14

‘Mijn naam is Rooth’, zei Rooth. ‘Recherche. Ik heb gebeld.’

De vrouw in de deuropening keek hem niet aan. Ze was bleek en mager en als hij niet beter had geweten, had hij haar ergens in de vijftig geschat. Haar haar had dezelfde kleur als de roomkaas die hij ’s ochtends altijd at en het hing als twee verwassen, trieste gordijnen aan weerszijden van haar gezicht. Ze droeg een spijkerbroek en een grijze slobbertrui. Rooth merkte dat hij stond te glimlachen, omdat ze anders misschien nog instortte.

‘Ja?’ zei ze.

‘Mag ik binnenkomen?’

Ze aarzelde. Haar brede mond trilde een beetje, maar er kwamen geen woorden uit. Rooth kuchte ietwat beschroomd.

‘Een kort gesprekje maar, zoals ik al zei’, legde hij uit. ‘U hoeft zich geen zorgen te maken.’

‘Ik weet het niet …’

‘Als het u te veel wordt, moet u het maar zeggen. Maar het zou ons heel erg helpen als ik u een paar dingen mocht vragen.’

Ze beet op haar lip.

‘Dus u bent van de politie?’

Rooth haalde zijn portefeuille tevoorschijn en overhandigde zijn legitimatie, die hij haar zorgvuldig liet bestuderen en van alle kanten bekijken.

‘Recherche?’ vroeg ze. ‘Wat heeft dit te betekenen?’

Rooth pakte zijn legitimatiebewijs aan en stopte zijn portefeuille weer in zijn binnenzak.

‘Als we even naar binnen gaan, kan ik het uitleggen.’

Ze keek hem nog een paar seconden met grote, hulpeloze ogen aan. Toen liep ze achteruit de hal in en liet hem binnenkomen.

‘Ik begrijp niet waar het om gaat. Ik heb immers geen contact meer met hem. Ik voel me vandaag niet zo goed.’

Rooth knikte en liep de keuken aan zijn rechterhand binnen.

‘Hier maar?’

‘Ik weet niet of …’

Ze liep achter hem aan en ze gingen ieder aan een kant van een tafeltje met een blauw-wit geruit zeil zitten. Ze schoof een weekblad opzij en een halfleeg theekopje met een hartje erop.

‘U bent dus Elizabeth Hennan?’ vroeg Rooth.

‘Ja’, antwoordde ze voorzichtig, alsof het een geheim was dat liefst niet naar buiten moest komen.

‘U hebt een broer die Jaan Hennan heet? Jaan G. Hennan?’

Ze knikte zwijgend.

‘U vindt dit onprettig, dat zie ik aan u. Maar ik beloof u dat we op geen enkele manier misbruik zullen maken van de informatie die u geeft.’

Waar zou ze toch zo bang voor zijn? vroeg hij zich af.

‘Ik ga niet met hem om en ik weet niets van zijn leven.’

Rooth trok een meelevend gezicht en wachtte een paar seconden.

‘U bent de enige familie die hij nog heeft, als we het goed hebben begrepen.’

‘Ja.’

Ze keek naar de tafel. Rooth draaide even met zijn duimen.

‘Wat heeft hij gedaan?’

‘Hebt u de krant niet gelezen?’

‘U bedoelt … u bedoelt dat van zijn vrouw? Het was toch zijn vrouw?’

‘Barbara Hennan, ja’, bevestigde Rooth. ‘Ze is vorige week omgekomen, daarom hebben we wat informatie nodig over uw broer.’

‘Waarom? Ik wil niets met hem te maken hebben.’

‘Mevrouw Hennan’, zei Rooth ernstig en hij leunde iets dichter naar haar toe over de tafel. ‘Het is makkelijker als u niet zoveel vragen stelt. Binnen de politie hebben we bepaalde routines, we moeten zo veel mogelijk informatie inwinnen wanneer we met een zaak bezig zijn. Je weet niet altijd meteen wat relevant is en wat niet … begrijpt u wel?’

Daar dacht ze een poosje over na, terwijl ze haar handen beurtelings vouwde en weer losmaakte.

‘Wat wilt u weten?’ vroeg ze ten slotte.

‘Twee dingen eigenlijk’, verklaarde Rooth vriendelijk. ‘In de eerste plaats wat algemene informatie over zijn achtergrond, zeg maar. Hoe u bent opgegroeid en zo … In de tweede plaats hoe uw contact met hem is geweest sinds zijn terugkeer uit de Verenigde Staten.’

‘Mag ik die tweede vraag eerst beantwoorden?’

‘Vanzelfsprekend.’

‘Ik heb helemaal geen contact gehad met mijn broer sinds hij terug is. Geen enkel contact. Drie weken geleden kwam ik erachter dat hij waarschijnlijk in Linden woonde. Een … vriendin belde me op om dat te vertellen.’

‘Een vriendin?’

‘Ja.’

‘Hoe heet ze?’

Elizabeth Hennan aarzelde.

‘Doris Sellneck. Ze is vijfentwintig jaar geleden met hem getrouwd geweest. Dat huwelijk heeft vijf maanden geduurd.’

Rooth noteerde het.

‘Hebt u haar adres en telefoonnummer?’

‘Ik wil dat u haar met rust laat.’

‘Goed’, zei Rooth grootmoedig. ‘Dan respecteren we dat.’

Iemand met die naam heb je zo gevonden in een stad als Linden, dacht hij.

‘En uw broer heeft niets van zich laten horen toen hij weer hier was?’

‘Natuurlijk niet.’

Rooth dacht na.

‘Wij zijn thuis met vijf kinderen’, verklaarde hij. ‘Mijn broers en zussen zijn niet bijzonder dol op me, maar ze bellen wel een paar keer per jaar. Stuk voor stuk. Er moet iets grondig mis zijn met de band tussen u en uw broer.’

Daar ging Elizabeth Hennan niet op in.

‘Had u ook geen contact in de tijd dat hij in de vs zat?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Waarom niet?’

Ze maakte haar handen los en keek naar haar handpalmen. Er stopte een bus vlak voor het keukenraam. Naar alle waarschijnlijkheid was daar een halte, en een groep schoolkinderen stroomde naar buiten. Hun vrolijke roepen en lachen was net weggestorven toen ze antwoordde.

‘Jaan en ik praten al zesentwintig jaar niet meer met elkaar.’

‘Zesentwintig jaar?’ barstte Rooth uit. ‘Maar waarom …?’

‘Vanaf mijn achttiende verjaardag niet meer.’

‘Juist’, zei Rooth. ‘Maar vertelt u me nu eens hoe dat zo is gekomen.’

‘Toen ben ik uit huis gegaan.’

‘Ja?’

‘Mijn moeder is overleden toen ik vier was. Ik ben bij mijn vader en mijn broer opgegroeid, ik wil het hier niet over hebben, u moet mij zo met rust laten, het gaat niet echt goed met me …’

Haar stem klonk nu anders, merkte Rooth. Hij begreep dat er iets in haar aan het doorbreken was en hij probeerde begripvol te kijken, net als een maatschappelijk werker of een soort biechtvader. Dat ging hem niet erg goed af, maar dat maakte niet uit, aangezien Elizabeth Hennan haar ogen strak op haar handen gericht hield.

‘Mijn broer was zes jaar ouder dan ik. Mijn vader was ziek, dat had ik pas door toen ik al volwassen was en hij in een tehuis terechtkwam. Vanaf mijn tiende deden ze het om de beurt met me. Elke avond, vijf jaar lang, elke avond hoort u dat? Wilde u dat weten? Bij dezen dan, nu heb ik het gezegd. Ernst Hennan en zijn zoon hebben de kleine Elizabeth vijf jaar lang elke avond geneukt! Vraagt u zich nog steeds af waarom ik mijn broer geen kaartje stuur met Oud en Nieuw? Vraagt u zich nog steeds af waarom ik hem en die rotvrouwen van hem niet te eten uitnodig? Laat me nu met rust, ik heb niets meer te vertellen.’

Ze zweeg. Ze had nu kleur in haar gezicht. Rooth slikte. Er verstreken vijf seconden.

‘Dank u wel’, zei hij. ‘Dank u wel dat u dit hebt verteld … en mijn excuses dat ik zo opdringerig moest zijn. Kan ik … kan ik iets voor u doen?’

Waarom vraag ik dat? dacht hij verward. Of ik iets voor haar kan doen. Dat komt dan toch veel te laat.

Ze streek haar haar opzij, keek hem even aan en schudde haar hoofd. Rooth stond op, maar ze maakte geen aanstalten met hem mee te lopen naar de deur.

‘Tot ziens en fijn dat ik even langs mocht komen.’

‘Tot ziens.’

Toen hij de deur achter zich had dichtgedaan, scheen de zon in zijn gezicht. Hij had niet het gevoel dat hij dat had verdiend.

Op donderdag was Maarten Verlangen jarig. Zevenenveertig werd hij. Al om half acht ’s ochtends werd hij door zijn dochter Belle wakker gebeld en aan dit enorme, maar oneven aantal herinnerd. Ze zong een paar regels, feliciteerde hem hartelijk en zei dat ze snel naar school moest. Ze had ook nog geen cadeautje, maar ze hadden immers voor zaterdag afgesproken, hield hij het nog zo lang uit?

Hij verzekerde haar dat dat wel zou lukken en viel weer in slaap.

De volgende gelukwens kreeg hij pas om half vier ’s middags. Verlangen zat toen al drie uur op zijn kantoor in de Armastenstraat. Hij had twee biertjes gedronken, een tiental sigaretten gerookt en zich suf gepiekerd over de vraag hoe het verder moest met die verdomde Barbara Hennangeschiedenis.

De middelen van een privédetective waren toch enigszins beperkt en hij had weinig zin om commissaris Van Veeteren op het politiebureau op te bellen om de zaak te bespreken of zijn diensten aan te bieden. Dat ging op de een of andere manier te ver, had hij het gevoel, maar als hij gebeld werd, ja, dan was het natuurlijk wat anders.

Maar dat gebeurde dus niet. Op deze warme middag in juni kwam er geen enkel telefoontje binnen bij detectivebureau Verlangen. Niet voordat Bertram Grouwer belde om hem met zijn verjaardag te feliciteren dus.

Misschien klopte het wat Verlangen altijd al had vermoed, dat er maar één persoon om hem zou treuren als hij van de aardbodem verdween (zijn dochter Belle), maar Bertram Grouwer zou waarschijnlijk wel op de begrafenis komen. Mensen die verjaardagen onthielden, kwamen vaak ook op begrafenissen, vermoedde Verlangen, maar het was niet helemaal zeker dat die regel ook voor Grouwer opging. Hij was namelijk ook jarig. Op dezelfde dag, en hij werd even oud.

Behalve die overeenkomst – en het feit dat ze zes jaar lang bij elkaar op de Weiversschool hadden gezeten – hadden ze echter niet veel gemeen.

Ja, dat ze beiden gescheiden waren en geen lid van de blauwe knoop.

Daarom belde Grouwer. Hij was ’s ochtends ook door zijn kinderen gebeld (twee jongens van veertien respectievelijk twaalf jaar oud), en dat vond hij een beetje mager. Zou het geen goed idee zijn, vroeg hij, om vanavond een kleine kroegentocht te maken en bij een paar biertjes samen uit te barsten in geweeklaag over het leven en de ondraaglijke kortheid ervan?

Grouwer werkte als freelancejournalist voor het Neuwe Blatt en dit was zijn gebruikelijke manier van spreken. Verlangen dacht een paar seconden na en verklaarde toen dat hij dat een verdraaid goed idee vond.

Ze begonnen bij Kraus. Ze namen een vissoep die prijzig was, maar het geld wel waard (vond Grouwer althans), ze dronken twee flessen riesling en koffie met cognac. Verdomme (vond Grouwer), je was maar één keer per jaar jarig en soms moest je jezelf een beetje verwennen.

Ze gingen verder naar Adenaar, daar namen ze een paar biertjes en kwamen over het wezen van de vrouw te spreken. Grouwer was het afgelopen half jaar een paar keer uit geweest met een lange, aantrekkelijke schoonheid, maar ze bleek een gecompliceerd karakter te hebben. Mooi als de zonde, fantastisch in bed, maar met zwakke zenuwen, zoals bleek. Ze vond het ook niet leuk dat hij twee keer per week naar het voetballen ging en dat hij ’s ochtends bij de koffie een sigaar wilde roken.

Verlangen voelde zich tamelijk dronken toen ze Adenaar verlieten en had het liefst naar huis willen gaan, maar Grouwer stond erop dat ze de avond in jazzclub Vox aan de Ruydersallee zouden afsluiten. Na een korte innerlijke strijd zwichtte Verlangen en ze liepen die kant op. Er stond een rij voor de club, en ze moesten twintig minuten in een rustig motregentje buiten staan voordat ze werden binnengelaten. Dit had een akelig ontnuchterende uitwerking, dus zodra ze een vrij plekje hadden gevonden, namen ze beiden een stevige whisky. Dat was nodig om het vocht uit het lichaam te verdrijven. Vier donkere musici speelden op het podium, het was druk en rokerig in de zaal, maar toch duurde het maar enkele minuten voordat Verlangen Jaan G. Hennan in het oog kreeg, die een paar meter verderop aan een tafeltje zat. Bij anderen, maar het zag er niet naar uit dat hij bij hen hoorde. Er waren weinig zitplaatsen; je schoof gewoon ergens aan als je een lege stoel zag.

‘Krijg nou wat’, zei Verlangen en hij stak een sigaret op.

‘Wat?’ vroeg Grouwer.

‘Krijg nou wat’, herhaalde Verlangen. ‘Daar verderop zit een moordenaar.’

‘Wat zeg je me nou?’ vroeg Grouwer en hij keek om zich heen.

Verlangen besefte meteen dat hij stom geweest was, maar soms leek het wel of bepaalde opmerkingen niet tegen te houden waren. ‘Daar verderop zit een moordenaar’, was ongetwijfeld zo’n opmerking.

‘Ik maakte maar een grapje’, zei hij. ‘Proost.’

Grouwer raakte zijn glas niet aan.

‘Je maakte helemaal geen grapje’, zei hij. ‘Wie bedoel je?’

Verlangen nam een slok whisky. Ik ben een idioot, dacht hij. Grouwer houdt niet op voordat ik hem aanwijs.

‘Even naar de plee’, zei hij.

Grouwer knikte.

‘Intussen kijk ik of ik kan raden wie je bedoelde’, zei hij. ‘Als ik het goed raad, trakteer je mij op een biertje. Als ik het fout raad, krijg je er een van mij.’

Verlangen ging staan en voelde dat hij weer dronken was. Hij wierp een blik op Hennan, die zat te roken en volledig leek op te gaan in ‘Take the “A” Train’, het nummer dat nu op het podium ten gehore werd gebracht.

‘Je doet maar wat je niet laten kan’, zei hij en hij baande zich een weg naar de toiletten.

Toen hij terugkwam keek Grouwer als een kat die een kanarie heeft opgepeuzeld.

‘Het is die man in dat gestreepte overhemd’, zei hij en hij knipoogde samenzweerderig.

‘Wie?’ vroeg Verlangen en hij keek weer om zich heen.

Grouwer gebaarde met zijn hoofd.

‘Schuin achter me. Vlak bij het podium. Naast dat in het rood geklede ding.’

Verlangen tuurde in de aangegeven richting en kreeg het doelwit in de gaten. Een magere vijftiger met zwart, keurig gekamd haar en een lelijk klein snorretje.

‘Absoluut niet’, zei hij. ‘Je bent me een biertje schuldig.’

‘Hè, jammer’, zei Grouwer en hij pakte de serveerster die net langskwam bij de arm. Hij bestelde twee lager en een emmer pinda’s.

‘Je moet toch vertellen wie je bedoelde’, constateerde hij daarna. ‘Als ik ook naar de wc ga, wil ik verdomme weten of ik naast een moordenaar sta te pissen of niet. Dat is het minste wat ik mag vragen.’

Verlangen zuchtte. Hij dacht even na over debet en credit terwijl Grouwer hem verwachtingsvol aankeek. Hij dronk zijn whiskyglas leeg.

Ach, dacht hij. Wat maakt het ook uit?

Het was een paar minuten over half twee toen Maarten Verlangen thuis in de Heerbanerstraat in bed rolde na het vieren van zijn verjaardag. Hij had de grens van tien biertjes ver overschreden, dat kon hij goed voelen, maar toch had hij nog maar een half uur geslapen toen hij wakker werd en zich zo fris voelde als een pasgeboren veulen.

Potverdorie, dacht hij en hij begon in de la van zijn bureau naar zijn adresboekje te zoeken. Hoe is het mogelijk dat ik daar niet aan heb gedacht?

Na een paar minuten zoeken vond hij het nummer, maar toen hij de telefoon twintig keer had laten overgaan begreep hij dat het zinloos was.

Sommige mensen komen uit bed en nemen op wanneer om twee uur ’s nachts de telefoon gaat, andere niet.