50

‘Ik begin te begrijpen dat er een zekere planning achter zat.’

Ze rookte en leek nog steeds te dubben of ze nou met hem moest praten of niet. Van Veeteren wachtte.

‘Enige planning wel, ja’, zei ze ten slotte.

‘Meer dan in het geval van Philomena McNaught?’

Ze permitteerde zich een glimlachje, en plotseling, door die onvrijwillige barst, zag hij haar. Helemaal, van binnen en van buiten … alsof ze toch, tot op dit moment, haar vermomming had weten te behouden. Het was eigenaardig.

Lady Macbeth, dacht hij. Aangenaam kennis te maken.

‘Graven’, maande ze. ‘Als ik je een en ander vertel, wil ik wel dat je gewoon doorwerkt.’

‘Natuurlijk.’

Hij begon met het uitmeten van de omtrek. Met de punt van de schop tekende hij een rechthoek van ongeveer twee meter bij zestig centimeter. Hij begreep dat het even zou duren.

Twintig minuten, een half uur misschien. De uitgemeten tijd.

Tenzij ze haar geduld verloor en hem eerder doodschoot.

‘Het spijt me dat ik hem moest vermoorden’, zei ze. ‘Dat kwam door jullie … en door die verdomde detective. Maar hij begon soft te worden.’

Aha, dacht hij. Toch de behoefte om dingen uit te leggen.

‘Soft? Hennan?’

‘Ja. Dat kwam met de jaren.’

Hij dacht na.

‘Mannen worden milder’, zei hij. ‘Sommige vrouwen ook, geloof ik. Maar om je echtgenoot hoef jij toch niet te rouwen? Nog minder dan om je andere slachtoffers.’

Ze keek hem aan met een uitdrukking op haar gezicht die hij niet kon duiden.

Onverschilligheid? Een algemene minachting voor mannen?

Of zat ze zich af te vragen of ze de druk van haar wijsvinger op de trekker nog wat zou verhogen? Dat idee had hij. Nu, dacht hij. Nu is het dus zover.

Maar er gebeurde niets.

‘Maak je geen illusies’, zei ze even later. ‘Maak je alsjeblieft geen illusies. Als je lastig wordt, schiet ik je meteen overhoop.’

Heel even probeerde hij zich voor te stellen hoe het zou voelen als de kogel in zijn lichaam drong.

Pijn. Een korte, witgloeiende pijn natuurlijk, maar waar? Waar zou hij het voelen, hoe zou de pijn zich voortplanten en zou hij bewusteloos raken voor hij echt dood was?

Zou het in een seconde voorbij zijn, of werden het er vijf?

Hij zette die gedachten van zich af. Er was geen enkele reden om het twee keer door te maken.

‘En Linden?’ herhaalde hij koppig. ‘Hoe is dat gegaan?’

Ze liet de sigarettenpeuk op de grond vallen en trapte die in de zachte grond. Ze schoof even heen en weer op de boomstam. Als ik dicht genoeg bij haar kan komen, dacht hij, kan ik een uitval doen met de schop.

Een kans van een op de honderd dat het lukt, maar betere kansen zal ik niet krijgen.

‘We hadden een hoer uit Hamburg gehaald’, zei ze. ‘Betty Fremdel heette ze.’

‘Uit Hamburg?’

‘Ja. Daarvoor moesten we wel naar het buitenland, anders liepen we de kans dat iemand een link legde. We brachten daar een aantal weken door voordat we haar hadden gevonden. Er was wel keus in de buurt van de Hauptbahnhof … het waren niet alleen maar heroïnehoertjes, in die tijd in ieder geval nog niet. Toen we haar eenmaal hadden geselecteerd, was het simpel.’

‘Wat was jullie lokkertje?’

‘Een filmopname. Een pornofilm natuurlijk. Geen details, behalve dat het goed verdiende … heel goed. We vroegen haar natuurlijk discreet te zijn, ze mocht tegen niemand iets zeggen, ook niet waar ze heen ging. Dat wist ze trouwens zelf ook niet. Alleen dat ze een paar dagen weg zou zijn voor de opnamen.’

Ze wachtte even en scheen na te denken.

‘Ik heb haar opgehaald in Oostwerdingen en ben met haar naar Linden gereden. Ik droeg een blonde pruik, ze heeft geen moment doorgehad hoeveel we op elkaar leken. Ik had mijn haar ook nog in dezelfde tint rood geverfd als dat van haar en zelfs de tatoeage op haar arm gekopieerd. Nee, het leverde geen grote problemen op. En we hadden een maand gewacht voordat we het in scène zetten.’

Ze zweeg weer. Van Veeteren overpeinsde wat ze had gezegd, maar onderbrak haar niet.

‘We lieten haar een paar uur door het huis lopen, drankjes drinken en vingerafdrukken achterlaten. Uiteindelijk gingen we de toren op waar we een paar opnamen zouden maken … we hadden daar een camera opgehangen. Ze trok haar badpak aan. Ik ging achter de camera staan en deed net of ik filmde, en terwijl ze daar stond met haar benen wijd, gaf ik haar een duw. Tja, en nadat ik beneden had gecontroleerd of ze dood was, reed ik weg en ik bleef weg. Er heeft natuurlijk nooit iemand aan getwijfeld dat ik degene was die op de bodem van het bassin was beland. Of wel?’

Van Veeteren rechtte zijn rug.

Niet te geloven, dacht hij. Wat akelig gemakkelijk. Wat ontzettend simpel. Kon dat echt?

‘Of wel?’ vroeg ze nog eens.

Hij besefte dat het kon. Hij herinnerde zich dat ze tandartsgegevens uit de vs hadden opgevraagd, maar dat ze die niet hadden gekregen. Voorzover hij wist niet, in ieder geval. Nee, ze had gelijk. Niemand had eraan getwijfeld dat zij het was die daar in dat verdomde zwembad had gelegen. Geen sterveling.

En daarom moest hij nu dood?

Na vijftien jaar piekeren had hij de oplossing van de zaak-G. in handen. Die had hij van de moordenaar zelf gekregen en hij moest er met zijn leven voor betalen.

Zo klonk het alsof dat eerlijk was.

Of in ieder geval logisch.

‘De identificatie?’ vroeg hij toch, voornamelijk om het gesprek op gang te houden.

Zijn laatste gesprek.

‘Dat weet je vast nog wel’, zei ze. ‘Ik was er zelf niet bij, maar volgens mijn man verliep het volgens plan. Aangezien alle verdenkingen meteen op hem gericht werden, deed de vraag naar de identiteit van het lijk zich niet eens voor. Verlangen slikte het allemaal voor zoete koek. We hadden bedacht dat hij de overledene misschien zou moeten identificeren, maar dat was niet eens nodig. Het was genoeg als Jaan en die vreselijke buurvrouw dat deden.’

‘Ja, dat weet ik nog’, erkende Van Veeteren. ‘Mevrouw Trotta. Maar vijftien jaar later heeft hij jou dus wel geïdentificeerd? Verlangen, bedoel ik.’

Ze gebaarde dat hij door moest graven en hij nam de schop weer ter hand. Hij had het bovenste laagje inmiddels weggeschept. Hij zat nu tien centimeter diep en was nog niet op een onmogelijke wortel of kei gestuit. Het valt op dat dit een graf is, bedacht hij. Misschien vinden ze me op een goede dag en verhuizen ze me dan.

‘Ja, inderdaad’, zei ze. ‘Die sukkel. Dat heeft hem het leven gekost en twee anderen ook … Maar wat had die hoer daaraan? Snap jij wat voor nut het had dat hij weer begon te wroeten?’

Van Veeteren kreeg een geheugenflits van iets waarover hij de vorige keer met Bausen had gesproken. Tijdens de zaak van de bijlmoordenaar, negen jaar geleden.

Over vergelijkingen die je niet moet oplossen.

Over schaakpartijen die je niet uit moet spelen.

Bausen was de mening toegedaan dat je een heleboel dingen gewoon moest laten rusten. Zelf wist hij dat zo net nog niet.

En nu stond hij hier met de oplossing van de zaak-G. (of de vergelijking-G. of de schaakpartij-G.?) en in het antwoord zat zijn eigen dood ingebakken. Net als die van Verlangen en die van G. zelf.

Het was wel een logisch patroon met een duivelse noodzaak.

Of was er geen duivelse logica, maar alleen banale slechtheid? Waarom zou je het groter maken dan het was?

‘Ik had een bloedhekel aan hem’, zei hij. ‘Aan jouw man dus. Je weet toch dat hij zijn zusje vijf jaar lang heeft misbruikt? En vroeger op school heeft hij een klasgenoot de dood ingejaagd.’

Om de een of andere reden was het voor hem ook noodzakelijk om zijn hart te luchten.

Ze reageerde niet. In ieder geval kon hij geen reactie aflezen. En hij herinnerde zich dat hij met Lady Macbeth stond te praten. Misschien wist ze het al van het zusje, misschien niet.

‘Mijn man had geen hekel aan jou’, zei ze na een korte stilte. ‘Hij verachtte je alleen maar, net als ik. Je moet niet denken dat je iets wint met dit geklets.’

‘Heb je Philomena McNaught ook vermoord? Of heeft hij dat gedaan?’

Opeens keek ze spottend. Spottend als een tweederangsactrice tijdens de auditie voor een B-film.

‘Dat hebben we samen gedaan’, zei ze. ‘Het was een afschuwelijk mens. Graven, het heeft nu lang genoeg geduurd.’

Hij dacht even na. Toen deed hij wat ze van hem vroeg.

Münster remde af, zette de motor uit en zei een schietgebedje. Hij wierp een blik op Rooth, die tijdens de zes minuten durende rit van hotel See Warf naar de Wackerstraat op zijn nagels had zitten bijten en hem had gevraagd of hij niet harder kon.

Rooth haalde zijn vingers uit zijn mond en opende het portier.

‘Geen gedreutel’, zei hij. ‘Opschieten!’

Ze liepen naast elkaar over de stenen die naar de voordeur leidden. Münster merkte op dat er nergens een teken van leven was, hij voelde alleen een golf van misselijkheid door zich heen gaan. Maar om hem heen alleen een bleke, windstille vroege ochtend in de herfst. Schemergrijs en zoel.

Een ochtend zoals zovele. Hij nam aan dat de mensen in deze welgestelde wijk wel zo’n beetje wakker moesten zijn. Het was bijna zeven uur, er stond vast wel hier en daar een villabewoner onder de douche, en elders zat vast wel een villabewoonster aan de ontbijttafel achter de krant, in een poging energie op te doen voor een nieuwe dag. De zoveelste.

Hoe het daarmee in het huis van de Nolans gesteld was, wisten ze natuurlijk niet, maar Rooth zette zijn wijsvinger op de bel, die hij vijf seconden ingedrukt hield, dus als er iemand thuis was, had dat een reactie moeten uitlokken.

Dat was echter niet het geval. Terwijl ze stonden te wachten, keken Münster en Rooth nu eens naar elkaar en dan weer naar het hout van de bruin gebeitste deur. Er gebeurde niets.

Rooth belde nog een keer aan.

Hij bleef nog enkele ogenblikken nerveus staan trappelen.

‘Nada’, zei Münster. ‘Of ze is niet thuis, of ze wil ons niet zien. Wat doen we?’

Rooth wilde nog een keer aanbellen, maar bedacht zich.

‘Ik weet het niet’, zei hij. ‘Wat vind jij?’

Münster probeerde zijn schouders op te halen, maar merkte dat hij zo gespannen was dat het niet lukte.

‘We zouden het de buren kunnen vragen’, opperde hij. ‘Of ze iets gezien hebben, dus.’

‘Of ze wat hebben gezien?’

‘De commissaris natuurlijk … of op zijn minst zijn auto. Dat was toch het idee?’

Rooth keek opeens moedeloos.

‘Ja, dat neem ik wel aan. Maar we kunnen verdorie geen buurtonderzoek gaan doen. Ik vind dat we naar binnen moeten gaan.’

‘Naar binnen?’ zei Münster en hij duwde de deurklink voorzichtig naar beneden. ‘De deur zit op slot.’

‘Ik bedoelde niet per se door de deur’, zei Rooth.

‘O?’ zei Münster en hij dacht een paar seconden na. Toen pakte hij zijn mobieltje.

‘Wat doe je?’ vroeg Rooth.

‘Ik bel De Klerk. Die mag ook wel een woordje meespreken.’

Rooth krabde aan zijn hoofd, terwijl Münster het nummer intoetste.

‘Licht hem in’, zei hij net voordat De Klerk opnam. ‘Dat is genoeg … zeg dat we naar binnen gaan. Laat hem geen beslissingen nemen, dat is onnodig oponthoud.’

Münster knikte. Rooth begon om het huis heen te lopen om alternatieve ingangen te zoeken.