16

‘Als we de gewone volgorde zouden aanhouden,’ begon Van Veeteren, ‘zouden we eerst de technische gegevens moeten bespreken. Maar die hebben we nog niet. Ik heb zojuist met Le Houde gesproken en maandag of dinsdag komt er een rapport. Ze zijn nu anderhalve dag bezig met het overhoophalen van Villa Zefier, maar omdat ze niet weten wat ze zoeken, lijkt het me onwaarschijnlijk dat we langs die weg een doorbraak zullen bereiken.’

‘Een bloederige vingerafdruk op de springtoren zou toch niet zo gek zijn?’ opperde Rooth. ‘Van iemand die we in ons bestand hebben.’

‘Dan had Le Houde het wel gezegd’, zei Van Veeteren. ‘Wie wil beginnen? Heinemann?’

Inspecteur Heinemann zette een andere bril op en raadpleegde zijn aantekeningen, die hij uit diep ingewortelde gewoonte in vodderige, paarsblauwe schriften maakte. Volgens een theorie van Reinhart had hij daar vroeger op school een gros van gekregen als prijs voor vlijt en goede vorderingen, en op zich was er niets wat die hypothese logenstrafte.

‘Ja, hrrm, dus …’ begon Heinemann. ‘Eerst maar over dat tochtje naar Aarlach dan?’

‘Waarom niet?’ zei de commissaris.

‘Hrrm. Het staat als een paal boven water dat mevrouw Hennan op donderdagochtend om acht uur haar huis in Linden per auto heeft verlaten. Dat heeft de buurvrouw verklaard. Bovendien heeft ze bij de oprit naar de snelweg bij Exxon getankt, dat weten ze daar nog, ze heeft er koffie en een broodje kaas gekocht en …’

‘Ga door’, zei de commissaris.

‘Natuurlijk. Het staat ook vast dat ze in de winkel van Hendermaag aan de Keizerstraat in Aarlach is geweest, tussen twaalf uur en kwart voor een ongeveer. Ze heeft er naar porselein gekeken en uiteindelijk twee stellen borden besteld … die waren niet op voorraad, vandaar … van een serie die Osobowski heet, koninklijk mintgroen, zes soepborden en zes gewone platte. Ze heeft honderd gulden aanbetaald, de rest bij levering, hm, dat komt er in haar geval natuurlijk nooit van …’

‘En toen?’ spoorde Reinhart hem aan.

‘Toen verliet ze de winkel.’

‘En?’ vroeg Reinhart.

‘Ik weet niet waar ze vervolgens naartoe is gegaan.’

‘Hoelang doe je erover om naar Aarlach te rijden?’ vroeg Münster. ‘Drie uur?’

‘Maximaal’, zei Reinhart. ‘Ze kan om vier uur terug zijn geweest. Waar brengt ons dat?’

‘We zijn er toch niet in geslaagd vast te stellen wanneer ze terug is gekomen?’ vroeg Münster. ‘Ze kan best ook nog iets anders hebben gedaan.’

‘Zeker’, zei de commissaris. ‘Ze kan een paar flessen sherry hebben gekocht, bijvoorbeeld. Verder nog iets, Heinemann?’

‘Ze is niet op de terugweg ook nog even bij Exxon langs geweest?’ kwam Rooth ertussen.

‘Helaas niet’, zei Heinemann.

‘Verder nog iets?’ vroeg Van Veeteren nogmaals.

‘Ja’, mompelde Heinemann en hij bladerde in zijn schrift. ‘Ik heb ook nog naar die firma gekeken, zoals afgesproken. Die van Hennan dus. G. Enterprises, hij heeft dezelfde naam gebruikt als eerder in de vs, kennelijk mag dat gewoon. Maar hij lijkt er niet veel mee gedaan te hebben … behalve dat hij die begin mei heeft laten registreren en dat hij een klein kantoor heeft gehuurd aan de Landemaarstraat in Linden dus … nee, feitelijk niets.’

‘Wat?’ zei Rooth.

‘Wat bedoel je?’ zei Reinhart. ‘Een bedrijf dat niets doet?’

‘Dat is niet verboden’, verklaarde Heinemann. ‘Het is normaal dat je een bepaalde activiteit uitoefent, maar in dit geval schijnt dat niet gebeurd te zijn.’

‘Moet je niet aangeven wat je ongeveer doet?’ vroeg Münster. ‘In ieder geval bij de belastingdienst?’

‘Jawel. Hennan heeft “handel” op zijn specificatie ingevuld. Maar dat zegt niet veel. Ik ga hier natuurlijk nog verder in duiken.’

‘Natuurlijk’, stemde de commissaris zuchtend in. ‘En dat was alles tot nu toe?’

Heinemann zette zijn bril af en begon hem met zijn stropdas te poetsen.

‘Ja’, bevestigde hij. ‘Tot nu toe wel.’

‘Schitterend’, zei Reinhart.

‘Ongetwijfeld’, mompelde de commissaris. ‘Nou, we gaan door. Rooth en Jung misschien?’

Rooth bracht enigszins terughoudend verslag uit van het bezoek aan Elizabeth Hennan en constateerde samenvattend dat als er ooit een ellendeling was geweest die het verdiende om achter slot en grendel te creperen, het Jaan G. Hennan was.

‘Als je om te beginnen vijf jaar lang je zusje verkracht, dan heb je je koers waarschijnlijk wel uitgezet’, zei Reinhart met afschuw in zijn stem. ‘Godsamme, als we dit monster niet kunnen oppakken, ben ik bijna bereid hem zelf onder handen te nemen.’

‘Rustig aan’, maande Van Veeteren hem. ‘Daar heb ik waarschijnlijk betere redenen voor dan jij, trouwens, maar we moeten ons ook in deze zaak aan de voorschriften houden.’

Reinhart keek de commissaris verbaasd aan.

‘Nu volg ik het even niet’, zei hij. ‘Wat voor redenen heb jij die beter zijn dan de mijne?’

‘Daar hebben we het een andere keer over’, zei Van Veeteren. ‘Hoe dan ook, het zou mooi zijn als we hem kunnen oppakken met de middelen die ons ter beschikking staan en verder niet. Zijn we het daarover eens?’

‘Best’, zei Reinhart. ‘Het was maar bij wijze van spreken.’

‘Ga maar door, Rooth’, zei de commissaris. ‘Die zus is zijn enige familie, vermoed ik?’

‘Klopt’, zei Rooth. ‘Zijn vader is vijftien jaar geleden in een psychiatrische instelling overleden. Zijn moeder al eerder. Ja, vervolgens zijn we het lijstje afgegaan van namen van mensen met wie hij omging toen hij de vorige keer aangehouden werd, in 1975. We hebben enkelen van zijn oude kennissen gevonden, maar ze hadden er allemaal geen idee van dat Hennan terug was … dat beweren ze in ieder geval. Ja, we hebben er tot nu toe nog maar twee gesproken, maar Jung en ik zagen geen reden om aan hun informatie te twijfelen, het lijkt erop …’

‘Stop’, viel Reinhart hem in de rede. ‘Toch heeft hij in deze categorie misschien een handlanger gevonden. Een oude bekende uit zijn tijd als drugsdealer. We moeten daarin zorgvuldig te werk gaan, dat is jullie hopelijk duidelijk?’

‘Volkomen duidelijk’, zei Rooth geërgerd. ‘Onze twee mannen heten Siegler en De Wilde. Siegler zit in Kaarhuijs voor een bankoverval. Hij had afgelopen donderdag geen verlof. De Wilde was in Karpatz, dat hebben we ook gecheckt.’

‘Mooi’, zei Reinhart.

‘Hoeveel namen hebben jullie?’ wilde Münster weten.

‘Tot nu toe een stuk of zes, zeven’, informeerde Jung hem. ‘Plus deze twee dus. Maar het worden er natuurlijk gaandeweg meer.’

‘Hopelijk wel’, zei de commissaris. ‘Maar ik neem aan dat jullie ook is opgevallen dat het echtpaar Hennan geen brede kennissenkring had.’

‘Nee, precies’, zei Rooth. ‘We zijn nog niemand tegengekomen die wil toegeven dat hij ook maar goeiedag heeft gezegd tegen monsieur Hennan. De afgelopen vijftien jaar in ieder geval niet.’

‘We moeten de buren niet vergeten’, merkte Heinemann rustig op. ‘De familie Trotta. Ze waren toch bij elkaar te eten geweest? Dan moeten ze het ergens over hebben gehad … misschien kan dat ons verder helpen?’

‘Daar heb je gelijk in’, zei de commissaris instemmend. ‘We moeten opnieuw contact met hen opnemen.’

‘Dat heb ik al aangekondigd’, verklaarde Münster. ‘Ik heb alleen mevrouw Trotta gesproken. Maar hoe zit het met dat kantoor? Daar moeten toch in ieder geval mensen in de buurt zitten?’

Jung schraapte zijn keel.

‘Dat heeft hij via een advertentie gehuurd. Het pand is van de man die het uitvaartbedrijf op de benedenverdieping heeft. Mordenbeck, heet hij en het is geen vrolijke Frans. Ze schijnen ongeveer twintig woorden met elkaar te hebben gewisseld, hij en Hennan.’

‘En het huis aan de Kammerweg dan?’ vroeg Reinhart. ‘Hoe zijn ze daaraan gekomen?’

‘Via een makelaar’, zei Münster, die dat was nagegaan. ‘Tieleberg, de eigenaar, woont in Almería in Spanje en hij hoefde niet eens te komen voor het ondertekenen van de papieren. De Hennans hebben het maar voor een half jaar gehuurd, trouwens … ja, het lijkt allemaal wel een façade.’

‘Een façade, ja’, stemde de commissaris mismoedig in. ‘Een haastig in elkaar geflanste façade, die nodig is om toe te kunnen slaan en één komma twee miljoen te verdienen. Ik hoef waarschijnlijk niet eens te zeggen dat beide auto’s huurauto’s waren … zowel de Saab als de Mazda.’

‘Ga weg!’ zei Reinhart. ‘Dat geloof ik niet.’

‘Het is zo’, zei de commissaris met een chagrijnig gezicht. ‘Het is maar al te waar. En Barbara Hennan is vermoord. En wij zijn rechercheurs die de zaak onderzoeken. Willen jullie nog meer waarheden horen?’

‘Ja, graag’, waagde Rooth het te antwoorden. ‘Daar knappen we vast van op.’

Van Veeteren wierp hem een lange blik toe en maakte zijn sigaret uit, die zijn vingertoppen begon te schroeien.

‘Oké’, zei hij. ‘Münster, vertel eens over Colombine!’

Münster rechtte zijn rug.

‘Zeker’, zei hij. ‘Heel graag. Het is nog niet honderd procent zeker, maar het lijkt er helaas op dat het personeel Hennan een alibi geeft voor het kritieke tijdstip. Barbara Hennan is immers tussen half tien en half elf overleden en een van de kelners in het restaurant weet zeker dat Hennan de rekening om kwart voor tien heeft betaald … of vijf minuten eerder of later. De barman is er ook zeker van dat hij hem vlak voor half elf een whisky heeft geserveerd. Toen zat zijn dienst er namelijk op. Dan mis je nog drie kwartier, maar die tussenliggende tijd zal waarschijnlijk nog door anderen ingevuld worden. Door onze vriend Verlangen, bijvoorbeeld.’

Het was even stil. Toen stond de commissaris op en ging voor het raam staan.

‘Beseffen de heren wat dit betekent?’ vroeg hij met vermoeide stem.

‘Hij heeft het niet gedaan’, zei Reinhart. ‘Jaan G. Hennan kan zijn vrouw niet hebben vermoord.

‘Precies’, zei de commissaris. ‘Hebben we vandaag toch iets bereikt. Zijn er nog opmerkingen?’

‘Koffie?’ vroeg Rooth voorzichtig.

De laatste helft van de vergadering stond ook in het teken van tegenwind.

Van Veeteren vertelde wat er in het rapport van Horniman stond, en degenen die het nu voor het eerst hoorden (Rooth, Jung en Heinemann), reageerden vrijwel hetzelfde als degenen die het wel hadden gelezen (Van Veeteren, Reinhart en Münster) eerder die dag. De commissaris vertelde ook wat er uit het gesprek met dokter Meusse naar voren was gekomen, en er werd ten minste één theorie betreffende het onverklaarde kind naar voren gebracht.

‘Dat heeft ze natuurlijk gekregen toen ze in die rottige sekte zat’, stelde Rooth vast. ‘Doodgeboren waarschijnlijk, ze leven op wortels en sprinkhanen en krijgen niet genoeg goede stoffen binnen.’

Rooths hypothese werd niet met gejuich begroet, maar er werd ook niet veel tegen ingebracht.

Münster vertelde dat bij een hernieuwd contact met Trustor Verzekeringen aan het licht was gekomen dat mevrouw Hennan niet aanwezig was geweest bij het ondertekenen van de verzekeringspapieren, en dat dat volgens gangbare procedures ook niet nodig was. Ten slotte las de commissaris een proces-verbaal van twee bladzijden voor van agent Kowalski – dat tweeënveertig spelfouten bevatte, maar die hoorde je niet wanneer je hardop las – over het doen en laten van de suspecte Jaan G. Hennan vanaf donderdagochtend tot en met de lunch van deze vrijdag. Er was geen crimineel of anderszins opzienbarend gedrag waargenomen, ook al was hij nauwgezet en intensief geobserveerd, behalve dan dat genoemde Hennan bij een bezoek aan jazzclub Vox op donderdagavond zijn schaduw een dubbele whisky had aangeboden aan de bar. De schaduw had, om onnodige achterdocht te vermijden, het drankje aangenomen, en ook anderhalve minuut met zijn observatieobject over algemene en neutrale onderwerpen gesproken.

Na het proces-verbaal van Kowalski verklaarde Van Veeteren de vergadering voor gesloten.

‘Het gaat niet denderend’, zei Münster toen hij en de commissaris een half uur later met hun vrijdagse biertje bij Adenaar zaten.

‘Nee’, zei Van Veeteren. ‘Daar zeg je een waar woord.’

Zowel in zijn stem als op zijn gezicht viel een zweem van moedeloosheid waar te nemen, die Münster niet gewend was. Hij leek zelfs in zichzelf gekeerd, op een manier die anders was dan de normale dromerige concentratie die Münster door de jaren heen had leren kennen. Hij vroeg zich even af wat daarachter zat. Er was iets persoonlijks tussen G. en Van Veeteren, dat had Van Veeteren laten doorschemeren, maar of dat stamde uit de tijd dat ze bij elkaar in de klas zaten, dertig, veertig jaar geleden, wist Münster niet. Na enige aarzeling vroeg hij op de man af hoe het eigenlijk met hem ging en de commissaris gaf toe dat hij niet bepaald in topvorm was.

‘Hier heeft Mort het weleens over gehad’, voegde hij eraan toe toen ze van het bier hadden geproefd. ‘Heb je Mort nog gekend?’

‘Ik heb hem een paar keer kort gezien’, zei Münster. ‘Ik heb hem nooit gesproken.’

‘Hij was moe de laatste jaren. Het ging snel, alsof hij opeens tegen een muur op was gelopen. Hij vertelde erover … maar in bedekte termen, ik weet niet of hij er eigenlijk over wilde praten, in ieder geval heeft het werk hem de das omgedaan.’

‘Waar ging het over?’ vroeg Münster.

Van Veeteren stak een sigaret op en keek even uit het raam voor hij antwoord gaf.

‘Ook zo’n soort zaak, waarschijnlijk. Of een paar zaken, misschien. Onderzoeken waarbij hij alles wist, maar toch geen resultaat kon boeken en de dader moest laten lopen.’

‘Dat overkomt iedereen’, zei Münster. ‘Je moet gewoon een manier vinden om daarmee om te gaan.’

‘Natuurlijk’, zei de commissaris. ‘Maar soms kun je die manier niet vinden. Ik geloof dat er in het geval van Mort ook iets persoonlijks meespeelde. Ik meen dat er ergens een familielid bij betrokken was, maar hij ging er nooit al te diep op in.’

Münster dacht even na.

‘In Amerika hebben ze de uitdrukking blue cops, wist u dat?’

Van Veeteren knikte vaag, maar zei niets.

‘Politiemensen die opgebrand zijn’, zei Münster. ‘Ze zijn oververtegenwoordigd in de zelfmoordstatistieken. Schrikbarend, gewoon … Dat heb ik een paar weken geleden gelezen.’

Van Veeteren nam een slok bier.

‘Ja, ik ken het verschijnsel. Een gepantserde ziel zou misschien goed van pas komen, maar helaas werkt dat ook niet. Je moet het duister tot op zekere hoogte in jezelf toelaten, anders verlies je een bepaald waarnemingsvermogen. Ik geloof dat Churchill daarover heeft geschreven. Dat hij Hitler in zekere zin begreep. Zelfs met de meest verrotte psyche moet je kunnen meevoelen, vergeet dat niet, Münster.’

Münster dacht er even zwijgend over na.

‘En G. heeft zo’n zwarte ziel?’

Van Veeteren trok zijn wenkbrauwen op. De vraag scheen hem te verbazen.

‘Zonder twijfel. Als hij al een ziel heeft.’

‘En wij moeten dus …?’

Münster onderbrak zichzelf en lachte, maar de commissaris keek nog steeds ernstig.

‘Speelt er …?’ vroeg Münster voorzichtig. ‘Speelt er dus ook in deze zaak een puur persoonlijk aspect mee? Net als bij Mort? U hebt immers eerder met Jaan G. Hennan te maken gehad.’

Van Veeteren leek geen zin te hebben die draad op te pakken en Münster nam aan dat hij te ver was gegaan. Hij nam een slok en leunde achterover. Hij keek discreet op zijn horloge en zag dat hij zo langzamerhand eens naar huis moest.

Of al naar huis had moeten gaan. Hij had Synn beloofd dat hij voor zes uur thuis zou zijn, ze kregen bezoek … haar zus met haar man, weliswaar, maar toch. Moest hij trouwens niet ook nog boodschappen doen onderweg …?

‘Zeker’, onderbrak de commissaris zijn gedachten. ‘Dat is zo. Een oeroud verhaal natuurlijk, maar er was een vrouw … of een meisje, kan ik beter zeggen.’

‘Een meisje?’ vroeg Münster.

‘Een meisje, ja. Negentien, twintig jaar …’

‘O?’ zei Münster met een plotselinge nieuwsgierigheid die zo hevig werd dat hij die niet kon camoufleren.

‘Ja’, zei de commissaris. ‘Maar daar hebben we het een andere keer over.’

Welja, dacht Münster en hij drukte zijn nieuwsgierigheid de kop in. Het had duidelijk geen zin om aan te houden. Hij dronk zijn bier op en maakte aanstalten om café Adenaar te verlaten.

‘En wanneer gaat u Hennan verhoren?’ vroeg hij.

Van Veeteren maakte zijn sigaret uit en dronk zijn glas ook leeg.

‘Vanavond’, zei hij. ‘Ik ga hem vanavond laat ophalen.’

‘Vanavond?’

‘Ja. Als het je interesseert, mag je best naar het spektakel komen kijken door de spiegelruit. Rond een uur of elf. Dan is Reinhart er ook, een paar extra oren en ogen kunnen waarschijnlijk geen kwaad.’

Münster dacht er gauw even over na en nam een besluit.

‘Ik kom’, zei hij. ‘Om elf uur?’

‘Misschien niet voor half twaalf’, zei Van Veeteren en hij stond op. ‘Het leek me dat de nacht een goed speelveld zou kunnen bieden voor dit soort oefeningen. Maar alleen als je tijd hebt, hoor.’

‘Ik zal tijd maken’, beloofde Münster en hij liep achter de commissaris aan naar de uitgang.