46

Toen Van Veeteren de auto tot stilstand bracht in de Wackerstraat en de motor uitzette, begon hij opeens te weifelen.

Hij bleef even zitten terwijl hij met zijn vingers op het stuur trommelde en probeerde te begrijpen waar dat gevoel vandaan kwam. Was het een soort vage intuïtie of gewoon weer een voorbeeld van zijn algemene ambivalentie?

Hij besloot dat het laatste het geval was en stapte uit. Hij merkte op dat de zilverkleurige japanner van mevrouw Nolan op de oprit stond en dat alles er vredig uitzag. De zon begon door het grijswitte wolkendek van die ochtend te breken en bij de buren was een dikke man van in de zestig het gras aan het maaien. Het scherpe geluid van de maaimachine zweefde als een koppig virus door de villawijk.

Na een halve minuut deed mevrouw Nolan open. Ze droeg een zwarte spijkerbroek en een even zwarte tuniek en ze keek hem met een afwezige blik aan.

‘Ja?’

‘Neemt u mij niet kwalijk. Mijn naam is Van Veeteren. Ik kom uit Maardam en ik ken uw man nog van vroeger. Zou ik even met u mogen praten?’

Ze nam hem van top tot teen op. Ze haalde een hand door haar donkere haar. Dat was verbazingwekkend dik als je bedacht dat ze de vijftig waarschijnlijk al was gepasseerd, schoot het door zijn hoofd.

‘U weet wat er is gebeurd?’

‘Ja. Gecondoleerd.’

Ze knikte en liet hem binnen. Hij nam aan dat ze in het ziekenhuis een of ander kalmerend middel had gekregen. Haar manier van praten en bewegen, mechanisch en ingehouden, wees daarop.

‘Neemt u plaats.’

Ze liet hem de woonkamer binnengaan en hij koos een bordeauxrode fauteuil met gele antimakassars op de armleuningen.

‘Hoe was uw naam, zei u?’

‘Van Veeteren.’

Ze ging tegenover hem op de bank zitten. Ze sloeg omstandig haar benen over elkaar en kneep haar lippen samen tot een dun streepje.

‘En wat wilt u? Ik heb geen …’

Ze maakte haar zin niet af. Van Veeteren voelde zijn aarzeling nog even naschokken en zette zich schrap totdat het over was.

‘Uw man … ik begrijp dat de politie u heeft verteld wie hij eigenlijk was?’

Ze maakte een onbestemd gebaar met haar hoofd, hij kon er niet uit opmaken of het een bevestiging of een ontkenning was.

‘Dat hij eigenlijk Jaan G. Hennan heette en een verleden had waar u niets van weet?’

‘Wat wilt u?’ vroeg ze. ‘Bent u ook van de politie? Ik denk niet dat …’

‘Ik heb vroeger bij de politie gezeten’, viel Van Veeteren haar in de rede. ‘In die hoedanigheid heb ik veel met uw man te maken gehad.’

Ze fronste haar voorhoofd.

‘Ik begrijp het niet goed.’

‘U bent onlangs toch door twee politiemensen ondervraagd? In de galerie?’

‘Dat klopt. Maar wat …?’

‘Wat maakte u daaruit op?’

‘Wat ik eruit opmaakte? Waarom zou ik er iets uit opmaken?’

‘Het moet u toch te denken hebben gegeven?’

‘Ja, ik heb er wel over nagedacht …’

Hij wachtte op het vervolg, maar dat kwam niet. Ze schoof naar achteren op de bank en stak een sigaret op.

Hoe afgestompt is ze eigenlijk? vroeg hij zich af. Hij besloot grover geschut in te zetten.

‘Het verbaasde u niet echt, hè?’

‘Wat niet?’

‘Dat uw man zelfmoord pleegde.’

‘Wat bedoelt u …?’

‘Of dat hij een crimineel verleden had.’

Ze nam een trekje van haar sigaret en de manier waarop ze dat deed verbijsterde hem.

Of liever, de manier waarop ze daar achterovergeleund naar hem zat te kijken. Alsof zijn woorden langs haar heen gingen. Hij herhaalde zijn vraag.

‘U wist dat uw man een andere identiteit had dan Christopher Nolan, nietwaar? Al voordat u dat van de politie hoorde.’

Ze haalde diep adem.

‘Natuurlijk niet. Wie bent u eigenlijk? Mag ik u vragen mij nu met rust te laten?’

Alle drie de zinnen in één adem. Van Veeteren was een paar seconden stil. Mevrouw Nolan nam weer een trekje van haar sigaret, maar maakte geen aanstalten om op te staan of om hem uit te laten.

‘Heeft uw man u niet verteld dat hij bezoek had gehad van mij?’

‘Van u? Waarom bent u bij hem op bezoek geweest?’

‘Omdat wij het een en ander te bespreken hadden.’

Weer een pauze. Hij liet de seconden verstrijken.

‘Pardon. Hoe heet u ook alweer?’

‘Van Veeteren. Weet u zeker dat uw man mijn naam de afgelopen dagen niet heeft genoemd?’

Ze leek na te denken.

‘Heel zeker. Hij heeft het helemaal niet over een nieuwe kennismaking gehad.’

‘Maar ik ben dan ook een heel oude kennis, mevrouw Nolan. Ik dacht dat ik dat al had gezegd.’

Ze antwoordde niet. Maar haar ene mondhoek trilde licht.

‘En ze hebben u vanochtend in het ziekenhuis toch verteld dat inmiddels is komen vast te staan dat uw man vijftien jaar geleden een andere naam had?’

Geen reactie.

‘Dat hij Christopher Nolans identiteit heeft geleend om aan zijn verleden te ontsnappen? U maakt mij niet wijs dat u daar nog aan twijfelt, mevrouw Hennan.’

Hij liet de naam zo voorzichtig los als je … als je tijdens een schaakspel een ongevaarlijk paard bevrijdt uit een positie waar hij al vijftien jaar ingesloten staat, en ze reageerde te laat.

Twee seconden, die niet aan de werking van enig medicijn vielen toe te schrijven.

Maar het was ook een zet waarvan hij de consequenties voor zichzelf niet had overzien. Shit, dacht hij.

‘Wat zegt u? Hennan?’

Hij haalde zijn sigarettenroller tevoorschijn. Zette die voor zich op tafel en begon de uitgestanste gleuf te vullen met tabak. In zijn hoofd was het nu een warboel en zijn handen moesten iets te doen hebben. Elizabeth Nolan zat hem roerloos gade te slaan.

‘U hebt tegen hen gelogen, nietwaar?’

Geen reactie.

‘U kende zijn achtergrond.’

Ze rookte en keek langs hem heen uit het raam. Hij stak zijn sigaret op en probeerde snel te beslissen hoe hij verder moest gaan. Hij begreep dat er een cruciaal moment aanbrak.

Cruciaal? dacht hij. Zou het …?

‘Ik moet u vragen mij nu met rust te laten’, herhaalde ze. ‘Ik weet niet waar u het over hebt.’

Hij trok zich niets van haar opmerking aan. De buurman zette zijn grasmaaier uit en de plotselinge stilte voelde als een wurggreep.

‘U weet ook heel goed wat er met Maarten Verlangen is gebeurd, nietwaar?’

De vragen kwamen nu bijna automatisch. Hij begreep dat haar weerstand gebroken was. Dat zag hij. Ze liet haar schouders zakken en keek hem recht in de ogen. Er verstreken enkele seconden, toen schudde ze langzaam haar hoofd en zuchtte diep.

‘Goed dan, u laat me geen keus, commissaris Van Veeteren. Eigen schuld.’

Ze had het pistool waarschijnlijk tussen de kussens van de bank verstopt, want hij zag het pas toen ze het al in haar hand hield en er van een paar meter afstand mee naar hem wees.

‘Het was stom van u om hier te komen’, voegde ze eraan toe.

Bausen was geëmotioneerd en hij begreep eerst niet waarom. Toen besefte hij dat het door de uitnodiging van Van Veeteren kwam om Kerst te komen vieren in Maardam.

Hij en Mathilde. Samen met Van Veeteren en Ulrike. En misschien kwamen er nog meer, dat wist hij niet. Hij wist niet wat daar nou eigenlijk zo bijzonder aan was, maar dat licht sentimentele gevoel in zijn hoofd was onbetwistbaar.

Of in zijn hart, of waar het ook zat. Mijn god, dacht hij, ik ben bijna vierenzeventig, ik zou hier te oud voor moeten zijn. Maar misschien word je gevoeliger met de jaren.

’s Middags werkte hij een yogatraining van drie kwartier af. Daarna belde hij Mathilde om te vragen of ze die avond een hapje bij hem wilde komen eten. Ze hadden elkaar een week niet gezien en ze nam zijn uitnodiging zonder meer aan. Haar stem klonk opgewekt.

Hij reed naar de Vismarkt, kocht een kilo zeeduivel, mosselen en verse groenten. Daarna reed hij naar Wassingen om haar op te halen. Hij zette haar in de auto, klapte de rolstoel in en legde die in de kofferbak.

Hij besefte dat hij Van Veeteren niet had verteld dat Mathilde in een rolstoel zat. Hij vroeg zich af waarom niet. Betekende dat iets en zo ja wat?

Nou ja, het was nog drieënhalve maand tot Kerst. Als het echt iets werd met dat reisje naar Maardam, dan was er nog tijd genoeg om dat detail telefonisch af te handelen.

Samen begonnen ze de vis klaar te maken. Nadat ze elkaar hadden leren kennen had hij bepaalde aanpassingen aangebracht in de keuken, zodat Mathilde heen en weer kon rijden en overal bij kon. Ze dronken een glaasje elzaswijn bij het werk en hij betrapte zich op de gedachte dat hij van haar hield.

In de herfst van zijn leven kon hij geen andere woorden vinden. Hoewel, ‘houden van’ was toch een prima formulering?

Dat liet hij haar ook weten toen ze aan tafel zaten en zij zei dat ze wel beroerdere kerels was tegengekomen. Een stuk of wat. Hij lachte, liep om de tafel heen en kuste haar.

Ze hadden net de tweede fles opengemaakt, toen Ulrike Fremdli belde. Het was kwart voor negen.

‘Bausen?’

‘Ja.’

Ze hadden elkaar twee of drie keer gesproken, maar nooit meer dan een paar woorden gewisseld.

Nu werd het gesprek iets langer. Vanwege het onderwerp.

Ze vertelde namelijk dat Van Veeteren nog niet in Maardam was aangekomen. Terwijl hij had beloofd dat hij om vijf uur thuis zou zijn. En hij had zijn mobieltje uit staan. Er moest iets gebeurd zijn.

‘Hij zei dat er iets mee was’, schoot het Bausen te binnen.

‘Met zijn mobieltje?’

‘Ja.’

‘Hoe laat is hij uit Kaalbringen vertrokken?’

Bausen dacht na.

‘Rond half een. Ja, hij had er allang moeten zijn.’

‘Ik begrijp niet waarom hij niets van zich heeft laten horen.’

Dat begreep Bausen ook niet. Hij merkte dat Ulrike Fremdli zich meer zorgen maakte dan ze wilde laten blijken en hij probeerde haar gerust te stellen met de opmerking dat hij vast autopech had.

En dat hij natuurlijk meteen zou bellen, zodra hij iets wist. Maar het was vast niets ernstigs, dat moest ze niet denken.

Hij zei niets over Kerst. Het was nu per slot van rekening pas 8 september.

Wat is er in godsnaam gebeurd? dacht hij toen hij had opgehangen. Is hij van de weg geraakt en ligt hij ergens hulpeloos in de berm?

Nee, nee, dacht hij vervolgens en hij ging weer terug naar Mathilde. Nu moet ik geen spoken gaan zien.