Hoofdstuk 2
Opa studeert (1965-1971)
In mijn militaire uniform meld ik mij in 1965 in Utrecht bij een hoogleraar op de universiteit.
‘Wat voor rang heeft u, want daar heb ik geen verstand van.’
‘Ik ben kolonel en wil student medicijnen worden.’
‘Zou u dat nou wel doen? Hoe oud bent u?’
‘Ik ben zevenenveertig en wil het in zes jaar halen dan kan ik nog twaalf jaar arts zijn.’
Hij geeft mij zijn zegen en benadrukt dat de propedeuse die ik in Leiden heb gehaald niet telt.
Vlak voor de oorlog was ik in Leiden begonnen aan de studie Geneeskunde en had mijn ‘propjes’ gehaald. Tot grote vreugde van mijn vader. De Leidse universiteit werd echter door de Duitse bezetter gesloten. Ik heb het nog geprobeerd in Amsterdam, maar de situatie werd te gevaarlijk. Ik moest ‘piepen’ en ben met mijn kameraad Hans Stam gevlucht. Samen hebben we een hachelijk avontuur meegemaakt dat via België, Zwitserland, Frankrijk, Spanje, chantage, gevangenissen, consulaten, valse paspoorten en heel veel geluk ons uiteindelijk gescheiden in Engeland bracht. Alles wat ik vanaf de eerste oorlogsdagen tot na de bevrijding heb meegemaakt heeft invloed op mijn verdere leven. Oorlog maakt van mensen moordmachines en amputeert het leven van meerdere generaties. Oorlog kent geen mededogen. Het is ‘hij of ik’. De oorlog heeft mij iets onvervangbaars afgenomen en gegeven. Intens verdriet en onwerkelijk geluk. Ik zal het u allemaal vertellen…
Ik hoef alleen het practicum maar over te doen. Met een stelletje kerels die gekelderd zijn bereid ik in de zomer alle practica voor. Terwijl de zon op ons dak in Ermelo brandt zit ik te studeren op alle botjes en spiertjes. Mijn kamer ligt vol met papiertjes waarop aantekeningen staan. God, ik weet niet of mijn geheugen het nog doet na al die jaren. Ik studeer alsof mijn leven er vanaf hangt. Naast mijn bed staat een klein bureautje. ’s Morgens om zes uur sta ik op en zit de hele dag te blokken. Tien uur per dag. Ik ontdek dat ik dit destijds in Leiden verkeerd heb gestudeerd. Stomweg uit mijn kop leren zonder begrip heeft geen zin. Ik moet weten waar die spier aan vastzit en begrijpen welke functie hij heeft. Daar gaat het om. Maar ik heb nu wel mijn twijfels over mijn geheugen. Zal ik alles nog wel kunnen onthouden? Ik ben alleen maar bezig met de studie. Geen feestjes ’s avonds of in het weekend. Voor mijn gevoel gaat het examen prima en aan het einde zegt de hoogleraar,
‘Neem nog maar een kop koffie en dan opdonderen.’
Het was voor mijn kinderen een vreemde situatie. Zij waren gewend aan een vader die weinig thuis was maar hadden nu opeens een vader van bijna vijftig die dagelijks naar school ging en avonden boven zat te studeren. De opvoeding kwam helemaal op de schouders van Sheila terecht. Tijdens mijn militaire periode was ik heel veel weg. Als ik dan na weken thuiskwam gaf ik mijn zoon een trap onder z’n reet en vroeg wat die klootzak had uitgespookt. Sheila deed alles hè. Zij heeft dat geweldig gedaan en mij altijd honderd procent gesteund. Dat was heel belangrijk voor mij. Dat Sheila in mijn studie geloofde. Zonder die overtuiging, dat teamwork, had ik nooit kunnen slagen. Kijk, zij was de commandant van de vliegbasis. Ik was de dwaze piloot die constant wegvloog. Maar ondertussen zorgde zij dat alles op de basis goed verliep. Dat ik altijd weer veilig kon landen. Zonder zo’n commandant bereik je niets. In het leger en ook tijdens mijn studie haakten er velen af omdat er thuis iets niet klopte. Omdat het thuisfront die opoffering niet kon brengen.
Tijdens de zomer heb ik alles gehaald. Het nieuwe cursusjaar brengt mij samen met allemaal jonge klunzen. Aardige gasten en etterkoppen. Precies zoals ik had meegemaakt in Amsterdam. Ze kijken wel vreemd op maar ik ben niet de enige op leeftijd. Een makelaar van dertig, een non van vijfendertig en een oudere verpleegster. Een paar jaar later zijn die verdwenen. Allemaal afgehaakt. Gek geworden van hun partner. Die kunnen er niet tegen. Ik had alles goed met Sheila besproken. ‘Zes jaar schat. Elke dag op en neer naar Utrecht. Ik ben tien uur per dag weg.’
‘Ik wil dat graag voor jou doen Jan.’
‘Je ziet me alleen nog in bed.’
‘Ook niet, want dan slaap ik.’
‘Maar schat, Ik ga niet voor één college. Ik volg alles.’
‘Dat weet ik Jan, doe maar.’
Op de universiteit word ik daarom de ‘college-stier’ genoemd. Maar ik zeg tegen die gassies:
‘Denken jullie dat ik voor één college heen en weer rij? Jullie zijn gek. Jullie wonen hier om de hoek. Drie hoog, tien keer bellen, in zo’n rotflat. Ik kom helemaal uit Ermelo rijden.’
Ach, in het begin proberen ze flauwekul met me uit te halen maar daar maak ik snel een einde aan. Achter me zit een vent te sissen. Ik pak hem bij z’n nek en flikker hem over de collegebank voor me neer. Doodse stilte in de zaal. Zo, die weten vanaf dit moment dat ze niet met Wynekes moeten dollen. Het oude recept hè. Geestelijk en lichamelijk overwicht anders wordt je in deze maatschappij te grazen genomen. Zelfs mijn veertienjarige achterkleinzoon Tommy heeft dit door:
‘Opa, je moet ook sterk zijn in je bovenkamer hè?’
‘Jongen dat is heel mooi dat je dat nu al weet. Wie heeft je dat verteld?’
‘Niemand, ik merk het.’
Iedereen denkt dat ik gek ben en vindt het overdreven dat ik zo hard studeer maar ik neem geen enkel risico. Ik wil dit halen dus werk ik keihard. Ik zit elke avond boven te studeren. Om tien uur ga ik doodmoe naar bed. Je kunt beter tweemaal drie kwartier voetballen dan studeren. Je bent een wrak. Iedere ochtend rij ik om kwart over zes in een Chevrolet naar de universiteit in Utrecht. Die wagen had ik gekregen van mijn schoonmoeder. Een opvallend lange ‘bak’ die ik nergens kan parkeren. In Ermelo noemen ze mijn wagen de ‘blauwe engel’. Ik besluit hem te verkopen en de allerkleinste Opel te nemen. Op een parkeerterrein bij de universiteit heb ik namelijk achter de pisbakken een parkeerplaats ontdekt. Een klein autootje kan op het trottoir achter de urinoirs staan. Een pastoor die thuis op visite is weet iemand in Brabant voor mijn wagen. Die pastoor is trouwens later getrouwd. Aardige vent. Ik trek hem aan z’n jas over drie kennissen van Sheila. Die hebben al zes kinderen maar mogen van hun geloof niet aan de pil.
‘Wil jij hier even absolutie verlenen. Laat die vrouwen alsjeblieft kezen met de pil hè. Goddomme, maak daar een eind aan hè. Ben je nou helemaal bedonderd.’
‘Wynekes, dat komt voor mekaar. Sheila gaat van drie vrouwen bloemen krijgen.’
De Chevrolet verkoop ik voor een goede prijs en zelf koop ik een klein autootje en rij daarmee dagelijks naar Utrecht. Dat ding staat jaren achter het ‘pissoir’. Nooit een agent gezien.
Vijf jaar op de stoep en nooit gezeik!
Het is inmiddels voorjaar 1967. Tijdens mijn kandidaats vind ik Chirurgie het leukst. Je haalt het open, snijdt de rotzooi eruit en de patiënt kan lopend de poort uit. Aan psychiatrie heb ik een enorme hekel. Ik wil graag concreet zijn. Recht toe, recht aan. Ik hou niet van dat zweverige.
Toen ik een jaar of tien was hoorde ik een gesprek tussen mijn vader en moeder. Ze maakten zich zorgen om mijn geringe groei en eetlust. Mijn moeder zei ‘doe het nou maar’, waarop mijn vader antwoordde ‘er is niets met die jongen aan de hand. Hij is gewoon een deugniet’. Maar op een dag moest ik met mijn hem mee naar een ‘andere dokter’. Ik onderging een psychologisch onderzoek. Uit boosheid gaf ik op alle vragen het tegengestelde antwoord. ‘Ja’ werd ‘nee’, en omgekeerd. Later op mijn achttiende liet mijn vader me een vergeeld papiertje zien. Het was de rapportage van het psychologisch onderzoek. De conclusie: ‘Jan kan het niet ver brengen. Hooguit timmerman’. Vanaf dat moment heb ik een hekel aan alles wat eindigt op ‘oog’.
Nu ervaar ik dat psychologie een belangrijk vak is. Dat je depressies kunt traceren. Ik ontdek dat ik tijdens mijn periode in het leger fouten heb gemaakt. Dat ik een vent had uitgemoerd die een depressie had. Dat herken ik nu pas. Daarom is het goed dat er ook Psychologie wordt gedoceerd op de Militaire Academie.
Het is zover. De uitslag van het kandidaatsexamen.
Ik zeg tegen Sheila, ‘Ga nou eens een keer mee.’
‘Maar dat is toch jouw wereld Jan.’
‘Schat, dan kun je zien wat er allemaal gebeurt. Hoe je vent lijdt. Wat ie allemaal meemaakt.’ Sheila twijfelt en ik vervolg:
‘Jij zegt alleen maar, je haalt het wel, je haalt het wel, maar nu moet je maar eens zien hoeveel mensen daar de nek wordt omgedraaid.’
‘Nou vooruit’, en met tegenzin gaat ze mee.
Samen lopen we, opa en oma Wynekes, de zaal binnen die helemaal is gevuld met snotjongens.
‘Hé ouwe’, roept een aantal studenten.
Sheila reageert verontwaardigd.
Dus die gassies liggen in een krul van het lachen.
Alle kandidaten worden één voor één naar voren geroepen. Sommigen verlaten de zaal door de zijdeur. Die hebben er weer een paar maanden bij. Ik word maar niet naar voren gehaald.
‘Ik heb het toch goed gedaan?’
Krijg ik als laatste een trap onder m’n hol?
‘Ja, en dan komt nu Wynekes. Daar zijn wij zeer tevreden over. Hij is cum laude geslaagd,’
‘Ohhhhh, goed van die ouwe’, roepen de jongeren en weer wordt Sheila boos.
Dat hele kandidaats interesseert me niet veel. Maar door mijn goede cijfers krijg ik direct een plaats voor practica. Ik ontwijk lange wachttijden. Door mijn resultaten mag ik als eerste inschrijven. Er is nog plaats tussen acht en tien uur ’s avonds. Dat kan me niets schelen.
‘Schrijf me maar in.’

Op 52-jarige leeftijd ontvangt Wynekes de studentenkaart voor zijn laatste jaar aan de Rijksuniversiteit van Utrecht.
Des te sneller ik dit achter de rug heb, des te meer tijd ik heb om te studeren. De dagen worden hierdoor nog langer. Ik haal ’s avonds een broodje bij ‘Ome Gerrit’ op de hoek en zit vaak in mijn autootje te wachten tot het acht uur is. Ik staar dan naar de universiteitsgebouwen. Mijn gedachten brengen me bij m’n overleden vader. Hij heeft hier ook gestudeerd. Liep ook door die gangen. Ik heb straks les in het oude gebouw.
De plaats waar hij ook veel colleges heeft gevolgd. Een traan wringt zich uit mijn ooghoek. Oh, wat zou hij trots zijn. Wat jammer dat hij dit niet mee kan maken. Als er een hemel is ligt hij zich daar nu rot te lachen. Jantje, zijn kleine kolonel, wordt misschien alsnog arts. Na z’n vijftigste!
Na een lange en intensieve studie volgt in 1969 eindelijk het doctoraal. Ik zie er enorm tegenop. Het was verdomd veel. Chirurgie, Gynaecologie, Neurologie en Psychiatrie. De oorlog is trouwens van groot belang geweest voor de ontwikkeling van de plastisch chirurgie. De piloten die aan flarden zijn geschoten kwamen met verbrande gezichten naar beneden. Het was een erezaak om zo’n vent weer normaal te krijgen. Ik zit eens in Londen met Sheila bij een Chinees te eten. De eigenaar komt bij ons tafeltje staan en zegt:
‘I was a pilot, here’s my picture.’
Ik kijk naar die foto en vraag verbaasd, ‘Is this you?’
‘No’, zegt de Chinees ‘That was me. I was burned. But this is how I’m looking now.’
Mijn God jongen, die kerel heeft een totaal nieuw gezicht. Fantastisch.
Als trillend riet sta ik met vier anderen te wachten op de uitslag van het doctoraal. Allemaal met kuitenflikkers en in een keurig zwart pak. Daarover een chique lange zwarte jas. Drie van ons worden naar binnen geroepen. Ik vraag aan de amanuensis,
‘Gaan wij het schip in?’
‘Nee, die drie zijn het haasje.’
Dat andere knaapje, vierentwintig jaar oud, begint te schreeuwen en springt op mijn nek. Ik dans door de gang met die snotaap op mijn rug. Ook ik schreeuw het uit van vreugde. Het is allemaal niet voor niks geweest. Dankzij alle opoffering ben ik weer een stapje dichterbij.
Even later sta ik dolgelukkig voor de hoogleraren. Het maakt me zelfs niet uit dat één van hen met deftige stem en een bitterbal in z’n keel zegt: ‘We vonden u bij psychiatrie wat zwakjes.’
In 1970 moet ik stage lopen. Een stageplaats vinden is niet makkelijk. Het is overal mudje vol. Ik weet een stageplaats te bemachtigen in het ziekenhuis de Weezenlanden in Zwolle. Veel studiegenoten vinden dat te ver weg. Maar wat maakt het uit: een uur naar het zuiden, of naar het noorden? Natuurlijk wordt er in het begin gegniffeld en word ik uitgedaagd.
‘Hé, wat kom jij hier nou doen op je ouwe dag?’
‘Ik kom jou helpen’, zei ik dan en dan waren ze meteen stil.
Al in de tweede week mag ik assisteren bij een operatie op de afdeling Neurochirurgie. Een man heeft door een auto-ongeluk allemaal splinters in z’n hoofd. Zijn schedel moet worden gelicht. Ik sta zelfs aan de operatietafel. Nerveus volg ik de verrichtingen van de chirurg en zijn assistenten. Opeens springt er een knoop van mijn broek. Langzaam zakt de broek van m ’n kont. Ik weet niet wat ik moet doen. Die man zijn schedel ligt open en mijn broek zakt op m’n enkels! Die zusters lachen. De neurochirurg vindt het helemaal niet leuk en snauwt tegen hen:
‘Schiet op, kleed hem aan.’
Twee zusters tillen mijn blauwe hemd omhoog en zetten de broek met een speld vast. Ook met de patiënt komt alles goed. Deksel erop, dichtgenaaid en na een week weer weg zonder te bedanken. In de periode daarna werk ik op de kinderafdeling. Er breekt een epidemie van hersenvliesontsteking uit. Alles ineens stampvol met kinderen. De kinderarts vraagt mij:
‘Jan, wil jij eens uitzoeken waar de kinderen vandaan komen?’
En wat blijkt? Allemaal uit dorpjes waar men de kinderen vanwege het geloof weigert in te enten. De arts is ontsteld en zegt,
‘Dit geloof je toch niet!’
Op een gegeven ontmoet ik Weber. Hij is hoofd Gynaecologie en heeft nog een plaats op de afdeling verloskunde in het ziekenhuis de Weezenlanden.
‘Je kunt bij mij drie maanden kinderen halen.’
Weber heeft een oudere co-assistent en wil graag vers bloed. De volgende dag loop ik zaalvisite met hem. Hij bluft tegen de patiënten:
‘Dames, dit is een nieuwe professor uit Utrecht. Een hele goeie dus daar zijn we erg content mee.’ Bij de dames kan niet meer stuk. Tegen de zusters hoor ik hem fluisteren:
‘We moeten deze hebben. Tien keer beter dan die ouwe zak.’
Ik ga op zijn voorstel in en tijdens de drie maanden op de afdeling Gynaecologie doe ik meer dan tweehonderdvijftig bevallingen. Ik mag dat doen in de Weezenlanden en ook in het Sophia ziekenhuis. Eén nacht zal ik nooit meer vergeten. Er is een ‘geboorte-explosie’ op komst. Ik scheur met mijn autootje heen en weer tussen beide ziekenhuizen. Ik kijk bij de ene: drie centimeter. Dan naar een ander: tien centimeter. Snel een injectie om het te bespoedigen en weer door naar het andere ziekenhuis. Beide hoofdzusters zorgen dat ik niets te kort kom. Heeft de één biefstuk, dan ga ik daar als eerste naar toe. Eet ik later bij de andere een karbonade. Die hoofdzusters verwennen mij. Ze zijn natuurlijk bang dat ze blijven zitten met een bevalling zonder arts. Die nacht breng ik tien kinderen ter wereld. Tien nieuwe levens. Moe maar voldaan ga ik die ochtend naar bed. Sheila slaapt nog. Vertwijfeld staar ik naar het plafond. In mijn gedachten vermengen oorlogsbeelden zich met de taferelen van die nacht. Zoveel dood en leven verenigd in één bestaan. En hoe paradoxaal, in beide gevallen knokte ik vol overgave voor de goede zaak. Verward val ik even later in slaap.
De spectaculaire ‘geboorte-nacht’ blijft niet onopgemerkt. In de dagen daarna ontvang ik vele felicitaties. Het blijft een drukke stageplaats. Zwolle is gebouwd op vruchtbare grond. Twee dagen later heb ik opnieuw twee nachtelijke bevallingen. De volgende ochtend loopt Weber voorbij,
‘Zo Wynekes, weer geen klote uitgevoerd vannacht!’
Een week later word ik in de avond geconfronteerd met een spoedgeval. Een patiënt van Weber. Een mevrouw met rachitis-bekken waarbij de bevalling lijkt te beginnen. Dergelijke vrouwen met sterk vernauwd bekken ondergaan vaak een keizersnede. Ik loop snel naar beneden om er literatuur op na te slaan. Ik lees dat zo’n bevalling uren kan duren. Ik bel Weber en vraag hem naar zijn ervaringen.
‘Weber met Wynekes, bij jouw patiënt met rachitis-bekken beginnen de weeën. Ik weet niet of het kind geboren kan worden.’
‘Hoor ik hier een gefrustreerde kolonel? Welterusten Jan.’
Hij hangt gewoon op! Ik blader snel door het boek en kom tot de conclusie dat het kind gewoon geboren kan worden. Waarom vertelt hij mij dat niet? ‘Die kerel schiet ik vannacht nog dood’, denk ik als ik terugkeer naar de patiënte. Ik leg haar uit dat ze zich geen zorgen hoeft te maken.
Na vele uren komt er een klein zwart koppie tevoorschijn. Na een tikje op z’n billen begint ie te huilen en leg ik een gezonde zoon op de buik van zijn moeder.
De volgende ochtend loop ik naar het kantoor van doktor Weber en klop op zijn deur.
‘Binnen.’
‘Dokter, waarom heeft u gisteravond….’
Hij laat me niet uitspreken.
‘Denk na, Wynekes. Denk na. Waarom heb ik dat gedaan?’
‘Ik heb geen idee. Wilt u ’s avonds niet gestoord worden?’
‘Nee man, jij moet op zo’n moment zèlf beslissen. Ik wist dat het kind kon komen.’
Als ik zijn kantoor verlaat moet ik aan mijn vader denken. Die hanteerde dezelfde methode. Die deed dit soort dingen ook. Zelf ervaren is de beste leerschool, hield hij mij altijd voor. Wat je zelf meemaakt is geloofwaardig en vergeet je niet meer.
Dagelijks rij ik op en neer van Ermelo naar Zwolle en terug. Bij nacht en ontij. Ontelbaar veel konijnen en katten jaag ik ’s nachts de stuipen op het lijf. Vertel het niet verder anders krijg ik de hele dierenvrienden maatschappij op mijn nek. Ik kan echter niet anders. Als er zich midden in de nacht een spoedgeval aandient vlieg ik naar Zwolle. Met honderdzestig kilometer per door de gitzwarte nacht. De adrenaline van een nieuw spoedgeval jaagt mij op. Opeens zie in mijn spiegel twee grote en twee kleine lampjes.
‘O mijn God, dat is een Porsche. Foute boel’, flitst het door mijn gedachten.
Op de IJsselbrug bij Zwolle word ik staande gehouden door twee van die grote witte beren.
‘U rijdt veel te hard meneer.’
‘Luister knapen. Ik ben arts en op weg naar een spoedgeval in de Weezenlanden. Mag ik uw namen voor het geval de patiënt doodgaat?‘
‘Nou mijnheer, in dat geval begeleiden wij u wel even naar het ziekenhuis.’
Die gasten geloven me niet en denken dat ik uit mijn nek zit te lullen. Ze escorteren me naar het ziekenhuis en lopen achter me aan naar binnen.
‘A 4, dokter’, zegt de portier.
‘Hij is nog dokter ook!’, zie ik ze denken als ik achterom kijk.
‘Geef die twee een bak koffie’, roep ik naar de portier. ‘Kouwe!’
Er is een Chinese mevrouw binnengebracht. Zij is getrouwd met een Hollandse vent van bijna twee meter. Het kind is een tienponder. Dat wordt dus een keizersnee. De vrouw wordt verdoofd en terwijl ik mijn handschoenen aantrek zegt de chirurg,
‘Zeg Wynekes, ga jij die loempia maar eens halen met je grote smoel.’
‘Godverdorie, wordt ik hier op mijn ouwe dag nog misbruikt ook?’
De eerste keizersnee die ik zelf moet doen. Ik sta te trillen op mijn benen. En zweten. Mijn groene pak plakt als een dweil om mijn lichaam. Ik moet vooraf hardop zeggen wat ik ga doen. Waar ik snij en hoe diep. Dus ik geef de snee. Eindelijk breken de vliezen. Ik kom bij de baarmoeder. Het vruchtwater loopt eruit.
‘Zuigen.’
Snel pak ik het meisje, geef haar een klap op de kont en direct begint zij te brullen. Ik leg haar op de buik van de moeder en kijk op de klok. Vijftig minuten. Tien minuten langer dan het record.
‘De volgende keer breek ik het record.’
‘Het enige dat jij breekt is de code’, reageert de chirurg.
‘Hoezo?’
‘Je loopt naast je schoenen in plaats van stage!’
Een half uur na mijn eerste keizersnee belt Weber:
‘Kom op, we gaan er een uterus uithalen.’ Bij een Française Jan, maar die is niet anders dan bij een Hollandse meid.’ Ik vraag hem naar de naam van die mevrouw.
‘Mevrouw Sandbergen.’
‘Sandbergen?’ Ik leg trillend de hoorn op de haak. Zou het familie van Harry Sandbergen zijn? Mijn jaargenoot op de krijgsschool? Ik spoed mij naar haar kamer, stel me voor en vraag aan haar:
‘Madame Sandbergen, votre mari Harry?’
‘Oui’, antwoordt ze.
Ik sta perplex en kijk haar met grote ogen aan ‘Gibraltar?’
‘Oui.’
‘Moi Jan Wynekes.’
Ze staat naakt op van de operatietafel en omhelst me.
‘Ga liggen’, roep ik geschrokken.
‘Straks word ik geschorst vanwege souteneurpraktijken’, zeg ik grappend terwijl ik nieuwe handschoenen aantrek. Die Weber staat erbij en vraagt droogjes:
‘Jan, jij kent deze vrouw?’
‘Nee, maar het is de vrouw van een kameraad met wie ik in de oorlog heb gevochten.’
Weber legt mij uit dat hij vreest voor kanker en uit voorzorg haar baarmoeder gaat verwijderen. Mevrouw Sandbergen begint een lange en diepe slaap. De operatie verloopt voorspoedig. Die avond besluit ik haar te bezoeken. Natuurlijk hoop ik ook Harry te ontmoeten. Als ik de kamer binnen wandel treffen onze blikken elkaar direct.
‘Wynekes jongen, levensgevaarlijke bandiet, heb jij mijn lief gemold?’
We vallen elkaar geëmotioneerd in de armen en ik fluister ‘Ze heeft geen kanker jongen.’
De omhelzing is lang en intens.
‘Wat ouwehoer je trouwens. Zie jij die snee? Jantje Wynekes jongen. Vakwerk.’
Tijdens mijn stage heb ik blijkbaar een positieve indruk gemaakt op de algemeen directeur van de ziekenhuizen, de heer Craghs. Die vroeg zich af wie die ‘ouwe bok’ is en wordt op de hoogte gebracht van mijn achtergrond en stageverloop. Ik maak kennis met hem en vertel over mijn oorlog- en militair verleden en het ‘slavenwerk’ van de afgelopen maanden in zijn ziekenhuizen. Blijkbaar overtuig ik hem, zonder het zelf te weten, dat de ‘oude arts’ de meest geschikte kandidaat is om dirigerend geneesheer te worden van het verpleeghuis dat in april 1971 wordt geopend. Niet lang na onze kennismaking vraagt hij mij namens het bestuur officieel voor die functie. Voorwaarde is dat ik voor 15 januari, de dag van mijn eventuele benoeming, met succes het artsenexamen heb afgelegd. Enigszins opgewonden rijd ik de volgende dag naar de universiteit. Ik neem plaats tegenover een ongeïnspireerde examencoördinator.
‘Ik kan een baan krijgen dus ik heb haast met het examen.’
‘Dat hebben ze allemaal.’ Met dat antwoord maakt ie me nijdig.
‘Nou verzeker jij mij dat ik snel examen kan doen anders trek ik je over het bureau.’
‘Ja, ja, ik zal dat voor u regelen.’
Kort daarna krijg ik bericht. Tussen twee en vijf januari! Twee weken lang sluit ik mij op. Twintig uur per dag zit ik gebogen over mijn studieboeken. Kort na de jaarwisseling die ondanks een verdwaalde oliebol en wat vaag geknal, geheel aan mij voorbij is gegaan begint eindelijk het examen. Alle vier achter elkaar. Allemaal mondeling.
Een professor Gynaecologie vraagt:
‘Ken jij mijn broer? Die is generaal bij de Luchtmacht.’
‘Ik ken alle namen. Jouw broer is een infanterist jongen. Een loopeend. Kanonnenvoer.’
‘Ja precies’, zegt ie. Van de zenuwen heb ik niet in de gaten hoe grof ik reageer.
‘Doe hem maar de groeten van mij.’
‘Stuitligging, wat doe je dan Wynekes?’
‘Warm water, handschoenen aan, laten persen en als het kontje komt, hopsee omhoog.’
‘Nou donder maar op, of nee laten we nog even over het leger praten.’
Hij vertelt dat ie mijn stagerapportage heeft gelezen. Hij is onder de indruk van mijn ‘trackrecord’. Normaal doe je tijdens je stage een stuk of drie bevallingen ergens op een zigeunerkamp. Ik had er tien in een nacht en zo’n kleine driehonderd in totaal. Meer dan twintig stuitliggingen en geassisteerd bij een aantal keizersnede operaties. Hij is bovendien gefascineerd door mijn oorlogsverleden en de beslissing om op hoge leeftijd te gaan studeren. Ik vertel hem over mijn wonderlijk verleden. Hoe Hitler van mij een moordmachine maakte. Hoe dood en leven een sinistere rol in mijn leven spelen. Dat ik niet geloof maar vurig hoop dat mijn vader dit alles gadeslaat. Ontroerd geeft hij mij een hand en zegt zachtjes,
‘Ik weet zeker dat het leven bij u in goede handen is.’
Als tijdens het examen de professor mij vraagt een stap naar voren te doen weet ik dat ik het heb gehaald.
‘Ik wil u zeggen dat het College u met zeer veel genoegen meedeelt dat u cum laude bent geslaagd. Alleen drie dingen: u kunt er nog geen barst van. Ten tweede, wees nooit te bedonderd om een collega advies te geven en ten derde, u moet die collega nooit vertrouwen, want ook die maakt fouten. Als u dat weet komt u een heel eind. Gaat u maar weer terug naar uw plaats.’
Daarna praat hij nog een hele lullepot maar dat gaat volledig aan me voorbij. Alleen de datum van de officiële uitreiking vang ik op. Ik moet het papier voor vijftien januari in handen hebben.
‘Dat examen hebben ze die ouwe zak gegeven’, fluisteren mijn militaire ex-collega’s in Ermelo.
‘Ach joh, die ouwe krijgt nooit een baan’ is een terugkerend statement. Die jaloezie heeft mij altijd achtervolgd. Maar ik heb er niet onder geleden. Het is net als bij een asperge. Komt je koppie boven het maaiveld dan steken ze je ondersteboven!
Op de dag van de uitreiking loop ik voor de laatste keer door de gebouwen van de universiteit. Ik moet voortdurend aan mijn vader denken. De medicijnen tegen te hoge bloeddruk waren te laat gekomen. Wat zou hij trots op mij zijn. Wat had ik graag gewild dat hij dit had kunnen meemaken. Dat is zo jammer. Dat is zo jammer hè. Dit had ie prachtig gevonden. Als hij hier nou zou zitten en ik zou hem alles over de huidige medische stand van zaken vertellen zou hij zeggen,
‘Jan dat kan niet wat je nou verteld. Je zwamt.’
We hadden dagen kunnen praten.
De uitreiking is een officiële gebeurtenis met diverse ceremoniële rituelen. Eindelijk mag ik naar voren komen. En dan gebeurt er iets dat ik nooit meer vergeet. Ik moet de dokterseed zweren. Ik steek twee vingers in de lucht en op dat moment zie ik een fel licht, wordt aangeraakt en hoor een stem:
‘Wat zul jij nog veel moeilijke jaren krijgen Jan, maar uiteindelijk zie ik je toch in een witte jas’.
Ik ben versteend. De woorden van Moesje I… Tranen rollen over mijn wangen. Ik raak in een soort shock. Diverse studenten vangen mij op.
‘Jan, je bent geslaagd, wat lul jij nou’, hoor ik in de verte. Ik ben volledig van de kaart. Tientallen jaren heb ik er niet meer aan gedacht. Zij, Moesje I, heeft gelijk gekregen. Hoe is dit mogelijk. ‘moeilijke jaren…’ en ‘witte jas...’. Hoe kon zij dat hebben geweten…?
Mijn nieuwe dienstbetrekking begint met een stoomcursus in een verpleegtehuis te Haaksbergen. Niet lang daarna ga ik, op 52-jarige leeftijd van start als dirigerend geneesheer in het derde verpleeghuis in Zwolle. We zijn gehuisvest in de B-vleugel van het Weezenlanden ziekenhuis en hebben binnen drie maanden honderdtwintig mensen ondergebracht. Een druppel op de gloeiende plaat maar we realiseren een bezettingsgraad van 100 procent. Het ziekenhuis groeit uit z’n jasje en heeft de B-vleugel nodig. Ik dien plannen in voor een nieuw verpleeghuis dat plaats biedt aan 180 psychogeriatrische en somatische bewoners. Achteraf had ik nog hoger in moeten zetten. Onderhandelen is immers niets anders dan schaken, hè. Ik had een slim plan geschreven om het ziekenhuis via een ‘navelstreng’ met het nieuwe verpleeghuis te verbinden. Dat valt in Den Haag in verkeerde aarde. Ze kunnen me wel doodschieten als ze mijn voorstel onder ogen krijgen. Een kruipruimte, meer zit er volgens de Haagse Heren niet in. Ik zet mijn plannen toch door en er komt een prachtige ondergrondse verbinding. Daarop wordt de directeur tijdens de opening onvriendelijk toegesproken door een Haagse vertegenwoordiger.
Tijdens deze periode voert de actualiteit me weer terug naar de oorlogsjaren. De Lockheed-affaire brengt Prins Bernhard in grote problemen. Ik wist na de oorlog, bij gerucht, dat Bernard één buitenechtelijk kind had. Van die tweede dochter wist ik niets. Er werd gesuggereerd dat hij voor de opvoeding van die kinderen geld nodig had. Daarvoor was dat geld van Lockheed bedoeld, zegt men. Hij had zelf voldoende geld op de bank. Voor zichzelf heeft hij dit dus niet nodig. Maar het is vermoedelijk voor zijn kinderen en moet in het geheim. Hartstikke stom natuurlijk. Maar ik heb met hem te doen. Op 8 september wordt Bernhard door minister president Joop den Uyl eervol ontslagen als Inspecteur-Generaal van de Koninklijke Landmacht. Dat hij in het openbaar zijn uniform niet meer mag dragen doet hem verschrikkelijk veel pijn. Een militair zonder uniform is een nobody. Hij is niet langer de Inspecteur-Generaal maar meneer Bernhard!

Dirigerend geneesheer Jan Wynekes aan het bed van een patiënt in het verpleeghuis te Zwolle.
Mijn drukke werkzaamheden in de gezondheidszorg nemen mij volledig in beslag. Behalve ‘dirigerend’ ben ik voornamelijk geneesheer. Negentig procent van mijn tijd besteed ik aan de medische zorg van de honderdtachtig patiënten. Er werken veel nonnen in het verpleeghuis. Die doen fantastisch werk. Die blijven zolang als nodig is bij de patiënten. Geweldig. Op warme dagen zitten ze op hun knieën en doorzoeken de gangen op rondslingerende pluisjes en ander vuil. Als aasgieren op een slagveld. Een bijna uitgestorven ras. Zonde. Ik geloof wel in iets hogers. Ik weet niet wat, maar er is meer. Maar ik kan niet tegen dat gezwets van die religies. Aan al dat geknoei van die geloven heb ik de pest. Kijk nou naar die reddingsactie van de mijnwerkers in Chili. Daar bedenkt een ingenieur een prachtig systeem om al die mijnwerkers te redden. Ongelofelijk knap hoe die vent dat heeft gedaan. En als ze dan allemaal boven zijn staat daar de President. Hij neemt het woord en bedankt als eerste… God! Man dan staan mijn tenen krom in mijn schoenen. Die ingenieur staat ergens verloren achteraan. Kijk als een mens op zijn sterfbed uitkijkt naar zijn plaatsje in de hemel heb ik daar respect voor. Voor het oprechte geloof heb ik diepe waardering. Maar religie zorgt ook voor veel scheefgroei. Veel wordt met de mantel der liefde bedekt. Kijk maar naar de toestanden in de Katholieke Kerk. Ik spreek in de Weezenlanden eens met een pastoor over de zonden van de mens.
‘Jan, wijwater en de kwast erover dan is het goed. Als er dan ook nog wat wierook naar de hemel dwarrelt zijn de zonden vergeven.’
‘Dat is toch een machtig geloof dat jullie hebben hè!’, reageer ik cynisch.
‘Ach Jan, jij begrijpt dat niet jongen.’
‘Nee, ik ben absoluut niet algemeen ontwikkeld.’
‘Nee Jan, met jou kunnen wij niet praten’, en hij schudt zijn hoofd.
‘Nee dat dacht ik ook al,’

Een persoonlijk briefje van Prins Bernhard waarin hij schrijft niet bij het afscheid aanwezig te kunnen zijn.
Ik geloof in de zorg voor patiënten. Ik trek mij hun lot erg aan. Ik neem geen extra artsen aan maar ziekenverzorgers om zoveel mogelijk handen aan het bed van de patiënt te realiseren. Om tien uur in de ochtend ruik je bij de meisjes al transpiratie, maar de bewoners zijn schoon en hebben ontbeten. Dat vind ik belangrijk. Op vijfenzestigjarige leeftijd geef ik in 1983 het stokje door.
Ik ga daarna nog vier jaar lang driemaal per week naar Almelo om ziekenverzorgers en verpleegkundigen te doceren. Ik geef les in pathologie en anatomie. Tijdens een gure winterochtend raak ik op een gladde weg in de slip. Dat is het moment waarop ik het voor gezien hou. Ik wil mijn nek, nadat ik een vuile oorlog heb overleefd, niet breken in Almelo! Die oorlog was een duister avontuur waarin ik vele malen had kunnen sneuvelen maar door pure ‘zwijn’ in leven ben gebleven. Een verhaal dat begint in 1937 met mijn besluit om in het beroepsleger te gaan…