8. Broedertwist
Drie dagen zat Vulpe zwijgend in een hoekje en drie nachten lang sliep hij niet. Hij dacht na.
Op een avond, toen we voetbal speelden in de boomgaard, zei hij plotseling: 'Ik heb het!'
'Wat heb je?' vroeg Alexandru. 'De gekte? Dat wisten we allang.'
'Nee, idioot, de oplossing van het raadsel natuurlijk!' blafte Vulpe hem toe. 'Het is zo simpel en zo... zo...'
Hij zocht naar woorden. 'Zo waar...' zei hij ten slotte.
Het was alsof hij zich verbaasde over zijn eigen gedachten.
'Nou, laat dan maar horen,' zei Alexandru.
Vulpe schudde zijn hoofd: 'Nee, ik vertel het alleen aan de schaapherder. Jullie moeten er zelf maar achter zien te komen.'
We riepen dat hij een flauwe spelbreker was, een slechte vriend en een wijsneus, die alleen maar dééd alsof hij de oplossing wist, maar niets kon hem ertoe bewegen zijn geheim met ons te delen.
'Maar we gaan wel met je mee naar de schaapherder, als je dat maar weet,' zei ik. 'We willen zien wat voor mooie beloning jij krijgt.'
En dat was iets waar Vulpe ons niet van af kon brengen.
De schaapherder was deze keer alleen in de kamer. De oude vrouw was nergens te bekennen. Het was nog niet helemaal donker en we konden nu wat meer onderscheiden dan de eerste avond: een kandelaar met enkele opgebrande kaarsjes aan de muur, een oude landkaart en, gek genoeg, ook stapels kranten.
'Kunt u lezen?' vroeg Alexandru verbaasd.
'Een beetje. Ik heb het geleerd toen ik jong was. En het meeste heb ik onthouden.'
'Knap,' vond Alexandru, die een krant oppakte. Er stond iets in over een oorlog, zag ik aan de illustratie: stervende soldaten op een troosteloze moddervlakte.
'Vulpe hier is trouwens ook erg knap,' zei ik. 'Hij beweert de oplossing van uw raadsel gevonden te hebben. 'Zo?' De schaapherder trok zijn wenkbrauwen op, maar echt verbaasd leek hij niet. 'Vertel het me maar.'
Vulpe kwam dichterbij, boog zich voorover en fluisterde de schaapherder iets in het oor. Het waren twee korte woorden. We konden ze niet verstaan.
De schaapherder knikte.
'Ja, inderdaad, je bent een slimme knaap. En begrijp je ook wat je hier zegt, jongen?'
Vulpe knikte ernstig. Hij zat nog steeds geknield voor de schaapherder. Een leerling en zijn leermeester.
'Ik neem aan dat je een beloning wilt. Ik heb gezegd dat ik je het kostbaarste zou geven wat ik bezit... dat héb ik je in feite al gegeven. Maar voor een jongeman als jij is dat waarschijnlijk niet genoeg. Noem wat je wilt hebben.' Vulpe hoefde niet lang na te denken: 'Ik wil het zwaard van voda Vlad Tepes!'
'Vulpe! riep ik uit.
Het gemak waarmee hij ons geheim verraadde, maakte me kwaad.
De schaapherder negeerde me: 'Wat een vreemde wens! En hoe denk je dat ik jou dat zwaard kan bezorgen, jongen?'
'Heel eenvoudig: door het mijn broer af te pakken. Hij heeft het uit het graf gestolen.'
'Vulpe!'
'Lupu? En is hij dan ook degene die hier als een heiden tekeergegaan is? Sinds het klooster leegstaat, zijn er voortdurend kostbaarheden uit de kerk verdwenen. Ik heb geprobeerd de dief te betrappen, maar het is me nooit gelukt. Was het Lupu?'
Ik zuchtte. Tegen Vulpes onverwachte aanval van eerlijkheid viel niets te beginnen. De schaapherder zou ons nu wel opsluiten, zoals hij al eerder gedreigd had.
Vulpe had die angst niet, tenminste niet voor zichzelf: 'Wilt u hem laten straffen?'
De schaapherder keek langs hem heen. Ik had al eerder opgemerkt dat hij de gewoonte had mensen maar zelden recht aan te kijken. Het maakte de indruk dat ze hem niet echt interesseerden.
'Vulpe Branistari, houd je van je broer?' vroeg hij.
'Natuurlijk. Ik bewonder hem. Hij is de meest beruchte rover uit de omgeving. U zou de verhalen eens moeten horen die ze over hem vertellen...'
'Naar die verhalen vraag ik niet. Ik vraag: houd je van hem?'
Ik zag Vulpe aarzelen. Zeg niets, zeg niets, dacht ik, zonder precies te weten waarom.
'Soms... haat ik hem.'
Het klonk of de woorden één voor één uit zijn mond getrokken moesten worden, maar toen ze er eenmaal uit waren, begon hij steeds sneller en opgewondener te praten. 'In het dorp hebben ze het alleen maar over hem, terwijl ik even sterk en slim ben. Mijn naam kennen ze nauwelijks. Sommigen noemen me Luput, klein wolfje, omdat ze alleen Lupu kennen. Ik denk dat ik een even beruchte bende zou kunnen leiden, met gemak! Ik slaagde zonder moeite voor die eerste kinderachtige test van hem. Alsof ik bang zou zijn voor een stel van die jochies met stokken! Ik had ze in stukken kunnen scheuren als ik gewild had! Ze hebben het wel gezien. Ze weten het! Maar ze slijmen nog steeds met Lupu alsof hij hun koning is en daar heb ik genoeg van.'
Hij was knalrood geworden. Ik was bekend met Vulpes driftbuien, maar zo oprecht verontwaardigd als nu had ik hem nog nooit gezien. Hij voelde zich werkelijk te kort gedaan.
'Toen we het graf openden, mocht ik het vuile werk doen. Ik was de enige die durfde: zelfs de grote Lupu Branistari durfde niet! Maar word ik beloond? Lupu zegt: "Ik ben de baas", en pikt het leeuwendeel van de buit in! Zegt u nou zelf, is dat eerlijk?'
'Nee,' zei de schaapherder zacht. Dat was een andere gewoonte van hem: zelden zijn stem te verheffen. Maar als hij het wel deed... dan luisterde je!
Hij wenkte Vulpe nu nog dichter bij hem te komen zitten. 'Ik zal je een verhaal vertellen over broeders. Het speelde lang geleden, maar de eeuwen hebben de mensen niet veranderd, zodat ik denk dat je het nog wel begrijpen kunt. Misschien kan het je zelfs helpen.'
Het verhaal dat we te horen kregen, kan ik je woord voor woord navertellen, precies zoals de schaapherder het vertelde. De woorden hebben zich in mijn geheugen vastgezet als de gebeden en bezweringsformules die mijn moeder me leerde: "Heer bescherm me tegen de Duivel." Ik hoor zijn stem en zie zijn gezicht elke keer als ik in de spiegel kijk.
Nee, Vilcu, zit me niet zo aan te staren. Ik praat maar wat onzin. Ik moet je niet voor de gek houden. Ik moet mezelf niet voor de gek houden. Zo, nu gaat het weer. Nog een glas? Ja, graag! Het gaat prima.
Dit is het verhaal dat de schaapherder ons vertelde:
'Heel lang geleden regeerde over Wallachije, het door God geschonken land, een prins die drie zonen had. De oudste heette Mircea, naar zijn beroemde grootvader. De middelste heette Vlad naar zijn vader, en de jongste heette Radu, naar een zoon van Basarab de Eerste, de veroveraar die op zijn paard uit de bergen naar beneden gekomen was om de eerste prins van ons land te worden. Alle drie hadden ze een speciaal talent. Mircea beloofde een groot krijgsman te worden, Vlad kon paardrijden als geen ander en Radu had als gave meegekregen dat hij mooi was.
De jonge prinsen genoten van hun leventje aan het hof. Ze wisten heel goed dat ze van hoge geboorte waren en commandeerden hun dienaren en kindermeisjes zoals ze later hun legers zouden commanderen. Op een dag zou één van hen de troon van hun vader erven en zou het hele land, het hele, mooie Wallachije, van hem zijn. Ja, dat land hoorde bij hen. Of was het zo dat zij bij het land hoorden? In elk geval waren ze met elkaar verbonden, het land en de prinsen, zoals de dag met de nacht en de dood met het leven. "Jullie zijn gemaakt uit de zwarte aarde van onze akkers," zo vertelde hun moeder hun. "Jullie adem is de steppenwind. Jullie huid heeft de kleur van het rijpe graan en de Grote Rivier stroomt door jullie aderen."
En dat hoorden ze graag, de jonge prinsen. Maar er waren verhalen die ze nog liever hoorden... Als 's winters de oorlogspaarden op stal stonden en er dikke tapijten aan de wanden gehangen werden, verzamelden de jongens zich om de stoel van hun vader en bedelden om verhalen. Dan vertelde hij hun over hun grootvader Mircea die zo machtig geweest was dat de Osmaanse sultan en de Hongaarse koning hem als een gevaarlijke vijand hadden gezien. De jongens lieten zich meeslepen door de verslagen van oude veldslagen, heroïsch en bloederig en zo lang geleden dat het enkel spannende spelletjes voor volwassenen leken. "Maar het is geen spel. Het is nooit een spel," waarschuwde hun vader als hij de stralende ogen van de twee oudsten zag. En dan begon hij te vertellen over de vernietigende strijd die na Mircea's dood onder zijn zoons uitgebroken was. Een strijd die Wallachije weer klein en zwak had gemaakt. Dan luisterden de jongens maar half en fantaseerden ze hoe ze later dit alles weer ongedaan zouden maken. Ze hielden niet van nederlagen, alleen van overwinningen. Uiteindelijk was het de kleine Radu die zijn vader durfde te onderbreken en om een ander verhaal durfde te vragen: "Constantinopel. Vertel nog eens over Constantinopel, vader."
Dat was zijn lievelingsverhaal. Constantinopel, de stad der wonderen, na Jeruzalem de heiligste stad op aarde, die had hun vader bezocht. Hij was in dienst van de kerk naar het hof van de keizer daar gestuurd als één van de onderhandelaars die de hereniging tussen de Griekse en Latijnse kerken mogelijk moesten maken, die nodig was om Constantinopel, aan alle kanten omringd door de Osmaan-se vijand, te redden. Een belangrijke missie, maar die interesseerde de jongens niet. Ze wilden horen van de keizerlijke troon met de wonderbaarlijke leeuwen en griffioenen die van metaal gemaakt waren, maar konden spreken of ze van vlees en bloed waren, de Aya Sophia, het grootste godshuis ter wereld, een stralend baken in de nacht, de fonteinen die wijn spoten en de vele relieken die wonderen konden doen.
"Wat zou ik daar graag willen wonen," verzuchtte Radu dan altijd.
Zijn vader schudde zijn hoofd.
"Constantinopel is verdoemd, mijn zoon. De muren van de stad zijn misschien nog wel hoog en sterk, maar er is niemand om ze te bemannen. Constantinopel verandert langzaam maar zeker in een spookstad. De mensen trekken er weg. En geen van de grote kruisvaardersmachten Frankrijk, Hongarije of Polen is bereid te hulp te komen. Dit moet je goed onthouden, Radu: verwacht van niemand hulp. Iedereen denkt altijd het eerst aan zichzelf."
Dit verhaal beviel de prinsen niet. Constantinopel zou nooit vallen, dat bestond niet! De Heilige Maagd zelf was beschermvrouwe van de stad en zou haar redden als de nood het hoogst was, zoals ze al een keer eerder gedaan had toen de heidense Perzen voor de poorten stonden.
Nee, dan de verhalen over de toetreding van hun vader tot de Orde van de Draak, die voorname ridderorde van strijders voor het geloof, over de toernooien die hij gewonnen had, de mooie edelvrouwen die hem bewonderd hadden, zijn kroning in de hofkerk in Tirgoviste... Dat waren de verhalen die maakten dat ze zich trots voelden, telgen uit een beroemd geslacht, die later even grote faam zouden verwerven als hun vader. Dat de werkelijkheid heel anders, veel grimmiger was dan in hun dagdromen, vergaten ze liefst.
Op een dag, enkele jaren later, trof hun vader voorbereidingen voor een lange reis. Een reis naar het hof van de sultan in Adrianopel. Hij riep zijn twee jongste zonen bij zich: Vlad, die toen twaalf jaar was en Radu van zeven, niet groter dan een ruiker bloemen.
"Kinderen," zei hij, "jullie zijn nu oud genoeg om wat meer te leren over de wereld om ons heen. Ons mooie Wallachije, dat zo uitgestrekt lijkt, is helaas maar een heel klein stukje van die wereld. We zijn omringd door landen die sterker zijn dan wij en als jullie zullen moeten vechten voor wat jullie eigendom zal zijn, zullen jullie merken hóé sterk. Ze zijn niet te overwinnen door wapens, in elk geval niet voor lange tijd. Maar misschien wel door list en slimheid. Luister daarom goed naar wat ik jullie op deze reis zal vertellen en vergeet het nooit."
Ze luisterden naar hun vader, de jonge prinsen, maar ze luisterden niet scherp genoeg! Ze hoorden niet hoe vermoeid zijn stem klonk en hoe hij, toen ze hun reisdoel naderden, hun telkens weer vertelde dat ze zijn oogappels waren, dat waar hij het meest trots op was. Nee, in plaats van te luisteren, keken ze hun ogen uit.
Het landschap was hun even vertrouwd als thuis, maar nu werd het doorkruist door karavanen dromedarissen en contingenten janitsaren, Osmaanse soldaten met vreemde, hoge mutsen. De prinsen zagen karavanserais in plaats van herbergen en minaretten in plaats van kerktorens. Het land van hun vijanden zag er rustig en ordelijk uit, maar vijandig bleef het.
"Besef goed hoe machtig de Osmanen zijn," zei hun vader. "Zij hoeven voor hun leger niet te vertrouwen op een handjevol edelen of slecht bewapende boeren. Zij hebben een beroepsleger tot hun beschikking: duizenden en duizenden goed getrainde mannen die bereid zijn hun leven voor hun god en hun sultan op te offeren. Hun slagkracht reikt tot voorbij onze grenzen: ze zouden Hongarije kunnen veroveren. Ja, hen moet je vrezen, niet de Hongaren, die ook onze vijanden zijn."
"Waarom zijn zij onze vijanden?" wilde Vlad weten. "Ze zijn toch immers christenen, net als wij?"
Zijn vader schudde zijn hoofd. "Het zijn Latijnen, even onbetrouwbaar als alle andere Latijnen. Ze zijn eropuit ons te overheersen. Voortdurend sturen ze spionnen naar ons land om te controleren of de prins nog wel naar hun pijpen danst en als dat niet zo is... sturen ze een ander met geld uit de Hongaarse schatkist en wapens uit Brasov. Ik weet dat mijn troon in gevaar is. Janos Hunyadi, de gouverneur van Zevenburgen, die ooit nog eens koning of keizer of God mag weten wat hoopt te worden, is naar mijn hof gekomen en heeft me een voorstel gedaan. Hij wil dat ik de strijd tegen de Osmanen weer opneem, maar hoe kan ik dat doen als langs de hele zuidgrens garnizoenen klaarstaan om van mijn land een Osmaanse provincie te maken? Maar als ik weiger? Dan heeft Hunyadi wel een andere troonkandidaat achter de hand, die bereid is alles te beloven. Ik heb hem neutraliteit toegezegd en daarom greep ik niet in toen de Osmanen begin dit jaar ons land binnendrongen om Zevenburgen aan te vallen en gaf ik geen rugdekking toen ze zich verslagen moesten terugtrekken. Het leek een verstandig besluit, maar nu moet ik me bij de sultan verantwoorden."
Vlad had het vermoeden dat zijn vader nog meer wilde zeggen, maar hij zweeg en bleef zwijgen tot aan de poorten van Adrianopel. Die stadspoorten stonden wijd open. Het was een val, misschien niet een geheel onverwachte, maar de voda had geen keus dan hem binnen te rijden. Hij had immers zijn twee jongste kinderen aan de sultan beloofd in ruil voor de troon en elk verzet zou hun dood betekenen. Nauwelijks waren ze de poort binnengereden of de prinsen en hun gevolg werden omsingeld door soldaten. De kinderen waren bang, overdonderd, verontwaardigd en de oudste wilde zijn zwaard trekken, maar toen hij merkte dat zijn vader zich niet verzette, toen hij de blik in zijn ogen zag, begreep hij het. Hun vader had hen aan de heidenen uitgeleverd.
De twee jonge prinsen werden opgesloten in een cel, gescheiden van hun vader, bewaakt door mannen die een vreemde taal spraken, een taal die hun ruw en afschuwelijk in de oren klonk. De jongste huilde zonder ophouden, de oudste zette zich in een hoek van de cel neer en dacht na.
Het was dus mogelijk dat zonen door hun eigen vaders verkocht werden. Het was dus mogelijk dat vaders niet van hun bloedeigen zonen hielden.
Hij boog zijn hoofd. Wat hem betrof mocht de hemel vallen en de wereld vergaan.
De wereld verging niet. Ze had al zoveel kleine en grote tragedies aanschouwd zonder te vergaan, wat zou ze zich bekommeren om het verdriet van een jonge prins uit Wallachije? Omdat er niemand was die om hem huilde, besloot hij zelf ook niet te huilen. Hij besefte dat hij nu verantwoordelijk was voor zijn jonge broertje en zich zou moeten gedragen als een man.
Hun vader zagen de jongens niet meer. Ze zouden hem nooit meer zien.
De eerste weken van hun gevangenschap waren het moeilijkst voor de twee jonge prinsen. Ze waren eenzaam en onzeker over hun lot en bovenal verveelden ze zich. De oudste ontdekte dat het niet altijd meeviel zijns broeders hoeder te zijn. De kleine Radu was veel jonger dan hij en volkomen anders van karakter. Hij was door de vrouwen aan het hof altijd verwend, gewend zijn zin te krijgen en erg wisselvallig in zijn stemmingen. Het ene moment praatte en lachte hij honderduit, het andere moment rolden de tranen hem over de wangen. Vlad begon zich te ergeren en aangezien kleine ergernissen in een te krappe ruimte al snel grote worden, duurde het niet lang voor hij zijn broertje met zijn vuisten het zwijgen oplegde.
Ondertussen werd elders over hun lot beslist. Nu was het in die tijd zo dat er meer buitenlandse prinsen aan het hof gegijzeld werden. Ze werden goed behandeld zolang hun vaders aan de wil van de sultan gehoorzaamden. Jullie zouden zeggen dat ze bevoorrecht waren: ze kregen een uitstekende opleiding, verzorgd door leraren die ook verantwoordelijk voor de opvoeding van de troonopvolger waren. Ze leerden de Osmaanse taal schrijven en spreken, kregen les in filosofie, wiskunde en krijgskunst, leerden de fijne kneepjes van de diplomatie en hoe te overleven op veldtocht in barre streken, ver van huis. Maar wat was het doel van dit alles? Het doel was van hen dienaren van de sultan te maken, halve Osmanen, vervreemd van hun vaderland. Wisten onze jonge prinsen dit? De oudste wel. Tijdens de eerste nacht van hun gevangenschap was hij volwassen en wijs geworden. De jongste wist het niet. De pracht en praal van het paleis, het vooruitzicht weer speelkameraadjes van zijn eigen leeftijd te hebben, verrukte hem. Zo werden ze voor de sultan gevoerd. De een wantrouwig, op zijn hoede, de ander met stralende ogen, verwonderd over alles. De sultan, in die tijd Murad de Tweede, een bescheiden en zachtmoedig man in vergelijking met degene die na hem zou komen, nam de jongens kritisch op. Zou hij hen kunnen gebruiken? De jongste had een bijzonder fraai uiterlijk en de Osmanen geloven dat een sterke geest en een goed verstand altijd samengaan met een mooi lichaam... De jongen vertederde hem echter. Hij nam hem niet in zijn plannen op. De oudste was slungelig, puberaal, met het gezicht en de koppigheid van een muilezel. Toch meende Murad karaktertrekken als moed, vasthoudendheid en intelligentie in hem te zien. Hij zou van nut kunnen zijn. Maar eerst moest zijn wil gebroken worden.
Ik kan jullie wel vertellen dat de leraren het moeilijk kregen met die jonge prins! Hij weigerde om ook maar iets te leren. Terwijl de andere jongens gehoorzaam en ijverig waren, vertikte hij het om zijn ogen neer te slaan voor zijn meerderen en op zijn schrijfplankje kwam nooit meer te staan dan zijn eigen naam. Die naam wilde hij niet vergeten. Hij kende immers de verhalen over jonge, buitenlandse edellieden die aan het hof tot moslim gemaakt waren en een andere naam gekregen hadden. Nee, die naam koesterde hij boven alles, al kostte het hem nog zoveel slaag.
Eén van de leraren, de mullah Gürani, de strengste maar ook verstandigste van allemaal, zag dat de jongen niet zo dom was als hij zich voordeed. Op een dag, toen de andere jongens naar het oefenveld gingen om zich in de krijgskunst te bekwamen, liet hij Vlad blijven. Hij hield hem een zweep-koord voor.
"Kijk maar eens goed," zei hij, "geloof gerust dat ik hiermee weet om te gaan. Met deze zweep heb ik Mehmed, de zoon van de sultan, aan het leren gekregen en hij was nog koppiger dan jij, verbeeld je dus maar niets. Ik weet precies hoeveel zweepslagen ik een jong mens kan toedienen voor hij eraan sterft. Voor ik daartoe overga, wil ik eerst zeker weten of je toch niet erg dom bent. Het zou zonde zijn als ik je af zou ranselen voor een aangeboren zwakte. Vertel me daarom, Vlad, wat zou jij, eenmaal opgegroeid en een belangrijk legerleider geworden, doen als je tegenover een legermacht kwam te staan die vele malen groter is dan de jouwe en jacht op je troepen maakt als een roedel wolven op een kudde schapen?"
De jongen stikte bijna van verontwaardiging. Hield deze heiden hem voor achterlijk? Hij kende toch alle verhalen van zijn vader over de vijandelijke legers die dachten Wallachije plat te kunnen walsen, maar verstrikt raakten in de diepe wouden, geplaagd door het vaderlandse leger dat elke boom, elke rots, elke stroom kende?
Zijn grootvader, de beroemde Mircea de Oude, had de sultan die hem van de troon wilde stoten gewaarschuwd: "Alles wat in het woud groeit en ademt is mijn trouwe bondgenoot."
Het was de kunst het vijandelijke leger steeds verder het woud in te lokken, naar een plaats die ongunstig voor hen was, een moeras of een bergpas, en hen daar af te slachten.
Hij gaf de mullah uitgebreid en duidelijk antwoord en beantwoordde daarna alle andere vragen die hem nog gesteld werden even correct.
Aan het eind van het vraaggesprek knikte de mullah tevreden: "Je bent precies zo stom als ik dacht."
De jongen begreep dat hij erin gelopen was. Zijn leraar had enkel zijn voorgewende domheid willen ontmaskeren.
"Ik raad je aan vanaf vandaag zo ijverig te zijn als je maar kunt," zei de mullah, "niet alleen uit lijfsbehoud, maar ook om er later je voordeel mee te kunnen doen. Ik mag je niet, prins Vlad, en ik denk dat je het ons later nog heel moeilijk zult maken, maar ik heb er een hekel aan talent verloren te zien gaan. Ga nu maar naar de anderen, en laat ik je nooit meer op luiheid betrappen!"
De jonge prins volgde zijn advies op en al snel was hij al zijn medestudenten voorbijgestreefd: het Turks sprak hij alsof hij in Adrianopel geboren was, hij schreef de elegantste brieven in het Perzisch en niemand kon ook maar in zijn schaduw staan als het ging om rij- en krijgskunst. Hij bereed de wildste Arabische hengsten zonder zadel, kon in volle galop van paard wisselen en waagde het zelfs de zoon van de sultan in een wedren de nederlaag te bezorgen! Zijn leraren prezen hem, maar nooit liet hij blijken blij te zijn met die complimenten. Hij paste ervoor op zich in te laten met hen die hij nog steeds als vijanden beschouwde, want wie één teken van menselijkheid in zijn vijand vindt, vindt er onherroepelijk meer. De angst zijn naam te verliezen bleef hem kwellen en niet zonder reden, want hoe was het ondertussen zijn jongere broer vergaan?
Radu had zich vanaf de eerste dag een volgzame leerling getoond. Hij was een kind dat gemakkelijk vriendschappen sloot en eigenlijk iedereen aardig vond. Hij voelde zich duidelijk thuis in het paleis met zijn ruime, koele zalen en prachtige binnentuinen en had de gewoonte urenlang op de rand van een fontein te zitten dromen. Het was zo dat Mehmed, de zoon van de sultan, hem voor het eerst zag. Zoals ik al verteld heb, was Radu erg mooi. De jongens in de paleisschool, die daar soms jarenlang in afzondering als monniken in een klooster verbleven, praatten over hem of ze hem begeerden. Mehmed begeerde hem vuriger dan al die jongens. Hij nodigde Radu uit met hem te eten. De jonge prins was te vereerd om wantrouwig te zijn. Hij kleedde zich passend en parfumeerde zijn glanzende haren.
Het werd een vreemde maaltijd. Radu genoot van de heerlijke gerechten en de wijn die te zijner eer geschonken werd, maar voelde zich langzaam onrustig worden onder de blik van de sultans zoon. Mehmed vroeg hem liefdesgedichten voor te lezen die de jongen niet begreep, en begon ook te drinken, hoewel dit tegen de regels van zijn geloof was. Uiteindelijk had hij zich genoeg moed ingedronken om Radu zijn liefde te verklaren.
De jonge prins was stomverbaasd. Hij wist dat er in het bed van zijn vader mooie bijvrouwen hadden geslapen, maar van de knapenliefde had hij nog nooit gehoord. Hij werd bang. Het leek of die heidense jongen die maar enkele jaren ouder was dan hij, maar veel sterker, hem kwaad wilde doen. De liefkozingen en kussen wekten alleen afschuw in hem op. Hij begon zich te verzetten.
Het hielp niet. De zoon van de sultan was niet gewend dat hem iets ontzegd werd en was bereid de Wallachijse prins met geweld zijn wil op te leggen. In wanhoop trok Radu zijn dolk en stak. Hij raakte Mehmed in de schouder en zag met afschuw bloed uit de wond opwellen. Wat had hij gedaan? Een aanslag op het leven van de troonopvolger gepleegd! Dit werd zijn dood! Nog voor zijn belager overeind gekrabbeld was, had hij zich uit de voeten gemaakt.
Radu bracht een bange nacht door in een boom buiten de paleispoorten en werd de volgende morgen weer als een huilend hoopje ellende binnengebracht. Pas na lang aandringen wilde hij zijn broer vertellen wat hem overkomen was.
"Nooit, nooit zal ik hem me weer met een vinger aan laten raken!" schreeuwde hij. "Dan neem ik nog liever vergif! Dan steek ik mezelf dood met mijn dolk, dat zweer ik!"
De oudste hoorde het aan en wist dat zijn broer zijn eed nooit gestand zou doen. Radu was te verliefd op het leven om er een eind aan te maken. Het zou niet lang duren voor hij behalve zijn eed ook zijn naam en daarmee zijn land zou zijn vergeten en tevreden in de armen van zijn minnaar zou liggen, die hem alles kon schenken wat zijn hartje begeerde. De kleine Radu, dat lastige jonge broertje, zou een vreemde voor hem worden.
Ik zal je vertellen hoe het vaak met broeders gaat, Vulpe. In hun jeugd zijn het de beste vrienden: kom niet tussen broeders, want je zult het bezuren! Maar dan worden ze ouder en gaan hun ogen open voor de wereld. Ze ontdekken schatten die ze niet met elkaar willen delen. Zo ging het met Vlad en Radu ook. Zij ontdekten de macht.
In het begin van hun gevangenschap waren ze machteloos geweest, overgeleverd aan hun vijanden, met als enige zekerheid de onzekerheid. Ze wisten dat hun vader onmogelijk twee meesters kon dienen. Hij zou een keuze moeten maken en als hij de zijde van de Hongaren koos, betekende dat hun dood. Maar nu ontdekten ze dat ze waardevol konden zijn voor hun gijzelnemers. Hun talenten ruilden ze in voor privileges. Vlad werd beloofd dat hij sanjak bey zou worden, hoofdman over vijfduizend ruiters, als hij er de leeftijd voor had. Radu verging het eigenlijk nog beter. Hij kon nu het sprookjesachtige leven leiden waar hij als klein kind van gedroomd had. In ruil voor een kus, niet meer dan een hand onder zijn kleren, ontving hij al edelstenen en de mooiste zijden gewaden. Als Vlad naar zijn broer keek, herkende hij hem niet meer. Hij verschilde in niets van de andere kussenjongens aan het hof met hun met antimoonglans opgemaakte ogen en smalle, sierlijke handen. Vlad verafschuwde hen en begon zijn broer te haten. In het begin was het nog geen ernst: de broers meden elkaar en zwegen als ze in eikaars gezelschap waren. Maar toen kwam de dag die over hun lot besliste.
Hoewel de jongens aan het hof geïsoleerd leefden, hadden ze toch wel enig idee wat er in de wereld om hen heen gebeurde. Radu had zijn manieren om aan informatie te komen en Vlad ook. Hij hoorde van een jongeman die door de Osmanen uit zijn geboortestreek was geroofd van de successen die Janos Hunyadi in de strijd tegen de heidenen had behaald. Successen die voor de gijzelaars angstvallig verborgen werden gehouden.
"Er is zelfs sprake van dat de sultan een wapenstilstand wil," vertelde hij. "Dat zou hem goed uitkomen nu hij op twee fronten moet vechten met die opstanden in Albanië en Klein-Azië. De voorwaarden zijn erg gunstig: zelfs de buitenlandse gijzelaars kunnen vrijkomen!"
Hoe anders zou het lopen! De Hongaren zwoeren bij God dat ze zich aan de gesloten overeenkomst zouden houden, maar vrijwel meteen gingen er stemmen op om de strijd, tegen alle afspraken in, voort te zetten. Het was zo'n mooie kans! De Hongaarse koning wilde doorvechten. De paus wilde doorvechten. Zelf het verre, rijke en machtige Venetië wilde doorvechten. Het leger van de sultan was in Klein-Azië en zou door een Venetiaanse vloot tegengehouden worden. Maar zoals helaas al zo vaak eerder was gebeurd, werd het christelijke kamp geplaagd door verdeeldheid en een slechte organisatie. De Venetiaanse galeien kwamen niet opdagen en het kruisvaardersleger onder leiding van Hunyadi en de jonge Hongaarse koning Ladislas kwam tegenover een legermacht te staan die twee keer zo groot was als de hunne. Wat moest men doen? Rechtsomkeert maken en vluchten, daar viel niet aan te denken. Men besloot slag te leveren.
Aanvankelijk ging het nog niet eens zo slecht, maar toen werd het paard van de koning door een speer geraakt... Hij moest te voet verder vechten tegen een overmacht van Os-maanse elitetroepen. Toen zijn hoofd op een speer aan de christelijke soldaten werd getoond, brak er paniek uit. De legerleiders hadden hun mannen niet langer onder controle en er gebeurde wat elke commandant vreest: de aftocht sloeg om in een wilde vlucht, waarbij mannen en beesten elkaar onder de voet liepen of afgemaakt werden door de ontketende vijand. Hoeveel stierven er niet? Zelfs de grote Hunyadi ontsnapte maar net aan de dood, meer door geluk dan door wijsheid. Om het arme lichaam van de Hongaarse koning bekommerde niemand zich, behalve een klein Wallachijs contingent onder leiding van Mircea. Uit hem was inderdaad de held gegroeid die hij beloofd had te worden. Dapper, verstandig en altijd kalm leidde hij zijn mannen over het slagveld. Het mocht niet baten. De overmacht was te groot en het hoofd van koning Ladislas bleef een oorlogstrofee van de heidenen.
Wat gebeurde er daarna? Het uiteengeslagen kruisvaardersleger zwierf doelloos door het land, plunderde Wallachije en verdween uiteindelijk in het niets.
De voda had dit voorzien. Hij was een verstandig man die nooit onnodige risico's nam, maar naar hem was niet geluisterd. Na deze mislukking was hij vastbesloten zijn stem te laten horen. Op een krijgsraad, belegd door de gehavende legerleiders om te beslissen wat nu te doen, stond hij op en eiste het woord. Gesteund door Mircea beschuldigde hij Hunyadi van moord en verraad. Want op zijn verantwoordelijkheid waren de christelijke strijders deze onderneming aangegaan. Als hij zich hun bondgenoot noemde, waarom leek het dan zo vaak dat hij uit was op hun ondergang? Er moest recht gedaan worden, wat de naam en faam van de beschuldigde ook mochten zijn. Ze wisten allemaal dat hij gelijk had, de christelijke broeders, maar niemand steunde hem. De naam en faam van Hunyadi redden hem en betekenden het doodvonnis van de dappere Mircea en zijn vader.
Hoe werd er "recht" gedaan? Hunyadi werd tot landvoogd van Hongarije benoemd en besloot zich te omringen met trouwe vazallen. Zijn keuze was snel gemaakt: in één van de steden aan de grens van Wallachije met Zevenburgen hield zich een Wallachijse troonpretendent op, Vladislav de Tweede zou hij als prins genoemd worden, die niet bang was zijn handen vuil te maken als het om de macht ging. Hunyadi en hij trokken op naar Tirgoviste, naar het prinselijk paleis. Ze vonden de poorten gesloten... maar binnen hadden anderen hun werk al gedaan. De Wallachijse bojaren, dat adderengebroed, de pest van het land, waren in opstand gekomen. Zij wensten een prins die zij regeren konden op de troon van de huidige voda en zijn zoon...'
De schaapherder zweeg een ogenblik. Hij stond op, pakte zijn tondeldoos en maakte een vuurtje. Hij pookte een tijdje met een stok in de vlammen en ging toen verder:
'Ze kwamen beiden om. Hoe kan beter niet verteld worden. Hoofdzaak is dat ze gewroken werden. Maar dat is een verhaal voor een andere avond. Eén van de weinige edelen die de voda trouw was gebleven, bracht het nieuws van de dood van hun vader aan de prinsen. De jongste scheurde zijn kleren en huilde, maar zijn verdriet was van korte duur. Zijn vader en broer waren verre onbekenden voor hem geworden. En de oudste? In zijn handen lag nu het zwaard van zijn vader. Het was het zwaard dat jij wilt hebben, Vulpe. Koud en zwaar voelde het aan. Het weerspiegelde zijn ogen. Herkende hij zichzelf nog? Niets van het verdriet dat hij voelde, vond hij terug in die ogen. Ze staarden in de verte, voorbij alle mensen die hij nu verachtte, voorbij de poorten van het paleis naar Tirgoviste. Daar lag zijn toekomst. Nu Mircea niet meer leefde, moest hij zijn plaats innemen en de grootste krijger van zijn tijd worden. Die avond en de volgende nacht bad hij voor de zielen van zijn vader en broer. Het deed hem pijn te beseffen dat hij nooit meer bij hen thuis zou komen, trots dat de jaren in gevangenschap hem zijn naam niet hadden doen vergeten. Maar hij wist dat het zinloos was om meer dan een nacht om hen te treuren. In gedachten zag hij vader en zoon, voorgegaan door een ruiter met gouden vleugels, op snelle paarden over een lange, donkere weg galopperen. Ze waren bezig aan hun laatste reis en dachten er niet aan om te kijken.
De volgende morgen verzocht prins Vlad bij de sultan ontvangen te worden, niet wetende dat zijn broer dit ook al gedaan had. Ze begrepen elkaar volmaakt toen ze elkaar in de troonzaal tegen het lijf liepen. Vlad, die de blik onder Radu's lange wimpers zag toen hij naar de sultan opkeek, zwoer dat hij hem zou vermoorden. Radu zwoer, na een blik op het zwaard aan de gordel van zijn broer, hetzelfde. Hun lot was beklonken. Vanaf die dag waren ze geen broers meer, maar vijanden. Hun strijd om de troon zou even bitter zijn als die tussen hun vader en zijn belagers. De sultan deed hen beiden beloftes, maar het waren beloftes voor de lange termijn. Voorlopig was hij tevreden met Vladislav, hoe vuil zijn handen ook mochten zijn.
Ze moesten wachten. Ze wachtten. In stilte smeedden ze hun plannen. De oudste werd officier in het Osmaanse leger, zoals hem beloofd was. Jullie hadden hem moeten zien! Zo trots als hij in het zadel zat, onvoorwaardelijk en onverbiddelijk meester over zijn troepen.
"Hoe oud is hij?" vroeg men. "Pas vijftien jaar? Hoe is het mogelijk!"
Zijn mannen gehoorzaamden hem zonder vragen. Had hij ze opgedragen modder te eten en vuur te drinken, ze hadden het gedaan. Niemand hoefde hem te leren hen voor zich te winnen: hij strafte luiheid en laksheid streng, maar beloonde ijver en moed. Hij gaf ze als kinderen, eerst eenvoudige opdrachten en prees hen als ze die tot een goed einde hadden gebracht en kon zo steeds meer van hen vragen. Hij zorgde ervoor de harten van zijn mannen te leren kennen, 's Avonds zat hij met hen rond het vuur en hoorde wat hun dromen waren en wat zij het meest vreesden. Alles wat hem van nut zou kunnen zijn, onthield hij. Hij liet hen geloven dat hij hun vriend was en wachtte.
Er was niemand die aan zijn oprechtheid twijfelde: zijn manschappen zagen hem als een goede leidsman, de andere officieren als een trouwe dienaar van de Osmaanse staat...'
De schaapherder zweeg plotseling. Het leek of hij met die stilte zijn laatste woorden wilde uitwissen.
Ik merkte dat mijn been sliep en ging verzitten.
'Hoe ging het verder met hem?'
Ik wilde meer horen. Alexandru en Vulpe wilden ook meer horen. Het verhaal had ons in zijn macht. Het raakte ons elk op een andere plek, in ons hart, in ons hoofd of nog ergens anders. Alexandru zou later zeggen dat het leek of de woorden in zijn huid gekerfd werden, op zijn voorhoofd, het hele verhaal!
'Hoe verging het hem verder? Hij werd de beruchtste, sommigen zeggen de grootste, prins die Wallachije ooit gekend heeft. Jullie kennen hem als voda Vlad Tepes. Vlad Dracula werd hij ook wel genoemd, zoon van de draak, zoon van de duivel, of Dragula, de geliefde. De boeren vertellen nog steeds verhalen over hem... en de schaapherders ook, zoals jullie gemerkt hebben. Radu, die hem van de troon stootte en ook enkele jaren over Wallachije geheerst heeft, zijn ze vergeten. Radu de Schone, heeft hij ooit iets groots gedaan? Hij is de minnaar geweest van de machtigste sultan van het Osmaanse Rijk en hij was mooi, ja, maar nu ligt zijn lichaam tot stof vergaan in het graf, net als dat van zijn broer... Over hun zielen oordeelt de Eeuwige.'
De schaapherder maakte een kruisteken. Het verhaal was uit, maar toch leek het net of in de stilte een stem verder vertelde in een vreemde taal, die ik maar met moeite kon verstaan: 'Schoonheid is niet belangrijk. Deze wereld heeft er geen boodschap aan. Zijn de wilde dieren die in het woud op hun prooi loeren mooi? Nee, maar het zijn wel degenen die overleven, niet de weerloze lammeren, niet de verwende schoothondjes, niet de nobele herten. Als je wat wilt bereiken in dit leven, dan moet je een wolf zijn, Vulpe, of een slimme vos, als je dat beter bevalt. Je hoeft niet met redelijkheid te regeren als dat betekent dat je het iedereen maar naar de zin moet maken. Dan ben je een slaaf van je mannen, niet hun hoofdman.'
Vulpe reageerde niet. Misschien was ik de enige die deze stem, giftig als die van de slang in het paradijs, hoorde, maar misschien ook niet... Het gevoel van angst dat ik door de vertelling van de schaapherder was vergeten, keerde weer terug. Ik wilde geen moment langer in deze kamer blijven met die afschuwelijke fluisterstem in mijn oren.
'We moeten terug naar Lupu en zijn troep,' zei ik. 'Ze zullen zich afvragen waar we blijven.' Ik had het idee dat we iets gedaan hadden dat maar beter geheim kon blijven.
Vulpe bleef nog even zitten.
'Zult u doen wat u beloofd hebt?' wilde hij weten.
'Wat heb ik dan beloofd?'
'Me het zwaard van voda Vlad Tepes te bezorgen! U zei dat ik een beloning mocht kiezen.'
'Dat is geen cadeau dat ik je zomaar kan geven. Dat zwaard zul je moeten verdienen, Vulpe Branistari. Het oplossen van een raadsel is niet genoeg.'
'Hoe moet ik het dan verdienen?'
Voor het eerst keek de schaapherder hem in de ogen.
'Als je goed naar me geluisterd hebt, weet je hoe...'
Vulpe was van zijn stuk gebracht.
'Ik kon niet goed verstaan wat u zei... die laatste woorden...'
'Ik zei: "Over hun zielen oordeelt de Eeuwige".'
'Maar...'
Ik begreep dat Vulpe de stem ook gehoord had. De schaapherder pakte vertrouwelijk zijn hand. Kon het zijn dat hij hem zonder woorden vertelde zijn mond te houden?
Ik had nu nog meer haast om hier weg te komen dan daarnet. 'Kom Vulpe, we gaan.'
Moeizaam stond hij op. Hij zag eruit als een slaapwandelaar. Ik pakte hem bij de arm. Zijn hand gleed langzaam uit die van de schaapherder. Was ik te wantrouwig of was hier een verbond gesloten?
Laten we maken dat we in de buitenlucht komen, dacht ik, in dit donkere hol worden we allemaal een beetje gek. De schaapherder knikte ons vriendelijk toe: 'Goedenacht, vrienden.'
Ik deed of ik hem niet hoorde.
Een vriend? Een vijand hadden we gemaakt!
In de buitenlucht ging het niet beter. We schrokken van elke schaduw. Zelfs de kloosterkerk leek een reusachtig monster, de open deur een enorme muil. Plotseling voelde ik Vulpe verstijven.
'Daar staat iemand,' fluisterde hij.
Ik dwong mezelf te kijken. Inderdaad, er stond iemand in de deuropening. Een monnik leek het, van boven tot onder in het zwart gekleed, met een lange baard en een gezicht melkwit als de maan. Hij keek stil omhoog naar de nacht-hemel, zonder ons te zien. Wat er precies zo eng aan hem was, konden we niet zeggen, maar feit is dat Vulpe en ik begonnen te rillen of we de duivel zelf gezien hadden. Tot onze grote verbazing schoot Alexandru in de lach: 'Jij durft mij een angsthaas te noemen, Vulpe, maar zelf ben je ook maar een bange muis! Dat is de kluizenaar van Snagov. Hij is er nog steeds. Hé, ouwe, gekke kluizenaar!'
De man draaide zich naar ons toe. Hij glimlachte droevig en hief een smalle, witte hand naar ons op. 'God zij met jullie.'
'Pff,' zei Alexandru, 'die is heel wat vriendelijker geworden!'
Toen lachten Vulpe en ik ook. Het was of we wakker
werden uit een benauwde droom.