar ben je dan toch geweest?« »Och vader, ik was in een muizengat, in een koeienmaag en in een wolfsbuik en nu blijf ik bij u.« »En voor geen schatten in de wereld verkoopen wij je weêr.« En ze pakten en kusten hun dierbare Duimpje, gaven hem te eten en te drinken, en lieten hem nieuwe kleêren maken, want de zijne waren van een slechte reis thuis gekomen.

Ornament.

[30]

[Inhoud]
Ornament

XXXVIII.

De bruiloft van vrouw Vos.

Eerste Sprookje.

Er was eens een oude vos met negen staarten, die meende, dat zijn vrouw hem niet trouw was, en daarom wilde hij haar eens op de proef stellen. Hij ging lang uit onder de bank liggen, en hield zich zoo dood als een pier. Vrouw vos ging naar haar slaapkamer, deed de deur op slot, en de meid juffer poes, zat bij het vuur en kookte. Toen het nu bekend werd, dat de oude vos gestorven was, begonnen de vrijers op te dagen. De meid hoorde eens, dat er aan de huisdeur geklopt werd; zij deed open, en er stond een jonge vos; hij sprak:

»Juffer poes wat doe je toch,

Ben je wakker of slaap je nog?«

zij antwoordde: [31]

»Slapen niet, ik ben niet moe,

Wil je weten wat ik doe?

Boter doe ’k in ’t warme bier,

Komt mijnheer te gast hier?«

»Dank u wel, juffer,« zei de vos, »wat doet vrouw Vos?« De meid antwoordde:

»Op haar kamer zit ze maar,

Met de handen in het haar,

En zij schreit haar oogen rood,

Want mijnheer de vos is dood.«

»Ga haar dan zeggen, juffer, dat er een jonge vos is, die graâg met haar trouwen woû.« »Goed jongeheer.»

Toen ging poesje trip, trap,

Sloeg de deuren klip, klap,

»Vrouw vos is u daar wel?«

»»Och ja, mijn poesjenel!««

»Een vrijer is gekomen,»

»»Heb j’m goed opgenomen?««

»Heeft hij ook wel negen zulke mooie pluimstaarten als mijn zalige heer Vos?« »O, neen,« zei het poesje, »hij heeft er maar één.« »Dan wil ik hem niet hebben.»

Juffer poes ging naar buiten en stuurde den vrijer de laan uit. Heel spoedig daarop werd er weêr geklopt; er was weêr een andere vos voor de deur, die om vrouw Vos kwam vrijen. Hij had twee staarten, maar het ging hem niet beter dan den eersten. Toen kwamen er weer anderen, ieder met een staart meer; zij werden allemaal afgewezen; maar eindelijk kwam er een, die had negen staarten precies zooals de zalige heer Vos. Toen de weduwe dat hoorde, zeide zij heel verheugd tegen het poesje: [32]

»Nu poorten en deuren opensluiten,

En smijt wij den ouden heer Vos naar buiten,«

Maar toen de bruiloft zou beginnen begon ook de oude heer Vos te bewegen, en strafte het heele zootje duchtig af; maar vrouw Vos joeg hij de deur uit.

Tweede Sprookje.

Toen de oude heer Vos dood was, kwam de wolf als vrijer en klopte aan de deur, en de kat die dienstmeisje was bij vrouw Vos, deed open. De wolf groette en zei:

»Dag vrouw poes van schuiermaar,

Zit je nu alléén daar?

Wat voor lekkers maak je klaar?«

De kat antwoordde:

»’k Drink mijn melk en bak mijn brood,

Is mijnheer te gast genood?«

»Dat niet juffer poes, is vrouw Vos niet thuis?«

»Zij zit op haar kamer in zorg en nood,

Want mijnheer de Vos is dood!«

De wolf antwoordde:

»Wil zij soms een anderen man,

Laat ze gauw maar komen dan.«

De kat liep op de trap,

Haar staartje ging: wip wip,

En haar oogjes gingen rond,[33]

Tot zij juffrouw Vos vond,

Zij klopte met haar vijf gouden ringen:

»Juffrouw vos is u daarbinnen?

Wil je soms een anderen man?

Gauw maar naar beneden dan!«

Vrouw Vos vroeg: »heeft hij een rood broekje aan, en een spits snoetje?« »Neen,« zei de kat. »Dan kan ik hem niet gebruiken.« Toen de wolf weggestuurd was, kwam er een hert, een haas, een beer, een leeuw en vele dieren de een voor den ander. Maar er ontbrak altijd een van de goede eigenschappen van den ouden heer Vos, en de kat moest iedere keer de vrijers weêr wegsturen. Eindelijk kwam er een jonge vos. Toen zei vrouw Vos: »heeft hij een rood broekje aan en een spits snoetje?«

»Ja, dat heeft hij!« zei de kat. »Dan moet hij boven komen,« zei vrouw Vos, en de meid moest het bruiloftsmaal bereiden.

»Katje veeg de kamer aan.

En smijt den ouden Vos maar uit het raam,

Een dikke vette muis,

Bracht hij zoo dikwijls thuis,

Maar at ze op alléén,

Gaf er mij nooit één.«

Toen werd er bruiloft gehouden met den jongen heer Vos, er werd gezongen en gedanst, en als ze niet opgehouden hebben dansen ze nog.

Ornament.

[34]

[Inhoud]
Ornament

XXXIX.

De Kaboutertjes.

Eerste Sprookje.

Een schoenmaker was eens, buiten zijn schuld, zoo arm geworden dat hij niets anders meer bezat, dan leêr voor een enkel paar schoenen. Hij sneed het leêr ’s avonds en wilde den volgenden morgen met het maken van de schoenen beginnen. En omdat hij een goed geweten had, legde hij zich rustig te bed, beval zich aan de hoede van den lieven God en sliep in. ’s Morgens nadat hij gebeden had, wilde hij aan het werk gaan; maar daar stonden de schoenen al kant en klaar op zijn werktafel: Hij was zoo verbaasd, dat hij niets zeggen kon, en hij nam de schoenen in zijn hand om ze eens goed te bekijken. Ze waren zoo keurig bewerkt, dat er geen verkeerde steek aan was, precies of het een meesterwerk had moeten worden. Er kwam ook al heel gauw een klant voor, en omdat hem de schoenen zoo bijzonder goed bevielen, betaalde hij meer dan gewoonlijk; zoo kon de schoenmaker [35]voor het geld leêr voor twee paar schoenen inkoopen. Hij sneed ze ’s avonds, en den volgenden ochtend wilde hij vroolijk aan ’t werk gaan, maar het hoefde niet, want toen hij opstond waren ze al klaar, en de klanten bleven ook niet uit: zij gaven hem zóó veel geld, dat hij nu het leêr voor vier paar schoenen kon inkoopen. Den volgende morgen in de vroegte vindt hij die vier paar ook weêr klaar staan. Zoo ging het maar altijd door: wat hij ’s avonds gesneden had, was den volgenden ochtend klaar, zoodat hij langzamerhand weêr een fatsoenlijk inkomen had en eindelijk een welgesteld man werd. Nu gebeurde eens op een avond tegen Kerstmis, dat de man, toen hij zijn schoenen gesneden had vóór het naar bed gaan, tegen zijn vrouw zei: »Hoe zou je het vinden, als wij deze nacht eens opbleven om te zien, wie toch onze helpers zijn?« De vrouw vond het goed en stak het licht op, en toen verborgen zij zich in de hoeken van de kamer achter de kleeren, die daar hingen en zij letten goed op. Te middernacht kwamen twee alleraardigste kleine naakte mannetjes, gingen voor de werktafel zitten, en begonnen met hun kleine vingertjes zoo handig te steken, te naaien en te kloppen, dat de schoenmaker van verbazing zijn oogen niet van hen af kon houden. Zij hielden niet op, voor alles was afgemaakt, en kant en klaar op tafel stond en toen sprongen zij in een wip weg.

Den volgenden dag zeide de vrouw: »Die kleine mannetjes hebben ons rijk gemaakt, daarvoor moeten wij toch dankbaar zijn. Ze loopen zoo maar naakt rond; wat zullen zij het koud hebben! Weet je wat? Ik zal hemdjes, jasjes, buisjes en broekjes voor hen maken, en voor ieder een paar kousjes breien.« Dat vond de man heel goed, en toen alles klaar was, legden zij de geschenken op de tafel in plaats van de [36]gesneden schoenen; en toen verstopten zij zich om te zien, wat de mannetjes zouden doen. Te middernacht kwamen zij aangesprongen, en wilden onmiddellijk aan ’t werk gaan. Toen zij nu geen leêr vonden maar in plaats daarvan die nette kleertjes, waren zij eerst heel verbaasd, maar daarna hadden zij uitbundige pret. Met groote vlugheid trokken zij de kleeren aan en streken ze netjes glad en toen zongen zij:

»O, wat zijn wij warm en fijn,

Waarom nu nog schoenmaker zijn!«

Toen gingen zij springen en dansen, en sprongen over stoelen en banken en eindelijk dansten zij de deur uit. Van nu af aan kwamen zij niet terug; maar den schoenmaker is het goed gegaan zoolang hij leefde, en alles wat hij begon bracht hij gelukkig ten eind.

Tweede Sprookje.

Er was eens een arm dienstmeisje. Zij was netjes en ijverig, stofte alle dag de vloeren, en het stof schudde zij op een hoop voor de deur. Op een morgen toen zij weêr aan het werk wilde gaan, vond zij er een brief liggen. Zij kon niet lezen, en daarom zette zij zoolang den bezem in een hoek, en bracht den brief aan haar juffrouw. Het was een uitnoodiging van de kaboutertjes om een kind ten doop te houden. Het meisje wist niet wat zij zou doen; maar de buren moedigden haar aan, en men zeide, dat zoo iets niet afgeslagen mocht worden; toen is zij gegaan. Er kwamen drie kaboutertjes, die brachten haar in een grot waar zij woonden. Alles was er heel klein, maar zoo sierlijk en prachtig, dat het niet te beschrijven is. De kraamvrouw lag in een bed van zwart ebbenhout [37]met knoppen van paarlen; de dekens waren met goud gestikt; de wieg was van ivoor en de waschkom van goud. Het meisje stond peet, en wilde toen weêr naar huis gaan, maar de kaboutertjes vroegen haar dringend toch nog drie dagen bij hen te willen blijven. Dat deed ze toen, en leefde vroolijk en genoegelijk, en de mannetjes deden alles om het haar prettig te maken. Toen zij weêr weg zou gaan, vulden zij eerst haar zakken met goud, en brachten haar toen weêr uit den berg. Toen zij thuis kwam, wilde zij met haar werk beginnen; zij nam den bezem weêr, die nog in den hoek stond, en begon te vegen. Toen kwamen er vreemde menschen uit het huis, die vroegen wie zij was, en wat zij daar kwam doen. En het waren geen drie dagen geweest, zooals zij meende, maar zij had zeven jaar bij de kleine mannetjes in den berg gediend, en haar vorige meesters waren in dien tijd gestorven.

Derde Sprookje.

Een moeder hadden de kaboutertjes haar kind uit de wieg genomen, en er een wisselkind voor in de plaats gelegd; het had een dikken kop, starre oogen en woû niets dan eten en drinken. In haar angst ging zij bij een buurvrouw om raad te vragen. De buurvrouw zei, ze zou het wisselkind meê naar de keuken nemen en het bij den haard zetten; dan zou zij het vuur aanmaken en in twee eierschalen water koken; daar zou het wisselkind om moeten lachen, en als ’t gelachen had, dan was het er mee gedaan ook. De vrouw deed alles precies zooals de buurvrouw het gezegd had; toen zij de eierschalen met water op het vuur zette, zei de dikkop: [38]

»Ik ben wel zoo oud

Als het Westerwoud,

Maar nooit heb ik iemand water zien putten in eierschalen.«

en hij begon te lachen. Terwijl hij lachte kwam er een heele troep kaboutertjes, die brachten het echte kind, zetten het bij den haard en namen het wisselkind weêr meê.

Ornament.

[39]

[Inhoud]
Ornament

XL.

De Rooverbruigom.

Er was eens een molenaar, die had een mooi dochtertje en toen zij was opgegroeid, had hij haar graâg verzorgd en goed getrouwd, en hij dacht: »als er een fatsoenlijke vrijer komt en haar ten huwelijk vraagt, zal ik haar geven.« Niet lang daarna kwam er een vrijer; hij scheen heel rijk te zijn en de molenaar had niets op hem aan te merken, daarom gaf hij hem zijn dochter. Maar het meisje had hem niet recht lief, zooals een bruid haar bruigom moet liefhebben; zij had geen vertrouwen in hem, en zoo dikwijls zij hem aanzag of aan hem dacht, griezelde zij. Eens zei hij tot haar: »Je bent mijn bruid en je komt mij nooit eens bezoeken.« Toen antwoordde het meisje: »Ik weet niet waar je woont.« Zij zocht uitvluchten en meende, dat zij den weg niet zou vinden. Maar de bruigom zei: »den volgenden Zondag moet je bij mij komen; de gasten zijn al genood, en ik zal asch strooien, dat je den weg door het bosch kunt vinden.« Toen het Zondag was en het [40]meisje op weg zou gaan, werd zij zoo angstig, waarom wist zij zelf niet, en zij stopte haar beide zakken vol met erwten en boonen. In het bosch vond zij de asch, die haar den weg zou aanwijzen; die volgde zij; maar bij iederen stap gooide zij rechts en links een paar erwten of boonen. Zij moest den heelen dag loopen en eindelijk kwam zij aan een huis, dat midden in het allerdonkerste bosch stond. Het huis beviel haar niet, het zag zoo somber en ongezellig. Zij ging binnen, maar er was niemand en alles was stil. Plotseling riep een stem:

»Keer om, keer om, gij jonge bruid,

Gij zijt hier in een roovershuis!«

Het meisje keek om; de stem kwam van een vogel, in een kooi aan den muur; en hij riep weer:

»Keer om, keer om, gij jonge bruid,

Gij zijt hier in een roovershuis!«

Maar de schoone bruid ging verder, van de eene kamer in de andere, door het heele huis; alles was leeg, geen menschenziel was er te vinden. Eindelijk kwam zij ook in den kelder; daar zat een stokoude vrouw, die schuddebolde. »Kunt ge mij niet zeggen, of mijn bruidegom hier woont?« vroeg het meisje. »Ach, arm kind, waar ben je ingekomen! het is hier een roovershol! Je gelooft, dat je een bruid zijt en spoedig bruiloft zult houden, maar je bruiloft zul je houden met den dood. Je bruidegom wil je dood maken. Ik heb hier een groote ketel met water moeten opzetten en als ze je in hun macht hebben, hakken ze je zonder medelijden in stukken, en koken en eten je, want het zijn menscheneters. Als ik mij [41]niet over je erbarm en je red, dan ben je verloren.«

Toen moest het meisje achter een groot vat wegkruipen. »Wees nu zoo stil als een muisje,« zei de oude, »beweeg je niet, want dan is het met je gedaan. Van nacht als de roovers slapen, zullen wij ontvluchten, want ik heb al lang op een gelegenheid gewacht.« Zij verstopte het meisje achter het vat, en nauwelijks was dat gebeurd, of de goddelooze troep kwam naar huis. Zij sleepten een andere jonkvrouw meê en waren dronken, en op haar schreien en jammeren sloegen zij geen acht. Zij gaven haar wijn te drinken, drie volle glazen, een glas witte, een glas roode en een glas gele, daarvan barstte haar hart. Zij trokken haar toen haar kleeren af, legden haar op een tafel, hakten haar schoon lichaam in stukken en strooiden er zout over. De arme bruid achter het vat sidderde en beefde, want zij zag wel, dat haar hetzelfde lot was toegedacht. Een van de roovers bemerkte aan de pink van de vermoorde, een gouden ring, en toen die er niet gemakkelijk afging, nam hij een bijl en hakte den vinger af; maar de vinger sprong in de hoogte en viel de bruid in den schoot.

De man nam een licht en zocht, maar kon hem niet vinden. Toen zei een ander. »Heb je al achter het groote vat gezocht?« »Kom,« zei de oude vrouw, »ga nu eten en wacht maar met zoeken tot morgen, die vinger loopt niet weg.« »De oude heeft gelijk!« riepen de roovers, ze zochten niet langer maar gingen zitten om te eten, en de oude druppelde een slaapdrank in hun wijn, zoodat ze al heel gauw lagen te slapen.

Toen de bruid hen hoorde snorken, kwam zij van achter het vat te voorschijn en moest over de slapende roovers heenstappen; ze lagen op een rij, en ze had grooten angst, dat zij op hen trappen zou, en hen wakker maken. Maar God hielp haar, dat zij er [42]gelukkig over heen kwam, en de oude vrouw ging met haar naar boven en opende de deuren, en zij vluchtten zoo gauw zij konden uit het roovershol weg. De asch had de wind weggewaaid, maar de erwten en boonen waren ontkiemd en opgegroeid, en wezen in den maneschijn den weg. Zij liepen den ganschen nacht en ’s morgens kwamen zij in den molen aan. Toen vertelde het meisje haar vader alles wat er gebeurd was.

Op den dag, die voor de bruiloft bepaald was, verscheen de bruigom; de molenaar had alle familie en vrienden uitgenoodigd. Toen zij aan tafel zaten, werd ieder opgegeven iets te vertellen. De bruid zat stil; zij sprak niet. Toen zei de bruigom: »wel, liefste, weet je niets? Vertel toch ook eens wat.« Zij antwoordde: »Dan zal ik een droom vertellen. Ik ging alléén door een bosch en kwam eindelijk aan een huis; er was niemand in, maar aan den muur hing een kooi met een vogel. De vogel riep:

»Keer om, keer om, gij jonge bruid!

Gij zijt hier in een roovershuis!«

en hij riep het nog eens. Mijn lief, het was maar een droom. Toen ging ik door alle kamers; zij waren alle leeg, en het was er zoo akelig; eindelijk ging ik ook in den kelder. Daar zat een stokoude vrouw, die schuddebolde. Ik vroeg: »woont mijn bruidegom in dit huis?« Zij antwoordde: »och arm kind je bent in een roovershol, je bruidegom woont hier, maar hij wil je dooden en in stukken hakken, en dan koken en opeten.« Mijn lief, het was maar een droom. Maar de oude vrouw verstopte mij achter een groot vat, en nauwelijks was ik daar weggekropen of de roovers kwamen thuis, zij sleepten een jonkvrouw meê en [43]gaven haar drieërlei wijn te drinken, witte, roode en gele, daarvan barstte haar hart. Mijn lief, het was maar een droom. Toen trokken zij haar kleeren af, en hakten op een tafel haar schoon lichaam in stukken, en zij bestrooiden haar met zout. Mijn lief, het was maar een droom. En een van de roovers zag, dat er aan de pink nog een ring zat; hij ging er moeielijk af en toen nam hij een bijl, en hakte den vinger af; maar de vinger sprong in de hoogte, en viel achter het groote vat en viel mij in den schoot. En hier is de vinger met den ring.« En toen zij dat zeide haalde zij den vinger met den ring voor den dag en liet hem de aanwezigen zien.

De roover was krijtwit geworden bij het vertellen en nu sprong hij op en wilde ontvluchten; maar de gasten hielden hem vast, en leverden hem over aan het gerecht. Toen moest hij met zijn geheele bende voor zijn schanddaden terecht staan.

Ornament.

[44]

[Inhoud]

XLI.

Mijnheer Korbes.

Er waren eens een hennetje en een haantje, die wilden samen een reis maken. Toen maakte het haantje een mooien wagen met vier roode wieltjes, en vier muisjes spande hij er voor. Het hennetje ging met het haantje op den wagen en zij reden samen weg. Het duurde niet lang of zij ontmoetten een kat. »Waar gaat dat heên?« vroeg de kat. Het haantje antwoordde:

»Al vooruit,

Naar mijnheer Korbes zijn huis.«

»Neem mij meê,« zei de kat. Het haantje antwoordde: »Heel graâg! Ga maar achterop zitten, dat je er voor niet afvalt.

En pas op het nat,

Dat het vuil niet op mijn roode wieltjes spat

Zweepje, zwiep, [45]

Muisjes, piep,

Al vooruit

Naar mijnheer Korbes zijn huis!«

Daarna kwam een molensteen, toen een ei, toen een eend, een speld en eindelijk een naald; zij zetten zich allemaal op den wagen en reden mee. Maar toen zij bij het huis van mijnheer Korbes kwamen, was mijnheer Korbes niet thuis. De muisjes brachten den wagen in de schuur, het hennetje vloog met het haantje op een balk; de kat ging onder den schoorsteen, de eend op den slinger van de pomp, het ei wikkelde zich in een handdoek, de speld ging in het kussen van den leuningstoel, de naald sprong op het bed midden op het hoofdkussen, en de molensteen legde zich voor de deur. Toen kwam de slechte mijnheer Korbes thuis, ging naar den haard en wilde vuur aanmaken, toen gooide de kat hem het gezicht vol asch. Hij liep dadelijk naar de keuken om zich te wasschen, toen spoot de eend hem water in het gezicht. Hij wilde zich met de handdoek afdrogen, maar het ei rolde naar hem toe, brak, en kleefde hem de oogen dicht. Hij wilde uitrusten en ging op den stoel zitten, toen stak hem de speld. Toen werd hij kwaad en gooide zich op zijn bed, maar toen zijn hoofd op het kussen kwam, stak de naald, dat hij het uitschreeuwde, en woedend de wijde wereld in woû loopen. Maar bij de huisdeur liet de molensteen zich naar beneden vallen en sloeg hem dood.

Ornament.

[46]

[Inhoud]
Ornament

XLII.

De Peet.

Een arme man had zooveel kinderen, dat hij de heele wereld al gevraagd had peet te staan, en toen er nog een kind bijkwam, was er niemand meer over, dien hij vragen kon. Hij wist niet wat te beginnen, legde zich vol zorg te bed en sliep in. Toen droomde hij, dat hij de stad uit moest loopen tot voor de poort, en den eersten dien hij daar buiten tegen kwam moest hij als peet vragen. Toen hij wakker werd besloot hij zijn droom te volgen, en liep de stad uit, en den eersten dien hij buiten de poort zag, vroeg hij peet te staan. De vreemde schonk hem een glaasje water en zei: »dit is een wonderbaar water, daarmee kunt ge zieken gezond maken; maar ge moet opletten waar de dood staat. Staat hij bij het hoofd, dan moet je de zieke van het water geven, en hij zal genezen, maar staat hij bij de voeten, dan is alles vruchteloos en hij moet sterven.« Van nu af aan kon de man altijd zeggen, of een zieke weêr beter kon worden, hij werd beroemd [47]en verdiende veel geld. Eens werd hij bij het kind van den koning geroepen, en toen hij binnenkwam stond de dood bij het hoofdeneind; hij genas het toen met het water; zoo ging het ook den tweeden keer, maar de derdemaal stond de dood bij de voeten en het kind moest sterven.

De man wou toch den peet eens bezoeken en hem vertellen hoe het met het water gegaan was. Maar toen hij in het huis kwam ging het daar zonderling toe. Op de eerste verdieping waren de bezem en de luiwagen aan ’t vechten, en gingen elkaâr duchtig te lijf. Hij vroeg: »waar woont mijnheer de Peet?« De bezem antwoordde: »een trap hooger.« Op de tweede verdieping lag een heele hoop doode vingers. Hij vroeg: »Waar woont mijnheer de Peet?« Een van de vingers antwoordde: »een trap hooger.« Op de derde verdieping lag een stapel doodshoofden, die wezen hem ook een trap hooger. Op de vierde zag hij visschen boven een vuur staan prutsen die bakten zich zelf. Zij zeiden ook: »een trap hooger.« En toen hij eindelijk op de vijfde verdieping was gekomen, kwam hij voor een kamer en keek door het sleutelgat, daar zag hij den peet met een paar lange horens. Toen hij de deur opendeed en binnen ging, kroop de peet gauw in bed en dekte zich toe. En de man zei: »Mijnheer Peet, wat gebeuren er toch voor rare dingen in uw huis? Op de eerste verdieping vochten de luiwagen en de bezem, en sloegen geweldig op elkaâr los.« »Wat ben je onnoozel!« zei de peet, »dat waren de knecht en de meid, die een praatje hielden.« »Op de tweede verdieping, lagen doode vingers.« «Wat ben jij een stommerik! Het waren schorseneeren.« »Op de derde verdieping lag een stapel doodskoppen.« «Domkop! dat waren witte koolen.« »Op de vierde verdieping lagen visschen in een pan te prutsen, die bakten zichzelf.« Toen hij [48]dat gezegd had, kwamen de visschen en dienden zichzelf op. »En toen ik de vierde trap was opgeklommen, keek ik door het sleutelgat, en toen zag ik u Peet, en ge hadt lange, lange horens.« »Och, dat is niet waar!« De man werd bang en liep weg, gelukkig maar, want wie weet wat de Peet hem anders nog gedaan had!

Ornament.

[49]

[Inhoud]
Ornament

XLIII.

Vrouw Trude.

Er was eens een klein meisje: zij was eigenzinnig en wijsneuzig, en als haar ouders haar iets zeiden, gehoorzaamde zij niet: hoe kon dat nu goed gaan? Eens op een dag zeide zij tegen haar ouders: »ik heb al zoo dikwijls van vrouw Trude gehoord, nu wil ik er toch eens heengaan: de menschen zeggen, dat het er zoo wonderlijk bij haar uitziet, en er moeten zulke vreemde dingen in haar huis zijn, dat ik echt nieuwsgierig ben geworden.« De ouders verboden het haar streng. »Vrouw Trude is een slechte vrouw,« zeiden ze, »en ze doet goddelooze dingen, en als je naar haar toe gaat, ben je ons kind niet meer.« Maar het meisje stoorde zich niet aan het verbod van haar ouders, en ging toch naar vrouw Trude.

Toen zij bij haar kwam, vroeg vrouw Trude: »Waarom zie je zoo bleek?«

Het meisje stond te beven. »O,« zei ze, »ik ben zoo geschrikt van wat ik gezien heb!« [50]

»Wat heb je dan gezien?«

»Ik zag een zwarten man hier op de trap.«

»Dat was een kolendrager.«

»Toen zag ik een groenen man.«

«Dat was een jager.«

»Toen een bloedrooden.«

»Dat was een slager.«

»O, vrouw Trude, het was gruwelijk! ik keek door het raam en toen zag ik in plaats van u, den duivel met een vurigen kop!«

»O, zoo!« zei ze, »dan heb je de heks in haar echte pakje gezien; ik heb al lang op je gewacht en naar je verlangd, je moet mij verlichten.»

Toen veranderde zij het meisje in een blok hout en gooide dat op het vuur, en zij ging er naast zitten en warmde zich. »Hé!« zei ze, »wat flikkert dat mooi!«

Ornament.

[51]

[Inhoud]
Ornament

XLIV.

Peet de Dood.

Een arme man had twaalf kinderen, en moest dag en nacht werken om ze den kost te kunnen geven. Toen nu het dertiende geboren werd, wist hij geen raad, en liep naar buiten den straatweg op, en den eersten dien hij tegenkwam wilde hij vragen peet te zijn. De eerste die hij ontmoette, dat was de lieve God, die wist al wat hij op het hart had, en zei: »Arme man, ik heb medelijden met je, ik zal je kind ten doop houden, en er voor zorgen, en maken, dat het op aarde gelukkig wordt.« De man vroeg: »Wie zijt ge?« »Ik ben de lieve God.« »Dan begeer ik u niet tot peet,« zei de man, »ge geeft de rijken en de armen laat ge hongeren.«

Dat zei de man, omdat hij niet wist hoe wijs God den rijkdom verdeelt. Hij wendde zich dus van den Heer af en ging verder. Toen trad de duivel op hem toe en sprak: »Wat zoekt ge? Wilt ge mij tot peet voor het kind hebben, dan zal ik hem goud in overvloed geven, en alle genot dat op de wereld is.« De [52]man vroeg: »Wie zijt ge?« »Ik ben de duivel.« »Dan wil ik je niet tot peet, want je verlokt en bedriegt de menschen.« Hij ging en ontmoette den knokigen dood; die sprak: »Wilt ge mij tot peet?« De man vroeg: »wie zijt ge?« »Ik ben de dood, die allen gelijk maakt.« Toen sprak de man: »U wil ik hebben, ge zijt de rechte: ge haalt rijken en armen zonder onderscheid, ge zult peet bij mij zijn.« De dood antwoordde: »ik zal uw kind rijk en beroemd maken, want wie mij tot vriend heeft kan het niet slecht gaan.« De man sprak: »Den volgenden Zondag is de doop; zorg dat ge te rechter tijd komt.«

De dood verscheen zooals hij beloofd had en stond peet zooals het behoort.

Toen de knaap volwassen was, kwam op eens zijn peet, en hij moest meêgaan. Hij nam hem naar het bosch en wees hem een plant, die daar groeide: »nu zul je je peetgeschenk krijgen,« zei hij. »Ik maak je tot een beroemd dokter. Als je een zieke moet genezen, zal ik je verschijnen; sta ik aan het hoofdeneinde van den zieke, dan kun je veilig zeggen, dat je hem genezen zult, en je geeft hem van dit kruid, dan wordt hij beter; maar sta ik aan het voeteneind, dan behoort hij mij, en dan moet je zeggen, dat er geen hulp voor hem is, en dat alle dokters van de wereld hem niet redden kunnen. Maar pas op, dat je het kruid niet tegen mijn wil gebruikt, want dan zou het slecht met je afloopen.«

»Zie,« zei de dood, »dat zijn voor de menschen de levensvlammen.«

»Zie,« zei de dood, »dat zijn voor de menschen de levensvlammen.«

(Bladz. 56).

Het duurde niet lang of de jongen was de beroemdste arts van de wereld. »Als hij een zieke alléén maar aanziet, dan weet hij al hoe het staat, of hij genezen kan, of sterven moet,« zoo sprak men over hem, en van heinde en ver kwamen de menschen hem af halen om hunne zieken te bezoeken, en zóóveel goud kreeg hij, dat hij spoedig een rijk man was. Nu gebeurde [55]het, dat de koning zwaar ziek werd; de dokter werd geroepen en moest zeggen of genezing mogelijk was. Toen hij bij het bed kwam, stond de dood aan het voeteneind, en er was voor den koning geen kruid meer gewassen. Toen kreeg de dokter den inval of hij den dood niet eens te slim af kon zijn, hij was toch zijn peet, en zou het voor één enkelen keer wel door de vingers zien, als hij een loopje met hem nam. Hij nam dus den zieke op en legde hem andersom, zoodat de dood nu bij zijn hoofd kwam te staan. Daarna gaf hij hem van het kruid, en de koning werd langzamerhand beter. Maar de dood kwam bij den dokter, en keek duister en toornig en dreigde hem met den vinger: »Déze keer zal ik het nog laten gaan, omdat je mijn peetekind zijt, maar waag je het nog eens mij te bedriegen, dan neem ik jezelf meê.«

Kort daarop bezocht een zware ziekte ’s konings dochter. De oude koning schreide dag en nacht, dat zijn oogen door een nevel zagen, en hij liet bekend maken, dat hij, die haar van den dood redden zou haar gemaal zou worden en de kroon erven.

Toen kwam de dokter aan het ziekbed, en zag den dood aan haar voeteneind. Hij had zich de waarschuwing van zijn peet moeten herinneren, maar de schoonheid van de prinses overweldigde hem zóózeer, dat hij alle denken liet varen. En hoe toornig de dood hem aanzag en dreigde met de vuist, hij veranderde toch de ligging van de zieke en gaf haar van het kruid, en het leven begon zich weêr in haar te roeren. Maar de dood, die zich ten tweeden male in zijn recht bedrogen vond, trad op den dokter toe: »nu is het jouw beurt,« en hij pakte hem met ijskoude hand en bracht hem in een onderaardsche grot. Daar brandden duizende en duizende lichten, groote en minder groote, en kleine, in onafzienbare rijen. [56]Ieder oogenblik doofden er eenige uit en andere vlamden weêr op, dat het scheen of de lichtjes in aanhoudende wisseling dansten. »Zie,« zei de dood, »dat zijn voor de menschen de levensvlammen. De groote behooren aan kinderen, de mindergroote aan gehuwden in hun besten tijd, de kleine behooren aan grijsaards. Maar, soms hebben ook kinderen en jonge lieden een klein lichtje.« De dokter vroeg naar zijn eigen levenslicht. De dood wees op een klein, even nog opflikkerend vlammetje, dat bezig was uit te dooven, en zeide: »Zie dat is het.« »Ach mijn goede peet!« sprak de jongeling, »wees toch lief, en ontsteek een nieuw licht voor mij, dat ik het leven nog genieten kan, en Koning worden en de gemaal van de schoone prinses!« »Dat kan ik niet,« antwoordde de dood, »eerst moet het uwe zijn uitgedoofd, voor er een nieuw kan branden.« »Zet dan een nieuw op het oude, dat het blijft doorbranden als het zou uitdooven.« De dood hield zich of hij zijn wensch zou vervullen, en haalde een nieuw groot licht; maar bij het inzetten, deed hij opzettelijk of hij zich vergiste, om zich te wreken, en het stukje viel en doofde uit. Toen zakte de dokter in één en was nu zelf in handen van den dood.

Ornament.

[57]

[Inhoud]
Ornament

XLV.

Hoe Duimpje op reis ging.

Een kleermaker had een zoon, die was wat klein uitgevallen, niet grooter dan een duim, daarom heette hij ook »Duimpje.« Maar er zat pit in hem, en hij zei tegen zijn vader: »Vader, ik zal, en ik moet de wereld in!« »Flink zoo, mijn zoon!« zei de vader, en hij nam een stopnaald, en maakte bij het licht een knop van rood lak er aan, »daar heb je nog een degen ook meê op weg!« Nu zou het kleine snijdertje nog voor het laatst mee eten, en hij huppelde naar de keuken, om te zien wat moeder voor zijn galgenmaal bereid had. Het was juist klaar en de pan stond op de kachel. »Moeder, wat is er van daag te eten?« »Kijk zelf maar eens,« zei de moeder. Duimpje sprong op den haard, en keek in de pan; maar hij rekte zijn hals te ver uit en werd door den wasem meegenomen, den schoorsteen in en naar boven. Nog een poosje bleef hij op den damp in de lucht rondrijden, tot hij eindelijk weêr op den grond neerkwam. Nu was het snijdertje in de wijde [58]wereld en begon zijn zwerftochten. Hij ging bij een meester in de leer, maar daar smaakte het eten hem niet. »Hoor eens bazin, als ik geen beter eten krijg, dan ga ik er van door,« zei Duimpje, »en dan schrijf ik op je huisdeur: aardappelen te veel en vleesch te weinig, atjuus baas aardappelkoning!»

»Wat heb je in te brengen, sprinkhaan,» zei de vrouw, en ze greep een lap om hem te slaan, maar het snijdertje kroop handig onder den vingerhoed en keek met een uitgestoken tong er onderuit naar de vrouw. Zij nam den vingerhoed weg en wilde hem pakken, maar Duimpje sprong tusschen de lappen, en toen ze de lappen uit elkaâr gooide verstopte hij zich in een reet van de tafel. »Hier, bazin!« riep hij en stak zijn hoofd er uit, en toen zij wilde slaan, kroop hij in de laâ; maar eindelijk kreeg zij hem toch te pakken en joeg hem het huis uit.

Het snijdertje ging aan den wandel en kwam door een groot bosch; daar ontmoette hij een bende roovers, die des konings schatkamer gingen bestelen. Toen zij het snijdertje zagen, dachten zij: »zoo’n instrumentje kan te pas komen!« »Hei, reus Goliath!» riep er een: »Wil je meê naar de schatkamer? dan kun je er inkruipen en ons het geld toegooien.« Duimpje dacht er eens over, en zei ja, en nu ging het naar de schatkamer. Daar bekeek hij de deur van boven en van onderen, of er een spleet in was. Gelukkig vond hij er een, en was juist op het punt er door te kruipen, toen de schildwacht hem bemerkte: »Wat kruipt daar voor een akelige spin!« zei hij tegen zijn kameraad, »die zal ik dood trappen.« »Och, laat dat arme dier maar loopen,« zei de andere, »het heeft je niets gedaan.« En zoo kwam Duimpje door de spleet heelhuids in de schatkamer.

Hij maakte het venster waarbij de roovers stonden, [59]open, en gooide de rijksdaalders één voor een naar buiten. Midden in zijn werk, hoorde hij op eens den koning komen, die zijn schatkamer kwam bezien, en toen moest hij zich verstoppen. De koning bemerkte wel, dat er heel wat ronde stukken mankeerden, maar hij kon niet begrijpen, wie ze had kunnen stelen, want de sloten waren in goede orde en het werd alles wel bewaakt. Hij ging weêr weg, maar zei tegen de schildwacht: »Zie goed toe, er is iemand bij het geld.«

Toen Duimpje nu op nieuw met zijn werk begonnen was hoorden zij het geld alsof ’t zich begon te roeren en te klinken: »Kling, klang! klik, klak!« en ze sprongen gauw naar binnen en wilden den dief grijpen. Maar snijdertje, die hen hoorde komen, was hen nog te vlug af, hij kroop gauw in een hoek, en legde een rijksdaalder over zich heen. Nu was er niets van hem te zien en hij hield de schildwachten voor den gek en riep: »hé! hier ben ik!« De wachten liepen er heên, maar als ze er bij waren, zat hij al weêr in een anderen hoek onder een andere rijksdaalder, en riep: »Hé! hier ben ik!« Zoo nam hij hen in ’t ooitje en liet hen zóólang in de schatkamer rondloopen tot het hun verveelde en zij moe werden en wegliepen. Toen gooide hij de rijksdaalders achter elkaâr allemaal naar buiten, maar den laatsten slingerde hij met alle kracht en sprong er zelf op, en zoo vloog hij het raam uit. De roovers prezen hem om het hardst: »Jij bent nog eerst een held! Wil je onze hoofdman zijn?« Duimpje bedankte beleefd en zei, dat hij eerst de wereld moest zien. Toen verdeelden zij den buit; maar het snijdertje vroeg maar een dubbeltje, omdat hij niet meer dragen kon. Nu gespte hij zijn degen weêr aan, zei de roovers goeden dag, en nam den weg tusschen de beenen. Hij ging bij verscheiden meesters in de leer, maar met het handwerk lukte het niet best, en eindelijk verhuurde [60]hij zich als knecht in een logement. Maar de dienstmeisjes konden hem niet uitstaan, want zonder gezien te worden, zag hij alles, wat zij stilletjes deden en bracht alles aan bij zijn meesters, wat zij van de borden hadden weg genomen en in den kelder hadden buitgemaakt. »Wacht! wij zullen het je wel inpeperen« zeiden zij eindelijk, en spraken samen af een streek met hem uit te halen. Toen de eene meid in den hof aan het maaien was, en Duimpje daar tusschen het gras rondsprong en tegen de grashalmen opklom, maaide zij hem met een bundeltje gras tegelijk, vlug af, bond het samen en gooide het voor de koeien. Er was een groote zwarte bij, die slokte hem in eens op, zonder hem pijn te doen. Dat beviel hem in ’t geheel niet, het was zoo donker, want daar binnen brandde geen licht. Toen de koe gemolken werd riep hij:

»Strip, strop, strol,

Is de emmer haast vol?«

Maar door het ruischen van de stroomende melk, hoorde men hem niet. Daarna kwam de huisheer in den stal, en sprak. »Morgen moet die koe daar, geslacht!« Duimpje werd zóó bang, dat hij met een schelle stem riep: »laat mij er eerst uit, ik zit er in!« De baas hoorde hem wel, maar begreep niet waar de stem van daan kwam: »Waar zit je toch?« riep hij. »In de zwarte!« maar de baas wist niet wat hij daar mee meende en ging weêr weg.

Den volgenden dag werd de koe geslacht, gelukkig kreeg Duimpje er geen steek of houw bij, maar hij kwam tusschen het worstvleesch. Toen nu de slager wou gaan hakken, riep hij zoo hard hij kon: »hak niet te diep, hak niet te diep! ik zit er tusschen!« Maar door het geklikklak van de messen hoorde [61]niemand hem. Nu zat ons snijdertje geweldig in de piepzak. Maar angst geeft beenen, en hij sprong zoo behendig tusschen de hakmessen door, dat hij heelemaal vrij bleef. Toch was er geen ontkomen aan, hij moest zich met de stukjes spek in een bloedworst laten stoppen. Dat was een benauwd kwartier, en bovendien werd hij nog in den schoorsteen opgehangen om gerookt te worden, waar hij zich geducht verveelde. Midden in den winter werd de worst naar beneden gehaald, om een gast voorgezet te worden. Toen de waardin de worst in schijven sneed, paste hij goed op, dat hij zijn hoofd niet te ver naar voren stak, dat zijn hals niet zou worden afgesneden: eindelijk kwam er een gunstig oogenblik, hij maakte zich lucht en sprong er uit.

In het huis waar het hem zoo slecht gegaan was, wilde hij niet langer blijven, en daarom ging ons snijdertje maar weêr aan het loopen. Doch zijn vrijheid duurde niet lang. Er kwam een vos over het veld, die hapte hem in gedachten op. »O! mijnheer de vos, ik zit in je keel, laat mij weêr los!«

»Ja,« zei de vos, »aan jou heb ik toch niets, als je mij de kippen van je vader belooft, zal ik je loslaten.« »Heel graâg,« zei Duimpje, »de kippen zul je allemaal hebben, dat beloof ik je.« Toen liet de vos hem weêr vrij en droeg hem naar huis. Toen de vader zijn lief zoontje weêr terug had, gaf hij den vos graâg al zijn kippen.

«Daarvoor breng ik dan ook een aardig stuk geld mee,« zei Duimpje, en gaf hem het dubbeltje, dat hij op zijn zwerftocht had buit gemaakt.

»Maar waarom moest de vos al die arme kakel-kipjes hebben?« »Dommert, jouw vader heeft toch ook liever zijn kind dan zijn kippen?« [62]

[Inhoud]
Ornament

XLVI.

Fitscher’s Vogel.

Er was eens een heksenmeester; hij nam de gedaante aan van een bedelaar, ging bedelen aan de huizen en ving de mooie meisjes. Niemand wist waar hij haar heên bracht, maar zij kwamen nooit weêr terug. Zoo kwam hij ook eens aan de deur bij een man, die drie mooie dochters had; hij zag er uit als een arme zwakke bedelaar en hij droeg een zak op den rug, als wilde hij de goede gaven daarin verzamelen. Hij vroeg om wat eten; maar toen de oudste naar buiten kwam en hem een stukje brood reikte, heeft hij haar even aangeroerd, en toen moest zij in zijn zak springen. Toen liep hij met vlugge stappen weg, door een duister woud naar zijn huis; daar was het prachtig. Hij gaf haar wat zij maar wenschte en sprak: »Het zal je bij mij wel bevallen; want je kunt alles krijgen wat je hart begeert.« Dat duurde zoo een paar dagen, toen zei hij: »ik moet op reis en je zult een korten tijd alleen zijn; hier zijn de huissleutels; je kunt overal rondloopen [63]en alles bekijken, maar alléén de deur waar deze kleine sleutel op past, mag je niet openen, dat verbied ik je op je leven.« Hij gaf haar ook een ei en zeide: »Pas hier goed op, en draag het liever altijd bij je, want als het verloren raakte zou er een groot ongeluk van kunnen komen.« Zij nam den sleutel en het ei, en beloofde aan alles goed te zullen denken. Maar toen hij weg was, kwam de nieuwsgierigheid haar plagen, en toen zij het heele huis van onder tot boven had doorgesnuffeld, ging zij naar de verboden deur en opende die. Maar zij schrikte toen zij binnentrad: in het midden stond een groot bloedig bekken, en daarin lagen doode menschen in stukken gehakt. Zij schrikte zoo hevig, dat het ei uit haar hand, in het bekken neerplompte. Zij haalde het er wel dadelijk weer uit en veegde het bloed er af, maar dat hielp niet, want het kwam altijd weêr te voorschijn; zij werkte en wreef en krabde, maar het ging er niet af. Kort daarop kwam de man van de reis terug, en het allereerst vroeg hij naar den sleutel en het ei. Zij reikte ze hem bevend over en hij bekeek ze beide nauwkeurig, en merkte toen wel, dat zij in de bloedkamer geweest was. Hij sprak: »Ge zijt tegen mijn wil in de kamer geweest, en nu zul je tegen je eigen wil er weêr in. Het is met je leven gedaan.« Hij greep haar, nam haar mee naar binnen, en hakte haar in stukken, dat haar rood bloed over den grond liep, en toen wierp hij haar bij de anderen in het bekken. »Nu ga ik de tweede halen,« zei de heksenmeester, en hij ging weêr als een arm man naar het huis, en bedelde.

Toen bracht de tweede hem een stuk brood, en hij ving haar weêr zooals de eerste, door haar even aan te raken; hij droeg haar toen in den zak weg en vermoordde haar later even als de eerste in de bloedkamer, omdat zij er binnen was gegaan. [64]

Toen ging hij om de derde zuster nog te vangen en bracht haar ook naar buiten; maar de derde was verstandig en slim. Toen hij haar de sleutel en het ei gegeven had en was weggegaan, nam zij eerst het ei en sloot het weg, en toen ging zij in de verboden kamer. Ach, wat zag zij daar! Haar beide lieve zusters zag zij, gruwelijk vermoord in het bekken! Maar zij pakte flink aan, en begon de stukken bij een te zoeken, en legde ze weêr aan elkaar: hoofd, lijf, armen en beenen. En toen er geen stukje meer ontbrak, kwam er beweging in de leden en ze sloten zich aan elkaâr; en de beide meisjes openden de oogen en waren weêr levend. Zij verheugden zich en omhelsden en kusten elkaâr; maar de jongste nam de beide andere meê uit de kamer en verstopte ze. De man kwam terug en vroeg het ei en de sleutel op, en toen hij geen spoor van bloed er aan ontdekken kon, sprak hij: »je hebt de proef doorstaan, jij zult nu mijn bruid zijn.«

»Goed,« antwoordde zij; »maar je moet mij eerst beloven, dat je mijne ouders zelf een mand vol goud zult brengen, terwijl ik het bruiloftsfeest bezorg.« Toen ging zij in haar kamertje, waar zij de zusters verstopt had, en zei: »nu is het oogenblik gekomen, dat ik je redden kan, de booswicht zal je zelf meêdragen: maar als je thuis zijt, laat dan dadelijk hulp voor mij komen.« Zij zette haar toen beide in een mand en overdekte ze met goud, dat er niets van haar te zien was en toen riep zij den heksenmeester en sprak: »draag nu de mand naar huis, maar pas op, dat je niet blijft staan om te rusten; ik zie door het venstertje.«

De heksenmeester nam nu de mand op zijn rug en liep er meê voort, maar hij werd hem zoo zwaar, dat het zweet hem over het gezicht liep en hij dacht doodgedrukt te worden. Hij wilde wat rusten, maar [65]dadelijk riep het uit de mand: »ik kijk door mijn venstertje en zie, dat je rust, ga dadelijk verder.« En zoo dikwijls hij stilstond werd er geroepen, en hij moest voort, en zoo bracht hij buiten adem de mand, met het goud en de beide meisjes, bij haar ouders in huis.

In huis bezorgde de bruid het bruiloftsfeest. Zij nam een grijnzend doodshoofd en zette het een hoofdtooisel op, en bracht het voor het zolderraam, daar liet zij het uitkijken. Toen noodigde zij de vrienden van den heksenmeester uit voor het feest, en daarna kroop zij in een vat met honing; zij sneed toen het veêren bed open en rolde zich er in, zoodat zij er uitzag als een allerwonderlijkste vogel en geen mensch haar kon herkennen. Zij ging toen het huis uit en ontmoette eenige van de bruiloftsgasten, die vroegen:

»Fitscher’s vogel, waar vandaan?«

»Van Fitse Fitscher’s huis van daan.«

»Wat doet dan wel zijn jonge bruid?«

»Zij is aan ’t vegen en poetsen gegaan

En kijkt nu uit het zolderraam.«

Daarna kwam zij den bruidegom tegen, die terugkeerde: hij vroeg ook.

»Fitscher’s vogel, waar vandaan?«

»Van Fitse Fitscher’s huis vandaan.«

»Wat doet daar wel mijn jonge bruid?«

»Zij is aan ’t vegen en poetsen gegaan

En kijkt nu uit het zolderraam.«

De bruigom keek naar boven; hij zag het versierde doodshoofd, en meende dat het zijn bruid was; hij knikte haar toen vriendelijk toe. Maar toen hij met [66]zijn vrienden het huis was binnen gegaan, kwam de hulp die de zusters gevraagd hadden: zij sloten alle deuren van het huis af, dat niemand ontsnappen kon en staken het toen in brand, zoodat de heksenmeester met zijn heele bende verbranden moest.

Ornament.

[67]

[Inhoud]
Ornament

XLVII.

Van den Amandelboom.

Dat is nu al lang geleden, wel tweeduizend jaar; toen was er eens een rijk man, die had een mooie, brave vrouw, en zij hadden elkaâr zeer lief. Maar zij hadden geen kinderen en zij wenschten zoozéér kinderen te hebben; en de vrouw bad er om, dag en nacht, maar zij kreeg er geen, kreeg er maar geen. Voor hun huis was een hof, daarin groeide een amandelboom. Onder dien amandelboom stond de vrouw eens in den winter en schilde een appel. Toen zij dien appel zoo schilde sneed zij zich in den vinger, en het bloed drupte op de sneeuw. »Ach,« zei de vrouw, en ze zuchtte zoo diep, en ze zag naar het bloed en ze was zoo weemoedig, »had ik toch een kind, zoo rood als bloed, zoo wit als sneeuw.« En toen zij dat gezegd had, werd zij zoo vroolijk: het was haar of er iets van komen zou. Toen ging zij in huis, en er verliep een maand: de sneeuw smolt weg; twee maanden: toen kwam het groen; drie maanden: de bloemen ontloken [68]en vier maanden, toen stonden de boomen dicht in het loof en al de groene takken drongen te zamen. Daar zongen de vogelkens, dat het schalde in het bosch. Toen vielen de bloesems: de vijfde maand was voorbij en zij stond onder den amandelboom. Hij geurde zoo heerlijk, haar hart sprong op van vreugde; zij viel op haar knieën en kon zich niet houden. Toen de zesde maand voorbij was, werden de vruchten dik en stevig; zij werd heel stil. De zevende maand greep zij naar de amandelkernen en at ze gulzig; toen werd zij droevig en ziek. Toen ging de achtste maand voorbij, en zij riep haar man en schreide en zei: »Als ik sterf, begraaf mij dan onder den amandelboom.« Daarna was zij weêr getroost en verheugde zich, tot de negende maand voorbij was; toen kreeg zij een kind zoo wit als sneeuw, zoo rood als bloed, en toen zij het zag was haar vreugde zóó groot, dat zij stierf.

De man begroef haar onder den amandelboom en hij weende zoo zeer; een poos, toen werd het wat minder; en toen hij nog wat geschreid had hield het op, en nog een tijd, toen nam hij weêr een vrouw.

De tweede vrouw kreeg een dochter; maar het kind van de eerste vrouw was een zoontje, en hij was zoo rood als bloed, zoo wit als sneeuw. Als de vrouw haar dochtertje aanzag, had zij het zoo lief; maar keek zij naar den kleinen jongen, dan ging het haar recht door het hart, en hij was haar overal in den weg; en zij dacht en dacht, hoe zij al het geld en goed voor haar dochter krijgen kon; en de Booze gaf het haar in, dat zij den kleinen jongen kwaad wilde, stootte hem van den eenen hoek in den anderen, en kneep hem hier en duwde hem daar, dat het arme kind altijd in angst was. Als hij dan uit de school kwam had hij geen rustig plekje meer.

Eens ging de vrouw naar boven, toen kwam het [69]dochtertje ook en zei: »moeder geef mij een appel.« »Ja, mijn kind,« zei de vrouw, en gaf haar een mooien appel uit de kist. Maar de kist had een zwaren deksel, met een groot, scherp, ijzeren slot.

»Moeder,« zei het kleine meisje, »moet broertje ook niet een appel hebben?« Dat verdroot de vrouw, maar zij antwoordde: »ja, als hij uit school komt.« En toen zij hem door het venster gewaar werd, toen was het of de Booze zoo over haar kwam, en zij greep van haar dochtertje den appel weêr weg, en zei: »je zult er niet eerder een hebben dan je broer!« en zij smeet den appel in de kist en maakte de kist toe. Toen kwam de kleine jongen binnen, en de Booze gaf haar in, dat zij vriendelijk vroeg: »wil je een appel hebben, mijn jongen?« en zij keek hem schichtig aan. »Moeder,« zei de kleine jongen, »wat kijk je gruwelijk, ja, geef mij een appel.« Toen voelde zij of zij hem moest dooden. «Kom hier,« zei ze, en opende het deksel, »krijg er een appel uit.« En toen de kleine jongen zich er in bukte, gaf haar de Booze, een raad: flap sloeg zij het deksel dicht, dat zijn hoofd af vloog en tusschen de roode appels bleef liggen. Toen rilde zij, en zij dacht: »kon ik het van mij afzetten!« Zij ging naar boven naar haar kamer in haar latafel, en nam uit de bovenste laâ een witten doek; zij zette het hoofd weer op den hals, en bond er den halsdoek zóó om, dat men niets zien kon, en zette hem voor de deur op een stoel, en gaf hem den appel in de hand.

Toen kwam daarna Marleentje bij haar moeder in de keuken; zij stond bij het vuur, en had een pan met heet water voor zich en roerde en roerde.

«Moeder,« zei Marleentje, «broertje zit voor de deur; hij ziet heel wit en hij heeft een appel in de hand. Ik heb hem om den appel gevraagd maar hij antwoordt niet, toen werd ik er zoo akelig van.« »Ga [70]er nog weer eens heen,« zei de moeder, »en als hij weer niet antwoordt, geef hem dan een klap om zijn ooren.« Toen ging Marleentje weer, en zij vroeg: »Broertje mag ik den appel?« Maar hij zweeg stil; toen gaf zij hem een klap om zijn ooren en het hoofd rolde op den grond. Daarvan verschrikte zij, en begon te schreien en te jammeren, en liep naar haar moeder, en zei: »Ach, moeder, ik heb mijn broertje zijn hoofd afgeslagen!« en zij schreide en schreide en wilde niet bedaren. »Marleentje!« zei de moeder, »wat heb je gedaan? Maar wees nu toch stil, dat niemand het merkt; er is nu niets meer aan te veranderen; wij zullen er zult van koken.« Toen nam de moeder den kleinen jongen en hakte hem in stukken, deed hem in de pan en kookte er zult van. Marleentje stond er bij, en schreide en schreide, en haar tranen vielen in de pan; er was toen geen zout noodig. Toen kwam de vader thuis; en ging aan tafel zitten en vroeg: »waar is toch mijn zoon?« De moeder droeg een grooten schotel met zult op en Marleentje schreide en kon zich niet goed houden. Toen vroeg de vader weer: »Waar is toch mijn zoon?«

»Och,« zei de moeder, »hij is naar buiten naar zijn moeder’s oom, daar wou hij een poosje blijven.« »Wat moet hij daar doen, hij heeft mij niet eens goeden dag gezegd!« »Hij wou er zoo graag naar toe, en heeft gevraagd of hij wel zes weken blijven mocht; zij zullen hem er wel houden.«

»Ach,« zei de man, »ik ben zoo droevig; het is toch niet goed, hij had mij toch goeden dag moeten zeggen.« Tegelijk begon hij te eten, en zei: »Marleentje, wat huil je toch? Je broertje zal wel terug komen. Hé, vrouw,« zei hij, »wat smaakt mij dat eten goed, geef mij nog meer!« En hoe meer hij at, hoe meer hij wilde hebben. Hij riep: »geef mij meer, je zult er [71]niets van hebben, het is of het allemaal van mij is!« En hij at, en at, en de beentjes gooide hij onder de tafel, tot hij alles op had. Maar Marleentje ging naar haar kast, en nam van de onderste plank haar beste zijden doekje, en haalde al de beentjes van onder de tafel uit, en bond ze in den zijden doek, en ging er meê naar buiten en schreide haar bloedige tranen. Toen legde zij ze onder den amandelboom in het groene gras, en toen zij ze daar neêrgelegd had, werd haar het hart zoo licht en zij schreide niet meer. Daar begon de amandelboom te bewegen, de takken gingen van elkaâr en dan weer naar elkaâr toe, zoo net of iemand erg blij is en zoo met zijn handen doet. Meteen ging er nu een nevel uit den boom op, en recht midden in dien nevel, brandde het als vuur, en uit dat vuur vloog een prachtige vogel op; hij zong zoo heerlijk en vloog hoog op in de lucht; en toen hij weg was, stond de amandelboom weer zooals hij vroeger gestaan had, en de doek met de beentjes was weg. Maar Marleentje was zoo luchtig en blij, alsof haar broertje nog leefde. En zij ging weer vroolijk het huis in en aan de tafel zitten en begon te eten.

De vogel was weggevlogen en had zich op het dak bij een goudsmid gezet, en begon te zingen:

»Mijn moeder, die mij slacht,

Mijn vader, die mij at,

Mijn zusje Marleentje,

Zij zocht mijn beentjes

Legt ze in een zijden doek,

Onder den amandelboom

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

De goudsmid zat in zijn werkplaats en maakte een gouden ketting; hij hoorde den vogel die op zijn dak [72]zat te zingen, en het leek hem zoo mooi. Toen stond hij op, maar toen hij over den drempel ging verloor hij een pantoffel. Zoo ging hij midden op de straat op één pantoffel en één sok; zijn schootsvel had hij voor, en in de eene hand de gouden ketting, in de andere de tang, en de zon scheen fel in de straat. Daar ging hij staan midden in, en keek naar den vogel. »Vogel,« zei hij, wat kun je mooi zingen, zing dat stuk nog eens.« »Neen,« zei de vogel, »tweemaal zing ik niet voor niets. Geef mij de gouden ketting, dan zal ik het nog eens zingen.« »Daar heb je de gouden ketting,« zei de goudsmid, »zing het nu nog eens.« Toen kwam de vogel en nam de gouden ketting in de rechterpoot, en hij ging voor den goudsmid staan en toen zong hij:

»Mijn moeder, die mij slacht,

Mijn vader, die mij at,

Mijn zusje Marleentje

Zij zocht al mijn beentjes

Legt ze in een zijden doek

Onder den amandelboom,

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

Toen vloog de vogel naar een schoenmaker, ging op het dak zitten en zong:

»Mijn moeder, die mij slacht,

Mijn vader, die mij at,

Mijn zusje Marleentje

Zij zocht al mijn beentjes,

Legt ze in een zijden doek

Onder den amandelboom,

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

De schoenmaker hoorde het en liep in zijn hemdsmouwen naar de deur, en keek naar zijn dak, en zijn [73]hand moest hij boven zijn oogen houden, voor ’t helle licht van de zon. En hij riep toen naar binnen door de deur. »Vrouw, kom toch eens, daar is een vogel! kijk toch eens die vogel, hij kan zoo mooi zingen!« En hij riep zijn dochter en de kinderen en de knechts, en de meid, en ze kwamen allemaal op straat en keken naar den vogel, hoe mooi hij was; hij had roode en groene veeren, en om zijn hals was het als zuiver goud, en zijn oogen blonken in zijn kop als sterren. »Vogel,« zei de schoenmaker, »zing nu dat stuk nog eens.« »Neen,« zei de vogel, «tweemaal zing ik niet voor niets, je moet er mij wat voor geven.« »Vrouw,« zei de man, »ga naar de zolder: op de bovenste plank staan een paar roode schoenen, breng die beneden.« Toen ging de vrouw heen, en haalde de schoenen. »Daar vogel,« zei de man, »zing nu dat stuk nog eens.« Toen kwam de vogel en nam de schoenen in den linkerpoot en vloog weer op het dak, en zong:

»Mijn moeder, die mij slacht,

Mijn vader, die mij at,

Mijn zusje Marleentje,

Zij zocht al mijn beentjes,

Legt ze in een zijden doek,

Onder den amandelboom,

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

En toen hij uitgezongen had vloog hij weg; de ketting had hij in de rechterpoot, de schoenen in de linker; hij vloog ver weg naar een molen, en de molen ging: »klippe-klappe, klippe-klappe, klippe-klappe,« en in den molen waren twintig muldersgezellen; zij houwden een steen en hakten: »hik-hak, hik-hak, hik-hak,« en de molen ging: »klippe-klappe, klippe-klappe, klippe-klappe.« Toen ging de vogel op een [74]lindeboom zitten, die voor den molen stond en zong:

»Mijn moeder, die mij slacht,«

toen keek er één op,

»Mijn vader, die mij at,«

Toen keken er nog twee op en luisterden,

»Mijn zusje Marleentje,«

Toen hoorden er weêr vier op,

»Zij zocht al mijn beentjes,

»Legt ze in een zijden doek,«

Nu hakten er nog maar acht,

»Onder«

Nu nog maar zeven

»den amandelboom,«

en nu nog maar één.

«Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«


Toen hield de laatste ook op, en had het eind nog net gehoord. »Vogel,« zei hij, »wat zing je mooi; laat het mij ook eens hooren, zing het nog eens.« »Neen,« zei de vogel, »tweemaal zing ik niet voor niets; geef mij den molensteen, dan zal ik het nog eens zingen.»

»Ja,« zei hij, »als hij alléén van mij was, zou ik hem je geven.« »Ja,« zeiden de anderen, »als hij het nog eens zingt, zal hij hem hebben.« Toen vloog de vogel naar beneden, en al de twintig mulders, legden den steen op planken en beurden hem op »ho-op, ho-op, ho-op!« De vogel stak toen den kop door het gat, en nam hem als een kraag om den hals; toen vloog hij weêr op den boom en zong: [75]

»Mijn moeder, die mij slacht,

Mijn vader, die mij at,

Mijn zusje Marleentje,

Zij zocht al mijn beentjes

Legt ze in een zijden doek,

Onder den amandelboom,

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

En toen hij uitgezongen had, sloeg hij de vleugels uit elkaâr, en hij had in de eene poot den ketting en in de andere de schoenen en om zijn hals den molensteen, en zoo vloog hij ver weg, naar zijn vader’s huis.

In de kamer zaten de moeder, de vader en Marleentje aan tafel en de vader zei: »Ach, wat voel ik mij op eens blij en verlicht van hart!« »Neen,« zei de moeder, »ik ben angstig, ’t is of er een zwaar onweer zal komen.«

Maar Marleentje zat en schreide en schreide; toen kwam de vogel aangevlogen en toen hij op het dak zat, zei de vader: »ik ben zoo blij, en de zon schijnt buiten zoo heerlijk, het is mij of ik van daag een ouden vriend zal terug zien.« »Neen,« zei de vrouw, »ik ben benauwd, mijn tanden klapperen, en mijn bloed brandt als vuur,« en zij maakte haar lijfje los en haar ondergoed; maar Marleentje zat in een hoek te schreien; zij hield haar bord voor de oogen en schreide het bord druipnat.

Toen zette de vogel zich op den amandelboom en zong:

»Mijn moeder, die mij slacht,«

Toen hield de moeder haar ooren dicht en haar oogen toe, en wilde niet zien en niet hooren, maar het bruiste in haar ooren als een vreeselijke storm, en haar oogen brandden en het trok er door heên als bliksemflitsen. [76]

»Mijn vader, die mij at,«

»Ach, moeder,« zei de man, »daar zit zoo’n mooie vogel, en hij zingt zoo heerlijk, en de zon schijnt zoo lekker en buiten ruikt het als zuiver kaneel!»

»Mijn zusje Marleentje,«

Toen legde Marleentje haar hoofdje op haar knie en schreide, schreide; maar de man zei: »ik ga naar buiten, ik moet dien vogel van dichtbij zien.« »O, ga toch niet!« zei de vrouw, »het is of het gansche huis schudt en in vlam staat!« Maar de man ging naar buiten en keek naar den vogel:

»Zij zocht al mijn beentjes,

Legt ze in een zijden doek,

Onder den amandelboom,

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

En tegelijk liet de vogel de gouden ketting vallen, en hij viel den man om zijn hals, en het sloot zoo mooi rondom, hij paste hem precies. En hij ging naar binnen en zei: »Kijk toch eens, wat is dat voor een mooie vogel! Hij heeft mij zoo’n prachtigen ketting gegeven en hij ziet er zoo mooi uit!« Maar de vrouw werd het zoo eng, zij viel languit op den grond en de muts van haar hoofd; toen begon de vogel weêr:

»Mijn moeder, die mij slacht,»

»O, was ik duizend voeten onder den grond, dat ik dat niet hooren moest!»

»Mijn vader, die mij at,»

Toen viel de vrouw als dood neêr.

»Mijn zusje Marleentje,»

[77]

»Ik wil ook naar buiten gaan,« zei Marleentje, »en zien of de vogel mij ook wat geeft.« Toen ging zij naar buiten.

»Zij zocht al mijn beentjes,

Legt ze in een zijden doek.«

Toen gooide hij de schoenen naar beneden.

»Onder den amandelboom,

Kiewit, kiewit, wat een mooie vogel ben ik.«

Toen werd het haar licht en blij; zij trok het eene roode schoentje aan en danste en sprong er in rond. »Toen ik naar buiten ging, was ik zoo treurig,« zei ze, »en nu ben ik zoo licht en blij! wat is dat een mooie vogel; hij heeft mij een paar roode schoentjes gegeven!»

»O!« zei de vrouw, en ze sprong op, en de haren rezen haar te berge als vuurvlammen; »het is of de wereld vergaan moet, ik wil naar buiten, dan wordt het mij misschien lichter!« Toen zij buiten de deur kwam: plang! smeet de vogel haar den molensteen op het hoofd, dat ze tot moes geplet werd. De vader en Marleentje hoorden het en gingen naar buiten; er ging rook en vuur en vlammen op van die plek, en toen dat voorbij was, stond daar het broertje; hij nam zijn vader en Marleentje bij de hand en alle drie waren echt vergenoegd, en zij zijn in huis gegaan en zijn aan tafel gaan zitten eten.

Ornament.

[78]

[Inhoud]
Ornament

XLVIII.

De oude Sultan.

Een boer had een trouwen hond, die Sultan heette; hij was oud en had al zijn tanden verloren, zoodat hij niets meer kon aanpakken. Eens stond de boer met zijn vrouw buiten voor de deur, en de boer zei: »Den ouden Sultan schiet ik morgen dood, wij hebben geen nut meer van hem.« De vrouw had medelijden met het trouwe dier en daarom sprak zij: »Hij heeft ons zoo veel jaren trouw gediend en zoo goed geholpen, wij konden hem nu het genadebrood wel geven.» »Wat,« zei de man, »ben je niet wijs? Hij heeft geen enkelen tand meer in zijn bek; geen dief, die meer bang voor hem is, ’t is nu zijn tijd. En heeft hij ons gediend, dan heeft hij er ook goed eten voor gehad.»

De arme hond, die niet ver daar vandaan in de zon lag uitgestrekt, had alles gehoord, en hij was treurig, dat het morgen zijn laatsten dag zou zijn. Hij had een goeden vriend, dat was de wolf, daar sloop hij ’s avonds in het donker door het bosch naar toe, en [79]hij klaagde hem over het lot, dat hem treffen zou. »Wees maar goedmoeds, buur,« zei de wolf, »ik zal je wel helpen uit den brand. Ik heb wat bedacht. Morgen ochtend vroeg moeten je baas en je vrouw naar het hooiland, en zij nemen het kleine kind mee, omdat er niemand in huis achterblijft. Terwijl zij aan ’t werk zijn leggen zij het kind gewoonlijk achter de heg, in de schaduw; ga jij daar nu naast liggen, of je het wilde bewaken. Ik zal dan uit het bosch komen draven en het kind rooven, en dan moet jij dadelijk opspringen en mij achterna rennen, om het mij weêr af te pakken. Ik laat het vallen, je brengt het aan de ouders terug; die gelooven dan, dat je het gered hebt, en zijn veel te dankbaar om je iets aan te doen; je zult in volle genade worden aangenomen en zij zullen het je aan niets laten ontbreken.«

Dat plan beviel den hond best, en zooals het bedacht was, werd het uitgevoerd. De vader schreeuwde het uit toen hij den wolf met zijn kind zag wegloopen, maar toen de oude Sultan het terugbracht was hij blij en streelde den hond, en sprak: »jou zal geen haartje gekromd worden, je zult het genadebrood eten zoolang als je leeft.« En tegen zijn vrouw zei hij: »ga gauw naar huis en kook voor den ouden Sultan wat wittebroodspap, dat hoeft hij niet te bijten, en breng het hoofdkussen uit mijn bed, daar mag hij op slapen.« Van nu af aan, had de oude Sultan het zoo goed als hij maar wenschen kon. Kort daarop bezocht hem de wolf, en had er schik in, dat alles zoo goed gegaan was. »Maar buur,« zei hij, »nu zul je toch wel eens een oog dicht doen, als ik bij gelegenheid bij je baas eens een vet schaap weghaal. Het is tegenwoordig zuinig met de kost.« »Daar moet je niet op rekenen,« zei de hond, »mijn baas blijf ik trouw, daar gaat niets van af.« De wolf dacht, dat het niet ernstig gemeend [80]was, en in den nacht kwam hij aangeloopen om het schaap te stelen. Maar de trouwe Sultan had den boer gewaarschuwd, en die paste hem op, en kamde hem zijn haar met den dorschvlegel, dat het bar was. De wolf moest vluchten, maar hij riep tegen den hond: »wacht schoelje, dáár zul je voor boeten!»

Den volgenden dag stuurde de wolf het wilde zwijn, die moest den hond opvorderen naar het bosch, daar zouden zij de zaak uitvechten. De oude Sultan kon geen andere hulp vinden dan een kat, die maar drie pooten had; en toen zij samen naar buiten gingen, strompelde de arme kat langzaam voort, en van pijn, hield zij den staart in de lucht. De wolf en zijn partij waren al op de bepaalde plaats, maar toen zij hun tegenpartij zagen aankomen, meenden zij dat hij een sabel droeg, want daarvoor hielden zij de recht opgerichte staart van de kat. En toen het arme dier zoo op drie pooten sprong, dachten zij, dat het iedere keer met de vierde een steen opnam om hen meê te gooien. Toen kregen zij het te kwaad: het wilde zwijn kroop weg in een akker en de wolf sprong in een boom. De hond en de kat verwonderden zich toen zij aankwamen, dat er niemand te zien was. Maar het wilde zwijn had zich niet heelemaal kunnen wegstoppen, en de ooren staken er nog uit. Terwijl de kat bedaard rondkeek, bewoog het zwijn zijn ooren; de kat dacht, dat het een muis was, en sprong er op af, en beet er flink in. Het zwijn sprong schreeuwend op, liep hard weg, en riep: »daar op den boom zit de schuldige!« De hond en de kat keken naar boven en zagen den wolf; die schaamde zich, dat hij zich zoo laf had aangesteld, en sloot vrede met den hond. [81]

[Inhoud]
Ornament

XLIX.

De zes Zwanen.

Eens jaagde een koning in een groot woud, en hij jaagde zoo ijverig, dat zijn jachtstoet hem niet volgen kon. En toen het avond was geworden, en hij stil stond en rondkeek, bemerkte hij, dat hij verdwaald was. Hij zocht een uitweg uit het woud maar hij vond er geen. Nu zag hij op eens een oude vrouw met waggelend hoofd, die naar hem toekwam; maar het was een heks. De koning sprak haar aan, en zeide: »goede vrouw, kunt ge mij niet den weg wijzen uit het bosch?« »O ja, heer koning, dat kan ik wel, maar er is een voorwaarde bij, en als gij die niet vervult, komt gij nooit meer uit het bosch en moet den hongerdood sterven.« »Welke is die voorwaarde?« »Ik heb een dochter, die zoo schoon is, als ééne op de wereld, en zij verdient wel uwe koningin te worden; wilt gij haar tot vrouw nemen, dan wijs ik u den weg uit het bosch.«

De koning zeide, ja, in zijn angst, en de oude bracht hem naar haar huisje, daar zat haar dochter bij het [82]vuur. Zij ontving den koning alsof zij hem verwacht had; hij zag wel, dat zij heel mooi was, maar toch beviel zij hem niet; als hij haar aanzag overviel hem een huivering.

Toen hij het meisje bij zich op het paard genomen had, wees de oude hem den weg en zoo kwam de koning weer in zijn slot. Daar werd toen de bruiloft gevierd.

De koning was al eens getrouwd geweest en van zijne eerste koningin had hij zeven kinderen, zes prinsen en één prinsesje, die hij alle uitermate lief had. Hij vreesde, dat de stiefmoeder hen niet goed zou behandelen en misschien wel kwaad zou doen, daarom bracht hij ze naar een eenzaam slot, midden in een bosch. Het lag zóó verborgen, en de weg was zóó moeielijk te vinden, dat hij zelf verdwaald zou zijn, als niet een fee hem een kluw katoen had gegeven, met de bijzondere eigenschap van zelf los te wikkelen als men hem vooruit wierp, en zoo den weg aan te wijzen. Maar de koning ging zoo dikwijls naar zijn lieve kinderen in het bosch, dat het de koningin begon op te vallen; zij werd nieuwsgierig en wilde weten, wat hij toch iedere keer zoo heel alléén in het bosch te doen had. Zij gaf toen veel geld aan zijn dienaren, en die hebben haar het geheim verraden, en hebben haar ook gezegd van de kluw en hoe die den weg aanwees. Nu had zij geen rust voor zij had uitgevonden, waar de koning die kluw bewaarde; daarna naaide zij kleine wit zijden hemdjes; en daar zij van hare moeder tooverkunsten geleerd had, naaide zij er een betoovering in. Toen nu de koning eens ter jacht was uitgereden, nam zij de hemdjes en ging het bosch in, en de kluw wees haar den weg. De kinderen, die in de verte iemand zagen komen, meenden, dat het hun lieve vader was, en huppelden hem blij te gemoet. [83]Toen gooide zij over ieders hoofd een hemdje, en toen dat hun huid had aangeraakt, veranderden zij in zwanen, en zij vlogen weg over het bosch. De koningin ging heel vergenoegd naar huis, want zij dacht nu van haar stiefkinderen bevrijd te zijn; maar het meisje was niet meêgekomen en van haar bestaan wist zij niets af. Den volgenden dag kwam de koning om zijn kinderen te bezoeken, maar hij vond alleen het meisje. »Waar zijn de broêrtjes?« vroeg de koning. »Ach lieve vader,« zeide ze, »die zijn weg en zij hebben mij alléén achtergelaten,« en zij vertelde hoe zij het gezien had van uit haar venstertje, dat haar broers als zwanen over het bosch wegvlogen; en zij toonde hem de veêren, die zij in het tuintje hadden laten vallen, en die zij had bijeengezocht. De koning treurde, maar hij verdacht toch de koningin niet van die booze daad. Hij vreesde dat het meisje ook geroofd zou worden daarom wilde hij haar meenemen. Maar zij was bang voor de stiefmoeder en smeekte, dat zij nog alléén maar dien nacht in het bosch zou mogen blijven.

Het meisje had gedacht: »nu kan ik niet langer blijven, ik moet gaan om mijn broeders te zoeken!« En toen de nacht was gekomen ontvluchtte zij en ging dieper het bosch in. Zoo liep zij den ganschen nacht en ook den volgenden dag, aan één stuk door, tot zij van vermoeidheid niet meer kon gaan. Toen kwam zij bij een wildschuur; zij ging er in en vond er een kamertje met zes kleine bedjes, maar zij dorst er zich niet in te leggen, en kroop onder een van de bedjes; op den harden grond wilde zij zoo den nacht doorbrengen. Maar toen de zon zou ondergaan hoorde zij ruischen van vleugels in de lucht, en zes zwanen kwamen het venster ingevlogen. Zij zetten zich op den grond en bliezen tegen elkaâr, en bliezen elkaâr al de vederen [84]af, en hun zwanenhuid konden zij afstroopen als een hemd. Het meisje zag toen, dat het haar broeders waren en zij verheugde zich en kroop van onder het bedje te voorschijn. De broeders waren even verheugd dat zij hun zusje terug hadden, maar het duurde niet lang.

»Je kunt hier niet blijven,« zeiden zij, »dit is een herberg voor roovers, en als zij thuis komen en je vinden zullen zij je zeker kwaad doen.« »Kun je mij dan niet beschermen?« vroeg het zusje.

»Neen,« antwoordden zij, »want wij kunnen niet langer dan een kwartier iederen avond onze zwanenhuid afleggen en menschen zijn; daarna worden wij weer in zwanen veranderd.« Het zusje begon te schreien en vroeg: »Kun je dan niet verlost worden?«

»Ach neen, dat is te moeilijk. Zes jaar lang mag je niet spreken of lachen, en in dien tijd moet je zes hemdjes voor ons maken alleen van sterremuur bloemetjes. Maar spreekt je mond één enkel woord, dan is alle arbeid voor niets.« Toen de broeders zoo gesproken hadden, was het kwartier om, en als zwanen vlogen zij weer het venster uit.

Maar het meisje dacht in zich zelve; »ik wil mijn broeders verlossen al kost het mij mijn leven,« en den volgenden ochtend ging zij uit, en verzamelde sterremuur en begon te naaien; spreken kon zij met niemand en voor lachen was zij niet vroolijk genoeg: zij zat maar en keek op haar werk. Toen zij al langen tijd zoo gezeten had, gebeurde het, dat de koning van dat land die in dat bosch op jacht was, in de buurt jaagde, en de jagers kwamen bij den boom waar het meisje op zat te naaien. Zij riepen haar toe: »Wie ben je?« Maar zij antwoordde niet. »Kom van den boom af, bij ons, wij zullen je geen kwaad doen.« Zij schudde alléén het hoofdje. Toen zij maar al door vroegen, [85]wierp zij hun haar gouden halsketting toe, zij dacht, dan zouden zij wel tevreden zijn. Maar zij hielden niet op; toen wierp zij nog haar gordel naar beneden en daarna haar kousebanden, en alles wat zij aanhad zoodat zij eindelijk niets meer dan haar hemdje overhield. Maar de jagers lieten zich nog niet afwijzen en klommen in den boom, beurden het meisje eruit, en brachten haar bij den koning.

»Wie ben je?« vroeg de koning, »wat doe je op dien boom?« Maar zij antwoordde niet. Hij vroeg in alle talen doch zij bleef stom. Maar zóó mooi was zij, dat ’t konings hart getroffen werd, en hij voelde een groote liefde voor haar. Hij hing haar zijn mantel om, nam haar vóór zich op het paard en bracht haar in zijn slot. Daar liet hij haar rijke kleeren maken, en zij straalde in haar schoonheid als de lichte zon; maar geen woord kwam er van haar lippen. De koning zette haar naast zich aan tafel en haar bescheidenheid en zedig wezen bevielen hem zóózeer, dat hij zeide: »Deze wensch ik tot mijn vrouw te maken, en geen andere op de geheele wereld,« en na eenige dagen trouwde hij haar.

De koning echter had een booze moeder, die ontevreden was over dit huwelijk en zij sprak kwaad van de jonge koningin. »Wie weet, wat voor een meid dat is,« zeide zij, »die niet spreken kan; zij is een koning onwaardig.« Na een jaar, toen de koningin haar eerste kindje geboren was, nam de oude het weg terwijl zij sliep, en besmeerde haar den mond met bloed. Toen ging zij naar den koning, en klaagde haar aan, dat zij een menscheneetster was. De koning geloofde het niet en wilde niet dulden, dat men haar eenig leed aandeed. En zij zat maar en naaide aan de hemden, en merkte niets. Den tweeden maal toen er een mooi jongetje geboren werd, pleegde de [86]stiefmoeder hetzelfde bedrog; maar de koning weigerde weêr haar te gelooven en hij sprak: »zij is zoo vroom en goed; dat zou zij nooit kunnen doen; was zij niet stom, dan zou zij zich kunnen verdedigen, en haar onschuld zou blijken.« Maar toen den derden maal de oude weêr het jonge kind roofde en de koningin aanklaagde, en zij geen woord tot haar verdediging sprak, was de koning genoodzaakt haar aan het gerecht over te leveren; en toen werd zij veroordeeld tot den vuurdood.

De dag waarop het vonnis zou voltrokken worden, was tegelijk de laatste dag van de zes jaren, waarin zij niet spreken of lachen mocht, en nu had zij haar broeders uit de macht van de betoovering bevrijd. De zes hemden waren klaar, alléén de linker mouw ontbrak nog aan het laatste. Toen zij nu naar den brandstapel geleid werd, hing zij de hemden over haar arm, en toen zij boven stond en het vuur ontstoken zou worden, keek zij om, en er kwamen zes zwanen door de lucht gevlogen. Toen begreep zij, dat haar verlossing nabij was en er was vreugde in haar hart. De zwanen ruischten om haar heen en bogen zich tot haar, dat zij om hun halzen de hemden kon gooien; en toen die hen aanraakten viel de zwanenhuid af, en haar broeders stonden levend voor haar, frisch en schoon; alleen de jongste miste den linkerarm, en daar voor was aan zijn schouder een zwanenvleugel gehecht. Zij omhelsden en kusten elkaâr en de koningin ging tot den koning, die daar verslagen stond, en sprak: »Mijn liefste gemaal, nu mag ik spreken en u openbaren, dat ik onschuldig ben en valschelijk aangeklaagd,« en zij verhaalde hem van het bedrog van de oude koningin en hoe zij haar kinderen had geroofd en verborgen. Die werden toen tot ’s konings innige vreugde te voorschijn gebracht, maar de booze schoonmoeder [87]werd tot haar straf op den brandstapel gebonden en tot asch verbrand. De koning en de koningin en hare zes broeders, leefden nog lange jaren in vrede en geluk.

Ornament.

[88]

[Inhoud]
Ornament

L.

Doornenroosje.

Voor lange, lange jaren, waren er eens een koning en koningin, die zeiden elken dag: »Ach als wij toch maar een kind hadden!« maar zij kregen geen kind. Toen gebeurde het eens, terwijl de koningin in het bad was, dat er een kikvorsch uit het water naar den kant zwom en tot haar zeide: »Uw wensch wordt vervuld, gij zult een dochter ter wereld brengen.« Wat de kikvorsch voorspeld had, gebeurde, de koningin werd een dochtertje geboren, en zóó schoon was het, dat de koning zich niet houden kon van vreugde en een groot feest liet aanrichten. En niet alleen vrienden en verwanten liet hij uitnoodigen, maar ook de wijze vrouwen, opdat zij het kind goed en gunstig gezind zouden zijn. Dertien waren er in zijn rijk; hij had echter maar twaalf gouden borden, waarvan zij zouden eten, daarom kon hij er ééne niet nooden. Die gevraagd waren, zijn gekomen; en toen de feestmaaltijd gehouden was, hebben zij aan het kind hare wondergaven [89]geschonken: de eene gaf Deugd, de andere Schoonheid, de derde Rijkdom en zoo kreeg zij alles wat er heerlijks is in de wereld. Toen elf haar gave gegeven hadden, kwam plotseling de dertiende binnen. Zij kwam om zich te wreken, dat zij niet genoodigd was, en zonder iemand te groeten of aan te zien, riep zij met harde stem: »De koningsdochter zal zich op haar vijftiende jaar aan een spinnewiel verwonden, en dood neêrvallen!« Na deze woorden keerde zij zich om en verliet de zaal, en allen stonden verwezen. Daar trad de twaalfde naar voren, die nog een gave te geven had. Zij kon de booze voorzegging niet opheffen, wel verzachten, en sprak: »Het zal niet de dood zijn, maar een honderdjarige slaap, die ’s konings dochter zal overvallen.«

De koning wilde zijn lieve dochter voor dat ongeluk bewaren en hij liet in zijn rijk afkondigen, dat alle spinnewielen moesten worden afgeschaft. Aan het meisje werden alle voorzeggingen van de wijze vrouwen vervuld: zij werd schoon, zedig, liefelijk en verstandig, en ieder, die haar kende kreeg haar hartelijk lief. Nu gebeurde het juist op den dag, dat haar vijftiende jaar moest aanvangen, dat de koning en de koningin waren uitgegaan, en het meisje alléén bleef in het slot. Zij dwaalde het geheele slot rond, bekeek zalen en kamers, hoeken en gaten, zooals het haar in den zin kwam, en zoo kwam zij ook bij een ouden toren. Zij steeg een nauwe trap op en kwam toen voor een kleine deur. In het slot stak een roestige sleutel en toen zij die omdraaide sprong het slot open. In het kamertje zat een oude vrouw, die ijverig haar vlas spon. »Ei, moedertje!« zei het prinsesje, »wat doet ge daar?« »Ik spin,« zei het oudje en knikte met het hoofd. »Wat springt dat dingetje aardig rond!« zei het meisje en greep naar het spinnewiel en wilde zelf ook spinnen. Maar nauwelijks [90]had zij het aangeraakt of de tooverspreuk vervulde zich en zij stak zich er aan.

En op het oogenblik, dat zij den steek voelde, viel zij in diepen slaap en de slaap verbreidde zich over het geheele slot: de koning en de koningin, die juist waren thuis gekomen, sliepen in, en met hen de geheele hofstoet. En ook de paarden in de stallen sliepen, de honden in den hof, de duiven op het dak, de vliegen aan den wand; ja, ook het vuur, dat flikkerde in den haard werd stil en sliep, het gebraad hield op te prutsen, en de kok moest den keukenjongen loslaten, die hij juist een flink pak wilde geven voor een verzuim, en hij sliep ook. Toen legde zich ook de wind, en aan den boom voor het slot bewoog geen blaadje meer.

Hij kon zijn oogen niet van haar afwenden.

Hij kon zijn oogen niet van haar afwenden.

(Bladz. 93).

Maar rondom het slot groeide een doornhaag, die ieder jaar hooger werd, en het gansche slot omgaf en er overheen groeide zoodat er niets meer van te zien was, zelfs niet de vlag op het dak. In het land ging toen de sage van het »Doornenroosje«, de schoone, slapende koningsdochter; en dikwijls kwamen er koningszonen, die door de haag in het slot wilden dringen. Maar het was hun niet mogelijk, want de takken hielden zich, als met handen, gegrepen, en de jongelingen bleven aan de doornen hangen en moesten jammerlijk sterven. Na lange, lange jaren trok weêr een koningszoon door het land. Hem vertelde een oud man van de doornhaag; daarachter zou een slot zijn, waar een wonderschoone koningsdochter, het »Doornenroosje,« zou slapen; en met haar het geheele hof. Hij wist ook van zijn grootvader, dat veel koningszonen al in de haag gedrongen waren, maar zij waren er ingebleven en een jammerlijken dood gestorven. Toen sprak de jongeling. »Dat schrikt mij niet af: ik wil door de doornen dringen en schoon Doornenroosje zien.« En wat de oude zeggen mocht, het hielp [93]hem niet, hij kreeg zelfs geen gehoor. Nu waren echter juist toen de prins kwam, de honderd jaren voorbij gegaan. En toen hij de doornhaag naderde waren het enkel mooie groote bloemen, die uit elkaâr bogen toen hij kwam, zoodat hij er doorging, onverlet; en achter hem sloten zij zich weêr als een haag. Hij kwam in het slot; daar waren de paarden en de gevlekte jachthonden in slaap, op het dak de duiven, het kopje tusschen de vleugels. En binnen sliepen de vliegen op den wand, de kok hield nog de hand uitgestrekt om den keukenjongen te slaan, en de meid zat met de zwarte hen, die zij plukken zou. Verder ging hij, en in de zaal zag hij den ganschen hofstoet in slaap, en onder aan den troon lagen de koning en koningin. Toen ging hij nog verder en het was zóó stil dat hij zijn ademhaling hoorde. Zoo kwam hij eindelijk aan den toren, en opende de deur van het kleine kamertje waar Doornenroosje sliep. Daar lag zij, en zij was zóó schoon, dat hij zijn oogen niet van haar kon afwenden; toen bukte hij zich en kuste haar. Maar bij die aanraking sloeg Doornenroosje de oogen op, en ontwaakte, en zij zag hem vriendelijk aan. Te zamen daalden zij toen van den toren af, en de koning ontwaakte, en de koningin, en de geheele hofstoet en met groote oogen zagen zij elkander aan. En de paarden op het slotplein stonden op en schudden zich, de jachthonden sprongen en kwispelstaartten, de duiven op het dak haalden het kopje uit, keken rond en vlogen weg. De vliegen kropen verder op de muren; het vuur in den haard verhief zich, flikkerde op en kookte het eten; het gebraad prutste; de kok gaf den jongen een oorvijg, dat hij ’t uitschreeuwde en de meid plukte het hoen. Toen werd de bruiloft van Doornenroosje met den prins in alle pracht gevierd en zij leefden gelukkig tot aan het einde. [94]

[Inhoud]
Ornament

LI.

Vogelbuit.

Een houtvester ging eens in het bosch op de jacht, en midden in het bosch hoorde hij het schreien van een klein kind; hij ging op het geluid af en kwam voor een hoogen boom en boven in dien boom zat een kindje. Het was zóó gekomen, dat de moeder met het kindje op den schoot, onder den boom was ingeslapen; een roofvogel had het kind bespeurd en was toegeschoten en had het in zijn snavel weggedragen, en in den hoogen boom gezet.

De houtvester klom in den boom en haalde het kind er uit en hij dacht: »ik zal het meênemen, en met Leentje samen zullen wij het opvoeden;« en hij bracht het kind naar huis en het groeide met zijn dochtertje op. Omdat het op een boom gevonden was en door een vogel was meègenomen werd het »Vogelbuit« genoemd.

Vogelbuit en Leentje hielden zóóveel, zóóveel van elkaâr, dat zij treurden als zij niet te zamen waren. [95]

De houtvester had echter een oude huishoudster, die nam op een avond twee emmers, en ging aan het water dragen; en zij ging niet ééns om water, maar zij ging vele malen naar de bron. Leentje zag het en zei: »Hoor eens, oude Sanne! waar is al dat water voor?« »Als je het niemand oververtelt, wil ik het je wel zeggen.« Leentje beloofde, dat zij er niemand over spreken zou; toen zei de huishoudster: »Morgen vroeg als de baas op jacht is, zet ik het water op, en als het kookt gooi ik Vogelbuit er in en zal hem koken.«

En den volgenden ochtend, heel vroeg, stond de houtvester op en ging op de jacht; toen hij weg ging lagen de kinderen nog in bed en Leentje sprak tot Vogelbuit.

»Verlaat je mij niet, dan verlaat ik jou ook niet,« toen antwoordde Vogelbuit: »nu niet, en nooit!«

Toen sprak Leentje: »Ik zal het je zeggen: oude Sanne sleepte gisteren zooveel emmers water in huis; toen vroeg ik haar, waarvoor; zij zoude het mij zeggen als ik er niemand over sprak. Ik zei: »ik zal het zeker aan niemand zeggen;« toen sprak zij weêr, als vader op de jacht was, zou zij het water koken in een ketel en jou er in gooien en koken. Maar wij zullen gauw opstaan en ons vlug aankleeden en samen wegloopen.«

Dus stonden de kinderen op, kleedden zich vlug aan, en liepen weg. Toen nu het water in den ketel kookte, kwam de oude vrouw in de slaapkamer om Vogelbuit te halen en hem dan in het kokende water te gooien. Maar toen zij in de bedjes keek, waren de kinderen allebei weg; toen werd zij gruwelijk angstig en zij dacht: »wat zal ik nu zeggen, als de houtvester thuis komt, en hij merkt, dat de kinderen weg zijn? Gauw ze achter op, dat ik ze terug krijg!«

Toen stuurde de heks hun drie knechten na, die moesten hard loopen en de kinderen achterhalen. De [96]kinderen zaten voor het bosch, en toen zij in de verte de drie knechten zagen komen, zei Leentje, tegen Vogelbuit: »Verlaat je mij niet, dan verlaat ik jou ook niet.« En Vogelbuit antwoordde: »Nu niet, en nooit.« Toen zei Leentje: »Word jij dan een rozenstruik, dan ben ik het roosje, dat er aan groeit.« Toen nu de drie knechten bij het bosch kwamen, was er niets dan een rozenstruik met een roosje, maar de kinderen waren er niet. Toen zeiden zij: »hier is niets,« en zij gingen naar huis terug en zeiden tegen de huishoudster, dat zij niets gezien hadden dan een rozenstruik met een roosje er aan. Toen werd de oude huishoudster kwaad: »Onnoozele suffers, dat jelui zijt; je hadt de rozenstruik midden door moeten snijden, en het roosje aftrekken en meè naar huis brengen; ga gauw terug en doe het!« En ze moesten nog eens gaan zoeken. De kinderen zagen hen in de verte komen, en Leentje zei: «verlaat je mij niet, dan verlaat ik jou ook niet.« En Vogelbuit antwoordde: »nu niet, en nooit.« Toen zei Leentje: »word jij dan een kerk, dan zal ik de lichtkroon er in zijn.«

Toen nu de drie knechten aankwamen was er niet anders te zien dan een kerk waarin een lichtkroon hing. Toen zeiden zij tegen elkaâr: »Er is hier niets voor ons, laat ons maar naar huis gaan.« Toen zij aankwamen vroeg de huishoudster of zij niets gevonden hadden: »neen,« zeiden zij, »wij hebben niets gevonden dan een kerk, en daarin hing een lichtkroon.« »Ezels! waarom heb jelui de kerk niet omvergehaald en de kroon mee thuis gebracht!« en toen ging de oude huishoudster zelf op het pad met de drie knechten, de kinderen achterna. De kinderen zagen de drie knechten in de verte komen en de oude huishoudster strompelde achteraan. Toen sprak Leentje: »Vogelbuit, verlaat je mij niet, dan verlaat ik jou ook niet.« »Nu [97]niet, en nooit!« zei Vogelbuit. »Word dan een vijver,« zei Leentje, »dan ben ik het eendje dat er rondzwemt.« De huishoudster was nu aangekomen, en bij den vijver ging zij voorover liggen en wilde hem leeg drinken. Maar de eend kwam vlug gezwommen, pakte haar hoofd met den snavel en trok haar in het water: toen moest de oude heks verdrinken. De kinderen gingen nu te samen naar huis, en waren overgelukkig, en als zij niet dood zijn, leven zij nog.

Ornament.

[98]

Sprookjes Tweede verzameling
0.html
1.html
2.html
3.html
4.html