22

De rechtszaal in Linden bood, behalve aan de echte spelers in het proces, plaats aan een vijftigtal toeschouwers, inclusief de vertegenwoordigers van het journalistengilde, en toen de deuren werden gesloten voor de inleidende verhandelingen, was het aantal geïnteresseerden dat niet in de zaal toegelaten kon worden ongeveer drie keer zo groot als het aantal dat binnen zat.

Naar aanleiding van de aandacht die de zaak van de dode Amerikaanse had getrokken, was er sprake van geweest om de zaak naar Maardam te verplaatsen, maar rechter Hart had dat voorstel koeltjes van de hand gewezen. Het was toch zeker geen voetbalwedstrijd, liet hij weten, en de rechtsgang was niet afhankelijk van zulke te verwaarlozen factoren als publieke belangstelling en verslaggeving door de media. Geenszins.

De commissaris had Hart beschreven als een slome pad met het intellect en de eruditie van een stuk of zes Nobelprijswinnaars, en toen Münster zijn forse gestalte op de verhoging zag, vermoedde hij dat dat een treffende omschrijving was. Hart zag eruit alsof hij die ochtend met veel tegenzin was opgestaan, en als hij niet in zijn toga had geslapen, dan was die in ieder geval het afgelopen half jaar niet gestreken. Ter inleiding kuchte hij nadrukkelijk en wisselde drie keer van bril. Daarna gaf hij een klap met de hamer op het wetboek, zodat het stof opwaaide, verklaarde de rechtszaak voor geopend en gaf de officier de gelegenheid om de aanklacht ten gehore te brengen.

Officier van justitie Silwerstein stond op en zette de zaak uiteen. Dat duurde een kleine drie kwartier en het kwam erop neer dat hij van plan was te bewijzen dat de aangeklaagde, Jaan G. Hennan, op donderdag 5 juni opzettelijk en met ijskoude berekening zijn vrouw, Barbara Clarissa Hennan, geboren Delgado, van het leven had beroofd – of had laten beroven – door haar in het lege zwembad bij de door het echtpaar gehuurde woning, Villa Zefier, Kammerweg 4 te Linden, te duwen of te laten duwen. Hij was van plan aannemelijk te maken dat Hennan schuldig was aan die gewetenloze daad, ook al zou hij – dat werd al in dit vroege stadium openlijk en onverschrokken toegegeven – zijn argumentatie niet in de eerste plaats baseren op zogenaamd technisch bewijsmateriaal, aangezien dergelijk materiaal er in striktere zin simpelweg niet kon zijn in een geval als dit.

In plaats daarvan wilde de officier de zaak onderbouwen met aanwijzingen, maar wel zwaarwegende aanwijzingen, die een duidelijke taal spraken en waarvan het gewicht en de betekenis alle twijfel zouden wegnemen – vooral bij de vijf geachte leden van de jury – ten aanzien van de vraag wie tot de genoemde moord had aangezet, die had geënsceneerd en uitgevoerd. Eveneens zou hij – ook hier met meer dan vereiste duidelijkheid – het flagrante motief voor de moord naar voren halen, en het in vlijmscherp verband brengen met wat een eerdere echtgenote van de beklaagde onlangs in Amerika was overkomen. Voor de tweede keer binnen vier jaar was de vrouw van de beklaagde onder geheimzinnige omstandigheden gestorven (hierop reageerden een paar semantische muggenzifters in het publiek met voorzichtig gegiechel), en voor de tweede keer wilde Jaan G. Hennan een aanzienlijk – zeer aanzienlijk! – bedrag aan verzekeringsgeld opstrijken. Eén komma twee miljoen gulden!

De officier twijfelde er niet aan dat alle aanwezigen, wanneer alle feiten waren gepresenteerd en aan het licht gebracht, er volledig van overtuigd zouden zijn dat Jaan G. Hennan niet alleen schuldig was aan de dood van één echtgenote, maar van twee. Het was de plicht van alle betrokkenen om ervoor te zorgen dat hij werd veroordeeld tot een lange, rechtvaardige straf.

Tijdens het grootste deel van het openingspleidooi hield Münster zijn blik gevestigd op de vijf juryleden, drie vrouwen en twee mannen. Volgens de commissaris kon die verdeling misschien een tikkeltje nadelig uitpakken voor Hennan, aangezien vrouwen traditioneel uit consideratie met hun seksegenoten minder dan mannen geneigd waren om iemand vrij te spreken die zijn vrouw had vermoord. Münster probeerde uit hun sobere mimiek en subtiele reacties af te lezen hoe ze er nu aan de start, om het zo maar te noemen, over dachten.

Het was natuurlijk onmogelijk om daar een erg duidelijk beeld van te krijgen. Toen Silwerstein zijn breedsprakige inleiding had afgesloten, haalde een van de beide mannelijke juryleden – een grijze heer van een jaar of vijfenzestig, die Münster vaag aan de acteur Jean Gabin deed denken – een bonte zakdoek tevoorschijn waarin hij zijn neus snoot met een dof, maar luid getrompetter, en als je daar een teken in wilde zien, dacht Münster, dan voorspelde het weinig goeds.

Wat betreft de hoofdpersoon zelf, Jaan G. Hennan, die hield tijdens de hele rede van de officier zijn hoofd gebogen en zijn handen zedig gevouwen op de tafel voor zich. Hij droeg een discreet, middengrijs kostuum met een rouwbandje om de revers, een wit overhemd en een zwarte stropdas. Het was duidelijk zijn bedoeling eruit te zien als iemand in de rouw.

Het was ook duidelijk dat hij redelijk goed in die opzet slaagde.

Na de officier was de beurt aan de advocaat voor de verdediging.

Dat was een vrouw, wat Hennans kansen misschien weer vergrootte. Als een vrouw bereid was iemand te verdedigen die ervan werd beschuldigd zijn echtgenote te hebben vermoord, ja, dan zat er in iedere normale vrouw (had de commissaris met een bezorgde zucht geconstateerd) een biologisch stemmetje dat fluisterde dat hij het waarschijnlijk toch niet had gedaan.

Advocaat Van Molde zei niet of de officier voor joker stond of niet, maar ze spaarde haar kruit niet. Ze besteedde er ruim een half uur aan om de zogenaamde aanklacht voor te stellen als een slecht gebouwd kaartenhuis zonder een enkele troefkaart. Ze beschreef haar cliënt, de beklaagde Jaan G. Hennan, als een rechtschapen en eerlijk man die – alweer! – door een zwaar verlies was getroffen en die in plaats van in het beklaagdenbankje te zitten om zijn eer te verdedigen, onmiddellijk in vrijheid gesteld diende te worden, zodat hij met goed fatsoen aan zijn rouwverwerking kon beginnen. Hij had op tragische wijze zijn vrouw verloren en het was ronduit schandalig dat hij – zonder een greintje bewijs! – voor het gerecht was gesleept. Er was maar één maatregel die het vertrouwen in de gerechtigheid en de rechtspraak enigermate zou herstellen, namelijk onmiddellijke stopzetting van het proces en de invrijheidstelling van de beklaagde.

Münster kon na deze eis alweer geen duidelijke reacties aflezen bij de leden van de jury, en rechter Hart staakte de rechtszaak niet. Hij zette een andere bril op, geeuwde en verklaarde dat het tijd was voor de lunch. Om twee uur zou de zitting worden vervolgd.

Tijdens de middagzitting zaten commissaris Sachs en commissaris Van Veeteren ieder ongeveer een half uur in het getuigenbankje. Sachs deed gedetailleerd verslag van zijn eigen inspanningen en van die van aspirant Wagner in de nacht dat Barbara Hennan dood was aangetroffen en Van Veeteren schetste op vergelijkbare wijze een beeld van de verdere omstandigheden van de zaak. Hij vertelde van de dubieuze rol van privédetective Verlangen, over de achtergrond van Hennan, over de geschiedenis van Philomena McNaught, en over de verzekeringskwestie. Münster zag dat de commissaris niet erg ingenomen was met de infantiel suggestieve vragen van de officier of met de licht arrogante toonval van de strafpleiter, toen ze probeerde de manier waarop de politie met de zaak was omgegaan als amateuristisch af te schilderen.

‘Waarom hebt u het onderzoek in vredesnaam niet neergelegd toen u er niet in slaagde ook maar een greintje technisch bewijs te vinden?’ vroeg ze op een gegeven moment.

‘Omdat wij van de recherche het als onze taak beschouwen om moordenaars op te pakken’, antwoordde Van Veeteren. ‘Dit in tegenstelling tot u, mevrouw Van Molde, want u wilt ze juist vrijpleiten.’

Daarna was Meusse aan de beurt. Hij vond het zo mogelijk nog minder leuk dan de commissaris dat hij moest getuigen, maar aan de andere kant kon Münster zich niet heugen dat de in zichzelf gekeerde gerechtsarts ooit iets leuk had gevonden. Nooit dus. In ieder geval gaf hij de onduidelijkheid van de situatie glashelder weer. Er was niets wat bevestigde dat Barbara Hennan van de springtoren was geduwd, en niets wat bevestigde dat ze eerst bewusteloos zou zijn geslagen. Aan de andere kant was er ook niets wat de eerst- of laatstgenoemde veronderstelling ontkrachtte. Het letsel aan hoofd, hals, nek en ruggengraat was omvangrijk, verklaarde Meusse, maar een klein duwtje in de rug liet over het algemeen zelden sporen na en in dit specifieke geval ook niet.

Noch de officier noch de advocaat had veel vragen aan de gerechtsarts, aangezien ze op deze manier allebei carte blanche hadden gekregen voor hun respectieve opvattingen, en Meusse mocht de getuigenbank binnen een kwartier verlaten. Hoewel het nog maar half vier was, verklaarde rechter Hart dat het werk er voor die dag op zat. Hij wenste iedereen een prettige avond, vermaande de leden van de jury om de zaak niet onderling of met anderen te bespreken, en zei dat hij alle betrokkenen de volgende ochtend om tien uur weer in de rechtszaal verwachtte.

‘Van de officier had je misschien wat meer mogen verwachten’, zei Münster in de auto op weg terug naar Maardam.

‘Silwerstein is een ezel’, merkte Reinhart vanaf de achterbank op.

‘Heel goed mogelijk’, zei de commissaris. ‘Maar daar kunnen we niets aan doen. In ieder geval geven de vingeroefeningen van vandaag niet de doorslag.’

‘Dat mag ik hopen’, zei Reinhart. ‘Je bedoelt dat Hennan de afloop bepaalt? Ik vond hem vandaag erg overtuigend in zijn rol van zwaarbeproefde weduwnaar, die smiecht. Alsof hij nog op de begrafenis zat … of in de wachtkamer van de tandarts of zoiets.’

Van Veeteren zuchtte.

‘Wat had je dan gedacht? Als hij ook nog stom was op de koop toe, had hij natuurlijk allang achter de tralies gezeten.’

Reinhart dacht even na.

‘Wat ik dan had gedacht?’ vroeg hij toen. ‘Nou, dat zal ik je vertellen. Ik had gedacht dat wij die verdomde handlanger zouden vinden … die Barbara Hennan feitelijk om het leven heeft gebracht. We zijn nu een maand bezig, en zulke schamele resultaten heb ik nog nooit meegemaakt. Jullie wel?’

Daarop hadden Münster en de commissaris geen commentaar.

‘We hebben Kooperdijk en Verlangen nog’, bracht Münster even later in herinnering.

‘Zeker’, mompelde de commissaris. ‘Getuigen à charge. Ja, ik hoop alleen dat ze zich niet voor het karretje van de verdediging zullen laten spannen.’

‘Heeft de advocaat geen enkele getuige opgeroepen?’ vroeg Münster.

‘Nee’, zei Van Veeteren. ‘Het is te hopen dat Silwerstein dat punt tenminste uitbuit. Het feit dat er geen enkele getuige te vinden was die in het voordeel van Hennan kon spreken. Dat zegt toch wel wat.’

‘Maar je hoeft geen karaktergetuige te hebben’, zei Reinhart. ‘Wanneer de beklaagde geen karakter heeft, kun je het zelfs beter niet doen.’

‘Dat zeg ik’, zei Van Veeteren. ‘Kom op, mensen, op naar Adenaar. Jullie hebben toch nog wel tijd voor een biertje?’

Münster keek op zijn horloge.

‘Nou, een kleintje dan’, zei hij. ‘Het is in ieder geval niet uitgelopen. Dat is altijd iets.’

‘Je moet het kleine eren’, completeerde Reinhart. ‘Wanneer het grote in de soep loopt. Dus ik vind een half uurtje bij Adenaar prima, dan kunnen we even van dit mistroostige onderwerp afstappen en het over iets luchtigers hebben.’