HOOFDSTUK IV

De warm geklede dames

’s Avonds kwam Gerben in de smederij met een tekeningetje voor een trechtervormige mand zonder bodem. „Kijk, Klinkhamer, ik wilde graag zoiets gemaakt hebben. Het is rond en van onderen zestig centimeter in doorsnee en van boven negentig centimeter. De ijzeren spijltjes moeten ongeveer een meter lang zijn en tien centimeter uit elkaar staan.”

„Juist. Een trechtervormige mand,” begreep Klinkhamer. „En moet er geen bodem in?”

„Dat is niet nodig, ik zet het ding in het weiland en vul het met aardappelschillen en groente-afval voor de schapen. Als ik dat voer op de grond strooi, wordt de helft vertrapt.”

„Het wordt dus een ronde ruif,” riep Sietse.

„Heel goed, Sietse‚” prees Gerben. „Jullie kunnen binnenkort wel reclame maken voor jullie ronde ruivenfabriek! Dan krijgen de boeren de ruivenepidemie en willen ze allemaal zo’n ding hebben.”

„Het is niet gek bedacht,” vond Klinkhamer. „Maar zeg liever niets over een ruivenfabriek tegen die deugnieten, want zij zijn er best toe in staat om zoiets met grote letters op de muur te kalken.”

„Ik ben wel wijzer,” riep Hielke, „want dan moeten we ons in het zweet werken om de muur weer schoon te boenen.”

„Tja, ik had vanmorgen ook nog een gekke ervaring,” vertelde Gerben. „Er kwam een man op de boerderij vragen of er nog iets te koop was. Ik koop en verkoop van alles zei hij. Heeft u dan een winkel? vroeg ik. Nee! Ik heb een volkswagenbusje, ik ben straathandelaar! Zo, zo, zei ik, en wat kost een straat zo gemiddeld? Begint die man te schelden. Hij was zwaar beledigd, maar onze brave Kara kan niet tegen dat gescheld en joeg hem het erf af. En weet u waarmee die man toen dreigde? Hij zou een klacht indienen bij de Kamer van Koophandel, omdat ik hem belemmerde in het uitoefenen van z’n bedrijf.”

„Het is toch niet waar?” riep Klinkhamer verbaasd.

„Tja,” zei Gerben, „nu weet ik het zelf ook niet meer.” Lachend verliet hij de smederij.

Klinkhamer schudde zijn hoofd. „Die Gerben… nou ja…”

Er holde iemand in trainingspak langs de smederij. De jongens gingen kijken en konden aan vader vertellen dat het Geitenbreier was die schijnbaar aan sport deed.

„Hij is zeker bang dat hij te dik wordt,” zei Klinkhamer. „Dat komt ervan als je de hele dag niets anders doet dan kletsen en kwekken. Een mens moet beweging hebben, dat is goed voor zijn bloedsomloop. Maar of een beetje hardlopen helpt, betwijfel ik!”

„Geitenbreier gaat de polderdijk op,” riep Hielke. „Dat is voor het eerst dat er een ‚geit’ op twee poten de dijk afrent.”

„Vergeet het maar,” lachte Sietse, „als de ‚Geit’ bij de Woudaap is, heeft hij er al meer dan genoeg van.”

Een halfuurtje later reed Gerben met zijn auto voorbij en naast hem zat… de ‚Geit’.

„Zagen jullie dat?” riep Sietse. „Gerben rijdt met de ‚Geit’ naar het dorp. Zou hij ook lid zijn van de Geitenclub?”

Daar moest Klinkhamer hard om lachen.

„Gerben is een felle tegenstander van herrie. De ‚Geiten’ weten alles beter, maar zonder grazen, geen melk.”

Daar kwam Gerben reeds terug en stopte bij de smederij. „Ik moest de grootste prater aller tijden naar huis brengen‚” vertelde hij Klinkhamer. „Meneer was uitgeput door het hardlopen. Ik heb me verkeken op de afstand, hijgde hij tegen mij. Nou ja, wat doe je dan? Je brengt de man naar huis. Ofschoon hij tegen auto’s is, had hij geen enkel bezwaar tegen het rijden in mijn dure ‚heilige koe’. Op het plein stapte Geitenbreier uit en vroeg wat hij mij schuldig was. Het is niet mijn gewoonte om daar geld voor te vragen, maar omdat Geitenbreier bleef mekkeren, zei ik tegen mijn principe in: geef maar een rijksdaalder voor de benzine. Jullie hadden zijn gezicht eens moeten zien. Hij keek zo zuur alsof hij een slok azijn naar binnen kreeg. Hij begon in zijn zakken te voelen en zei…”

„Ik heb de verkeerde broek aan,” riepen Hielke en Sietse.

„Hoe weten jullie dat?” vroeg Gerben verbaasd.

De jongens vertelden over de vier bouten die de ‚Geit’ook niet had kunnen betalen.

„Maar,” zei Hielke, „de volgende morgen bracht Anton het geld. Dus krijg jij morgen de rijksdaalder… misschien…”

„Ja, ja‚” lachte Gerben. „Dat zei de man ook die beweerde de volgende dag rijk te zijn. Hij moest enkel nog een prijs in de loterij winnen en misschien… was het raak! Maar ik zal jullie nog een mooi verhaal vertellen. Bij mij in de straat heeft een merkwaardige familie gewoond. Alle avonden gingen zij schatrijk naar bed. Dan speelden vader en de kinderen het volgende spelletje. Vader vertelde een verhaal over het kopen van een groot schip van acht miljoen gulden en zei dan: maar hoor eens, jongens, zo’n duur schip kopen wij niet. Dus besparen we acht miljoen gulden. En met de illusie dat zij acht miljoen over hadden gehouden, gingen ze naar bed. En nu ga ik weer gauw naar mijn hofdame en de kleine prinses. Tot ziens.” Gerben vertrok en Klinkhamer sloot de deuren van de smederij. De werkdag was weer lang genoeg geweest.

De volgende morgen kwam Sietse aan de ontbijttafel en riep: „Oef, wat is het warm! Ik zweet nu al en ik heb me pas gewassen.”

„Zeker met heet water?” plaagde Hielke.

Sietse keek hem aan en vroeg: „Droog jij je nooit af?”

„Natuurlijk wel!”

„En de druppels staan op je voorhoofd?!”

„Dat is zweet, jô.”

„Zie je wel! Wat zeur je dan over heet water?”

„Rustig, jongens,” maande Klinkhamer. „Blijf kalm, wind je nergens over op en doe alles zonder haast. Dat is het beste middel tegen de warmte.”

„Of ga tot je kin in het water,” was de raad van Sietse.

„En dan onder Kees z’n parasol,” vulde Hielke aan.

Louw en Anton klaagden ook al over de warmte toen ze bij de smederij kwamen.

„Wat een geluk dat we hier op zo’n groot meer kunnen varen,” vond Anton. „Met deze warmte is het op het water lekker koel.”

„Vergeet het maar,” riep Sietse. „De boot wordt straks zo heet, dat je het ijzer niet meer kunt vasthouden.”

„Ja!” viel Louw hem bij. „Dan glijdt de boot sissend in een wolk van stoom over het water. De uitvinding van de eeuw. Een super-stoom-straal-boot!”

Anton moest er om lachen en beweerde dat hij zoiets graag eens zou willen meemaken.

„Goed, dan gaan we,” riep Sietse en ze gingen naar het boothuis. De Kameleon werd gestart en de schippers voeren het meer op richting Woudaap. Daar zat Kees onder zijn parasol. De Kameleon legde aan, maar Kees deed geen moeite om op te staan.

„Ga maar door,” riep hij. „Ik blijf hier lekker liggen.”

„Luiaard,” schold Sietse. „Leen ons de parasol even.” Die vraag was natuurlijk overbodig, want Kees hield de parasol voor zichzelf.

De Kameleon voer verder. Hielke maakte zijn zakdoek nat en legde knopen in de vier punten. Het zo ontstane mutsje zette hij op zijn hoofd. Dat voorbeeld werd door de anderen nagedaan. Met hun natte zakdoekmutsen op het hoofd naderden de jongens de boerderij van Jellema.

Gerben stond op de wal te kijken.

„Hallo, watergekoelde schippers, willen jullie mij een dienst bewijzen? Ik moet twaalf dames gaan halen. Ze zijn nogal dik gekleed en lopen de kans bevangen te raken door de warmte. Daarom wil ik ze naar de boerderij brengen.”

„Ha, ha,” lachte Anton. „Dames met warme kleren aan in deze hitte? Hoe kunnen ze zo stom doen?”

„Lopen ze voorbij de stenen brug?” vroeg Sietse.

„Juist, Sietse. Vaar je de praam er even heen?”

De Kameleon ging de praam duwen. Gerben knikte goedkeurend toen de boten met flinke snelheid naar de stenen brug voeren. Anton ging staan om uit te kijken, maar hij zag nergens een groepje dames.

De Kameleon begon weldra vaart te minderen en dan legden de boten aan. Anton beklom als eerste de dijk en keek verbaasd om zich heen. Nergens viel er een dame te bekennen.

Gerben en de vrienden liepen naar het hek van een weiland. Daar riep Gerben luid: „Skiep, skiep, skiep!”

Uit de ondiepe greppels in het weiland rezen schapen omhoog en kwamen langzaam naar het hek. Gerben ging ze tellen, het waren er twaalf, dus het klopte. Gerben pakte het voorste schaap en trok het mee tot in de praam. De andere schapen volgden, waarbij de jongens ervoor zorgden dat geen van de dieren langs de dijk kon vluchten. De schapen hadden al meerdere malen in de praam gevaren, zij bleven dan ook rustig staan toen de boten teruggingen naar de boerderij.

„Waarom zet je geen parasol op de rug van ieder schaap?” vroeg Louw. „Dat zou hen beschermen tegen de felle zon.”

„Maar het zou gevaarlijk zijn bij een windhoos,” fantaseerde Anton. „De parasol zou het schaap de lucht in trekken.”

„Tja, jongens‚” zei Gerben, „het drijven van een boerderij is niet eenvoudig. Er zitten heel wat haken en ogen aan ons vak. Want de dieren rekenen erop dat de baas voor hen denkt. En dat doe ik met plezier, want de dieren zijn mijn beste kameraden!”

Ze hadden de boerderij bereikt en Gerben waarschuwde Sietse om nog niet aan te leggen, want er naderde een auto. Twee meter uit de wal liet Sietse de boten drijven. De schapen hadden de boerderij reeds herkend en drongen onrustig naar het zijboord. Dan snorde de auto voorbij en gaf Gerben het sein om aan te leggen. De praam schoof langs de wal en de schapen sprongen eruit en holden de dijk over naar de boerderij. Daar zochten ze dekking tegen de warme zonnestralen onder het afdak van de wagenloods.

„Zo, jongens,” riep Gerben, „de dames hebben hun rusthoekje gevonden. Ik zal hen water en voer geven. Dan kunnen ze hier een tijdje logeren, want met deze warmte is het niet verantwoord om onze wolgevers in de felle zon te laten lopen. Jaren geleden hadden we een hittegolf, waardoor de aardbol zoveel warmte uitstraalde dat de regen verdampt was, voordat het water de grond raakte. Die toestand heeft drie dagen geduurd. Wanneer je op handen en voeten kroop, ging je onder de regen door en bleef je droog. Het was wel gek om te zien, al die kruipende mensen. Maar ja, zoiets gebeurt misschien maar eenmaal in de eeuw.”

„Of misschien wel nooit,” merkte Sietse spottend op.

„Als jij brutaal wordt, Sietse Klinkhamer, krijg jij straks geen koele dronk!” dreigde Gerben.

„Waar moet het drinkwater voor de schapen in, Gerben?” vroeg Hielke.

Gerben trok een kuip uit een hoek van de loods en zette die bij de schapen. Met de slang uit de garage werd de kuip gevuld. De schapen kwamen meteen drinken, evenals Kara die rustig tussen de schapen ging staan, want hoewel schapen erg bang zijn voor honden, waren ze met Kara goede maatjes. Gerben duldde geen vijandschap tussen de dieren.

Het paard graasde vredig tussen de koeien, de varkens lagen bij de kippen en eenden en wat voor een gemengd gezelschap je ook van de dierenwereld maakte, nergens viel er van enige agressie iets te bespeuren. De mensen met al hun ruzies kunnen nog veel van de dieren leren, was de stelling van Gerben en dat bewees hij op de boerderij.

Gerben ging gras uit het weiland halen. Dat voer was welkom bij de schapen, maar zij liepen er wel op te trappen, toen het op de grond lag.

„Kijk,” wees Gerben, „daarvoor moet ik nu een ronde ruif hebben. Is jullie vader er al aan bezig?”

„Ik denk dat de ruif vandaag wel klaar is,” zei Hielke. „Wij zullen hem brengen zodra het kan.”

„Afgesproken, Hielke! En nu gaan we een koele dronk halen.”

De jongens volgden Gerben naar het woonhuis van de boerderij. In de grote keuken begroetten zij Jellema en zijn vrouw.

„Deze groep uitgedroogde bavianen hebben bij het vervoer van de schapen veel dorst gekregen. Heeft u nog gloeiend hete koffie of thee, mevrouw Jellema?” vroeg Gerben.

„Noem je dat een koele dronk?” riep Sietse spottend.

„Wel, jongens, ik heb karnemelk, die lekker fris en koud is,” bood mevrouw Jellema aan. „Dat hebben jullie zeker wel liever, nietwaar?”

„Alstublieft,” zei Louw en zijn vrienden knikten instemmend.

Mevrouw ging vier glazen vullen. Jellema vertelde dat het bij de boeren gewoonte was om iets warms te drinken, ook al heerste er een hittegolf.

„Juist,” stemde Gerben mee in, „want koud drinken is niet goed als je erg warm bent. Dan moet de koffie zo heet mogelijk zijn, zodat het zweet je aan alle kanten uitbreekt. Hoe meer je zweet, hoe beter, want dat gaat verdampen en daardoor koel je af. Het werkt net zoals wanneer je water op gloeiend ijzer gooit. Gooi je evenwel teveel water op het ijzer dan koelt het te snel af en wordt het bros of veel te hard. Dat overkwam Meindert Vogelzang ook. Hij werkte in het hooiland en omdat het heel warm was, droeg hij steeds een kort broekje. De zonnestralen schenen onbelemmerd op zijn vel. Hij werd extra warm en dronk toen zeven koppen hete koffie. Daardoor begon hij te zweten tot de damp eraf sloeg. Het gevolg was een veel te snelle afkoeling, waardoor zijn vel hard werd. Het was alsof hij in een harnas stond. Hij kon zijn armen en benen bijna niet meer bewegen en buigen kon hij zich al helemaal niet.”

„Dus ging hij naar de dokter,” vervolgde Sietse het verhaal.

Gerben keek verontwaardigd. „Wel, Sietse Klinkhamer, vertel jij het dan maar verder.”

„De dokter smeerde de man vol met zalf,” fantaseerde Sietse. „Daardoor werd het vel zacht en kon hij zich weer gewoon bewegen!”

„Zo dom heb ik het nog nooit gehoord!” riep Gerben uit. „Als je zalf smeert op een gloeiend hete huid, begint de zalf te braden net als bak- en braadvet. Meindert zou dan geroosterd en gebakken zijn, klaar voor consumptie. Bah, Sietse, jij maakt er wel een smakelijke vertoning van. Maar onze dokter is gelukkig een heel verstandig en kundig man. Hij wist meteen wat hem te doen stond. Hij groef een grote kuil in de tuin en daarin moest Meindert gaan liggen, waarna hij bedekt werd met koele modder. Zo lag hij begraven met alleen zijn hoofd nog boven de grond. Blijf maar rustig liggen, Meindert, zei de dokter. Het kan wel enige uren duren, maar zodra jij je armen en benen weer kunt gebruiken, kruip je onder de modder vandaan en kun je naar huis gaan. En daar lag Meindert in de tuin met alleen z’n hoofd zichtbaar. Patiënten die bij de dokter op bezoek kwamen, schrokken zich een hoedje bij het zien van een hoofd in het grasveld. Meindert werd een hele attractie. Iedereen kwam naar hem kijken. Hij vond het enorm vervelend en probeerde halsstarrig z’n armen en benen te bewegen. Maar het lukte nog steeds niet. Pas laat in de avond begon de stijfheid uit z’n lichaam weg te trekken en kon hij uit de kuil kruipen. Daar stond hij in z’n korte broekje, zwart van de modder. Hij rilde van de kou. Naar huis, dacht hij en begon hard langs de weg te hollen. In het dorp schrok iedereen van die bemodderde man. Vrouwen gilden en kinderen riepen om hulp.

Veldwachter Zwart ging het spook op de fiets achterna. Door het harde lopen kreeg Meindert het warm en om de modder weg te spoelen, dook hij voorbij het meubelmagazijn in de vaart. Zo werd hij schoon, maar toen hij op de wal klauterde, stond Zwart daar en gaf hem een bekeuring wegens het zwemmen in verboden water. Meindert probeerde Zwart te vermurwen door hem alles uit te leggen, maar Zwart zei: ‚ik heb niets te maken met jouw verstijvingen, ik zag je zwemmen zo lenig als een paling, dus houd je smoesjes maar voor de koekkoeklussie!’ Zo zie je maar wat je kunt overkomen tijdens een hittegolf!”

De jongens lachten om het malle verhaal en Louw vroeg: „Wat is koekkoeklussie, Gerben?”

„Dat is een koekkoek, die koek lust…”

„O wacht!” riep mevrouw Jellema. „Ik vergat de jongens een stuk koek te geven.”

„Doet u geen moeite, mevrouw,” riep Hielke, „wij hebben al heerlijke karnemelk.”

Mevrouw Jellema gaf toch aan ieder een flink stuk Friese koek en dat ging erin als… juist… als koek!

Gerben had nog iets te doen bij de schapen. Hij plaatste enige hekken voor de wagenloods, zodat de ‚dames’ er niet vandoor konden gaan. De jongens hielpen hem, terwijl de hond Kara toekeek.

„Had je deze hekken niet meteen moeten plaatsen?” vroeg Sietse. „Toen wij nog in de keuken zaten, hadden de schapen wel van het erf kunnen lopen.”

„Wel nee, Kara bewaakt het erf,” verzekerde Gerben hem. „Zonder zijn toestemming komt er niemand de poort uit, zelfs geen schaap.”

Chantel en haar dochtertje Anna-Renate kwamen ook bij de schapen kijken. Chantel voerde hen stukjes brood, maar dat wilde Anna-Renate doen. Gerben tilde haar over het hek en daar stond ze te midden van de schapen het brood uit te delen. Het was een leuk tafereeltje, dat kleine meisje tussen die weldoorvoede wolgevers.

Renate bleek helemaal niet bang te zijn en dat was volgens Chantel geen wonder, omdat zij een dochter van Gerben was.

„Juist,” pochte Gerben. „Ik ben de onverschrokken ridder van Friesland. Als mijn bloed begint te koken ben ik…”

„Koekkoeklussie,” riep Sietse.

„Dat is een belediging, Sietse Klinkhamer. Zal ik je even op je hoofd in de drinkbak zetten?”

Daar voelde Sietse niets voor, hij holde gauw het erf af.

Zijn vrienden namen ook afscheid. „Tot ziens, Gerben. Bedankt voor de koele dronk.”

„Vergeten jullie niet de ruif te brengen?” riep Gerben hen na.

„Het komt in orde,” beloofde Hielke en dan voer de Kameleon weer het meer op. Er was weinig wind, de meeste zeilboten lagen aan de wal. Ook het motorjacht Avanti lag in de opening tussen twee rietkragen. Op de wal had de eigenaar een tent neergezet, die aan één kant open was. Daarin zaten hij en zijn vrouw in een boek te lezen. Zij zagen niet dat er naast hun jacht een bootje met aanhangmotor had aangelegd. De twee jonge mannen die daarin zaten, probeerden een fraai vernikkeld anker los te maken.

Onze schippers in de Kameleon voeren er snel naar toe en riepen: „Pas op, meneer van de Avanti, er zijn dieven aan boord!”

[Tekening pagina 66]

De meneer schrok, hij wierp zijn boek in het gras en holde de loopplank op. De twee dieven waren reeds gevlucht.

„Houdt ze tegen, jongens!”

„Dat heeft geen zin,” riep Sietse. „Zij hebben niets meegenomen. Zij probeerden het anker te stelen, maar kregen daarvoor niet de tijd.”

Het bootje van de twee boosdoeners voer heel snel en verdween in het kanaal.

„Jammer, dat ze niet gepakt zijn,” vond de meneer. „Jullie worden wel bedankt voor het tijdig ingrijpen!”

„U moet het mooie, glimmende anker opbergen,” zei Hielke. „Het trekt dieven aan!” En die raad volgde de meneer meteen op.

De Kameleon voer terug naar huis en werd even later vastgelegd in het boothuis.

Bij het uitstappen zei Louw: „Ik weet nog niet of ik vanmiddag weer meega. Het is bloedheet. Ik ga liever wat in de schaduw zitten.”

„Dan kom ik bij je zitten,” riep Anton.

„Wij blijven ook thuis,” merkte Sietse op. „Tot morgen.”

In de smederij stond Klinkhamer met opgestroopte mouwen bij een bankschroef te werken.

„Heeft u het niet warm, vader?” vroeg Hielke.

„Wel nee, m’n jongen. De zonnestralen komen hier niet binnen, dus kunnen ze mij niet warm maken. Vroeger droegen de mensen extra veel kleren als het warm weer was. Dan konden de zonnestralen hun huid niet verwarmen en bleven ze koel! Dus zorg ervoor dat de zonnestralen je huid niet beschijnen dan zul je geen last van de warmte hebben.”

„Dan zullen wij een tent op onze boot moeten bouwen,” zei Sietse. „Of we moeten een parasol kopen.”

„Of gewoon thuis blijven,” meende Klinkhamer. „Jullie mogen de nieuwe ruif wel een kwastje verf geven.”

„Ai, de ruif is al klaar‚” ontdekte Hielke en de jongens bekeken met bewondering het werkstuk. Vader was een prima vakman dat hij zo’n ruif zo vlug en zo netjes kon maken. En zij namen zich voor het werkstuk zo mooi mogelijk te schilderen. Maar eerst ging de familie Klinkhamer eten. Jawel, warm eten en dat bij die hitte. Na afloop kon moeder Klinkhamer tevreden zijn, er was geen kruimel over. Het gevolg was wel dat haar man en de jongens in slaap vielen. Een uiltje knappen na een stevige maaltijd bij extreem warm weer was toch een logisch gevolg van alle inspanningen, nietwaar?

Totdat Sietse in zijn slaap van zijn stoel rolde. „Grijp hem!” riep hij.

„Dat hoeft niet, jij ligt al,” lachte Hielke.

„Nee, jô, ik bedoel de ‚Geit’, hij wil…” Sietse werd nu pas goed wakker.

„Wat is er, zoon, droomde jij?” vroeg Klinkhamer.

„Ja, ik was aan het vechten met een ‚geitekop’. Hij wilde de smederij stelen. En de grote kop, vrat alles op…”

„En wie heeft de strijd gewonnen?” vroeg Hielke.

„De droom was nog niet afgelopen,” zei Sietse. „Maar gelukkig werd ik wakker. Maar als Geitenbreier nog één keer in de smederij durft te komen, begin ik te steigeren.”

„Weet je wat jij moet doen, Sietse?” raadde Klinkhamer hem aan. „Jij moet nooit meer naar het gemekker van hem luisteren, want dat grijpt jou te veel aan. Doe wat je zelf goed lijkt en laat de mensen kletsen. Als je volgens die regel leeft, zit je altijd goed!”

„En als je goed zit, val je niet van je stoel,” grapte Hielke.

„Je zuster,” bromde Sietse, maar dat sloeg nergens op, want zij hadden immers geen zuster.

„Geen ruzie maken, jongens,” maande Klinkhamer en hij stond op en ging aan het werk.