Hoofdstuk 4
Oorlogsstudent (1940-1941)
Nadat ik ontslagen ben uit de opbouwdienst krijg ik vanaf juni 1940 van Defensie een wachtgeld van negentig gulden per maand. Hiermee kan ik mijn studie betalen. Dertig gulden per maand voor een kamer en zestig gulden voor eten en onderhoud. Ik huur een klein kamertje met een bed, tafel en een stoel. Onder mij woont een kerel die al tien jaar bezig is arts te worden. Dat heeft te maken met een erfenis. Zolang hij nog geen arts is krijgt hij jaarlijks een forse toelage. Die vent is getrouwd, heeft twee kinderen en komt altijd aanrijden in een prachtige calèche. Jaarlijks wordt-ie afgewezen waarna een nieuw deel van de erfenis op zijn rekening wordt gestort.
In Leiden is het aanvankelijk redelijk rustig. Ik eet vaak bij Moeke. Zij is een echte boerenhuisvrouw. Ze heeft een klein zaakje. Een soort kamertje met een tafel en vijf stoeltjes. Daar kan je voor een gulden avondeten kopen. Aardappelen en groente met worst of vlees. Het is goed, maar altijd te weinig. Als je haar helpt met de afwas krijg je een extra schep aardappelen of groente. Ik doe dat regelmatig. Tussen de middag moet ik vaak zelf wat zien te ratsen. Soms heeft de broodjeszaak een warme prak. Ik gooi dan een paar kwartjes op tafel en krijg dan wat haksel van aardappels en peentjes. Het maakt mij niet veel uit. Ik ben blij dat ik wat binnen krijg. Mijn ouders kunnen met die coupons redelijk eten, maar zeker niet teveel.
Op de universiteit beweren de hoogleraren dat de drie jaren op de Koninklijke Militaire Academie verspilde tijd zijn geweest. Ik trek me er niets van aan en wil zo snel mogelijk mijn ‘propjes’ halen. Ik sluit me op en studeer erg hard. Ik krijg Histologie van professor Bok. Tijdens één van de lessen pakt hij een preparaat en zegt:
‘Kijk ik maak hier dunne plakjes van en leg dit, mijne heren, op zo’n mooi plaatje. Daarna gaat er Hematoxoline Esophine op. Jullie zien dat er na verloop van tijd in het mooie Oranje wat vuiligheid naar boven drijft. Begrijpen de heren hoe dat eruit ziet?’, zegt hij met een minzame grijns.
Kijk, die de Bok bedoelt dat er ook op de universiteit, ja zelfs onder de studenten, verraders zitten. Dat is het vuil dat in deze tijd komt boven drijven. Het wordt mij duidelijk dat je buurman een NSB’er kan zijn. Een gedachte die me verward en het besef laat groeien dat de samenleving steeds grimmiger wordt. Professor Bok is een grote, prachtige kerel. Niet lang daarna gaat ie de ‘kast’ in. Verraden. De vergelijking die hij heeft gemaakt werd niet getolereerd. Dat is anti Duits. In die dagen verneem ik ook dat de studiegenoot die beter had gescoord op de kma, lid is geworden van de ss en later sneuvelt in Griekenland. Ik word bang. Ik durf niet meer met iedereen te praten en vertrouw alleen mijn ouders, mijn zuster en Hans Stam.
Artsen hebben een sterke positie. Die Moffen zijn als de dood dat er epidemie uitbreekt. Ze hebben de artsen heel hard nodig om dat te voorkomen. Die mogen niet gaan staken. Ik schrik van de hoeveelheid Moffen die inmiddels in Nederland zijn. Honderdduizenden. Ze zitten voornamelijk aan de kust. Als ze over straat lopen hoor je ze zingen, ‘und wir fahren gegen Engeland’.
Ze vreten Nederland helemaal leeg. Taartjes met slagroom. Koffie. Alles uit de winkels nemen ze mee. Op straat zie je ze lopen met hele kazen onder hun arm. Maar goed, ik wil mijn ‘propjes’ halen dus blijf ik studeren. Na enkele maanden kan ik examen doen. Bij het eerste examen, Histologie, krijg ik een kleurloos weefsel. Ik ben daardoor op het verkeerde been gezet maar beschrijf toch talrijke details zonder te weten welk weefsel het betreft. De hoogleraar glimlacht en zegt:
‘Wonderbaarlijk wat je met de microscoop hebt gezien. Saluut.’ Mooi, dat vak is binnen.
Daarna Scheikunde. Wekenlang heb ik alle formules uit het dikke boek in mijn kop gestampt. Gelukkig heb ik een goed geheugen. Ik moet voor een groot bord plaatsnemen. Ik krijg krijt en wordt een uur te grazen genomen met allemaal verbindingen en formules. Na afloop zegt die hoogleraar ‘Het spijt me verschrikkelijk jongen….’,
‘O God, moet ik dit overdoen?’
‘…dat u arts wordt. U zou een uitstekend scheikundig ingenieur zijn. U krijgt een negen.’
‘Donder op kerel’, denk ik en schud hem vriendelijk de hand.
Weer een vak erbij. De laatste hindernis is Zoölogie. Ik heb werkelijk alles uit mijn kop geleerd. Als je op mijn navel drukt spuit de kennis eruit. Voor het eerste deel haal ik een vier en voor het tweede een acht. Ik ben geslaagd. In vier maanden heb ik mijn ‘propjes’ gehaald.
Ik word daarna benaderd door een tweetal studenten. Of ik ze wil helpen bij hun ontsnapping. De jongens hebben twee bootjes, onderdeel voor onderdeel, naar een schuurtje in de duinen gebracht. Ik moet ze die nacht helpen de bootjes naar zee te dragen.
‘Dat is goed. Water niet maar jullie bootjes wel.’
Die nacht fiets ik naar de duinen. Het is winderig en regent lichtjes. Als ik bovenaan het duin mijn fiets verstop vrees ik een storm. Ik moet goed opletten geen Moffenpatrouille tegen het lijf te lopen. Uiterst behoedzaam manoeuvreer ik door de duinen naar de afgesproken plaats. In het schuurtje liggen twee kano’s met een motortje. Helemaal geen zeilen erop. Er is maar mondjesmaat benzine aanwezig. Die hebben ze links en rechts geratst.
‘Dit is veel te gevaarlijk’, en dat laat ik hen ook weten.
Maar die gasten willen weg. Behoedzaam sjouwen we de spullen naar de kustlijn. Met z’n drieën prepareren we alles en niet lang daarna glijden ze weg in een gitzwarte onvoorspelbare duisternis. Ik zit in de duinen te luisteren naar het wegstervende motorgeluid. Na verloop van tijd hoor ik voetstappen. Ik duik weg. Door het helmgras zie ik een donkere gedaante mijn kant op komen. Ik ben doodsbang maar durf me niet te bewegen. Dichterbij herken ik één van die twee knapen. Zijn boot is na anderhalve kilometer omgeslagen. ‘Mijn bijbel’, kermt hij ‘ik heb mijn bijbel verloren.’ Hij is bang dat ‘Het Woord’ met zijn naam, zal aanspoelen en door de Moffen zal worden gevonden. Ik heb later in Engeland navraag gedaan naar z’n kameraad maar die is daar nooit aangekomen. Als ik na vieren thuis kom denk ik, ‘Dit nooit. Ik kan goed zwemmen maar vluchten doe ik nooit over water.’
De sfeer in de stad wordt steeds grimmiger. Professor Bok is weg. Er duiken steeds meer nsb’ers op en Duitsers domineren het straatbeeld. Op een middag gonst het onder de studenten. Professor Meier, een Jood die het boek voor Internationaal Recht heeft geschreven, is gevangen genomen. Hij is door de Moffen uit z’n huis gehaald. Niet lang daarna verzamelen zich honderden studenten bij zijn woning. Met elkaar vormen we een lange rij. Iemand haalt de boeken uit zijn huis en die worden doorgegeven naar achteren. Ik weet niet waar die rij eindigt maar zijn boeken zijn veilig. Kort daarna houdt Professor Cleveringa op de universiteit een toespraak. Hij laat in ferme bewoordingen geen spat heel van de Moffen. Zijn woorden zijn zo krachtig en opzwepend dat we met z’n allen spontaan het Wilhelmus zingen. Die Grüne Polizei en Duitse soldaten staan er met klapperende oren naar te luisteren. Het is een bijzondere ervaring. Sommigen springen uit enthousiasme in het Rapenburg. Opeens denk ik, ‘Jan jij moet de microscoop van je vader redden.’ Ik krijg een opgejaagd en chaotisch gevoel. Ik spring op de fiets en rij naar het laboratoriumgebouw. Even later, de microscoop heb ik onder mijn arm, bestormen tientallen Duitse soldaten het plein en ketenen de hekken rondom het universiteitsgebouw.
In het begin van 1941 wordt in Den Haag Joodse mensen de toegang tot cafés en restaurants geweigerd. De hoofdcommissaris van politie, aanhanger van de nsb, besteld vijfhonderd kartonnen kaartjes en vijfhonderd houten bordjes met het opschrift: Niet voor Joden.
In de loop van 1942 mogen ze ook niet meer in banken komen en raken de Joden steeds meer geïsoleerd. Ze zijn vanaf dat moment alleen nog welkom in Amsterdam. Sommige Joden duiken onder, anderen zien geen uitweg en laten zich naar Westerbork deporteren.
Ik ben in die dagen vaak thuis. Praat veel met mijn vader. Hij merkt dat alle gebeurtenissen me aangrijpen. Ik hoor hem tegen mijn moeder zeggen:
‘Die jongen zit niet goed in z’n vel.’
Hij ziet dat alles wat ik doe mislukt. Ik heb geen examen kunnen doen op de kma, de universiteit is gesloten en ik weet niet meer wie ik kan vertrouwen. Ik schreeuw tegen mijn moeder:
‘Snapt u niet dat ik boos ben? Luitenant ben ik niet meer, arts wordt de nek omgedraaid en ik weet ook niet meer wie goed en fout is.’
Ik heb hier later mijn excuses voor aangeboden.
Ik ga die dagen vaak naar het strand. Van ellende lig ik daar in de zon of ga wat zwemmen. Op een middag val ik in slaap. Als ik wakker word is de zon verdwenen en ben ik ijskoud. Ik kleed me aan en fiets rillend naar huis. ’s Avonds heb ik veertig graden koorts. Mijn vader luistert.
‘Ik snap er geen donder van’, zegt hij.
‘Heb je pijn bij het hoesten?’
Mijn moeder zegt tegen mijn vader:
‘Hij komt vannacht naast mij liggen en jij gaat naar boven.’ De volgende morgen komt de internist. Gewoon aan huis hoor. Kistje met spullen bij zich. Die vent doet zelf een bloedonderzoek. Hij gelooft dat mijn amandelen opgezet zijn! Naast ons woont een kno arts die een andere diagnose stelt:
‘De amandelen zijn niet ontstoken maar moeten er wel uit als hij genezen is.’
Ik verbaas me dat zoveel geleerden nog steeds niet weten wat ik heb. De vierde dag staat mijn vader zich voor de spiegel te scheren. Ik begin te hoesten en hij roept ‘verdomme’ en laat alles uit z’n handen vallen. ‘Mijn stethoscoop’, schreeuwt ie terwijl hij de kamer verlaat. Even later komt ie terug, luistert, knikt en fluistert, ‘Je hebt een longontsteking jongen. Hoe kom je daar nou aan?’. Hij opent de schuifdeuren van z’n werkkamer. Achter zijn bureau staat een grote kast vol met proefmonsters. Honderden. Hij pakt ze er allemaal uit en begint te zoeken. Iets wat de longontsteking geneest. Hij vindt twee ampullen. Proefmonsters die hij het jaar daarvoor uit Engeland heeft gekregen:
‘rs 101-50. God mag weten wat het is, Jan. Ik weet het niet maar ik lees dat het helpt.’
Hij geeft me een injectie en wat denk je? De volgende morgen is de temperatuur nog slechts zesendertig half. Ik hoor mijn vader zeggen:
‘Die tweede ampul is voor mezelf!’
Mijn vader wil dat ik de artsenstudie in Amsterdam voortzet. Dus ik schrijf me in maar de studie start pas volgend jaar. Ik loop daardoor een risico. Hollanders die niet werken worden door de Moffen in hun nekvel gegrepen en in Duitsland tewerkgesteld. Ik ga naar de Pensioenraad op het Bezuidenhout. Ik kan meteen aan de slag. Ik werk met vier meiden. Pensoenen uitrekenen. Het interesseert me geen donder. Die meiden zijn zo lief. Goddank doen die mijn werk. Daardoor kan ik rustig mijn anatomie en natuurkunde bijwerken. Op een ochtend word ik bij de directeur geroepen. Zou er toch eentje hebben gepraat? Ik kom in zijn kantoor en neem zenuwachtig plaats in een antiek hard geworden stoel.
‘Wynekes, u heeft een pietsje verstand van oorlog en zo. Denkt u dat de Duitsers winnen?’
Ik kijk hem een moment verbaasd aan en zeg:
‘In het begin wel maar later niet meer.’
‘Weet u dat heel zeker?’
‘Honderd procent. De Moffen komen nooit het kanaal over. De Engelse marine is zo groot en machtig. Daar komen ze echt niet aan land. En dan hebben ze ook nog hun Luchtmacht. Je moet luchtsuprematie hebben. Overwicht van boven. In degevechten bij de Grebbeberg hadden wij geen luchtsteun. Geen Hollands vliegtuig gezien. Engelsen hebben dat wel dus die Moffen maken daar geen schijn van kans.’
‘Meent u dat nou?’
‘Geheid.’
‘Dat is een pak van mijn hart.’
Als ik zijn kantoor verliet slaak ik een zucht van verlichting. Geweldige meiden. Prima teamwork. Suprematie op de werkvloer is ook belangrijk. Ik kan weer verder met mijn studie!
Zes maanden later start de nieuwe inschrijving voor de universiteit van Amsterdam. Met drie studenten reis ik per trein naar de hoofdstad. Bij een klein pension vragen we of we met z’n vieren één kamer kunnen huren. Studenten, weinig geld, morgenvroeg om half vier op en een zielig smoelwerk. Ik zie nog dat gezicht van die vrouw,
‘Oh, zijn jullie van die richting.’
‘Nee, wij moeten morgenochtend om vier uur bij de universiteit zijn om ons in te schrijven voor de medicijnenstudie.’
‘O, het moet dokter worden en gaat met z’n vieren in één bed liggen’, antwoordt de onvervalste Amsterdamse. Maar enfin, ze gaat akkoord en wij met z’n vieren in een tweepersoonsbed. Met de benen buitenboord in zo’n smoezelig pensionnetje. De volgende ochtend vertrekken we rond vier uur zonder ontbijt naar de universiteit. Het is zeven graden onder nul maar we staan vooraan. Na uren wachten, er staan inmiddels zo’n veertig studenten, gaat om half negen de deur open. Een hoogleraar overziet het gezelschap en roept triomfantelijk ‘Iedereen is aangenomen!’
De inschrijving vindt plaats in één van de lokalen. Ontspannen loop ik naar binnen. Ik kijk rond en krijg de schrik van mijn leven. Mijn adem stokt. Er liggen allemaal lijken. Oefenmateriaal voor studenten. Ik heb zoiets nog nooit gezien. Ik huiver. Er zijn diverse negers bij die, zo hoor ik later, verdronken zijn en wier afkomst onbekend is. Gelukkig zijn de formaliteiten snel voorbij en kan ik dat lokaal verlaten. Ik moet alleen nog een tientje betalen op de administratie. In Leiden had ik voor een tientje gestudeerd en nu opnieuw.
Ik ga in Amsterdam bij mijn zus Marie wonen. Zij studeert voor gymnastieklerares en heeft in de Wouwerstraat een kamer in een imposant herenhuis. Op de bovenste verdieping is een kamer vrijgekomen. Bij mijn entree schrik ik geweldig. Op de eerste en tweede verdieping zitten Moffen ingekwartierd. Een lieve mevrouw gaat mij voor naar het kamertje. Er staat een bed, kast, tafel en een kamerlamp om te studeren. Via de gemeente krijg ik bonnen voor diverse producten. Brood, zoveel gram van dit en zoveel pakjes van dat. Mijn zuster regelt dat allemaal. Ik ‘rats’ veel. De vrouw vertelt mij dat haar man een Oostenrijker is.
‘Dat is erg.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Hij zal wel opgeroepen worden, mevrouw. Knuffel hem maar goed want binnenkort is hij weg.’ Begint die mevrouw te snikken. Sta ik daar met een huilende hospita.
Een week later rij ik op mijn fiets door de stad op weg naar de universiteit. Er hangt een vreemde sfeer. Bovendien zit alles wat ik in Leiden heb meegemaakt me niet lekker. Ineens lees ik, op een bord boven de weg, ‘Judenviertel’.
Ik vraag een Amsterdammer:
‘Wat is dit voor gedonder?’
‘Oh hier worden Joden gegrepen. Gebeurt meestal ’s nachts. Bij hun sodemieter gepakt, in een auto gezet en weggevoerd.’
Ik verkramp. Ik staar wezenloos naar dat bord en praat in mezelf:
‘Ik ben verdorie helemaal belazerd door die Duitse majoor. Niks blijft bij het oude. Ze infiltreren. Ze nemen het hele zaakje over.’
Ik word zeikend van woede. Ik kan niet tegen onrecht. Dan word ik zo giftig als de pest. Overal in de stad voel je het onrecht groeien. Er ontstaan steeds meer problemen. Sommige burgers hebben een gebrek aan voedsel. Op de universiteit bereidt een hoogleraar zelfs eten voor de studenten.
Op straat zie je steeds meer Duitse uniformen en er lopen steeds meer Hollanders over naar de vijand. En, dat is het ergste, je durft met niemand meer te praten. De vrijheid van geest is weg. Als je een zaak binnenkomt zeg je niks. Tegen een vent op straat zeg je niks. Ook de politie is aan het veranderen. Je ziet het gebeuren. Bij opstootjes tussen studenten en nsb sympathisanten worden de studenten opgepakt. De nsb’ers niet. Je durft je niet meer te uiten. Jouw zwijgen vertelt het verhaal van de gegijzelde geest die is vervangen door wantrouwen tegenover iedereen.
Ook het aanbod van de bioscoop wordt anders. Geen leuke flauwekul uit Amerika of Engeland met Ginger Rogers of Fred Astaire maar in plaats daarvan films waarin zegevierende Duitse legers de hoofdrol spelen. Waarin Joden te grazen worden genomen. Vuile films, allemaal propaganda. Zo’n Moffen generaal met zijn voet op een Russisch hoofd. Iedereen moet de macht van Duitsland zien. Hitler bij de Eiffeltoren. Ik word er doodziek van. Ik ga niet meer naar de bioscoop. Daar draaien geen films, maar realiteit!

Een bonnenkaart van Jan die in 1939 te Breda aan hem is uitgegeven en waarmee hij levensmiddelen en spullen kon krijgen.
Een paar maanden voor de Kerst van 1941 ontmoet ik op een feest een secretaresse van het Departement. Tijdens het dansen vertelt zij dat er vervelende geruchten zijn. Dat alle onder- en beroepsofficieren worden opgepakt en naar een krijgsgevangenenkamp worden gestuurd. Ik schrik me rot. De woorden van de secretaresse laten me niet meer los. Na het feest loop ik naar het politiebureau. Gelukkig is mijn vriend Hans, die een opleiding volgt tot inspecteur van politie, aanwezig. Hij ziet mijn bezorgde blik en vraagt:
‘Jan, jongen, wat draag jij met je mee? Je kijkt niet best.’
Ik vertel hem dat ik met een secretaresse van het Departement heb gesproken. Dat ze mij belangrijke informatie heeft gegeven. Op dat moment wordt Hans weggeroepen voor een spoedgeval. Hij snelt met collega’s het bureau uit.
‘Ik kom morgenavond terug’, roep ik hem na.