Inleiding

Men kan zich afvragen of er een inleiding nodig is bij dit boek, dat precies is wat het voorgeeft te zijn: het dagboek van een ‘normaal’ kind, dat onder uitzonderlijke omstandigheden bezig is mens te worden.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw was heel Parijs en al wat zich daarbuiten voor het Franse cultuurleven interesseerde in beroering over een ander ‘kinder’ -dagboek van het Russische wonderkind Marie Basjkirtsew, opgegroeid in de rusteloos-mondaine sfeer van de reizende Russische adel, die in die jaren de grote hotels van Baden-Baden, Rome, Parijs en de Rivièra placht te bevolken, een sterk getrokken kasorchidee, van de wieg af gehuld in alle tinten wit: bont, kant en zijde en in de liefdevolle aandacht van een geëxalteerde omgeving, die zich gespannen afvroeg of haar - onafwendbare - grote toekomst, die van een zangeres, schilderes, schrijfster of brillante vrouw van de wereld zou zijn. Haar eerste bewuste gedachten staan in het roze dageraadslicht van de roem, of misschien moet men liever zeggen: onder de schijnwerpers en van haar twaalfde jaar af noteert ze met een bewonderenswaardige - en bijna ontstellende - nauwkeurigheid haar eigen ontwikkeling naar die roem toe, alles - en meer zelfs - wat het nageslacht in de jeugd van de beroemde vrouw belangwekkend zal vinden en als ze, een aankomend schilderes van vier en twintig jaar, zich in de greep van de dood weet, haast ze zich de uitgave van haar dagboek voor te bereiden:

‘Waarom liegen of poseren? Zeker, het is duidelijk, dat ik de wens, zo niet de hoop heb, blijvend op deze aarde te zijn door welk middel dan ook. Als ik niet jong sterf: als groot kunstenares, hoop ik; maar als ik jong sterf, wil ik mijn dagboek laten uitgeven dat niet anders dan belangwekkend kan zijn... Als ik dood zal zijn, zal men mijn leven lezen, dat ik zelf zeer merkwaardig vind... Als ik zó zou sterven, plotseling door een ziekte aangetast. Ik zal misschien niet weten, dat ik in gevaar ben, men zal het voor me verbergen en na mijn dood zal men in mijn laden gaan rommelen, men zal mijn dagboek vinden, mijn familie zal het vernietigen na het te hebben gelezen en weldra zal er niets meer van me over zijn, niets, niets. Dat is altijd mijn grote angst geweest. Leven met zo'n eerzucht, lijden, wenen, strijden en ten slotte: de vergetelheid... de vergetelheid, alsof ik nooit bestaan had! Als ik niet lang genoeg leef om beroemd te worden, zal mijn dagboek toch de naturalisten interesseren; dat is toch altijd merkwaardig, het leven van een vrouw, van dag tot dag, zonder pose, alsof niemand ter wereld het ooit zou lezen en tegelijk met de bedoeling gelezen te worden, want ik ben er zeker van dat mijn lezers onder mijn bekoring zullen komen... en ik zal alles, alles zeggen’. Het is begrijpelijk en rechtvaardig, dat het dagboek van Marie Basjkirtsew, kort na haar tragische dood verschenen, zo'n geweldige opgang maakte. Dit uit de lucht vallend, doelstellig en zelfbewust twaalfjarig stukje individualisme is een fenomeen, maar een fenomeen, dat voor wie er zich nu weer toe keert, enerzijds sterk de kleur van zijn tijd, van een naar het extravagante hunkerende roemzucht vertoont, anderzijds te veel ‘wonder’ is om blijvend te boeien. Want wonderen zijn niet boeiend, ze kunnen verrassend, overrompelend, sensationeel zijn, maar ze missen het boeiende van wat we geleidelijk zien kiemen, groeien, zich ontplooien en tot rijpheid komen.

 

En nu Anne Frank.

Wie aan háár dagboek een wonder hoopt te beleven, moet ik al van te voren teleurstellen. Dit dagboek is geen wonderkinderenwerk.

‘Het is voor iemand als ik een heel eigenaardige gewaarwording om in een dagboek te schrijven. Niet alleen dat ik nog nooit geschreven heb, maar het komt me voor, dat later noch ik noch iemand anders in de ontboezemingen van een dertienjarig schoolmeisje belang zal stellen ... en daar ik niet van plan ben dit gekartonneerde schrift, dat de weidse naam “dagboek” draagt, ooit aan iemand te laten lezen, tenzij ik nog eens ooit in mijn leven een vriend of vriendin krijg, die dan dè vriend of vriendin is, kan het waarschijnlijk niemand schelen’.

Niet waar, dat is zo gewoon mogelijk. Met deze of ongeveer deze woorden worden er jaarlijks tientallen dagboeken begonnen door dertien- en veertienjarigen, die zich van hun eigen ik-heid, van hun afzonderlijkheid in hun omgeving bewust beginnen te worden.

Maar deze inleidende woorden zijn van 20 Juni 1942. Op 6 Juli stond het gezin, waartoe Anne behoorde, voor de gruwelijke keus van zoveel Joodse gezinnen: zich als schapen laten wegvoeren na een ‘oproep’, of onderduiken. Men koos het laatste en de familie Frank betrok, tezamen met nog een tweede gezin, het gecamoufleerde achterhuis van het kantoorgebouw op de Prinsengracht, waar de heer Frank tot voor kort het bedrijf had uitgeoefend, dat hij bij de vlucht uit Duitsland in 1933 hierheen had overgebracht. Het is een ‘ruime’ onderduikgelegenheid. Maar in deze niettemin beperkte ruimte van een paar kamers en een zolder zullen zonder een ogenblik respijt twee gezinnen, acht mensen, elkaar moeten verdragen, zolang er in de omringende kantoorlokalen gewerkt wordt gedoemd tot een voortdurend dempen van ieder geluid en iedere activiteit en met, afgezien van het kleine huishoudelijk bedrijf, geen andere bezigheid dan ... zich bezig te houden.

In het levendige, intelligente en impressionabele kind Anne Frank voltrekt zich onder deze uitzonderlijke omstandigheden de groei van meisje tot vrouw, van kind tot mens in een versneld tempo. De verhouding van het groeiende jonge individu tot de buitenwereld, die zich in het normale leven in een groot aantal min of meer zwevende en wisselende lijnen laat optekenen, is hier tot een uiterst eenvoudig patroon teruggebracht, dat haar speurende geest van uitbreiding in de breedte naar uitbreiding in de diepte dwingt. In een telkens weer toeneigen, botsen en worstelen met deze zeven mensen om haar heen, in een voortdurend weetgierig aanstaren van deze zeven eeuwige close-ups groeit zienderogen de mensenkennis van het kind, in een door de omstandigheden opgedrongen zelfbeschouwing, in een worsteling met zichzelf en haar beperkte mogelijkheden, groeit onbegrijpelijk snel de zelfkennis van het dagboekje-spelende kind van de eerste bladzijde tot een scherp analyseren ook van haar eigen dromen en illusies, haar kleine tactiek tegenover haar omgeving en het noodlot, haar carpe diem - de schemerige dag van het achterhuis -, haar verzaken aan haar voor een onderduiker al te schone meisjesdromen en in vroege levenswijsheid genoegen nemen met het gegevené.

Is het de afgeslotenheid van het achterhuis, is het de duistere afgeslotenheid van de toekomst, die dit dagboek zo zuiver tot een gesprek-met-zichzelf maakt, zonder één storende en forcerende gedachte aan latere lezers, zonder ook maar één verre echo van die blijvende grondtoon van Marie Basjkirtsews dagboek: de zucht om te behagen, zij het dan op een hoger, een eerlijker niveau dan waarop behaagzucht zich gewoonlijk doet gelden? Men behoeft de moderne psychologen nauwelijks te bestuderen om te weten dat onze jeugd een enorme invloed heeft op onze latere houding tegenover het leven. Men behoeft maar te zien hoe vele en de allergrootste schrijvers er steeds weer naar streven hun eigen groei van kind tot mens uit hun vertederde of verbitterde herinnering los te wikkelen.

In dit dagboek, dat niet het werk van een groot schrijfster is - misschien had zij het kunnen worden, maar hoe zinneloos wordt deze vraag in haar weemoedigheid! - is zo zuiver, zo precies, zo zonder op- of om-zien naar wie of wat ook, het ontwaken van een mensenziel, getekend als we het maar zelden in het herinneringsbeeld ook van de zeer groten aantreffen. Er is in Anne Franks kijk op haar kleine buitenwereld ondanks haar ernstig streven tot zelfverbetering iets van de candide vrijmoedigheid en amorele zakelijkheid, waarmee de kinderen uit Hughes' A High Wind in Jamaica hun meest romantische ervaringen beschouwen, in haar kijk op de buitenwereld èn, dat is het allermerkwaardigste, ook op zichzelf.

 

Er is meer over dit dagboek te zeggen. Het is ook een oorlogsdocument, een document van de wreedheid en trieste ellende der Jodenvervolgingen, van menselijke hulpvaardigheid en verraad, van menselijke aanpassing en niet-aanpassing, de kleine vreugden en grote en kleine misères van het onderduikersleven, zijn er in een directe, on-literaire en daardoor vaak voortreffelijke wijze beschreven door dit kind dat in ieder geval die éne belangrijke kwaliteit van de grote schrijfster had: het onbevangen blijven, het niet wennen aan en daardoor blind worden voor de dingen zoals ze zijn.

Maar het belangrijkste van dit dagboek is voor mij niet die documentatie, die zo vaak elders is, wordt en zal worden vastgelegd. Wanneer men in de tropen een jonge plant uit het gematigd bergklimaat meeneemt naar de hete vlakte, dan bloeit zij eenmaal rijk en overdadig om daarna te gronde te gaan.

Dat is voor mij het ontroerende van dit dagboek.

Zoals die kleine dappere geranium daar heeft staan bloeien en bloeien achter de geblindeerde ramen van het achterhuis.

 

ANNIE ROMEIN-VERSCHOOR.

Zondag, 14 Juni 1942

Vrijdag 12 Juni was ik al om 6 uur wakker en dat is heel begrijpelijk, daar ik jarig was. Maar om 6 uur mocht ik toch nog niet opstaan, dus moest ik mijn nieuwsgierigheid bedwingen tot kwart voor zeven. Toen ging het niet langer, ik ging naar de eetkamer, waar ik door Moortje (de kat) met kopjes verwelkomd werd.

Om even na zevenen ging ik naar papa en mama en dan naar de huiskamer, om mijn cadeautjes uit te pakken. Het was in de eerste plaats jou die ik te zien kreeg, wat misschien wel een van mijn fijnste cadeau's is. Dan een bos rozen, een plantje, twee takken pinkster-rozen, dat waren die ochtend de kinderen van Flora, die op mijn tafel stonden, maar er kwam nog veel meer.

Van papa en mama heb ik een heleboel gekregen en ook door onze vele kennissen ben ik erg verwend. Zo ontving ik o.a. de Camera Obscura, een gezelschapsspel, veel snoep, chocola, een puzzle, een broche, Nederlandse Sagen en Legenden door Joseph Cohen, Daisy's Bergvacantie, een enig boek, en wat geld, zodat ik me Mythen van Griekenland en Rome kan kopen, fijn!

Dan kwam Lies mij halen en wij gingen naar school. In de pauze tracteerde ik leraren en leerlingen op boterkoekjes en toen moesten we weer aan het werk.

Nu moet ik ophouden. Dáág, ik vind je zo fijn!

Maandag, 15 Juni 1942

Zondagmiddag had ik mijn verjaardag-partijtje. We hebben een film gehad, De Vuurtorenwachter met Rin-tin-tin, die zeer in de smaak viel bij mijn klasgenootjes. We hadden veel pret en het was heel gezellig. Er waren veel jongens en meisjes. Moeder wil nog altijd weten met wien ik later zou willen trouwen. Ze kan nooit vermoeden, dat het Peter Wessel is, omdat ik het haar destijds zo zonder blikken af blozen uit het hoofd gepraat heb. Met Lies Goosens en Sanne Houtman ben ik al jaren bevriend, het waren mijn beste vriendinnen. Intussen heb ik Jopie de Waal op het Joodse Lyceum leren kennen. Wij zijn veel samen en zij is nu mijn beste vriendin. Lies is nu meer met een ander meisje samen en Sanne is op een andere school en heeft daar vriendinnen.

Zaterdag, 20 Juni 1942

Ik heb een paar dagen niet geschreven, omdat ik eerst eens goed over het hele dagboek-idee moest nadenken. Het is voor iemand als ik een heel eigenaardige gewaarwording om in een dagboek te schrijven. Niet alleen dat ik nog nooit geschreven heb, maar het komt me zo voor, dat later noch ik, noch iemand anders in de ontboezemingen van een dertienjarig schoolmeisje belang zal stellen. Maar ja, eigenlijk komt dat er niet op aan, ik heb zin om te schrijven en nog veel meer om mijn hart over allerlei dingen eens grondig en helemaal te luchten.

‘Papier is geduldiger dan mensen’, dit gezegde schoot me te binnen toen ik, op een van mijn licht-melancholieke dagen, verveeld met mijn hoofd op mijn handen zat en van lamlendigheid niet wist of ik uit moest gaan dan wel thuis blijven, en zo uiteindelijk op dezelfde plek bleef zitten piekeren. Ja, inderdaad, papier is geduldig, en daar ik niet van plan ben dat gecartonneerde schrift, dat de weidse naam ‘dagboek’ draagt, ooit aan iemand te laten lezen, tenzij ik nog eens ooit in mijn leven een vriend of vriendin krijg die dan ‘de’ vriend of vriendin is, kan het waarschijnlijk niemand schelen. Nu ben ik bij het punt beland, waar het hele dagboekidee om begonnen is: ik heb geen vriendin.

Om nog duidelijker te zijn, moet hierop een verklaring volgen, want niemand kan begrijpen dat een meisje van dertien helemaal alleen op de wereld staat; dat is ook niet waar: ik heb lieve ouders en een zuster van 16, ik heb alles bij elkaar geteld zeker wel 30 kennisjes en wat je dan vriendinnen noemt, - ik heb een stoet aanbidders, die me naar de ogen zien en als het niet anders kan, met een gebroken zakspiegeltje in de klas nog een glimp van me trachten op te vangen. Ik heb familie, lieve tantes en ooms, een goed thuis, neen, ogenschijnlijk ontbreekt het me aan niets, behalve aan ‘de’ vriendin. Ik kan met geen van mijn kennisjes iets anders doen dan pret maken, ik kan er nooit toe komen eens over iets anders te spreken dan over alledaagse dingen. Want wat intiemer te worden is niet mogelijk, en daar zit hem de knoop. Misschien ligt dat gebrek aan vertrouwelijkheid bij mij; in ieder geval, het feit is er en het is jammer genoeg ook niet weg te werken.

Daarom dit dagboek. Om nu het idee van een lang verbeide vriendin nog te verhogen in mijn fantasie, wil ik niet zo maar gewoon als ieder ander de feiten in dit dagboek plaatsen, maar wil dit dagboek de vriendin zelf laten zijn en die vriendin heet Kitty.

 

Daar niemand iets van mijn verhalen aan Kitty zou snappen, als ik zo met de deur in huis kom vallen, moet ik in het kort mijn levensgeschiedenis weergeven, hoewel niet graag.

Mijn vader trouwde pas op zijn 36ste jaar met mijn moeder, die toen 25 was. Mijn zuster Margot werd in 1926 geboren in Frankfurt a/M., op 12 Juni 1929 volgde ik en daar we volbloed -Joden zijn, emigreerden we in 1933 naar Nederland, waar mijn vader aangesteld werd als directeur van de Travies N.V.. Deze staat in nauwe relatie tot de firma Kolen & Co. in hetzelfde gebouw, waarvan vader mede deelgenoot is.

Ons leven verliep met de nodige opwindingen, daar de overgebleven familie niet door Hitlers Jodenwetten gespaard bleef. In 1938 na de progroms vluchtten mijn twee ooms, broers van mijn moeder en belandden veilig in U.S.A. Mijn oude grootmoeder kwam bij ons, ze was toen 73 jaar. Na Mei 1940 ging het bergaf met de goede tijden: eerst de oorlog, de capitulatie, intocht der Duitsers, waarna de ellende voor ons Joden begon. Jodenwet volgde op Jodenwet. Joden moeten een Jodenster dragen. Joden moeten hun fietsen afgeven. Joden mogen niet in de tram, Joden mogen niet meer in auto's rijden. Joden mogen alleen van 3-5 uur boodschappen doen en alleen in Joodse winkels, waar ‘Joods lokaal’ opstaat. Joden mogen vanaf 8 uur 's avonds niet op straat zijn en ook niet in hun tuin zitten, noch bij kennissen. Joden mogen zich niet in schouwburgen, bioscopen of andere voor vermaak dienende plaatsen ophouden, Joden mogen in het openbaar generlei sport beoefenen, ze mogen geen zwembad, tennisbaan, hockeyveld of andere sportplaats betreden. Joden mogen ook niet bij Christenen aan huis komen. Joden moeten op Joodse scholen gaan en nog veel meer van dergelijke beperkingen.

Zo ging ons leventje door en we mochten dit niet en dat niet. Jopie zei altijd tegen me: ‘Ik durf niets meer te doen, want ik ben bang dat het niet mag’. Onze vrijheid werd dus zeer beknot, maar het is nog uit te houden.

Oma stierf in Januari 1942; niemand weet hoeveel ik aan haar denk en nog van haar houd.

Al in 1934 kwam ik in de kleuterklas van de Montessorischool en ben verder op deze school gebleven. In 6B kwam ik bij de directrice, mevr. K., terecht; wij namen hartroerend afscheid aan het einde van het schooljaar en huilden alle twee. In 1941 werd ik, evenals mijn zuster Margot, naar het Joodse Lyceum overgeplaatst, zij in de 4 de en ik in de 1 ste klas.

Met ons gezin van vier gaat het nog steeds goed en zo ben ik dan op de huidige datum aangeland.

Zaterdag, 20 Juni 1942

Lieve Kitty,

Dan begin ik maar meteen; het is nu zo lekker rustig, vader en moeder zijn uit en Margot is met wat jongelui bij een vriendin gaan ping-pongen.

Ping-pongen doe ik de laatste tijd ook erg veel. Daar wij ping-pongsters vooral in de zomer erg van ijs houden en ping-pong warm maakt, loopt zo'n spel meestal uit op een tochtje naar de dichtstbijzijnde ijswinkels, die voor Joden geoorloofd zijn, namelijk Delphi of Oase. Naar portemonnaie of geld zoeken we al lang niet meer; bij de Oase is het meestal zo druk, dat er onder al de mensen altijd wel wat goedgeefse heren van onze uitgebreide kennissenkring of de een of andere aanbidder te vinden is, die ons meer ijs aanbieden dan we in een week opkunnen.

Ik denk, dat je wel een beetje verbaasd zult zijn over het feit, dat ik, zo jong als ik ben, over aanbidders spreek. Helaas, dit euvel schijnt bij ons op school niet te vermijden te zijn. Zodra een jongen mij vraagt of hij met mij mee naar huis mag fietsen en daarop een gesprek begint, kan ik er negen van de tien keer van overtuigd zijn, dat de desbetreffende jongeling de lastige gewoonte heeft dadelijk in vuur en vlam te raken en me niet meer uit het oog laat. Na verloop van tijd zakt die verliefdheid heus wel weer af, vooral omdat ik me van vurige blikken niet veel aantrek en lustig doorpeddel. Als het soms te bont wordt en ze over ‘vader vragen’ gaan bazelen, zwaai ik een beetje met mijn fiets, tas valt, de jongeman moet fatsoenshalve afstappen en na de tas weer afgeleverd te hebben, heb ik al lang weer een ander gespreksthema aangeknoopt.

Dit zijn nog maar de onschuldigsten, je hebt er natuurlijk ook onder, die kushandjes sturen of een arm proberen te bemachtigen, maar dan zijn ze beslist aan het verkeerde adres. Ik stap af en weiger verder van zijn gezelschap gebruik te maken, of ben zogenaamd beledigd en zeg hem in kernachtige bewoordingen, dat hij naar huis kan gaan.

Ziezo, de grondslag voor onze vriendschap is gelegd, tot morgen!

Je Anne.

Zondag, 21 Juni 1942

Lieve Kitty,

Onze hele 1 B-klas bibbert; de aanleiding is de in het vooruitzicht gestelde leraarsvergadering. De halve klas is aan het wedden over zittenblijven of overgaan. Miep de Jong en ik lachen ons naar om onze twee achterburen Wim en Jacques, die hun hele vacantiekapitaal tegen elkaar verwed hebben. ‘Jij gaat over’, ‘Nietes’, ‘Welles’, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, zelfs Mieps smekende blikken om stilte en mijn boze uitvallen kunnen die twee niet tot kalmte brengen.

Volgens mij moest een vierde van de hele klas blijven zitten, zulke uilen zitten er in, maar leraren zijn de nukkigste mensen die er bestaan, misschien zijn ze nu, bij uitzondering, eens nukkig naar de goede kant.

Voor mijn vriendinnen en mijzelf ben ik niet zo bang, we zullen er wel doorheen rollen. Alleen in wiskunde ben ik onzeker. Enfin, afwachten maar. Tot zolang spreken we elkander moed in.

Ik kan het met al mijn leraren en leraressen nogal goed vinden, het zijn er negen in getal, waarvan zeven mannelijke en twee vrouwelijke. Mijnheer Kepler, de oude wiskundeleraar, was een tijd lang erg kwaad op me, omdat ik zoveel kletste: vermaning volgde op vermaning, tot ik strafwerk kreeg. Een opstel maken met tot onderwerp ‘Een kletskous’. Een kletskous! Wat kan je daar nu over schrijven? Maar dat was van later zorg en ik stopte mijn agenda na inschrijving in mijn tas en probeerde me rustig te houden.

's Avonds, thuis, toen al mijn andere huiswerk af was, viel mijn oog op de aantekening van het opstel. Met het eindje van mijn vulpen in mijn mond begon ik over het onderwerp na te denken; zo maar gewoon wat bazelen en zo wijd mogelijk uit elkaar schrijven kan iedereen, maar een afdoende bewijs voor de noodzakelijkheid van het praten te vinden, dat was de kunst. Ik dacht en dacht, dan had ik opeens een idee, ik pende mijn 3 opgegeven kantjes vol en was voldaan. Als argumenten had ik aangevoerd, dat praten vrouwelijk is, dat ik wel mijn best zou doen het een beetje te temperen, maar afleren zou ik het wel nooit, daar mijn moeder net zoveel praatte als ik, zo niet meer en dat aan overgeërfde eigenschappen nu eenmaal weinig te doen is.

Mijnheer Kepler moest erg om mijn argumenten lachen, maar toen ik mijn praat-uurtje in de volgende les toch weer voortzette, volgde ook het tweede opstel. Ditmaal moest het een ‘onverbeterlijke kletskous’ zijn. Ook dit werd ingeleverd en Kepler had twee lessen lang niet te klagen. In de derde les werd het hem echter weer te bont. ‘Anne, als strafwerk voor praten, een opstel over het onderwerp ‘Kwek, kwek, kwek, zei juffrouw Snaterbek’. De klas schaterde. Ik moest wel meelachen, hoewel mijn vindingrijkheid op het gebied van kwebbelopstellen uitgeput was. Ik moest er iets anders, heel origineels op vinden. Het toeval kwam me te hulp, mijn vriendin Sanne, goede dichteres, bood haar hulp aan om het opstel van begin tot eind op rijm in te leveren. Ik juichte. Kepler wou me met dit onzinnige onderwerp in de maling nemen, ik zou hem met mijn gedicht driedubbel in de maling nemen.

Het gedicht kwam af en was prachtig. Het handelde over een moeder eend en een vader zwaan, met drie kleine eendjes, die wegens te veel kwebbelen door den vader doodgebeten werden. Kepler verstond de grap gelukkig goed, hij las het gedicht met commentaar in de klas voor en in verschillende andere klassen ook nog.

Sindsdien mocht ik praten en kreeg nooit meer strafwerk, integendeel, Kepler maakt nu altijd grapjes.

Je Anne.

Woensdag, 24 Juni 1942

Lieve Kitty,

Het is smoorheet, iedereen puft en bakt en in die hitte moet ik alles belopen. Nu zie ik pas hoe fijn een tram toch is, vooral een open, maar dat genot is voor ons Joden niet langer weggelegd, voor ons is de benenwagen goed genoeg. Gisteren moest ik tussen de middag naar de Jan Luykenstraat naar de tandarts. Het is van onze school in de Stadstimmertuinen een lange weg; op school viel ik 's middags dan ook haast in slaap. Gelukkig dat de mensen je vanzelf al iets te drinken aanbieden, de zuster van den tandarts is werkelijk een hartelijk mens.

Het enige waarop we nog mogen is de pont. Over de Josef Israëlskade vaart een kleine boot, waarvan de veerman ons dadelijk meenam, toen we hem vroegen ons over te zetten. Aan de Hollanders ligt het heus niet, dat wij Joden het zo ellendig hebben.

Ik wou maar, dat ik niet naar school moest, mijn fiets is in de Paasvacantie gestolen en die van moeder heeft vader bij Christenmensen in bewaring gegeven. Maar gelukkig nadert de vacantie met snelle schreden, nog een week en het leed is geleden.

Gistermorgen is me wat leuks overkomen. Ik kwam langs de rijwielstalling, toen iemand me riep. Ik keek om en zag een aardigen jongen achter me staan, dien ik de avond tevoren bij Eva, een kennisje, ontmoet had. Hij kwam een beetje verlegen dichterbij en stelde zich voor als Harry Goldberg. Ik was een beetje verbaasd en wist niet goed wat hij wilde, maar dat bleek al spoedig. Harry wou van mijn gezelschap gebruik maken en me naar school brengen. ‘Als je toch dezelfde kant op moet, ga ik wel mee’, antwoordde ik en zo gingen we samen. Harry is al 16 en weet over allerlei dingen leuk te vertellen. Vanochtend wachtte hij weer op me en in het vervolg zal het nu wel zo blijven.

Je Anne.

Dinsdag, 30 Juni 1942

Lieve Kitty,

Tot vandaag toe kon ik heus geen tijd vinden om weer te schrijven. Donderdag was ik de hele middag bij kennissen, Vrijdag hadden we visite en zo ging het door tot vandaag. Harry en ik hebben elkaar in die week goed leren kennen, hij heeft me veel van zijn leven verteld; hij is zonder zijn ouders hier in Nederland gekomen bij zijn grootouders. Zijn ouders zijn in België.

Harry had een meisje, Fanny, ik ken haar als een voorbeeld van zachtheid en saaiheid. Sinds hij mij ontmoet heeft, is Harry tot de ontdekking gekomen, dat hij aan Fanny's zijde inslaapt. Ik ben dus zo'n soort wakkerhoudmiddel, een mens weet nooit waar hij nog eens voor gebruikt wordt.

Zaterdagavond heeft Jopie bij me geslapen, maar Zondagmiddag was ze bij Lies en ik heb me doodverveeld. Harry zou 's avonds bij mij komen, maar bij zessen belde hij op. Ik ging naar de telefoon, toen zei hij: ‘Hier is Harry Goldberg, mag ik Anne alstublieft even spreken?’

‘Ja, Harry, hier is Anne’.

‘Dag Anne, hoe gaat het met je?’

‘Goed, dank je wel’.

‘Ik moet je tot mijn spijt zeggen, dat ik vanavond niet bij je kan komen, maar ik zou je nu nog wel even willen spreken; is het goed dat ik over tien minuten voor je deur ben?’

‘Ja, dat is goed, nou dáág!!!’

‘Dáág, ik kom direct’.

Hoorn neer.

Ik ben me gauw gaan verkleden en heb mijn haar een beetje opgedoft. Toen ben ik zenuwachtig uit het raam gaan hangen. Eindelijk kwam hij er aan. Wonder boven wonder ben ik niet meteen de trap afgesuisd, maar heb rustig afgewacht tot hij gebeld heeft. Ik ging naar beneden en hij viel meteen met de deur in huis.

‘Zeg Anne, mijn grootmoeder vindt jou nog te jong om geregeld mee om te gaan en ze zegt, dat ik naar de Leurs moet gaan, maar je weet misschien, dat ik niet meer met Fanny omga!’

‘Neen, hoezo, hebben jullie ruzie gehad?’

‘Neen, integendeel, ik heb tegen Fanny gezegd, dat we toch niet goed met elkaar konden opschieten en dat we daarom maar niet meer met elkaar om moesten gaan, maar dat Fanny bij ons nog heel welkom was, en dat ik hoopte, dat ik dat ook bij haar was. Ik dacht namelijk dat Fanny met een anderen jongen rondzwierf en heb haar daar ook naar behandeld. Maar dat was helemaal niet waar, en nu zei mijn oom dat ik Fanny excuus moest aanbieden, maar dat wilde ik natuurlijk niet en daarom heb ik het uitgemaakt. Maar dat was maar een van de vele redenen. Mijn grootmoeder wil namelijk dat ik naar Fanny ga, en niet naar jou, maar daar denk ik niet over; oude mensen hebben soms erg ouderwetse begrippen en daar kan ik me niet naar richten. Ik heb mijn grootouders wel nodig, maar in zekere zin hebben zij mij toch ook nodig.

Nu heb ik voortaan Woensdagavonds altijd vrij, omdat ik voor mijn grootouders naar houtsnijles ga, maar in werkelijkheid ga ik naar zo'n clubje van de zionistische beweging. Dat mag ik niet, omdat mijn grootouders erg tegen het zionisme zijn. Ik ben er ook niet fanatiek vóór, maar ik voel er wel wat voor en interesseer me er voor. Maar de laatste tijd is het daar ook zo'n rommelzootje, dat ik van plan ben er uit te gaan en daarom is Woensdagavond de laatste avond dat ik er naar toe ga. Dan kan ik dus Woensdagavond, Zaterdagmiddag, Zaterdagavond, Zondagmiddag en misschien nog wel vaker met jou omgaan’.

‘Maar als je grootouders het nu niet willen, dan moet jij het toch niet achter hun rug doen!’

‘Liefde laat zich nu eenmaal niet dwingen’.

Toen kwamen we langs de boekhandel op de hoek en daar stond Peter Wessel met nog twee jongens; het is voor het eerst in lange tijd dat hij me weer groette en ik had er echt plezier in.

Harry en ik liepen intussen steeds maar blokjes en het eind van het liedje was een afspraak, dat ik de volgende avond om vijf minuten voor zeven in Harry's stoep zou staan.

Je Anne.

Vrijdag, 3 Juli 1942

Lieve Kitty,

Gisteren was Harry bij ons thuis om met mijn ouders kennis te maken. Ik had taart en snoep gehaald, thee en koekjes, van alles was er, maar Harry noch ik hadden zin om zo naast elkaar op een stoel te blijven zitten, we zijn gaan wandelen en pas om 10 over 8 werd ik thuis afgeleverd. Vader was erg kwaad, vond het geen manier dat ik te laat thuis was, omdat het voor Joden gevaarlijk is na 8 uur buiten te zijn en ik moest beloven in het vervolg al om 10 minuten vóór acht binnen te zijn.

Morgen ben ik bij hem gevraagd. Mijn vriendin Jopie plaagt me steeds met Harry. Ik ben heus niet verliefd, o neen, ik mag toch wel vrienden hebben, niemand ziet er iets in, dat ik een vriendje heb of, zoals moeder het uitdrukt, een cavalier.

Eva heeft me verteld, dat Harry op een avond bij haar was en dat zij aan hem vroeg: ‘Wie vind je aardiger, Fanny of Anne?’ Toen zei hij: ‘Dat gaat je niets aan’. Maar toen hij de deur uitging, (ze hadden de hele avond niet meer samen gekletst) zei hij: ‘Nou, Anne hoor, daag, en aan niemand vertellen’. Floep, ging hij de deur uit.

Je kunt aan alles merken dat Harry nu verliefd op mij is, en dat vind ik voor de afwisseling wel leuk. Margot zou zeggen: ‘Harry is een erg geschikt joch’, en dat vind ik ook en nog wel meer dan dat. Moeder zit hem ook ontzettend te roemen, een knap joch (van gezicht dan), een beleefde jongen en een aardige jongen; ik ben blij dat Harry bij alle huisgenoten zo in de smaak valt. Hij mag ze ook graag. Maar mijn vriendinnen vindt hij erg kinderachtig en daar heeft hij gelijk in.

Je Anne.

Zondagochtend, 5 Juli 1942

Lieve Kitty,

De promotie Vrijdag in de Joodse Schouwburg is naar wens verlopen. Mijn rapport is helemaal niet zo slecht, ik heb één onvoldoende, een vijf voor algebra, twee zessen, verder allemaal zevens en twee achten. Thuis waren ze wel blij, maar mijn ouders zijn in cijferaangelegenheden heel anders dan andere ouders. Ze trekken zich nooit iets van goede of slechte rapporten aan en letten er alleen op of ik gezond ben, niet te brutaal en pret heb; als deze dingen in orde zijn, komt al het andere wel vanzelf. Ik ben het tegendeel, ik wil geen slechte leerling zijn, ik ben voorwaardelijk op het Lyceum aangenomen, omdat ik eigenlijk nog in de zevende klas van de 6de Montessorischool had moeten blijven. Maar toen alle Joodse kinderen naar Joodse scholen moesten, nam de directeur mij en Lies, na wat heen en weer gepraat, voorwaardelijk op. En ik wil zijn vertrouwen niet beschamen. Mijn zuster Margot heeft ook haar rapport, schitterend zoals gewoonlijk. Als cum laude bij ons zou bestaan, was ze zeker met lof overgegaan, zo'n knappe bol!

Vader is de laatste tijd veel thuis, in de zaak heeft hij niets meer te zoeken; naar gevoel moet dat zijn om je nu zo overbodig te voelen. Mijnheer Koophuis heeft de Travies overgenomen en mijnheer Kraler de firma Kolen & Co. Toen we een paar dagen geleden samen om ons pleintje wandelden, begon vader over onderduiken te praten. Hij had het er over, dat het erg moeilijk voor ons zal zijn om helemaal afgescheiden van de wereld te leven. Ik vroeg hem, waarom hij daar nu al over sprak. ‘Ja, Anne’, zei hij daarop, ‘je weet dat we al meer dan een jaar kleren, levensmiddelen en meubelen naar andere mensen brengen. Wij willen onze goederen niet in de handen van de Duitsers laten vallen, maar nog minder willen wij zelf gepakt worden. Wij zullen daarom uit onszelf weggaan en niet wachten, tot we gehaald worden’.

‘Maar vader, wanneer dan?’ Ik werd angstig door de ernst, waarmee vader dit zo zei.

‘Maak je daar maar niet ongerust over, dat regelen wij wel, geniet van je onbezorgd leventje, zolang je er van genieten kunt’. Dat was alles. O laat de vervulling van deze sombere woorden nog lang verre blijven!

Je Anne.

Woensdag, 8 Juli 1942

Lieve Kitty,

Vanaf Zondagmorgen tot nu lijkt een afstand van jaren. Er is zoveel gebeurd, dat het is alsof de hele wereld zich plotseling omgedraaid heeft. Maar Kitty, je merkt dat ik nog leef en dat is de hoofdzaak, zegt vader.

Ja, inderdaad, ik leef nog, maar vraag niet waar en hoe. Ik denk dat je vandaag helemaal niets van me begrijpt, daarom zal ik maar beginnen met je te vertellen wat er Zondagmiddag gebeurd is.

Om 3 uur (Harry was even weggegaan, om later terug te komen) belde er iemand aan de deur. Ik hoorde het niet, daar ik lui in een ligstoel op de veranda in de zon lag te lezen. Even later verscheen Margot in opgewonden toestand aan de keukendeur. ‘Er is een oproep van de S.S. voor vader gekomen’, fluisterde ze, ‘moeder is al naar mijnheer van Daan gegaan’. (Van Daan is een goede kennis en medewerker in papa's zaak.) Ik schrok ontzettend, een oproep, iedereen weet wat dat betekent; concentratiekampen en eenzame cellen zag ik al in mijn geest opdoemen en daarnaartoe zouden wij vader laten vertrekken. ‘Hij gaat natuurlijk niet’, verklaarde Margot mij, toen wij in de kamer op moeder zaten te wachten.

‘Moeder is naar Van Daan om te bespreken, of we morgen naar onze schuilplaats zullen vertrekken. De Van Daans gaan met ons mee onderduiken, we zijn dan met ons zevenen’. Stilte. We konden niet meer spreken, de gedachte aan vader, die geen kwaad vermoedend op bezoek was bij oude mensen in de Joodse Invalide, het wachten op moeder, de warmte, de spanning, dat alles deed ons zwijgen.

Plotseling werd er weer gebeld. ‘Dat is Harry’, zei ik.

‘Niet open doen’, hield Margot mij tegen, maar dat was overbodig, we hoorden moeder en mijnheer Van Daan beneden met Harry praten, toen kwamen ze binnen en sloten de deur achter zich dicht. Bij elke bel moesten Margot of ik nu zachtjes naar beneden om te zien of het vader was, andere mensen lieten we niet toe.

Margot en ik werden uit de kamer gestuurd. Van Daan wou met moeder alleen spreken. Toen Margot en ik in onze slaapkamer zaten, vertelde zij, dat de oproep niet vader maar haar betrof. Ik schrok opnieuw en begon toen te huilen. Margot is zestien; zulke jonge meisjes willen ze dus alleen weg laten gaan. Maar gelukkig zou ze niet gaan, moeder had het zelf gezegd en daarop zouden dan ook vaders woorden wel gedoeld hebben, toen hij het met mij over onderduiken had.

Onderduiken, waar zouden we gaan onderduiken, in de stad, op het land, in een huis, in een hut, wanneer, hoe, waar...? Dat waren vragen, die ik niet mocht stellen, en die toch steeds weer terugkwamen. Margot en ik begonnen het nodigste in een schooltas te pakken. Het eerste wat ik er in stopte, was dit gecartonneerde schrift, daarna krulpennen, zakdoeken, schoolboeken, kam, oude brieven; ik dacht aan het onderduiken en stopte daardoor de gekste onzin in de tas. Maar ik heb er geen spijt van; geef meer om herinneringen dan om jurken.

Om 5 uur kwam vader eindelijk thuis, we belden mijnheer Koophuis op en vroegen of hij nog 's avonds zou kunnen komen. Van Daan ging weg en haalde Miep. Miep is vanaf 1933 bij vader in de zaak en een intieme kennis geworden, evenals haar nieuwbakken echtgenoot Henk. Miep kwam, nam wat schoenen, jurken, jasjes, ondergoed en kousen in een tas mee en beloofde 's avonds terug te komen. Daarna was het stil in onze woning; geen van vieren wilden we eten, het was nog warm en alles was erg vreemd. Onze grote bovenkamer hadden we verhuurd aan een zekeren mijnheer Goudsmit, gescheiden man van in de dertig, die deze avond schijnbaar niets te doen had; daarom bleef hij tot 10 uur bij ons rondhangen en was met goede woorden niet weg te krijgen. Om elf uur kwamen Miep en Henk van Santen. Weer verdwenen schoenen, kousen, boeken en ondergoed in Mieps tas en Henks diepe zakken, om half 12 waren ook zij verdwenen. Ik was doodmoe en hoewel ik wist, dat het de laatste nacht in mijn bed zou zijn, sliep ik dadelijk en werd pas om half zes in de ochtend door moeder gewekt. Gelukkig was de hitte iets minder dan Zondag; een warme regen stroomde de hele dag door. We kleedden ons alle vier zo dik aan, alsof we in een ijskast zouden moeten overnachten en dat alleen om nog wat kleren mee te nemen. Geen Jood zou het in onze toestand gewaagd hebben met een koffer vol kleren uit huis te gaan. Ik had 2 hemdjes, 3 broeken, een jurk, daarover rok, jasje, zomerjas, twee paar kousen, dichte schoenen, muts, sjaal en nog meer aan, ik stikte thuis al, maar daar vroeg niemand naar.

Margot stopte haar schooltas vol met schoolboeken, haalde haar fiets uit de stalling en reed achter Miep aan weg naar voor mij onbekende verten. Ik wist namelijk nog steeds niet, waar de geheimzinnige plaats van onze bestemming zou zijn. Om half acht sloten ook wij de deur achter ons; de enige van wie ik afscheid te nemen had was Moortje, mijn kleine poesje, dat een goed tehuis bij de buren zou krijgen, zoals aangegeven stond op een briefje aan mijnheer Goudsmit geadresseerd.

In de keuken een pond vlees voor de kat, de ontbijtboel op tafel, de bedden afgehaald, dat alles wekte de indruk alsof we hals over kop vertrokken waren. Indrukken konden ons niet schelen, weg wilden we, alleen maar weg en veilig aankomen, anders niets.

Morgen vervolg.

Je Anne.

Donderdag, 9 Juli 1942

Lieve Kitty,

Zo liepen we dan door de stromende regen, vader, moeder en ik, elk met een school- en boodschappentas, tot bovenaan toe volgepropt met de meest door elkaar liggende dingen.

De arbeiders, die vroeg naar hun werk gingen, keken ons medelijdend na; op hun gezicht was duidelijk de spijt te lezen, dat ze ons generlei voertuig konden aanbieden; de opzichtige gele ster sprak voor zichzelf.

Pas toen we op straat waren, vertelden vader en moeder me bij brokjes en beetjes het hele onderduikplan. Al maandenlang hadden ze zoveel van onze inboedel en ons lijfgoed als mogelijk was het huis uitgedaan en nu waren we juist zover, dat we vrijwillig op 16 Juli wilden gaan onderduiken. Door de oproep was dat onderduikplan tien dagen vervroegd, zodat we ons met minder goed geordende appartementen tevreden zouden moeten stellen. De schuilplaats zelf zou in vaders kantoorgebouw zijn. Dat is voor buitenstaanders een beetje moeilijk te begrijpen, daarom zal ik het nader toelichten. Vader heeft niet veel personeel gehad: mijnheer Kraler, Koophuis, Miep en Elli Vossen, de 23-jarige stenotypiste, die allen van onze komst op de hoogte waren. In het magazijn mijnheer Vossen, vader van Elli en twee knechten, die we niets gezegd hadden.

Het gebouw zit als volgt in elkaar: parterre is een groot magazijn, dat ook als pakhuis gebruikt wordt. Naast de magazijndeur bevindt zich de gewone huisdeur, die door een tussendeur toegang tot een trapje geeft (A). Boven aan de trap bereikt men een half-matglazen deur, waarop eenmaal in zwarte letters ‘kantoor’ stond. Dat is het grote voorkantoor, zeer groot, zeer licht, zeer vol. Overdag werken daar Elli, Miep en mijnheer Koophuis. Via een kabinetje met brandkast, garderobe en grote voorraadkast komt men aan het kleine, tamelijk donkere achterkamertje. Daar zaten vroeger mijnheer Kraler en mijnheer Van Daan, nu alleen nog de eerste. Men kan ook vanuit de gang Kralers kantoor bereiken, maar dan alleen door een glazen deur die van binnen wel, maar van buiten niet zonder meer te openen is.

Vanuit Kralers kantoor, de lange smalle gang door, langs het kolenhok, vier treden op, het pronkstuk van het hele gebouw: het privé-kantoor. Deftige donkere meubels, linoleum en kleden op de vloer, radio, sjieke lamp, alles prima-prima. Daarnaast een grote, ruime keuken met warmwatergeyser en twee gaspitten. Daarnaast W.C. Dat is de eerste verdieping.

Vanuit de benedengang loopt een gewone houten trap naar boven (B). Bovenaan is een klein portaaltje, dat als overloopje wordt betiteld. Rechts en links van de overloop zijn deuren, de linker leidt naar het voorhuis met pakhuisruimten, voorzolder en voorvliering. Van dit voorgebouw loopt aan de andere kant ook nog een lange, hypersteile, echte Hollandse been-breektrap naar de tweede straatdeur (C).

De rechterdeur leidt naar ‘het Achterhuis’. Geen mens zou vermoeden, dat achter de simpele, grijsgeschilderde deur zoveel kamers schuilgaan. Voor de deur is een stoepje en dan ben je binnen.

Recht tegenover de ingangsdeur een steile trap (E), links brengt een klein gangetje je in een kamer, die de huis- en slaapkamer van de familie Frank zou worden, daarnaast een kleinere kamer, slaap- en werkkamer van de twee jongedames Frank. Rechts van de trap een kamer zonder raam met wastafel en een afgesloten W.C.-hokje, ook weer een toegangsdeur naar Margots en mijn kamer.

Als men de trap opgaat en de deur aan het boveneinde opent, staat men verbaasd, dat in zo'n oud grachtenhuis zo'n groot, licht en ruim vertrek bestaat. In dit vertrek is een gasfornuis (dat hebben we te danken aan het feit, dat het tot nu toe als laboratorium diende) en een gootsteen. Dit nu is de keuken en tevens de slaapkamer voor het echtpaar Van Daan, alsmede gemeenschappelijke huiskamer, eetkamer en werkkamer.

Een heel klein doorloopkamertje zal Peter van Daans appartement worden. Dan, net als vóór, een zolder en vliering. Ziehier, ik stelde je ons hele, fijne Achterhuis voor.

Je Anne.

Vrijdag, 10 Juli 1942

Lieve Kitty,

Het is zeer waarschijnlijk, dat ik je met mijn langdradige woningbeschrijving danig verveeld heb, maar toch vind ik het noodzakelijk, dat je weet, waar ik beland ben.

Nu het vervolg van mijn verhaal, want dat was nog niet klaar, weet je. Op de Prinsengracht aangekomen nam Miep ons gauw mee naar boven, het Achterhuis in. Ze sloot de deur achter ons en we waren alleen. Margot was er met de fiets veel sneller aangekomen en wachtte al op ons. Onze huiskamer en alle andere kamers waren zo vol rommel, dat het niet te beschrijven is. Alle cartonnen dozen, die in de loop van de voorafgegane maanden naar kantoor gestuurd waren, stonden op de grond en op de bedden. Het kleine kamertje was tot aan het plafond met beddegoed gevuld. Als we 's avonds op behoorlijk opgemaakte bedden zouden willen slapen, moesten we direct aan de gang gaan en de boel opruimen. Moeder en Margot waren niet in staat een lid te verroeren, zij lagen op de kale bedden, waren moe, ellendig en ik weet niet wat al meer. Maar vader en ik, de twee opruimers in de familie, wilden dadelijk beginnen.

We pakten de hele dag door dozen uit, kasten in, hamerden en ruimden, totdat we 's avonds doodmoe in de schone bedden vielen. De hele dag hadden we geen warm eten gehad, maar dat hinderde ons niet; moeder en Margot waren te moe en te overspannen om te eten, vader en ik hadden te veel werk.

Dinsdagochtend begonnen we daar, waar we Maandag opgehouden waren. Elli en Miep haalden de boodschappen op onze levensmiddelenbonnen, vader verbeterde de onvoldoende verduistering, we schrobden de keukenvloer en waren opnieuw van 's ochtends tot 's avonds in de weer. Tijd om over de grote verandering die er in mijn leven gekomen was na te denken, had ik haast niet tot Woensdag. Toen vond ik voor het eerst sinds onze aankomst in het Achterhuis gelegenheid om je de gebeurtenissen mede te delen en tegelijkertijd om me eens goed te realiseren, wat er nu eigenlijk met me gebeurd was en wat er nog gebeuren zou.

Je Anne.

Zaterdag, 11 Juli 1942

Lieve Kitty,

Vader, moeder en Margot kunnen nog steeds niet aan het geluid van de Westertorenklok wennen, die om het kwartier zegt hoe laat het is. Ik wel, ik vond het dadelijk fijn en vooral 's nachts is het zo iets vertrouwds. Het zal je wel interesseren te horen hoe het me in mijn ‘duik’ bevalt, welnu, ik kan je alleen zeggen, dat ik het zelf nog niet goed weet. Ik geloof, dat ik me in dit huis nooit thuis zal voelen, maar daarmee wil ik helemaal niet zeggen, dat ik het hier naar vind, ik voel me veeleer als in een heel eigenaardig pension, waar ik met vacantie ben. Nogal een gekke opvatting van onderduiken, maar het is nu eenmaal niet anders. Het Achterhuis is als schuilplaats ideaal. Hoewel het vochtig is en scheefgetrokken zal men nergens in Amsterdam zo iets geriefelijks voor onderduikers ingericht hebben, ja misschien zelfs nergens in heel Nederland.

Ons kamertje was met die strakke muren tot nu toe erg kaal; dank zij vader, die mijn hele filmsterrenverzameling en mijn prentbriefkaarten van tevoren al meegenomen had, heb ik, na met een lijmpot en kwast de hele muur bestreken te hebben, van de kamer één plaatje gemaakt. Daardoor ziet het er veel vrolijker uit en als de Van Daans komen, zullen we met het hout dat op zolder staat wel wat muurkastjes en andere aardige prullen maken.

Margot en moeder zijn weer een klein beetje opgeknapt. Gisteren wou moeder voor het eerst erwtensoep koken, maar toen ze beneden aan het praten was, vergat ze de soep, die brandde daardoor zo aan, dat de erwten, koolzwart, niet meer van de pan los te krijgen waren.

Mijnheer Koophuis heeft het Boek voor de Jeugd voor me meegebracht. Gisteravond zijn we met zijn vieren naar het privé-kantoor gegaan en hebben de Engelse radio aangezet. Ik was zo ontzettend bang dat iemand dat zou kunnen horen, dat ik vader letterlijk smeekte mee naar boven te gaan. Moeder begreep mijn angst en ging mee. Ook in andere dingen zijn we erg bang, dat de buren ons zouden kunnen horen of zien. Direct de eerste dag hebben we de gordijnen genaaid. Eigenlijk mag men niet van gordijnen spreken, want het zijn maar losse lichte lappen, totaal verschillend van vorm, kwaliteit en motief, die vader en ik erg onvakkundig scheef aan elkaar naaiden. Met punaises zijn deze pronkstukken voor de ramen bevestigd om er vóór het einde van onze onderduiktijd nooit meer af te komen.

Rechts naast ons ligt een groot zakenpand, links een meubelmakerij; personeel is er na werktijd niet in de percelen, maar toch zouden er geluiden kunnen doordringen. We hebben Margot dan ook verboden 's nachts te hoesten, hoewel ze een zware verkoudheid te pakken heeft en geven haar grote hoeveelheden codeïne te slikken.

Ik verheug me erg op de komst van de Van Daans, die op Dinsdag vastgesteld is; het zal veel gezelliger en ook minder stil zijn. De stilte is het namelijk, die me 's avonds en 's nachts zo zenuwachtig maakt en ik zou er heel wat voor geven als iemand van onze beschermers hier zou slapen.

Het benauwt me ook meer dan ik zeggen kan, dat we nooit naar buiten mogen en ik ben erg bang, dat we ontdekt worden en dan de kogel krijgen. Dat is natuurlijk een minder prettig vooruitzicht.

Overdag moeten we altijd erg zacht lopen en zacht spreken, want in het magazijn mogen ze ons niet horen.

Net word ik geroepen.

Je Anne.

Vrijdag, 14 Augustus 1942

Lieve Kitty,

Een maand lang heb ik je in de steek gelaten, maar er is ook heus niet zoveel nieuws om je elke dag iets leuks te vertellen. De Van Daans zijn op 13 Juli aangekomen. Wij dachten, dat het de 14de zou worden, maar daar de Duitsers tussen de 13de en 16de Juli al meer en meer mensen onrustig maakten en oproepen naar alle kanten stuurden, vonden ze het veiliger een dag te vroeg dan een dag te laat te vertrekken. 's Ochtends om half 10 (we zaten nog aan het ontbijt) arriveerde Peter, Van Daans zoon van nog geen 16 jaren, een tamelijk saaie en verlegen slungel, van wiens gezelschap niet veel te verwachten is en bracht zijn poes (Mouschi) mee. Mevrouw en mijnheer kwamen een half uur later, mevrouw had tot onze grote pret in haar hoedendoos een grote nachtpot. ‘Zonder nachtpot voel ik me nergens thuis’, verklaarde ze en de pot was dan ook het eerste, dat een vaste plaats onder het divanbed kreeg. Mijnheer bracht geen po, maar zijn inklapbare theetafel onder zijn arm mee.

We aten de eerste dag van ons samenzijn gezellig met elkaar en na drie dagen wisten we allen niet anders meer dan dat we één grote familie waren geworden. Zoals vanzelf spreekt hadden de Van Daans nog veel over de week, die zij na ons in de bewoonde wereld doorbrachten, te vertellen. Onder meer interesseerde het ons sterk wat er met onze woning en met mijnheer Goudsmit gebeurd was.

Mijnheer Van Daan vertelde:

‘Maandagmorgen om 9 uur belde mijnheer Goudsmit ons op en vroeg of ik even langs kon komen. Ik ging dadelijk en vond G. in grote opwinding. Hij liet me een briefje lezen, dat de familie Frank achtergelaten had en wou naar aanwijzing daarvan de kat naar de buren brengen wat ik zeer goed vond. Mijnheer G. was bang, dat er huiszoeking gehouden zou worden, daarom liepen we door alle kamers, ruimden een beetje op en ruimden de tafel af.

Plotseling ontdekte ik op de schrijftafel van mevrouw een blocnote, waarop een adres in Maastricht stond aangegeven. Hoewel ik wist dat mevrouw dit expres achtergelaten had, deed ik zeer verbaasd en verschrikt en verzocht mijnheer G. dringend dit ongelukspapiertje te verbranden.

Ik hield al die tijd vol, dat ik niets van Uw verdwijnen afwist, maar nadat ik het papiertje had gezien, kreeg ik een goed idee. “Mijnheer Goudsmit”, zei ik, “nu valt me opeens in, waarop dit adres betrekking kan hebben. Ik herinner me nu opeens, dat er ongeveer een half jaar geleden een hooggeplaatst officier op kantoor was, het bleek een goede jeugdkennis van mijnheer Frank te zijn, die hem beloofde hem in geval van nood te zullen helpen en die ook in Maastricht verblijf hield. Ik denk, dat deze officier woord gehouden heeft en de Franks op de een of andere manier naar België en vandaar naar Zwitserland zal brengen. Vertelt u dit ook maar aan kennissen, die eventueel naar de Franks zouden vragen. Maastricht hoeft u dan natuurlijk niet te vermelden”.

En daarmee ging ik weg. De meeste kennissen weten dit nu al, want van verschillende kanten heb ik op mijn beurt deze verklaring gehoord’.

Wij vonden het verhaal erg grappig, maar lachten nog meer om de verbeeldingskracht van de mensen, toen mijnheer Van Daan van andere kennissen vertelde. Zo had een familie ons alle vier vroeg 's ochtends op de fiets langs zien komen en een andere mevrouw wist pertinent, dat we midden in de nacht in een militaire auto waren geladen.

Je Anne.

Vrijdag, 21 Augustus 1942

Lieve Kitty,

Onze ‘duik’ is nu pas een echte schuilplaats geworden. Mijnheer Kraler vond het namelijk beter om voor onze toegangsdeur een kast te plaatsen (omdat er veel huiszoekingen naar verstopte fietsen gehouden worden), maar dan natuurlijk een kast die draaibaar is en die dan als een deur opengaat.

Mijnheer Vossen heeft het geval getimmerd. We hebben hem intussen over de zeven onderduikers ingelicht en hij is één en al hulpvaardigheid. Als we nu naar beneden willen, moeten we eerst bukken en dan springen, want het stoepje is verdwenen. Na drie dagen liepen we allemaal met een voorhoofd vol builen, omdat iedereen zich aan de lage deur stootte. Nu is er doek met houtwol tegenaan gespijkerd. Zien of het helpt!

Leren doe ik niet veel; tot September hou ik voor mezelf vacantie. Daarna wil vader me les geven, want ik ben bitter veel van wat ik op school geleerd heb, vergeten.

Veel verandering komt er in ons leven hier niet. Mijnheer Van Daan en ik liggen altijd overhoop, daarentegen houdt hij veel van Margot. Mama doet soms alsof ik een baby ben en dat kan ik niet uitstaan. Verder gaat het wel wat beter. Peter vind ik nog steeds niet aardiger, het is een vervelende jongen, hij luiert de hele dag op zijn bed, timmert een beetje en gaat dan weer dutten. Wat een stomkop!

Het is buiten mooi warm weer en ondanks alles maken wij er zoveel mogelijk gebruik van door op het harmonicabed op de zolder te gaan liggen, waar de zon door een open raam naar binnen schijnt.

 

Je Anne.

Woensdag, 2 September 1942

Lieve Kitty,

Mijnheer en mevrouw Van Daan hebben erge ruzie gehad, ik heb zo iets nog nooit meegemaakt, daar vader en moeder er niet aan zouden denken zo tegen elkaar te schreeuwen. De aanleiding was zo nietig, dat het niet de moeite waard was om er één woord over vuil te maken. Maar ja, ieder zijn meug.

Het is natuurlijk erg onaangenaam voor Peter, die er toch ook maar tussen moet zitten. Ook wordt hij door niemand au sérieux genomen, daar hij verschrikkelijk kleinzerig en lui is. Gisteren was hij danig ongerust, omdat hij een blauwe in plaats van een rode tong gekregen had; dit zeldzame verschijnsel verdween evenwel net zo gauw als het gekomen was. Vandaag loopt hij met een sjaal om zijn nek, daar deze stijf is en verder klaagt mijnheer over spit in de rug. Pijnen tussen hart, nier en long zijn hem ook niet vreemd, hij is een echte hypochonder (dat noem je toch zo, hè?)!

Tussen moeder en mevrouw Van Daan botert het niet zo erg; aanleidingen tot onaangenaamheden zijn er genoeg. Om een klein voorbeeld te noemen wil ik je vertellen dat mevrouw uit de gemeenschappelijke linnenkast op drie na al haar lakens weggehaald heeft. Zij neemt natuurlijk aan, dat moeders goed voor de hele familie gebruikt kan worden. Zal haar wel lelijk tegenvallen als ze merkt dat moeder het goede voorbeeld gevolgd heeft.

Verder heeft mevrouw er erg de pé over in, dat ons servies niet, maar het hare wèl in gebruik is. Ze probeert steeds te weten te komen, waar wij onze borden wel naar toe gedaan hebben; ze zijn dichter bij dan ze denkt, want ze staan op zolder in cartonnen dozen, achter een heleboel reclamemateriaal. Gedurende onze onderduiktijd zijn de borden onbereikbaar en dat is maar goed ook. Mij gebeuren altijd ongelukken; gisteren smeet ik een soepbord van mevrouws servies aan stukken. ‘O!’ riep ze woedend uit, ‘wil je wel eens voorzichtig zijn, dit is het enige, dat ik nog heb’. Mijnheer Van Daan is de laatste tijd poeslief tegen mij. Laat hem maar. Mama heeft vanochtend weer zo ellendig gepreekt; dat kan ik niet uitstaan. Onze opvattingen staan precies lijnrecht tegenover elkaar. Papa is een dot, al is hij wel eens 5 minuten kwaad op me.

Verleden week hadden we een kleine interruptie in ons zo eentonige leven: het kwam door een boek over vrouwen, - en Peter. Je moet namelijk weten, dat Margot en Peter haast alle boeken, die mijnheer Koophuis ons leent, mogen lezen, maar dit bijzondere boek over een vrouwenonderwerp hielden de volwassenen toch maar liever in eigen handen. Dat prikkelde dadelijk de nieuwsgierigheid van Peter. Wat zou er wel voor verbodens in dat boek staan? Stiekem pakte hij het van zijn moeder weg, terwijl zij beneden aan het praten was, en ging met zijn buit naar de vliering. Dat ging een paar dagen goed. Mevrouw Van Daan wist al lang wat hij deed, maar verklapte niets, totdat mijnheer er achter kwam. Die werd kwaad, pakte het boek af en dacht, dat daarmee de zaak afgelopen zou zijn. Hij had echter buiten de nieuwsgierigheid van zijn zoon gerekend, die door het kordate optreden van papa geenszins van zijn stuk gebracht was.

Peter zon op mogelijkheden om dit meer dan interessante boek toch uit te lezen. Mevrouw had intussen bij moeder geïnformeerd wat zij van de kwestie dacht. Moeder vond dit boek niet goed voor Margot, maar in de meeste andere boeken zag ze geen kwaad.

‘Er is een groot verschil, mevrouw Van Daan’, zei moeder, ‘tussen Margot en Peter, ten eerste is Margot een meisje, en meisjes zijn altijd rijper dan jongens, ten tweede heeft Margot al meer serieuze boeken gelezen en zoekt niet naar dingen die voor haar verboden zijn, ten derde is Margot veel ontwikkelder en verstandiger, wat haar vier H.B.S.- jaren meebrengen’. Mevrouw stemde daarmee in, maar vond het toch in principe verkeerd jonge kinderen boeken voor volwassenen te laten lezen.

Intussen had Peter de geschikte tijd gevonden, waarin niemand naar het boek of naar hem omkeek. 's Avonds om half 8, toen de hele familie in het privé-kantoor naar de radio luisterde, nam hij zijn schat weer mee naar de vliering. Om half 9 had hij weer beneden moeten zijn, maar daar het boek zo spannend was, vergat hij de tijd en kwam net de zoldertrap af, toen zijn vader de kamer binnenkwam. Wat volgde is begrijpelijk! Een tik, een klap, een ruk, het boek lag op tafel en Peter zat op de vliering. Zo stonden de zaken toen de familie ten eten kwam. Peter bleef boven, niemand bekommerde zich om hem, hij moest zonder eten naar bed. Vrolijk keuvelend zetten wij onze maaltijd voort, toen er opeens een doordringend gefluit tot ons doordrong, allen legden de vorken neer en ieder keek de ander met bleek en verschrikt gezicht aan. Dan hoorden we Peters stem, die door de kachelpijp riep: ‘Ik kom toch niet naar beneden, hoor’. Mijnheer Van Daan sprong op, zijn servet viel op de grond, met vuurrood hoofd schreeuwde hij: ‘Maar nu is het genoeg’. Vader pakte hem bij de arm, daar hij erge dingen vreesde en samen gingen de twee heren naar de zolder. Na veel tegenstribbelen en trappen belandde Peter in zijn kamer, de deur ging dicht en wij aten door. Mevrouw wou een boterham voor zoonlief overlaten, mijnheer was onverbiddelijk. ‘Als hij niet dadelijk excuus vraagt, moet hij op de vliering slapen’.

Wij protesteerden en vonden ‘zonder eten’ al straf genoeg. Peter mocht eens verkouden worden en dan zou er geen dokter aan te pas kunnen komen.

Peter vroeg geen excuus, hij zat alweer op de vliering. Mijnheer Van Daan bemoeide zich er niet meer mee, maar bemerkte 's morgens dat Peters bed wel beslapen was. Om 7 uur zat Peter alweer op zolder, maar werd toch door de vriendschappelijke woorden van vader genoopt naar beneden te komen. Drie dagen norse gezichten, hardnekkig zwijgen en toen liep alles weer in gewone banen.

 

Je Anne.

Maandag, 21 September 1942.

Lieve Kitty,

Vandaag zal ik je even het algemene nieuws van het Achterhuis vertellen.

Mevrouw Van Daan is onuitstaanbaar. Ik krijg van boven voortdurend standjes voor mijn onophoudelijk geklets. Altijd is er iets anders waarmee ze ons plaagt; nu doet ze het zo, dat ze de pannen niet wil afwassen en als er nog een tipseltje inzit, doet ze dat niet in een glazen schotel, zoals het tot nu toe gedaan werd, maar laat het in de pan bederven. Bij de volgende afwas heeft Margot dan wel eens zeven vuile pannen en dan zegt madame wel: ‘Margotje, Margotje, wat heb je veel te doen!’

Met vader ben ik bezig een stamboom van zijn familie te maken, daarbij vertelt hij van iedereen wat en dat interesseert me geweldig.

Mijnheer Koophuis brengt om de week een paar meisjesboeken voor me mee, ik ben enthousiast over de Joop ter Heul-serie. De hele Cissy van Marxveldt bevalt me in het algemeen bijzonder goed. Een Zomerzotheid heb ik dan ook al vier keer gelezen en nog moet ik om de potsierlijke situaties lachen.

Het leren heeft een aanvang genomen, ik doe veel aan Frans en pomp elke dag vijf onregelmatige werkwoorden. Peter heeft zijn Engelse taak vol zuchten opgenomen. Enkele schoolboeken zijn pas gearriveerd, voorraad schriften, potloden, vlakjes en etiketten heb ik in ruime mate van thuis meegenomen. Ik luister soms naar de Oranje-zender, pas sprak Prins Bernhard. Omstreeks Januari zal er een kindje bij hen geboren worden, vertelde hij. Ik vind het leuk, hier verbazen ze zich er over, dat ik zo Oranje-gezind ben.

Een paar dagen geleden hadden ze het er over, dat ik toch nog erg dom ben, met het gevolg dat ik de volgende dag hard aan het werk ben gegaan. Ik heb heus geen zin met 14 of 15 jaar nog in de eerste klas te zitten.

Verder kwam in het gesprek ter sprake, dat ik haast niets behoorlijks lezen mag. Moeder heeft op het ogenblik Heeren, vrouwen en knechten, dat mag ik niet hebben (Margot wel), ik moet eerst wat meer ontwikkeld zijn, zoals mijn begaafde zuster. Dan spraken we over mijn onwetendheid omtrent philosophie, psychologie en physiologie, waar ik niets van af weet. Misschien ben ik het volgend jaar wijzer! (Deze moeilijke woorden heb ik gauw in Koenen opgezocht.)

Ik ben tot de schrikwekkende conclusie gekomen, dat ik maar één jurk met lange mouwen en drie vestjes voor de winter heb. Vader heeft me toestemming gegeven een trui van witte schapenwol te breien; de wol is wel niet erg mooi, daar zal warmte tegen op moeten wegen. We hebben nog wat kleren bij andere mensen, die kunnen jammer genoeg pas na de oorlog gehaald worden, als ze er dan tenminste nog zijn.

Toen ik pas iets aan je schreef over mevrouw, kwam ze er net aan. Flap! Boek dicht.

‘Hè Anne, mag ik niet eens kijken?’

‘Neen, mevrouw’.

‘Alleen de laatste bladzijde maar?’

‘Neen, ook niet, mevrouw’.

Ik schrok me natuurlijk een mik, want op deze bladzijde stond zij juist minder leuk gedeponeerd.

Je Anne.

Vrijdag, 25 September 1942

Lieve Kitty,

Gisteravond was ik weer eens ‘op visite’ boven bij de Van Daans om een beetje te praten. Soms is het er wel gezellig. Dan eten we motten-koekjes (de trommel stond in een klerenkast die ‘ingemot’ was) en drinken limonade.

Het gesprek ging over Peter. Ik vertelde, dat Peter me zo vaak over mijn wang strijkt, dat ik dat zo vervelend vond en dat ik niet hield van handtastelijke jongens.

Zij vroegen echter op oudersmanier of ik niet van Peter kon houden, daar hij zeker veel van mij hield. Ik dacht ‘o jee!’ en zei ‘o neen!’ Stel je voor!

Wel zei ik, dat Peter een beetje harkerig deed en dat ik dacht, dat hij verlegen was, want dat is zo met alle jongens, die nog niet vaak met meisjes omgegaan hebben.

 

Ik moet zeggen dat de schuilcommissie Achterhuis (afd. heren) zeer vindingrijk is. Moet je horen, wat ze nu weer bedacht hebben om mijnheer Van Dijk, hoofdvertegenwoordiger van Travies, goeden kennis en clandestiene-goederenopberger, een bericht van ons te laten zien! Ze tikken een brief aan een drogist in Zeeuws-Vlaanderen, klant van de zaak, en wel zo, dat de man een ingesloten briefje als antwoord moet insturen en in de bijgevoegde enveloppe terug moet zenden. Op die enveloppe schrijft vader het adres. Als deze enveloppe uit Zeeland terugkomt, wordt het inliggende briefje er uit gehaald en een met de hand geschreven levensteken van vader er in gestopt. Zo kan Van Dijk het lezen zonder argwaan te krijgen. Ze hebben juist Zeeland gekozen, omdat dit dicht bij België ligt en het briefje dus makkelijk over de grens gesmokkeld kan zijn, waarbij nog komt, dat niemand daar zonder speciale vergunning naar toe mag.

Je Anne.

Zondag, 27 September 1942

Lieve Kitty,

Ruzie met moeder gehad, voor de zoveelste keer in de laatste tijd; het gaat tussen ons jammer genoeg niet erg goed, ook met Margot kan ik niet goed opschieten. Hoewel er in onze familie nooit zo'n uitbarsting als boven is, is het er voor mij toch lang niet altijd prettig. De naturen van Margot en moeder zijn zo vreemd voor mij, ik snap mijn vriendinnen nog beter dan mijn eigen moeder, jammer is dat!

We praten vaak over na-oorlogse problemen, zoals bijvoorbeeld dat men niet geringschattend over dienstmeisjes moet spreken. Dit vond ik net zo erg als het verschil tussen mevrouw en juffrouw bij getrouwde vrouwen.

Mevrouw heeft voor de zoveelste keer de bokkepruik op; ze is erg humeurig en sluit steeds meer van haar privédingen weg. Jammer dat moeder niet elke Van Daan-verdwijning met een Frank-verdwijning beantwoordt.

Sommige mensen schijnen het een bijzonder genoegen te vinden, niet alleen hun eigen, maar ook nog de kinderen van hun kennissen op te voeden. De Van Daans behoren tot die mensen. Aan Margot is niets op te voeden, die is van nature de goed-, lief- en knapheid zelve, maar ik draag haar deel aan ondeugendheid ruimschoots mee. Meer dan één keer vliegen aan tafel de vermanende woorden en brutale antwoorden heen en weer. Vader en moeder verdedigen me altijd vurig, zonder hen zou ik de strijd niet steeds weer zo zonder blikken of blozen kunnen opnemen. Hoewel ze me steeds weer voorhouden dat ik minder moet praten, me met niets bemoeien moet en bescheidener moet zijn, faal ik meer dan ik slaag. En was vader niet altijd weer zo geduldig, had ik de hoop om ook nog eens te voldoen aan de ouderlijke eisen, die toch heus niet zo hoog zijn, al lang opgegeven.

Als ik van een groente, die ik helemaal niet lust, weinig neem en in plaats daarvan aardappels eet, kunnen Van Daan en vooral mevrouw over die verwendheid niet heen.

‘Neem nog wat groente, Anne, kom’, volgt dan al gauw.

‘Neen, dank u wel, mevrouw’, antwoord ik, ‘ik heb genoeg aan aardappels’.

‘Groente is erg gezond, dat zegt je moeder zelf, neem nog wat’, dringt zij dan aan, totdat vader er tussen komt en mijn weigering bevestigt.

Dan vaart mevrouw uit: ‘Dan had u eens bij ons thuis moeten zijn, daar werden de kinderen tenminste opgevoed, dit is geen opvoeding, Anne is verschrikkelijk verwend, ik zou dat nooit toestaan, als Anne mijn dochter was ...’

Daarmee begint en eindigt altijd de hele woordenstroom: ‘als Anne mijn dochter was’. Nu, gelukkig ben ik dat niet.

Maar om op ons opvoedingsthema terug te komen. Gisteren viel na mevrouws laatste woorden een stilte in. Dan antwoordde vader: ‘Ik vind dat Anne zeer goed opgevoed is, ze heeft toch tenminste al zoveel geleerd dat ze op uw lange preken geen antwoord meer geeft. Wat de groenten betreft kan ik u niets anders antwoorden dan vice versa’.

Mevrouw was verslagen en grondig ook. Dat vice versa duidde namelijk rechtstreeks op haar eigen minieme portie. Mevrouw voert voor haar verwendheid als reden aan, dat te veel groente vóór het naar bed gaan voor haar ontlasting slecht is. Laat ze dan over mij in ieder geval haar mond houden. Het is zo grappig om te zien hoe gauw mevrouw Van Daan een kleur krijgt. Ik lekker niet en daar ergert ze zich heimelijk ontzettend aan.

Je Anne.

Maandag, 28 September 1942

Lieve Kitty,

Mijn brief van gisteren was nog lang niet af, toen ik met schrijven op moest houden. Ik kan de lust niet bedwingen om je nog een onenigheid mede te delen, maar voordat ik daaraan begin dit:

Ik vind het heel gek dat volwassen mensen zo gauw, zo veel en over alle mogelijke kleinigheden ruzie maken; tot nu toe dacht ik altijd dat kibbelen een kindergewoonte was, die later uit zou slijten. Er is natuurlijk wel eens aanleiding voor een ‘echte’ ruzie, maar dat woordengeplaag hier is niets anders dan kibbelarij. Daar deze kibbelarijen tot de orde van de dag behoren, moest ik er eigenlijk al aan gewend zijn; dit is echter niet het geval en zal ook wel niet het geval zijn, zolang ik bij haast elke discussie (dit woord wordt hier in plaats van ruzie gebruikt) ter sprake kom. Niets, maar dan ook niets laten ze goed aan me, mijn optreden, karakter, manieren worden stuk voor stuk van onder tot boven en van boven tot onder beoordeeld en bekletst. En iets dat ik helemaal niet gewend was, namelijk harde woorden en geschreeuw aan mijn adres, moet ik volgens bevoegde zijde welgemoed slikken. Dat kan ik niet! Ik denk er niet aan om al die beledigingen op me te laten zitten, ik zal ze wel laten zien, dat Anne Frank niet van gisteren is, ze zullen nog opkijken en gauw hun grote bek houden, als ik ze duidelijk maak, dat ze niet aan mijn maar aan hun opvoeding het eerst moeten beginnen. Is me dat een manier van optreden! Barbaars gewoon! Tot nu toe sta ik elke keer weer perplex over zoveel ongemanierdheid en vooral ... domheid (mevrouw Van Daan), maar zodra ik er aan ga wennen - en dat zal wel gauw zijn - zal ik ze hun woorden ongezouten teruggeven, dan zullen ze wel anders praten!

Ben ik dan werkelijk zo ongemanierd, eigenwijs, koppig, onbescheiden, dom, lui enz. enz. als ze boven zeggen? Ach, welneen, ik weet heus wel dat ik veel fouten en gebreken heb, maar ze overdrijven het wel in zeer hoge mate.

Als je eens wist, Kitty, hoe ik soms kook bij die schelden schimppartijen! En het zal heus niet lang meer duren of mijn opgekropte woede komt tot uitbarsting.

Maar nu genoeg hierover, ik heb je lang genoeg met mijn ruzie's verveeld en toch kan ik niet nalaten, een hoog-interessante tafel-discussie hier te laten volgen.

Door het een of andere thema kwamen we op Pims (Pim - vleinaam voor Papa) verregaande bescheidenheid. Deze is een vaststaand feit, waaraan zelfs door de idiootste mensen niet getornd kan worden. Plotseling zei mevrouw, omdat ze toch in elk gesprek zichzelf betrekken moet: ‘Ik ben ook erg bescheiden, veel bescheidener dan mijn man’.

Heb je ooit van je leven! Deze zin laat wel heel duidelijk haar bescheidenheid uitkomen! Mijnheer Van Daan, die het nodig vond dat: ‘dan mijn man’ nader te verklaren, antwoordde heel kalm: ‘Ik wil ook niet bescheiden zijn, ik heb in mijn leven altijd ondervonden dat onbescheiden mensen het veel verder brengen dan bescheidene’. En dan zich tot mij wendend: ‘Wees maar niet bescheiden, Anne, daar kom je heus niet verder mee!’

Met deze zienswijze stemde moeder volkomen in. Maar mevrouw Van Daan moest, zoals gewoonlijk, aan dit opvoedingsonderwerp ook haar woordje toevoegen. Voor deze keer wendde ze zich echter met rechtstreeks tot mij, maar tot mijn ouderpaar met de woorden: ‘U hebt toch een eigenaardige levensopvatting om zoiets tegen Anne te zeggen, in mijn jeugd was dat toch anders. En ik ben er zeker van dat dat nu ook nog anders is, behalve dan in uw moderne huisgezin!’ Dit laatste doelde op de meermalen verdedigde moderne opvoedingsmethode van moeder.

Mevrouw was vuurrood van opwinding, moeder daarentegen helemaal niet en iemand die kleurt windt zich door de warmwording steeds meer op en verliest het gauwer van de tegenpartij. De niet-kleurende moeder, die het hele geval nu maar zo gauw mogelijk van de baan wilde hebben, bedacht zich maar kort, voordat ze antwoordde: ‘Mevrouw Van Daan, ook ik vind inderdaad dat het in het leven veel beter is wat minder bescheiden te zijn. Mijn man, Margot en Peter zijn alle drie buitengewoon bescheiden. Uw man, Anne, u en ik zijn niet onbescheiden, maar wij laten ons ook niet bij alles opzij duwen’.

Mevrouw: ‘O, maar mevrouw, ik begrijp u niet, ik ben werkelijk buitengewoon bescheiden, hoe komt u er bij mij onbescheiden te noemen?’

Moeder: ‘U bent zeker niet onbescheiden, maar niemand zou u bepaald bescheiden vinden’.

Mevrouw: ‘Ik zou wel eens willen weten, waarin ik onbescheiden ben! Als ik hier niet voor mezelf zou zorgen, een ander doet het zeker niet en dan zou ik dus moeten verhongeren, maar daarom ben ik heus wel net zo bescheiden als uw man’.

Moeder kon om deze belachelijke zelfverdediging niets anders doen dan lachen, dat irriteerde mevrouw, die haar fraai relaas nog met een lange serie prachtige Duits-Nederlandse en Nederlands-Duitse bewoordingen vervolgde, totdat de geboren redenares zich zo in haar eigen woorden verwarde, dat ze ten slotte zich van haar stoel verhief en de kamer uit wou gaan. Toen viel haar oog op mij. En nu had je eens iets moeten zien! Ongelukkigerwijze had ik net op het moment, dat mevrouw ons haar rug toonde, meewarig en ironisch met mijn hoofd geschud, niet expres, maar heel onwillekeurig, zo intens had ik de hele woordenvloed gevolgd. Mevrouw keerde terug en begon te kijven, hard, Duits, gemeen en onbeschaafd, precies als een dik, rood viswijf, het was een lust om aan te zien. Als ik had kunnen tekenen, had ik haar het liefst in deze houding getekend, zo grappig was dat kleine, malle, domme mens!

Maar één ding weet ik nu en dat is dit: je leert de mensen pas goed kennen, als je een keer echte ruzie met ze gemaakt hebt. Pas dan kan je hun karakter beoordelen!

Je Anne.

Dinsdag, 29 September 1942

Lieve Kitty,

Onderduikers beleven rare dingen! Stel je voor, omdat we geen badkuip hebben, wassen we ons in een wasteiltje en omdat het kantoor (hiermee bedoel ik altijd de gehele benedenverdieping) warm water heeft, gaan we alle zeven om de beurt van dit grote voordeel profiteren.

Maar omdat we alle zeven ook zo erg verschillend zijn en het vraagstuk van de genanterie bij een paar hoger zit dan bij de rest, heeft elk lid van de familie zich een aparte badplaats uitgezocht. Peter baadt in de keuken, hoewel de keuken een glazen deur heeft. Als hij van plan is een bad te nemen, bezoekt hij ons allemaal apart en deelt mede dat we gedurende een half uur niet langs de keuken mogen lopen. Deze maatregel vindt hij dan voldoende. Mijnheer baadt helemaal boven, bij hem weegt de veiligheid van eigen kamer op tegen de lastigheid van het hete water al de trappen op te dragen. Mevrouw gaat voorlopig helemaal niet in het bad; die wacht af, welke plaats de beste is. Vader baadt in het privé-kantoor, moeder in de keuken achter een kachelscherm; Margot en ik hebben het voorkantoor als ploeterplaats gekozen. 's Zaterdagmiddags gaan daar de gordijnen dicht, dan reinigen we ons in het donker, terwijl diegene die niet aan de beurt is, door een kier van het gordijn uit het raam kijkt, en zich over de grappige mensen verbaast.

Sinds verleden week bevalt me dit bad niet meer en ben ik op zoek gegaan naar een meer comfortabele inrichting. Het was Peter die me op een idee bracht en wel om in de ruime kantoor- W.C. mijn teiltje te zetten. Daar kan ik gaan zitten, licht aansteken, de deur op slot doen, het water zelf zonder vreemde hulp weggieten en ben veilig voor onbescheiden blikken. Zondag heb ik mijn mooie badkamer voor het eerst in gebruik genomen en hoe gek het ook klinkt, ik vind het beter dan welke andere plaats ook.

Verleden week was de loodgieter beneden om de buizen van onze watertoe- en afvoer van de kantoor- W.C. naar de gang te verleggen. Deze verandering is met het oog op een eventueel koude winter en buizen-bevriezing geschied. Het loodgietersbezoek was voor ons allesbehalve aangenaam. Niet alleen mochten we overdag geen water laten lopen, maar we mochten ook niet naar de W.C. Nu is het wel heel onnet om je te vertellen wat we dan wel gedaan hebben om dit euvel te verhelpen; ik ben niet zo preuts om over zulke dingen niet te spreken.

Vader en ik hebben ons van het begin van onze schuiltijd een geïmproviseerde po aangeschaft, met dien verstande dat we bij gebrek aan een nachtvaasje een glazen weckpot

voor dit doel opgeofferd hebben. Deze weckpotten hebben we tijdens het loodgietersbezoek in de kamer gezet en onze behoeften daarin overdag bewaard. Dit vond ik niet zo akelig dan dat ik de hele dag stil moest blijven zitten en ook niet mocht praten. Je kunt je niet indenken hoe moeilijk dat juffrouw Kwek-kwek-kwek gevallen is. Op gewone dagen moeten we al fluisteren; helemaal niet spreken en bewegen is nog 10 keer erger. Mijn achterste was, na drie dagen aanéén-stuk-door plat gedrukt te zijn, helemaal stijf en pijnlijk. Avond-gymnastiek heeft geholpen.

Je Anne.

Donderdag, 1 October 1942

Lieve Kitty,

Gisteren ben ik ontzettend geschrokken. Er werd om acht uur plotseling heel hard gebeld. Ik dacht niet anders of er kwam iemand, wie, dat snap je wel. Maar toen ze allen beweerden dat het zeker kwajongens waren of de post was, werd ik rustiger.

De dagen worden hier erg stil; Lewin, een kleine Joodse apotheker en chemicus werkt voor mijnheer Kraler in de keuken. Hij kent het hele gebouw goed en daarom zijn we aldoor bang, dat hij het in zijn hoofd krijgt om in het vroegere laboratorium een kijkje te gaan nemen. We zijn zo stil als babymuisjes. Wie had drie maanden geleden kunnen vermoeden, dat kwikzilver-Anne urenlang zo rustig zou moeten en kunnen zitten!?

De 29ste was mevrouw Van Daan jarig. Hoewel het feest niet groots werd gevierd, werd ze toch wel vereerd met bloemen, kleine cadeau's en goed eten. Rode anjers van haar heer gemaal schijnt in de familie traditie te zijn. Om nog even bij mevrouw stil te blijven staan kan ik je zeggen, dat een bron van voortdurende ergernis voor mij haar flirtpogingen met vader zijn. Zij strijkt hem over wang en haar, trekt haar rokje heel hoog op, zegt zogenaamd geestige dingen en probeert zo Pims aandacht op zich te vestigen. Gelukkig vindt Pim haar niet mooi en ook niet leuk, hij gaat niet op die flirtations in. Ik ben nogal jaloers uitgevallen zoals je weet, dus dat kan ik niet hebben. Moeder doet dat toch ook niet bij mijnheer, dat heb ik haar ook in haar gezicht gezegd.

Peter kan af en toe wel eens grappig uit de hoek komen. Eén voorliefde, die tot lachen aanleiding geeft, heeft hij althans met mij gemeen, en wel verkleden. Hij verscheen in een zeer nauwe jurk van mevrouw en ik in zijn pak, hij had een hoed op en ik een pet. De volwassenen lagen dubbel en wij hadden niet minder schik.

Elli heeft in De Bijenkorf nieuwe rokken voor Margot en mij gekocht. Het is rottuig, net jutezakken en ze kosten resp. ƒ 24. - en ƒ 7.50. Wat een verschil met vroeger!

Nog iets leuks in petto. Elli heeft voor Margot, Peter en mij bij een of andere vereniging schriftelijke stenographielessen besteld. Je zult eens zien wat een perfecte stenomensen we het volgend jaar zijn. Ik vind het in ieder geval reuzegewichtig zo'n geheimschrift echt te leren.

Je Anne.

Zaterdag, 3 October 1942

Lieve Kitty,

Gisteren was er weer een botsing. Moeder heeft verschrikkelijk opgespeeld en al mijn zonden aan pappie verteld. Ze begon erg te huilen, ik natuurlijk ook en ik had al zo'n vreselijke hoofdpijn. Ik heb pappie eindelijk verteld, dat ik veel meer van hem houd dan van moeder, daar heeft hij op gezegd dat dat wel weer over zal gaan, maar dat geloof ik niet. Ik moet me met geweld dwingen tegenover haar kalm te blijven. Pappie wou dat ik, als moeder zich niet lekker voelt of hoofdpijn heeft, maar eens uit mijzelf moest aanbieden om iets voor haar te doen, maar dat doe ik niet.

Ik leer vlijtig Frans en ben La belle Nivernaise aan het lezen.

Je Anne.

Vrijdag, 9 October 1942

Lieve Kitty,

Niets dan nare en neerdrukkende berichten heb ik vandaag te vertellen. Onze vele Joodse kennissen worden bij groepjes weggehaald. De Gestapo gaat met deze mensen allerminst zachtzinnig om, ze worden gewoon in veewagens naar Westerbork, het grote Jodenkamp in Drente, gebracht. Westerbork moet vreselijk zijn; voor honderden mensen 1 wasruimte en er zijn veel te weinig W.C.'s. De slaapplaatsen zijn alle door elkaar gegooid. Mannen, vrouwen en kinderen slapen samen. Men hoort daardoor van verregaande zedeloosheid, vele vrouwen en meisjes, die er wat langer verblijf houden, zijn in verwachting.

Vluchten is onmogelijk; de meeste mensen uit het kamp zijn gebrandmerkt door hun kaalgeschoren hoofden en velen ook door hun Joods uiterlijk.

Als het in Holland al zo erg is, hoe zullen ze dan in de verre en barbaarse streken leven, waar ze heengezonden worden? We nemen aan dat de meesten vermoord worden. De Engelse radio spreekt van vergassing. Misschien is dat wel de vlugste sterfmethode. Ik ben helemaal van streek. Miep vertelt al deze gruwelverhalen zo aangrijpend en zelf is ze eveneens opgewonden. Pas geleden bijvoorbeeld zat er een oude, lamme Joodse vrouw voor haar deur; ze moest op de Gestapo wachten, die een auto was gaan halen om haar te vervoeren. Het arme oudje was zo bang voor het harde schieten op de Engelse vliegers die overvlogen en ook voor de schel flitsende schijnwerpers. Toch durfde Miep haar niet naar binnen halen, dat zou niemand gewaagd hebben. De Duitsers zijn niet zuinig met hun straffen.

Ook Elli is stil; haar jongen moet naar Duitsland. Ze is bang, dat de vliegers die over onze huizen vliegen, hun bommenlast van vaak wel een millioen kilo's op Dirks hoofd laten vallen. Grapjes van ‘een millioen zal hij wel niet krijgen’ en ‘één bom is al genoeg’ vind ik hier niet erg op zijn plaats. Dirk is heus niet de enige die moet gaan, elke dag rijden er volle treinen met jongens weg. Onderweg, als ze op een klein stationnetje stoppen, stappen ze wel eens stiekem uit en proberen onder te duiken; dat lukt misschien een klein percentage.

Ik ben nog niet klaar met mijn treurzang. Heb je wel eens van gijzelaars gehoord? Dat voeren ze nu als nieuwste strafsnufje voor saboteurs in. Het is het meest vreselijke dat je je kunt voorstellen. Onschuldige vooraanstaande burgers worden gevangen gezet, om op hun veroordeling te wachten. Als iemand gesaboteerd heeft en de dader wordt niet gevonden, zet de Gestapo doodgewoon een stuk of 5 gijzelaars tegen de muur. Vaak staan er doodsberichten van deze mannen in de krant. Als een ‘noodlottig ongeval’ wordt deze misdaad daar betiteld. Fraai volk, de Duitsers. En daar behoorde ik ook eens toe! Maar neen, Hitler heeft ons al lang statenloos gemaakt. En trouwens, er bestaat geen groter vijandschap op de wereld dan tussen Duitsers en Joden.

Je Anne.

Vrijdag, 16 October 1942

Lieve Kitty,

Ik heb het vreselijk druk. Net heb ik een hoofdstuk uit La belle Nivernaise vertaald en woordjes opgeschreven. Dan een rotsom en drie bladzijden Franse spraakkunst. Ik vertik het gewoon om elke dag van die sommen te maken. Pappie vindt ze ook erg en ik kan ze haast nog beter dan hij, maar feitelijk kunnen we ze alle twee niet goed, zodat we vaak Margot er bij moeten halen. In steno ben ik het verste van ons drieën.

Gisteren heb ik De Stormers uitgelezen. Het is wel leuk, maar het haalt het lang niet bij Joop ter Heul.

Overigens vind ik dat Cissy van Marxveldt knal schrijft. Ik zal haar boeken beslist ook aan mijn kinderen laten lezen.

Moeder, Margot en ik zijn weer de beste maatjes, dat is toch eigenlijk veel prettiger. Gisteravond lagen Margot en ik samen in mijn bed, het was onnoemelijk klein, maar juist grappig. Ze vroeg of ze eens mijn dagboek mocht lezen. Ik zei: ‘Sommige stukken wel’, en toen vroeg ik naar het hare, dat mocht ik dan ook lezen. Toen kwamen we zo op de toekomst. Ik vroeg haar wat ze wilde worden, maar dat wil ze niet zeggen en ze maakt er een groot geheim van. Ik heb zoiets opgevangen van onderwijs; ik weet niet of het goed is, maar ik vermoed van wel. Eigenlijk mag ik niet zo nieuwsgierig zijn!

Vanmorgen lag ik op Peters bed, nadat ik hem er eerst had afgejaagd. Hij was woedend op me, maar dat kon me al bijster weinig schelen. Hij mocht wel eens wat vriendelijker tegen me zijn, want ik heb hem gisteravond nog een appel cadeau gegeven.

Ik heb Margot eens gevraagd of ze me erg lelijk vond. Ze zei, dat ik er wel grappig uitzag en dat ik leuke ogen had. Nogal vaag, vind je ook niet?

Tot de volgende keer.

Je Anne.

Dinsdag, 20 October 1942

Lieve Kitty,

Mijn hand trilt nog, hoewel de schrik die we hadden al weer twee uur voorbij is. Je moet weten, dat we vijf Minimaxtoestellen in huis hebben tegen brandgevaar. We wisten dat er iemand zou komen om de apparaten te vullen, maar niemand had ons gewaarschuwd toen de timmerman of hoe zo'n man anders heet inderdaad kwam.

Gevolg was, dat we helemaal niet stil waren, totdat ik buiten op het overloopje (tegenover onze kastdeur) hamerslagen hoorde. Ik dacht dadelijk aan den timmerman en waarschuwde Elli, die boven aan het eten was, dat ze niet naar beneden kon. Vader en ik vatten post aan de deur om te horen, wanneer de man zou vertrekken. Na een kwartier aan het werk geweest te zijn, legde hij daarbuiten zijn hamer en andere gereedschappen op onze kast (zo meenden we) en klopte aan onze deur. We werden wit, zou hij dus toch iets gehoord hebben en nu dit geheimzinnige gevaarte willen onderzoeken? Het scheen zo, het kloppen, trekken, duwen en rukken hield aan. Ik viel haast flauw van angst bij de gedachte dat het dien wildvreemden man mocht gelukken onze mooie schuilplaats te ontmantelen. En net dacht ik, dat ik de langste tijd geleefd had, toen ik mijnheer Koophuis hoorde zeggen: ‘Doe even open, ik ben het’. Dadelijk openden we. De haak, waarmee de deurkast vastzit en die door ingewijden ook van buiten verwijderd kan worden, was gaan klemmen; daardoor had niemand ons voor den timmerman kunnen waarschuwen. De man was nu naar beneden gegaan en Koophuis wilde Elli halen, doch kreeg de kast weer niet open.

Ik kan je zeggen, dat ik niet weinig opgelucht was. De man, van wien ik meende dat hij bij ons binnen wou, had in mijn verbeelding steeds groter vormen aangenomen, op het laatst leek hij op een reus en was zo'n fascist als er geen ergere bestaat.

Hè, hè, gelukkig is het voor deze keer weer goed met ons afgelopen.

Intussen hadden we Maandag veel plezier. Miep en Henk hebben bij ons overnacht. Margot en ik waren voor een nacht bij vader en moeder komen slapen, zodat het echtpaar Van Santen onze plaats kon innemen. Het eten smaakte heerlijk. Een kleine interruptie was, dat vaders lamp kortsluiting veroorzaakte en wij eensklaps in het donker zaten. Wat te doen? Nieuwe stoppen waren wel in huis, maar die moesten helemaal achter in het donkere magazijn ingezet worden en dat was niet zo'n prettig werkje 's avonds. Toch waagden de heren het er op en na 10 minuten kon onze kaarsenilluminatie weer opgeborgen worden.

Vanochtend was ik al vroeg op. Henk moest al om half negen weggaan. Na een gezellig ontbijt trok Miep naar beneden. Het goot en ze was blij dat ze nu niet op de fiets naar kantoor hoefde te rijden.

Elli komt volgende week ook eens op nachtbezoek.

Je Anne.

Donderdag, 29 October 1942

Lieve Kitty,

Ik ben danig ongerust, vader is ziek. Hij heeft hoge koorts en rode uitslag, het lijken wel de mazelen. Stel je voor, we kunnen niet eens den dokter halen! Moeder laat hem goed transpireren, misschien gaat de koorts daardoor omlaag.

Vanochtend vertelde Miep dat de woning van Van Daan ontmeubeld is. We hebben het mevrouw nog niet verteld, ze is toch al zo zenuwachtig de laatste tijd en we hebben geen zin nog een jeremiade aan te horen over haar mooie servies en haar fijne stoeltjes, die thuis gebleven zijn. Wij hebben ook haast alles wat mooi was in de steek moeten laten; wat helpt nu nog dat geklaag?

De laatste tijd mag ik wat meer volwassenen-boeken lezen. Ik ben nu bezig met Eva's jeugd van Nico van Suchtelen. Het verschil tussen meisjesromans en dit vind ik niet zo erg groot. Wel staan er ook dingen in over het verkopen van hun lichaam door vrouwen aan onbekende mannen in straatjes. Ze vragen er een schep geld voor. Ik zou me doodschamen tegenover zo'n man. Verder staat er ook in, dat Eva ongesteld is geworden; hè, daar verlang ik zo naar, het lijkt me zo gewichtig.

Vader heeft Goethes en Schillers drama's uit de grote kast gehaald, hij wil me elke avond wat gaan voorlezen. Met Don Carlos zijn we al begonnen.

Om vaders goede voorbeeld te volgen heeft moeder me haar gebedenboek in handen gestopt. Voor mijn fatsoen heb ik wat gebeden in het Duits gelezen; ik vind het wel mooi, maar het zegt me niet veel. Waarom dwingt ze me ook om zo vroom-godsdienstig te doen?

Morgen gaat de kachel voor het eerst aan, we zullen wel danig in de rook zitten. De schoorsteen is al in lange tijd niet geveegd, laten we hopen dat het ding trekt!

Je Anne.

Zaterdag, 7 November 1942

Lieve Kitty,

Moeder is verschrikkelijk zenuwachtig en dat is voor mij altijd erg gevaarlijk. Zou het toeval zijn dat vader en moeder nooit Margot een standje geven en dat alles altijd op mij neerkomt? Gisteravond bijvoorbeeld: Margot las een boek, waarin prachtige tekeningen stonden; zij stond op, ging naar boven en legde het boek opzij om het straks verder te lezen. Ik had net niets te doen, pakte het en bekeek de platen. Margot kwam terug, zag ‘haar’ boek in mijn hand, trok een rimpel in haar voorhoofd en vroeg het boek terug. Ik wilde nog eventjes verder kijken, Margot werd steeds kwader, moeder mengde zich er in met de woorden: ‘Dat boek leest Margot, geef het dus aan haar’. Vader kwam de kamer binnen, wist niet eens waar het over ging, zag dat Margot iets misdaan werd en viel tegen mij uit: ‘Ik zou jou eens willen zien als Margot in jouw boek zou bladeren!’

Ik gaf dadelijk toe, legde het boek neer, en ging volgens hen beledigd de kamer uit. Ik was noch beledigd, noch kwaad, maar wel verdrietig.

Het was niet goed van vader te oordelen zonder de strijdvraag te weten. Ik had het boek vanzelf aan Margot gegeven en ik zou het nog veel gauwer gedaan hebben als vader en moeder er zich niet in hadden gemengd en, alsof het het grootste onrecht betrof, dadelijk Margot in bescherming hadden genomen.

Dat moeder voor Margot opkomt spreekt vanzelf; zij en Margot komen altijd voor elkaar op. Ik ben daar zo aan gewend dat ik totaal onverschillig voor moeders standjes en voor Margots prikkelbuien geworden ben.

Ik houd van hen alleen, omdat ze nu eenmaal moeder en Margot zijn. Bij vader is dat een ander geval. Als hij Margot voortrekt, Margots daden goedkeurt, Margot prijst en Margot liefkoost, dan knaagt het binnen in me, want op vader ben ik dol. Hij is mijn grote voorbeeld, van niemand anders in de hele wereld dan van vader houd ik.

Hij is het zich niet bewust, dat hij met Margot anders omgaat dan met mij. Margot is nu eenmaal de knapste, de liefste, de mooiste en de beste. Maar een beetje recht op ernst heb ik toch ook. Ik was altijd de clown en de deugniet van de familie, moest altijd voor alle daden dubbel boeten, één keer met standjes en één keer met de wanhopigheid binnen in mezelf. Nu bevredigt me dat oppervlakkige geliefkoos niet meer, evenmin de zogenaamd ernstige gesprekken. Ik verlang iets van vader dat hij niet in staat is me te geven.

Ik ben niet jaloers op Margot, was het nooit, ik begeer haar knap- en mooiheid niet, ik zou alleen zo graag vaders echte liefde, niet alleen als zijn kind maar als Anne-op-zichzelf voelen.

Ik klamp me aan vader vast, omdat hij de enige is die mijn laatste restje familiegevoel ophoudt. Vader begrijpt niet, dat ik over moeder mijn hart eens moet luchten, hij wil niet praten, vermijdt alles wat op moeders fouten betrekking heeft. En toch ligt moeder met al haar gebreken me het zwaarst op mijn hart. Ik weet niet hoe me te houden, kan haar haar slordigheid, sarcasme en hardheid niet onder de neus duwen, kan echter ook niet altijd de schuld bij mijzelf vinden.

Ik ben in alles precies andersom als zij en dat botst vanzelfsprekend. Ik oordeel niet over moeders karakter, want daar kan ik niet over oordelen, ik bekijk haar alleen als moeder. Voor mij is moeder niet ‘de’ moeder; ik zelf moet mijn moeder zijn. Ik heb me afgescheiden van hen, ik schipper alleen en zal later wel zien waar ik beland. Het komt allemaal vooral, doordat ik in mijn geest een heel groot voorbeeld zie, hoe een moeder en vrouw moet zijn en niets daarvan terugvind in haar, die ik de naam van moeder moet geven.

Ik neem me altijd voor niet meer naar moeders verkeerde voorbeeld te kijken, ik wil alleen haar goede kanten zien en wat ik bij haar niet vind, bij mezelf zoeken. Maar het lukt niet en dan is nog het ergste, dat noch vader noch moeder beseffen, dat ze in mijn leven tekort schieten en dat ik hen daarvoor veroordeel. Zou ooit iemand zijn kinderen wel helemaal tevreden kunnen stellen?

Soms geloof ik, dat God me op de proef wil stellen, nu en ook later; ik moet alleen goed worden zonder voorbeelden en zonder praten. Dan zal ik later het sterkst zijn.

 

Wie anders dan ikzelf zal later deze brieven lezen?

Wie anders dan ikzelf zal me troosten? Want vaak heb ik troost nodig, ik ben zo dikwijls niet sterk genoeg en schiet meer te kort dan ik voldoe. Ik weet het en probeer altijd weer, elke dag opnieuw, me te verbeteren.

Ik word onevenwichtig behandeld. De ene dag is Anne zo verstandig en mag alles weten en de volgende dag hoor ik weer, dat Anne nog maar een klein dom schaap is dat van niets afweet en denkt wonder wat uit boeken geleerd te hebben. Ik ben niet meer de baby en het troetelkind, dat bovendien bij al haar daden uitgelachen mag worden. Ik heb mijn eigen idealen, ideeën en plannen, maar kan ze nog niet onder woorden brengen. Ach, er komt zoveel rijzen als ik 's avonds alleen ben, eveneens overdag als ik de mensen moet verdragen die me de keel uithangen of die mijn bedoelingen altijd verkeerd opvatten. Ik kom daarom tenslotte altijd weer tot mijn dagboek terug, dat is mijn begin- en mijn eindpunt, want Kitty is altijd geduldig, ik zal haar beloven, dat ik ondanks alles vol zal houden, mijn eigen weg zal banen en mijn tranen slikken. Ik zou alleen zo graag alvast de resultaten zien, of één keer aangemoedigd worden, door iemand die me liefheeft.

Veroordeel me niet, maar beschouw me als iemand die zich ook eens te vol kan voelen.

Je Anne.

Maandag, 9 November 1942

Lieve Kitty,

Gisteren was Peter jarig, hij is 16 geworden. De cadeau's waren wel leuk. Hij heeft o.a. een beursspel, een scheerapparaat en een sigarettenaansteker gekregen. Niet dat hij zoveel rookt, helemaal niet, het is maar voor de elegance.

De grootste verrassing bracht mijnheer Van Daan, toen hij ons om een uur berichtte, dat de Engelsen in Tunis, Algiers, Casa Blanca en Oran geland waren. ‘Dat is het begin van het einde’, zeiden ze allemaal, maar Churchill, de Engelse premier-minister, die waarschijnlijk in Engeland dezelfde uitroepen gehoord had, zei: ‘Deze landing is een heel groot feit, toch mag men niet denken, dat dit het begin van het einde is. Ik zeg veeleer dat het het einde van het begin beduidt’. Merk je het verschil? Reden tot optimisme is er toch wel. Stalingrad, de Russische stad, die ze nu al drie maanden verdedigen is nog steeds niet aan de Duitsers prijsgegeven.

Om in de geest van het Achterhuis te spreken, moet ik toch ook eens iets van onze levensmiddelenvoorziening schrijven. Je moet weten, dat het op de bovenafdeling echte smulpapen zijn. Ons brood levert een aardige bakker, een kennis van Koophuis. We krijgen natuurlijk niet zoveel als we thuis kregen, maar het is toereikend. Levensmiddelenkaarten worden eveneens clandestien gekocht. De prijs er van stijgt voortdurend, van ƒ 27. - is het nu al ƒ 33. - geworden. En dat alleen voor een blaadje bedrukt papier!

Om wat houdbaars in huis te hebben, buiten onze 150 blikken groenten, hebben we 270 pond peulvruchten gekocht. Dat is niet alles voor ons alleen, ook met kantoor is rekening gehouden. De peulvruchten hingen in zakken in ons gangetje (binnen de schuildeur), aan haken. Door het zware gewicht zijn een paar naden van de zakken opengesprongen. We besloten dus onze wintervoorraad maar liever op zolder te zetten en vertrouwden Peter het hijswerkje toe.

Vijf van de zes zakken waren al heelhuids boven beland, en Peter was net bezig no zes op te trekken, toen de benedennaad van de zak brak en een regen, neen, een hagel van bruine bonen door de lucht en de trap af sloeg. In de zak zat ongeveer 50 pond, het was dan ook een lawaai als een oordeel; beneden dachten ze niet anders of ze kregen het oude huis met inhoud op hun kop. (Goddank was er geen vreemde in huis.) Peter schrok even, maar moest verschrikkelijk lachen toen hij mij beneden aan de trap zag staan, als een eilandje tussen de bonengolven, zo was ik omringd door het bruine goedje dat me tot aan de enkels reikte. Gauw gingen we aan het rapen, maar bonen zijn zo glad en klein, dat ze in alle mogelijke en onmogelijke hoekjes en gaatjes rollen. Elke keer dat nu iemand de trap afloopt, bukt hij zich om een handvol boontjes aan mevrouw af te leveren.

Haast zou ik vergeten te vermelden, dat vaders ziekte weer helemaal over is.

Je Anne.

 

P.S. Net komt het bericht door de radio, dat Algiers gevallen is. Marokko, Casa Blanca en Oran zijn al een paar dagen in Engelse handen. Het wachten is nu op Tunis.

Dinsdag, 10 November 1942

Lieve Kitty,

Geweldig nieuws, we willen een achtsten onderduiker opnemen! Ja heus, we zijn altijd van mening geweest, dat hier nog best plaats en eten voor een achtste persoon is. We waren alleen maar te bang om Koophuis en Kraler nog meer te belasten. Toen nu de gruwelberichten van buiten aangaande de Joden steeds erger werden, heeft vader eens de twee beslissende personen gepolst en deze vonden het plan uitstekend. ‘Het gevaar is voor zeven even groot als voor acht’, zeiden ze zeer terecht.

Toen dit in orde was, zijn we in gedachten onze kennissenkring langs gegaan om een alleenstaand mens te vinden, die goed in onze duikfamilie zou passen. Het was niet moeilijk zo iemand op te scharrelen. Nadat vader alle familieleden van Van Daan van de hand gewezen had, viel onze keuze op een tandarts genaamd Albert Dussel, wiens vrouw gelukkig in het buitenland verblijft. Hij staat bekend als een rustig mens en, zo naar de oppervlakkige kennismaking te oordelen, leek hij zowel Van Daan als ons sympathiek. Ook Miep is met hem bekend, zodat door haar het onderduikplan geregeld kan worden. Als hij komt, moet Dussel in mijn kamer slapen in plaats van Margot, die het harmonicabed tot legerstede krijgt.

Je Anne.

Donderdag, 12 November 1942

Lieve Kitty,

Dussel was reusachtig blij toen Miep hem vertelde, dat ze een schuilplaats voor hem had. Ze drukte hem op zijn hart zo gauw mogelijk te komen. Liefst Zaterdag al. Dat leek hem enigszins bedenkelijk, hij moest zijn kartotheek nog in orde brengen, twee patiënten helpen en de kas opmaken. Met dit bericht kwam Miep vanochtend bij ons. Wij vonden het niet goed dat hij langer wachtte. Al die voorbereidingen eisen weer uitleggingen aan tal van mensen, die we er liever buiten zouden houden. Miep zal vragen of het niet toch zo geregeld kon worden, dat Dussel Zaterdag arriveert.

Dussel zei van neen, hij komt nu Maandag. Ik vind het wel gek, dat hij niet dadelijk op elk voorstel ingaat. Als hij op straat meegenomen wordt, kan hij noch de kartotheek in orde brengen, noch de kas opmaken, noch de mensen helpen. Waarom dan dat uitstel? Ik voor mij vind het stom dat vader toegegeven heeft.

Anders niets nieuws.

Je Anne.

Dinsdag, 17 November 1942

Lieve Kitty,

Dussel is aangekomen. Het is hem allemaal meegelopen. Om elf uur, had Miep tegen hem gezegd, moest hij vóór het postkantoor op een bepaalde plaats zijn, daar zou een heer hem meenemen. Dussel stond op de afgesproken plaats precies op tijd, mijnheer Koophuis, dien Dussel eveneens kende, ging naar hem toe, berichtte dat de genoemde heer nog niet komen kon en of hij even op het kantoor bij Miep wilde komen. Koophuis stapte in de tram, reed terug naar kantoor en Dussel liep dezelfde weg op. Om tien minuten voor half 12 tikte Dussel aan de kantoordeur. Miep liet hem zijn jas uitdoen, zodat de ster onzichtbaar was en bracht hem naar het privé-kantoor, waar Koophuis hem bezig hield, tot de werkster weg was. Het voorwendsel gebruikend, dat het privé-kantoor niet langer vrij was, ging Miep vervolgens met Dussel naar boven, opende de draaikast en stapte voor de ogen van den stomverbaasden man naar binnen.

Wij zaten bij de Van Daans rondom de tafel met cognac en koffie den mede-duiker op te wachten. Eerst leidde Miep hem in onze huiskamer; hij herkende dadelijk de meubels van ons, maar dacht er nog in de verste verte niet aan, dat wij ons boven zijn hoofd bevonden. Toen Miep hem dat vertelde, viel hij haast flauw van verbazing. Maar gelukkig liet Miep hem niet te lang de tijd en nam hem mee naar boven.

Dussel plofte op een stoel neer en keek ons allemaal een poosje sprakeloos aan, alsof hij eerst even goed de waarheid van onze gezichten wilde lezen. Daarna stotterde hij: ‘Maar ... aber, sind u dan niet in België? Ist der Militär nicht gekomen, das Auto, die vlucht is sie nicht gelukt?’ We legden hem het hele geval uit, dat we dat verhaaltje van de militair en de auto expres rondgestrooid hadden om de mensen en de Duitsers, die eventueel naar ons zouden zoeken, op een dwaalspoor te leiden. Dussel was weer sprakeloos over zoveel vernuftigheid en kon verder niets anders doen dan verbaasd rondkijken, toen hij ons hyper-practische en fijne Achterhuisje nader nasnuffelde.

Wij aten samen, hij sliep een beetje en dronk dan thee met ons, ordende zijn beetje boel, dat Miep van te voren meegebracht had en voelde zich al tamelijk thuis. Vooral toen hij de volgende getikte Achterhuis-onderduikregels (Maaksel Van Daan) in handen kreeg:

Prospectus en leidraad van het Achterhuis.

Speciale instelling voor het tijdelijk verblijf van Joden en dergelijke.

Gedurende het gehele jaar geopend.

Mooie, rustige, bosvrije omgeving in het hartje van Amsterdam. Geen privé-buren. Te bereiken met de tramlijnen 13 en 17, verder ook met auto of fiets. In bepaalde gevallen, waar de Duitsers het gebruik van deze vervoermiddelen niet toelaten, ook lopende.

Woonprijs: gratis.

Dieetkeuken vetvrij.

Stromend water in badkamer (helaas geen bad) en aan diverse binnen- en buitenmuren.

Ruime opslagplaatsen voor goederen, van welke aard ook.

Eigen radiocentrale, met directe verbinding van London, New York, Tel Aviv en vele andere stations. Dit toestel staat vanaf zes uur 's avonds alleen inwonenden ter beschikking, waarbij geen verboden zenders bestaan met dien verstande, dat alleen bij uitzondering naar Duitse stations mag worden geluisterd, b.v. naar klassieke muziek en dergelijke.

Rusturen: 10 uur 's avonds tot half 8 's morgens. 's Zondags tot kwart over 10. In verband met omstandigheden worden ook rusturen overdag gehouden, volgens aanwijzingen van de directie. Rusturen moeten stipt gehouden worden, in verband met de algemene veiligheid!!!

Vacantie: Tot nader order vervallen voor zover het betreft het verblijf buitenshuis.

Gebruik van taal: Vereist is te allen tijde zacht te spreken, toegestaan zijn alle cultuurtalen, dus geen Duits.

Gymnastiekoefeningen: dagelijks.

Lessen: In stenographie elke week één schriftelijke les, in Engels, Frans, Wiskunde en Geschiedenis te allen tijde.

Speciale afdeling voor kleine huisdieren met goede verzorging (uitgezonderd ongedierte, waarvoor speciale vergunning moet worden overgelegd.).

Het gebruik van maaltijden: ontbijt, alle dagen met uitzondering van Zon- en Feestdagen, 's morgens om 9 uur. Zon- en Feestdagen ca. half 12.

Diner: gedeeltelijk uitgebreid, 's middags kwart over 1 tot kwart voor 2.

Avondeten: koud en/of warm, in verband met de berichtendienst geen vaste tijd.

Verplichtingen tegenover de ravitailleringscolonne: Altijd bereid te zijn om met kantoorwerk te helpen.

Baden: 's Zondags vanaf 9 uur staat de teil voor alle huisgenoten beschikbaar. Men kan baden in W.C., keuken, privé-kantoor, voorkantoor naar keuze.

Sterke dranken: alleen op doktersattest.

Einde.

Je Anne.

Donderdag, 19 November 1942

Lieve Kitty,

Zoals we allemaal wel veronderstelden is Dussel een erg aardig mens. Hij vond het natuurlijk goed om het kamertje met me te delen, ik ben er eerlijk gezegd niet zo erg mee ingenomen, dat een vreemde mijn dingen in gebruik gaat nemen, maar je moet wat voor het goede doel over hebben en ik breng dit kleine offer dan ook graag. ‘Als we maar iemand kunnen redden, is al het andere bijzaak’, zei vader en daar heeft hij volkomen gelijk in.

Dussel heeft me de eerste dag dat hij hier was, dadelijk naar allerlei dingen gevraagd; bijvoorbeeld wanneer de werkster komt, hoe de badkamertijden zijn, wanneer men naar het toilet mag gaan. Je zult lachen, maar dat alles is in een schuilplaats niet zo gemakkelijk. Wij mogen overdag niet zo'n drukte maken, dat ze ons beneden horen en als een extra persoon, zoals bijvoorbeeld de werkster, er is, moeten wij ons allen ook extra in acht nemen. Ik legde Dussel dit alles mooi uit, maar één ding verbaasde me daarbij en wel, dat hij zo erg traag van begrip is, alles vraagt hij dubbel en onthoudt het dan nog niet. Misschien gaat dat wel over, en is hij enkel door de verrassing zo in de war.

Overigens gaat het best. Dussel heeft ons veel van de buitenwereld verteld, die wij nu al zo lang missen. Het is droevig wat hij allemaal wist. Talloze vrienden en kennissen zijn weg met een vreselijke bestemming. Avond aan avond tuffen de groene of grijze militaire auto's langs, de Duitsers bellen aan elke deur en vragen of er ook Joden wonen. Zo ja, dan moet de hele familie dadelijk mee, zo niet, dan gaan ze weer verder. Niemand kan zich aan zijn lot onttrekken als hij niet onderduikt. Zij gaan ook dikwijls rond met lijsten en bellen alleen daar, waar ze weten, dat ze een rijke buit zullen binnenhalen. Losgeld wordt er vaak betaald, per hoofd zoveel. Het lijkt wel op de slavenjacht, zoals ze die vroeger hielden. Maar het is heus geen mop, daarvoor is het veel te dramatisch. Ik zie vaak 's avonds in het donker rijen goede, onschuldige mensen lopen met huilende kinderen, steeds maar lopen, gecommandeerd door zo'n paar kerels, geslagen en gepijnigd, tot ze haast neervallen. Niemand wordt ontzien, ouden van dagen, baby's, zwangere vrouwen, zieken, alles, alles gaat mee in de tocht naar de dood.

Hoe goed hebben we het hier, hoe goed en rustig.

We hoefden ons van al deze ellende niets aan te trekken, als we ons maar niet zo bang maakten om allen, die ons zo dierbaar waren en die we niet meer kunnen helpen.

Slecht voel ik me, dat ik in een warm bed lig, terwijl mijn liefste vriendinnen ergens buiten neergegooid of neergevallen zijn. Ik word zelf bang als ik aan allen denk met wie ik me altijd zo innig verbonden voelde en die nu overgeleverd zijn aan de handen van de wreedste beulen die er bestaan.

En dat alles, omdat ze Joden zijn!

Je Anne.

Vrijdag, 20 November 1942

Lieve Kitty,

We weten geen van allen goed wat voor een houding we moeten aannemen. Tot nu toe is er van de berichten over de Joden nooit veel tot ons doorgedrongen en we hebben het het beste gevonden zoveel mogelijk opgewekt te blijven. Toen Miep af en toe iets losliet over het verschrikkelijke lot van een kennis, begonnen moeder en mevrouw Van Daan elke keer te huilen, zodat Miep het beter vond, helemaal niets meer te vertellen. Maar Dussel werd dadelijk bestormd met vragen en de verhalen, die hij vertelde waren zo gruwelijk en barbaars dat het niet ‘het ene oor in en het andere weer uit gaat’.

Toch zullen we, als de berichten een beetje gezakt zijn, wel weer grappen maken en plagen. Het helpt ons en die daarbuiten niet als we zo somber blijven, als we allemaal op het ogenblik zijn. En wat heeft het voor zin van het Achterhuis een melancholiek Achterhuis te maken?

Bij alles wat ik doe moet ik aan de anderen denken, die weg zijn. En als ik om iets moet lachen, houd ik verschrikt weer op en denk bij mezelf, dat het een schande is dat ik zo vrolijk ben. Maar moet ik dan de hele dag huilen? Neen, dat kan ik niet en ze zal ook wel weer overgaan, deze somberheid.

Bij deze narigheid is nog een andere gekomen, maar die is van heel persoonlijke aard en zinkt in het niet bij de ellende, waarvan ik je zojuist heb verteld. Toch kan ik niet nalaten je te vertellen, dat ik me de laatste tijd zo verlaten ga voelen. Er is een te grote leegte om mij heen. Vroeger dacht ik daar nooit zo over na en mijn pretjes en vriendinnen vulden mijn gehele denken. Nu denk ik óf aan ongelukkige dingen óf over mezelf. En ten langen leste ben ik tot de ontdekking gekomen dat vader, hoe lief hij ook is, toch niet mijn gehele vroegere wereldje kan vervangen. Maar waarom je met zulke malle dingen lastig vallen, ik ben ontzettend ondankbaar, Kitty, ik weet het wel, maar het draait me ook vaak als ik te veel op mijn kop krijg en dan nog aan al die andere narigheid moet denken!

Je Anne.

Zaterdag, 28 November 1942

Lieve Kitty,

We hebben veel te veel licht gebruikt en nu ons electriciteitsrantsoen overschreden. Gevolg: uiterste zuinigheid en in het vooruitzicht gestelde afsnijding, 14 dagen geen licht, prettig hè! Maar wie weet, loopt het nog mee! Vanaf vier uur of half vijf is het te donker om te lezen. We korten onze tijd met allerhande gekke dingen. Raadsels opgeven, gym doen in het donker, Engels of Frans spreken, boeken becritiseren - het verveelt allemaal op den duur. Sinds gisteravond heb ik iets nieuws uitgevonden en wel met een sterke verrekijker in de verlichte kamers van de achterburen gluren. Overdag mogen onze gordijnen nooit een centimeter opzij, maar als het donker is, kan dat geen kwaad.

Ik wist vroeger nooit, dat buren zulke interessante mensen kunnen zijn, althans de onze. Een paar heb ik bij de maaltijd aangetroffen, een familie was net aan het filmen en de tandarts van hierover had een oude, angstige dame in behandeling.

Mijnheer Dussel, de man van wien altijd gezegd was, dat hij uitstekend met kinderen kan opschieten en ook van alle kinderen houdt, ontpopt zich als de meest ouderwetse opvoeder en preker van ellenlange manierenreeksen.

Daar ik het zeldzame geluk heb (!) met den HoogEdelwelopgevoeden heer mijn, helaas zeer nauwe, kamer te mogen delen en daar ik algemeen voor de slechtst opgevoede van de drie jeugdigen gehouden word, heb ik nogal wat te stellen om de oude, vaak herhaalde standjes en vermaningen te ontlopen en me een Oostindische doofheid aan te meten.

Dit alles zou nog tot daar aan toe zijn, als mijnheer maar niet zo'n grote klikspaan was en zich niet ook nog moeder als overbrengadres uitgezocht had.

Als ik van hem net de wind van voren heb gekregen, doet moeder het nog eens dunnetjes over, en krijg ik dus de wind van achteren. En als ik dan heel erg bof, roept mevrouw me vijf minuten later ter verantwoording en komt de wind van bovenaf geblazen.

Heus, je moet niet denken dat het gemakkelijk is het onopgevoede middelpunt van een bedillerige onderduikersfamilie te zijn. 's Avonds in bed, als ik over mijn vele zonden en toegedichte gebreken nadenk, kom ik zo in de war door de grote massa van beschuldigingen, dat ik óf ga lachen, óf huilen, al naar mijn innerlijke stemming.

Dan slaap ik in met het gekke gevoel van anders te willen dan ik ben of anders te zijn dan ik wil, misschien ook anders te doen dan ik wil of dan ik ben. O hemeltje, nu maak ik jou ook nog in de war, excuseer me, maar doorstrepen daar hou ik niet van en papier weggooien is in tijden van grote papierschaarste verboden. Dus kan ik je alleen maar aanraden, de vorige zin niet nog eens door te lezen en je er vooral niet in te verdiepen, want je komt er toch niet uit!

Je Anne.

Maandag, 7 December 1942

Lieve Kitty,

Chanuka en St Nicolaas vielen dit jaar haast samen, het verschil was maar één dag. Voor Chanuka hebben we niet veel omhaal gemaakt, wat leuke dingetjes over en weer en dan de kaarsjes. Daar er gebrek aan kaarsen is, worden ze maar tien minuten aangestoken, maar als het lied er niet bij ontbreekt is dat ook wel goed. Mijnheer Van Daan heeft een luchter uit hout vervaardigd, zodat ook dit voor elkaar is.

St Nicolaasavond, Zaterdag, was veel leuker. Elli en Miep hadden ons erg nieuwsgierig gemaakt door de hele tijd met vader te fluisteren, zodat we wel vermoedden, dat er iets in voorbereiding was.

En werkelijk, om acht uur gingen we allen de houten trap af, door de stikdonkere gang (ik griezelde en wenste me alweer veilig boven) naar het kabinetje. Daar konden we licht aansteken, omdat dit vertrekje geen ramen heeft. Toen dat gebeurd was, deed vader de grote kast open. ‘Oh, wat leuk’, riepen we allemaal. In de hoek stond een grote mand met Sint Nicolaaspapier versierd en bovenop was een Pietmombakkes bevestigd.

Gauw namen we de mand mee naar boven. Er zat voor elk een leuk cadeautje in met een toepasselijk vers.

Ik kreeg een mikpoppetje, vader boekensteunen, enz. enz. Het was in ieder geval allemaal leuk bedacht en daar we alle acht nog nooit in ons leven Sinterklaas gevierd hebben, was deze première goed op zijn plaats.

Je Anne.

Donderdag, 10 December 1942

Lieve Kitty,

Mijnheer Van Daan komt uit de worst-, vlees- en specerijenhandel. In de zaak werd hij om zijn vakkennis geëngageerd. Ook nu toont hij zich van de worstachtige kant, wat ons lang niet onaangenaam is.

We hadden veel vlees (clandestien natuurlijk) besteld om te wecken, als we eens moeilijke tijden zouden moeten doormaken! Het was een leuk gezicht hoe eerst de vleesstukken door de vleesmolen gingen, twee of drie keer, dan alle toebehoorselen door de vleesmassa heengewerkt werden en hoe de worst dan, door middel van een tuitje in de darmen, gevuld werd. De braadworst aten we dadelijk 's middags bij de zuurkool op, maar de Gelderse moest eerst goed drogen en daarvoor werd ze aan een stok met twee touwtjes aan de zoldering opgehangen. Iedereen die de kamer binnenkwam en de tentoongestelde worsten in het oog kreeg, begon te lachen. Het was dan ook een allerkoddigst gezicht.

In de kamer was het een rompslomp van jawelste. Mijnheer Van Daan was, met de schort van mevrouw voor, in zijn hele dikte (hij leek veel dikker dan hij was) met het vlees bezig. Bloederige handen, rood hoofd en het bemorste schort gaven hem het aanzien van een echten slager. Mevrouw deed van alles tegelijk, Nederlands leren uit een boekje, de soep roeren, kijken naar het vlees, zuchten en klagen over haar gebroken bovenborstrib. Dat komt er van als oudere dames (!) zulke alleridiootste gymnastiekoefeningen doen om hun dikke achterste weer kwijt te raken!

Dussel had een ontstoken oog en bette het bij de kachel met kamillen-thee. Pim zat op een stoel in het straaltje zon dat door het venster kwam, werd van de ene naar de andere kant geschoven, daarbij had hij zeker weer pijn op zijn rheumatiekplek, want hij zat tamelijk krom en met een verstoord gezicht mijnheer Van Daan op zijn vingers te kijken. Hij leek sprekend op zo'n oud en invalide diakenhuismannetje. Peter tolde met zijn poes in de kamer rond, moeder, Margot en ik waren aan het aardappelen schillen, en ten slotte deden we geen van allen onze bezigheden goed om naar Van Daan te kijken.

Dussel heeft zijn tandartsenpraktijk geopend. Ik zal je voor de grap even mededelen hoe de eerste behandeling verlopen is. Moeder was aan het strijken en mevrouw Van Daan de eerste, die er aan moest geloven. Ze ging op een stoel midden in de kamer zitten. Dussel begon heel gewichtig zijn doosje uit te pakken, vroeg om eau de cologne als desinfecteermiddel en vaseline als was.

Hij keek in mevrouws mond, raakte een tand en een kies aan, waarbij mevrouw elke keer in elkaar kromp, alsof ze van de pijn verging, terwijl ze onsamenhangende klanken uitstootte. Na een langdurig onderzoek (voor mevrouw tenminste, want het was niet langer dan twee minuten) begon Dussel een gaatje uit te krabben. Maar neen hoor, er was geen denken aan, mevrouw sloeg wild met haar armen en benen, zodat op een gegeven ogenblik Dussel het krabbertje losliet, dat ... in mevrouws tand bleef steken.

Nu had je eerst echt de poppen aan het dansen! Mevrouw sloeg om zich heen, huilde (voor zover dat mogelijk is met zo'n instrumentje in je mond), probeerde het krabbertje uit haar mond te krijgen en duwde het er met dat alles nog verder in. Mijnheer Dussel stond het toneeltje doodkalm met zijn handen in de zij aan te zien. De rest van de toeschouwers lachte onbedaarlijk. Dat was gemeen, want ik weet zeker dat ik nog veel harder gegild zou hebben.

Na veel draaien, schoppen, schreeuwen en roepen had mevrouw dan eindelijk het krabbertje er uit en mijnheer Dussel vervolgde, alsof er niets gebeurd was, zijn werk.

Hij deed dit zo vlug, dat mevrouw geen tijd had om nog eens te beginnen, maar hij had ook zoveel hulp, als nog nooit in zijn leven. Twee assistenten is niet weinig, mijnheer en ik fungeerden goed. Het geheel leek wel op een plaatje uit de Middeleeuwen met het opschrift ‘Kwakzalver aan het werk’.

Intussen had de patiënte echter niet veel geduld, ze moest op ‘haar’ soep letten en op ‘haar’ eten.

Een ding is zeker, mevrouw laat zich zo gauw niet meer behandelen!

Je Anne.

Zondag, 12 December 1942

Lieve Kitty,

Ik zit heel gezellig in het voorkantoor naar buiten te kijken, door de spleet van het zware gordijn. Het is schemerdonker, maar nog net licht genoeg om je te schrijven.

Het is een heel gek gezicht als ik de mensen zie lopen, het lijkt net of ze allemaal verschrikkelijke haast hebben en bijna over hun eigen voeten struikelen.

De fietsers, nou, dat tempo is helemaal niet bij te houden, ik kan niet eens zien, wat voor een soort individu er op het vehikel zit.

De mensen zien er hier in de buurt niet zo erg aanlokkelijk uit en vooral de kinderen zijn te vies om met een tang aan te pakken. Echte achterbuurtkinderen met snotneuzen, hun taaltje kan ik nauwelijks verstaan.

Gistermiddag waren Margot en ik hier aan het baden en toen zei ik: ‘Als we nu eens de kinderen, die hier langs lopen, stuk voor stuk met een hengel ophengelden, in het bad stopten, hun goed wasten en verstelden en dan weer lieten lopen, dan ...’ Daarop viel Margot in: ‘Zouden ze er morgen weer net zo vies en kapot uitzien als tevoren’.

Maar wat zit ik te bazelen, er zijn ook andere dingen om te zien, auto's, schepen en de regen. Ik hoor de tram en het gieren er van en amuseer me.

Onze gedachten hebben net zo weinig afwisseling als wijzelf. Ze gaan steeds als een caroussel van de Joden naar het eten en van het eten naar de politiek. Tussen haakjes, van Joden gesproken, gisteren heb ik, alsof het een wereldwonder was, door het gordijn twee Joden gezien; dat was zo'n naar gevoel, net of ik die mensen verraden heb en nu hun ongeluk zit te beloeren. Hier vlak tegenover ligt een woonschip, waarop een schipper met vrouw en kinderen huist, deze man heeft een klein keffertje. Het hondje kennen we alleen van het horen blaffen en van zijn staartje, dat we kunnen zien als hij in de goot van de boot loopt.

Bah, nu is het gaan regenen en de meeste mensen zijn schuil gegaan onder hun paraplu. Ik zie niets dan regenjassen en soms een bemutst achterhoofd. Het is ook eigenlijk niet nodig méér te zien, zo langzamerhand ken ik de vrouwen ook zó al, opgeblazen door de aardappels, een rode of groene jas aan, op afgetrapte hakken en met een tas aan de arm. Ze hebben een grimmig of een goedig gezicht, al naar het humeur van haar man.

Je Anne.

Dinsdag, 22 December 1942

Lieve Kitty,

Het Achterhuis heeft met blijdschap vernomen dat ieder met Kerstmis een kwart pond boter extra krijgt. In de krant staat wel een half pond, maar dit is alleen voor de gelukkige stervelingen, die hun levensmiddelenkaarten van de Staat krijgen en niet voor ondergedoken Joden, die voor de duurte maar vier in plaats van acht clandestien kopen.

We gaan alle acht wat bakken met de boter. Ik heb vanochtend koekjes gemaakt en twee taarten. Het is erg druk hierboven en moeder heeft me verboden te gaan leren of lezen, vóórdat het huishoudelijk werk achter de rug is.

Mevrouw Van Daan ligt met haar gekneusde rib in bed, klaagt de hele dag, laat zich aldoor nieuwe verbanden aanleggen en is met niets tevreden. Ik zal blij zijn als ze weer op haar twee benen staat en zelf haar boeltje opknapt, want één ding moet gezegd worden, ze is buitengewoon vlijtig en netjes en zolang ze lichamelijk en geestelijk in goede conditie verkeert ook vrolijk.

Alsof ik overdag al niet genoeg ‘sst sst’ te horen krijg, omdat ik altijd te veel lawaai maak, is mijn heer kamergenoot op het idee gekomen me 's nachts ook herhaaldelijk ‘sst’ toe te roepen. Ik mag dus volgens hem niet eens even draaien. Ik vertik het om hier aandacht aan te besteden en roep de volgende keer ‘sst’ terug.

Hij maakt me vooral 's Zondags woedend, als hij zo vroeg het licht aansteekt en gymnastiek gaat doen. Het lijkt mij, arme geplaagde, wel uren te duren, want de stoelen, waarmee mijn bed verlengd is, schuiven gedurig onder mijn slaperig hoofd heen en weer. Na een paar keer heftig met de armen zwaaiend de lenigheidsoefeningen beëindigd te hebben, begint meneer met zijn toilet. De onderbroek hangt aan de haak, dus eerst daar naar toe en weer terug. Maar hij vergeet de das die op tafel ligt. Dus weer duwende en stotende langs de stoelen en zo weer terug.

Maar laat ik je niet ophouden over oude nare heren te zeuren, het wordt er toch niet beter door en al mijn wraakmiddelen, zoals lamp uitschroeven, deur afsluiten, kleren verstoppen, moet ik om de vrede te bewaren, achterwege laten.

Ach, ik word zo verstandig! Alles moet hier met verstand gebeuren, leren luisteren, mond houden, helpen, lief zijn, toegeven en weet ik wat nog meer. Ik ben bang dat ik mijn verstand, dat al niet bijster groot is, veel te vlug opgebruik en voor na-oorlogse tijden niets meer overhoud.

Je Anne.

Woensdag, 13 Januari 1943

Lieve Kitty,

Vanochtend ben ik weer met alles gestoord en kon daardoor niets behoorlijk afmaken.

Buiten is het verschrikkelijk. Dag en nacht worden die arme mensen weggesleept, met niets anders bij zich dan een rugzak en wat geld. Deze bezittingen worden hun onderweg ook nog ontnomen. De gezinnen worden uit elkaar gerukt, gesplitst in mannen, vrouwen en kinderen.

Kinderen, die van school naar huis komen, vinden hun ouders niet meer. Vrouwen, die boodschappen doen, vinden bij haar thuiskomst haar huis verzegeld, haar familie verdwenen.

De Nederlandse Christenen hebben ook al angst, hun zonen worden naar Duitsland gestuurd, iedereen is bang.

En elke nacht komen er honderden vliegers over Nederland, vliegen naar de Duitse steden en ploegen daar de aarde met hun bommen om, en ieder uur vallen in Rusland en Afrika honderden, duizenden mensen. Niemand kan zich er buiten houden, de hele aardbol voert oorlog en al gaat het beter met de geallieerden, een einde is nog niet te zien.

En wij, we hebben het goed, ja beter dan millioenen anderen. We zitten nog rustig en veilig en eten zogenaamd ons geld op. We zijn zo egoïstisch, dat we over ‘na de oorlog’ spreken, ons op nieuwe kleren en schoenen verheugen, terwijl we eigenlijk iedere cent moesten sparen om na de oorlog de andere mensen te helpen, te redden wat er nog te redden valt.

De kinderen hier lopen rond in een dun blousje en met klompen aan de voeten, geen jas, geen muts, geen kousen en niemand die hen helpt. Ze hebben niets in hun buik, maar kauwen op een peenwortel, lopen van hun koude woning weg naar de koude straat en komen op school in een nog koudere klas. Ja, het is zelfs zo ver met Holland gekomen, dat talloze kinderen op straat de voorbijgangers aanhouden en om een stuk brood vragen.

Ik zou je wel urenlang over de ellende, die de oorlog meebrengt, kunnen vertellen, maar dat maakt me zelf enkel nog mismoediger. Er blijft ons niets anders over dan zo rustig als het kan het einde van deze misère af te wachten. Zowel de Joden als de Christenen wachten, de hele aardbol wacht en velen wachten op hun dood.

Je Anne.

Zaterdag, 30 Januari 1943

Lieve Kitty,

Ik damp van woede en ik mag het niet tonen. Ik zou willen stampvoeten, schreeuwen, moeder eens hard door elkaar schudden, huilen en weet ik wat nog meer om de nare woorden, de spottende blikken, de beschuldigingen die als pijlen van een scherp gespannen boog mij elke dag opnieuw treffen en die zo moeilijk uit mijn lichaam te trekken zijn.

Ik zou moeder, Margot, Van Daan, Dussel en ook vader toe willen schreeuwen: ‘Laat me met rust, laat me eindelijk een nacht slapen zonder dat mijn kussen nat is van tranen, mijn ogen branden en mijn hoofd bonst. Laat me gaan, weg van alles, liefst weg van de wereld!’

Maar ik kan het niet, ik kan hun mijn vertwijfeling niet laten zien; ik kan hun geen blik laten slaan in de wonden die zij mij toebrachten, ik zou hun medelijden en hun goedmoedige spot niet kunnen verdragen, ook dan nog zou ik moeten schreeuwen. Iedereen vindt me aanstellerig als ik praat, belachelijk als ik zwijg, brutaal als ik antwoord geef, geslepen als ik een goed idee heb, lui als ik moe ben, egoïstisch als ik een hap te veel eet, dom, laf berekenend enzovoort enzovoort. De hele dag hoor ik niets anders dan dat ik een onuitstaanbaar wicht ben, en hoewel ik er om lach, doe of ik me er niets van aantrek, kan het me wel wat schelen, zou ik God wel willen vragen me een andere natuur te geven, die niet alle mensen tegen me in het harnas jaagt.

Het kan niet, mijn natuur is me gegeven en ik kan niet slecht zijn, ik voel het. Ik doe meer mi]n best allen te bevredigen dan ze in de verste verte vermoeden, ik probeer boven te lachen, omdat ik hun mijn narigheden niet wil tonen.

Meer dan eens heb ik moeder, na een rij onredelijke verwijten, naar het hoofd geslingerd: ‘Het kan me toch niets schelen wat je zegt, trek je handen maar helemaal van me af, ik ben toch een hopeloos geval’. Ik kreeg dan natuurlijk te horen dat ik brutaal was, werd twee dagen een beetje genegeerd en dan was opeens weer alles vergeten en ik werd behandeld zoals ieder ander.

Het is me onmogelijk om de ene dag poeslief te zijn en de volgende dag hun mijn haat in het gezicht te slingeren. Ik kies liever de gulden middenweg, die niet verguld is, en houd mijn mond over wat ik denk en probeer ééns net zo minachtend tegenover hen te worden, als zij het zijn tegenover mij.

Ach, als ik het maar kon.

Je Anne.

Vrijdag, 5 Februari 1943

Lieve Kitty,

Hoewel ik je al lang niets meer van de ruzie's geschreven heb, is daar toch geen verandering in gekomen. Mijnheer Dussel nam de gauw vergeten onenigheden in het begin nog tragisch op, maar nu gaat hij er al aan wennen en probeert niet meer te bemiddelen.

Margot en Peter zijn helemaal niet wat je ‘jong’ noemt, alle twee zo saai en stil. Ik steek daar verschrikkelijk tegen af en krijg altijd te horen: ‘Margot en Peter doen dat ook niet, kijk maar naar hen’. Verschrikkelijk vind ik dat.

Ik zal je wel bekennen dat ik helemaal niet zo worden wil als Margot, ze is me veel te slapjes en onverschillig, laat zich door iedereen omverpraten en geeft in alles toe. Ik wil wat steviger van geest zijn! Maar zulke theorieën houd ik voor me, ze zouden me wel uitlachen als ik met deze verdediging aan kwam zetten.

Aan tafel is de stemming meestal gespannen, gelukkig worden de uitbarstingen nog wel eens door de soep-eters tegengehouden. De soep-eters zijn allen, die van kantoor komen en dan een kopje soep krijgen.

Vanmiddag had mijnheer Van Daan het er weer over, dat Margot zo weinig eet. ‘Zeker om de slanke lijn te houden’, vervolgde hij op spottende toon. Moeder, die het altijd voor Margot opneemt, zei op luide toon: ‘Ik kan dat domme geklets van u niet meer horen’.

Mevrouw werd vuurrood, mijnheer keek voor zich en zweeg. Vaak lachen we om de één of ander; pas geleden kraamde mevrouw zo'n heerlijke onzin uit. Ze vertelde van vroeger, hoe goed ze met haar vader op kon schieten en hoeveel ze geflirt heeft. ‘En weet u’, vervolgde ze, ‘als een heer een beetje handtastelijk wordt, zei mijn vader, dan moet je tegen hem zeggen: “Mijnheer, ik ben een Dame”, dan weet hij wel wat je bedoelt’. Wij schaterden als om een goede mop.

Ook Peter, hoe stil ook meestal, geeft nog eens aanleiding tot vrolijkheid. Hij heeft het geluk, dol op vreemde woorden te zijn, maar de betekenis er van niet altijd te kennen.

Op een middag toen we wegens visite op kantoor niet naar het toilet konden gaan, moest hij daar toch hoognodig naar toe, trok echter niet door. Om ons nu te waarschuwen, bevestigde hij een bordje aan de W.C.-deur met: ‘S.v.p.gas!’ er op. Hij wou natuurlijk zetten: ‘Voorzichtig, gas’, maar vond ‘s.v.p.’ deftiger staan. Dat de betekenis er van ‘alstublieft’ is, daar had hij geen notie van.

Je Anne.

Zaterdag, 27 Februari 1943

Lieve Kitty,

Pim verwacht elke dag de invasie. Churchill heeft longontsteking gehad, hij gaat langzaam vooruit. Gandhi, de Indische vrijheidsman, houdt zijn zoveelste hongerstaking.

Mevrouw beweert dat ze fataliste is. Maar wie is het bangst als ze schieten? Niemand anders dan Petronella.

Henk heeft het herderlijk schrijven van de bisschoppen aan de mensen in de kerk voor ons meegebracht. Het was reuze-mooi en opwekkend geschreven. ‘Blijft niet stilzitten, Nederlanders, ieder vechte met zijn eigen wapenen voor de vrijheid van land, volk en godsdienst! Helpt, geeft, aarzelt niet!’ Dat roepen ze zomaar van de preekstoel. Zou het helpen? Onzen geloofsgenoten stellig niet.

Stel je voor, wat ons nu weer overkomen is. De huiseigenaar van dit perceel heeft, zonder Kraler en Koophuis in te lichten, het huis verkocht. Op een morgen kwam de nieuwe huiseigenaar met een architect het huis bezichtigen.

Gelukkig was mijnheer Koophuis aanwezig, die den heren alles heeft laten zien, op ons Achterhuis na. Hij had zogenaamd de sleutel van de tussendeur thuis vergeten. De nieuwe huiseigenaar vroeg niets verder. Als hij maar niet terugkomt en toch het Achterhuis wil zien, want dan ziet het er lelijk voor ons uit.

Vader heeft voor Margot en mij een kartotheekdoos leeggemaakt en er kaartjes in gedaan. Dit wordt de boekenkartotheek, we schrijven namelijk alle twee op welke boeken we gelezen hebben, door wie ze geschreven zijn, enzovoort. Voor vreemde woorden heb ik me een apart boekje aangeschaft.

Moeder en ik schieten de laatste tijd wel beter met elkaar op, maar vertrouwelijk zijn we nooit. Margot is kattiger dan ooit en vader heeft iets waarmee hij niet voor de dag wil komen, maar is toch altijd een schat.

Nieuwe boter- en margarineverdeling aan tafel! Ieder krijgt zijn stukje smeersel op zijn bord. Mijns inziens geschiedt de verdeling daarvan door de Van Daans zeer oneerlijk. Mijn ouders zijn echter veel te bang voor ruzie om er wat van te zeggen. Jammer, ik vind dat je zulke mensen altijd met gelijke munt terugbetalen moet.

Je Anne.

Woensdag, 10 Maart 1943

Lieve Kitty,

Gisteravond hadden we kortsluiting, bovendien paften ze onophoudelijk. Ik heb mijn angst voor alles wat schieten of vliegers is nog niet afgeleerd en lig haast elke nacht bij vader in bed, om daar troost te zoeken. Dat kan nu wel erg kinderachtig zijn, maar je moest het eens meemaken. Je kunt je eigen woorden niet meer verstaan, zo bulderen de kanonnen. Mevrouw, de fataliste, begon haast te huilen en sprak met een heel benepen stemmetje: ‘O, het is zo onaangenaam, o ze schieten zo hard’, dat wil zeggen: ‘Ik ben zo bang’.

Bij kaarslicht leek het nog niet eens zo erg, als toen het donker was. Ik rilde alsof ik koorts had en smeekte vader om het kaarsje weer aan te maken. Hij was onverbiddelijk, het licht bleef uit. Plotseling schoten machinegeweren, dat is nog tienmaal erger dan kanonnen. Moeder sprong uit bed en stak, tot ergernis van Pim, de kaars aan. Haar resolute antwoord op zijn gemopper was: ‘Anne is toch geen oude soldaat’. Daarmee basta.

Heb ik je al van mevrouws andere angsten verteld? Ik geloof van niet. Om in al de Achterhuisavonturen ingelicht te zijn moet je ook dit weten. Mevrouw meende op een nacht op zolder dieven te horen, ze vernam echte harde stappen en was zo bang, dat ze haar man wekte. Net op dat ogenblik verdwenen de dieven en het lawaai dat mijnheer nog hoorde was het kloppen van het bange hart der fataliste. ‘Och Putti (mijnheers troetelnaam), ze hebben zeker de worsten en al onze peulvruchten meegenomen. En Peter, o zou Peter nog wel in zijn bed liggen?’

‘Peter hebben ze heus niet gestolen, hoor, maak je niet bang en laat me slapen’.

Maar daar kwam niets van, mevrouw sliep van angst niet meer in. Een paar nachten later werd de hele bovenfamilie door het spokenlawaai gewekt. Peter ging met een zaklantaarn naar de zolder en rrrrt, wat liep er weg? Een massa grote ratten! Toen we wisten wie de dieven waren, hebben we Mouschi op zolder laten slapen en de ongenode gasten zijn niet meer teruggekomen, tenminste niet 's nachts.

Peter kwam een paar avonden geleden op de vliering om wat oude kranten te halen. Om de trap af te dalen moest hij zich goed aan het luik vasthouden. Hij legde zonder te kijken zijn hand neer en ... viel bijna van schrik en pijn de trap af. Zonder dat hij het wist had hij zijn hand op een grote rat gelegd, die hem hard in zijn arm beet. Het bloed liep door zijn pyama heen, toen hij zo wit als een doek en met knikkende knieën bij ons kwam. Geen wonder, een grote rat aaien is niet zo leuk en nog een hap krijgen op de koop toe is verschrikkelijk.

Je Anne.

Vrijdag, 12 Maart 1943

Lieve Kitty,

Mag ik je voorstellen: Mama Frank, voorvechtster der kinderen! Extra boter voor de jeugdigen, moderne jeugdproblemen, in alles komt moeder voor de jeugd op en krijgt na een dosis ruzie altijd haar zin.

Een glas geweckte tong is bedorven. Galadiner voor Mouschi en Moffi.

Moffi is nog een onbekende voor je, toch is ze al in de zaak geweest, voordat we gingen onderduiken. Ze is de magazijn- en kantoorkat en houdt in de opslagplaats de ratten verre. Ook haar politieke naam is makkelijk uit te leggen. Een tijdlang had de firma twee katten, één voor het magazijn en één voor de zolder. Het gebeurde wel eens, dat die twee elkaar ontmoetten, wat altijd grote gevechten ten gevolge had. De magazijner was altijd degene die aanviel, terwijl het zolderbeest op het eind toch de overwinning behaalde. Net als in de politiek. Dus werd de magazijnkat, de Duitse of Moffi, en de zolderkat, de Engelse of Tommi, genoemd. Tommi is later afgeschaft en Moffi dient ons allen tot amusement, als we naar beneden gaan.

We hebben zoveel bruine en witte bonen gegeten, dat ik ze niet meer zien kan. Als ik er alleen maar aan denk, word ik al misselijk. De avond-broodverstrekking is helemaal ingetrokken.

Pappie heeft net gezegd dat hij niet goed in zijn humeur is, hij heeft weer zulke droevige oogjes, de arme ziel!

Ik ben gewoon verslaafd aan het boek: De klop op de deur van Ina Boudier-Bakker. De familieroman is buitengewoon goed geschreven, wat er omheen is over oorlog, schrijvers of de emancipatie der vrouwen, vind ik niet zo goed en eerlijk gezegd interesseert het me niet zo bar.

Verschrikkelijke bomaanvallen op Duitsland. Mijnheer Van Daan is slecht gehumeurd, aanleiding sigarettenschaarste. Discussies over het vraagstuk van wel of niet de blikgroente op te eten is voor onze partij gunstig verlopen.

Geen schoen kan ik meer aan, behalve hoge skischoenen, die in huis erg onpractisch zijn. Een paar rieten sandalen voor ƒ 6.50 kon ik maar een week dragen, toen waren ze al buiten gevecht gesteld. Misschien diept Miep wat clandestiens op. Ik moet vaders haar nog knippen. Pim beweert, dat hij na de oorlog nooit meer een anderen kapper neemt, zo goed volbreng ik mijn werk. Als ik maar niet zo vaak zijn oor meeknipte!

Je Anne.

Donderdag, 18 Maart 1943

Lieve Kitty,

Turkije in de oorlog. Grote opwinding. Wachten met spanning de radioberichten af.

Je Anne.

Vrijdag, 19 Maart 1943

Lieve Kitty,

De teleurstelling was de vreugde al in een uur gevolgd en had de laatstgenoemde achterhaald. Turkije is nog niet in oorlog, de minister daar sprak enkel van een spoedige opheffing der neutraliteit. Op de Dam stond een krantenverkoper die schreeuwde: ‘Turkije aan de kant van Engeland!’ De kranten werden hem op die manier uit de handen gegrist. Zo heeft het verheugende bericht ook ons bereikt.

De 500- en 1000-gulden-briefjes worden ongeldig verklaard. Dat is een grote strop voor alle zwartehandelaren en dergelijke, maar nog meer voor eigenaars van ander zwart geld en ondergedokenen. Men moet, als men een duizendgulden-biljet wil inwisselen, precies verklaren en bewijzen boe men er aan is gekomen. Belastingen mogen er nog wel mee worden betaald, ook dit laatste loopt volgende week af.

Dussel heeft een trapboormachine ontvangen, ik zal dan wel gauw een ernstige nakijkbeurt krijgen.

De Führer aller Germanen heeft gesproken voor gewonde soldaten. Het was treurig om aan te horen. Vraag en antwoord gingen ongeveer zo:

‘Heinrich Scheppel is mijn naam’.

‘Waar gewond?’

‘Bij Stalingrad’.

‘Wat gewond?’

‘Twee afgevroren voeten en een gewrichtsbreuk aan de linkerarm’.

Precies zo gaf de radio dit verschrikkelijke marionettentheater aan ons door. De gewonden leken wel trots op hun verwondingen, hoe meer hoe beter. Eentje kwam van de ontroering, dat hij den Führer de hand mocht reiken (als hij die tenminste nog had), haast niet uit zijn woorden.

Je Anne.

Donderdag, 25 Maart 1943

Lieve Kitty,

Moeder, vader, Margot en ik zaten gisteren genoeglijk bij elkaar; ineens kwam Peter binnen en fluisterde vader iets in zijn oor. Ik hoorde wat van ‘een ton omvallen in het magazijn’ en ‘iemand aan de deur morrelen’. Margot had dat ook verstaan, maar probeerde mij nog een beetje te kalmeren, want ik was natuurlijk krijt-wit en zeer nerveus, toen vader dadelijk met Peter de deur uitging.

Wij drieën wachtten nu af. Nog geen twee minuten later kwam mevrouw, die beneden in het privé-kantoor naar de radio had geluisterd, naar boven. Ze vertelde dat Pim haar verzocht had de radio af te draaien en zachtjes naar boven te gaan. Maar hoe gaat het, als men heel zachtjes wil lopen, dan kraken de treden van een oude trap juist dubbel hard. Weer vijf minuten daarna kwamen Peter en Pim, wit tot aan hun neuspuntjes, en vertelden ons hun wederwaardigheden.

Ze hadden zich onder aan de trap neergezet en gewacht, eerst zonder resultaat. Maar opeens, ja hoor, daar hoorden ze twee harde bonzen, alsof hier in huis twee deuren dichtgeslagen werden. Pim was in één sprong boven, Peter waarschuwde eerst nog Dussel, die met veel omhaal en geruis eindelijk ook boven aanlandde. Nu ging het op kousenvoeten een étage hoger naar het gezin Van Daan. Mijnheer was erg verkouden en lag al in bed, dus schaarden we ons allen aan zijn sponde en fluisterden onze vermoedens.

Telkens als mijnheer hard hoestte, dachten mevrouw en ik dat we de stuipen kregen van angst. Dat ging zolang, totdat één van ons op het lumineuze idee kwam hem codeïne te geven, de hoest bedaarde toen onmiddellijk.

Weer wachtten en wachtten we, maar niets werd meer vernomen en nu veronderstelden we eigenlijk allemaal dat de dieven, doordat ze stappen in het anders zo stille huis hadden gehoord, de benen genomen hadden. Nu was het ongeluk, dat de radio beneden nog op Engeland stond en de stoelen er ook nog netjes omheen geschaard waren. Als nu de deur geforceerd zou zijn en de luchtbescherming dit zou bemerken en de politie waarschuwen, dan zouden er heel onaangename gevolgen uit het geval kunnen voortvloeien. Dus stond mijnheer Van Daan op, trok zijn jas aan, zette een hoed op en ging achter vader heel voorzichtig de trap af, gevolgd door Peter, die voor alle zekerheid met een zware hamer bewapend was. De dames boven (inclusief Margot en ik) wachtten met spanning tot vijf minuten later de heren boven verschenen en vertelden, dat alles in huis rustig was.

Er werd afgesproken, dat we geen water zouden laten lopen, noch de W.C. doortrekken. Maar daar de opwinding bijna al de huisgenoten op de maag geslagen was, kun je je voorstellen wat een lucht daar heerste, toen we allen na elkaar onze boodschap achtergelaten hadden.

Als er zo iets is, komen er altijd een heleboel dingen bij elkaar, zo ook nu. No 1 was, dat de Westertorenklok niet speelde, en dat gaf me juist altijd zo'n geruststellend gevoel.

No 2: Dat mijnheer Vossen de vorige avond eerder weggegaan was en wij dus niet zeker wisten, of Elli de sleutel nog had kunnen bemachtigen en misschien vergeten had de deur af te sluiten.

Het was nog altijd avond en wij verkeerden nog steeds in onzekerheid, hoewel we toch weer een beetje gerustgesteld waren, daar we vanaf circa acht uur, toen de dief ons huis onveilig had gemaakt, tot half elf niets meer gehoord hadden. Het leek ons bij nader inzien dan ook erg onwaarschijnlijk dat een dief zo vroeg in de avond, als er nog mensen op straat kunnen lopen, een deur opengebroken zou hebben. Bovendien rees bij één van ons de gedachte, dat het wel mogelijk zou zijn, dat de magazijnmeester van onze buren nog aan het werk was, want in de opwinding en met de dunne muren kan men zich gemakkelijk in de geluiden vergissen en ook de verbeelding speelt meestal in zulke hachelijke ogenblikken een grote rol.

We gingen dus naar bed, maar de slaap wilde niet bij allen komen. Vader, zowel als moeder als mijnheer Dussel waren veel wakker en ik kan met een beetje overdrijving zeggen, dat ik geen oog dichtgedaan heb. Vanochtend zijn de heren naar beneden gegaan en hebben aan de buitendeur getrokken of ze nog afgesloten was, maar alles bleek veilig.

De gebeurtenissen, die ons zoveel angst hadden aangejaagd, werden in geuren en kleuren aan het gehele personeel verteld. Iedereen dreef er de spot mee, maar achteraf kan men om zulke dingen gemakkelijk lachen. Alleen Elli heeft ons au sérieux genomen.

Je Anne.

Zaterdag, 27 Maart 1943

Lieve Kitty,

De steno-cursus is af, we beginnen nu snelheid te oefenen.

Wat worden we knap! Om je verder nog eens iets van mijn dagdoodvakken te vertellen (dat noem ik zo, omdat we niets anders doen dan de dagen maar zo gauw mogelijk laten verlopen, zodat het eind van de onderduiktijd gauw naderbij komt): ik ben dol op mythologie en wel het meest op de Griekse en Romeinse Goden. Hier denken ze, dat het voorbijgaande neigingen zijn, ze hebben nog nooit van een bakvis met Godenappreciaties gehoord. Welnu, dan ben ik de eerste!

Mijnheer Van Daan is verkouden, of beter: hij heeft een weinig keelgekriebel. Hij maakt er een geweldige poespas om heen. Gorgelen met kamillenthee, verhemelte penselen met myrrhe-tinctuur, dampo op de borst, neus, tanden en tong en dan nog een slechte bui.

Rauter, één of andere hoge mof, heeft een rede gehouden: ‘Alle Joden moeten vóór 1 Juli de Germaanse landen verlaten hebben. Van 1 April tot 1 Mei zal de provincie Utrecht gezuiverd worden (alsof het kakkerlakken zijn). Van 1 Mei tot 1 Juni de provincies Noord- en Zuid-Holland’. Als een kudde ziek en verwaarloosd vee worden de arme mensen naar de onzindelijke slachtplaatsen gevoerd. Maar laat ik hierover zwijgen, ik krijg alleen nachtmerries van mijn eigen gedachten.

Een prettig nieuwtje is, dat de Duitse afdeling van de arbeidsbeurs door sabotage in brand gestoken is. Een paar dagen daarna volgde de Burgerlijke Stand. Mannen in uniformen van de Duitse politie hebben de wachtposten gekneveld en zodoende belangrijke papieren foetsjie gemaakt.

 

Je Anne.

Donderdag, 1 April 1943

Lieve Kitty,

Heus geen moppenstemming (zie datum), integendeel, vandaag kan ik gerust het gezegde aanhalen: ‘Een ongeluk komt nooit alleen’.

Ten eerste heeft onze opvrolijker mijnheer Koophuis gisteren een erge maagbloeding gehad en moet op zijn minst drie weken het bed houden. Ten tweede: Elli griep. Ten derde gaat mijnheer Vossen volgende week naar het ziekenhuis. Hij heeft waarschijnlijk een maagzweer en moet daaraan geopereerd worden. En ten vierde waren belangrijke zakenbesprekingen op komst, en alle voornaamste punten had vader met mijnheer Koophuis in details besproken, mijnheer Kraler kan in de gauwigheid niet zo goed ingelicht worden.

De verwachte heren kwamen, vader bibberde al van te voren over de afloop van de bespreking. ‘Als ik er maar bij kon zijn, was ik maar beneden’, riep hij uit. ‘Ga dan met je oor op de grond liggen, de heren komen toch in het privé-kantoor, dan kun je alles horen’. Vaders gezicht klaarde op en om half elf gisterochtend namen Margot en Pim (twee oren horen meer dan één) hun stelling op de grond in. De bespreking werd 's morgens niet beëindigd, maar 's middags was vader niet in staat de luistercampagne voort te zetten. Hij was geradbraakt door de ongewone en onpractische houding. Ik nam zijn plaats in om half drie, toen we stemmen in de gang hoorden. Margot hield me gezelschap, het gesprek was ten dele zo langdradig en vervelend, dat ik plotseling op de harde, koude linoleum-grond ingeslapen was. Margot durfde me niet aan te raken uit angst, dat ze ons beneden zouden horen en roepen ging helemaal niet. Ik sliep een goed half uur, werd toen verschrikt wakker en was alles van de belangrijke bespreking vergeten. Gelukkig had Margot beter opgelet.

Je Anne

Vrijdag, 2 April 1943

Lieve Kitty,

Ach, ik heb weer iets verschrikkelijks in mijn zondenregister staan.

Gisteravond lag ik in bed en wachtte tot vader met me zou komen bidden en dan goedennacht zou zeggen, toen moeder de kamer binnenkwam, op mijn bed ging zitten en heel bescheiden vroeg: ‘Anne, Pappie komt nog niet, zullen wij niet eens samen bidden?’

‘Neen, mansa’, antwoordde ik.

Moeder stond op, bleef naast mijn bed staan, liep dan langzaam naar de deur. Eensklaps draaide ze zich om en met een verwrongen gezicht zei ze: ‘Ik wil niet boos zijn, liefde laat zich niet dwingen’. Een paar tranen gleden over haar gezicht, toen zij de deur uitging.

Ik bleef stil liggen en vond het dadelijk gemeen van mezelf dat ik haar zo ruw van me gestoten had, maar ik wist ook, dat ik niet anders antwoorden kon. Ik kan niet huichelen en tegen mijn wil in met haar bidden. Het ging eenvoudig niet.

Ik had medelijden met moeder, heel erg veel medelijden, want voor de eerste keer in mijn leven heb ik gemerkt, dat mijn koele houding haar niet onverschillig laat. Ik heb het verdriet op haar gezicht gezien, toen ze over de liefde, die zich niet dwingen laat, sprak. Het is hard de waarheid te zeggen en toch is het de waarheid, dat zij zelf mij van zich gestoten heeft, dat zij zelf mij voor elke liefde van haar kant afgestompt heeft door haar ontactvolle opmerkingen, haar ruwe scherts over dingen, die bij mij voor grappen niet toegankelijk zijn. Zoals ik elke keer in elkaar krimp als zij mij haar harde woorden toevoegt, zo kromp haar hart ineen toen zij merkte, dat de liefde tussen ons werkelijk verdwenen was.

Zij heeft de halve nacht gehuild en de hele nacht haast niet geslapen. Vader kijkt me niet aan en als hij het even doet, lees ik in zijn ogen de woorden: ‘Hoe kon je zo naar zijn, hoe durf je moeder zo'n verdriet te doen’.

Ze verwachten, dat ik excuus zal aanbieden, maar dit is een geval, waarvoor ik geen excuses kan aanbieden, omdat ik iets gezegd heb, dat waar is en dat moeder vroeger of later toch moet weten. Ik lijk en ben onverschillig tegenover moeders tranen en vaders blik geworden, omdat zij alle twee de eerste keer iets voelen van wat ik onophoudelijk merk. Ik kan alleen medelijden hebben met moeder, die zelf haar houding terug moet vinden. Ik voor mij blijf zwijgen en ben koel en zal ook verder voor de waarheid niet terugdeinzen, omdat zij, naarmate zij langer wordt uitgesteld, des te moeilijker te horen valt.

Je Anne.

Dinsdag, 27 April 1943

Lieve Kitty,

Het hele huis dendert van ruzie. Moeder en ik, de Van Daans en Papa, moeder en mevrouw, alles is kwaad op elkaar, leuke sfeer, hè? Het gebruikelijke zondenregister van Anne kwam in zijn hele omvang opnieuw op het tapijt.

Mijnheer Vossen ligt al in het Binnengasthuis, mijnheer Koophuis is weer op, de maagbloeding was gauwer gestelpt dan anders. Hij heeft verteld, dat de Burgerlijke Stand nog eens extra toegetakeld is door de brandweer, die in plaats van alleen het vuur te blussen de heleboel onder water heeft gezet. Doet me plezier!

Het Carlton Hotel is kapot, twee Engelse vliegers met een grote lading brandbommen aan boord zijn precies op het ‘Offiziersheim’ gevallen. De hele hoek Vijzelstraat-Singel is afgebrand. De luchtaanvallen op Duitse steden worden van dag tot dag sterker. We hebben geen nacht meer rust, ik heb zwarte kringen onder mijn ogen door het tekort aan slaap. Ons eten is miserabel. Ontbijt met droog brood en koffiesurrogaat. Diner: al veertien dagen lang spinazie of sla. Aardappels van 20 cm lengte smaken zoet en rot. Wie wil vermageren logere in het Achterhuis! Boven klagen ze steen en been, wij vinden het niet zo tragisch. Alle mannen, die in 1940 gevochten hebben of gemobiliseerd waren, zijn opgeroepen om in krijgsgevangenschap voor den Führer te werken. Doen ze zeker als voorzorgsmaatregel tegen de invasie!

Je Anne.

Zaterdag, 1 Mei 1943

Lieve Kitty,

Als ik zo wel eens bedenk hoe we hier leven kom ik meestal tot de conclusie dat we het hier, in verhouding tot de andere Joden, die niet ondergedoken zijn, als in een paradijs hebben. Toch zal ik later, als alles weer gewoon is, wel verwonderd zijn hoe wij, die het thuis erg netjes hadden, zo afgezakt zijn.

Afgezakt in dien zin van het woord, waar het de manieren betreft. We hebben bijvoorbeeld al sinds we hier zijn altijd op onze tafel één zeildoek, dat door het vele gebruik meestal niet tot de schoonste behoort. Wel probeer ik het vaak wat op te knappen met een vuile afwasdoek, die meer gat dan doek is. Zelfs hiermee valt op de tafel, met nog zo hard boenen, niet veel eer te behalen. De Van Daans slapen nu al de hele winter op een lap flanel, die men hier niet wassen kan, omdat de bonzeeppoeder veel te schaars en bovendien veel te slecht is. Vader loopt met een gerafelde broek en ook zijn das vertoont slijtage. Mama's korset is vandaag afgeknapt van ouderdom en is niet meer te repareren, terwijl Margot met een twee maten te kleine bustehouder loopt.

Moeder en Margot hebben de hele winter samen met drie hemdjes gedaan en de mijne zijn zo klein dat ze nog niet eens tot aan mijn buik komen.

Dit zijn nu wel allemaal dingen, waar overheen te stappen is, toch bedenk ik wel eens met schrik: ‘Hoe willen wij, die vanaf mijn onderbroek tot op de scheerkwast van vader met versleten dingen rondlopen, later weer eens tot onze vooroorlogse stand gaan behoren?’

Vannacht heb ik vier keer al mijn bezittingen op moeten pakken, zo hard paften ze. Vandaag heb ik een koffertje gepakt, waarin ik de nodigste vluchtbehoeften heb gestopt. Maar terecht zegt moeder: ‘Waar wil je naar toe vluchten?’

Heel Nederland heeft straf voor het staken in vele gebieden. Daarom is er staat van beleg afgekondigd en ieder krijgt een boterbon minder. Wat zijn de kindertjes stout!

Je Anne.

Dinsdag, 18 Mei 1943

Lieve Kitty,

Ik ben toeschouwster geweest van een hevig luchtgevecht tussen Duitse en Engelse vliegers. Een paar Geallieerden moesten jammer genoeg uit hun brandende toestellen springen. Onze melkboer, die in Halfweg woont, heeft aan de kant van de weg vier Canadezen zien zitten, waarvan er een vloeiend Hollands sprak. Deze vroeg den melkboer om vuur voor een sigaret en vertelde hem, dat de bemanning van de machine uit zes personen bestaan had. De piloot was verbrand en hun vijfde man had zich ergens verstopt. De groene politie kwam de vier kerngezonde mensen ophalen. Hoe is het mogelijk dat je na zo'n geweldige parachute-reis nog zoveel tegenwoordigheid van geest hebt.

Hoewel het tamelijk warm is, moeten wij om de dag onze kachels aanmaken om groente-afval en vuil te verbranden. In vuilnisemmers kunnen we niets gooien, omdat we altijd met de magazijnknecht rekening moeten houden. Hoe licht verraadt een kleine onvoorzichtigheid je niet!

Alle studenten, die van het jaar willen afstuderen of verder studeren, moeten op een lijst van de overheid tekenen, dat ze met de Duitsers sympathiseren en de nieuwe orde goed gezind zijn. 80 pCt heeft het vertikt zijn geweten en overtuiging te verloochenen, maar de gevolgen zijn niet uitgebleven. Alle studenten, die niet getekend hebben, moeten in een werkkamp naar Duitsland. Wat blijft er van de Nederlandse jeugd nog over, als allen in Duitsland hard moeten werken?

Wegens de harde knallen had moeder vannacht het raam gesloten; ik was in Pims bed. Eensklaps springt boven ons hoofd mevrouw uit haar bed, als door Mouschi gebeten, direct gevolgd door een harde klap. Het klonk alsof een brandbom naast mijn bed gevallen was. Ik gilde: ‘Licht, licht!’ Pim knipte de lamp aan. Ik verwachtte niet anders dan dat binnen een paar minuten de kamer in lichtelaaie zou staan. Er gebeurde niets. We haastten ons allen naar boven om te zien wat daar aan de gang was. Mijnheer en mevrouw hadden door het open raam een rose gloed gezien. Mijnheer dacht dat het hier in de buurt brandde en mevrouw dacht, dat ons huis vlam gevat had. Bij de klap die volgde stond mevrouw al op haar trillende benen. Maar er gebeurde verder niets en wij kropen weer in onze bedden.

Er was nog geen kwartier verlopen, of het schieten begon opnieuw. Mevrouw rees dadelijk overeind en liep de trap af naar mijnheer Dussels kamer, om daar de rust te vinden die haar bij haar ega niet beschoren was. Dussel ontving haar met de woorden: ‘Kom in mijn bed, mijn kind!’ Wat ons in een onbedaarlijke lach deed schieten. Het kanonvuur deerde ons niet meer, onze angst was weggevaagd.

 

Je Anne.

Zondag, 13 Juni 1943

Lieve Kitty,

Mijn verjaardagsvers van vader is te mooi dan dat ik je dit gedichtje kan onthouden. Daar Pim meest in het Duits dicht, moest Margot aan het vertalen slaan. Oordeel naar het hier aangehaalde stukje zelf, of Margot zich niet prima van haar vrijwillige taak gekweten heeft. Na de gebruikelijke korte samenvatting van de jaarsgebeurtenissen volgt:

 

‘Als jongste van allen en toch niet meer klein 

Heb je het niet makkelijk; een ieder wil zijn 

Een beetje je leraar, jou dikwijls tot pijn. 

“Wij hebben ervaring!” - “Neem het van mij aan!” 

“Wij hebben zoiets al vaker gedaan 

En weten beter wat kan en wat mag” 

Ja ja, zo gaat het sinds jaar en dag. 

De eigen gebreken zijn van geen gewicht, 

Daarom valt berispen een ieder zo licht. 

Van andren de fouten die tellen zwaar, 

't Is moeilijk voor ons, je ouderpaar 

Altijd te oordelen zeer rechtvaardig 

De ouden berispen staat eigenaardig. 

Is men tezamen met zoveel besjes, 

Dan moet men slikken al die lesjes 

Zoals je neemt een bittre pil. 

Men doet het dan om vredes wil. 

De maanden hier zijn niet verspild, 

Dat had je zelf ook niet gewild.

Met leren en lezen van veel boeken 

Kon je “verveling” met een lichtje zoeken. 

Maar nog veel moeilijker is de vraag: 

“Wat moet ik aandoen? Wat ik ook draag 

Is veel te klein. Ik heb geen broek, 

Mijn hemd is als een lendendoek 

En dan de schoenen, 't is niet te dragen 

Zoveel kwalen als me plagen”’.

Een stuk over het eetthema kon Margot niet op rijm vertaald krijgen en daarom laat ik het helemaal weg. Vind je overigens mijn vers niet mooi? Verder ben ik erg verwend en heb veel mooie dingen gekregen, onder andere een dik boek over mijn lievelingsonderwerp: de mythologie van Hellas en Rome. Ook over gebrek aan snoep kan ik niet klagen, allen hebben hun laatste voorraad aangesproken. Als Benjamin van de duikfamilie ben ik werkelijk met veel meer vereerd dan me toekomt.

Je Anne.

Dinsdag, 15 Juni 1943

Lieve Kitty,

Er is wel een massa gebeurd, maar ik denk meestal dat al mijn oninteressant geklets je erg verveelt en dat je blij bent, als je niet zoveel brieven ontvangt. Ik zal je de berichten dan ook maar in het kort weergeven.

Mijnheer Vossen is niet aan een maagzweer geopereerd. Toen ze hem op de operatietafel hadden en zijn maag open was, zagen de doktoren, dat hij kanker had, die al zover gevorderd was, dat er niets meer te opereren viel. Ze hebben de maag dus weer gesloten, hem toen drie weken in bed gehouden en goed te eten gegeven en ten slotte maar naar huis gestuurd. Ik heb ontzettend veel medelijden met hem en vind het heel erg dat we niet op straat kunnen gaan, anders zou ik hem beslist vaak bezoeken om hem af te leiden. Voor ons is het een ramp dat die goede Vossen ons niet meer van alles wat er in het magazijn gebeurt en gehoord wordt op de hoogte houdt. Hij was onze beste hulp- en steunkracht voor de voorzichtigheid, we missen hem erg.

Volgende maand zijn wij aan de beurt met de radio-inlevering. Koophuis heeft thuis een clandestien Baby-toestel, dat wij ter vervanging van onze grote Philips krijgen. Het is wel jammer dat die mooie kast ingeleverd moet worden, maar een huis waar onderduikers zitten moet zich in geen geval de overheid moedwillig op de hals halen. De kleine radio zetten we boven neer. Bij clandestiene Joden, clandestien geld en clandestien kopen kan ook nog wel een clandestiene radio.

Alle mensen proberen een oud toestel te bemachtigen om dat in plaats van hun ‘moed-houd-bron’ in te leveren. Het is heus waar, als de berichten van buiten steeds slechter worden, helpt de radio met haar wonder-stem, dat we de moed niet verliezen door elke keer weer te zeggen: ‘Kop op, houd goede moed, er komen ook weer andere tijden!’

Je Anne.

Zondag, 11 Juli 1943

Lieve Kitty,

Om voor de zoveelste keer op het opvoedingsthema terug te komen, zal ik je zeggen, dat ik me erg veel moeite geef om hulpvaardig, vriendelijk en lief te zijn en alles zo te doen, dat de aanmerkingsregen een motregentje wordt. Het is verhipt moeilijk om voor mensen, die je niet uit kunt staan zo voorbeeldig te doen, terwijl je er niets van meent. Maar ik zie werkelijk in dat ik er verder mee kom, als ik een beetje huichel, in plaats van mijn oude gewoonte te volgen, namelijk om iedereen mijn mening ronduit te zeggen (hoewel nooit iemand naar mijn mening vraagt of er waarde aan hecht.).

Vaak val ik erg uit mijn rol en kan mijn woede bij onrechtvaardigheden niet verkroppen, zodat er weer vier weken lang over het brutaalste meisje ter wereld gekletst wordt. Vind je niet dat ik soms te beklagen ben? Het is maar goed dat ik geen mopperpot ben, want dan zou ik verzuurd worden en mijn goede humeur niet kunnen bewaren.

Verder heb ik besloten om steno een beetje te laten schieten. Het heeft lang geduurd. Ten eerste om nog meer tijd aan mijn andere vakken te kunnen besteden en ten tweede om mijn ogen, want dat is een ellendige misère. Ik ben erg bijziend geworden en moest al lang een bril hebben (oei, wat zal ik er uilachtig uitzien), maar ja, je weet, onderduikers mogen ... Gisteren sprak het hele huis over niets anders dan over Anne's ogen, omdat moeder geopperd had om mevrouw Koophuis met mij naar den oogarts te sturen. Bij deze mededeling wankelde ik even op mijn benen, want dat is toch geen kleinigheid.

Op straat. Stel je voor: op straat! Het is niet om in te denken. Eerst was ik doodsbenauwd en later blij. Maar zo eenvoudig ging dat niet, niet alle instanties, die over zulk een stap te beslissen hebben, waren het er zo gauw over eens. Alle moeilijkheden en risico's moesten eerst op de weegschaal gelegd worden, alhoewel Miep direct met me op stap wilde.

Ik haalde alvast mijn grijze jas uit de kast, maar die was zo klein, dat hij wel van mijn jongste zusje leek. Ik ben werkelijk benieuwd wat er van komt, maar ik denk wel niet dat het plan doorgaat, want intussen zijn de Engelsen op Sicilie geland en vader is weer op ‘een spoedig einde’ ingesteld.

Elli geeft Margot en mij veel kantoorwerk, dat vinden we alle twee gewichtig en het helpt haar een heel stuk. Correspondentie opbergen en een verkoopboek inschrijven kan iedereen, maar wij doen het bijzonder nauwgezet.

Miep is precies een pakezeltje, die sjouwt wat af. Haast elke dag heeft ze ergens groente opgescharreld en brengt alles in grote inkooptassen op de fiets mee. Zij is het ook, die iedere Zaterdag vijf bibliotheekboeken meebrengt. Wij kijken altijd reikhalzend naar de Zaterdag uit, omdat dan de boeken komen. Net als kleine kinderen, die een cadeautje krijgen.

Gewone mensen weten ook niet, hoeveel boeken voor ons opgeslotenen betekenen. Lezen, leren en de radio zijn onze afleidingen.

Je Anne.

Dinsdag, 13 Juli 1943

Lieve Kitty,

Gistermiddag had ik met vaders verlof aan Dussel gevraagd of hij het alstublieft goed zou vinden (toch erg beleefd) dat ik twee keer in de week van het tafeltje in onze kamer ook 's middags van vier uur tot half zes gebruik zou kunnen maken. Van half drie tot vier uur zit ik daar al elke dag, terwijl Dussel slaapt en verder is de kamer plus het tafeltje verboden terrein. Binnen, in onze algemene kamer is het 's middags veel te druk, daar kan men niet werken en trouwens, vader zit 's middags toch ook wel eens graag te werken aan de schrijftafel.

De reden was dus redelijk en de vraag alleen zuivere beleefdheid. Wat denk je nu wel dat de hooggeleerde Dussel antwoordde: ‘Neen’. Botweg en alleen maar ‘Neen!’ Ik was verontwaardigd en liet me niet zomaar afschepen, vroeg hem dus de reden van zijn ‘neen’. Maar ik kwam van een koude kermis thuis. Ziedaar de lading die volgde:

‘Ik moet ook werken, als ik niet 's middags kan werken schiet er voor mij helemaal geen tijd meer over. Ik moet mijn pensum afkrijgen, anders ben ik voor niets er aan begonnen. Jij werkt toch aan niets ernstigs. Die mythologie, wat is dat nou voor werk, breien en lezen is ook geen werk. Ik ben en blijf aan dat tafeltje’. Mijn antwoord was: ‘Mijnheer Dussel, ik werk wèl ernstig; ik kan 's middags binnen niet werken, ik verzoek u vriendelijk nog eens over mijn vraag na te denken!’

Met deze woorden draaide de beledigde Anne zich om, en deed of de hooggeleerde dokter lucht was. Ik ziedde van woede, vond Dussel verschrikkelijk onbeleefd (en dat was-ie ook) en mij heel vriendelijk. 's Avonds toen ik Pim nog even te pakken kon krijgen, vertelde ik hem hoe de zaak was afgelopen en besprak met hem wat ik nu verder moest doen, want opgeven wilde ik de zaak niet en wilde ze ook liever alleen opknappen. Pim gaf me zo ongeveer weer hoe ik de zaak moest aanpakken, maar vermaande me om liever tot de volgende dag te wachten, wegens mijn opgewondenheid.

Deze laatste raad sloeg ik in de wind en wachtte Dussel na de afwas op. Pim zat naast ons in de kamer en dat gaf me een grote rust. Ik begon: ‘Mijnheer Dussel, ik geloof dat u het niet de moeite waard vond om met mij de zaak eens beter onder de ogen te zien, maar ik verzoek u dat toch wel te doen’. Met zijn liefste glimlach merkte Dussel toen op: ‘Ik ben altijd en te allen tijde bereid om over deze, intussen al afgehandelde zaak, te spreken!’

Ik vervolgde toen het gesprek, steeds onderbroken door Dussel. ‘We hebben in het begin, toen u hier kwam, afgesproken, dat deze kamer voor ons samen zou zijn, als de indeling dus juist was, zou u de morgen en ik de hele middag krijgen! Maar dat vraag ik niet eens, en me dunkt, dan zijn twee middagen in de week toch wel billijk’.

Hierbij sprong Dussel als door een naald gestoken op. ‘Over recht heb jij hier helemaal niet te spreken. En waar moet ik dan blijven? Ik zal aan mijnheer Van Daan vragen of hij op zolder een hokje voor mij bouwen wil, dan kan ik daar zitten, ik kan ook nergens eens rustig werken. Met jou heeft een mens ook altijd ruzie. Als je zuster Margot, die toch wel meer reden tot zo'n vraag heeft, met hetzelfde verzoek tot mij zou komen, zou ik er niet aan denken te weigeren, maar jij ...’

En toen volgde weer het verhaal van de mythologie en het breien, en Anne was opnieuw beledigd. Ze liet het echter niet merken en liet Dussel uitspreken: ‘Maar ja, met jou is nu eenmaal niet te praten. Je bent een schandelijke egoïst, als jij maar je zin kunt doordrijven, dan kunnen alle anderen opzij gaan, zo'n kind heb ik nog nooit gezien. Maar per slot van rekening zal ik toch wel genoodzaakt zijn je je zin te geven, want anders hoor ik later dat Anne Frank voor haar examen gezakt is, omdat mijnheer Dussel haar het tafeltje niet wilde afstaan’.

Het ging maar door en steeds maar door, op het laatst zo'n vloed, dat ik het haast niet meer bij kon houden. Het ene ogenblik dacht ik: ‘Ik geef hem direct een klap voor zijn snuit, dat hij met zijn onwaarheden tegen de muur aanvliegt’, en het volgende ogenblik zei ik tegen mijzelf: ‘Houd je kalm, die vent is niet waard, dat je je zo druk over hem maakt!’

Eindelijk was de heer Dussel dan uitgeraasd en ging met een gezicht, waarop zowel gramschap als triomf te lezen stonden, met zijn jas vol etenswaren de kamer uit. Ik rende naar vader en vertelde, voor zover hij ons gesprek niet gevolgd had, het hele relaas. Pim besloot om nog dezelfde avond met Dussel te gaan praten en zo gebeurde het. Ze praatten meer dan een half uur. Het onderwerp van het gesprek was ongeveer als volgt: ze spraken eerst daar over, of Anne nu aan het tafeltje moest zitten, ja dan neen. Vader zei dat Dussel en hij al een keer over datzelfde onderwerp gesproken hadden, maar dat hij toen zogenaamd Dussel gelijk gegeven had om den oudere niet tegenover de jongere in het ongelijk te stellen. Maar billijk had vader het toen al niet gevonden. Dussel vond, dat ik niet mocht spreken, alsof hij een indringer was en op alles beslag legde, maar dit sprak vader beslist tegen, want hij had zelf gehoord, dat ik daar met geen woord van gerept had. Het ging zo heen en weer, vader mijn egoïsme en mijn ‘pruts’-werk verdedigend, Dussel steeds na-mopperend.

Eindelijk moest Dussel dan toch toegeven en ik kreeg twee middagen in de week eens gelegenheid om ongestoord tot vijf uur te werken. Dussel keek heel sip, sprak twee dagen niet tegen me en moest van vijf tot half zes toch nog aan het tafeltje zitten ... kinderachtig natuurlijk.

Iemand die al 54 jaar oud is en nog zulke pedante en kleinzielige gewoonten heeft, is door de natuur zo gemaakt en leert die gewoonten ook nooit meer af.

Je Anne.

Vrijdag, 16 Juli 1943

Lieve Kitty,

Alweer een inbraak, maar nu een echte!

Vanochtend ging Peter, als gewoonlijk, om zeven uur naar het magazijn en zag al dadelijk, dat zowel de magazijnals de straatdeur openstonden. Hij berichtte dit aan Pim, die in het privé-kantoor de radio op Duitsland en de deur op slot deed. Samen gingen ze toen naar boven.

Het gewone commando in dergelijke gevallen, geen kraan opendraaien, dus niet wassen, stil zijn, om acht uur kant en klaar zitten, en niet naar de W.C...., werd als gewoonlijk stipt opgevolgd. We waren alle acht blij, dat we 's nachts zo goed geslapen en niets gehoord hadden. Pas om half twaalf vertelde mijnheer Koophuis dat de inbrekers met een koevoet de buitendeur ingeduwd en de magazijndeur geforceerd hadden. Er viel in het magazijn echter niet veel te stelen en daarom beproefden de dieven hun geluk maar een étage hoger.

Ze hebben twee geldkistjes, inhoudende ƒ 40. -, blanco giro- en bankboekjes en dan het ergste, de hele suikertoewijzing in bons van totaal 150 kg gestolen.

Mijnheer Koophuis denkt, dat deze inbrekers tot hetzelfde gilde behoren als degene, die zes weken geleden hier was en aan alle drie deuren geprobeerd heeft binnen te komen. Toen was het niet gelukt.

Het geval heeft weer wat deining in ons gebouw veroorzaakt, maar zonder dit schijnt het Achterhuis het niet te kunnen stellen. We waren blij, dat de schrijfmachines en de kassa veilig in onze klerenkast zaten, want die halen ze elke avond naar boven.

Je Anne.

Maandag, 19 Juli 1943

Lieve Kitty,

Zondag is Amsterdam-Noord heel zwaar gebombardeerd. De verwoesting moet ontzettend zijn. Hele straten liggen in puin en het zal nog lang duren, voordat al de mensen opgedolven zijn. Tot nu toe zijn er 200 doden en ontelbare gewonden; de ziekenhuizen zijn propvol. Je hoort van kinderen die verloren in de smeulende ruïnes naar hun dode ouders zoeken.

Rillingen krijg ik als ik nog aan het doffe, dreunende gerommel in de verte denk, dat voor ons een teken van de naderende vernieling was.

Je Anne.

Vrijdag, 23 Juli 1943.

Lieve Kitty,

Voor de aardigheid zal ik je eens vertellen wat nu de eerste wens van ons achten is, als we weer eens naar buiten mogen. Margot en mijnheer Van Daan wensen zich het meest een heet bad tot boven aan toe en willen daar wel meer dan een half uur in blijven. Mevrouw Van Daan wil het liefst dadelijk taartjes gaan eten, Dussel kent niets dan Lotje, zijn vrouw, moeder haar kopje koffie, vader gaat eerst een bezoek aan mijnheer Vossen brengen, Peter naar de stad en in de bioscoop en ik zou van de zaligheid niet weten wat te beginnen.

Ik verlang het meest naar een eigen woning, vrije beweging en eindelijk weer hulp bij het werk, dus naar school.

Elli heeft ons fruit aangeboden. Kost een kleinigheid. Druiven ƒ 5. - per kg, kruisbessen ƒ 0.70 per pond. Een perzik ƒ 0.50, 1 kg meloen ƒ 1.50. En dan zetten ze iedere avond met koeienletters in de krant: ‘Prijsopdrijving is woeker!’

Je Anne.

Maandag, 26 Juli 1943

Lieve Kitty,

Gisteren was het een erg rumoerige dag en we zijn nog steeds opgewonden. Je kunt eigenlijk vragen, welke dag er zonder opwinding voorbijgaat.

's Ochtends bij het ontbijt kregen we de eerste keer voor-alarm, maar dat kan ons niets bommen, want het betekent, dat er vliegers aan de kust zijn. Na het ontbijt ben ik een uurtje gaan liggen, want ik had erge hoofdpijn en ging toen naar beneden. Het was ongeveer twee uur. Om half drie was Margot met haar kantoorwerk klaar; ze had haar boeltje nog niet gepakt of de sirenes loeiden, dus trok ik weer met haar naar boven. Het werd tijd, want we waren nog geen vijf minuten boven, of ze begonnen hard te schieten, zodat we in de gang gingen staan. En ja hoor, daar dreunde het huis en vielen de bommen.

Ik klemde mijn vluchttas tegen me aan, meer om wat te hebben om vast te houden dan om te vluchten, want we kunnen toch niet weg. Wanneer we in het uiterste geval zouden vluchten, betekent de straat evenveel levensgevaar als een bombardement. Na een half uur werd het vliegen minder, maar de bedrijvigheid in huis nam toe. Peter kwam van zijn uitkijkpost op de voorzolder, Dussel was in het voorkantoor, mevrouw voelde zich in het privé-kantoor veilig, mijnheer Van Daan had vanaf de vliering toegekeken en wij in het portaaltje verspreidden ons ook en ik klom de trap op, om de rookzuilen boven het IJ te zien opstijgen waarvan mijnheer Van Daan verteld had. Weldra rook het overal naar brand en het leek buiten of er dikke mist hing.

Hoewel zo'n grote brand geen leuk gezicht is, was het voor ons gelukkig weer achter de rug en we begaven ons aan onze respectievelijke bezigheden. 's Avonds bij het eten: luchtalarm. We hadden lekker eten, maar de trek verdween bij mij al bij het geluid alleen. Er gebeurde echter niets en drie kwartier later was alles veilig. De afwas stond aan de kant: luchtalarm, schieten, vreselijk veel vliegers. ‘Oh jeminee, twee keer op een dag, dat is erg veel’, dachten we allen, maar dat hielp niets, weer regende het bommen, dit keer aan de andere kant, naar de Engelsen zeggen op Schiphol. De vliegers doken, stegen, het suisde in de lucht en het was erg griezelig. Elk ogenblik dacht ik: ‘Nu valt hij, daar ga je’.

Ik kan je wel verzekeren dat, toen ik om negen uur naar bed ging, ik mijn benen nog niet recht kon houden. Klokslag twaalf werd ik wakker: vliegers. Dussel was zich aan het uitkleden, ik stoorde me er niet aan, sprong toch bij het eerste schot klaarwakker uit bed. Twee uur weer bij vader en ze vlogen steeds en steeds nog. Toen werd er geen schot meer gelost en ik kon naar bed gaan. Om half drie sliep ik in.

Zeven uur. Met een schok zat ik overeind in bed. Van Daan was bij vader. Inbrekers, was mijn eerste gedachte. ‘Alles’, hoorde ik Van Daan zeggen, ik dacht dat alles gestolen was. Maar neen, nu was het een heerlijk bericht, zo fijn als we in maanden, misschien in al de oorlogsjaren niet gehoord hadden. ‘Mussolini is afgetreden, de Keizerkoning van Italië heeft de regering overgenomen’. We juichten. Na al dat vreselijke van gisteren, eindelijk weer wat goeds en ... hoop. Hoop op het einde, hoop op de vrede.

Kraler is even langs gekomen en vertelde dat Fokker zwaar geteisterd is. Intussen hadden we vannacht weer luchtalarm met overvliegers en nog een voor-alarm. Ik stik zowat in de alarms, ben niet uitgeslapen en heb geen zin in werk. Maar nu houdt toch de spanning over Italië ons wakker en de hoop op het einde, misschien nog dit jaar ...

Je Anne.

Donderdag, 29 Juli 1943

Lieve Kitty,

Mevrouw Van Daan, Dussel en ik waren met de afwas bezig en wat haast nooit voorkomt en hun zeker op zou vallen was, dat ik buitengewoon stil was.

Om vragen te voorkomen zocht ik dus gauw een tamelijk neutraal onderwerp en dacht dat het boek Henri van den Overkant aan die eis wel zou voldoen. Maar ik had me misrekend. Krijg ik mevrouw niet op mijn dak, dan is het mijnheer Dussel. Het kwam hierop neer: mijnheer Dussel had ons dit boek bijzonder aanbevolen, als een uitstekend exemplaar. Margot en ik vonden het evenwel allesbehalve uitstekend. Het jongetje was wel goed getekend, maar de rest ... laat ik daarover liever zwijgen. Iets dergelijks bracht ik bij de afwas op het tapijt en dat bezorgde me een enorme lading.

‘Hoe kan jij de psyche van een man begrijpen! Van een kind is dat niet zo moeilijk (!). Je bent veel te jong voor een dergelijk boek, een man van twintig jaar zou dit niet eens kunnen bevatten’. (Waarom heeft hij speciaal Margot en mij dit boek zo aanbevolen?)

Nu vervolgden Dussel en mevrouw Van Daan tezamen:

‘Je weet veel te veel van dingen af, die niet voor je geschikt zijn, je bent totaal verkeerd opgevoed. Later, als je ouder bent, heb je nergens meer plezier in, dan zeg je: “Dat heb ik twintig jaar geleden al in boeken gelezen”. Je moet je maar haasten, wil je nog een man krijgen of verliefd worden, jou valt zeker alles tegen. Je bent in de theorie al helemaal volleerd, alleen de practijk, die mis je nog!’

Het is zeker hun opvatting van een goede opvoeding om me altijd zo tegen mijn ouders op te stoken, want dat is het wat ze vaak doen. En om een meisje van mijn leeftijd niets over ‘volwassen’ onderwerpen te vertellen, is al een even uitstekende methode. De resultaten van een dergelijke opvoeding treden vaak maar al te duidelijk aan het licht.

Ik kon die twee, die me daar belachelijk stonden te maken, in hun gezicht slaan op dat ogenblik. Ik was buiten mezelf van woede en zou werkelijk de dagen gaan tellen, dat ik van ‘die’ mensen af ben. Die mevrouw Van Daan is me ook een exemplaar! Daar moet men zijn voorbeelden vandaan halen, wel de voorbeelden ... maar dan de slechte.

Ze staat bekend als erg onbescheiden, egoïstisch, sluw, berekenend en met niets tevreden. IJdelheid en coquetterie komen er ook nog bij. Ze is, daar valt niet aan te tornen, een uitgesproken naar persoontje. Over madame zou ik boekdelen kunnen vullen en wie weet, kom ik daar nog eens toe. Een mooi vernisje aan de buitenkant kan iedereen zich opleggen. Mevrouw is vriendelijk voor vreemden en vooral voor mannen en daardoor vergist men zich, als men haar pas kent.

Moeder vindt haar te dom om een woord aan te verliezen, Margot te onbelangrijk, Pim te lelijk (letterlijk en figuurlijk) en ik ben na een lange reis, want ik ben nooit van begin af aan vooringenomen, tot de slotsom gekomen, dat ze alle drie en nog veel meer is. Ze heeft zoveel slechte hoedanigheden, waarom zou ik dan met één er van beginnen?

Je Anne.

 

P.S. Wil de lezer even onder de ogen zien, dat toen dit verhaal geschreven werd, de schrijfster nog niet van haar woede bekoeld was!

Woensdag, 4 Augustus 1943

Lieve Kitty,

Je weet nu, nadat we ruim een jaar Achterhuizers zijn, wel wat van ons leven af, maar volledig kan ik je toch niet inlichten. Het is alles zo uitgebreid, anders dan in gewone tijden en bij gewone mensen. Om je toch een beetje een nadere blik in ons leven te gunnen zal ik in het vervolg af en toe een stuk van een gewone dag beschrijven. Vandaag begin ik met de avond en de nacht:

's Avonds negen uur begint in het Achterhuis de drukte van het naar bed gaan en dat is werkelijk altijd een hele drukte.

Stoelen worden verschoven, bedden omvergehaald, dekens opgevouwen; niets blijft waar het overdag wezen moet. Ik slaap op de kleine divan, die nog geen 1.50 m lang is. Hier moeten dus stoelen als verlengstuk dienen. Een plumeau, lakens, kussens, dekens, alles wordt uit Dussels bed gehaald, waar het overdag verblijf houdt.

Binnen hoort men een vreselijk gekraak; het bed à la harmonica van Margot. Weer divandekens en kussens, alles om de houten latjes een beetje comfortabeler te maken.

Boven lijkt het of het onweert, het is alleen maar het bed van mevrouw. Dit wordt namelijk bij het raam geschoven om hare Hoogheid, met het rose bedjasje, iets prikkelends in de kleine neusgaatjes te geven.

Negen uur: Na Peter treed ik de waskamer binnen, waar dan een grondige wasbehandeling volgt, en het gebeurt soms (alleen in de hete maanden of weken), dat er een kleine vlo mee in het waswater drijft. Dan tanden poetsen, haren krullen, nagels behandelen, waterstofwatjes hanteren (dient om zwarte snorharen te bleken) en dit alles in een klein half uur.

Half tien. Gauw badjas aan, zeep in de ene, po, haarspelden, broek, kruipennen en watten in de andere hand snel ik de badkamer uit, meestal nog eens teruggeroepen voor de verschillende haren, die in sierlijke, maar voor de volgende wasser niet al te aangename bogen de wastafel ontsieren.

Tien uur: Verduistering voor, goede nacht. In huis wel een kwartier lang een gekraak van bedden en een zuchten van kapotte veren, dan is alles stil, als tenminste de bovenburen geen bedruzie hebben.

Half twaalf: De badkamerdeur kraakt. Een dunne streep licht valt in de kamer. Gekraak van schoenen, een grote jas, nog groter dan de man er onder ... Dussel komt van zijn nachtwerk in het kantoor van Kraler terug. Tien minuten lang schuifelen over de grond, ritselen van papier (dat zijn de op te bergen etenswaren) en een bed wordt opgemaakt. Dan verdwijnt de gestalte weer en men hoort alleen van tijd tot tijd van de W.C. een verdacht geluid komen.

Drie uur: Ik moet opstaan voor een kleine boodschap in het metalen blikje onder mijn bed, waar voorzichtigheidshalve een gummi-matje onder gelegd is, voor het eventuele lekken. Als dit moet geschieden, houd ik altijd mijn adem in, want het klatert in het busje als een beekje van een berg. Dan gaat het blikje weer op zijn plaats en een gestalte in een witte nachtjapon, die iedere avond weer aan Margot de uitroep ontlokt: ‘O, die onzedelijke nachtjapon!’ stapt in bed.

Een klein kwartiertje ligt dan een zeker iemand te luisteren naar de nachtelijke geluiden. Allereerst of er misschien een dief beneden zou kunnen zijn, dan naar de diverse bedden, boven naast en in de kamer, waaruit men meestal kan opmaken hoe de verschillende huisgenoten slapen of half-wakker de nacht doorbrengen.

Dit laatste is zeker niet prettig, vooral als het een lid van de familie met name Dussel betreft. Eerst hoor ik een geluidje alsof een vis naar lucht hapt, dit herhaalt zich een stuk of tien keer, dan worden met veel omhaal de lippen bevochtigd, afgewisseld door kleine smakgeluidjes, gevolgd door een langdurig heen en weer draaien in bed en verschikken van kussens. Vijf minuten volkomen rust en dan herhaalt zich deze afwikkeling van gebeurtenissen nog wel drie keer, waarna de dr zich zeker weer voor een poosje in slaap gesust heeft.

Het kan ook gebeuren, dat er 's nachts variërend tussen een en vier uur geschoten wordt. Dit besef ik nooit helemaal vóór ik uit gewoonte naast mijn bed sta. Soms ben ik ook zo aan het dromen, dat ik denk aan Franse onregelmatige werkwoorden of een bovenruzietje. Als dit dan afgelopen is, merk ik pas dat er geschoten is en ik stil in de kamer gebleven ben. Maar meestal gebeurt, zoals boven gezegd. Vlug wordt een kussen plus zakdoek in de hand gestopt, badjas aan, pantoffels en dan op een holletje naar vader, net zoals Margot in een verjaardagsgedicht schreef:

 

‘'s Nachts bij het allereerst geschiet, 

Daar kraakt een deur en ziet ... 

Een zakdoek, een kussen en een kleine meid ...’

Eenmaal bij het grote bed aangeland, is de ergste schrik al heen, behalve als het schieten erg hard mocht zijn.

Kwart voor zeven: Trrrr ... het wekkertje, dat op elk uur van de dag (als men er naar vraagt of soms ook zonder dat) zijn stemmetje kan verheffen. Knak ... pang ... Mevrouw heeft het afgezet. Kraak ... mijnheer is opgestaan. Water opzetten en dan fluks naar de badkamer.

Kwart over zeven: De deur kraakt weer. Dussel kan naar de badkamer gaan. Eenmaal alleen wordt ontduisterd ... en de nieuwe dag in het Achterhuis is begonnen.

Je Anne.

Donderdag, 5 Augustus 1943

Lieve Kitty,

Vandaag nemen we het schaftuurtje maar eens.

Het is half een: De hele rataplan ademt op. Nu zijn de magazijnknechten naar huis. Boven hoort men het stompen van de stofzuiger over mevrouw haar mooie en enige kleed. Margot neemt een paar boeken onder haar arm en gaat naar het Nederlandse onderwijs ‘voor kinderen die niet verder komen’, want daarop lijkt Dussel wel. Pim gaat met zijn onafscheidelijke Dickens in een hoekje zitten, om toch maar ergens rust te vinden. Moeder spoedt zich een étage hoger om de nijv're huisvrouw te helpen en ik ga naar de badkamer om die een beetje op te knappen, tegelijk met mijzelf.

Kwart voor een: Het emmertje druppelt vol. Eerst mijnheer Van Santen, dan Koophuis of Kraler, Elli en soms ook even Miep.

Een uur: Gespannen zit alles te luisteren naar de B.B.C. Geschaard om het baby-radiotje zitten ze en dit zijn de enige minuten, waar de leden van het Achterhuis elkaar niet in de rede vallen, want hier spreekt iemand dien zelfs mijnheer Van Daan niet tegenspreken kan.

Kwart over een: De grote uitdeling. Ieder van beneden krijgt een kopje soep en als er eens een toetje mocht zijn, ook iets hiervan. Tevreden gaat mijnheer Van Santen op de divan zitten of tegen de schrijftafel leunen. De krant, het kopje en meestal de poes naast zich. Als één van deze drie mankeert zal hij niet nalaten te protesteren. Koophuis vertelt de laatste nieuwtjes uit de stad, hij is daarvoor inderdaad een uitstekende bron. Kraler komt holderdebolder de trap op, een korte en stevige tik op de deur en hij komt handenwrijvend binnen en, al naar gelang de stemming, goed gemutst en druk of slecht gehumeurd en stil.

Kwart voor twee: De eters verheffen zich en ieder gaat weer naar zijn eigen bezigheden. Margot en moeder de afwas, mijnheer en mevrouw op hun divan. Peter op zolder, vader op de divan beneden, Dussel op de zijne en Anne aan het werk. Nu volgt het rustigste uurtje, als allen slapen wordt niemand gestoord. Dussel droomt van lekker eten, daar ziet zijn gezicht echt naar uit en ik kijk niet lang, want de tijd snelt en om vier uur staat de pedante dr al met de klok in de hand, omdat ik een minuut over tijd het tafeltje voor hem afruim.

Je Anne.

Maandag, 9 Augustus 1943

Lieve Kitty,

Dit keer vervolg van de Achterhuis-dagindeling. Na het schaftuurtje is de middagtafel aan de beurt:

Mijnheer Van Daan opent de rij. Hij wordt het eerst bediend, neemt behoorlijk van alles, als het hem smaakt. Praat meestal mee, geeft altijd zijn opinie ten beste en als dat eenmaal het geval is, valt er niet meer aan te tornen. Want als iemand dàt durft, dan is hij lang niet mis. Och ... hij kan als een kat tegen je blazen ... ik heb het liever niet, hoor ... als je het éénmaal meegemaakt hebt, geen tweede keer.

Hij heeft de beste mening, hij weet het meest van alles af. Nu goed, hij heeft een knappe kop, maar ‘zelfingenomenheid’ heeft bij dat heer een hoge graad bereikt.

Madame: Eigenlijk kan ik beter zwijgen. Op sommige dagen, vooral als er een slechte bui op til is, is er in haar gezicht niet te kijken. Op de keper beschouwd, is zij de schuldige van al de discussies. Niet het onderwerp! Oh neen, daarvan houdt ieder zich liever afzijdig, maar men zou haar misschien de aanstichtster kunnen noemen. Stoken, dat is een leuk werk. Stoken tegen mevrouw Frank en Anne. Tegen Margot en vader gaat dat niet zo gemakkelijk.

Maar nu aan tafel. Mevrouw komt niet te kort, al denkt ze dat wel eens. De kleinste aardappels, het lekkerste hapje, het beste van alles; zoeken is madame's parool. De anderen krijgen wel hun beurt, als ik maar eerst het beste heb.

Dan praten. Of er iemand luistert, of het iemand interesseert of niet, dat komt er schijnbaar niet op aan, zij denkt zeker: ‘wat mevrouw Van Daan zegt, interesseert iedereen ...’

Coquet glimlachen, doen alsof men van alles wat afweet, ieder een beetje raad geven en bemoederen, dat moet toch een goede indruk wekken. Maar kijk je langer, dan is het goede er al lang van af.

Vlijtig één, vrolijk twee, coquet drie en soms een leuk snuitje. - Dit is Petronella van Daan.

De 3de tafelgenoot: Men hoort er niet veel van. De jongeheer Van Daan is meest stil en laat niet veel van zich merken. Wat eetlust betreft: een Danaïdenvat, het wordt nooit vol en bij de allerstevigste maaltijd beweert hij met een doodkalm gezicht dat hij nog wel het dubbele zou kunnen eten.

No 4 Margot: Eet als een muisje, praat helemaal niet. Het enige dat er ingaat is groente of fruit. ‘Verwend’ is Van Daans oordeel, ‘te weinig lucht en sport’ onze opinie.

Daarnaast mama: Stevige eetlust, drukke praatster. Niemand heeft als bij mevrouw Van Daan het idee: dat is de huisvrouw. Waar het verschil zit? Wel, mevrouw kookt en moeder wast af en poetst.

No 6 en 7: Over vader en mij zal ik maar niet veel zeggen. De eerste is de bescheidenste van heel de tafel. Hij kijkt eerst of de anderen ook hebben. Niets heeft hij nodig, de beste dingen zijn voor de kinderen. Daar zit het voorbeeld van het goede, er naast de zenuwpil van huize Achter.

Dr Dussel: Neemt, kijkt niet, eet, praat niet. En als men praten moet, dan in 's hemelsnaam maar over eten; daar komt geen ruzie van, alleen opsnijderij. Enorme porties gaan er in en ‘neen’ wordt nooit gezegd, niet bij het goede en ook niet vaak bij het slechte. - De broek zit aan de borst, het rode jasje, zwarte pantoffels en een hoornen bril. Zo kan men hem zien aan het tafeltje, eeuwig werkende, alleen afgewisseld door het middagdutje, eten en ... het liefste plekje ... de W.C. Drie, vier, vijf keer per dag staat ongeduldig iemand voor de W.C.-deur en knijpt, hipt van het ene op het andere been en is haast niet te houden. Stoort hij er zich aan? Niks hoor, van kwart over zeven tot half acht, van half een tot één uur, van twee uur tot kwart over twee, van vier uur tot kwart over vier, van zes uur tot kwart over zes en van half twaalf tot twaalf uur. Men kan het noteren, dit zijn de vaste ‘zittingstijden’. Er wordt niet van afgeweken en hij stoort zich niet aan de smekende stem buiten de deur, die waarschuwt voor een snel naderend onheil.

No 9: Is geen Achterhuis-familielid, maar wel een huis- en tafelgenote. Elli heeft een gezonde eetlust. Laat niets staan, is niet kieskeurig. Met alles kan men haar plezieren en dat juist doet ons plezier. Vrolijk en goed gehumeurd, gewillig en goedig, dat zijn haar kenmerken.

Je Anne.

Dinsdag, 10 Augustus 1943

Lieve Kitty,

Nieuw idee: ik praat aan tafel meer met mezelf dan met de anderen, dat is in twee opzichten gunstig. Ten eerste zijn ze allemaal blij, als ik niet aan één stuk doorbabbel en ten tweede hoef ik me niet aan een andermans oordeel te ergeren. Mijn mening vind ik zelf niet stom en anderen wel; dus kan ik hem beter voor mezelf houden. Net zo doe ik, als ik iets moet eten, wat ik helemaal niet kan uitstaan. Ik neem het bord voor me, verbeeld me dat het iets heel lekkers is, kijk er zo weinig mogelijk naar en voordat ik het weet is het op. 's Ochtends bij het opstaan, ook zo iets dat zeer onaangenaam is, spring ik uit bed, denk bij mezelf ‘je gaat er dadelijk weer lekker in’, loop naar het raam, ontduister, snuffel zo lang aan de kier tot ik een beetje lucht voel en ben wakker.

Het bed wordt zo gauw mogelijk uitgelegd, dan is er geen verleiding meer. Weet je hoe moeder zoiets noemt? ‘Een levenskunstenaar!’ Vind je dat geen grappig woord?

We zijn sinds een week allemaal een beetje met de tijd in de war, daar onze lieve en dierbare Westertorenklok blijkbaar weggehaald is voor oorlogsdoeleinden, en wij dag noch nacht precies weten hoe laat het is. Ik heb nog wel wat hoop, dat ze iets zullen uitvinden, dat de buurt een beetje aan de klok herinnert, bijvoorbeeld een tinnen, koperen of weet ik wat voor een ding.

Of ik boven, beneden of waar ook ben, iedereen kijkt me bewonderend op mijn voeten, waaraan een paar zeldzaam mooie schoenen (voor deze tijd) prijken. Miep heeft ze tweedehands op de kop getikt voor ƒ 27.50: wijnrood peau de suède met leer en een tamelijk hoge blokhak. Ik loop als op stelten en zie er nog veel groter uit dan ik al ben.

Dussel heeft ons indirect in levensgevaar gebracht. Hij liet warempel door Miep een verboden boek meebrengen, een scheldexemplaar op Mussolini en Hitler. Onderweg werd ze toevallig door een S.S.-motor aangereden. Ze verloor haar zelfbeheersing, schreeuwde ‘ellendelingen’ en reed door. Laat ik er niet aan denken wat er gebeurd zou zijn, als ze mee naar het bureau had moeten gaan.

Je Anne.

Woensdag, 18 Augustus 1943

Lieve Kitty,

Boven dit stukje de titel: De taak van de dag in de gemeenschap: aardappelschillen!

De één haalt de kranten, de tweede de mesjes (houdt natuurlijk het beste voor zichzelf), de derde de aardappels, de vierde de pan met water.

Mijnheer Dussel begint, krabt niet altijd goed, maar krabt zonder ophouden, kijkt even links en rechts: doet iedereen het wel op dezelfde manier als hij? Neen: ‘Anne, kijk maal, ik neem het mesje zo in mijn hand, krab van boven toe onder! Nein, zo niet ... maar zo!’

‘Ik vind het anders zó gemakkelijker, mijnheer Dussel’, merk ik schuchter op.

‘Maar dit is toch de beste manier. Du kannst dies toch van mij aannemen. Het kan mij natuurlijk niets schelen, aber Du musst het zelf weten’.

We krabben weer verder. Ik kijk tersluiks eens naar mijn buurman. Die schudt in gedachten nog eens zijn hoofd (zeker over mij), maar zwijgt.

Ik krab weer door. Kijk dan weer even naar de andere kant nu, waar vader zit; voor vader is aardappels krabben geen karwei, maar een precies werkje. Als hij leest heeft-ie een diepe rimpel in zijn achterhoofd, maar als hij aardappels, bonen of andere groente helpt klaarmaken, dan schijnt het of niets tot hem doordringt. Dan heeft hij zijn aardappelgezicht en nooit zal-ie een minder goed gekrabde aardappel afleveren; dat bestaat eenvoudig niet als hij zo'n gezicht trekt.

Ik werk weer door en dan kijk ik weer heel even op; nu weet ik al genoeg. Mevrouw probeert of ze Dussels aandacht niet kan trekken. Eerst kijkt ze even naar hem en Dussel doet of hij niets merkt. Dan knipoogt ze; Dussel werkt door. Dan lacht ze; Dussel kijkt niet op. Dan lacht moeder ook; Dussel trekt er zich niets van aan. Mevrouw heeft niets bereikt, nu moet ze wel weer wat anders verzinnen. Even stilte, dan: ‘Putti, doe toch een schort voor! Morgen moet ik weer de vlekken uit je pak halen!’

‘Ik maak me niet vuil!’

Weer even stilte.

‘Putti, waarom ga je niet zitten?’

‘Ik sta goed zo, ik sta liever!’ Pauze.

‘Putti, kijk Du spatst schon!’

‘Ja, mammi, ik pas wel op’. Mevrouw zoekt een ander onderwerp.

‘Zeg, Putti, waarom bombarderen de Engelsen nu niet?’

‘Omdat het weer te slecht is, Kerli’.

‘Maar gisteren was het weer toch mooi en hebben ze ook niet gevlogen’.

‘Laten we daar niet over praten’.

‘Waarom, daar kan men toch wel over praten of zijn mening over zeggen?’

‘Neen’.

‘Waarom nu niet?’

‘Wees nu stil, mammi'chen’.

‘Mijnheer Frank geeft zijn vrouw toch ook altijd antwoord?’

Mijnheer worstelt, dit is zijn tere plek, daar kan hij niet tegen, en mevrouw begint altijd weer:

‘De invasie komt toch nooit!’ Mijnheer wordt wit, als mevrouw dat merkt wordt ze rood, maar ze gaat toch weer verder:

‘De Engelsen presteren niets!’ De bom barst.

‘En nu houd je je mond, donnerwetter-noch-einmal!’

Moeder kan haar lachen haast niet verbijten, ik kijk strak voor me.

Zoiets herhaalt zich haast elke dag, als ze tenminste niet pas een erge ruzie gehad hebben, want dan houden zowel mijnheer als mevrouw hun mond.

Ik moet naar de zolder nog wat aardappels halen. Daar is Peter bezig de kat-te ontvlooien. Hij kijkt op, de kat merkt het, hup ... weg is ie door het open raam, de goot in. Peter vloekt, ik lach en verdwijn.

Je Anne.

Vrijdag, 20 Augustus 1943

Lieve Kitty,

Precies half zes gaan de mannen uit het magazijn naar huis en dan hebben wij de vrijheid.

Half 6: Elli komt ons de avond-vrijheid schenken. Er komt dadelijk schot in het bedrijf. Ik ga eerst met Elli nog even naar boven, waar zij meestal ons avondtoetje vooruit krijgt.

Elli zit nog niet, of mevrouw begint al haar wensen op te sommen, het klinkt dan al gauw: ‘Ach, Elli, ik heb een wens ...’

Elli knipoogt tegen mij, mevrouw zal geen keer overslaan om wie maar boven komt haar wensen kenbaar te maken. Dat is zeker één van de redenen, waarom ze geen van allen graag naar boven gaan.

Kwart voor 6: Elli vertrekt. Ik ga twee verdiepingen lager kijken. Eerst naar de keuken, dan naar het privé-kantoor, vervolgens naar het kolenhok om voor Mouschi het muizendeurtje open te maken. Na een lange inspectietocht raak ik dan in Kralers appartement verzeild. Van Daan kijkt in alle laden en mappen, om de post van de dag te zoeken. Peter haalt de magazijnsleutel en Moffi; Pim sleept schrijfmachines naar boven; Margot zoekt een rustig plekje om haar kantoorwerk te maken; mevrouw zet een ketel water op het gasstel; moeder komt met een pan aardappels de trap af; ieder weet zijn eigen werk.

Al gauw komt Peter uit het magazijn weerom. De eerste vraag geldt het brood. Dit wordt door de dames altijd in de keukenkast gelegd, maar daar is het niet. Dus vergeten? Peter wil in het voorkantoor zoeken. Hij maakt zich voor de deur van dit kantoor zo klein mogelijk en kruipt op handen en voeten, om niet van buitenaf gezien te worden, naar de stalen kast, pakt het brood, dat daar opgeborgen lag en verdwijnt, tenminste, hij wil verdwijnen, maar voor ie goed beseft wat er gebeurd is, is Mouschi over hem heengesprongen en helemaal onder de schrijftafel gaan zitten.

Peter zoekt naar alle kanten, ha, daar ziet-ie de kat, weer kruipt hij het kantoor binnen en trekt het dier aan de staart. Mouschi blaast, Peter zucht. Wat heeft hij bereikt? Mouschi zit nu helemaal bij het raam en likt zich, heel tevreden aan Peter ontsnapt te zijn. Nu houdt Peter als laatste lokmiddel de kat een stukje brood voor en jawel, Mouschi laat zich verleiden en de deur sluit zich.

Ik heb het allemaal staan aankijken, door de reet van de deur. We werken door. Tik, tik, tik. ... Drie keer geklopt, etenstijd!

Je Anne.

Maandag, 23 Augustus 1943

Lieve Kitty,

Vervolg van de Achterhuis-dagindeling: als 's morgens de klok half negen slaat!

Margot en moeder zijn zenuwachtig: ‘Sst ... vader, stil Otto, sst ... Pim! Het is half negen; kom nu hier, je kunt niet meer het water laten lopen; loop zachtjes!’ Dit zijn de diverse uitroepen voor vader in de badkamer. Klokslag half negen moet hij in de kamer zijn. Geen druppel water, geen W.C., niet lopen, alles stil. Als er nog niemand van het kantoorpersoneel aanwezig is, is alles voor het magazijn nog gehoriger.

Boven wordt om tien voor half negen de deur geopend en kort daarop drie tikjes op de grond: de pap voor Anne. Ik klauter de trap op en het honde-schoteltje wordt afgehaald.

Beneden in mijn kamer gekomen, gaat alles gauw, gauw: haar doen, klaterbus weg, bed op zijn plaats. Stil, de klok slaat! Mevrouw boven verwisselt van schoenen en sloft op badsloffen door de kamer, mijnheer ook op sloffen; alles in rust.

Nu is het ideale familie-tafereel wel op zijn hoogtepunt. Ik wil lezen of leren, Margot ook, evenals vader en moeder. Vader zit (natuurlijk met Dickens en het woordenboek) op de rand van het uitgezakte piep-bed, waar niet eens behoorlijke matrassen in liggen: twee peluwen boven op elkaar doen ook dienst. ‘Moet ik niet hebben, gaat ook zonder!’

Eenmaal aan het lezen kijkt hij niet op of om, lacht af en toe, doet vreselijke moeite moeder een verhaaltje op te dringen. Antwoord: ‘Ik heb nu geen tijd’. Even kijkt-ie teleurgesteld, dan leest-ie weer door; even later, als er weer iets typisch leuks komt, probeert hij het weer: ‘Dit moet je lezen, moeder!’

Moeder zit op het opklapbed, leest, naait, breit of leert, net wat er aan de beurt is. Opeens valt haar iets in. Gauw even zeggen: ‘Anne, weet je wel ... Margot, schrijf even op ...!’

Na een poosje is de rust weer teruggekeerd. Met een klap slaat Margot haar boek dicht, vader knijpt zijn wenkbrauwen in een grappig boogje, zijn leesrimpeltje plooit zich opnieuw en hij is weer verdiept; moeder begint met Margot te kwebbelen, ik word nieuwsgierig, luister ook! Pim wordt in de zaak betrokken ... Negen uur! Ontbijt!

Je Anne.

Vrijdag, 10 September 1943

Lieve Kitty,

Elke keer als ik aan je schrijf is er weer iets bijzonders gebeurd, maar meestal zijn het meer onaangename dan aangename dingen. Nu echter is er iets fijns aan de gang. Woensdagavond 8 September j.l. zaten we aan de radio van zeven uur en het eerste wat we hoorden was: ‘Here follows the best news of the whole war. Italy had capitulated!’ Italië onvoorwaardelijk gecapituleerd! Om kwart over acht begon de Oranjezender: ‘Luisteraars, een uur geleden, toen ik juist klaar was met de kroniek van de dag, kwam het heerlijke bericht van de capitulatie van Italië binnen. Ik kan zeggen, dat ik nog nooit met zoveel genoegen mijn papier in de prullemand gedeponeerd heb als vandaag!’ God save the King, het Amerikaanse volkslied en de Internationale werden gespeeld. Als steeds was de Oranjezender hartverheffend en toch niet te optimistisch.

Toch hebben we ook narigheid, het gaat om mijnheer Koophuis. Je weet, we houden allemaal erg veel van hem en hoewel hij altijd ziek is, veel pijn heeft en niet veel eten en lopen mag, is hij altijd opgewekt en bewonderenswaardig moedig. ‘Als mijnheer Koophuis binnenkomt, gaat de zon op’, zei moeder pas geleden en daarmee heeft ze groot gelijk.

Nu moest hij voor een zeer onaangename darmoperatie naar het ziekenhuis en zal daar minstens vier weken moeten blijven. Je had eens moeten zien hoe hij afscheid van ons genomen heeft, alsof hij een boodschap ging doen, zo gewoon.

Je Anne.

Donderdag, 16 September 1943

Lieve Kitty,

De onderlinge verhouding hier wordt hoe langer hoe slechter. Aan tafel durft niemand zijn mond open te doen (behalve om er een hap in te laten glijden), want wat je zegt wordt òf kwalijk genomen òf verkeerd opgevat. Ik slik elke dag Valeriaantjes tegen angst en depressie, maar dat verhoedt toch niet dat mijn stemming de volgende dag nog miserabeler is. Eens goed en hard lachen zou beter helpen dan tien Valeriaantjes, maar lachen zijn wij haast verleerd. Soms ben ik bang, dat ik van de ernstigheid een uitgestreken gezicht en neerhangende mond zal krijgen. Met de anderen is het niet beter, allen kijken met bange voorgevoelens tegen het grote rotsblok, dat winter heet, op.

Nog een feit, dat ons niet opkikkert, is dat de magazijnman v.M. achterdochtig wordt aangaande het Achterhuis. Het zou ons niets kunnen schelen wat v.M. van de toestand denkt, als de man niet een hoge mate van nieuwsgierigheid bezat en zich niet met een kluitje in het riet laat sturen en bovendien niet betrouwbaar is.

Op een dag wou Kraler eens extra voorzichtig zijn, deed tien minuten voor één zijn jas aan en ging naar de drogisterij om de hoek. Nog geen vijf minuten later was hij weer terug, sloop als een dief de steile trap op, die direct naar boven leidt en kwam bij ons. Om kwart over één wilde hij weer weggaan, maar kwam Elli tegen die hem waarschuwde dat v.M. op kantoor zat. Kraler maakte rechtsomkeert en zat tot half twee bij ons. Dan nam hij zijn schoenen in zijn hand en liep op kousenvoeten naar de deur van de voorzolder, ging dan voetje voor voetje de trap af en na een heel kwartier op de trap gebalanceerd te hebben om het kraken te voorkomen, belandde hij vanaf de straatzijde op kantoor.

Elli intussen, even van v.M. bevrijd, kwam mijnheer Kraler bij ons afhalen, maar deze was al lang weg, die zat nog op kousenvoeten op de trap. Wat zullen de mensen op straat wel gedacht hebben, toen de directeur zijn schoenen buiten weer aandeed? Ha, die directeur op sokken!

Je Anne.

Woensdag, 29 September 1943

Lieve Kitty,

Mevrouw Van Daan is jarig. We hebben haar, behalve een kaas-, vlees- en broodbon alleen nog een potje jam cadeau gegeven. Van haar man, Dussel en onze beschermers heeft ze ook uitsluitend bloemen gekregen of etenswaren. Zo zijn de tijden nu eenmaal!

Elli had van de week een halve zenuwuitbarsting, zo vaak werd ze er op uitgestuurd, steeds werd er op aangedrongen dat ze iets gauw moest halen, dat ze nog eens moest lopen of dat ze het verkeerd gedaan had. Als je dan bedenkt, dat ze beneden op kantoor haar werk af moet hebben, Koophuis ziek is, Miep thuis met een verkoudheid, zijzelf haar enkel verstuikt, liefdesverdriet en een mopperenden vader heeft, dan kun je je wel indenken, dat ze met haar handen in het haar zit. Wij hebben haar getroost en gezegd, dat als ze een paar keer energiek zou beweren dat ze geen tijd heeft, die boodschappenlijstjes vanzelf wel kleiner zouden worden.

Met Van Daan gaat het weer mis, ik zie het al aankomen! Vader is om de een of andere reden erg woedend. O, welke uitbarsting hangt ons nu weer boven het hoofd? Als ik maar niet zo nauw met al die schermutselingen verbonden was, als ik maar weg kon gaan. Ze maken ons nog gek!

Je Anne.

Zondag, 17 October 1943

Lieve Kitty,

Koophuis is weer terug, gelukkig! Hij ziet nog wat bleekjes maar gaat toch welgemoed op straat om voor Van Daan kleren te verkopen. Het is een naar feit dat het geld van de Van Daans radicaal op is. Mevrouw wil van haar stapel jassen, jurken en schoenen niets missen, mijnheer zijn pak is moeilijk van de hand te doen, omdat hij te hoge prijzen vraagt. Het slot van het liedje is nog niet in zicht. Mevrouw zal haar bontjas wel moeten afstaan. Boven hebben ze dienaangaande een knallende ruzie achter de rug en nu is de verzoeningsperiode van ‘och, lieve Putti’ en ‘schattige Kerli’ ingetreden.

Ik duizel van de scheldwoorden die in de laatste maand door dit eerbare huis rondgevlogen zijn. Vader loopt met opeengeperste lippen rond; als iemand hem roept kijkt hij zo schichtig op, alsof hij bang is opnieuw een precaire zaak te moeten opknappen. Moeder heeft rode plekjes van opgewondenheid op haar wangen. Margot klaagt over hoofdpijn, Dussel kan niet slapen, mevrouw klaagt de hele dag en ikzelf ben de kluts helemaal kwijt. Eerlijk gezegd vergeet ik af en toe met wie we ruzie hebben en met welke persoon de verzoening al heeft plaats gehad.

Het enige wat afleidt is leren en dat doe ik veel.

Je Anne.

Vrijdag, 29 October 1943

Lieve Kitty,

Hier waren weer klinkende ruzie's tussen mijnheer en mevrouw. Het kwam zo: zoals ik al schreef is het geld van de Van Daans op. Op een dag, al een tijd geleden, sprak Koophuis over een bevrienden bontwerker; daardoor kwam mijnheer op het idee nu toch mevrouws bontjas te verkopen. Het is een bontjas uit konijnenvellen gemaakt en zeventien jaar lang gedragen. ƒ 325. - kreeg hij er voor, dit is een enorm bedrag. Mevrouw wilde het geld echter houden om na de oorlog nieuwe kleren te kopen en het had heel wat voeten in de aarde, eer mijnheer haar duidelijk gemaakt had, dat het geld in de huishouding dringend nodig was.

Dat gegil, geschreeuw, gestamp en gescheld kun je je onmogelijk voorstellen. Het was angstwekkend. Mijn familie stond met ingehouden adem onder aan de trap, om zo nodig de vechtenden uit elkaar te houden. Al dat gegil, gehuil en die zenuwachtigheid zijn zo spannend en inspannend, dat ik 's avonds huilend in mijn bed val en de hemel dank dat ik eens een half uurtje voor me alleen heb.

Mijnheer Koophuis is weer afwezig; zijn maag laat hem niet met rust. Hij weet zelf nog niet eens of het bloed al gestelpt is. Hij was voor de eerste keer erg down toen hij ons vertelde, dat hij zich niet goed voelde en naar huis ging.

Met mij gaat het in het algemeen goed, behalve dat ik helemaal geen trek heb. Steeds weer hoor ik: ‘Wat zie je er toch slecht uit’. Ik moet zeggen, dat ze zich erg uitsloven om me een beetje op peil te houden. Druivensuiker, levertraan, gisttabletten en kalk moeten er aan te pas komen.

Mijn zenuwen ben ik lang niet altijd de baas, vooral 's Zondags voel ik me er ellendig aan toe. Dan is de stemming in huis drukkend, slaperig en loodzwaar. Buiten hoor je geen vogel zingen, een doodse en benauwende stilte hangt over alles heen en dit zware klemt zich aan mij vast, alsof ik mee moest naar een diepe onderwereld.

Vader, moeder en Margot laten me dan bij tijd en wijle onverschillig, ik dwaal van de ene naar de andere kamer, de trap af en weer op en heb een gevoel als een zangvogel, wiens vleugels hardhandig uitgerukt zijn en die in een volslagen duisternis tegen de spijlen van zijn nauwe kooi aanvliegt. ‘Naar buiten, lucht en lachen’, schreeuwt het in me. Ik antwoord niet eens meer, ga op een divan liggen en slaap om de tijd, de stilte, de verschrikkelijke angst ook, te verkorten, want te doden zijn ze niet.

Je Anne.

Woensdag, 3 November 1943

Lieve Kitty,

Om ons wat afleiding en ontwikkeling te bezorgen heeft vader een prospectus van de Leidse Onderwijs Instelling aangevraagd. Margot neusde het dikke boek wel drie keer door, zonder dat ze iets naar haar gading en haar beurs vond. Vader was vlugger om iets te vinden, hij wilde naar de instelling laten schrijven en om een proefles ‘Elementair Latijn’ vragen. Zo gezegd, zo gedaan, de les kwam, Margot trok enthousiast aan het werk en de cursus werd genomen. Voor mij is hij veel te moeilijk, hoewel ik erg graag Latijn zou leren.

Om mij eveneens aan iets nieuws te laten beginnen vroeg vader aan Koophuis naar een kinderbijbel, om eindelijk eens iets van het nieuwe testament te weten te komen. ‘Wil je Anne voor Chanuka een bijbel geven?’ vroeg Margot wat ontdaan.’ ‘Ja ... eh, ik denk dat Sint Nicolaas een betere gelegenheid is’, antwoordde vader. ‘Jezus past nu eenmaal niet op Chanuka’.

Je Anne.

Maandagavond, 8 November 1943

Lieve Kitty,

Als je mijn brievenstapeltje achter elkaar door zou lezen, dan zou het je zeker opvallen in wat voor verschillende stemmingen mijn brieven geschreven zijn. Ik vind het zelf vervelend dat ik hier in het Achterhuis zo erg van stemmingen afhankelijk ben, dat ben ik trouwens niet alleen, dat zijn wij allemaal. Als ik een boek lees, dat indruk op me maakt, moet ik in mezelf grondig orde scheppen, alvorens me onder de mensen te begeven, anders zou men van mij denken dat ik een wat rare geest had. Op het ogenblik, zoals je wel zult merken, heb ik een periode, waarin ik neerslachtig ben. Ik zou je echt niet kunnen zeggen hoe ik zo kom, maar ik geloof dat het mijn lafheid is, waar ik telkens weer tegen op bots.

Vanavond, toen Elli er nog was, werd er lang, hard en doordringend gebeld. Op dat ogenblik werd ik wit, kreeg buikpijn en hartkloppingen en dat allemaal van de angst.

's Avonds in bed zie ik me in een kerker alleen, zonder vader en moeder. Soms zwerf ik aan de weg, of ons Achterhuis staat in brand, of ze komen ons 's nachts weghalen. Ik zie alles, alsof ik het aan mijn eigen lijf beleef en heb daarbij het gevoel dat dit alles me dadelijk zal kunnen overkomen!

Miep zegt wel vaak, dat ze ons benijdt, omdat we hier rust hebben. Dat kan best waar zijn, maar aan onze angst denkt ze zeker niet. Ik kan me helemaal niet voorstellen dat de wereld voor ons ooit weer eens gewoon wordt. Ik spreek wel over ‘na de oorlog’, maar dan is dat, alsof ik over een luchtkasteeltje spreek, iets dat nooit werkelijkheid kan worden. Aan ons vroeger thuis, de vriendinnen, schoolpretjes, aan dat alles denk ik als aan iets, dat een ander dan ikzelf beleefd heeft.

Ik zie ons achten samen met het Achterhuis, alsof wij een stukje blauwe hemel waren, omringd door zware, zwarte regenwolken. Het ronde, afgebakende plekje, waarop wij staan is nog veilig, maar de wolken rukken steeds dichter op ons toe en de ring, die ons van het naderende gevaar scheidt wordt steeds nauwer toegehaald. Nu zijn we al zover door gevaar en donkerte omgeven, dat wij van vertwijfeling, waar uitredding te vinden, tegen elkaar aanbotsen. We kijken allen naar beneden waar de mensen tegen elkaar vechten, we kijken allen naar boven, waar het rustig en mooi is en onderwijl zijn we afgesneden door die duistere massa, die ons niet naar boven laat gaan, maar die voor ons staat als een ondoordringbare muur, die ons verpletteren wil, maar nog niet kan. Ik kan niets anders doen dan roepen en smeken: ‘O ring, ring wordt wijder en open je voor ons!’

Je Anne.

Donderdag, 11 November 1943

Lieve Kitty,

Ik heb net een goede titel voor dit hoofdstuk:

Ode aan mijn Vulpen. In Memoriam.

Mijn vulpen was voor mij altijd een kostbaar bezit; ik waardeerde haar hogelijk, vooral wegens de dikke punt die zij had, want ik kan alleen met dikke vulpenpunten werkelijk netjes schrijven. Mijn vulpen heeft een zeer lang en interessant vulpen-leven gehad, dat ik in het kort wil meedelen.

Toen ik 9 jaar oud was, kwam mijn vulpen in een pakje (in watten gewikkeld) als ‘monster zonder waarde’ helemaal uit Aken, de woonplaats van mijn grootmoeder, de goede geefster. Ik lag in bed met griep, terwijl de Februariwind om het huis gierde. De glorierijke vulpen had een rood leren étuitje om zich heen en werd dadelijk aan al mijn vriendinnen getoond. Ik, Anne Frank, de trotse bezitster van een vulpen.

Toen ik 10 jaar was, mocht ik de pen mee naar school nemen en de juffrouw stond zowaar toe, dat ik er mee schreef.

Met 11 moest mijn schat echter weer opgeborgen worden, daar de juffrouw van de zesde klas alleen schoolpennen en inktpotjes als schrijfgerei toestond.

Toen ik 12 werd en naar het Joodse Lyceum ging, kreeg mijn vulpen ter meerdere ere een nieuw étui, waar een potlood bij kon en dat bovendien veel echter stond, daar het met een ritssluiting sloot.

Met 13 ging de vulpen mee naar het Achterhuis, waar zij met mij door talloze dagboeken en geschriften is gerend.

Toen ik 14 jaar oud was, was dat het laatste jaar dat mijn vulpen met mij voltooid had, en nu ...

 

Het was op Vrijdagmiddag na vijf uur, dat ik uit mijn kamertje gekomen aan tafel wilde gaan zitten om te schrijven, toen ik hardhandig opzij geduwd werd en plaats moest maken voor Margot en vader die hun ‘Latijn’ oefenden. De vulpen bleef ongebruikt op tafel liggen, en haar bezitster nam zuchtend genoegen met een heel klein hoekje tafel en ging boontjes wrijven. ‘Boontjes wrijven’ is hier beschimmelde bruine bonen weer in hun fatsoen brengen.

Om kwart voor zes ging ik de grond vegen en gooide het vuil tezamen met de slechte bonen op een krant en in de kachel. Een geweldige vlam sloeg er uit en ik vond het prachtig, dat op die manier de kachel, die op apegapen gelegen had, zich herstelde. De rust was weergekeerd, de Latijners opgehoepeld en ik ging aan tafel zitten om mijn voorgenomen schrijfwerk op te nemen, maar, waar ik ook zocht, mijn vulpen was nergens te bekennen. Ik zocht nog eens, Margot zocht, moeder zocht, vader zocht, Dussel zocht, maar het ding was spoorloos verdwenen.

‘Misschien is zij wel in de kachel gevallen, tegelijk met de bonen’, opperde Margot. ‘Ach, wel neen, kind!’ antwoordde ik.

Toen mijn vulpen echter 's avonds nog niet te voorschijn wou komen, namen we allen aan, dat zij verbrand was, temeer daar celluloid reusachtig brandt.

En werkelijk, de droeve verwachting werd bevestigd, toen vader de andere morgen bij het kachel-uithalen het clipje, waarmee je een vulpen vaststeekt, te midden van een lading as terugvond. Van de gouden pen was niets meer te vinden. ‘Zeker vastgebakken in de een of andere steen’, meende vader.

Eén troost is mij gebleven, al is hij maar schraal: mijn vulpen is gecremeerd, net wat ik later zo graag wil!

Je Anne.

Woensdag, 17 November 1943

Lieve Kitty,

Huisschokkende gebeurtenissen aan de gang.

Bij Elli thuis heerst diphterie, daarom mag ze zes weken lang niet met ons in aanraking komen. Zowel met eten als met boodschappen doen is het erg lastig, om van de ongezelligheid nog maar niet te spreken. Koophuis ligt nog steeds en heeft al drie weken lang niets anders dan melk en pap gehad. Kraler heeft het razend druk.

Margots ingestuurde Latijnse lessen worden door een leraar gecorrigeerd teruggezonden. Margot schrijft onder Elli's naam, de leraar is erg aardig en geestig bovendien. Hij is zeker blij, dat hij zo'n knappe leerlinge gekregen heeft.

Dussel is helemaal in de war, wij weten geen van allen waarom. Het is er mee begonnen, dat hij boven zijn mond dichtkneep en noch met mijnheer noch met mevrouw een woord sprak. Dit viel iedereen op en toen het een paar dagen aanhield nam moeder de gelegenheid waar om hem te waarschuwen voor mevrouw, die hem inderdaad nog veel onaangenaamheden zou kunnen bezorgen, als hij zo doorging.

Dussel zei, dat mijnheer Van Daan met zwijgen begonnen was en hij was dan ook niet van plan zijn zwijgen te verbreken.

Nu moet je weten, dat het gisteren 16 November was, de dag, waarop hij een jaar in het Achterhuis is. Moeder werd ter gelegenheid daarvan met een potje bloemen vereerd, maar mevrouw Van Daan, die al weken van te voren meermalen op deze datum een toespeling had gemaakt en haar mening, dat Dussel moest tracteren, niet onder stoelen of banken stak, kreeg niets.

In plaats van voor het eerst zijn dank voor het onbaatzuchtige opnemen te uiten, sprak hij helemaal niet. En toen ik hem op de morgen van de 16de vroeg, of ik hem feliciteren of condoleren moest, antwoordde hij, dat hij alles in ontvangst nam. Moeder, die voor de mooie rol van vredesstichtster wilde fungeren, kwam geen stap met hem verder en uiteindelijk bleef de toestand gelijk.

 

‘Der Mann hat einen grossen Geist 

Und ist so klein von Taten!’

Je Anne.

Zaterdag, 27 November 1943

Lieve Kitty,

Gisteravond vóór het ins'apen kwam opeens voor mijn ogen: Lies.

Ik zag haar voor mij, in lompen gekleed met een vervallen en vermagerd gezicht. Haar ogen waren heel groot en zij keek mij zo droevig en verwijtend aan, dat ik in haar ogen kon lezen: ‘O Anne, waarom heb je me verlaten? Help, o help mij, red mij uit deze hel!’

En ik kan haar niet helpen, ik kan slechts toekijken hoe andere mensen lijden en sterven en kan God slechts bidden om haar terug te voeren naar ons.

Juist Lies zag ik, geen ander en ik begreep het. Ik heb haar verkeerd beoordeeld, was te veel kind om haar moeilijkheden te begrijpen. Zij was gehecht aan haar nieuwe vriendin en het leek, alsof ik haar die wilde ontnemen. Hoe moet de arme zich gevoeld hebben, ik weet het, ik ken zelf dat gevoel zo goed!

Soms, in een flits, zag ik iets van haar leven, om egoïstisch direct weer in eigen genoegens en moeilijkheden op te gaan. Het was lelijk van me zoals ik met haar gehandeld heb en nu keek ze me met haar bleke gezicht en smekende ogen o zo hulpeloos aan. Kon ik haar maar helpen!

O God, dat ik hier alles heb wat ik me maar wensen kan en dat zij door het harde noodlot zo aangepakt is. Zij was minstens zo vroom als ik, zij wilde ook het goede, waarom werd ik dan uitverkoren om te leven en moet zij wellicht sterven? Welk verschil was er tussen ons? Waarom zijn wij nu zo ver van elkander?

Eerlijk gezegd, heb ik haar maandenlang, ja een jaar haast vergeten. Niet helemaal, maar toch heb ik nooit zo aan haar gedacht, dat ik haar in al haar ellende voor me zag.

Ach Lies, ik hoop dat ik je, als je het einde van de oorlog nog zou beleven en bij ons terug zou komen, opnemen kan, om je iets te vergoeden van wat er tegen je misdaan is.

Maar als ik weer in staat ben om haar te helpen, dan heeft zij mijn hulp niet zo nodig als nu. Zou zij nog een keer aan mij denken en wat zal zij dan voelen?

Goede God, geef haar steun, opdat ze tenminste niet alleen is. O, kon jij haar maar zeggen, dat ik met liefde en medelijden aan haar denk; het zou haar misschien in haar uithoudingsvermogen sterken.

Ik mag niet verder denken, want ik kom er niet uit. Ik zie steeds weer haar grote ogen, die me niet loslaten. Zou Lies werkelijk in zichzelf geloof hebben, zou zij het geloof niet alleen van buiten opgedrongen gekregen hebben?

Ik weet dat niet eens, nooit heb ik me de moeite genomen om het haar te vragen.

Lies, Lies, kon ik je maar weghalen van waar je nu bent, kon ik je maar laten delen in alles wat ik geniet. Het is te laat, ik kan niet meer helpen en niet meer herstellen, wat ik verkeerd gedaan heb. Maar ik zal haar nooit meer vergeten en altijd voor haar bidden.

Je Anne.

Maandag, 6 December 1943

Lieve Kitty,

Toen Sinterklaas naderde, dachten we allemaal onwillekeurig aan de leuk opgemaakte mand van verleden jaar en vooral mij leek het vervelend om dit jaar alles over te slaan. Ik dacht lang na, totdat ik iets gevonden had, iets grappigs.

Pim werd geraadpleegd en een week geleden gingen we aan het werk om voor alle acht een versje te maken.

Zondagavond om kwart over acht verschenen we boven met de grote wasmand tussen ons in, die versierd was met figuurtjes en strikken van rose en blauw doorslagpapier. Over de mand lag een groot stuk pakpapier heen, waarop een briefje was bevestigd. Allen waren enigszins verbaasd over de omvang van de verrassing.

Ik nam het briefje van het papier en las:

Proloog

 

Sinterklaas is ook dit jaar weder gekomen, 

Zelfs het Achterhuis heeft het vernomen 

Helaas, kunnen we het niet zo leuk begaan 

Als het verleden jaar was gedaan. 

Toen waren we hoopvol en dachten beslist 

Dat zegevieren zou de optimist 

En meenden dat dit jaar vrij 

Sint Nicolaas te vieren zij. 

Toch willen wij deez' dag gedenken, 

Maar daar nu niets meer is te schenken, 

Zo moeten wij iets anders doen: 

Een ieder kijke in zijn schoen!

(terwijl vader en ik het pakpapier oplichtten).

Een daverend gelach volgde, toen iedere eigenaar zijn schoen uit de mand haalde. In elke schoen zat een klein pakje in papier gewikkeld met het adres van den schoeneigenaar.

Je Anne.

Woensdag, 22 December 1943

Lieve Kitty,

Een zware griep heeft me verhinderd je eerder dan vandaag te schrijven. Het is ellendig om hier ziek te zijn. Als ik moest hoesten kroop ik één, twee, drie onder de dekens en probeerde mijn keel zo zacht mogelijk tot stilte te brengen, wat meestal ten gevolge had, dat de kriebel helemaal niet meer wegging en melk met honing, suiker of pastilles er aan te pas moesten komen. Als ik aan de kuren denk die ze me door hebben laten maken, dwarrelt het me. Zweten, omslagen, natte borstlappen, droge borstlappen, heet drinkken, gorgelen, penselen, stil liggen, warmte-kussen, kruiken, citroenkwast en daarbij om de twee uur de thermometer.

Kan men op zo'n manier eigenlijk beter worden? Het ergste vond ik wel, als mijnheer Dussel doktertje ging spelen en met zijn pomadehoofd op mijn blote borst ging liggen, om de geluiden daarbinnen af te luisteren. Niet alleen dat zijn haar me verschrikkelijk kriebelde, ik geneerde me ondanks het feit, dat hij eens dertig jaar geleden gestudeerd en de artsentitel heeft. Wat heeft die vent aan mijn hart te gaan liggen? Hij is mijn geliefde toch niet! Trouwens, wat daarbinnen gezond of niet gezond is, hoort hij toch niet, zijn oren moeten eerst uitgespoten worden, daar hij angstig veel op een hardhorende gaat lijken.

Maar nu genoeg over de ziekte. Ik ben weer kiplekker, een centimeter gegroeid, twee pond aangekomen, bleek en leerlustig.

Veel nieuws is er niet te berichten. Bij uitzondering is de verstandhouding hier goed, niemand heeft ruzie, we hebben zo'n huisvrede zeker een half jaar niet gehad. Elli is nog steeds van ons gescheiden.

We krijgen voor Kerstmis extra olie, snoep en stroop; het ‘cadeau’ is een broche, gefabriceerd uit een plak van twee en een halve cent en dit netjes glimmend. Enfin, niet uit te leggen prachtig. Mijnheer Dussel heeft aan moeder en mevrouw Van Daan een mooie taart cadeau gegeven, die Miep op zijn verzoek gebakken heeft. Bij al het werk moet Miep ook dat nog doen! Ik heb ook wat voor Miep en Elli. Wel twee maanden lang heb ik namelijk de suiker van mijn pap opgespaard en zal daarvan, door bemiddeling van mijnheer Koophuis, borstplaatjes laten maken.

Het weer is druilerig, de kachel stinkt, het eten drukt zwaar op aller magen wat aan alle kanten donderende geluiden veroorzaakt; oorlogs-stilstand, rotstemming.

Je Anne.

Vrijdag, 24 December 1943

Lieve Kitty,

Ik heb al meer geschreven, dat we hier allemaal met stemmingen te doen hebben en ik geloof, dat deze kwaal bij mij vooral in de laatste tijd sterk toeneemt.

‘Himmelhoch jauchzend und zum Tode betrübt’ is hier zeker wel van toepassing. ‘Himmelhoch jauchzend’ ben ik, als ik er aan denk hoe goed we het hier hebben en mij vergelijk met andere Joodse kinderen en ‘zum Tode betrübt’ overvalt me, wanneer bijvoorbeeld, zoals vandaag, mevrouw Koophuis hier geweest is en vertelt van haar dochter Corry's hockeyclub, kanovaarten, toneelopvoeringen en vrienden. Ik geloof niet, dat ik jaloers op Corry ben, maar wel krijg ik dan zo'n sterk verlangen om ook eens flink pret te maken en te lachen tot ik er buikpijn van krijg. Vooral nu in de winter met al die vrije Kerst- en Nieuwjaarsdagen, dan zitten we hier zo als uitgestotenen en toch mag ik deze woorden eigenlijk niet opschrijven, omdat ik dan ondankbaar lijk en het is ook wel overdreven. Maar wat je ook van me mag denken, ik kan niet alles voor mezelf bewaren en haal dan nog maar mijn beginwoorden aan: ‘Papier is geduldig’.

Als iemand net van buiten komt, met de wind in zijn kleren en de kou op zijn gezicht, dan zou ik wel mijn hoofd onder de dekens willen stoppen om niet te denken: ‘Wanneer is het ons weer gegund lucht te ruiken?’ En omdat ik mijn hoofd niet in dekens mag verbergen, het integendeel rechtop en flink moet houden, komen de gedachten toch, niet één keer maar och, ontelbare malen. Geloof me, als je anderhalf jaar opgesloten zit, dan kan het je op sommige dagen eens teveel worden. Alle rechtvaardigheid of dankbaarheid ten spijt; gevoelens laten zich niet verdringen. Fietsen, dansen, fluiten, de wereld inkijken, me jong voelen, weten dat ik vrij ben, daar snak ik naar en toch mag ik het niet laten merken, want denk eens aan, als we alle acht ons gingen beklagen of ontevreden gezichten zetten, waar moet dat naar toe? Ik vraag mezelf wel eens af: ‘Zou iemand me hierin begrijpen, heenzien over Jood of niet-Jood, alleen maar in me zien de bakvis, die zo'n behoefte heeft aan uitgelaten pret?’ Ik weet het niet, en zou er ook met niemand over kunnen spreken, want ik weet dat ik dan ga huilen. Huilen kan zo'n verlichting brengen.

Ondanks theorieën en moeiten mis ik elke dag de echte moeder die me begrijpt. Daarom ook denk ik bij alles wat ik doe en wat ik schrijf, dat ik later voor mijn kinderen wil zijn de ‘mams’ die ik me voorstel. De mams die niet alles zo ernstig opvat, wat er zo gezegd wordt en wel ernstig, wat van mij komt. Ik merk, ik kan het niet beschrijven, maar het woord mams zegt al alles. Weet je wat ik er op gevonden heb om toch zoiets als mams tegen mijn moeder te zeggen? Ik noem haar vaak ‘mansa’ en daarvan komt dan ‘mans’. Het is als het ware de onvolkomen mams, die ik zo graag met nog een pootje aan de ‘n’ zou vereren, maar die dit niet beseft. Het is gelukkig zo, want zij zou er zich ongelukkig over maken.

Nu genoeg daarover, mijn ‘zum Tode betrübt’ is bij het schrijven een beetje overgegaan.

Je Anne.